Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
“Bomen dragen alle kleuren. Zijn moeder vertelt hem over dassen en vossen, herten, valken. ‘Als je weet waar je moet kijken, vind je ze, James.’ Na de zomer, de eerste keer naar school: de meester luidt zijn bel op het schoolplein, de lessen beginnen, Welmoed rent het groepje moeders in, dan toch overvallen door het afscheid, en slaat zijn armen om haar benen. Hij hoort een ingehouden gegniffel, en wanneer hij zijn ogen opent kijkt hij zijn moeder recht aan, twee meter verderop. Ook de andere moeders beginnen te lachen. Meteen al, nog met zijn armen om de verkeerde moederbenen, snapt hij de blunder. Hij snapt ook dat dit grappig is, snapt het allemaal, maar kan zich niet inhouden. Het verschil tussen hart en hoofd. Hij huilt en zijn moeder lacht, een scheur in de wereld, voor het eerst bestaat hij afgescheiden van baar, alleen. Op een middag in 1605 passeert koning James I — de zoon van de onthoofde Mary, Queen of Scots en op zijn beurt de vader van de later onthoofde Charles I — het slaperige dorpje Newmarket, in Suffolk, en hij fantaseert dat de uitgerekte, brede weide daar een prachtige baan voor paarden kan zijn. Fantasieën van koningen zijn realiteiten in afwachting. James, de koning die Schotland en Engeland met elkaar verenigde, de heksenvervolger, de Bij-belvertaler de mecenas van Shakespeare en John Donne, en dus ook de grondlegger van de paardenrennen. Hij annexeert Newmarket als persoonlijk grondgebied en in de eeuw erna groeit het gehucht uit tot een symbolische tweede hoofdstad. Heren en hertogen ontdekken in de volbloed een spiegel voor hun eigen rangenmaatschappij. Ze importeren Darley Arabian, Godolphin Bark en Byerly Turk, de drie hengsten waarvan het bloed als een schaduwdynastie door de eeuwen stroomt, elk toppaard is tot hen terug te leiden, een zuiverdere bloedlijn dan de meeste aristocraten voor zichzelf kunnen overleggen. Groot-Brittannië wordt een rijk van fokkers, kopers, investeerders, veilingmeesters, jockeys, coaches, bookmakers, gokverslaafden, staljongens, zadelmakers, hoefsmeden, producenten en verkopers van zwepen, borstels en oogkappen. Welmoed rent langs de velden, kijkt hoe ver hij van huis durft te gaan.”
Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)
De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.
LIEFDESGEDICHT MET EXCUSES VOOR HOE IK ERBIJ LOOP
Soms denk ik dat ik mijn slechtste kant voor jou bewaar. De slobberige dennengroene joggingbroek, de lange bh-loze dagen, haren geklit en verward, een voorhoofd vol schaduwen waarin duivelse gedachten hun hoefklepperdans doen op het brein. Liefst wil ik zeggen dat dit betekent dat ik van je houd, het T-shirt van vlekkerig wit katoen, de tranen, de pistachedopjes, de berg sinaasappelschillen op mijn bureau, maar zo zit het niet. Ik beweeg me in dit huis met jou, zoals ik me beweeg in mijn hoofd, niet verkrampt in de kooi van mooi zijn. Ik doe zoals ik doe in het hoge gras, meer dier-in-mij dan veel anders. Nee, het komt omdat ik van je houd, maar nog meer omdat wanneer jij het terugzegt, lichten uit, een koude wind door de gordijnen, ik het, misschien voor het eerst in mijn leven, geloof.
“Maart ’44 ben ik geboren, zeven jaar na onze Louis. De hele oorlog hadden ze geen nagel om aan hun gat te krabben, toch werd ik gemaakt. Ik heb dat lang niet begrepen. Was míjn eerste kind Louis, ik had meer dan genoeg. De gelukkigste mens op aarde zou ik zijn. Het schijnt dat ik bijna vanzelf ben gekomen. Ons vader was nog maar juist de kamer uit of hij mocht al terugkomen. Hij boog zich over de wieg en hij moet zo diep gezucht hebben dat ze hem aan de andere kant van het dorp konden horen. Geen schoner kind dan Juliette, moet hij gezegd hebben, dat híj zoiets kon maken, het was een wonder. Daarna trok hij zijn jas aan en hij verdween. Na drie dagen sloeg ons moeder een warme doek om mij heen, legde me in de wieg naast de kachel, stapte in haar schoenen en liep recht naar café ‘Onder Den Toren’, waar ze ons vader van de toog weg sleurde en hem niet meer losliet tot ze weer voor ons huis stond. Ze deed de voordeur open, schopte ons vader tegen zijn billen en wel zo hard dat hij knal met zijn gezicht tegen de vloer vloog, zijn voorste tanden brak en zijn neus ook. Ze deed de deur weer dicht, stapte over hem heen, nam mij uit de wieg, opende haar hemd en legde mij aan de borst. Een uur heeft hij op de grond gelegen. Toen deed hij zijn ogen open, sukkelde overeind, krabde het bloed van zijn lippen en wangen, van zijn neus en van de grond, draaide zich om en liep naar de voordeur. Ons moeder zat naast de kachel, ik lag nog altijd tegen haar aan. Wat hij van zin was, vroeg ze. Niks, zei ons vader, helemaal niks, waarop hij de voordeur opentrok. Ze kwam hem niet meer halen, zei ons moeder. Nooit meer. De voordeur ging weer dicht. Ons vader ging op de grond zitten, sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Het schoonste kind van de wereld, zuchtte hij, en dat dat niet kon, hij moest zijn eigen kop nog maar bekijken of hij wist het al. Ons moeder glimlachte. En met die glimlach ging ze voor hem staan. Dat hij haar eens goed bekeek, zijn vrouw, de rapste, de slimste, de schoonste van uren in het rond. Zag ze eruit alsof ze haar hart zou geven aan de eerste de beste dwazerik? Het was hém die ze wilde, hem en geen ander.”
„Sie regierten im Tal der Iser, in Nordost-Böhmen, ohne daß man weiß, wie und wann sie zu ihrer Herrschaft gelangt waren: slawischer Uradel. Das Merkwürdige ist, daß sie im Ursprung dort regierten, wo 400 und 700 Jahre später noch die Besitzungen der Waldsteins lagen und daß wir von Gründungen der Markwartinger, wie zum Beispiel Stadt und Kloster Münchengrätz, noch hören werden. Im späten 13. Jahrhundert teilten sie sich in allerlei Familien, die eine gesonderte Identität zu pflegen begannen. Von Albrecht Wallenstein schrieb sein mährischer Schwager, Karl von Zierotin, den jungen Mann empfehlend: »Er ist hoch geboren (bien né) wie Sie wissen, und mit allen großen Häusern Böhmens verwandt.« Das traf zu. Nicht nur war einer seiner Ahnen Marschall am Hof des gewaltigen Tschechenkönigs, Georg von Podiebrad; er stammte auch selber von diesem Herrscher ab, und zwar so, daß eine seiner Urgroßmütter von Mutters Seite, eine schlesische Herzogin von Münsterberg, die Urenkelin des Königs war; dieser, zählen wir richtig, war Wallensteins Vorfahr in der siebten Generation. Was dann seine lebenden Verwandten betrifft, die Smiricky, Slawata, Wartenberg, Zierotin, Lobkowicz und andere gleich tönenden Namens, so wohnten sie ringsum in den Schlössern Böhmens und der Markgrafschaft Mähren; in Grenzburgen gegen Deutschland und Ungarn hin, uralten, den Felsen sich anschmiegenden Gemäuern, je nach Bedürfnis und Stil der Zeit erweitert mit Ecktürmen, Vorburgen und Ringmauern; in Schlössern neuen italienischen Stils, langen Fluchten steinerner Säle um Arkadenhöfe, reich geziert mit Holztäfelungen, vergoldetem Schnitzwerk, Wappen, kostbaren Stoffen, Fabelbildern und Ahnenbildern; am Marktplatz ihrer eigenen Städte, in den Gassen der Prager Kleinen Seite, oder zwischen waldumrauschten Höhen und dem Fluß im Tal – da wohnten sie; umgeben von Künstlern aus Welschland, die ihnen etwa gerade den Rittersaal mit Fresken auszumalen oder den Park mit Statuen und Brunnen zu schmücken hatten, von Leibärzten und Seelsorgern, von französischen, italienischen, deutschen Sekretären; bedient von Stall-, Jäger- und Haushofmeistern, von Ober- und Unterköchen, Pastetenmachern und Zuckerbäckern, von Kammerdienern, Lakaien, Haiducken, reitenden Boten; Souveräne so weit ihr Reich reichte, Herren über Leben und Tod ihrer Untertanen; Patrioten wohl auch, Hauptleute ihres Kreises, tätige Mitglieder des Landtages in Prag, Inhaber der obersten Landesämter, aber Patrioten auf ihre Art, so nämlich, daß sie des Landes Freiheit gleichsetzten mit ihren Freiheiten, welche in Jahrhunderten den Königen und Bürgern abgezwungene, ungeheuere Vorrechte waren.“
Ik steunde ’t hoofd op mijn ontladen jachtgeweer. Al mijmerend, verging de lust mij meer en meer nog zijn wolvin en welpen te vervolgen, die slechts node van hem scheidden, en, naar ik het zie, zou zeker ’t fiere wijfje, zonder haar twee jongen, in de ure des gevaars hem zijn te hulp gesprongen; maar zij had zich aan ’t redden van het kroost gewijd, moest hun nog leren, hoe men waardig honger lijdt, hoe men te allen tijde zich moet houden buiten ’t verdrag dat mensen met geknechte dieren sluiten, die jagen voor de mens, in ruil voor onderhoud, zij, voorheen zelf de meesters van gebergte en woud.
Vertaald door Martinus Nijhoff
Alfred de Vigny (27 maart 1797 – 17 september 1863) Standbeeld van Alfred De Vigny in zijn geboorteplaats Loches, departement Indre-et-Loire
Annunciation (Malcolm Guite), Paul Meeuws, Joy Ladin
Bij Maria Boodschap
De Annunciatie door Leonardo da Vinci, ca. 1472
Annunciation
We see so little, stayed on surfaces, We calculate the outsides of all things, Preoccupied with our own purposes We miss the shimmer of the angels’ wings,
They coruscate around us in their joy A swirl of wheels and eyes and wings unfurled, They guard the good we purpose to destroy, A hidden blaze of glory in God’s world.
But on this day a young girl stopped to see With open eyes and heart. She heard the voice; The promise of His glory yet to be,
As time stood still for her to make a choice; Gabriel knelt and not a feather stirred, The Word himself was waiting on her word.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) De St. Petruskathedraal in Aremo, Ibadan, Nigeria, de geboorteplaats van Malcolm Guite
“De galeriehoudster, vermaard om haar collectie wajangs, chinees aardewerk, een dikbuikige Boeddha en sinds kort, een ‘gedurfde verzameling moderne kunst’ (de plaatselijke pers) wist de kinderen tactisch van haar oosterse snuisterijen te weren. Ze stelde, mits ze goed naar hun onderwijzer luisterden, een kartonnetje in het vooruitzicht, waaruit ze hun eigen wajang konden prikken voor boven hun bed. Haar broze garnituur was maar schijn. Toen enkele belhamels te dicht in de buurt van haar porseleinkast kwamen, werden ze domweg terug geduwd. Hun onderwijzer zond ze een krisscherpe blik. De vorm van de bronzen dwong tot uitleg. Waarom geen armen maar stompjes? Waarom hadden de hoofden geen ogen, maar de borsten wel tepels? De jongens betrokken hem knipogend in een complot tegen de meisjes. Ze waren pas tien, maar hadden nu al van hun vaders geleerd over dit soort zaken vrijpostig te zwijgen. De onderwijzer had op zijn opleiding het een en ander over de kunst van het weglaten geleerd. Men kan, ook al is men pas tien, een ontwikkeling die inzette bij de Venus van Milo toch zomaar niet weghonen? Een keur van argumenten had hem kunnen wapenen tegen de spotlust van deze kinderen. Er waren manifesten geschreven, epaterende pamfletten vaak, die het mes zetten in de realistische verbeelding; niet een was er gericht tegen kinderen. Sprak er uit al die geschriften niet hetzelfde respect voor de onbezoedelde kinderblik, als een nostalgisch a priori? Hadden die pamfiettenschrijvers dan geen kinderen? Hij had te kiezen uit twee even uitzichtloze conclusies. Of de kinderblik was wel degelijk bezoedeld, vooringenomen en benepen en die van de moderne kunstenaar dus niet minder. Of de kinderlijke schamperheid gold een bij uitstek volwassen aangelegenheid, waarover zij niet oordelen konden, en waarvan men de drijfveren uit kiesheid verzweeg of met een zekere sprookjesachtigheid omgaf. Ook dan was deze excursie tijdverlies, verspilde moeite. Hij zocht houvast bij een paar meisjes, altijd dezelfde, die zich aan hun onderwijzer hadden gehecht. Ze knikten trouwhartig op alles wat hij hakkelend te berde bracht. Maar toen hij die befloerste oogjes zag, sloeg even de vlam in zijn betoog, dat oplaaide als de arabesk van gepolijst koper waar hij met zijn bespreking net aan toe was. ‘Dit’, riep hij uit, ‘is als het vuur dat nu nog smeult in jullie hartjes en in de kinderlijke grilligheid vergeefs een uitweg zoekt’.”
Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)
De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.
Psalm
[III]
De voetstappen van de Heer in de tuin. Ik weet wat me te doen staat, trek mijn huid aan
en doe een poging tot mens, wetend dat jij allang weet wat er scheelt tussen het schepsel dat ik ben
en het schepsel waarvan jij dacht dat je jezelf er naar binnen zou blazen op de avond van de zesde dag. Ik weet,
je zal mijn naaktheid teder bedekken, maar ook ontgoocheld dat ik mij iets moet voelen
anders dan naakt, want naaktheid is het beeld waarin ik ben geschapen, het beeld
te kijk door je doorkijkvoile van verlegen jonge sterren die heel stilletjes zingen
om maar niet te smoren wat jouw beeld binnenin hen zingt. Je wilt dat ik jou zie,
hoe je je weg plukt daar door de tuin binnen mijn huid. Je doet zo je best
te worden gezien. Ik doe zo mijn best niet iets te zijn waar je op hoopt als ik hongerig tussen de blaadjes door spied.
Niet tegen je praten kan ik niet maar je kunt op de vingers narekenen van de hand die je niet hebt
hoe vaak je hebt geantwoord. Soms misschien verblind je mij met al je staatsie. Eén zweem,
en het geruststellend levensooglid knijpt zich weer op je toe. Nu
lijd ik geen enkel leven over het grimmig continent van je verlangen naar een staren
naar jouw staren naakt en onbeschaamd, een beeld van jou dat niet wegkijkt
De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.
In the Beginning
There was love. And out of love Came graves and mountains, Clefts in rocks, footsteps in gardens, Warm-blooded creatures Taking shape in darkness, Peppermills and grocery lists, Squirrels scrabbling on copper roofs, The smalls of backs, the backs of necks, Tea lights and tapers, Badly sewn curtains, Sobs in the night, policemen on lawns, IVs and ambulances, Skies full of stars Waiting for eyes To see them as constellations.
The World at Your Feet
What is man that you are mindful of him… laying the world at his feet? — Psalm 8
Eden eyes you from afar. Waterbirds Flick their white-tipped wings
Shyly as they skim The paradise ashiver
In the river’s ripples: palm and eucalyptus, Animals eager to receive their names,
Sheep and oxen, wild beasts, all the birds of heaven. The Garden that’s longed for you
From the instant longing split you Colors like a jilted lover, flashing
The iridescent eyes of peacocks, brushing your brow With willow fingertips,
While you, who long to lose yourself In the world that longs to take you
Where God is imperative to blossom And thirst for the knowledge of sorrow
Becomes the sorrow of the knowledge There was no need to thirst,
Find yourself With the world at your feet
Choosing again To betray her.
Making Love
I reach for God and brush your breast,
reach for you and brush God
dangling and tipped, gathered over years
of concealment and revelation into this teardrop of flesh
spilling toward my lips. I don’t know
what is entering me. I don’t know what I’ve entered,
or when God became a shudder of pleasure,
compressing the universe’s exploding center into this triangle of desire
so that touching you is touching God
swaddled in arms and legs, shy as a new-made planet
you and I, breath-filled clay, were created to inhabit.
Een klein stukje oceaan
Kinderen hurken op een luchtbed midden in het water. Het halfvolwassen hert verdwijnt
in een bosje jeneverbes en riet. We weten dat schelpen ooit leefden, maar het is moeilijk voor te stellen
wat stenen ooit hebben meegemaakt. Moeilijk om een aards wezen te zijn in een wereld bedekt met water. Ik maak me geen zorgen
over gelukkig zijn. Ik wilde voelen: Missie volbracht.
Ik wilde de schaduw die ik wierp erkennen, meer licht dan schaduw werpen. Mijn dochter en ik
bereiken de boeien die het touw drijvende houden. Onder ons, duisternis, die oprukt.
Uit: De laatste kinderen van Tokyo (Vertaald door Luk Van Haute)
“Mumei, nog steeds in zijn blauwe zijden pyjama, zat met zijn achterste tegen de tatami geplakt. Dat hij wat aan een kuiken deed denken, kwam misschien doordat zijn hoofd zo groot was in verhouding tot zijn lange, smalle hals. Zijn haar, zo dun als zijdedraad, was nat van het zweet en kleefde in klitten aan zijn huid. Hij hield zijn oogleden bijna gesloten en bewoog zijn hoofd om met zijn oren de ruimte af te tasten, en zo het geknars van de zware voetstappen buiten op het grindpad met zijn trommelvliezen op te vangen. Het geluid klonk steeds harder en hield toen plotseling op. De schuifdeur begon te ratelen als een goederentrein en Mumei deed zijn ogen open, waarop het zonlicht kwam binnengestroomd, geel als gesmolten paardenbloemen. Mumei trok zijn schouders krachtig naar achteren, stak zijn borst vooruit en hief zijn gespreide armen de hoogte in, alsof hij zijn vleugels uitsloeg. Yoshiro kwam hijgend in zijn richting. Een glimlach trok diepe rimpels in zijn ooghoeken. Zodra hij een been optilde en omlaagkeek om zijn schoen uit te trekken, druppelde het zweet van zijn voorhoofd. Yoshiro huurde elke ochtend een hond bij de ‘hondenverhuurder’ aan het kruispunt voor de dijk. Met de hond aan zijn zij rende hij dan een halfuur op die dijk. De rivier was als een bundel zilveren linten. Als het waterpeil door schaarste heel laag stond, stroomde hij verrassend ver van de oever vandaan. Op die manier zomaar zonder reden hardlopen op de weg noemden de mensen vroeger ‘joggen’, maar met het verdwijnen van de leenwoorden werd het vanaf een bepaald moment ‘weglopen’ genoemd. Eerst was het een modewoord dat voor de grap werd gebruikt, in de zin van: ‘Als je hard loopt, gaat je hoge bloeddruk weg’, maar na een poosje was het ingeburgerd. Mumeis generatie had er nooit bij stilgestaan dat ‘weglopen’ vroeger ook een romantische connotatie kon hebben. Ook al werden leenwoorden dan niet langer gebruikt, bij de hondenverhuurder waren de fonetische tekens waarin de namen van de buitenlandse rassen werden geschreven nog overvloedig aanwezig. Toen Yoshiro begon als ‘wegloper’, had hij weinig vertrouwen in de snelheid die hij aankon, en dus ging hij ervan uit dat hij het best een zo klein mogelijk hondje kon kiezen.”
Ik sta op de bovenste sport en de ladder trilt; boven me hangen de winterperen net buiten bereik, schoon en zwaar aan de takken geregen en wiegend als de schorten van mijn grootmoeder die aan de waslijn hangen te drogen. Ik laat er een vallen in de tas die ze onder me openhoudt. Ze glimlacht, en ik word meegetrokken in de omhelzing van haar blik – naar beneden, naar handenvol aarde, seizoenen, de lege beker van een verloren dochter, een verloren borst. Ik ben verweven in kilometers aan quilts, gordijnen, tafelkleden, zomen van broeken, rokken. Ik zit aan haar vast als een knoopje aan een borstzak, en ik ruik zeep, tomaten, kippensoep, Portugees zoet brood, geitenkaas, peren… en ik laat me zakken langs de knoestige tak, de ladder af om de volle zak met fruit te pakken waar ik zo van houd, warm van de zon en gevlekt als haar handen.
What scene would I want to be enveloped in more than this one, an ordinary night at the kitchen table, floral wallpaper pressing in, white cabinets full of glass, the telephone silent, a pen tilted back in my hand?
It gives me time to think about all that is going on outside– leaves gathering in corners, lichen greening the high grey rocks, while over the dunes the world sails on, huge, ocean-going, history bubbling in its wake.
But beyond this table there is nothing that I need, not even a job that would allow me to row to work, or a coffee-colored Aston Martin DB4 with cracked green leather seats.
No, it’s all here, the clear ovals of a glass of water, a small crate of oranges, a book on Stalin, not to mention the odd snarling fish in a frame on the wall, and the way these three candles– each a different height—
are singing in perfect harmony.
So forgive me if I lower my head now and listen to the short bass candle as he takes a solo while my heart thrums under my shirt– frog at the edge of a pond– and my thoughts fly off to a province made of one enormous sky and about a million empty branches.
The Lanyard
The other day as I was ricocheting slowly off the blue walls of this room bouncing from typewriter to piano from bookshelf to an envelope lying on the floor, I found myself in the ‘L’ section of the dictionary where my eyes fell upon the word, Lanyard. No cookie nibbled by a French novelist could send one more suddenly into the past. A past where I sat at a workbench at a camp by a deep Adirondack lake learning how to braid thin plastic strips into a lanyard. A gift for my mother. I had never seen anyone use a lanyard. Or wear one, if that’s what you did with them. But that did not keep me from crossing strand over strand again and again until I had made a boxy, red and white lanyard for my mother. She gave me life and milk from her breasts, and I gave her a lanyard She nursed me in many a sick room, lifted teaspoons of medicine to my lips, set cold facecloths on my forehead then led me out into the airy light and taught me to walk and swim and I in turn presented her with a lanyard. ‘Here are thousands of meals’ she said, ‘and here is clothing and a good education.’ ‘And here is your lanyard,’ I replied, ‘which I made with a little help from a counselor.’ ‘Here is a breathing body and a beating heart, strong legs, bones and teeth and two clear eyes to read the world.’ she whispered. ‘And here,’ I said, ‘is the lanyard I made at camp.’ ‘And here,’ I wish to say to her now, ‘is a smaller gift. Not the archaic truth, that you can never repay your mother, but the rueful admission that when she took the two-toned lanyard from my hands, I was as sure as a boy could be that this useless worthless thing I wove out of boredom would be enough to make us even.’
LIEFDE
De jongen aan het andere eind van de treinwagon bleef over zijn schouder kijken alsof hij bang was of iemand verwachtte
en toen verscheen zij in de glazen deur van de voorste wagon en hij stond op en opende de deur en liet haar binnen
en ze betrad de wagon met een grote zwarte kist met de onmiskenbare vorm van een cello.
Ze oogde als een engel met een hoog voorhoofd en donkere ogen, haren in haar nek bijeengebonden met een zwarte strik.
En vanwege dit alles scheen hij een beetje onhandig in zijn geluk om haar te zien,
terwijl zij er gewoon was, volmaakt schepsel met een zacht gezicht , dat cello speelde
En de reden dat ik dit schrijf op de achterkant van een manilla envelop nu zij de trein samen hebben verlaten.
is dat ik je wil vertellen dat – toen zij zich omdraaide om de grote, kwetsbare cello in het bagagerek te tillen-
ik zag dat hij opkeek naar haar en wat ze deed, zoals de ogen van heiligen zijn geschilderd
als zij opkijken naar God als hij iets wonderbaarlijks verricht, iets dat hem tot God maakt.
Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies twintig jaar! (Al verscheen het eerste bericht op Seniorennet pas op 10 augustus 2007) Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérodeop dit blog enRomenu’s eerste lustrumpagina.
De vrienden
Bij ’t portret van Jaap en Okke Hun houding drukt hun diepste wezen uit De grootste zit, in wakkren droom verloren, Op ’t rijzen van de stem des bloeds te hooren, De nachtegaal die in harts meinacht fluit.
Hij wond zijn arm los om zijn makker heen In groote goedheid, niet om steun te ontvangen. Wie luistert naar zijn innigste verlangen, Hij vindt zijn vastheid in zichzelf alleen.
De jongste staat, zijn oogen moedig open, Gereed om met zijn onbevlekte kracht Het schoone leven naar zijn wil te dwingen.
Gelukkigen! Zij hebben wat zij hopen: De reine houdt de wereld in zijn macht, En die gelooft, bezit reeds alle dingen.
We woonden nog op het kasteel en vader stapte binnen met wat voor ons de eerste teletijdmachine was een commodore een plastic bak met vensterglas waarachter ik de nieuwe wereld zag met broertjes vocht ik om de aandacht van het ding de gunst van de betovering – het spel met de Perzische prins
—
We belden later later eenzaam in als onverbonden wezen weifelend zocht de modem vertraging van het verlangen contact
—
Maar we leefden net zolang tot elk van ons zichzelf in de ban van het ding volledig omringde met schijn met de glans van de ring met het schijnsel van schermen online scheen alles onmiddellijk nabij
—
Op een kleine planeet groeide toen het idee dat je in deze wereld helemaal je hele zelf kan zijn astronaut in het diepst van je gedachten ongebonden tijdloos tollend om je eigen as planeet zonder zon
—
Alleen je blijkt niet alleen zo alleen in de ruimte woekert oneindig de braamstruik ik zie het aan en breid mijn databundel uit schrijf en schrijf om er te zijn
—
We tasten, we zweven soms lijkt iets dichtbij maar weet jij of weet ik veel want wat is er waar dit hier jij daar zonder nabijheid is alles verhaal
De Lente (Frederik van Eeden), Ricus van de Coevering
Bij het begin van de lente
Voorjaar door Sabine Frey, 2011
De Lente
Reeds is het statig eiber-paar gekomen, ’t geduldig rijs wringt stil de knoppen los, de zoele lente luwt door ’t zonnig bosch en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.
Violengeur stijgt op uit vochtig mos, een bronzen gloed verjongt de dorre boomen, en primula’s en dotterbloemen zoomen de groene wei met gouden voorjaarsdos.
Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht! wat scheen uw toeven lang! — is ’t niet mijn leven dat door uw donzen adem wordt gewekt?
Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt, des weerziens zaligheid mij niet meer geven en grimmig grijnst dan d’eindelooze nacht.
Frederik van Eeden (3 april 1860 – 16 juni 1932) Haarlem, de geboortestad van Frederik van Eeden in de lente
“Timo stapte uit bed, misschien voor de laatste keer als scholier. Alleen het woord al, scholier: pokdalig en mager, onhandig en verlegen. Straks was hij misschien student in de stad, student biotechniek. De film 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick had hem op het idee gebracht om iets in die richting te gaan doen. Tijdens een filmavond op school gebeurde het. Hij zat helemaal achter in de aula, waar de Abtrünnigen en einzelgängers zaten, toen een sprookjesachtig verlangen met een schokje in hem wakker werd. Op het witte doek gebruikte een mensaap een langwerpig bot voor het eerst als werktuig en sloeg er een andere mensaap mee dood, om het wapen vervolgens met een brul de lucht in te gooien. De camera volgde de vlucht — en in de volgende scène was het gereedschap veranderd in een ruimteschip dat door het heelal reist. Hoe de mens eens het universum ontdekken zal, als intergalactisch, bijna onsterfelijk wezen in het gewichtloze oneindige; de filmmuziek deed hem op een prettige manier huiveren, de ‘Sonnenaufgang’ vooral, uit het symfonische gedicht van Richard Strauss, opus 3o. Het oergeluid van de pauken, die hele compositie, zo indrukwekkend als het besef van de geboorte van het universum zelf. Thuisgekomen die avond, deed hij op zijn computer onderzoek naar de film — en zo kwam hij via Kubrick en Strauss al snel bij Nietzsche uit. Hij las over de dood van God, gestorven aan medelijden om de mensen, en over de afwezigheid van moraal en waarheid, over de ondergang en overgang die de mens tegelijkertijd is. In de maanden daarna leerde hij citaten uit zijn hoofd en wanneer iets menselijks hem niet beviel dan dacht hij: der Mensch ist ein Seil, geknüpft zwischen Tier und Obermensch — ein Seil über einem Abgrunde. Aangenaam, Timo Vinck, student Bachelor of Science richting Biotechniek — zo stelde hij zich in zijn fantasieën soms al voor. Zo gepassioneerd als de docenten tijdens de open dagen over hun vak spraken, over de mogelijkheden die de mens nog te wachten staat, hoe aanstekelijk hun visioenen waren, de snelheid van de ontwikkelingen; een paar decennia geleden een mensenoor op de rug van een muis, zo’n schelp van kraakbeen die bij dat beestje zijn ruggengraat uit groeit, en inmiddels nanogereedschap om genetisch materiaal mee open te knippen en aan te passen. Om de mens te mogen helpen, al is het maar een klein stapje hoger op de aardse houtje-touwtje ladder! Was hij maar eerder ergens zo enthousiast over geweest.”
The sin of great and yet untimely bliss brings punishment and pain the sinner weathers. Above that great Icarian abyss, I am a woman dressed in wax and feathers.
The wax will melt. I’ll fall into the sea and struggle, overwhelmed by your deep ocean. The uncalled anguish of this thirst in me I’ll only cure by your divine devotion.
The window now shows autumn. Life persists. Forget the past and make a firm decision. You are prepared for deadly turns and twists. In this world we could not avoid collision.
With Your Eyes You Said
“Beloved.” With your eyes you said the word. Within our souls a struggle had awoken. And like the ring of crystal hardly heard, the things we didn’t say were left unspoken.
The train of life sped on beyond back then. The silence screeched like brakes unduly broken. So many words were scribbled down in pen. The things we didn’t say were left unspoken.
Night turned to day, and day turned into night. Fate wobbled on the scales with every token. The words rose like the sun in me, so bright — The things we didn’t say were left unspoken.
O Slake My Thirst Upon Your Voice
To slake my thirst upon your voice, upon that stream of loving madness, that jubilation and that sadness, to taste strange magic and rejoice. To listen in attentive rapture so keenly I forget my thought. To wrestle free of quiet’s capture with jests so desperately sought. To drink your words as if to borrow the strength I’ll need to break the dull and unintelligible sorrow of the inevitable lull. To let our sudden silence sever our words from us as if by choice. And so defenselessly forever to wait to savor your sweet voice!
Hoe ingelukkig staan de sprookjeskijkers!
Hoe ingelukkig staan de sprookjeskijkers! Mijn hart springt op als plotsklaps ik ontwaak. ’t Is winter, Perzië, sering gelijkend, geen vogel die haar nu onveilig maakt.
Mijn ijspaleizen, torens diepgevroren, en waar ik ben, heel even geen idee – ginds in mijn kindertijd, verhalen horend, ben ik in Irpin’, ’t rijk van Berendej?
Heel even geen idee dat dit mijn raam. ‘k Bezie de dennenwereld vol verbazing. Dan ben ik ijlings wakker. En je naam vervult mijn hart met smart en zonnestralen.