
26. Een bergske met een bolleke op.
Als voorbereiding op ’t eerste studiejaar ging ons ma mij alvast leren lezen en schrijven. Daar werd toentertijd in de kleuterschool nog geen aandacht aan besteed. Nu heeft een kind al een half diploma op zak tegen dat het naar de grote school moet, maar bij ons diende de papschool om te slapen en te spelen.
Vol goede moed begon ons ma mij dus de letters te leren. Eerst die van mijn eigen naam, en dat viel wel mee. Dan de namen van de nichtjes (heel vervelend dat er een Lutgarde noemde want dat was wel lang), van mijn achterneefjes (die ondertussen allemaal uit het zaadcelstadium begonnen te kruipen), van mijn beren (wat had ik toen spijt dat ik die ene Jerry genoemd had), van de winkels uit onze buurt (Sarma, Nopri,… Gelukkig was ons ma zo vriendelijk om me niet “Vaxelaire Claes” en “Au Bon Marché te laten schrijven),…
Dat was allemaal heel plezant, uiteindelijk was schrijven blijkbaar niet meer dan rechte stokjes tekenen, ze af en toe eens met een schuine streep verbinden of er een halve maan aanplakken. Best eenvoudig. Ik was een dappere en zeer geïnteresseerde leerling dus ik kon al vlug “schrijven”.
Ik leer schrijven op mijn bord, rond Kerstmis 1962.
Maar de foto kan ook later genomen zijn want onze kerstboom,
bleef op mijn aandringen, meestal staan tot 't bijna Pasen was...
Ge kunt u indenken hoe groot de teleurstelling van ma en mij was toen ik de eerste dag betraand uit de poort van de grote school strompelde en haar vertelde dat ik - “de grote schrijver” - blijkbaar helemaal niet kon schrijven… Want dat ze op school in een heel andere “taal” schreven.
Totaal de kluts kwijt vroeg ons ma mijn schriftje om te zien welke “taal” dat dan wel mocht zijn. Tja, toen kwam de kat op de koord… Ons ma had mij in drukletters leren schrijven… en op school werd dat eerst aangeleerd in geschreven letterkes…
Wat een desillusie toch weer! En ik die dacht dat ik al zoveel kon! Nu moest ik opeens een heel andere “taal” leren en alles werd toch zo verward in mijn kleine kop!
De eerste woorden die we leerden waren “leen”, “an” en “jan”. De “E”, die eerst zo simpel was : een rechtopstaand stokje met drie liggende streepjes, moest nu zo’n onhandig “e”-krulletje worden! Ik kreeg het niet geschreven, ik kon die draai met mijn pen (ramp boven ramp een échte pen met een inktpot, want een stylo mocht op school ook al niet gebruikt worden!) onmogelijk maken. Ik worstelde, ik prutste en ik sukkelde, maar mijn lusjes werden volgelopen inktbolletjes. Ik kreeg dat lusje met geen macht getekend.
Praktisch ingesteld als ik was koos ik dus maar voor de gemakkelijkheids-oplossing en tekende - telkens ik dat ellendige woord “leen” moest schrijven - een hoog bergske met daarbovenop een groot bolleke, en dan twee kleine bergskes met daarbovenop twee kleine bollekes, de “n” viel goddank nog mee. 
Mijn visie op hoe ge "leen" het makkelijkst kon schrijven.
Vanzelfsprekend was de juffrouw niet gediend met mijn heuveltjeslandschap. Ik moest dat afleren. Terwijl mijn creatie volgens mij even goed “leesbaar” was als de wijze waarop de juffrouw “leen” uit haar pen liet vloeien! Ik vond haar een zeer moeilijk mens. Maar zij hield vol. Ik zou deze veldslag verliezen. Met tranen en woede. En “schoon schrijven” zou ik nooit meer geleerd krijgen… Mijn katten schrijven nu nog altijd leesbaarder dan ik.
Om van mijn vissen nog te zwijgen.













































1 reactie op dit bericht
Kruisweegs
Liefs van leentje