
27. Mijn privé Goelag Archipel.
Maar het schrijfprobleem zou nog het ergste niet blijken. Veel erger was de totaal onverwachte verhuis naar een andere klas. Hoe vrolijk “de blijde intrede” ook verlopen was - met de nieuwe pennenzak, het schattige liniaaltje van 10 cm, en twee gommetjes in de vorm van Chineeskes - des te triester zou alles daarna verlopen.
De juffrouw van mijn klas, juffrouw Rubens, was een jonge vriendelijke vrouw. Ze deelde mijn opvattingen over schrijven wel niet, maar voor de rest was het een innemend lief mens. De klas was zonnig en groot, ze keek uit op het heerlijke groen van de tuin. Alhoewel we er met meer dan 30 leerlingen zaten was er ruimte genoeg. Op de derde dag werden twee andere meisjes en ik plots naar voor geroepen, we moesten onze boekentasjes meenemen en werden overgeplaatst naar een andere klas. Er zaten teveel leerlingen met dezelfde achternaam bij mekaar in onze klas en dat bleek administratief niet praktsich.
We kwamen terecht in een ander gebouw in een sombere, kleinere klas. Juffrouw Lauwers was een oude tang die vooral verlangde naar haar pensioen. Ze vond het maar niks dat er drie leerlingen aan haar groep werden toegevoegd en liet dat overduidelijk merken. Doordat we onze vriendjes kwijt waren, de nieuwe klas zo tegenviel, en de juffrouw nog veel meer, begonnen we te huilen. We wilden terug naar die goede lieve juffrouw Rubens! Dat maakte het chagrijnige mens nog veel nijdiger op ons.
Tegen het meisje waar ik mijn houten bank mee deelde wou ik mijn trieste relaas vertellen en ik werd onmiddellijk gestraft. Ik werd verbannen. Drie dagen heb ik achter het bord, dat los op poten voor de tree stond, in de hoek moeten staan! Het werd mijn privé Goelag Archipel. Het was vreselijk. Ik kon niets zien vanachter mijn bord. Noch de andere kinderen, noch het raam dat uitkeek op de speelplaats. Op de duur begon ik maar te praten tegen de aanwijsstok die blijkbaar ook zijn hele leven gestraft was want die stond daar in dezelfde hoek stof te vergaren. Soms ging ik stiekum op mijn knieën zitten maar als het knorrige kreng dat ontdekte werd mijn straf alleen maar verlengd.
Mijn vriendinneke, Nicolleke, had een blonde krullenbol, en het griezelwijf had niet beter gevonden dan haar bij haar haren op te tillen en haar door de klas naar een andere hoek te slepen. Ik denk dat dat serpent het jammer vond dat onze klas niet octogonaal van vorm was! Het mens kwam altijd hoeken tekort. Op de duur zette ze ons gewoon op de gang. Daar begon ik al snel tegen de jassen te praten. Het waren droevige tijden, maar wel vruchtbaar voor mijn fantasie. Levensloze voorwerpen werden omgetoverd tot vriendjes.
Mijn ma is nog komen pleiten om terug een overplaatsing naar de lieve juffrouw te krijgen maar dat maakte alles alleen maar erger. Er zat niet anders op, ik zou mijn jaar bij dat monster moeten uitzitten. Het was de hel. Ik voelde me zo bedrogen door al de mensen die me wijsgemaakt hadden dat de school fijn ging zijn voor mij omdat ik dan ging kunnen leren boekjes lezen, ging kunnen schrijven en nieuwe vriendjes maken. Ik haatte de school. Ik griezelgruwelde bij het idee dat ik minstens het dubbele aantal tijd dat ik nu reeds geleefd had daar zou moeten doorbrengen.
Elke ochtend wurmde ik me met veel tegenzin in mijn kleren. Wat een hele klus was want ons ma was er blijkbaar van overtuigd dat ik telkens op trektocht door Siberië vertrok. Ik droeg een hemdje (met piepkleine medailles van de heilige Maria en de heilige Antonius, aan een veiligheidsspeldje erop gespeld). Boven het hemdje met de “madollekes” kreeg ik een wollen onderlijfje over mijn kop getrokken. Daarop kwam dan de onderjurk, “combinaison” genaamd, in ’t Antwerps uitgesproken als “kommeuneuzon”. Vervolgens mijn blauwe uniformpje met de gesteven witte boord en manchetten. Op school trok ik dan mijn blauwe ruitjesschort aan en toen was de transformatie kompleet. Vanaf dat ogenblik voelde ik me voor de rest van de dag in een dwangbuis gevangen.
Er hing een heel slechte sfeer in onze klas. Als we op de speelplaats de vrolijke bende van juffrouw Rubens zagen stoeien dan was het verschil helemaal schrijnend.
Het enige dat het nog een beetje prettig maakte was dat er in de eerste twee studiejaren jongens toegelaten waren op school.
Eentje van de knapsten, Walterke, vroeg me al de eerste maand ten huwelijk, sleepte me aan mijn arm heel de speelplaats door, stelde me aan iedereen voor, waarbij hij me telkens een handkus gaf. En dat maakte wel veel goed moet ik toegeven.
De verloving sprong na drie dagen al af. Walterke ontdekte Joëlleke en ik had er gelegen. Gelukkig zou ik niet lang daarna een onverwachte kus krijgen van Paulleke. Hij mikte een beetje ongelukkig, ik schrok, en de kus kwam op mijn oor terecht. Het werd dus mijn eerste oorkus. Er was dus nog hoop om niet als oude vrijster door ’t leven te moeten gaan. Erg genoeg zouden mijn aanbidders vanaf het derde studiejaar naar een echte jongensschool moeten en voorgoed uit mijn leven verdwijnen.
Ja, de school… dat bleek een instituut met vele beloften waarvan er weinigen waargemaakt werden. Veel geblaat. En geen wol. Behalve dat wollen onderlijfke dan… Het zag er naar uit dat de school een verstikkende belevenis zou worden. Pffffffffffff.

Mijn allereerste portemonneeke.
Tenminste nog iemand die in de klas af en toe naar me knipoogde...



































