
Jeugdherinneringen 13 :
Twee levens.
Doordat mijn pa in de week in zijn ouderlijk huis bleef wonen zagen we mekaar niet veel. Dat had voor- en nadelen. Het grootste voordeel was dat ik in feite twee levens had. Eentje in ’t stad, en eentje - tijdens de vakanties - in de Kempen, “op den buiten”.
De eerste avond van de vakantie werden ons ma en ik opgehaald door de broer van mijn vader voor de grote expeditie met de auto naar de Kempen… Het werd altijd een hele verhuis want we vertrokken soms voor enkele weken en heel mijn berenfamilie moest natuurlijk mee.
De tocht ging nog over gewone wegen want de Boudewijnsnelweg was toen nog niet klaar. Het was voor mij altijd een zeer groot avontuur waar de nodige slapeloze nachten aan vooraf gingen. Het was een indrukwekkendere voorbereiding dan toen ik enkele jaren geleden voor 5 weken door Vietnam ging trekken. J
Er gebeurden onderweg ook zoveel mysterieuze zaken! Tanken aan een benzinestation en dan nog een drinkbeker krijgen ook! Of een piepklein boekske speelkaarten van BP! Zalig was dat! Maar één rit vergeet ik nooit. Het was tijdens een indrukwekkende storm, de bomen aan de kant van de weg braken af als lucifers, vielen er dwars overheen en wij zaten middenin dat spektakel! Dat was pas sensatie! Pure Stephen King waar ik in terecht gekomen was!
Maar meestal verliep de reis rustig en konden we met heel ons “hebben en houden” na een dik uurtje onze intrek nemen in de “kellekamer”. Het kamertje van de inwonende meid die net gehuwd was en daarom niet meer bleef slapen. Het was een knus logeerkamertje halverwege de trap. Een hobbitholletje avant la lettre in feite.
Voor mij was heel het huisje een magisch gebied. Er was een heel grote tuin, magazijnen, een schrijnwerkerij, houtstapels en overal zaten poezen… Ik voelde mij bij de moemoe als Alice in Wonderland, want het was een totaal andere wereld als “in ’t stad”.
Heel ’t leven speelde zich af in de keuken, want “de schone kamer” werd alleen met nieuwjaar voor het “Krieken op Jenever”-gebeuren gebruikt. De keuken werd gedomineerd door een gigantische Leuvense stoof met vooraan allemaal kleine oventjes met deurtjes. In één van die holletjes werd ’s avonds de hete kruik gestoken om de voetjes in bed te verwarmen. Een heerlijke uitvinding vond ik dat!
Op de gloeiende plaat stonden potten te sudderen en naargelang de grootte van de ketel kon je de gaten in de plaat met ijzeren ringen vergroten of verkleinen. Terwijl je dat deed kon je in ’t binnenste van de kachel kijken en zag je precies de hel! Fascinerend!
Maar wat deze plek helemaal het paradijs maakte was de schoorsteenmantel boven de stoof. Daar lag een bussel katten over gedrapeerd in alle mogelijke vormen en maten. Soms 9 stuks tegelijk! Ze lagen ’s winters wel twee lagen dik en staarten en poten bengelden lekker warm naar beneden boven ’t vuur. Soms rook het er, buiten naar die eeuwige ajuinsaus, ook wel eens naar verbrande kattenstaart. Maar zelfs dat rook nog heerlijk voor mij. J
Ook die geur zal ik mijn leven lang niet vergeten.

Foto links : met de "stads-bomma"
voor onze woning in oktober 1959.
Foto rechts : met de "moemoe-van-den-buiten"
op de bank voor haar huisje in september 1959.

























































3 reacties op dit bericht
Wat is de jeugd nu verwend
.wat kunnen tijden veranderen.Plezant om lezen deze herkenbare situaties.
Blij dat ik hier eindelijk nog eens geraakt ben
Groetjes
ik heb
Goedenamiddag!