
Jeugdherinneringen 10 :
Oorlog rond en in mijn kopke.
Thuis werd er weinig over de tweede wereldoorlog gesproken. Dus daar weet ik niet veel over te vertellen. Het enige dat ik daar nog over weet is dat ge thuis geen kast kon opentrekken of ergens achterin stonden wel enkele pakken suiker, koffie, of bloem. Voor als het weer eens oorlog zou worden…
Dat zag ik ook later nog dikwijls gebeuren. Telkens de wereld op een plek in brand stond, of er een zware crisis was, werd er gehamsterd. Ládingen spagetti werden naar huis gesleept, en het daaropvolgende jaar, als de crisis bezworen was, werd het dan traditiegetrouw “het jaar van de Italiaanse keuken”… Spagetti met kaas, spagetti met balletjes, spagetti met tomatensaus, spagetti met biefstuk…J
Maar het is niet omdat de wereldoorlog aan mij voorbij gegaan was dat het begrip “oorlog” tout court me als kleuter vreemd bleef. Spijtiggenoeg.
’s Avonds teisterde de Vietnamoorlog ons kleine TV-scherm, gelukkig nog niet in kleuren want het was zo al vreselijk genoeg. En ’s zondagsnamiddag besprak onze pa de kranten met ons ma.
Elke zondag gingen we met zijn drietjes wandelen aan de Schelde want onze pa was gek op boten. We liepen over de lange wandelterrassen, hand in hand, ik in ‘t midden tussen ma en pa. Over mijn hoofdje heen, een dikke halve meter hoger dus, werd besproken wat er die week in Congo gebeurd was. Pa vertelde wat er in de kranten had gestaan, en ma gaf het relaas van wat ze op de televisie had gezien. We hadden een neef die in Elizabethville verbleef dus was de interesse voor Congo veel groter dan die voor Vietnam. (Hoewel ik me nog wel herinner dat ons ma toch in tranen uitbarstte toen ze hoorde dat President Kennedy neergeschoten was).
Ik veronderstel dat mijn ouders dachten dat ik nog te klein was om iets van de gruwelen te kunnen begrijpen. Maar toch bleven er soms woorden en zinnen in mijn kleine oren hangen. Tijdens één van die wandelingen vertelde onze pa haar dat in Congo mensen op ’t toilet neergeschoten waren, hun lijken daarna in stukken gesneden werden, de ingewanden eruitgehaald, en de levers met zout bestrooid. Na die zin vielen alle organen in mijn lijfke precies stil! De tranen vloeiden geluidloos uit mijn ogen en ik liep wezenloos als een zombieke tussen hen beiden verder. Ze hadden het niet opgemerkt. Gelukkig, want ik was heel beschaamd voor mijn tranen.
Na de wandeling gingen we zoals altijd iets drinken op ’t “Noorderterras”. En toen moest ik naar ’t toilet… Maar ik dierf niet meer… Stel dat er hier ook iemand door de deur zou gaan schieten terwijl ik mijn plasje zat te doen? Ik had gezien wat schieten met mensen kon uitrichten in de Vietnambeelden op TV…
Ons ma nam me mee naar de toiletten maar ik dierf er niet in, en ik kreeg uit schaamte ook niet uitgelegd waarom ik plots zo’n heilige schrik had voor zoiets onschuldigs als een toilet.
’s Avonds in bed dierf ik niet gaan slapen. Ik bleef maar huilen, en niemand die wist waarom… De vreselijke woorden bleven in mijn kopke maar vechten tegen de schaamte van het - in mijn ogen “onredelijke” - verdriet dat ik erover had.





































