
Jeugdherinneringen 8 :
“Ge gaat nóóit groot worden!”
Zo graag als ik later zou eten, zo erg haatte ik het als kleuter. Het was voor bomma en ma een ware verzoeking om boterhammen aan mij opgevoerd te kregen. Patatjes en groenten waren geen probleem, maar van vlees en brood had ik een afkeer. Het brood werd al van zijn korstjes ontdaan, werd dik met lekkers belegd, maar niks hielp. Ik had de pest aan boterhammen.
Na mijn onverhoedse afslankkuur aan zee was ik graatmager en daar wou ons ma iets aan doen. Dus er moest en zou flink gegeten worden. Aangezien mijn en haar doel mijlenver van mekaar verwijderd lagen, moest ze slinkse trukjes gebruiken om mij aan ’t eten te krijgen.
We woonden in een huis dat uitkeek over een lange brede straat die eindigde op een plein met een kerk. Er was dus altijd wel iets te zien. (Al was ’t maar “Erikske van den beenhouwer” die met zijn meisjesschoenen aan ’t touwtje springen was, en op wie ze ’t zalig vond om kritiek te leveren.)
Dus posteerde ons ma zich op een stoel aan ’t raam, zette het bord met de stukjes boterham op de vensterbank, nam mij vervolgens op schoot, en begon moedig en vol overgave aan de queeste van “het voeden van haar kind”.
Ze leidde telkens mijn aandacht van het eten af, wees me op iets interessants dat buiten gebeurde, wachtte tot mijn onvermijdelijke commentaar hierop ging beginnen, en zo vlug mijn mond zich opende propte ze er een stuk boterham in!
Ik was geen kind van kwade wil, dus ik slikte dat zo rap ik kon door om toch maar zo snel mogelijk aan mijn commentaar te kunnen beginnen. Gelukkig voor haar was “moeten zwijgen” voor mij erger dan “moeten eten”. Dus op die manier heeft ze toch wel enkele kilo’s brood in mijn ingewanden kunnen doen verzeilen.
Voor haar was deze onderneming tegelijkertijd een prima training in geduld. Wat ze echt wel kon gebruiken. (Bij ons ma moest alles zo rap vooruitgaan dat op een dag toen ze mij aan ’t wassen was en een tante binnenkwam die zag hoe ons ma mij inpeperde met dat washandje de vrouw spontaan uitriep: “Maar menske toch, ge zijt dat kind niet aan ’t wassen! Ge zijt dat aan ’t afslagen!!!” Ja, als er in die tijd een carwash of een wasmachine had bestaan had ze mij daar waarschijnlijk ingestoken.)
Maar kom, door deze ietwat ongewone eetpraktijk zijn we dus allebei beter geworden: zij voedde me op door me te leren eten, en ik gaf haar een opvoeding in geduld. En zo hoort dat in ’t leven. Ouderen kunnen van jongeren ook iets leren. J
Nu troost ik me ermee dat het allemaal nog veel erger had gekund. Stel u voor dat mijn ma in die tijd geweten had hoe ze ganzen “gaveerden” dan had ze dat waarschijnlijk wel een handig systeem gevonden en mij ook een trechter in de keel geduwd en me zo moddervet gevoerd. Dat zou een ramp geweest zijn, want ik had toen mijn beklag nog niet bij ‘Gaia’ kunnen gaan doen.
Goed, mijn boterhammen kreeg ik nu toch al binnen, en later zou ze ook nog een geraffineerd systeem uitdokteren om me vlees te laten eten, maar een echte carnivoor heeft ze toch nooit van me kunnen maken. Noch opnieuw het dikkerdje dat ik vóór mijn ziekte was!
9 Oktober 1959, mijn tweede verjaardag, toen nog een flinke dikke brok.
Het verjaardagskado was het wijwatervatje dat je op tafel ziet staan.
Als plezant cadeautje voor een kleuter kan dat tellen nietwaar...



































