Hoofdstuk 17. Deel 3.
Hotel "Te Lourdes op de Bergen".
We reden voorbij een prachtige gouden tempel met een dak van spiegeltjesmozaïek, met draakjes en alle mogelijke glitter en dat vond ik nu wel echt de setting om onze brave degelijke trouwe auto eens te vereeuwigen. De enige auto die zo’n stevig spijsverteringsstelsel heeft dat 't hem niet uitmaakt wat ge hem te drinken geeft.


Het uiteindelijke doel van de dag was de Mae Ya waterval, eentje van 250 hoog, de hoogste van het land. Vroeger was het vanaf de baan een wandeling van een uur om er te geraken maar nu is er een geasfalteerde weg aangelegd die we dankbaar insloegen, jammer genoeg kende ons Trees die nieuwe weg niet dus die bleef maar panikeren en herhalen : "Herberekenen! Herberekenen!" Op haar schermke zagen we ons alweer van de wereld bollen terwijl we in de realiteit over een gloednieuwe macadam reden.

Op 't einde van de weg was 't nog een halve kilometer stappen en dan stonden we ineens voor een waterval die alle vorige in de schaduw stelde, heel breed met tientallen, misschien wel honderden trapjes en plateautjes waar het water overheen gutste. Middenin groeide op een richel ook nog een heuse boom. Geweldig mooi en ook daar waren we weer helemaal alleen op nog een ander koppel na. Onbegrijpelijk.
Mae Ya was echt een schitterende bekroning van ons rondreis.






Vallende herfstblaad-"jes" in Thailand...

Een allerlaatste tempeltje alvorens op de grote baan terecht te komen...
De weg naar Chiang Mai viel reuze mee, gewoon een goede snelweg, met veel 7/Elevens, maar ik heb verzaakt aan de verleiding. Een vierdubbel doorvoede vrouw kan misschien niet meer in een vliegtuigzetel.
In de buurt van de luchthaven zochten we een hotel en we vonden het “Nim Wang Godweetwa Airport Hotel”. Even was het weer erg misleidend aangezien het groezelige, aftandse hotel dat ervoor lag ook snel de naam “Airport Hotel” op zijn gevel geplakt had, maar in die val zijn we gelukkig niet ingetrapt. Een mannetje kwam inderhaast toegesneld om ons af te leiden naar zijn parking en trachtte ons de weg te versperren naar het juiste hotel maar we hebben ons niet laten kisten. Door slim verder te rijden kwamen we in een prachtig Chinees hotel terecht.
We boekten een VIP-room want die waren lekker groot en dat is makkelijk om de bagage netjes en compact in te pakken voor de vlucht naar Koh Ngai van morgen. Een bijkomend voordeel van die kamer was dat ze ook nog op 't gelijkvloers gelegen was zodanig dat we heel eenvoudig al onze rommel uit onze auto over de terrasballustrade in onze kamer konden zwieren. De picollo vond het eerst wel een beetje vreemd maar hij scheen het toch ook wel een praktische uitvinding te vinden. Het spaarde hem ook een boel geloop en gesleur uit en door al ’t gerief mee over de ballustrade te kieperen had hij zijn fooi een stuk makkelijker verdiend. We hebben ze weer iets bijgeleerd. Maar ik geef toe, het zag er wem ietwat vreemd uit, twee mensen die met de meest onmogelijke rommel, al dan niet in zakskes - gescheurd en minder gescheurd - telkens over een terrasreling klimmen... Het leek wel of we inbrekers waren die niets wilden stelen maar integendeel allerlei afval wilden komen dumpen in de Vip-kamer.
Het was zo'n echt typisch Chinese kamer, alles in 't vuurrood want dat brengt geluk, een bed vol kopkussens gevuld met geurige theebladeren voor de goede nachtrust en een kussentje met een avondgebed er op geborduurd. Die laatste verkochten ze ook en daar heb ik niet aan kunnen weerstaan. Hopelijk is ’t kussentje kattepis-proof…
We hebben in deze mooie en gerieflijke setting (met als enige minpuntje een lavabo waarvan alweer de afloop niet goed aangesloten was en waar ik dan maar de vuilmand heb ondergezet om ‘t water op te vangen. Perfectie is écht niet van deze wereld) rustig onze 10 zakken en tassen kunnen omvormen tot een compactere en meer vliegklare bagage.
Buiten aan 't zwembad gegeten, en hoewel Chiang Mai een grote stad is en dit ding een Airport Hotel, en het toch al wel eens een toerist over de vloer moet krijgen werd ook hier alweer geen gebenedijt woord Engels gesproken. De pantomime om aan eten te geraken was dus weer hilarisch, gelukkig zat er aan een tafeltje achter ons een lieve Chinese zakenman die behulpzaam de kelners inlichtte wat wij wensten te eten. Ge kunt het niet geloven en toch gebeurt dat hier...
Op de oprit van 't hotel prijkte een metershoog beeld van een Chinese godin. Die grazieuce, die met haar wapperende jurk, ik vergeet haar naam altijd… In de hall stond een prachtig altaar vol offergaven. En her en der, vooral op de meest onpraktische plaatsen - op strategische feng shui-punten dus - stonden nog wat godjes verspreid. Stel u deze toestand in België voor.
Ge komt aan een hotel en 't eerste wat ge ziet is een vier meter hoge Moeder Maria met Kind, waarvan het Kind 1 meter groot is. In de lobby vindt ge een kompleet altaar voor de H. Antonius waar ge kaarsen kunt branden en waar de genezen mensen hun krukken en prothesen aan de muren hebben gehangen. Te pas en te onpas vindt ge op vensterbanken en in bloempotten dan ook nog H. Rita's, Christoffels, Franciscussen en Jozeffen. Zoudt ge dan in dat hotel nog blijven overnachten?... Natuurlijk. Want met al die heiligen die over u waken kan 't niet anders of ge zult er genieten van een "zalige" nachtrust.