
18. De avonden in de pre-historie.
Bij de moemoe leefden we radio- en TV-loos. En toch was verveling ons onbekend hoewel de duistere avonden in de winter, lang voor de uitvinding van het zomeruur, soms uren duurden.
Mijn pa en mijn oom, die heel de familie gemeenzaam maar vol bewondering en respect, “de mannen” noemden, werkten tot half acht ’s avonds in de fabriek. Als ik de camionette hoorde thuis komen dan ging ik de poorten van het werkhuis openen om hen te verwelkomen. “De mannen” fristen zich op aan de pompsteen in de achterkeuken, terwijl mama en moemoe de tafel dekten en de potten op de Leuvenste stoof nog eens extra opwarmden.
Eerst was er altijd een reuze-ketel soep, want daar waren “de mannen” gek op als ze uit hun koude fabriek kwamen. Vervolgens aten we vlees, groenten en patatjes, met de onafscheidelijk ajuinsaus die moemoe nog elke avond zelf klaarmaakte. Eigenlijk was het een vreselijke saus. Aangezien na ons avondmaal de katten altijd de restjes kregen, overgoten met die bewuste ajuinsaus, veronderstel ik dat die beesten de rest van de nacht door darmgassen aangedreven door de keuken stoven.
Na het dessert - vers gemaakte vanille of chocoladepudding - lazen “de mannen” de krant. Boven de keukentafel hing een luster met daaraan een lange koord met onderaan een pingpongballetje bevestigd. Na het afruimen van de borden mochten de poezen dan op de tafel om met het balletje te spelen. We zaten dan allemaal voor de stoof geschaard te genieten hoe de poezen zich amuseerden.

De jonge poezen spelen op de tafel met het bengelende balletje.
De 93-jarige moemoe zit op de achtergrond genoegzaam toe te kijken.
Overdag was dat pingpongballetje voor mezelf ook heerlijk speelgoed. Ik kon dan tafeltennis spelen op mijn eentje! Met het blikken deksel van een pot sloeg ik het balletje dwars door de kamer heen en weer. Het slingerde met volle geweld aan zijn touwtje heen en weer dat regelmatig brak onder mijn jeugdig geweld. Het was een heel comfortabel spel want het balletje kon toch niet op de grond vallen en het kwam altijd terug mijn richting uit. Ik “smashte” alsof mijn leven er van af hing!
Telkens we kleine poezen hadden woonde het jonge gezin in een grote kartonnen doos naast de stoof. Naar dat prille geluk konden we ook allemaal eindeloos zitten kijken. Maar meestal beviel de moederpoes niet in de doos die we er speciaal voor klaargemaakt hadden…
In de laatste dagen van haar zwangerschap werden de slaapkamerdeuren en de linnenkasten zorgvuldig dicht gehouden zodanig dat de moeder-in-wording daar haar kraambed niet kon gaan maken. Zelfs ik deed daar mijn best voor want ik wou toch eindelijk wel eens graag zien hoe zo’n bevalling nu verliep. Toch gebeurde het meermaals dat we een propere kartonnen doos konden weggooien en vuile tafellakens moesten wassen… omdat poes toch nog op ’t laatste moment een kast binnen geglipt was.
Jaren later realiseerde ik me dat mijn moeder daar wel eens de hand in kon gehad hebben. Het zou me niet verbazen moest zij stiekum, als ze zag dat ’t zover ging zijn, een kast liet openstaan en daar een nest maakte met afgedankt linnengoed. Want ik heb nooit een poes weten bevallen in de doos… dus denk ik dat ma nog liever een hoop vuile was had dan mijn jeugdige ogen een bevalling te laten aanschouwen…
Maar kijken naar poezen was echt niet ons enige amusement. Soms moesten “de mannen” bomen gaan vellen. Ze trachten dit werk altijd uit te stellen tot na de broedperiode van de vogels, maar dan nog, controleerden de dierenvrienden eerst de boom alvorens hem te kappen en werden er indien nodig eerst de nesten uitgehaald. (Ook als ze balken in kerktorengebintes moesten gaan vervangen werden de vleermuizen er eerst afgeplukt en netjes in luchtige rieten wasmanden gelegd om de dieren zeker niet te kwetsen of doden. De kerkuilen werden tijdelijk in een kartonnen doos gelegd.)
"De mannen" samen met enkele werknemers op een pas gevelde boom.
Het laden van de stammen.
Dus hadden wij soms ook in de keuken een doos met jonge vogels staan die met de hand werden opgevoed. Wonderwel lukte dat ook nog met de katten. Eens de vogeltjes zelfstandig konden eten werden ze in de tuin vrijgelaten.
Maar op een dag kwamen “de mannen” thuis met een nestje van 4 gaaien. Kleine, tsjilpende, donkere, vogeltjes. Vanzelfsprekend werd ook voor hen het onderste uit de kan gehaald om hen te laten overleven. Pa noemde hen “Jan 1”, “Jan 2”, “Jan 3” en “Jan 4”. Ik was duidelijk nog te jong om mijn moeilijke dierennamen-arsenaal op te diepen. J
Eén na één werden de “Jan”-nen groot genoeg om uit te vliegen. Maar “Jan 1” bleef bij ons wonen. Hij had ook duidelijk de charme van de Leuvense stoof leren kennen en was niet van plan om dat genoegen in te ruilen voor een armzalige tochtige boomtak. “Jan 1” was een zalig dier! Hij zat mee op de schoorsteenmantel bij de poezen. Zij het wel op de zijkant die te smal was voor een kat om op te gaan liggen. Hij posteerde zich naast de lucifersdoos en elke keer we vergaten het doosje dicht te schuiven pikte “Jan 1” de lucifers één voor één met zijn snavel uit het doosje en wierp ze de keuken in. Hij is ons maanden gezelschap blijven houden tot hij uiteindelijk toch voor de vogelwereld gekozen heeft.
Het was heerlijk om kind te zijn in deze Ark van Noach… Jammergenoeg bestaan hier amper foto’s van. Ons ma vond foto’s nemen een verkwisting. Dat mocht alleen op “hoogdagen”, verjaardagen dus, en bij uiterst speciale gelegenheden. Als ik als eerste vrouw op de maand geland was zou ze zelfs nog even getwijfeld hebben alvorens af te drukken vrees ik. J
Nu was het ook wel zo dat ons fotoapparaat niet bepaald een handig ding was. Het was nog een type met een uittrekbalg en die harmonica van dik zwart lederachtig papier was zo verduurd en zo plakkerig geworden van al de met “fietsbandplakkertjes” dichtgekleefde gaatjes dat niemand hem graag vastnam. Als ge de balg opentrok dan knisperde hij als een pakje chips. Iedereen was bang dat het zijn laatste ademtocht was en niemand wou dat op zijn geweten hebben omdat het een erfstuk was.
Oom bezat wel een degelijk fotoapparaat maar die wou geen foto’s van “de stadsmadammekes”- zijnde ma en mij - maken, gelukkig nam hij af en toe wel eens foto’s van de katten en zo ben ik dan toch op een dag uitgekomen op enkele vergeten foto’s. Ze zijn oud, verkreukt, en van een heel slechte kwaliteit, maar toch was ik heel blij met mijn vondst van deze fijne herinneringen aan mijn “Ark van Noach”-vakanties.
De "Minne" ligt met drie (grote) kleintjes van zichzelf knus in de houtkrullen.
En vlak tegen haar buik liggen de vier hele kleintjes die ze liefdevol geadopteerd had
omdat de andere moederpoes overleden was tijdens de bevalling.
-------------------------------
Afleveringen 10 tot 17 van "Mijn jeugdherinneringen" staan nog op mijn blog hieronder. Wil je deel 1 tot en met 9 ook lezen, dan kan je die vinden door in de linkermarge op "Jeugdherinneringen" te klikken.
Om de paar dagen verschijnt er een nieuwe aflevering. Als de verhaaltjes bij jullie ook herinneringen oproepen vind ik het heel fijn dat je iets bij reacties onder dit artikeltje schrijft.































2 reacties op dit bericht
Hallo Laathi
groetjes Corry Groetjes van Corry
..