Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
17-12-2017
Gaudete (Kevin Carey)
Bij de derde zondag van de Advent
Maria Heimsuchung door Carl von Blaas,1842
Gaudete
In darkening days of penitence, Before the turning of the years, We look to make our recompense, With new resolve and hopeful prayers: The Lord's salvation is at hand, Rejoice at His benign command.
Our souls awake in joyful praise, The fingers of the rosy dawn Glow in the East to give us hope Of Judah's crowning, happy dawn: Where there was sorrow now is praise; Emmanuel for all our days.
Now may we walk at Mary's side To help her cousin with the birth Of one who will prepare the way For God incarnate, here on earth: Rejoice my soul, this cheerful day, Rehearse your anthems, Gaudete!
Kevin Carey (november 1951) Holy Trinity Church in Hurstpierpoint, de woonplaats van Kevin Carey
“Liv had de toneelacademie in Maastricht gedaan, Bison de toneelschool in Amsterdam. Hoewel iedereen in het wereldje het ontkende was er wel degelijk een doorleefde animositeit tussen beide kampen. Er waren in het land natuurlijk nog meer opleidingen van niveau, maar uiteindelijk ging het altijd om de vraag: Amsterdam of Maastricht, de ‘Cambridge en Oxford van het Nederlandse toneel’ zoals een criticus ooit schamperde. Bij de eerste casting voor de film Lieve had Liv als tegenspeler een gedreven jongeman die vlak daarvoor in Maastricht was afgestudeerd. Hoe ze ook haar best deed: ze vergat steeds zijn naam. De jongen speelde volgens dezelfde methode die Liv was bijgebracht en mede daarom klikte het zeer. Samen deden ze voor haar gevoel een geweldige auditie. Prompt werd Liv uitgenodigd voor de tweede castingronde; haar ambitieuze tegenspeler kreeg te horen dat men van zijn interpretatie had genoten, maar ‘dat hij op beeld te pregnant overkwam’. In gewone taal betekende dit dat hij te lelijk was voor de rol. Toen Liv later het hele script had gelezen was ze blij dat Bison was gecast. Bij Livs tweede casting was de regisseur zelf aanwezig. Noah Boudrin was de jonge ster van de Nederlandse cinema. Hij had al drie speelfilms op zijn naam, bijna een miljoen bezoekers, vijf Kalveren, vier Nederlandse Lichten, drie internationale prijzen en een nominatie voor een Gouden Beer. In Amerika had hij een paar commercials gedraaid en iedereen wist dat een avontuur in Hollywood een kwestie van tijd was. Noah was bij zijn vierde project toe aan wat hij in interviews had aangekondigd als ‘eindelijk mijn persoonlijke verhaal’. Hij wilde in Lieve het tragische verkeersongeluk van zijn vriendin verwerken, een Vlaamse actrice die een al even grote belofte was geweest als hij. Lieve Vanlieve had de hoofdrol gespeeld in Sub, Noahs spraakmakende debuut, een rauwe maar vrolijke schets van de onmogelijke liefde tussen een prostituee en een politicus anno de jaren nu. De subsidieloze film kostte volgens de producent ‘geen drol’ en hoewel de film nog ouderwets in zwart-wit was geschoten op een restvoorraad echt celluloid kwamen er meer dan vierhonderdvijftigduizend mensen naar de bioscoop, wat mede te danken was aan Lieves ongeremde persoonlijke overgave.”
Ronald Giphart (Dordrecht, 17 december 1965)
De Nederlandse schrijfster Yvonne Keulswerd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keulsop dit blog.
Uit:Familiegedoe
“U wilt vast weten hoe dat nu precies zit met dat tafelzilver met de initialen P.J. Welnu, mijn schoonvader erfde het omdat zijn vader P.J. een paar maanden na zijn geboorte stierf. En dat is sneu, nietwaar? Daarom vond zijn moeder dat hij ter compensatie het tafelzilver maar moest erven want iets anders te vergeven had ze niet. Hij moest natuurlijk wel wachten tot zijn moeder ook was overleden en dat dthirde maar, het geschiedde pas toen mijn schoonvader zelf al tafelzilver bezat. Daarom schonk hij de P.J.-cassette met een royaal gebaar aan zijn zoon en mij. (U kunt het nog wel volgen, hè?) Dat was in de tijd dat onze dochters nog klein waren en wij elke zomervakantie met tent, kampeerspullen, luiers en Liga's in een te klein, gammel autootje met een nog kleiner, gammeler aanhangkarretje naar Spanje tuften. In dat aanhangkarretje vervoerden wij naast de gewone kampeerspullen ook nog zo'n veertig kilogram boeken, naslagwerk, want ik dramatiseerde grote literaire werken voor de televisie. Ik worstelde altijd met een deadline en moest me dus ook op het Spaanse strand bezighouden met mijn scenario's. De extra veertig kilogram waren een te grote belasting voor ons karretje, vandaar dat het regelmatig door zijn bladveer zakte. Wij sleepten het karretje — de ijzeren bladveer trok over de weg een spoor van vonken achter zich aan, wat weer voor veel hilariteit zorgde — naar het volgende dorp. Daar stonden we dan op een rustiek pleintje, tezamen met de plaatselijke smid, net zo lang te frutselen tot het karretje weer opkrabbelde en wij — nagezwaaid en toegejuicht door al het bekijks — onze weg konden vervolgen. Achteraf een godswonder, dat wij keer op keer onze plaats van bestemming bereikten — dicht bij de zee en onder de pijnbomen — en een nog groter wonder dat we ook weer heelhuids thuiskwamen. Wat heeft dit nu met de P.J.-cassette te maken? Alles! De P.J.-cassette werd op de bodem van het aanhangkarretje gelegd, onder de naslagwerken, want hij mocht mee op vakantie.”
“De dood zal ze drogen, zeiden de oude mensen als iemand klaagde, soms hebben de oude mensen er helemaal geen verstand van. De jongen trekt zijn rugzak recht, zwaar van de spullen waar we niet buiten kunnen. Bardur verroert zich niet, hij staat alleen maar te kijken, fluit onduidelijk een wijsje en lijkt helemaal niet moe te zijn. Verdomd, zegt de jongen, ik hijg als een ouwe hond, maar het lijkt of jij vandaag nog geen voet hebt verzet. Bardur kijkt hem aan met zijn bruine, zuidelijke ogen en grijnst. Sommigen onder ons hebben bruine ogen, sinds eeuwen komen zeelui van ver weg gelegen streken hierheen want de zee is een goudmijntje. Ze komen uit Frankrijk en Spanje en velen van hen hebben bruine ogen en sommigen laten de kleur van hun ogen achter bij een vrouw, varen weg, komen thuis of verdrinken onderweg. Ja, het is onderhand tijd, beaamt Bardur. Het is twee weken geleden sinds ze voor het laatst zijn uitgevaren. Eerst woedde de storm uit het zuidoosten, het regende, de aarde werd vlekkerig en donker op plekken waar ze onder de sneeuw tevoorschijn kwam, vervolgens draaide hij naar het noorden, dagen achtereen een geselende sneeuwstorm. Veertien dagen lang storm, regen en sneeuw, geen boot op zee en de vis een tijdlang veilig voor de mens, beneden in de diepe stilte van de oceaan waar het onweer niet komt en de mensen die je er ziet verdronken zijn. Over verdronkenen valt van alles te vertellen, ze vangen in elk geval geen vis meer, ze vangen eigenlijk niets meer behalve de maneschijn boven aan de oppervlakte. Twee weken lang, en soms kon je vanwege het noodweer niet van de ene hut naar de andere komen, de jankende storm wiste heel het landschap weg, in alle windrichtingen, de hemel, de horizon, zelfs de tijd werd weggewist. Alles wat in orde gebracht moest worden was al lang in orde gebracht, de haken zaten aan de vislijnen geknoopt, de loodgewichten waren ontward, alles was ontward behalve wat met het hart en de behoefte aan seks van doen had. Een enkeling was ook het strand af gelopen om mosselen als aas te verzamelen, sommigen benutten de tijd om iets te timmeren, verzorgden hun kleren van zeehondenhuid, maar de dagen aan wal kunnen lang zijn, ze kunnen zich tot in het oneindige uitstrekken.”
Jón Kalman Stefánsson (Reykjavík, 17 december 1963)
`Kom je?' Hij was bijna klaar met zijn karwei toen Solema weer in de deuropening verscheen om hem voor het middagmaal te roepen. De prikkelende geur van sOpi di mondongo hing overal in het huis en op de porch. Met de wind meegaand vermengde ze zich met dezelfde geur uit het huis van Boeboe Fiel en andere huizen, om, vooral door de typische geur van de erin verwerkte maïs, dé zondagmiddaggeur van Curaçao te worden. `Ik ben zo klaar.' Hij keek haar daarbij aan en voelde zich ineens sterk tot haar aangetrokken, wat hij alleen maar kon verbergen door snel zijn hoofd weer te richten op de laatste schoen waarmee hij bezig was. Er was een schittering in haar ogen die hij nooit eerder erin gezien had. Om het verlangen naar haar lichaam te bedwingen, zei hij tegen zichzelf dat het alleen maar van de whisky kwam. Sinds haar overspel had hij er een punt van gemaakt, in zijn omgang met haar elk blijk van passie te vermijden. Hij nam haar wanneer hij het deed, alsof het een onaangename plicht betrof, die zij beiden zo nu en dan moesten vervullen. Vooral nu hij het aantal kinderen had, dat hij had willen hebben. Terwijl ze wachtte totdat hij klaar zou zijn, viel haar oog op een eenzame figuur, die wat wankelend de Tulaweg in westelijke richting afliep. Hij was in het wit gekleed en had een grijze hoed op. Haar kijken trok Manchi's aandacht. Wie is het?' `Pedro.' `Q' zei Manchi, terwijl hij de laatste schoen naast de andere op het muurtje voor hem zette. De koster van Santa Gloria had er, sinds zijn vrouw gestorven was, een gewoonte van gemaakt na de hoogmis in een bar wat borrels te gaan drinken, vóór hij naar zijn eenzame huis terugging. Hij had nu blijkbaar iets te veel op, want zo nu en dan zeilde hij tot midden op de weg.
Frank Martinus Arion (17 december 1936 - 27 september 2015) Cover
De Vlaamse dichter, schrijver en schilder Paul Snoek werd geboren in Sint-Niklaas op 17 december 1933. Zie ook alle tags voor Paul Snoekop dit blog.
De duivels slapen
De duivels slapen en de heksen slapen aan hun staarten. De oude nacht is helder als door engelen gedronken water. Het is een zegepraal. Het is volbracht.
Alle vogels vliegen zachter en steeds jonger. Het woord is vleesgeworden en het klinkt levend in den lijve van een heilig wonder: mijn zonen zijn geboren en de koning drinkt.
Nu is het tijd om als een trage vader te werken in de trouwe aarde van de rust, de stilte te veredelen tot stil geworden eenvoud en God te danken voor de goedheid van de goden.
Totem
Ik wilde een keizer worden in dit leven van dwergen, maar ik kon de zachtheid van de perzik niet vergeten en bleef een heel jong kind.
Ik ook heb dagelijks de witte halzen van de angst gezien, de harde handen van het licht gevreesd. Ik kon de volle stilte van de vissen niet vergeten en werd een heel oud kind.
Nu heb ik mijn voorhoofd met droomkleur beschilderd. Dag in dag uit ben ik uw vreemdeling. Ik rook een vredespijp.
Paul Snoek (17 december 1933 – 19 oktober 1981) Cover van een studie over zijn leven en werk
„Ich habe im Fluß versucht, musikalische Formen, die ursprünglich der Dichtkunst entstammen, durchzuführen. Ich bin selbst vor Imitationen und Engführungen nicht zu-rückgeschreckt. Die Strophe Gewitter kommt an einer Stelle in drei Zeiten unmittelbar hintereinander wie die Stimmen einer Fuge. Aber das ist nichts Äußerliches, und am liebsten möchte ich davon schweigen, weil ich nicht selbst den Vorwurf des Gekünstel-ten vorbereiten möchte. Indessen, was wir die Duplizität der Erscheinungen nennen, die überall und im Leben jedes Wesens zu beobachten ist, auch am Dasein der Tiere, stellt einen Teil des kanonischen Ablaufs des Daseins dar. So heißt es an einer Stelle im Fluß, wer sich einmal in der Nähe eines Mords befand, ist in der Gefahr, einen zweiten zu erleben. Diese Gebundenheit der Abläufe sichert m.E. viel mehr die Beständigkeit einer Persönlichkeit als ihr Charakter. So wirst Du denn auch finden, daß meine Personen nicht folgerichtig handeln und denken, sondern voller Widersprüche sind. Sie gelangen ans Ziel, an ihre Wirklichkeit, weil sie der Schauplatz von Ereignissen sind, musikalisch ausgedrückt, von Themen, Strophen, Motiven, Anklängen, Rhythmen. Sie treten nur ausgerüstet mit ihrer Konstitution auf, alles andere besorgt die Durchführung, die von allem Anfang an gegebene Möglichkeit. Schon auf der ersten Seite steht der Satz: Jeder sieht das Schicksal mit den Augen seiner Krankheit." Später steht einmal: „Das Schwere ist in der prüfenden Leere zu schwer." Achte auf den leeren Klang dieses Satzes. Am Schluß, einem gewaltigen Finale, einem Rondo con Menuetto, erlaube ich mir, gleich-sam auf einem Quartsextakkord innezuhalten - um dem fremden Virtuosen Gelegenheit zu geben seine Kadenz anzubringen, die mit dem Motiv aus dem Werk selbst beginnt. Ich möchte nun keinesfalls bei Dir den Eindruck erwecken, daß das sich nicht ganz zwanglos aus dem Fluß des Werkes ergibt. Es soll dem Leser nicht einmal bewußt wer-den - es soll nur magisch auf ihn einwirken.“
Hans Henny Jahnn (17 december 1894 – 29 november 1959) Beeld in de Staats- und Universitätsbibliothek Hamburg
Uit: Germinie Lacerteux (Door Jules en Edouard de Goncourt)
« Voilà un de mes bons jours ce jour-là... avec le tirage des cochons à Noël... et les fois où j'allais aider pour accoler la vigne... c'est au mois de juin, vous savez... Nous en avions une petite au haut de Saint-Hilaire... Il y eut ces années-là une année bien dure... vous vous rappelez, mademoiselle ?... la grêle de 1828 qui perdit tout... Ça alla jusqu'à Dijon, et plus loin... on fut obligé de faire du pain avec du son... Mon frère alors s'abîma de travail... Mon père, qui était à présent tou-jours dehors à courir dans les champs, nous rapportait quelquefois des champignons... C'était de la misère tout de même... on avait plus souvent faim qu'autre chose... Moi, quand j'étais dans les champs, je regardais si on ne me voyait pas, je me coulais tout doucement sur les genoux, et quand j'étais sous une vache, j'ôtais un de mes sabots, et je me mettais à la traire... Dam ! il n'aurait pas fallu qu'on me prît !... Ma plus grande soeur était en service chez le maire de Lenclos, et elle envoyait à la maison ses quatre-vingts francs de gages... c'était toujours autant. La seconde tra-vaillait à la couture chez les bourgeois ; mais ce n'étaient pas les prix d'à présent alors : on allait de six heures du matin jusqu'à la nuit pour huit sous. Avec ça elle voulait mettre de côté pour s'habiller à la fête le jour de Saint-Rémi... Ah ! voilà comme on est chez nous : il y en a beaucoup qui mangent deux pommes de terre par jour pendant six mois pour s'avoir une robe neuve ce jour-là... Les mauvaises chances nous tombaient de tous les côtés... Mon père vint à mourir... Il avait fallu vendre un petit champ et un homme de vigne qui tous les ans nous donnait un tonneau de vin... Les notaires, ça coûte... Quand mon frère fut malade, il n'y avait rien à lui donner à boire que du râpé sur lequel on jetait de l'eau depuis un an... Et puis il n'y avait plus de linge pour le changer : tous nos draps de l'armoire, où il y avait une croix d'or dessus, du temps de maman, c'était parti... et la croix aussi... Là-dessus, avant d'être malade alors, mon frère s'en va à la fête de Clermont. Il entend dire que ma soeur a fait sa faute avec le maire où elle était : il tombe sur ceux qui disaient cela... il n'était guère fort... Eux, ils étaient beaucoup, ils le jetèrent par terre, et quand il fut par terre, ils lui donnèrent des coups de sabot dans le creux de l'esto-mac... On nous le rapporta comme mort...”
Jules de Goncourt (17 december 1830 - 20 juni 1870) Parijs, de Champs Elysees in kerstsfeer
”You are not English,” I affirmed. ”You speak too well.” I was piqued.She did not answer. She smiled again and I grew angry. In the cathedralshe had smiled at the verger's commendation of particularly abominablerestorations, and that smile had drawn me toward her, had emboldened meto offer deferential and condemnatory remarks as to the plaster-of-Parismouldings. You know how one addresses a young lady who is obviouslycapable of taking care of herself. That was how I had come across her.She had smiled at the gabble of the cathedral guide as he showed theobsessed troop, of which we had formed units, the place of martyrdom ofBlessed Thomas, and her smile had had just that quality of superseder'scontempt. It had pleased me then; but, now that she smiled thus pastme--it was not quite at me--in the crooked highways of the town, I wasirritated. After all, I was somebody; I was not a cathedral verger. Ihad a fancy for myself in those days--a fancy that solitude and broodinghad crystallised into a habit of mind. I was a writer with high--withthe highest--ideals. I had withdrawn myself from the world, livedisolated, hidden in the countryside, lived as hermits do, on the hope ofone day doing something--of putting greatness on paper. She suddenlyfathomed my thoughts: ”You write,” she affirmed. I asked how she knew,wondered what she had read of mine--there was so little. ”Are you a popular author?” she asked. ”Alas, no!” I answered. ”You must know that.” ”You would like to be?” ”We should all of us like,” I answered; ”though it is true some of usprotest that we aim for higher things.” ”I see,” she said, musingly. As far as I could tell she was coming tosome decision. With an instinctive dislike to any such proceeding asregarded myself, I tried to cut across her unknown thoughts.
Ford Madox Ford (17 december 1873 - 26 juni 1939) Cover
Tags:Ronald Giphart, Yvonne Keuls, Jón Kalman Stefánsson, Frank Martinus Arion, Paul Snoek, Hans Henny Jahnn, Jules de Goncourt, Ford Madox Ford, Romenu
“Ernst paid the rent punctiliously. He cleaned the room and took his washing to the launderette, where Hester glimpsed him once or twice, sitting in quiet correctness, watching the shirts and a recurrent two pairs of dark socks as they whirled round in foaming circles before him. He always had a book in his hand. It wasn't as though he had no friends, or nothing to do. He appeared to have both, and went out often in the evenings, and always on Sundays, as he told her to "gatherings". These gatherings seemed to be at the place where he worked, and to consist of the people he worked with, which struck Hester almost as a definition of loneliness. She showed him the shelf in the passage where Rod used to keep a few things. In fact there were probably one or two of them left. It would have been ludicrous to clear everything away, as though there'd been a death in the house. "You can use that if you like, Ernst. There isn't much space upstairs, I know, if you've got a lot of books." He had to stretch to reach the shelf. It was summer, he had taken off hisjacket and, as he reached up, a little of his white shirt pulled out of his trousers, but was replaced so neatly that it was almost magical, as though he had the gift of never making an awkward gesture. "Your husband must have been taller than I am," he said, with the rueful smile of the less tall. Tilly came through the passage, walking as though in a dream, with each foot exactly in line, the toe of one trackshoe touching the heel of the other. She was singing to herself as she passed on into the kitchen. "What is she doing?" Ernst asked. "Oh, they're all walking about like that at her school.You know how it is, it'll be something else in a week or so. Do you have a family?" But that struck her as not quite the right question. "I mean, back in Poland?" That was worse. Where else, after all, could his family be? "If I had had a family, I should not have left them behind me," he said. If that's meant as a reproach I shan't like it, Hester thought. But it could hardly have been one, because he was still smiling. "I was only wondering if you had any plans.., that's to say, if you had any idea how long you will be staying here?" "I'm afraid I can't say. It is possible that I may be able to arrange a re-entry permit." "And then you'll go home?" He looked puzzled. "I shall go back."
Penelope Fitzgerald (17 december 1916 - 28 april 2000) Cover
“Ils ont le don, une fée s'est penché sur leur berceau... la fée fric ! mes pensées dans le club...et aussi je les imagine déjà cadavres...qu'ils crèveront tous tard ou bientôt...qu'ils seront enfin de vraies charognes et que là on sera tous enfin fraternels. La belle affaire, je gamberge bancal, sinistros. En tout cas j'ai pas l'intention de divertir ces branques chochottes. Je leur réponds monosyllabes...ils vont me trouver abruti, tant mieux. Ils finissent par m'oublier, je les intrigue plus, ils me gomment...reprennent leurs sujets favoris...Enfin, ils y arrivent dans le vacarme...s'efforcent...le dernier yatch sur le quai Suffren...une merveille ! Confort, vitesse, etc., il appartient à l'héritier d'un gros industriel du Nord. Un garçon plein de talent, un écrivain lui aussi. Après avoir sabré toutes les plus jolies starlettes, il est maintenant en ménage avec un travelo...viré sa cuti...il pédale...mais on sait bien que chez lui, n'est-ce pas l'érotisme est une ascèse...C'te bonne paire ! Bien des gens, à ma place s'es jouiraient d'être admis à les écouter...là carré au plein du fauteuil ...plein pinacle, le verre de scotch en pogne. J'en profite pas...ça s'estompe de ma mémoire. Il reste juste le bruit, la fureur musicale...et puis tout de même qu'en finale, ils se mettent à parler du prolétariat...qu'ils lui préparent verbal son bonheur futur. là, ils peuvent plus s'arrêter une fois sur ce chapitre. ça dure jusqu'à l'heure où précisément le prolétaire en question se lève, se lave fissa et fonce vers le métro, le bus dans l'aube polluée...pour aller se gaver de poésie réaliste à l'usine! »
Alphonse Boudard (17 december 1925 – 14 januari 2000)
Uit: Een samenzwering van idioten (Vertaald door Paul Syrier)
`Hallo, hoe gaat 't ermee?' vroeg juffrouw Inez. `Hoe voel je je, liefje?' `Niet zo best,' antwoordde mevrouw Reilly naar waarheid. "t Is toch wat.' Juffrouw Inez boog zich over de vitrine en vergat haar taartjes. 'Ik voel me zelf ook niet zo best. Mijn voeten.' `Goh, ik wou dat ik die bof had. Ik heb arteritus in mijn elleboog.' `Nee toch!' zei juffrouw Inez met oprechte deelneming. 'Dat heeft mijn arme ouwe papa ook. Die zetten we altijd in een heet bad vol Berlijns water.' `Mijn zoon zit al de hele dag in ons bad. Ik kan ternauwernood mijn eigen badkamer nog in.' `Ik dacht dat ie getrouwd was, meid.' Ignatius? Olala,' zei mevrouw Reilly bedroefd. `Meissie, geef je me twee dozijn van die luxemix?' `Maar ik dacht dat u me had verteld dat ie getrouwd was,' zei juffrouw Inez terwijl ze de cakejes in een doos deed. `Hij heeft niet eens het vooruitzicht. Die vriendin die hij had is ervandoor gegaan.' `Nou ja, hij heeft nog alle tijd.' `Dat zal wel,' zei mevrouw Reilly onverschillig. '0 ja, kun je me ook een half dozijn wijncakes geven? Ignatius wordt heel vervelend als de cake opraakt.' `Uw zoon is wel gehecht aan zijn cake, hè?' `0, god, die elleboog doet zo'n zeer,' antwoordde mevrouw Reilly. In het middelpunt van de menigte die zich voor het warenhuis had gevormd ging de jagerspet, het groene epicentrum van het oploopje, met heftige bewegingen op en neer. `Ik stel me in verbinding met de burgemeester!' schreeuwde Ignatius. `Laat die jongen met rust,' klonk een stem in de menigte. `Pak die strippers in Bourbon Street liever eens aan,' voegde een oude man eraan toe. 'Dit is een goeie jongen. Hij staat op zijn moeder te wachten.' `Dank u,' zei Ignatius uit de hoogte. 'Ik hoop dat u allen zult willen getuigen tegen dit ongehoorde optreden.' `Kom mee,' zei de agent met slinkend zelfvertrouwen tegen Ignatius. De menigte begon agressief te worden, en er was nergens een verkeersagent te bekennen. 'We gaan naar het bureau.' `Die brave jongen mag niet eens bij Holmes op zijn moeder staan wachten.' Dit was de oude man weer. 'Geloof mij maar, de stad is niet meer wat ze geweest is. “
John Kennedy Toole (17 december 1937 – 26 maart 1969) New Orleans, St. Louis Cathedral in de kersttijd
„Seiner Meinung nach sei Siegfried selber ein Nibelunge erst geworden durch Beraubung und Ermordung des früheren Inhabers seines späteren Hortes. Dieser Sonnenjüngling aber mußte hinwiederum Gold und Namen eines Nibelungen jenen lassen, die nach Überlistung seiner Gattin und Auskundschaftung seiner verwundbaren Stelle sich zu treuer Mord- und Raubbrüderschaft verbanden, bis sie selbst bei der Überlisteten die Hölle gut geheizt gefunden hätten und ihr heldenmütiges Vertrauen auf deren Arglosigkeit ihrerseits mit dem Untergang bezahlten. In gegenwärtiger Zeit gebe freilich ein Titel viel, ein Kleid aber weit mehr. Die Eigentracht sei allerdings gebürtigem Adel vorbehalten. Dem Volksmann bleibe so nur übrig, sich in eine schon vorhandene Livree zu kleiden, in die er passe. Ein Diener könne auch immerhin die Sprosse des Herrn erklettern, wenn jener diesem lange die Leiter halte, dabei unmerklich schüttle, bis, freilich in zunächst geringfügigen, aber zuletzt sehr fühlbaren Brocken, die sich, spät wieder aufgeweicht, zu einem stattlichen Laib wiedergeknetet, Nibelungenhort und -namen schließlich in die Dienerschürze glitten. Mit dieser hochfahrenden Hoffnung Seifenblasen von sich pfeifend, greift Goggel nach dem strafenden Stein, der dem gegenwärtigen Spiegel zugunsten des künftigen unrecht gibt, indem er denselben in eine Lage versetzt, aus der er eines Widerspruchs nicht mehr fähig ist. Sodann greift er sich ans Kinn mit Behagen. Sein Bart sticht ihn nicht, denn er hat keinen. Abgehend äußert er sich noch zu seinem räudigen Rüden, welcher Wonnemund heißt, er sei ein zumeist läufiges Luder (wiewohl doch gar nicht weiblich), doch mit mutlos hängender Zunge. Mithin verabfolge er ihm einen Tritt. Aber er tut dies vielleicht, weil der Hund unter ihm steht, wie er selbst den Tritten seines Herrn ausgesetzt bleibt. Über letzteren denkt er gleichfalls nach, und zwar wie folgt: fein wie ein Fruchtbaum, der bei sanftem Schütteln gute Zehrung fallen läßt; man dürfe sein Geschäft aber nicht grob machen, andernfalls falle krachend ein Ast, und wehe dem, der dann unten stehe."
Low in the east, against a white, cold dawn, The black-lined silhouette of the woods was drawn, And on a wintry waste Of frosted streams and hillsides bare and brown, Through thin cloud-films, a pallid ghost looked down, The waning moon half-faced!
In that pale sky and sere, snow-waiting earth, What sign was there of the immortal birth? What herald of the One? Lo! swift as thought the heavenly radiance came, A rose-red splendor swept the sky like flame, Up rolled the round, bright sun!
And all was changed. From a transfigured world The moon's ghost fled, the smoke of home-hearths curled Up the still air unblown. In Orient warmth and brightness, did that morn O'er Nain and Nazareth, when the Christ was born, Break fairer than our own?
The morning's promise noon and eve fulfilled In warm, soft sky and landscape hazy-hilled And sunset fair as they; A sweet reminder of His holiest time, A summer-miracle in our winter clime, God gave a perfect day.
The near was blended with the old and far, And Bethlehem's hillside and the Magi's star Seemed here, as there and then,-- Our homestead pine-tree was the Syrian palm, Our heart's desire the angels' midnight psalm, Peace, and good-will to men!
Forgiveness
My heart was heavy, for its trust had been Abused, its kindness answered with foul wrong; So, turning gloomily from my fellow-men, One summer Sabbath day I strolled among The green mounds of the village burial-place; Where, pondering how all human love and hate Find one sad level; and how, soon or late, Wronged and wrongdoer, each with meekened face, And cold hands folded over a still heart, Pass the green threshold of our common grave, Whither all footsteps tend, whence none depart, Awed for myself, and pitying my race, Our common sorrow, like a mighty wave, Swept all my pride away, and trembling I forgave!
John Greenleaf Whittier (17 december 1807 – 7 september 1892) Het bureau van de dichter in zijn huis in Amesbury, Massachusetts, nu museum
„I was always well mounted. I am fond of a horse, and always piqued myself on having the fastest trotter in the Province. I have made no great progress in the world, I feel doubly, therefore, the pleasure of not being surpassed on the road. I never feel so well or so cheerful as on horseback, for there is something exhilarating in quick motion; and, old as I am, I feel a pleasure in making any person whom I meet on the way put his horse to the full gallop, to keep pace with my trotter. Poor Ethiope ! you recollect him, how he was wont to lay back his ears on his arched neck, and push away from all compe-tition. He is done, poor fellow ! the spavin spoiled his speed, and he now roams at large upon my farm at Truro.' Mohawk never failed me till this summer. I pride myself, (you may laugh at such childish weakness in a man of my age,) but still, I pride myself in taking the conceit out of coxcombs I meet on the road, and on the ease with which I can leave a fool behind, whose nonsense disturbs my solitary musings. On my last journey to Fort Lawrence, as the beautiful view of Colchester had just opened upon me, and as I was contemplating its richness and exquisite scenery, a tall thin man, with hollow cheeks and bright twinkling black eyes, on a good bay horse, somewhat out of condition, overtook me ; and drawing up, said, I say, stranger, I guess you started early this morning, didnt you ? I did, sir, I replied. You did not come from Halifax, I presume, sir, did you ? in a dialect too rich to be mistaken as genuine Yankee. And which way may you be travelling ? asked my inquisitive com-panion. »
Thomas Haliburton (17 december 1796 – 27 augustus 1865) Cover
I would love you (shit, dammit!), if there wasn’t this uncertainty, if not the fact that my heart is being eaten by anger, longing and soppiness.
I would be faithful like the dog Lassie, I’d gladly sleep on the mat, but you have such personality that I wouldn’t wish any lover.
I would love you (bloody hell!), I’d love (goddammit!), but something has crushed me, and I don’t know what’s happening to me:
I greet a photograph - like a fool, with a photograph (shit!) I reckon with, I go to sleep and don’t doze off until I confess it my sins,
and (shit!) those sins are really small, so the sinner is annoyed (dammit!): that I, for instance, was drinking yesterday or that Miss X – not necessarily.
So what (dammit!) that I’m faithful, one that loves even your footmarks? My dear - October has passed, My dear (shit!), November is passing.
My dear, whole life is passing… Dear! Dear! – I repeat while sobbing. What gives me live, and what kills me, is that I (dammit!) still love you.
Vertaald door Magdalena
Władysław Broniewski (17 december 1897 – 10 februari 1962) Cover
“I am only an office worker tired of bureaucracy and the world around him. But wait! I want you to understand me. I love this country, I like Washington. It is an enchanting city, a placid garden of tourists, diplomats and office workers — correcte, charmante et ridicule. A model of organization, a perfection of city planning. Everything here functions accurately, "On time and the hour,” as Dona Maurfcia, my late grandmother, used to say. Listen, my bard, listen. Yesterday I gave a talk at the weekly luncheon of the Happy Bears' Club. Were there such organizations in your day? No? Great times, those! Well, my Bears roared, told stories, put grotesque paper hats on their heads, applauded my speech with handclapping and whistling. Extremely cordial, not a doubt of that, highly entertciined ! And when the question-and-answer period came, what do you think they inquired about? I’d hoped they would ask how Brazilians live, how they love, dance, sing, dream and die. But not at all ! They wanted me to give them statistics on the exportation of coffee, the per capita income of the population, the figures on rainfall. The gentleman beside me, his lips touched with vanilla ice-cream, wanted to know what our government is doing to combat soil erosion. I replied that ViUa-Lobos had written a s3miphony with the title of Erosion, and that we all hoped that would solve the problem definitely. You don’t suppose the man took my answer seriously and wanted technical details? WeU, he did, poet. I am constantly surrounded by old ladies. Clean, gay, neat, respectable, elegant, thirsty for information and animated by the purest civic sentiments. They belong to a thousand clubs, a thousand committees, a thousand fraternal societies. They get things done, they organize things, they want to know things. I collaborate with them, I give them lectures on all subjects, even — and principally — on those I am not acquainted with. I answer their questions with filial patience. But they are smothering me. Bin, ah, they are driving me mad! Hurrah for our Brazilian old women! Hail to Dona Maurfcia with her checked shawl, her embroidered slippers, her tapioca cakes, her crocheted napkins, her asthma and her silences ! She never belonged to any club. She never went to a lecture, God bless her!”
Érico Veríssimo (17 december 1905 – 28 november 1975) Portret door Tania Hanaler, 2016
Tags:Penelope Fitzgerald, Alphonse Boudard, John Kennedy Toole, Albert Drach, John Whittier, Thomas Haliburton, Wł,adysł,aw Broniewski, Érico Veríssimo, Romenu
Adriaan van Dis, Jane Austen, Adriaan van der Veen, Noël Coward, Tip Marugg
De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Diswerd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Disop dit blog.
Uit:In het buitengebied
“Ik dring haar niks op, dat hebben we afgesproken. Ze moet aan zoveel wennen. De buitenwereld kan even de pot op. Geduld is ons wachtwoord. Neem alleen al onze stemmen, we konden elkaar in het begin slecht verstaan. Het was als zoeken naar de juiste golflengte. Ze is per slot Japans en wist nauwelijks waar Nederland lag. We spreken Engels met elkaar, maar ze heeft een zwaar accent. Rare klemtonen, ze slikt lettergrepen in. Ik moest keer op keer vragen: ‘Wat zeg je, herhaal die zin alsjeblieft?’ Ze dacht dat ik doof was. Ik probeerde haar uitspraak te verbeteren – professor Higgins teaching Eliza Doolittle – maar betrapte me erop dat ik telkens mijn stem verhief en dan imiteerde ze mijn ergernis en schreeuwde ze net zo hard terug. Na weken vonden we allebei een goede toon en woordkeus. (Al moet ik nu wel oppassen dat ik niet met volle mond praat anders verstaat ze me nog niet.) Er valt voor haar nog zoveel te ontdekken: mijn volle huis, een verwilderde tuin, met rozenstruiken waar je je aan kan openhalen. Wel even wennen voor een meisje dat uit een bonsaiwereld komt. Ze is Japanser dan ik dacht. Zeer gesteld op rituelen, vooral op het ritueel van de herhaling. En ik pas me aan. Moet je me thee zien drinken. Daar hebben we nu een kleine ceremonie van gemaakt. Buiten op het terras: ik met mijn kont op een kussen en zij in kleermakerszit tegenover mij. In kimono. Ik drink uit een porseleinen kom met gouden binnenkant en klop mijn groene thee met een bamboekwastje op. En dan kijkt ze zeer tevreden. Eén keer vroeg ik haar een lied te zingen, een theelied uit haar jeugd. Ze knikte, rechtte haar rug en zette een kinderstem op – snerpend als een krekel. Ik vroeg haar naar de betekenis, maar ze kende alleen de woorden. Ze is weliswaar in Tokio grootgebracht, maar haar vader, die haar gemaakt heeft tot wie zij is, heeft haar internationaal opgevoed. Akiko omarmt de wereld zonder zich te hechten. Ze weet meer dan ze kent. Haar woordenschat verbaast me elke dag. De Mini Crossword lost ze binnen één minuut op. Ze verslaat me keer op keer. Maar ze houdt me lenig.Het is 23 tegen 70. En ze is waanzinnig mooi. Ook daarom verstop ik haar een beetje. Ze is zo volmaakt als een perzik. Ik kan uren naar haar kijken en zuig haar schoonheid op.”
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)
“You are not aware of what you are doing. I have known a great deal of the trouble of annuities; for my mother was clogged with the payment of three to old superannuated servants by my father's will, and it is amazing how disagreeable she found it. Twice every year these annuities were to be paid; and then there was the trouble of getting it to them; and then one of them was said to have died, and afterwards it turned out to be no such thing. My mother was quite sick of it. Her income was not her own, she said, with such perpetual claims on it; and it was the more unkind in my father, because, otherwise, the money would have been entirely at my mother's disposal, without any restriction whatever. It has given me such an abhorrence of annuities, that I am sure I would not pin myself down to the payment of one for all the world." "It is certainly an unpleasant thing," replied Mr. Dashwood, "to have those kind of yearly drains on one's income. One's fortune, as your mother justly says, is NOT one's own. To be tied down to the regular payment of such a sum, on every rent day, is by no means desirable: it takes away one's independence." "Undoubtedly; and after all you have no thanks for it. They think themselves secure, you do no more than what is expected, and it raises no gratitude at all. If I were you, whatever I did should be done at my own discretion entirely. I would not bind myself to allow them any thing yearly. It may be very inconvenient some years to spare a hundred, or even fifty pounds from our own expenses." "I believe you are right, my love; it will be better that there should by no annuity in the case; whatever I may give them occasionally will be of far greater assistance than a yearly allowance, because they would only enlarge their style of living if they felt sure of a larger income, and would not be sixpence the richer for it at the end of the year. It will certainly be much the best way. A present of fifty pounds, now and then, will prevent their ever being distressed for money, and will, I think, be amply discharging my promise to my father."
Jane Austen (16 december 1775 – 18 juli 1817) Anne Hathaway als Jane Austen in de Britse film "Becoming Jane" uit 2007
“Met die man met de zilveren hoed begon het ineens weer. Hij was niets bijzonders, een gewone kermisman, maar zo bleef zij hem steeds noemen. In elk geval, die middag is het weer helemaal misgegaan. Of die taraboemdiee-kerel daar nu veel mee had te maken weet ik niet. Ze was natuurlijk toch nog ver van normaal. Wonderen gebeuren nu eenmaal niet. Het schijnt, dat die man haar aan iets uit haar jeugd deed denken, ook zo'n komediant met een glinsterende punthoed met bellen, die ze ergens had gezien. Precies weet ik het ook niet, maar het was weer een lekkere kluif voor die zenuwarts van haar. Als je het mij vraagt was er vroeg of laat altijd wel weer iets gebeurd. Hans ziet dat langzamerhand ook wel in. We praten er nu heel openhartig over. We zijn trouwens heel goed met elkaar, daar is nooit iets aan veranderd. Iedere dag komt hij even langs, al is het maar voor een kopje koffie. Dan hoor je allicht heel wat, maar ik ben nooit tussenbeiden gekomen. Daar heb ik altijd voor gepast. Ik heb er anders wat mee te stellen. Als ik denk aan die arme jongen, dat het zo is gelopen. Heus, ze is mijn eigen schoondochter en ik ben gewoonweg gek op de kinderen, maar als hij nu maar eens en voor al wilde zien, dat er toch niets aan te doen is. Ze maken tegenwoordig alles zo ingewikkeld, terwijl je zo kunt begrijpen, dat ze niet gezond is en dat ze het nooit zal worden. Hoe Hans het voor het eerst heeft gemerkt? Ach, dat is nu al minstens anderhalf jaar geleden. Hans heeft het me helemaal precies verteld - later pas, want eerst had hij er eigenlijk niet bij stilgestaan. Het is dan ook niets anders dan gekkigheid en je moet echt zo'n dokter zijn om er van alles achter te zoeken. Ze waren dan samen op vakantie, in Zwitserland. Ik had de kinderen bij me genomen. En je zult het niet willen geloven, maar tegen de zin van mijn schoondochter. Ze had gezegd, dat het misschien te veel voor me zou zijn - voor mij. Je zou me zeker toch nog geen zestig geven. Daar zat natuurlijk wat anders achter. Ze gunde ze me gewoonweg niet. Jaloers dat ze altijd is geweest. Alleen maar omdat Hans wel eens een enkele keer bij zijn moeder komt. De jongen is nu eenmaal gewend zich bij mij uit te spreken. Dat kan hij dan zeker bij haar niet."
Adriaan van der Veen (16 december 1916 – 7 maart 2003) Cover
De Engelse schrijver en songwriter Noël Coward werd geboren op 16 december 1899 in Teddington, Londen. Zie ook alle tags voor Noël Coward op dit blog.
Uit: The Vortex
“FLORENCE: At this hour of the night — you're mad! NICKY: No, I'm not, I think. I'm probably more unhappy than I've ever been in my life. FLORENCE: You're young — you'll get over it. NICKY: I hope so. FLORENCE: I knew the first moment I saw her — what sort of a girl she was. NICKY: Oh, mother! FLORENCE: It's true. I had an instinct about her. NICKY: It's all been rather a shock, you know — FLORENCE (becoming motherly): Yes, dear — I know — I know — but you mustn't be miserable about her — she isn't worth it. (She goes to kiss him.) NICKY (gently pushing her away): Don't, mother! FLORENCE: Listen, Nicky — go back to bed now — there's a dear — my head's splitting. NICKY: I can't yet. FLORENCE: Take some aspirin — that'll calm your nerves. NICKY: I'm afraid I'm a little beyond aspirin. FLORENCE: I don't want you to think I don't sympathize with you, darling —my heart aches for you — I know so well what you're going through. NICKY: Do you? FLORENCE: It's agony — absolute agony — but, you see — it will wear off—it always does in time. NICKY doesn't answer. Nicky, please go now! NICKY: I want to talk to you. FLORENCE: Tomorrow — we'll talk tomorrow. NICKY: No, now — now! FLORENCE: You're inconsiderate and cruel — I've told you my head's bursting. NICKY: I want to sympathize with you, too — and try to understand everything — as well as I can —FLORENCE: Understand everything? NICKY: Yes, please."
Noël Coward (16 december 1899 - 26 maart 1973) Scene uit een opvoering in Chicago, 2012
De Antilliaanse dichter en schrijver Tip Maruggwerd geboren op 16 december 1923 in Willemstad, Curaçao. Zie ook alle tags voor Tip Marugg op dit blog.
Heb je wel eens een vogel gedood?
Heb je wel eens een vogel gedood? Heb je wel eens een bloem vertrapt? Heb je in de spiegel rode vlekken gezien? Heb je de zonde uit de gevangenis bevrijd? Heb je alle lichten gedoofd toen je had moeten kijken? Trilden je handen toen je had moeten vechten? Heb je een aalmoes gegeven met gesloten vuist? Heb je wierook gebrand om de deugd weg te houden? Heb je sigaretten gerookt met het brandende eind in je mond? Is je beste vriend de halflege fles? Bid dan met gesloten ogen om niet te weten wat je krijgt om niet de kunstbloem te moeten zien de bloedende vogel, zijn vleugels verroest.
II Ook nog, ook nog de onzichtbare ogen van de alkoven, tegen een koning in duisternis.
Jullie weten wel dat mijn mond een put vol namen is, vol nummers en dode letters. Dat de echo's zich vervelen zonder mijn woorden en datgene wat ik nooit zei de wind misprijst en haat. Jullie mogen niets horen. Laat me met rust!
Maar de oren worden groter tegen de borst aan. Van gips, koud, dalen ze af naar de keel, naar de trage kelders van het bloed, naar de buizen van de beenderen.
Een koning is een egel zonder geheim.
Vertaald door Willy Spillebeen
Rafael Alberti (16 december 1902 – 27 oktober 1999) Portret door Herminio Molero, 2000
C'était vers le printemps : Cocotte, la poulette, Du matin jusqu'au soir caquetait, caquetait, Et tous les jours pondait. Vainement sur ses œufs se fiait la pauvrette ; Isabeau, la fermière, au marché les portait : Aussi Cocotte allait, criait, se lamentait. Femmes qui me lisez, vous comprendrez sa peine. Pour lui jouer un malin tour, Un enfant sur le sable, un jour, De cailloux blancs et ronds ramasse une douzaine. Et les pose furtivement Dans le nid de la désolée. Il réussit parfaitement. Voyant ces œufs menteurs, la poule, consolée. Couve, couve, et s'écrie, en son ravissement : « L'amour n'est pas une chimère ! Enfin, enfin je serai mère, Mère de beaux enfants qui feront mon bonheur !… » Trop tôt s'évanouit cette flatteuse erreur, Trop tôt l'espoir fit place à la douleur amère.
De ce récit ne riez pas, lecteur : Notre société de pareils faits abonde. Souvent bien des penseurs, aussi sages que vous, Ont cru dans leur cerveau faire germer un monde, Et n'ont couvé que des cailloux…
Pierre Lachambeaudie (16 december 1807 – 7 juli 1872) Cover
“In a second she was carried away by the traffic, and it waltzed graciously, understandingly about her. She felt its rhythm. Dancing a grotesque step she let herself drift on a river of circling moody joy as though she were another Ophelia floating with flowers about her. She was dancing in a land of oranges, and she saw women as beautiful as orchids gliding high beside her in their dowager saloons. She chased them as you chase butterflies, but she could not keep up with them. The chauffeurs were at their wits’ ends, swerving to avoid her, as something too awful even to run over. Then as she gambolled the cars began to slow down; she saw the spaces narrowing, the floor of the Circus disappearing under thickening wheels. The traffic crowded, breathing and swearing about her. To her surprise she saw it had stopped. A policeman was coming for her. She wanted to throw her arms round his neck and kiss him, but he gripped one arm and led her away. “ ’Ere, Lizzy,” he said. “You’d better practise it at home a bit before you try it on ’ere.” “Yer right. In course y’are,” she shouted at him. “But I must get me lights. Can’t do it without me lights.” And with her free hand she held the sack open like a pail she was filling to wash down flights and flights of stairs with, but in poured the lights instead: all the signs and diagrams and patterns, the bottle that poured endless wine, the engine wheels that never stopped, all the jerks and clicks of brilliance. The last to go was the General, monocle and all. “Garn, yer wicked ol’ dear,” she laughed, giving him a kick. The following crowd laughed to see her give the policeman one like that.“
V.S. Pritchett ( 16 december 1900 – 20 maart 1997) Kerstsfeer in Ipswich
“One cannot conceive any thing more perfect than the contempt which the man of transparencies and the man of shoes, must have felt for each other on that evening. There was at least as much vanity in the sturdy industry as in the strenuous idleness, for our shoemaker is a man of substance, he employs three journeymen, two lame, and one a dwarf, so that his shop looks like an hospi-tal; he has purchased the lease of his commodious dwelling, some even say that he has bought it out and out ; and he has only one pretty daughter, a light, de-licate, fair-haired girl of fourteen, the champion, pro-tectress, and playfellow of every brat under three years old, whom she jumps, dances, dandles, and feeds all day long. A very attractive person is that child-loving girl. I have never seen any one in her station who possessed so thoroughly that undefinable charm, the lady-look. See her on a Sunday in her simplicity and her white frock, and she might pass for an earl's daughter. She likes flowers too, and has a profusion of white stocks under her window, as pure and delicate as herself. The first house on the opposite side of the way is the blacksmith's ; a gloomy dwelling, where the sun never seems to shine ; dark and smoky within and without, like a forge. The blacksmith is a high officer in our little state, nothing less than a constable ; but, alas ! alas ! when tumults arise, and the constable is called for, he will commonly be found in the thickest of the fray. Lucky would it be for his wife and her eight children if there were no public-house in the land: an inveterate inclination to enter those bewitching doors is Mr. Constable's only fault. Next to this official dwelling is a spruce brick tene-ment, red, high, and narrow, boasting, one above ano-ther, three sash-windows, the only sash-windows in the village, with a clematis on one side and a rose on the other, tall and narrow like itself. That slender man-sion has a fine genteel look. The little parlour seems made for Hogarth's old maid and her stunted footboy ; for tea and card-parties,—it would just hold one table ; for the rustle of faded silks, and the splendour of old china ; for the delight of four by honours, and a little snug quiet scandal between the deals ; for affected gen-tility and real starvation. This should have been its destiny ; but fate has been unpropitious ; it belongs to a plump, merry, bustling dame, with four fat, rosy, noisy children, the very essence of vulgarity and plenty.“
Mary Russell Mitford (16 dcember 1787 - 10 januari 1855) Cover
De Roemeense dichter, schrijver en filmmakerAndrei Rusewerd geboren in Boekarest op 16 december 1985. Hij organiseerde tal van evenementen in Boekarest, de meest recente was Reading Club, een tweemaandelijkse bijeenkomst met openbare lezingen en discussies gericht op recent gepubliceerde of komende Roemeense boeken en hun auteurs. In 2007 maakte hij zijn literaire debuut met een bundel poëzie getiteld “Black Job” en publiceerde in 2008 de roman getiteld “Soni”, in 2011 gevolgd door “Dilar pentru o zi “(“Dealer voor één dag”)/. Andrei Ruse is ook beroemd omdat hij de eerste video-trailer heeft gemaakt voor een Roemeens boek. Hij produceerde eveneens een reeks video-gedichten, video-interviews, trailers en verschillende documentaires, evenals experimentele films. Zijn bekendste documentaire is Poëzie. Power (2009), waarvoor hij samenwerkte met Razvan Tupa. Hij heeft ook een aantal online culturele projecten geïnitieerd, zoals het tijdschrift en de online community Hyperliteratura.
gesture
I have been smoking for nine years, A cigarette ot two, every night in the same place
four square metres into the yard from Colentina, where I keep spinning.
this earth has inherited thickness no blade of grass grows here no tiny being approaches
nothing has changed in nine years I wear 44 now and my foot won’t grow any bigger
maybe only that I pull harder from my cigarette
nothing new,only the same pantomime that I perform the only sign, that in this yard someone is alive.
I’ve been thinking about a beer since three hours ago
I’m thinking about the bottle I’m thinking about the color of the bottle at the right temperature I’m thinking of the pub where I’d drink it of the store from where I’d buy it and the salesman’s face of his hand which will open to receive the money my yellow opener from the drawer a glass taken randomly Since three hours ago I’ve been thinking of what it means for me the word beer About whom it reminds me and about whom it doesn’t I’ve been thinking about the wild drunks, About Niculae’s goal from more than 40 m away when nobody thought That Rapid will eliminate Hamburg
In three hours I repeated so many times the word beer that It wouldn’t make any sense If I get up and go To take one.
plötzlich findet man sich wieder mit soße übergossen und zusammengepfercht mit kartoffeln und gelee sonderbar flau im fleisch nach all dem tranchieren und zerren am eingeweide bis es abriß und raus denk nicht ich kenne sie nicht diese satanische sorgfalt beim dekorieren von gabel und messer das gläserklirren und streichholzrasseln und ganz zu schweigen von der art wie leber und herz sorgsam getrennt in ein kleines medizinisch anmutendes gefäß gelegt werden und weiß der himmel ob es ihnen vielleicht einfällt mich als mich selbst auszustaffieren mit federn und allem drum und dran nach dem unerträglichen halbkrematorium der schwindelpartie mit kopf nach unten dem blei in der seite und dann der gedanke an diesen schmatzbär serviettenbehangene zahlende mittelmäßigkeit wovon man bald bespeichelt wird ich übergebe mich
Provinz
Ich höre in provinzieller Nachmittagsstille am Ende der Saison eine Amsel singen die auf einer Fernsehantenne im Schatten einer Ulme sitzt und alles überblickt verloren im Sein sieht sie mich groß an wie auch die Zeit und lässt Gesang verströmen vom Afterloch durch den Körper und hinaus aus dem gelben Schnabel ich wärme mich an ihrer Teilnahmslosigkeit und ihrem vollkommenen Gegenwärtigsein ich denke es ist etwas ganz Eigenes in einem dänischen Provinznest zu stehen nachmittags am Ende der Saison und eine Amsel zu hören und plötzlich fühle ich mich dumm
Ik sla de trom en dreun de dromers wakker Wie droomt verraadt zijn vrouw, zijn kind, zijn makker; Geen eerlijk man kan zich gelukkig voelen Als zijn gelijken die het goed bedoelen En nooit hun stugge nek hebben gebogen Door liederlijke landsknechten° bespogen, Getrapt, geslagen worden totterdood. Wordt wakker, want de nood is groot.
Ik sla de trom, het is geen tijd voor zingen, Voor maanlicht, minnepijn en mooie dingen, Als de gerechten, onze zielsgenoten In donkre martelkampen weggesloten Verteren zonder hoop op beter morgen, Als dronken loeders godenzonen worgen Moeten wij allen klaar staan voor de dood. Wordt wakker, want de nood is groot.
Ik sla de trom, stroomt samen, wij zijn velen. Mijnwerkers komt met bijlen en houwelen, Gij boeren scherpt uw zeisen en uw grepen Matrozen neemt de haken van uw schepen En jagers laadt met scherp uw jachtgeweren; Wij zijn de laatsten en wij moeten ’t keren: Boven de knoet verkiezen wij de dood. Wordt wakker,want de nood is groot.
Ik sla de trom, wij zijn in ’t nauw gedreven. Wij, die in vrede en vriendschap wilden leven, Worden een zee van purperrode vlammen Die zich een weg baant door betonnen dammen: Bezielde mannen die voor vrijheid vechten Zijn sterker dan een troep betaalde knechten. Wij vrezen niets, de duivel noch de dood. Wordt wakker, want de nood is groot.
Ik sla de trom; eens komt een einde aan ’t lijden Na deze ellende rijzen zachte tijden, Dan bouwen we weer onze luchtkastelen Dan mogen onze kinderen weer spélen Dan glijden weer op ’t meer de blonde barken Dan vrijen weer de paren in de parken. Het leven wint het eindlijk van de dood! Wordt wakker, want de nood is nu nog groot.
“An diesem Sonnabend im Juli 1974, acht Tage vor meinem zwölften Geburtstag, weiß ich noch nichts von meinem Glück. Ich sitze auf der Terrasse eines Ausflugslokals nahe Waldau und warte darauf, dass jemand die Kellnerin von der Richtigkeit meiner Argumente überzeugt oder meine Rechnung in Höhe von vier Mark und fünfzig Pfennigen begleicht. Mehrmals habe ich ihr schon erklärt, über kein Geld zu verfügen, weder in meinen Hosentaschen noch dort, wo ich zu Hause bin, im Kinderheim Käthe-Kollwitz in Gradow an der Elbe. »Geld ist doch nicht wichtig!«, sage ich und füge gleich darauf hinzu: »Solange ich ein Kind bin, muss unsere Gesellschaft für mich sorgen, egal, ob im Kinderheim oder auf einer Reise an die Ostsee.« Wiederholt biete ich der Kellnerin an, die von mir verzehrte Portion Eisbein mit Kartoffeln, Sauerkraut und Senf sowie das Glas Fassbrause abzuarbeiten, sie brauche mir nur eine Aufgabe zuzuweisen. Ich wolle sie aber nicht wegen Kinderarbeit in Schwierigkeiten bringen. Naheliegend sei es hingegen, mir die Verköstigung nicht zu berechnen. »Warum soll mir unsere Gesellschaft das Geld erst aushändigen«, frage ich, »wenn dieses Geld doch über kurz oder lang sowieso wieder bei ihr landet?« »Wo landet das Geld?«, ruft die Kellnerin, deren Stimme mit jedem Wort an Höhe gewinnt. »Bei der Gesellschaft«, antworte ich. »Bei dir piept’s ja!« Die Kellnerin tippt sich mehrmals mit dem Zeigefinger gegen die Schläfe. »Hast se ja nich mehr alle!« Sie ergreift ihren dicken schwarzen Zopf, der schräg über ihrem Dekolleté liegt, und schleudert ihn über die Schulter zurück. Im Weggehen schwingt der Zopf zwischen Schulterblatt und Schulterblatt hin und her und beruhigt sich erst, als sie sich anschickt, die drei Stufen zur Eingangstür des Lokals hinaufzusteigen. Ich versuche, wie immer in kniffligen Situationen, kühlen Kopf zu bewahren und meine Enttäuschung darüber, wie uneinsichtig selbst Erwachsene heute noch sein können, niederzukämpfen. Was würde Paul Löschau jetzt tun? Ich sehe in den Himmel. Die Wolkenbeobachtung, hat er gesagt, sei die beste Art der Erholung, wenn einem die Kraft zum Studieren fehle. In der Gestalt der Wolken haben wir immer etwas entdeckt. Gewaltige Igel, Krebse, Hasen und Bären zogen über uns hinweg. Es hat aber auch Tage gegeben, an denen wir die Vorkämpfer unserer Sache erblickt haben, Ernst Thälmann oder Rosa Luxemburg, einmal sogar Lenin mit vorgerecktem Kinn! Doch heute will sich keine einzige Wolke verwandeln. Soll ich einfach wegrennen? Aber damit stellte ich meine eigenen Belange über die der Gesellschaft. Am Ende hält die Kellnerin ihren Egoismus noch für Wachsamkeit!“
“Juli 1396 “De jongeman houdt zijn paard in en kijkt neer op de stad. Daar ligt Fiorenza, een verzameling rode daken, dikke stadsmuren en torens die blikkeren in de zon. De Campanile en het langgerekte schip van de nieuwe kathedraal steken overal boven uit. Zelfs zonder koepel biedt het geheel al een machtige aanblik. Platschuiten varen af en aan over de rivier, kooplieden voeren zwaarbepakte ezels de stad in. Het is zomer en de zon giet zijn stralen over de glooiende omgeving. Hij weet hoe mooi Fiorenza is in deze tijd van het jaar, met zijn spetterende fonteinen, de overvloedige bougainville en de gele en roze huizen, oplichtend in de zon. Twee jaar is hij weg geweest. Twee lange jaren waarin hij zich bevrijd voelde en tegelijk heimwee had naar zijn geboortestad. Ondanks die gevoelens is hij niet één keer teruggeweest. Tot hij een paar dagen geleden het bericht ontving dat zijn vader was overleden. Hij had onmiddellijk zijn spullen gepakt en Bologna verlaten. Voorzichtig laat hij zijn paard afdalen. Het smalle pad komt uit op een oude Romeinse steenweg, die steeds breder en drukker wordt. Voor de Porta Romana staat een lange rij. Hij sluit aan en moet wachten voor hij de poort door mag, maar dan is hij eindelijk weer in Fiorenza. Ongeduldig drijft hij zijn paard door de drukte op de Ponte Vecchio. Hij zou eraan gewend moeten zijn, het is hier altijd dringen. Misschien komt het door zijn lange afwezigheid dat het hem opeens opvalt hoe druk het er is. Het is een wonder dat de oude brug niet bezwijkt onder het gewicht van de winkels. Met een zucht van opluchting rijdt hij uiteindelijk de kade op. De oude binnenstad begroet hem met een gewriemel in nauwe straatjes, het geknor van varkens en de altijd aanwezige stank van de Arno. Tussen de bedelaars, voetgangers, karren en uitstallingen door leidt hij zijn paard naar het hart van de stad. Hier staan de patriciërswoningen en volle pakhuizen van rijke kooplieden. Hier wonen de families Degli Amieri, Alberti, Brunelleschi, Agolanti en andere vooraanstaande families.”
Simone van der Vlugt (Hoorn, 15 december 1966)
De Estse dichter, beeldend kunstenaar en vertaler Indrek Hirvwerd geboren op 15 december 1956 in Kohila. Zie ook alle tags voor Indrek Hirvop dit blog.
Karlova
L’avenir n’est rien d’autre que des milliers d’instants embarrassants.
Fierté des nuits de ma jeunesse, avec ton cœur qui frappe comme un fou, prends garde à toi dans la lumière tendre !
Regarde : une maison ivre a jeté son ombre sucrée, — la ville de mon enfance me poursuit encore dans les impasses sombres.
Les étroites fenêtres ont jusqu’au matin un visage froissé par les fracas du soir.
Fierté des nuits de ma jeunesse, crois-moi, sous les pavés, les jours sont diablement longs !
“That done, she began to pipe green tincture onto the drawn pints of Guinness to simulate the emblem of the shamrock, something Rafferty observed with a quiet sufferance. A noisy group burst in, decked with leprechauns and green gewgaws of every description, led by a tall woman who was carrying fresh shamrock still attached to a clump of rich earth. In a slightly affected voice she described writing to her old uncle several times since Christmas, reminding him that the plant must not be detached from its soil and, moreover, he must remember to sprinkle it with water and post it in a perforated box filled with loam. “Was it holy water by any chance?” the cracked woman shouted out. “Shut your gob,” she was told, at which she raised a hectoring finger, claiming, “I was innit before yous was all born.” As the single sprigs of shamrock were passed around, they somehow looked a little forlorn. A second group followed hot on the heels of the first group, all greeting each other heartily, spreading coats and bags on the various tables and commandeering quiet nooks in the alcoves, for friends whom they claimed were due. A cocky young man with sideburns, wearing a black leather jacket, walked directly to the fruit machine, where the lime-green and cherry-red lights flashed on and off, the lit symbols spinning at a tantalizing speed. Two youngsters, possibly his brothers, stood by, gazing and gaping as he fed coin after coin into the machine, and as they waited in vain for the clatter of the payout money, the younger one held an open handkerchief to receive the takings. The elder, who was plump, consigned squares of chocolate into his mouth and sucked with relish while his brother looked on with the woebegone expression of an urchin. I had put the newspaper down and was jotting in a notebook one or two things that I might possibly discuss with my doctor when, to my surprise, Rafferty was standing above me and almost bashfully said, “Do you mind if I take back my paper?” I apologized, offering him a drink, but he was already on his way, detached from the boisterous crowd, carrying himself with a strange otherworldly dignity as he raised his right hand to Adrian in salutation. Three or four weeks passed before we exchanged a few words. “What’s the harp for?” I asked one morning when, as had become his habit, he made a little joke of offering me the newspaper.”
„Rittsteig bei Passau, den 12. April 1947 Lieber Herr Reiner, der kleine Sonderdruck im Süd-Verlag ist leider noch nicht erschienen; auch die Gedichte, die Fritz Seifert in Hameln gedruckt hat, konnten bisher wegen Strommangel nicht gebunden werden. Im Insel-Verlag wird – vermutlich im Sommer – ein neues Büchlein kommen: Aufzeichnungen aus Italien, auch einige neue Aufl agen von älteren Büchern. Man muß Geduld haben und sich gesund und mutig erhalten. Es freut mich für Sie, daß Sie heimkehren konnten; in Ihren Jahren darf man auch an die Wiederkehr besserer Tage glauben. Mit herzlichen Wünschen grüßt Sie Ihr Hans Carossa
Rittsteig bei Passau, 10. Januar 1948 Lieber Herr Reiner, heute möchte ich nur fragen, ob der kleine Sonderdruck »Stern über der Lichtung« (etwa ein Dutzend Gedichte) in Ihre Hände gelangt ist; zugedacht hab ich ihn Ihnen längst. Ich bin erst kurz vor Weihnachten von einer größeren Reise heimgekehrt und kann den ansehnlichen Postberg, der mich erwartete, nur langsam abtragen. Gesundheit und Freude im neuen Jahr wünscht Ihnen, mit herzlichem Dank für Ihr Geburtstagsgedenken und die schöne Bildkarte Ihr aufrichtig ergebener Hans Carossa”
Hans Carossa (15 december 1878 - 13 september 1956) Het Carossa Haus in Seestetten dat de schrijver van zijn moeder erfde
Mais la corruption, à son comble portée, Dans le cercle des Grands ne s'est point arrêtée ; Elle infecte l'empire, et les mêmes travers Règnent également dans tous les rangs divers. ... Eh ! quel frein contiendrait un vulgaire indocile, Qui fait, grâce aux docteurs du moderne évangile, Qu'en vain le pauvre espère en un Dieu qui n'est pas, Que l'homme tout entier est promis au trépas ? Chacun veut de la vie embellir le passage ; L'homme le plus heureux est aussi le plus sage ; Et depuis le vieillard qui touche à son tombeau, Jusqu'au jeune homme à peine échappé du berceau, A la ville, à la cour, au sein de l'opulence, Sous les affreux lambeaux de l'obscure indigence, La Débauche au teint pâle, aux regards effrontés, Enflamme tous les coeurs, vers le crime emportés. C'est en vain que, fidèle à sa vertu première, Louis instruit aux moeurs la monarchie entière, La Monarchie entière est en proie aux Laïs, Leurs vices sont les Dieux qu'encense leur pays ; Et la Religion, mère désespérée, Par ses propres enfants sans cesse déchirée, Dans ses temples déserts pleurant leurs attentats, Le pardon sur la bouche, en vain leur tend les bras Son culte est avili, ses lois sont profanées..
Nicolas Gilbert (15 december 1750 – 16 november 1780) Fontenoy-Le-Château
“GAUNT. Why, no—for you'd lose, too. You'd have nothing to gain. ESDRAS. Indeed we know it. GAUNT. I'll remember you kindly. When I've returned, there may be some mystery made of where I was—we'll leave it a mystery? GARTH. Anything you say. GAUNT. Why, now I go with much more peace of mind—if I can call you friends. ESDRAS. We shall be grateful for silence on your part, Your Honor. GAUNT. Sir—if there were any just end to be served by speaking out, I'd speak! There is none. No—bear that in mind! ESDRAS. We will, Your Honor. GAUNT. Then—I'm in some haste. If you can be my guide, we'll set out now. ESDRAS. Yes, Surely. (There is a knock at the door. The four look at each other with some apprehension. MIRIAMNE rises.) I'll answer it. MIRIAMNE. Yes. (She goes into the inner room and closes door. ESDRAS goes to outer door. The knock is repeated. He opens door. tvito is there.) ESDRAS. Yes, Sir. MIO. May I come in? ESDRAS. Will you state your business, sir? It's late—and I'm not at liberty —Pm. Why, I might say that I was trying to earn my tuition fees by peddling magazines. I could say that, or collecting old newspapers—paying cash—highest rates—no questions asked — (Ile looks round sharply.) GARTH. We've nothing to sell. GAUNT. Why, no—for you'd lose, too. You'd have nothing to gain. ESDRAS. Indeed we know it. GAUNT. I'll remember you kindly. When I've returned, there may be some mystery made of where I was—we'll leave it a mystery?”
Maxwell Anderson (15 december 1888 – 28 februari 1959) Scene uit een opvoering in Chicago, 2016
Tags:Klaus Rifbjerg, Jan Greshoff, Ingo Schulze, Simone van der Vlugt, Indrek Hirv, Edna O’,Brien, Hans Carossa, Nicolas Gilbert, Maxwell Anderson, Romenu
De Duitse schrijver, componist en muziekproducent Christian Huberwerd geboren in 1984 in Regensburg en groeide op in Schwandorf, waar hij in 2004 eindexamen deed aan het Carl-Friedrich-Gauß-Gymnasium. Na een afgebroken studie aan de universiteit van Regensburg en een stage in het Funkhaus Regensburg, verhuisde hij eind 2010 naar Berlijn. Hier woonde en werkte hij als schrijver en componist en werkte hij o.a. met de Australische hiphop-band Hilltop Hoods, de Duitse rappers Casper, Farid Bang en KC Rebel en de Amerikaanse rapper Kool G Rap samen. Sinds 2006 woont Huber in Keulen. Huber is sinds 2009 actief op Twitter onder de naam "Pokerbeats", waar hij wordt gevolgd door meer dan 38.500 gebruikers. Huber schrijft ook voor talloze comedy-programma's en levert bijdragen voor radio- en televisieprogramma's (bijvoorbeeld voor het Neo-magazine Royale op ZDF). Zijn columns verschenen u. a. bij VICE News, ICON en in de krant DIE WELT. Muziek, gecomponeerd door Huber bereikte hoge hitlijstposities in verschillende landen en werd herhaaldelijk bekroond met platina.
Uit: 7 Kilo in 3 Tagen
„73 Prozent aller Morde jährlich werden in den Tagen vor Weihnachten begangen. Das stimmt natürlich nicht. Wäre aber ohne weiteres denkbar. Eine solche Behauptung würde in einem halblangweiligen Partysmalltalk in einer mit Pfandflaschen zugestellten WG-Küche bei den meisten Gesprächspartnern höchstens kurz zu erhobenen Augenbrauen und dann direkt zur Bekräftigung führen, das «auch schon mal irgendwo gelesen» zu haben. Alle haben alles schon mal irgendwo gelesen. Aber vielleicht ist diese von mir aufgestellte These ja sogar korrekt. Ist mir letztendlich auch egal. Solange während der Unterhaltung keiner zweifelt, ist jeder ausgetauschte Satz die erwiesene Wahrheit. Ich habe mir das Statistiken-Erfinden irgendwie angewöhnt. Ich mache das gerne. Häufig einfach nur für mich. Das hilft mir, in gewissen Lebenslagen die Ruhe zu bewahren. Fakten, Zahlen und Berechnungen bringen mich in Stresssituationen runter. Turbulenzen im Flugzeug? Beim Crash einer Boeing zu sterben, ist sechs Millionen Mal unwahrscheinlicher, als als Lottogewinner von einem Blitz getroffen zu werden. Ein bisschen Gras aus dem Amsterdam-Urlaub im Handgepäck? Die Chancen, ohne Taschenkontrolle am argwöhnisch blickenden Zollbeamten vorbeihuschen zu können, stehen für Nicht-Dreadlocks-Träger siebzigtausendmal besser, als rückwärts von der Mittellinie in einen Basketballkorb zu treffen, wenn gerade tatsächlich jemand zuguckt. Tötungsphantasien im überhitzten, mit Weihnachtshoppern überlaufenen Kaufhaus und der daraus resultierende Gedanke, ob man eventuell socially awkward sein könnte? Wenn 73 Prozent aller Morde jährlich in den Tagen vor Weihnachten begangen werden, haben offensichtlich neben mir noch sehr viele andere Menschen Gewaltvorstellungen, während sie die Geschenke für ihre Liebsten einpacken lassen. Ich bin also nicht allein. Kein Sonderling, der einfach nur mit blinder Wut kompensiert, dass ihm in der Kassenschlange des Konsumpalastes eine laut in ihr Smartphone blökende Schicki-Mutter ihren eierschalenfarbenen Porsche-Kinderwagen in die Kniekehlen rammt. Im Dreivierteltakt. Gegen den Rhythmus von «Jingle Bells», das mit festlichen Viervierteltakt-Glöckchen blechern über die Kaufhausanlage leiert. Noch eine halbe Strophe, und sie hat mein Kreuzband durch.“