Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
26-10-2017
Jan Wolkers, Marja Pruis, Andrew Motion, Maartje Wortel, Stephen L. Carter, Harry M.P. van de Vijfeijke, Karin Boye, Trevor Joyce, Pat Conroy
“De vogels schreeuwden hem wakker. Met zijn ogen dicht bleef hij liggen luisteren naar het gekrijs, hels en genadeloos, alsof ze de zon boven de horizon uit wilden vloeken. Erdoorheen hoorde hij een vreemd klapperen, als van een zonnescherm in de wind Die zak van boven heeft de vlag weer vergeten binnen te halen. Verleden jaar had bijna de hele trap er ruzie over. Stelletje melkmuilen en trutten. Belediging van de vlag. Je gelooft je oren niet. Alsof de mensen nooit boven het niveau van padvinders uitkomen. 0, wat is m'n rood, wit en blauw vernederd. Die vlag hangt nog halfstok ook. Dan is het ook nog een belediging voor de doden. De doden. Het is een instituut geworden. Die gruwelijk vermoorden schijnen zich om te draaien in hun massagraf als er zo hier en daar een vlaggetje onder de sterrenhemel blijft wapperen. Primitief bijgeloof. Puur animisme Alsof dat dundoek door de vleermuizen van het kwaad bezwadderd zou kunnen worden, alsof de vijand hem zou kunnen bezeiken in het nachtelijk duister. Als jullie willen zien hoe de vlag en de doden beledigd worden hadden jullie gisteravond op de Dam moeten gaan kijken. Ze spatten bijna van woede uit elkaar. Als een stel piranha's zouden ze zich op je gebeente willen storten om het laatste beetje merg eruit te vreten. Zo te horen staat er een behoorlijke bries. Niet eruit geweest vannacht. Nee toch? Even goed nadenken. Te veel valium geslikt. Snoep verstandig. Dat ruisen in mijn hart of daaromtrent. Het is of er zandkorrels je aderen in gespoeld worden. Sterk vertakte rivier. Het slibt dicht. Een treurwilg van geronnen bloed. Je bloedsomloop als een foto van de bliksem. Aderen van witheet metaal. Alsof je van binnen uit in een keurslijf wordt gegoten. Een skelet van nikkel. De grote verstijving. Door de stank van de asbak met peuken heen rook hij de dranklucht. Hij zag zijn vrouw weer, onderuit gezakt voor de televisie, naar de dodenherdenking zitten kijken. Die zinloze dennen tegen de oranje avondlucht. Verleden jaar nog in zwart-wit. In kleur is het nog treuriger. Je hoort de laatste zanglijster. Je staat daar en je zakt weg. Die salvo's uit het verleden. Je dacht er steeds aan. Dat je eenzaam zou vergaan. Ze zat maar te mompelen. Moest natuurlijk weer aan Henk denken. Zelf ook. Het kan niet anders. Dat dat je voorgoed bijblijft. De fakkels die opdoemen alsof de doden een geest hebben. Die reusachtige bronzen klok dreunt op den duur in je kop mee. Zo'n stel van die jongens van vroeger in overall met een sten voor hun borst. Onherroepelijk weg en voorbij. Voor wie voeren ze die maskerade eigenlijk op. Te goed doervoed.”
Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007) Cover
“Het idee dat Abraham de Winter op me zit te wachten prikkelt me, ik zal dat nooit aan Leon kunnen uitleggen. Misschien moet je daar vrouw voor zijn, altijd denken dat de verlossing van buitenaf moet komen. Want natuurlijk zal Abraham de Winter me een aanbod doen, is het niet dat hij me over een flipperkast heen wil buigen – ach Ellie – dan wel dat hij me wil peilen voor een of andere functie, een prestigieus project, een bijdrage aan een boek, een samenwerking, iets Europees, iets met geld, waarvoor verder niemand wordt gevraagd. Iets waardoor ik zomaar over een paar weken voor onbepaalde tijd naar Leuven kan verhuizen, waar ik me iedere ochtend over de kasseien naar mijn werk spoed in de schaduw van de machtige kathedraal, alles en iedereen op mijn weg begroetend, want Leuven blijkt best klein. Het restaurant waar we op zijn verzoek hebben afgesproken is gevestigd in een oude verffabriek, of het was ooit een drukkerij, dat kan ook. De serveerster begeleidt me naar een podium dat zich uitstrekt over de hele lengte, pal onder lange smalle ramen waardoor nooit een sprankje zon naar binnen zal zijn gevallen. De zaak ligt in een steegje, pal tegenover een nog hoger pand waarin net een krantenredactie onderdak heeft gevonden nadat het jarenlang de ruigste danstent van de stad herbergde. Ik wring me in een bocht om door het raam omhoog te kijken terwijl ik me afvraag hoe het zou zijn om een date met Abraham de Winter te hebben. Of de man met de perfecte papieren – het hoogleraarschap, de internationale carrière, de juiste bezigheden – niet een kikker op het droge zou blijken, een grijnzende amfibie in zijn beste jasje-dasje, dat zich bij voorkeur achter in een restaurant opstelde zodat hij de deur in de gaten kon houden. Als hem niet beviel wat daar binnen kwam zeilen op de in het vooruitzicht gestelde hoge hakken, zou hij ook zomaar, páts, verschwunden kunnen zijn. ‘Heeft ze grote tieten?’ vroeg hij Ellie over een journaliste die hem wilde interviewen voor het universiteitsblad.”
Even now, after twice her lifetime of grief and anger in the very place, whoever comes to climb these narrow stairs, discovers how the bookcase slides aside, then walks through shadow into sunlit room, can never help
but break her secrecy again. Just listening is a kind of guilt: the Westerkirk repeats itself outside, as if all time worked round towards her fear, and made each stroke die down on guarded streets. Imagine it—
four years of whispering, and loneliness, and plotting, day by day, the Allied line in Europe with a yellow chalk. What hope she had for ordinary love and interest survives her here, displayed above the bed
as pictures of her family; some actors; fashions chosen by Princess Elizabeth. And those who stoop to see them find not only patience missing its reward, but one enduring wish for chances
like my own: to leave as simply as I do, and walk at ease up dusty tree-lined avenues, or watch a silent barge come clear of bridges settling their reflections in the blue canal.
“Je hebt je eigen kamer. Je bent met je vader en moeder naar een winkel gegaan en hebt een bureau gekocht om aan te studeren. In het bureau zitten drie lades. In het begin blijven de onderste twee lades leeg. Tot je steeds meer rotzooi verzameld hebt. Sleutelhangers, pasfoto’s, bonnetjes en paracetamol. Als je verhuist, verhuist de rotzooi mee. Onder een paar schriften en postelastieken ligt een briefje van een geliefde. Jullie zien elkaar niet meer. Je mist iemand die in een ander land is gaan wonen. Soms sta je er zelfs mee op. Je bent moe van de ruimte tussen jullie lichamen. De aanwezigheid van een afwezigheid. Dat was altijd al zo, maar eerder was de ruimte kleiner, overzichtelijker. Je overbrugde de afstand lopend of op de fiets. Nu denk je aan het gat tussen jezelf en de dood, waarvan je hoopt dat die eindeloos is. Als het aan jou ligt is het een landschap zoals een woestijn. Je hebt vroeger hele zomervakanties doorgebracht met het luisteren naar tapes van Bert & Ernie. Je zat in een houten schommelstoel en hoorde Bert & Ernie zingen: Het is een troep, troep, vreselijke troep; we hebben al een tijd niets meer opgeruimd. Troep, troep, alles is zoek, we hebben al een tijd niets meer opgeruimd. La-la-la-la-la, la-la-la-la-la!Er zijn mensen die voortdurend alles opruimen. Ze stoppen hun spullen achter deurtjes. Als iedereen alles uitstalt, zingt niemand meer. Je zit in een werkruimte met grote ramen. Er is een bed dat iemand heeft neergezet. Iemand die gelooft in het belang van nietsdoen. Iemand die denkt dat kijken beter is dan leven. Iemand die zegt: De werkelijkheid is wat je aankan. Je gaat op je rug op het bed liggen en kijkt naar de lucht. Er vliegen twaalf zwanen langs het raam en je denkt aan de tocht van duizenden kilometers die ze door de lucht afleggen en dat als een van de zwanen ziek wordt, er altijd een andere zwaan is die met hem of haar mee naar beneden gaat. Op de grond wachten ze samen tot de zieke zwaan sterk genoeg is om de tocht te hervatten. Je hebt in het Stedelijk Museum een werk gezien van Marlene Dumas dat je niet meer loslaat, het heet Don’t Talk to Strangers (1977). Het is een collage op canvas met tape en stukken uit brieven van vrienden en geliefden die de kunstenares heeft verzameld. Ze heeft alleen de aanhef en het afscheid, de groet, uit de brieven overgelaten. Je denkt dat het een groot doek is, misschien van anderhalve meter breed, je bent nooit goed geweest in het schatten van maten. Aan de uiterste linkerkant van het doek hangen onder elkaar, in verschillende handschriften, de aanheffen van de brieven. Aan de uiterste rechterkant hangen alle afscheidsgroeten. Eén iemand sluit zijn brief af met een wolkje van krassen. Of misschien is het eerder een kluitje krassen. Het is iemand die zich tijdens het schrijven van zijn groet bedacht heeft. Toch beter van niet. Na de krassen sluit de briefschrijver zijn brief af met: Zzzzz. Tussen de tweede en de derde z is later nog een z toegevoegd. Nu staat er dus eigenlijk Zzzzzz, waardoor de complete inhoud verandert, waardoor je je mening moet bijstellen. Waardoor je tegen diegene aan zou willen liggen. Waardoor je dit nooit meer vergeet.”
Uit: The Church Builder (Onder pseudoniem A. L. Shields)
“Annabelle Seaver saw the inside of five different churches on the rainy March day the car ran her down, and people said later that she must have been very pious or in a great deal of pain, and her family insisted that she was both. To be sure, none of her relatives had heard from her in months, but as they admitted to the police, this was not unusual. Although Annabelle had been a quiet, reflective child, she had grown into a decisively flighty adult, loosely tethered to the world of convention, and prone to vanish for weeks or more. And, no, nobody had any idea what she was doing in Washington, D.C. The family had sort of lost track. The police quickly dug up the business about rehab, and of course, a couple of years back, the ninety days in a suburban Chicago jail for possession. Friends said her family had disowned her at that point, although her sister Polly insisted that Annabelle had disowned herself. But Polly, from the same painful beginnings, had made something of herself, whereas Annabelle manifestly had not. The car came streaking toward the alley behind U Street Christian Church, after the Wednesday night Bible study group had barred the back door to keep Annabelle from sneaking back in. Not that they knew her name.They had asked, of course, but she hadn’t answered. She had barged into the meeting, noisily and showily, just as Brother Everson was discoursing on what his boyhood pastor down in Tennessee had said was the right understanding of the phrase “armor of God” in Ephesians 6, and although some of the members admitted to police later that they had been suspicious from the moment of her arrival, they were under a general injunction to welcome the stranger. Sister Murray took one look at the wild eyes and scuffed jeans and the way she clutched at her battered knapsack and made sure that this particular stranger knew where the coffee was. What happened next was unclear. The press accounts, copied from the police reports, simply referred to the stranger as “disruptive.” At some point the disruption became intolerable, and they put her forcibly out. Later on, when the bombings began in earnest, it would turn out to matter a great deal what Annabelle had been shouting as they assisted her into the alley, but the good people of U Street Christian could be pardoned for thinking that they were listening to the ravings of a madwoman."
Half awake the summer night broods quietly on dreams that no one knows. The tarns' glistening floods reflect a twilight sky's infinity, pale, morose, Whiter grow the stars on high. Afar, afar the nightjar sings alone her toneless, comfortless melody.
Never boldly, towards the heights she swings, because of her lowness hovers low. Downy twilight wings seem bound to the earth, by dust and soil weighed down below. Woe to him whose wings in pair cannot rise, only linger, helplessly drawn to the mud, whose colours they bear.
But the whitest of white among swans, that travel in morning's bright space their royal lanes, never cherished a yearning such as the nightjar has. None has a longing so true for the distant and far as the nightjar for the ever beckoning, ever yielding blue.
Karin Boye (26 oktober 1900 – 24 april 1941) Standbeeld in Göteborg
VERSES WITH A REFRAIN FROM A SOLICITOR’S LETTER (Fragment) for George Hitching
What’s more, my bell is mute. The inscribed slip that made its tongue chime in the wind, flew off. It’s not my day. Far from putting up barbed wire fences, I’d prefer, right now, to see one of those bright Byzantine Christs come striding across from the opposite hills
and in this regard time shall be made of the essence
fresh from baptizing Adam, vast and very masterful, lugging a patriarch along with each arm no doubt from some new-harrowed hell and scattering from his feet a fine debris of locks, bolts, spancels, cuffs, gyves, fetters, stocks, and other miscellaneous hindrances
and in this regard time shall be made of the essence
And what would our Neighbourhood Watch do then? Put the polis on his tail, stay home, and watch that hooligan as he’d come, breaking contracts, flattening fences and leaving gates and prisons open behind him. Yes, he’s the man would soon break down the calculus that stopped my flow
and in this regard time shall be made of the essence
And not like a thief in the night, but openly I’d have him eliminate all limitations, peel walls and roofs away like rind and with his knife of stars reveal what soft exotic fruit grew ripe within
and in this regard time shall be made of the essence
“Though a failed bridge maker, I showed more skill in the task of the tomahawk and I felled Kathleen with a wild toss that deflected off her shoulder blade. My mother handled the whipping that night, so further discipline by my father proved unnecessary. For the rest of my life, I would read books on Native Americans and I once coached an Indian baseball team on the Near North Side of Omaha, Nebraska, after my freshman year at The Citadel. Pretty Kathleen McCadden never spoke to me again, and her father always looked as if he wanted to beat me. I was seven years old. Yet an intellectual life often forms in the strangest, most infertile of conditions. The deep forests of those isolated bases became the kingdom that I took ownership of as a child. I followed the minnow-laced streams as they made their cutting way toward the Trent River. Each time in the woods, I brought my nature-obsessed mother a series of captured animals, from snapping turtles to copperheads. Mom would study their scales or fur or plumage as I brought home everything from baby herons to squirrels for her patient inspection. After she looked over the day's catch, she would shower me with praise, then send me back into the woods to return my captives where I'd discovered them. She told me she thought I could become a world-class naturalist, or even the director of the San Diego Zoo. At the library she began to check out books that gave me a working knowledge of those creatures that my inquisitive, overprotective dog and I had found while wandering the woods. When Chippie jumped between me and an eastern diamondback rattler and took a strike on the muzzle before she broke the snake's back, my mother decided that I'd do my most important work in the game preserves of Africa with the scent of lions inflaming Chippie's extraordinary sense of smell. By the time I had finished fifth grade, I knew the name of almost every mammal in Africa.”
Tags:Jan Wolkers, Marja Pruis, Andrew Motion, Maartje Wortel, Stephen L. Carter, Harry M.P. van de Vijfeijke, Karin Boye, Trevor Joyce, Pat Conroy, Romenu
Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord, staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord, dus keek ik er met verwondering naar: Ben Ali Libi. Goochelaar.
Met een lach en een smoes en een goocheldoos en een alibi dat-ie zorgvuldig koos, scharrelde hij de kost bij elkaar: Ben Ali Libi, de goochelaar.
Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost dat Nederland nodig moest worden verlost van het wereldwijd joods-bosjewistisch gevaar. Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.
Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt, kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt. Er stond al een overvalwagen klaar voor Ben Ali Libi, de goochelaar.
In 't concentratiekamp heeft hij misschien zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien met een lach en een smoes, een misleidend gebaar, Ben Ali Libi, de goochelaar.
En altijd als ik een schreeuwer zie met een alternatief voor de democratie, denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar voor Ben Ali Libi, de goochelaar.
Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel, hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.
Het menselijk geluk
De huur betaald. De stoep geschuurd. Een goeie visboer in de buurt. Een meid die als ze naast je gaat, loopt te zingen over straat.
Oktober
ik kreeg van daag een vreemde brief:
'ik mag je graag, heus, ik vind je best lief.
maar houden van, dat gaat niet. maar echte liefde gaat niet'
ik kreeg vandaag zo'n rare brief. zo'n brief.
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
Weer zwelt uw uier, heilige moedernacht en 't duister van uw lijf spreidt vrees en vrede. Gedachten en gebeden in 't huis der schemering worden volbracht.
Weer groeit het duister, weegt de duistre vracht. Mijn geest is droef; de oermoeder die mij baarde, mij voedde en bewaarde weer dreigt en graast mij, slorpt mij op, o nacht.
Dan adem ik, mijn vriend, in u nog nauw mijn angstige ademing, en hoor uw zuchten naar mij en de geruchten van 't haastig hart naar uw geruste vrouw.
Dan geeft de nacht ons samen melk, een stroom in donkre gulpen smeltend mild, wij drinken en danken haar en zinken diep in haar vacht en drinken nog in droom.
Harmonie
I Psychè
Toen gij ontwaakt waart uit mijn moeders slaap, sliept gij opnieuw en moest opnieuw ontwaken, en duizendmaal werdt gij uit dezen schoot door 't licht gebroken, en geleverd naakt uit de bescherming van het lauwe laken aan de bedreiging van het morgenrood.
Gij sliept in mij, mijn ziel, en slaapt nog even en wilt u niet uit u laten verstoren, maar ligt en ademhaalt, uw ogen dicht; en wordt bijwijlen aan de borst geheven, maar sluimert voort en wordt opnieuw geboren met dromenvliezen om uw klaar gezicht.
Zo slapend ligt ge in u, en in uzelf richt gij uw zachte ogen vol rein licht; gij vraagt in u naar u; want zuchtend ziet gij u inwaarts verdiepen, elk gewelf verder zich welven; open en gans dicht reikt gij naar u en raakt uzelve niet.
Christine D'haen (25 oktober 1923 – 3 september 2009) Cover luisterboek
Uit: De blauwe draad (Vertaald door Barbara de Lange)
“Laat op de avond van een julidag in 1994 kregen Red en Abby Whitshank een telefoontje van hun zoon Denny. Ze waren net bezig naar bed te gaan. Abby stond in haar slipje voor de schrijftafel en trok de haarspelden één voor één uit de warrige, lichtblonde knot op haar kruin. Red, een donkere, magere man in een gestreepte pyjamabroek en een wit T-shirt, was net op de rand van het bed gaan zitten om zijn sokken uit te trekken; dus toen de telefoon op het nachtkastje naast hem ging, was hij degene die opnam. `Whitshank,' zei hij. En toen: 'Hé, hallo.' Abby wendde zich van de spiegel af, met beide armen nog omhoog naar haar hoofd. `Hoe bedoel je,' zei hij zonder vraagteken. `Wát?' vroeg hij. Wat krijgen we nou, Denny!' Abby liet haar armen zakken `Hallo?' zei hij. Wacht. Hallo? Hallo?' Hij zweeg even en legde de hoorn neer. Wat is er?' vroeg Abby. `Hij zegt dat hij homo is.' `Wát?' ` Hij zei dat hij iets moest vertellen: hij is homo.' `En dan hang jij zomaar op!' `Nee, Abby. Hij hing op. Ik zei alleen: "Wat krijgen we nou," en toen hing hij op. Klik! Gewoon, zomaar.' `0, Red, hoe kón je?' jammerde Abby. Ze draaide zich met een ruk om en pakte haar badjas — van kleurloos chenille dat ooit roze was geweest. Ze sloeg hem om zich heen en trok de ceintuur strak aan. 'Hoe kwam je erbij om dat te zeggen?' vroeg ze. `Ik bedoelde er niets mee! Als je wordt overvallen zeg je toch "Wat krijgen we nou?"' Abby pakte een lok haar die over haar voorhoofd krulde. `Ik bedoelde alleen maar,' zei Red, "'Wat krijgen we nóu weer, Denny? Wat verzin je straks weer om ons ongerust te maken?" Hij wist best dat ik dat bedoelde. Echt, dat wist hij best. Maar nou kan hij doen of het door mij komt, omdat ik zo bekrompen ben, of zo'n ouwe sok of hoe hij het ook wil noemen. Hij was juist blij dat ik dat zei. Dat bleek wel omdat hij zo snel ophing; hij hoopte de hele tijd al dat ik iets fouts zou zeggen.' `Goed, goed,' zei Abby en ze ging praktisch verder: 'Waar belde hij vandaan?'
Anne Tyler (Minneapolis, 25 oktober 1941)
De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971. Zie ook alle tags voor Elif Shafak op dit blog.
Uit: Drie dochters van Eva (Vertaald door Frouke Arns en Manon Smits)
“Istanbul, 2016 Op een doodgewone lentedag in Istanbul, zo'n lange, lome middag, kwam ze met een schok tot het besef dat ze in staat was om iemand te doden. Ze had altijd al het idee dat zelfs de kalmste, liefste vrouwen een uitbarsting van agressie konden krijgen wanneer ze in het nauw werden gedreven. Aangezien ze zichzelf als kalm noch lief beschouwde, ging ze ervan uit dat haar eigen capaciteit om door het lint te gaan nog eens beduidend groter was. Maar 'capaciteit' was een lastig woord. Een tijd geleden zei iedereen dat Turkije veel capaciteiten had — en moest je nu eens zien waar dat op uitgelopen was. Dus troostte ze zichzelf met de gedachte dat het met haar duistere kant uiteindelijk ook wel zou loslopen. En gelukkig had het lot — die goed bewaard gebleven kleitablet waarin alles gegraveerd stond wat al was gebeurd en wat nog zou gebeuren — haar grotendeels behoed voor misstappen. Ze had al die jaren een fatsoenlijk leven geleid. Ze had haar medemensen nooit leed berokkend, althans niet opzettelijk, althans niet recentelijk, afgezien van een incidenteel roddelen of zwartmaken waaraan ze zich schuldig maakte, maar dat telde eigenlijk niet. Dat deed iedereen immers weleens — en als dat wel een enorme zonde zou blijken te zijn, zou de hel tot aan de nok toe gevuld zijn. Als ze al iemand pijn had gedaan, dan was het God, en God was weliswaar snel ontstemd en vermaard om zijn grilligheid, maar je kon hem niet kwetsen. Kwetsen en gekwetst worden was een menselijke eigenschap. In de ogen van familie en vrienden was Nazperi Nalbantoglu — of Peri, zoals iedereen haar kende — een góéd mens. Ze steunde liefdadigheidsbijeenkomsten, zette zich in voor meer kennis over alzheimer en meer geld voor arme gezinnen; ze werkte als vrijwilligster in bejaardenhuizen waar ze deelnam aan backgammontoernooitjes die ze opzettelijk verloor; had altijd brokjes in haar handtas zitten voor de talrijke zwerfkatten van Istanbul, die ze zo nu en dan op eigen kosten liet steriliseren; hield de schoolvorderingen van haar kinderen nauwlettend in de gaten; trad op als gastvrouw bij chique dinertjes voor de chef en collega's van haar man; vastte gedurende de eerste en de laatste dagen van de ramadan, al had ze de neiging de tussenliggende dagen over te slaan; en offerde een met henna geverfd schaap tijdens het Offerfeest.”
“September 22, 1761 The crowd that gathered that morning in the square mile of streets, yards, and parks surrounding Westminster Abbey was the largest that had ever been seen in Europe. A million Britons had come from all over the kingdom to witness the crowning of King George III and his bride, Princess Charlotte of Mecldenburgh. Every house, inn, and tavern was jammed. People couldn't sleep for the shouting and singing, the ringing of church bells, and the hammering of scaffolds. From St. James's Park to the banks of the Thames, nobles and peasants, merchants and plowmen, flower girls, jugglers, and pitmen filled the streets in hopes of a glimpse of the royal procession. Such is the power of the British monarchy that a famous American scientist of the day might have likened the choir of the Abbey—with its ancient chair of Saint Edward in which the king would be crowned—to a magnetic pole enforcing order on the field of humanity surrounding it. The hopes of a quarrelsome empire waited upon the young king. Even the elements of nature were moved. It had drizzled rain upon the city since Sunday. Yet on Tuesday morning the sun dispersed the clouds and fog and shone throughout the day of the pageant, an omen inspiring the London Chronicle's bard to write:
Since then, great Prince, it looks like heaven's decree Ev'n to our sunshine we should owe to thee Let this day represent thyfuture reign Clear after clouds, and after storms serene.. .
For the nobles, gentlemen and ladies, bishops and choristers com-manded to walk in the procession ahead of the king, and for those with engraved tickets that reserved places in Westminster Hall where the procession formed, there was a great deal to see. The splendor of the spectacle would exceed the expectations that had been building since the death of King George H nearly a year before. Westminster Hall, cavernous beneath its hammer-beam oaken roof, had been emptied of all but the floor and steps of the king's law court that convened here.”
Auf was nur einmal ist (Für Heinrich Maria Ledig-Rowohlt)
Manchmal fragt man sich: Ist das das Leben? Manchmal weiß man nicht: Ist dies das Wesen? Wenn du aufwachst, ist die Klappe zu. Nichts eratmet, alles angelesen, siehe, das bist du.
Und du denkst vielleicht: ich gehe unter, bodenlos und fürchterlich -: Einer aus dem großen Graupelhaufen, nur um einen kleinen Flicken bunter, siehe, das bin ich.
Aber dann, aufeinmalso, beim Schlendern, lockert sich die Dichtung, bricht die Schale, fliegen Funken zwischen Hut und Schuh: Dieser ganz bestimmte Schlenker aus der Richtung, dieser Stich ins Unnormale, was nur einmal ist und auch nicht umzuändern: siehe, das bist du.
Das Himmelschluck-Lied
Mein Herz beschert mir groben Spaß, die Lunge kommt mir auch zupaß, ich preise mein Gewicht. Zeigt ernst die Nas nach Norden hin, daß ich aus Lust geworden bin, vergeß, vergeß ich nicht.
Die Bäume stehen sich durchs Jahr, das Herz ist wunder- und wandelbar, ich setz auf Wasnichtbleibt; so Blüten, Laub und Schöpferklein und leg dir Feuer ans Gebein, bis daß es Funken treibt.
Schau, die katangaschwarze Nacht hat die Machete mitgebracht und säbelt in den Wind. Da sind die Sterne aufgereiht, Schnittmuster für die Ewigkeit, der wir verloren sind.
Oh schönes Sein, oh großes Nuscht, zwei Wolken, in die Luft getuscht, die ich wohl fangen möcht. Es fällt die Nacht, es steigt die Früh, im Spiegel bleckt mein Kontervieh sein heimliches Geschlecht.
Doch Ketzers Kopf voll Fröhlichkeit, die Liebe bringt ihn um die Zeit, und ist für gut verjuxt. Dann aber kommt der Tag des Herrn mit Donnerschlag und Mandelkern, wo du den Himmel schluckst.
“Kommse rin, könnse rauskiekn! Schon bevor Sie das Stadtgebiet Berlins mit eigenen Füßen betreten, könnten Sie fast alles über diese Stadt wissen. Besonders wenn Sie mit dem Flugzeug kom-men, landen Sie mittendrin in allem, was Berlin aus-macht. Denn normalerweise hätten Sie auf dem neuen Zentralflughafen Berlin-Brandenburg International landen müssen. Seit 1991 läuft das Planungsverfahren für einen neuen, größeren Berliner Flughafen, der die drei bis-herigen Flughäfen Tegel, Tempelhof und Schönefeld ablösen sollte. Vernünftig wäre es gewesen, diesen Flug-hafen auf dem weiten Brandenburger Land, etliche Meilen außerhalb des Stadtgebiets, zu bauen, so wie das alle anderen Großstädte tun. Aber wie der berühmte Berliner Schwabe Brecht gesagt hat: »Kein Vormarsch ist so schwer wie der zurück zur Vernunft.« Als Zugeständnis an die Taxiunternehmer und aufgrund von lokalen Befindlichkeiten (ein Berliner Flug-hafen muss auf Berliner Grund und Boden stehen, was, wenn die Russen wiederkommen?) setzte der CDU-Senat unter dem Bürgermeister Diepgen die Planung für Schönefeld durch — bis zur Eröffnung war es ja noch viele Wahlperioden hin. Und tatsächlich fielen erst Diepgens Nachfolger Wowereit die Probleme auf die Füße, die sich aus dem Bau eines Flughafens mitten in einem städtischen Ballungsraum ergeben. Vermeintlich war das Flughafendesaster sogar ein wesentlicher Grund für dessen Rücktritt. Es scheint fast kein Detail zu geben, das bei der Flughafenplanung glatt gelaufen wäre. Es stellte sich sogar heraus, dass der vorgesehene internationale Flughafencode BBI, mit dem man jahrelang Werbung gemacht hatte, schon seit Jahrzehnten an einen Provinzflughafen im Osten Indiens vergeben ist. Der absolute Tiefpunkt war schließlich im Juni 2012 erreicht. Nach sechsjährigen Bauarbeiten sollte der Flugbetrieb am Abend des 2. Juni in Tegel und dem alten Schönefelder Flughafen eingestellt und der neue Flughafen am Morgen des 3. Juni 2012 eröffnet werden. Zu diesem Zweck waren 3000 LKWs angemietet und eine fünfstündige Sperrung der Stadtautobahn beantragt worden. Das alles hinderte die Stadt natür-lich nicht daran, für den 3. Juni außerdem eine große Fahrradsternfahrt zu genehmigen, für die der Autover-kehr in der Innenstadt zu weiten Teilen lahmgelegt werden musste.“
Nu mist het woud zijn purpren najaarspracht. Een ritslend kleed van rosse blaadren dekt De weke wegen, waar 't geplet fluweel Van plekken mos, smaragdgroen, zichtbaar bleef. De hoge bomen, zwart en bladerloos, Wie grijsgroen mos de ruige stammen dekt, Herdenken, droef, de zoete zomertijd, En schudden zacht de wijze kale kruin. In de oude toppen klaagt de winterwind. Door 't huivrend schaarhout vaart een lange zucht En trillend klapwiekt, als een bruine vlinder, 't Verdorde blad, dat trouw bleef aan zijn twijg.
Vriesdag
Staalblauw de hemel boven 't marmerwit Der straten, blank van d'eerste vlokkenval. En zonverguld, in fel-licht luchtkristal, De starre bomen, hard en zwart als git.
In doodgevrozen rozen heb ik al Mijn zomerdromen zacht een graf gespit, Waarbij ik trouw de handen vouw en bid Voor de arme zieltjes, die God redden zal.
O dromendoder Leven, steen en staal! In 't koude goudlicht van uw winterzon, Klinkt trots mijn tred nu, wijs en flink mijn taal.
Maar 't ruisgeluid van boom en lentebron En de oude sprook van roze en nachtegaal, 'k Zou sterker zijn zo 'k die vergeten kon.
Hélène Swarth (25 oktober 1859 - 20 juni 1941) Portret door H.J. Haverman, 1896
Van uit den spiegel van het donker nat heb ik mijn klaterenden straal geheven, ik hunker naar de kleuren die het leven in 't wisselspel van mijn kristallen spat,
mijn voeten zijn van wier en dras omgeven, van schuif'lend kruipsel, aal en waterpad, maar waar mijn kruin den blauwen hemel vat zie 'k bruisend uit op zon-vergulde dreven.
Toch stort ik weder gorg'lend naar den vloed, duik onder, rijs weer op in licht en gloed en, tuim'lend, blijf ik aan den top behooren,
tot eindelijk, de moe-geleefde dag mijn zilvren pijl knot met zijn wreed gezag en 'k in den stillen vijver ben verloren....
De Toren
Waar eeuwen stierven bleef de toren recht met zijn omspoelden buik en kartel-tinnen, hij is een drinkebroer wiens heete zinnen zich vieren in krakeel en zwaardgevecht,
en hoe 't gemeene volk den kost moet winnen deert noch den ridder, noch zijn wapenknecht, een overschuimde kruik, een blonde vlecht en schaam'le spelers die een lied beginnen....
Nu glanst een zwarte vleugel in den toren, de doode wachters, blank-geharnast, hooren 't verliefde spel der jonge, blonde vrouw,
zij luistren, roerloos, met gebogen hoofden en wat de droomen van hun jeugd beloofden herleeft, als bloemen in den morgendauw....
François Pauwels (25 oktober 1888 – 8 januari 1966)
Tags:Willem Wilmink, Christine D'haen, Anne Tyler, Elif Shafak, Daniel Mark Epstein, Peter Rühmkorf, Jakob Hein, Hélène Swarth, François Pauwels, Romenu
In de hete trein die dag is hij de enige die niet belt. (Hij heeft hier geen bereik en er zijn geen nieuwe berichten.)
(Hoofdmenu - echoput. Ringtones.) (Krijgen die kids toch nog een stukje klassieke muziek mee.)
Nooit meer stil is het in de coupé. Hij trekt zijn kop in, schildpad mag ik oversteken.
Het meisje tegenover hem lijkt vijftien maar leest tussen gesprekken en sms'jes door Inleiding Nederlands Recht en haar buikje piept, lief ballonnetje, onder haar truitje uit. Sereen is het woord niet voor de blik op haar gezicht. Allesoverziend in retrospectief. Haar vreemdheid is hem vertrouwd, haar huid. (Hij heeft hier geen bereik en er zijn geen nieuwe berichten.)
Zijn ontvankelijkheid is echter, kristalhelderder dan pas gewassen glas. Waarin regenbogen strijken, zebra mag ik oversteken. Waarop druppels stáán. Daar onder dat dekschild dat de buitenwereld tegen hem in bescherming neemt. Tegen hem inneemt. Onder dekking van de nacht: een recce van zichzelf. Under cover. Gespannen: zijn huid zit hem als gegoten, als naar binnen gegoten: als lood. (Hij heeft hier geen bereik en er zijn geen nieuwe berichten.)
Hij moet er kortom nodig eens even helemaal uit.
Maar de intercity hobbelt met twintig kilometer per uur achter een goederentrein aan.
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)
De Nederlandse schrijver (Cornelis Christophel Maria) Kester Frerikswerd geboren in Djakarta, Indonesië, op 24 oktober 1954. Zie ookalle tags voor Kester Freriks op dit blog.
Uit:Echo's van Indië
“‘Elke keer verbaast me de zwarte belichting van de Indonesische vrijheidsstrijd, de zwarte spiegel die de Nederlandse geschiedschrijving ons voorhoudt,’ zegt Soedibyo, een van mijn gastheren in Jakarta. We zijn onderweg naar de plaats waar Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid uitriepen, de Proklamasi. Dat was een vrijdagochtend om tien uur. Het moment staat Soedibyo nog levendig voor de geest. De korte ceremonie verliep beheerst en kalm, bijna sereen. Soekarno sprak de onafhankelijkheidswoorden nauwkeurig uit, niet opruiend, eerder ingetogen en beheerst. Hij was zich bewust van het belang van zijn woorden voor het Indonesische volk, maar ook was hij beducht voor de gevolgen ervan. Aan de tijd van de Japanse bezetting was twee dagen eerder, op 15 augustus, na de val van atoombommen op de steden Hiroshima en Nagasaki, een einde gekomen. Lang niet iedereen in de uitgestrekte Indonesische archipel was meteen op de hoogte van de capitulatie van Japan na ruim drie jaar oorlog en ontbering. De woorden van Soekarno over vrijheid en onafhankelijkheid voor Indonesië konden van het Nederlandse oppergezag rekenen op wraak, in elk geval een vergeldingsmaatregel. Mochten twee mannen het gehele eilandenrijk, nadat de macht van Japan was gebroken, zomaar tot zelfstandig, onafhankelijk gebied verklaren? Er was zeker gevaar te duchten, juist van Nederlandse zijde. Soekarno en Hatta waren al eerder wegens landverraad, opruiing en haatzaaien jegens de heersende blanke elite tot ballingschap en gevangenschap veroordeeld. Zij heetten staatsgevaarlijk te zijn. Nu de Tweede Wereldoorlog met de capitulatie van Japan in Azië voorbij was en er aan de Japanse bezetting een einde kwam, wenste Nederland het vooroorlogse koloniale regime te herstellen en te bestendigen, liefst net zoals het altijd geweest was. Toegegeven, er waren in Den Haag pogingen ondernomen om de verhoudingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de overzeese koloniën te hervormen. De regering zocht naar zo gunstig mogelijke voorwaarden die de overgang naar onafhankelijkheid zouden regelen. Na de oorlog was er bijvoorbeeld geen ministerie van Koloniën meer. In haar beroemde rede van 6 december 1942 voor Radio Oranje wenste koningin Wilhelmina tegemoet te komen aan de levende wens van grotere zelfstandigheid in Nederlands-Indië en de andere overzeese rijksdelen.”
Uit:Confessions of a Son and Heir(Vertaald door Liz Waters)
“I am back in Holland. My stay is of a temporary nature: in six weeks at the most I'll have to return to Paris to replenish my stocks of Eropax brand antidepressants, prescribed me by my French physician -for one thing because in his opinion they drive away the fog that clouds my head and for another because my Dutch doctor refuses to supply me with them. Simon, who has travelled here with me, uses the same medecine. I keep telling myself that his situation is more serious than mine, but isn't it a tendancy all sick people suffer from? I can well imagine that a person afflicted with stomach cancer will laugh up his sleeve if he hears that his neighbour had been laid low by lung cancer. That is what is known as a short time advantage: it does not mean anything, maybe the neighbour will turn out to be one of the few who recover and the malignant cells that are rotting his own stomach will get a grip on his lower intestines and, why not, his oesophagus too. As far as the longer turn goes I better hold my tongue: these days there is not one individual left who is not aware that we are all going to slip through the cracks one fine day. I do not have a permanent abode. I am like a wandering balladeer from a previous century. I alternate between staying in Paris - in a studio belonging to Simon's gadabout sister Emmanuelle or in my Dutch friend Erika's apartment - in south-western France where a fifty-seven-year-old gentleman puts a freestanding worker's house with terrace and pleasant garden at my disposal, with my friends Sylvain and Franck (who live like hermits in a basement flat in South London), or at a farm in the vicinity of Werkmansgat where my forefathers used to occupy themselves with agricultural work, churchgoing, and an inordinate urge to copulate that rendered up a future farmer or a farmer's wife once a year.“
Aristide von Bienefeldt (24 oktober 1964 - 20 januari 2016)
Nach langer Arbeit Glücklichem Vollbringen Mit süßem Nichts die Tage zu verträumen, Bei jedem flüchtigen Genuß zu säumen, Am Großen sich ergötzend und Geringen:
Aus edlen Dichtern einen Vers zu singen, Gestreckt ins Gras, wo laute Quellen schäumen, An Rosenhecken, unter Lindenbäumen Das Leben unbesorgt dahin zu bringen.
Im Mai die Stirn mit jungem Laub zu krönen, Die lauen Nächte, bis es wieder taget, Durch Weingenuß und Liebe zu verschönen:
Dies ist, und wenn mich auch darob verklaget Ein Sittenrichter, der es will verpönen, Das Einzige, was meinem Sinn behaget.
Wer in der Brust ein wachsendes Verlangen
Wer in der Brust ein wachsendes Verlangen Nach schönen Augen fühlt und schönen Haaren, Den mahn ich ab, der nur zu viel erfahren Von Schmerz und Qual durch eitles Unterfangen.
Dem jähen Abgrund nur mit Not entgangen, Was blieb mir aus unendlichen Gefahren? Im Aug die Spur von hingeweinten Jahren, Und in der Brust ein ungeheures Bangen. Naht nicht der jähen Tiefe, junge Herzen! Des Ufers Liljen Glühn von falschem Feuer, Denn ach, sie locken in das Meer der Schmerzen!
Nur Jenen ist das Leben schön und teuer, Die frank und ungefesselt mit ihm scherzen, Und ihnen ruft ein Gott: Die Welt ist euer.
Hab ich doch Verlust in Allem...
Hab ich doch Verlust in Allem, was ich je gewann, ertragen; Aber Glaubet mir, das Leben läßt sich dann und wann ertragen! Zwar des Leidens ganze Bürde riß mich oft schon halb zu Boden, Doch ich hab es immer wieder, wenn ich mich besann, ertragen: Mir geziemt der volle Becher, mir der volle Klang der Lauten, Denn den vollen Schmerz des Lebens hab ich als ein Mann ertragen! Doch nun fühl ich, wie beflügelt, bis zum Himmel mich gehoben, Denn es lehrte mich das Leben, daß man Alles kann ertragen! Und es öffnet gegen Alle sich das Herz in reiner Liebe, Und ich will so gern mit Allen dieses Lebens Bann ertragen: Schließt den Kreis und leert die Flaschen, diese Sommernächte feiernd, Schlimmre Zeiten werden kommen, die wir auch sodann ertragen.
August Graf von Platen (24 oktober 1796 - 5 december 1835) Portret door Moritz Rugendas, ca. 1830
“De Moeder waarover ik nu vertel had vijf zonen en vier dochters. Toen de oorlog kwam waren er nog drie ongetrouwd bij haar thuis, het meisje Mone, Bastiaan, en de jongste, Helm, ‘het Jungske’ zooals ze hem noemden. De Moeder was 'n eenvoudig mensch, nog van den ouden tijd. Ze kon lezen noch schrijven. In haar kinderjaren bestond er in de parochie geen school. Haar gebeden had ze geleerd van haar moeder. Bastiaan en Helm waren soldaat geweest. Toen ze opgeroepen werden voor den oorlog deed ze met Mone zoo goed als 't kon het werk voort. Maar 't was hard wroeten met twee melkkoeien, en zij en Mone daar alleen voorstaan. Voor 't zware werk kwam haar oudste zoon, Polidoor, helpen. Van Duitsche soldaten hadden ze geen last in 't dorp. In den laten Bamistijd van '17, toen ze bezig waren de beeten binnen te voeren, kwam Korneel, de veldwachter, op het land bij haar staan. Korneel zei: ‘De burgemeester heeft me gezonden. Daar komen bij u drie Duitsche soldaten op logement, zieken, zegt de burgemeester.’ De Moeder stond naast den kruiwagen, ze keek den veldwachter een poosje zwijgend en hard in de oogen, en zei dan: ‘Dat kan niet.’ - ‘En waarom kan dat niet?’ - ‘Bij een weduwe die met een jong meisje alleen zit, - dat mogen ze niet.... en in een huis dat zoo alleen ligt.’ Hare gedachten waren onmiddellijk naar Mone gegaan. Ook de veldwachter dacht aan Mone. - ‘Ge moet dat dan maar aan den burgemeester gaan zeggen,’ zei hij, en ging weg. De Moeder ging dien avond naar den burgemeester. Ze vernam dat de Duitsche officier, die tweemaal in de maand op het gemeentehuis kwam, haar huis had aangeduid, en nog twee andere boerderijen die aan den anderen kant van 't dorp lagen. Daar was niets aan te doen. De burgemeester klopte haar op den schouder. En ze moest het ook niet onmiddellijk zoo erg opnemen. Die soldaten sliepen maar ieverans in de schuur of op de schelft, er waren daar ook brave menschen onder. En 't was oorlog. De Moeder keek ook den burgemeester hard in de oogen. - ‘Het past niet,’ antwoordde ze kort, en ging. Ze had een zwaar hart. 's Avonds na 't eten zei ze tegen Mone: ‘Daar komen hier drie Duitschers.’ - ‘Ik weet het,’ knikte Mone. Dan viel er een stilte tusschen hen twee. Ze hoorden de klok tikken en den hond bassen tegen iemand die over den steenweg voorbijging.”
Ernest Claes (24 oktober 1885 - 2 september 1968) Borstbeeld in museum Huize Ernest Claes in Zichem
Uit:Schlafen werden wir später “27. März 2009–17:43 Liebste Johanna, heute Morgen hat Simon beim ersten frühen, viel zu frühen Kaffee gesagt, wäre er zehn Jahre jünger und hätte drei Kinder weniger, hätte er mich schon verlassen. Eine Drossel hatte sich ans nachtbeschlagene Fenster gesetzt und mit ihrem Schnabel angeklopft, als wolle sie uns warnen und bremsen, uns belauschen, um es an diesem Frühlingsmorgen schnell in ihre Vogelwelt zu tragen, von Ast zu Ast, von Zweig zu Zweig, Drosseln und Finken zu verkünden, die nach dieser Nachricht schnappen würden wie nach einem Wurm, hört, hört, Neues aus der Körberstraße zwölf, hört, hört. Simon sagte es in einem Ton, als sei es ohne Bedeutung, als sei es etwas wie: Das Wetter schwenkt um, ich nehme lieber den Zug und nicht den Wagen, und vielleicht habe ich deshalb nichts erwidert, Johanna, vielleicht habe ich deshalb Tassen und Teller aus der Spülmaschine in den Schrank geräumt, wie jeden Morgen, weiter Messer zu Messern, Löffel zu Löffeln gelegt und getan, als hätte ich nichts gehört und müsste deshalb auch nichts erwidern. Obwohl Simons Satz den ganzen still verregneten, langen, viel zu langen Tag in mir hämmert, mich aufscheucht und rastlos, ruhelos wie eine Gefangene in ihrer Zelle umherschickt, die Finger knetend, auf und ab, die Ringe drehend, besonders den einen, besonders diesen einen Ring. Wirrgrelle Lichtgirlanden wie die farbigen Pfeile einer Feuerwerksrakete schießen seine Worte durch meinen müden Kopf, seit sie am Morgen gefallen sind, in dieser schmalen Zeitschleuse, als die Kinder noch schliefen und es still in unserer Küche war, still genug, um eine Drossel mit nassen Federn zu hören, die ihren spitzen Schnabel an unser Fenster schlug. Soeben ist Lori gegangen und hat ihren Loriduft zurückgelassen, etwas L’air du printemps, Blumen im Korb, Märzregen in der Jacke, der die plötzlich heißen Tage wegwäscht, die Lorimischung aus abgestreiftem Winter und scheuem, verzagtem Frühling. Sie war mit einer Kiste gekommen, voller Goldflieder und Tulpenmagnolien aus ihrem Garten, deren Blüten an den ersten warmen Tagen heftig schwärmerisch und, wie ich gerade finde, unnütz bunt aus den Zweigen geschossen sind. Ich saß neben dem schlafenden, in seine hellblaue Babydecke gewickelten winzigen Henri auf der Küchenbank, zupfte simonvergessen an Spreißeln und schaute Lori zu, als sie mit ihrer Zitterhand die Stiele mit dem einzigen scharfen Küchenmesser schnitt und die Zweige nach und nach in die Vase steckte.“
Hypocrite women, how seldom we speak of our own doubts, while dubiously we mother man in his doubt!
And if at Mill Valley perched in the trees the sweet rain drifting through western air a white sweating bull of a poet told us
our cunts are ugly—why didn't we admit we have thought so too? (And what shame? They are not for the eye!)
No, they are dark and wrinkled and hairy, caves of the Moon ... And when a dark humming fills us, a
coldness towards life, we are too much women to own to such unwomanliness.
Whorishly with the psychopomp we play and plead—and say nothing of this later. And our dreams,
with what frivolity we have pared them like toenails, clipped them like ends of split hair.
The Well
At sixteen I believed the moonlight could change me if it would. I moved my head on the pillow, even moved my bed as the moon slowly crossed the open lattice.
I wanted beauty, a dangerous gleam of steel, my body thinner, my pale face paler. I moonbathed diligently, as others sunbathe. But the moon's unsmiling stare kept me awake. Mornings, I was flushed and cross.
It was on dark nights of deep sleep that I dreamed the most, sunk in the well, and woke rested, and if not beautiful, filled with some other power.
Denise Levertov (24 oktober 1923 – 20 december 1997) Cover
„I stopped in my tracks. There was elation and desperation. Where was my companion? I had no companion, et cetera. I had no life companion, but why was that? What had I done that had made that the case, leaving me in danger? Each time I thought the word “companion” I felt pain collecting in my chest. I suddenly realized how precipitous the place I had chosen to sit and commune from was. The pain was like hot liquid, and I remember feeling hopeless because I knew it was something not amenable to vomiting. I wanted to expel it. Vomiting is my least favorite inevitable recurrent experience, but I would have been willing to drop to all fours and vomit for hours if that would access this burning material. It was no use saying mate or compadre instead of companion: the pain was the same. Also, that I genuinely deserved a companion was something included. I wish I knew how long this went on. It was under ten minutes, I think. Who can I tell this to, was the thought that seemed to end it. I may have been into the diminuendo already, because I had gotten back from the ledge, back even from the path and into the undergrowth. It all lifted. I sat in the brush, clutching myself. I had an optical feeling that the falls were receding. Then it was really over. I hauled myself back to the hotel feeling like a hysteric, except for the sense that I had gotten something germane, whatever it was, out of my brush with chaos.“
Intelligence and espionage, Fox knows the score. But where he acquired his expertise Must be labelled strictly confidential. He talks of MI5 and CIA, of Interpol and KGB, Truth drugs, interrogation, planted information, Cryptonyms, code names, double and triple agents.
He talks of `Kingfish' Angleton's 'lunatic projects', Computer analysis of trade journals, newspapers, Systematic filing of gossipy taped conversations, Scrutiny of the contents of wastepaper baskets, In-depth study of photos and simple artefacts, The 'gaming theory' based on Method acting, Designed to show how politicos react To everyday and crisis situations.
`Knowledge is power,' says Fox. A splendid cliché old MacDougall taught me Nearly forty years ago.'
An alpha plus to that good dominie.
Last Post
Now the fact seems diamond hard, This time the Captain's really dead. Two German doctors signed the death certificate, Press, radio, T.V. have not disputed it. The Times has sent Fox off in style; 1/4, A favourable obit and two appreciations. The world's press echoed them. Yet still an air of mystery surrounds The Captain's death in Freiburg.
A memorial service has been arranged: At Margaret's, Westminster, in London's heart. It's said the PM will be there 3/4 Also a dashing Royal Duke Will hear the Last Post sounded.
Now Fox's friends must patiently collect Each piece of the mosaic of a life That still has baffling gaps. Already the Yale-men are hard at work Forging a scholar's key to Fox's door. One day a monolith of Yankee print Will tell us all 3/4 or not a bloody thing.
Robert Greacen (24 oktober 1920 – 13 april 2008) Londonderry
Tags:Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen, Romenu
Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Nick Tosches, Rodja Weigand, Gjergj Fishta, Restif de la Bretonne
Al is het wel wat lang geleden dat 'k op een doordeweekse dag hier neergeknield heb en gebeden, toch weet ik, Heer, gij zijt tevreden met mijn doorgaans gevolgd gedrag.
Ik heb geen kwaad op mijn geweten, want 'k bleef mijn man in kuisheid trouw; en had ik Vrijdags vlees gegeten of de collecte weer vergeten, dan had ik steeds oprecht berouw.
Ik ben niet als dat mens van Poole, dat weet u: ik deed Kees en Jeanne op goede katholieke scholen en van jongsaf heb 'k ze bevolen om Zondags naar de mis te gaan.
Ik mag u rustig alles vragen; dat heeft de kapelaan gezegd, toen 't na de Quatertemperdagen de derde roep was van Jan Hagen met dat mooi nummer van Van Echt.
Ik bid u, Heer, voor Zuid-Korea, dat het niet overslaat naar hier, en dan, voor Zondag als 'k met Thea, de zuster van mijn man, naar zee ga om prachtig weer en veel plezier.
Verhoed toch dat u ook de Russen de atoombom produceren laat, en u moet ook dat kind eens sussen van de overkant, dat 's nachts steeds tussen half drie en drie zo schreeuwen gaat.
Berisp ook eindelijk eens mijn zwager, die fout was, om zijn grote mond, en help me onthouden dat 'k de slager straks nog moet bellen om een mager kalfslapje van een hallef pond.
Ik bid u voor de negerkindren, die nog niet weten wie gij zijt, maar als ze ooit de Shell gaan hindren moet gij hun aantal maar vermindren, O Heer, in uw voorzienigheid.
Bescherm ons kleine, dappre landje, vooral de Roomse minderheid, en geef Verheul, dat protestantje, nu eindlijk eens een ernstig standje als hij mijn man zijn zaak vermijdt.
En houd, wanneer de Russen komen, vooral toch Hoogstraat 6 in 't oog, want gij zijt altijd met de vromen die vredig van de hemel dromen en naarstig streven naar omhoog.
En laat Kees slagen voor 't examen, en geef Jeanne's jongen beter werk, en houd ons allemaal lang samen, tot later in de hemel, amen.
Wat doet die Dijkstra in de kerk?
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013) Hier links in gesprek met Godfried Bomans in 1969
A carved stone can reign like a mountain, Only to be meat in natures jaw. But no wind or snow can tumble Into the steel minds of humanity and memory- Of books and history.
Fire
Near. So near that you can kiss me. I can see the gods dancing Inside your belly, And they break away star by star From the tips of your curling Fingers pointing up to their bed of waiting Companions.
You release them, and you send them away. And I watch, your color tied to me Like a glowing sigh. And the illusion Of a kiss. You don't need to touch me For us to dance to the songs of my heart; You are a belly dancer who never leaves Your stage of broken nature. But others will leave their silly stage of comfort For you. And your price? Their lives.
You seduce the wind, and you seduce my cleverness, And like the wind, my airy thoughts Tumble and curve to you, Hidden and lost to the dark bends of your nature.
And I drift, like a plucked leaf, to your imploding swells of heat- Drawing me near, so near that you can kiss me.
“I am wet-faced and shrieking. I am alone in the awake-pit with the terrible bright above my head. I need: my mother, my silky yellow blanket, to be lifted, to be placed back in my box. I am crying but my mother doesn’t come to pick me up and this makes me mad and afraid and mad again, so I cry harder. On the other side of the door, he is laughing. He is my brother. He’s like me but he’s not me. We’re linked somehow and he’s home but he’s not home, like my mother and her voice. Opposite this door against the wall, there is a dresser with drawers that my mother can open but I cannot, no matter how hard I pull. The scent of baby powder and Desitin stains the air near the dresser. These smells make me want to pee. I don’t want to be wet so I stand far away from the dresser. This is my first whole memory --- locked alone in my room with my brother on the other side of the door, laughing. There is another memory, later. I am in the basement sitting on a mountain of clothing. The washer and dryer are living pets; friendly with rumbling bellies. My mother feeds them clothing. She is lifting away pieces of my mountain, placing them into the mouth of the washer. Gradually, my mountain becomes smaller until I can feel the cool of the cellar floor beneath me. A form on the wooden stairs. The steps themselves smell sweet and I like to lick them but they are coarse and salty; they don’t taste as they smell and this always puzzles me and I lick again, to make sure. The thing on the stairs has no face, no voice. It descends, passes before me. I am silent, curious. I don’t know what it is but it lives here, too. It is like a shadow, but thick, somehow important. Sometimes it makes a loud noise and I cover my ears. And sometimes it goes away. “Did my father live with us at the farmhouse in Hadley?” I was in my twenties when I called my mother and asked this question. The farmhouse --- white clapboard with black shutters and a slate roof --- sat in a brief grassy pasture at the foot of a low mountain range. I could remember looking at it from the car, reaching my fingers out the window to pluck it from the field because it appeared so tiny. I didn’t understand why I couldn’t grab it, because it was just right there.“
I have loved flowers that fade, Within whose magic tents Rich hues have marriage made With sweet unmemoried scents: A honeymoon delight- A joy of love at sight, That ages in an hour- My song be like a flower!
I have loved airs that die Before their charm is writ Along a liquid sky Trembling to welcome it. Notes, that with pulse of fire Proclaim the spirit's desire, Then die, and are nowhere- My song be like an air!
Die, song, die like a breath, And wither as a bloom; Fear not a flowery death, Dread not an airy tomb! Fly with delight, fly hence! 'Twas thine love's tender sense To feast; now on thy bier Beauty shall shed a tear.
The evening darkens over
The evening darkens over After a day so bright The windcapt waves discover That wild will be the night. There’s sound of distant thunder.
The latest sea-birds hover Along the cliff’s sheer height; As in the memory wander Last flutterings of delight, White wings lost on the white.
There’s not a ship in sight; And as the sun goes under Thick clouds conspire to cover The moon that should rise yonder. Thou art alone, fond lover.
Robert Bridges (23 oktober 1844 - 21 april 1930) Portret door Charles Furse, 1894
„Der Vater hatte auch einen Kasten, in welchem Münzen waren, von denen er uns zuweilen einige zeigte. Da befanden sich vorzüglich schöne Taler, auf welchen geharnischte Männer standen oder die Angesichter mit unendlich vielen Locken zeigten, dann waren einige aus sehr alten Zeiten mit wunderschönen Köpfen von Jünglingen oder Frauen, und eine mit einem Manne, der Flügel an den Füßen hatte. Er besaß auch Steine, in welche Dinge geschnitten waren. Er hielt diese Steine sehr hoch und sagte, sie stammen aus dem kunstgeübtesten Volke alter Zeiten, nehmlich aus dem alten Griechenlande her. Manchmal zeigte er sie Freunden; diese standen lange an dem Kästchen derselben, hielten den einen oder den andern in ihren Händen und sprachen darüber. Zuweilen kamen Menschen zu uns, aber nicht oft. Manches Mal wurden Kinder zu uns eingeladen, mit denen wir spielen durften, und öfter gingen wir auch mit den Eltern zu Leuten, welche Kinder hatten, und uns Spiele veranstalteten. Den Unterricht erhielten wir in dem Hause von Lehrern, und dieser Unterricht und die sogenannten Arbeitsstunden, in denen von uns Kindern das verrichtet werden mußte, was uns als Geschäft aufgetragen war, bildeten den regelmäßigen Verlauf der Zeit, von welchem nicht abgewichen werden durfte. Die Mutter war eine freundliche Frau, die uns Kinder ungemein liebte, und die weit eher ein Abweichen von dem angegebenen Zeitenlaufe zugunsten einer Lust gestattet hätte, wenn sie nicht von der Furcht vor dem Vater davon abgehalten worden wäre. Sie ging in dem Hause emsig herum, besorgte alles, ordnete alles, ließ aus der obgenannten Furcht keine Ausnahme zu und war uns ein ebenso ehrwürdiges Bildnis des Guten wie der Vater, von welchem Bildnisse gar nichts abgeändert werden konnte. Zu Hause hatte sie gewöhnlich sehr einfache Kleider an. Nur zuweilen, wenn sie mit dem Vater irgend wohin gehen mußte, tat sie ihre stattlichen seidenen Kleider an und nahm ihren Schmuck, daß wir meinten, sie sei wie eine Fee, welche in unsern Bilderbüchern abgebildet war. Dabei fiel uns auf, daß sie immer ganz einfache, obwohl sehr glänzende Steine hatte, und daß ihr der Vater nie die geschnittenen umhing, von denen er doch sagte, daß sie so schöne Gestalten in sich hätten. Da wir Kinder noch sehr jung waren, brachte die Mutter den Sommer immer mit uns auf dem Lande zu. Der Vater konnte uns nicht Gesellschaft leisten, weil ihn seine Geschäfte in der Stadt festhielten; aber an jedem Sonntage und an jedem Festtage kam er, blieb den ganzen Tag bei uns und ließ sich von uns beherbergen. Im Laufe der Woche besuchten wir ihn einmal, bisweilen auch zweimal in der Stadt, in welchem Falle er uns dann bewirtete und beherbergte.“
Adalbert Stifter (23 oktober 1805 - 28 januari 1868) In 1820. Portret in zijn geboortehuis in Horní Planá (Oberplan)
Uit: Dino: Living High in the Dirty Business of Dreams
“His schoolmates had never really known him. Even his loving familiy could not tell for sure what lay within this kid who moseyed around among them with a hat on, singing. There was a pin-tumbler sidebar lock on his guts that no one could pick. That was just the way he was, and it was just the way he always would be. Unlettered and rough-cut, Dino possessed both wiles and wisdom beyond his years – anyone trying to fuck with his mind or his body or his soul found this out forthwith. But the wisdom served by those wiles was an annihilating wisdom. It was the wisdom of the old ways, a wisdom through which the seductions of reason and love and truth and all such frail and flimsy lepidoptera would in their seasons emerge and thrive, wither and die. The sum of Dino’s instincts had to do with the old ways, those ways that were like a wall, ways that kept the world lontano, as the mafiosi would say: distant, safely and wisely at bay. That was how he liked it: lontano, like the flickering images on the theater screen that gave him pleasure as he sat alone, apart from them and unknown to them, in the dark. Those close to him could sense it: He was there, but he was not really there; a part of them, but apart from them as well. The glint in his eye was disarming, so captivating and so chilling at once, like lantern-light gleaming on nighttime sea: the tiny soft twinkling so gaily inviting, belying for an instant, then illuminating, a vast unseen cold blackness beneath and beyond. The secret in its depth seemed to be the most horrible secret of all: that there was no secret, no mystery other than that which resides, not as a puzzle to be solved or a revelation to be discovered, but as blank immanence, in emptiness itself.“
Nick Tosches (Newark, 23 oktober 1949) Dean Martin in 1964
When the Turk had read the message He was filled with rage and anger. How he set upon the land to Eat them up alive, those tribesmen. But the Albanians were resolved He'd not devour or invade them. They had come to a decision, For their land they'd muster courage, If attacked by king or sultan. Thus the Turk and the Albanian Seized each others' throats and strangled, Smashed each others' skulls to pieces, Crushed them like so many pumpkins! Fire broke out then in the Balkans. The shkja, in anguish that Albania, Freed now of the sultan's power, Might not fall into his clutches As he had foreseen the matter, Set upon the Turk like lightning, Like the wild boar with the jackal. They did haggle and did grapple, Scuffled, wrestled, bit and murdered, Rifles volleyed, cannons battered, Blood in torrents swashed the clearings, Over fields and through the thickets, 'Til at last, midst din and clamour, Of the Turkish yoke released, As she'd wanted, was Albania, Free at last, as God had promised, But no, brothers, do believe me, Not as Turk or shkja would have it. That the Turk begrudged our freedom I can understand, but don't know What got into Prince Nikolla, Forcing to submit Albanians, Crush them under heel, enslave them, And to seize that land where once In ancient times Gjergj Castriota Brandished in a flash his sabre.
Gjergj Fishta ( 23 oktober 1871 – 30 december 1940) Monument in Lezhë
« Je ne veux peindre le vénérable Berthier que par ses actions : je les ai déja consi-gnées dans l'école des pères, ouvrage que j'ai rédigé de plénitude de cœur; oit j'ai rapportai ce que j'ai vu, & ce que j'ai en-tendu : Voici le passage; il est la suite d'un autre qu'on doit trouver à la fin de cet ouvrage, & qui offre de même le portrait du vénérable Curé. C'est mon Père qui parle. —Notre Maître d'école ébauchait l'ou-vrage du Pasteur, & l'achevait. Je m'explique. Il commençait â donner les premiers élémens aux Enfans , & faisait aux grands Garsons & aux grandes Filles des leçons familières sur la conduite ordinaire de la vie , entre Mari & Femme, Frères & Soeurs, &c. Comme il était marié, & père d'une nombreuse Famille, ses conseils ne paraissaient que le fruit de son expérience : cependant on a su depuis , que tout était prémédité avec le Pasteur. Deux fois l'an, on avait des vacances, pour la récolte des grains, & pour les vendanges: il ne rentrait même que peu d'Écoliers après les moissons; le grand nombre attendaient la fin des gros ouvrages. Les jours fixés étaient le dernier juin pour la clôture, & le 20 octobre pour la rentrée : il n'y avait point de leçons ces deux jours-la le bon Vieillard consacrait le temps de la classe â des discours, que je ne puis me rappeler fans attendrissement. Celui de juin roulait sur les torts qu'on pouvait faire au Prochain dans la campagne, durant les récoltes, & sur l'emploi des heures de relâche que les travaux pouvaient laisser."
Réstif de la Bretonne (23 oktober 1734 – 3 februari 1806) Cover
Tags:Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Nick Tosches, Rodja Weigand, Gjergj Fishta, Restif de la Bretonne, Romenu
De Zuid-Afrikaanse dichteres en schrijfster Antjie Krogwerd geboren in Kroonstad op 23 oktober 1952. Krog debuteerde in 1970 op 17-jarige leeftijd met de dichtbundel Dogter van Jefta. Haar tweede publicatie januari-suite (1972) werd onderscheiden met de Eugène Maraisprys. Andere werken van Krog zijn de bundels Otters in bronslaai, Jerusalemgangers en Kleur kom nie alleen nie. In Nederland is Antjie Krog onder meer bekend door haar optreden bij Poetry International, de Nacht van de Poëzie en het festival Winternachten. In 1999 verscheen bij uitgeverij Atlas een bloemlezing uit haar werk onder de titel Om te kan asemhaal. Daarna zijn haar dichtbundels bij Uitgeverij Podium verschenen. Zij schreef ook proza, bijvoorbeeld Country of my Skull - in het Nederlands: De kleur van je hart (1998/2000), toneelstukken en non-fictie, bekroond met onder meer de Pringle Award, de Foreign Correspondent Award en de Alan Paton Award. Krog is getrouwd, moeder van vier kinderen en woont in Kaapstad. Ze is hoogleraar aan de Universiteit van de Westkaap.
Land van genade en verdriet -1
tussen jou en mij hoe verschrikkelijk hoe wanhopig hoe vernietigend breekt het tussen jou en mij
zoveel verwonding in ruil voor waarheid zoveel verwoesting zo weinig is overgebleven om voor te overleven
waar gaan we heen van hier?
je stem slingert woedend langs de kil snerpende zweep van mijn verleden
hoe lang duurt het? hoe lang voor een stem de ander bereikt
in dit land dat zo bloedend tussen ons ligt.
Vertaald door Robert Dorsman en Jan van der Haar
Nadat haar man begraven was
nadat haar man begraven was liet overgrootmoeder Betjie van Middenspruit hem opgraven en trok hem een ander zondags pak aan
‘ineens begrijp ik het’ zegt mijn moeder ‘ik zou niets liever willen dan daar bij die hoop grond te gaan graven net zolang totdat ik bij je vader ben
tot bij waar hij is en hem aan zijn schouders optil die onontkoombare daarheid van ’m’
Dichter wordende
op een ochtend word je wakker midden in klank met vocaal en klinker en diftong als voelspriet met aarzelende zorg stem je de geringste beroering van licht en verlies in klank af
onmiddellijk zie je jezelf geknield aan de hoorbaar kloppende wand van een woord – zoekend naar het precieze moment waarop een versregel volloopt in klank
wanneer de betekenis van een woord zwicht, begint te verschuiven en zich ten slotte overlevert aan geluid vanaf dat moment smacht het bloed naar de betovering van taal – de enige waarheid krijgt een huid van klank
de dichter dicht met haar tong zij haalt adem – ja, diep uit haar oor
“7:00 uur Maison Taciturne Le Muy, Provence, Frankrijk Joost Doorman is als eerste wakker. Zonlicht stroomt door de kier tussen de gordijnen de slaapkamer binnen. Ze zijn in Frankrijk, in het vakantiehuis van de familie van Elsa. Ze ligt naast hem en slaapt nog. Zo stil mogelijk stapt hij uit bed, kijkt in het campingbedje van Lars, hun zoontje van acht maanden, en is zoals elke dag weer opgelucht als hij hem ziet ademhalen. Lars ligt op zijn rug, zijn armpjes langs zijn oren uitgestrekt. Hij lijkt nog dieper in slaap dan zijn moeder. Joost sluipt naar de woonkamer. Hij opent de terrasdeuren en stapt naar buiten. Het is nu al warm. Rijen wijnranken werpen lange ochtendschaduwen op het gras, naar beneden, de heuvels af. Hij sluit kort zijn ogen en haalt diep adem. In de struiken naast het huis klinken nog een paar krekels. 's Nachts brengen ze een inmiddels vertrouwde ruis voort die hem geruststelt: ik ben niet thuis. Als ik morgen wakker word, hoef ik niets. Hij houdt van dit tijdstip. Joost wrijft in zijn ogen, de nacht eruit, de dag erin. In de verte ligt de Middellandse Zee. Het lijkt zo vlakbij, denkt hij, de zee. Het is alsof je er zo naartoe kunt lopen, terwijl je er met de auto bijna anderhalf uur over doet. Een hagedis schrikt van zijn aanwezigheid en vlucht via de klimop het dak op. Het is hun eerste vakantie sinds de geboorte van Lars en de eerste keer dat Elsa hem heeft meegenomen naar het familiehuis in de Provence. Bij aankomst was zijn verbazing over het feit dat ze dat nog niet eerder had gedaan nog groter geworden. Het is een prachtig huis op een groot stuk grond. Het terras op het zuiden heeft een weids uitzicht met wijngaarden. In de afgelopen jaren zijn de aangrenzende stukken grond opgekocht door rijke Russen die hun tuinen hebben afgeschermd met hoge witte muren en bevei I i gingscamera's. `Het is niet meer zoals vroeger,' had Elsa gezegd. 'Vroeger was het hier leeg.' Joost heeft er geen last van. Dit huis kost ze niets en ze zijn eindelijk weg. Weg uit Amsterdam en weg van zijn humorloze collega's bij het ontwerpbureau. Elsa heeft tot zijn tevredenheid haar laptop thuisgelaten. Zo moet ze zich wel overgeven aan de vakantie. Geen lange mails beantwoorden, geen lastminuteresearch doen voor de definitieve versie van haar proefschrift. Deze weken zijn perfect: alleen zij, hij, Lars en het vakantiehuis in het zuiden van Frankrijk. Het had hem wel wat moeite gekost haar te overtuigen. `Het moet nu,' had hij gezegd. Elsa was net thuisgekomen. Ze was doorweekt van de regen en stroopte haar broek af in het halletje van hun huis in de Watergraafsmeer. Lars huilde. 'Het moet echt nu. Het duurt anders weer maanden voor we tegelijk vrij kunnen krijgen.' Joost had zo sneu geklonken dat Elsa erom had moeten lachen. `Hoeveel maanden?' had ze gevraagd, terwijl ze haar haar afdroogde. `Zestig miljoen,' was zijn antwoord.”
2. Isolement Hang om uw nek een houten bord met daarop duidelijk en kort uw eigen naam, dus: 'Ik heet Fred, ik woon al acht jaar in uw flat!' Zó zorgt u dat u vrienden wint want onbekend maakt onbemind. Groet steeds voorkomend, zing een lied: het leven is zo eenzaam niet. Denk toch eens meer aan hen die varen of bung'len aan een straatlantaren.
Een loden hart
Een menigte wacht aan de gracht op wat druipend omhooggebracht, gezwollen uit het stinkend drab, kil huiveren doet de hele hap:
Het lijk van Blaauw, bleek, ogenpuilend, verdronken nóg om Sietske huilend. Want gisternacht bij volle maan kon hij zijn lot niet langer aan.
Zijn buik vol pils, zijn hart vol droefheid nam hij van 't leven vochtig afscheid. Zit nu als Cherubijn op wolk. triest glimlachend om 't ijzend volk.
Pierrot-in-blik
'K ben al met al een treurig mechaniekje dat alleen maar één dansje kent, één trieste melodie 'K draai zinloos in 't rond tot het muziekje stopt. Zak reut'lend door de knie.
Waar is 't meisje dat mij opwond? Ach, de veer verroestte. En het meisje speelt niet meer.
“Das Rumsfeldporträt hängt direkt in Krafts Blickachse. Wenn er wieder nicht weiterweiß und sein Blick über den Rand eines Notebooks hinweg in der Leere schwimmt, erscheint es als verwaschener Fleck in Rot, Blau und Grau vor der eichengetäfelten Wand. Es dauert immer nur wenige Atemzüge, bis sich die kalten Augen des Verteidigungsministers hinter der randlosen Brille ihr Recht verschaffen und eine Art Leitstrahl aussendend, sich Krafts Bewusstsein bemächtigen, ihn unwillkürlich zum Fokussieren zwingen, sodass sich die Farbflecken in einer einzigen schnellen, fließenden Bewegung zu einem konkreten Bild verdichten, die tiefen Nasolabialfalten hervortreten, der lippenlose Mundstrich, die etwas kurz geratene Nase – die so gar nicht zu der scharfen Ausdrucksweise, für die der alt und ausgediente Falke berüchtigt war, zu passen scheint –, das akkurat gekämmte silberne Haar, der straffe Krawattenknoten, der den Hühnerhals fest umklammert hält und unter Zuhilfenahme des gestärkten Hemdkragens die selbstsichere, spöttische Visage daran hindert, dem nadelgestreiften Tuch zu entkommen, um auf den Adlerschwingen, die sich aus den Falten einer himmelblauen Fahne hinter dem rechten Ohr des berüchtigten Aphoristikers ausbreiten, in höhere Gefilde zu entschwinden. Warte nur, denkt sich Kraft am siebten Tag, an dem er, tatenlos unter solcher Beobachtung stehend, sich wieder einmal durch diese Aufmerksamkeit verlangenden Augen aus seinen leeren Gedanken gerissen sieht, dir zum Trotz werde ich nach einem europäischen Ton suchen.“
“Not far from the cricket pitch there were, sitting on the grass with cushions, a large, fair woman, whose reddened face said she did not enjoy the heat, a tiny shred of a girl, her daughter, and a girl who had just leaned forward, her eyes on Mrs Lane's face to hear what she was saying. 'It is a very serious thing, my dear, quarrelling with your father.' At this moment, a youth was coming forward to stand with his bat at the stumps, and the fair woman leaned to send him a wave, which he acknowledged with a smile and a nod. He was strik-ingly good-looking, dark and well built, and that there was something especial about his standing there was shown by a sudden silence. The bowler sent down a ball and the batsman easily knocked it well away. 'Sssh,' said Mary Lane. 'Just a minute, I want to see ...' Daisy, the little girl, was already leaning forward to watch, and now Emily McVeagh, the other girl, watched too, though she was certainly not seeing much. She was flushed with excitement and determination, and kept glancing sideways at the older woman, hoping for her attention. Another ball sped down towards the handsome youth, another prompt rebuff, and now there was a ripple of applause. 'Well done,' said Mrs Lane, and was ready to clap, but the bowler had begun his run forward. Again ... again ... a ball came close to where they sat and the fieldsman ran to retrieve it. The innings went on, there were several scatters of applause, and then a burst of clapping when the youth sent a ball almost as far as the children's games. It was time for tea. The long trestle table was besieged, while a woman stood by the urn and handed out cups. 'I could do with one, Daisy,' said her mother, and the girl ran to join the queue. Now Mrs Lane remembered that very much more was being expected of her by the girl Emily, so she turned her attention to her and said, 'I don't really think you know yet what you are in for.' Mrs Lane was a woman with influence, friends in useful places, and she had been finding out from a dozen different sources just what Emily McVeagh was in for. The girl had defied her father, and said to him that, no, she would not go to university, she would be a nurse. 'She'll be a skivvy among skivvies,' Mrs Lane had said to herself, shocked at the girl's decision“.
Doris Lessing (22 oktober 1919 - 17 november 2013)
“Because lying in bed when awake was inadvisable, she’d come up here to see the dawn arriving. The council left the Top Park open, even at night. The qualities of the view it offered made constant access a must. People felt they might have to nip round any time and check on the metropolis where it lay uncharacteristically prostrate at their feet. And wasn’t it flat – the city – when you saw it like this, so plainly founded on a tidal basin, rooted in mud? Strangers would remark to strangers about that. Inhabitants of the Hill didn’t need to, they were used to it. They could stroll along, perhaps through music – the Hill is a musical place, people practise instruments – and they could hope for the startle of a good London sunset, the blood and the glitter of that splashing on banks of distant windows, making dreams in the sky. Or else they might get the brawling roll of storms, or firework displays, or the tall afternoons when the blues of summer boiled and glared like the flag of some extraordinary, flawless nation. Even on an average day, the city needed watching. You shouldn’t turn your back on it, because it was a sly old thing. She’d wanted a sunrise. Or rather, she’d wanted to be out and it had been very early and she’d had no choice about what she would get – at dawn the sunrise is reliably what will arrive, you can be calm about that, no fear of disappointments. You’re all right. She’d cut in and taken the broad path, safe between distantly dozing trees, no shadows to hide any bother. A woman by your – self – you didn’t want to feel constantly threatened, but you’d no call to be daft about things, either. You don’t like to put yourself at risk. Well, do you? No, you don’t. You shouldn’t. At risk is no way to be. Then she’d gone round past the silent tennis court and headed – with fair confidence, even in the dimness, because she was here a lot – headed over the oily-feeling grass to the absolute highest point on the slope. Foxes had been singing, screaming, somewhere close.”
Les prés ont une odeur d'herbe verte et mouillée, Un frais soleil pénètre en l'épaisseur des bois, Toute chose étincelle, et la jeune feuillée Et les nids palpitants s'éveillent à la fois.
Les cours d'eau diligents aux pentes des collines Ruissellent, clairs et gais, sur la mousse et le thym ; Ils chantent au milieu des buissons d'aubépines Avec le vent rieur et l'oiseau du matin.
Les gazons sont tout pleins de voix harmonieuses, L'aube fait un tapis de perles aux sentiers, Et l'abeille, quittant les prochaines yeuses, Suspend son aile d'or aux pâles églantiers.
Sous les saules ployants la vache lente et belle Paît dans l'herbe abondante au bord des tièdes eaux ; La joug n'a point encor courbé son cou rebelle, Une rose vapeur emplit ses blonds naseaux.
Et par delà le fleuve aux deux rives fleuries Qui vers l'horizon bleu coule à travers les prés, Le taureau mugissant, roi fougueux des prairies, Hume l'air qui l'enivre, et bat ses flancs pourprés.
La Terre rit, confuse, à la vierge pareille Qui d'un premier baiser frémit languissamment, Et son oeil est humide et sa joue est vermeille, Et son âme a senti les lèvres de l'amant.
O rougeur, volupté de la Terre ravie ! Frissonnements des bois, souffles mystérieux ! Parfumez bien le coeur qui va goûter la vie, Trempez-le dans la paix et la fraîcheur des cieux !
Assez tôt, tout baignés de larmes printanières, Par essaims éperdus ses songes envolés Iront brûler leur aile aux ardentes lumières Des étés sans ombrage et des désirs troublés.
Alors inclinez-lui vos coupes de rosée, O fleurs de son Printemps, Aube de ses beaux jours ! Et verse un flot de pourpre en son âme épuisée, Soleil, divin Soleil de ses jeunes amours !
Charles Leconte de Lisle (22 oktober 1818 – 18 juli 1894) Het graf van Leconte de Lisle op de cimetière marin de Saint-Paul (La Réunion)
November. Midnight damp. Chalk-white beneath The moon the village lies, by the oppressive Hush overcome. The tide sweeps in, impassive, Its voice all deep solemnity and breadth.
The port flag, soaked, droops on its slender mast. Just o'er the mast, above the mass of hazy Clouds torn in parts and running swiftly east, The disc of moon glides, strangely white and glassy.
I reach the steps. Mysterious the light And duller here, the tide's voice fiercer, louder. The bathhouse piles, defenseless, heave and shudder.
Far out - a grey abyss. No sea in sight. Below, amid the foam that seethes and hisses, Like seals wet by the surf the boulders glisten.
The Bedouin
The Dead Sea, and, beyond, the greyish, broken Line of the hills. Noon. Mealtime. Deft of hand, He bathes his mare, then sits a hookah smoking On Jordan's shore. Like molten bronze the sand.
The Dead Sea, and, beyond, in space suspended, Mirages swimming in a golden haze. Light. Warmth. A wild dove coos. The oleander And storksbill with the reds of springtime blaze.
He sits, a hooded hawk, and smokes, and raises His voice in song, and, droning sleepily, The tamarisk and oleander praises.
Bard, robber, nomad tribesman, glad is he To coils of smoke in simple verse and flowing The peaks to liken beyond Siddim showing!
Ivan Boenin (22 oktober 1870 - 8 november 1953) Monument in Voronezh
„Zuerst überlegte ich: Was hatte ich am Vorabend getan? Über unmäßigen Alkoholkonsum brauchte ich mir keine Gedanken machen, ich trinke ja nicht. Ich erinnerte mich, zuletzt mit Eva auf einem Sofa gesessen zu haben, auf einem Plumeau. Ich erinnerte mich auch, dass ich oder wir dort in einer gewissen Sorglosigkeit saßen, ich hatte meines Wissens beschlossen, die Staatsgeschäfte einmal ein wenig ruhen zu lassen, wir hatten keine weiteren Pläne für den Abend, Essen gehen oder Kino oder dergleichen kam selbstverständlich nicht infrage, das Unterhaltungsangebot der Reichshauptstadt war zu diesem Zeitpunkt, nicht zuletzt auch meinem Befehl gemäß, bereits erfreulich ausgedünnt. Ich konnte nicht mit Sicherheit sagen, ob in den folgenden Tagen Stalin in die Stadt kommen würde, es war zu diesem Zeitpunkt des Kriegsverlaufs nicht vollständig auszuschließen. Was ich aber mit Sicherheit sagen konnte, war, dass er hier so vergeblich nach einem Lichtspieltheater gesucht haben dürfte wie in Stalingrad. Ich glaube, wir hatten dann noch ein wenig geplaudert, Eva und ich, und ich hatte ihr meine alte Pistole gezeigt, weitere Details waren mir bei meinem Erwachen nicht geläufig. Auch weil ich unter Kopfschmerzen litt. Nein, die Erinnerung an den Vorabend brachte mich hier nicht weiter. Ich entschloss mich also, das Heft des Handelns zu ergreifen und mich mit meiner Situation näher auseinanderzusetzen. In meinem Leben habe ich gelernt, zu beobachten, zu betrachten, auch oft kleinste Dinge wahrzunehmen, die mancher Studierte gering schätzt, ja ignoriert. Ich hingegen kann dank jahrelanger eiserner Disziplin von mir ruhigen Gewissens sagen, ich werde in der Krise kaltblütiger, noch überlegter, die Sinne werden schärfer. Ich arbeite präzise, ruhig, wie eine Maschine. Ich fasse methodisch zusammen, was ich an Informationen habe: Ich liege auf dem Boden. Ich sehe mich um. Neben mir lagert Unrat, es wächst Unkraut, Halme, hier und da ein Busch, auch ein Gänseblümchen ist dabei, Löwenzahn. Ich höre Stimmen, sie sind nicht zu weit entfernt, Schreie, das Geräusch fortgesetzten Aufprallens, ich sehe in die Richtung der Geräusche, sie rühren von einigen Buben her, die dort Fußball spielen.“
Timur Vermes (Neurenberg, 1967) Scene uit de gelijknamige film uit 2015
Tags:Arjen Lubach, Lévi Weemoedt, Jonas Lüscher, Doris Lessing, Alfred Douglas, A. L. Kennedy, Charles Leconte de Lisle, Ivan Boenin, Timur Vermes, Romenu