Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
15-10-2017
A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Riekus Waskowsky, Friedrich Nietzsche, Alfred Neumann
“Met de vurige kegel van een half opgerookte Marlboro brandt cliënt zorgvuldig gaatjes in een bijna leeg koffiebekertje. De kleine ruimte vult zich met een scherpe menggeur van tabak, koffie en verschroeid plastic. Hij verwijdt met de peuk een van de ontstane openingen, en opeens ziet Quispel wat het voorstelt: niet zomaar een gezicht, maar een rudimentaire versie van De schreeuw van Edvard Munch. Alles om maar geen kennis te hoeven nemen van de filmbeelden. Langs de overvloedig met grind bestrooide oprijlaan naar de aula staat een rij politieagenten, eerder 'op de plaats rust' dan in de houding. Bij het gebouw heeft zich een kleine menigte verzameld, waaruit bossen bloemen opwolken. `Zo'n teraardebestelling krijgen doorgaans alleen de zogeheten Bekende Nederlanders,' zegt Quispel. 'Of vaderlandse criminelen van aanzien.' `Jouw begrafenis, Ernst,' zegt cliënt, rook uitblazend, 'wordt opgeluisterd door alle misdadigers die jij uit de bak hebt weten te houden. De oude seriemoordenaar Peddemors voorop. Honderden dankbare onschuldigen, die zich alleen in zoverre schuldig voelen dat ze een nagel aan jouw doodskist waren. Ik hoop ook van de partij te zijn.' `Praat wat zachter,' zegt de advocaat, geschrokken van het plotselinge stemgeluid. Hij werpt een waarschuwende blik op het one-way venster in de wand. 'Let op wat je uitkraamt. Het klinkt al bijna als een bekentenis.' 'Ik dacht dat je mij juist van mijn zwijgrecht afwenste te helpen.' `Ik wil gewoon dat je ophoudt met stommetje spelen tijdens de verhoren.' Quispel fluistert nu bijna. 'Je beroepen op het zwijgrecht, akkoord, maar je moet het wel consequent doen. Jou een beetje kennende, Nico... jij houdt dit niet lang vol. Daar neem ik vergif op in.' Voor hem zit een gedrongen man van zevenenveertig, niet buitensporig gezet, maar wel met een puntig embonpoint. Zijn gezicht, al wat minder pafferig na een week 'in volledige beperking', staat dodelijk vermoeid, met onder de ogen wallen van een goor blauw dat aan verkleurde stempelinkt doet denken. Als hij het hoofd over zijn kunstwerk buigt om er met zijn sigaret nog wat aan te veranderen, wordt zijn kalende kruin zichtbaar. De huid daar heeft de tint van bloedsinaasappel, ongeveer zoals Quispel zich een gescalpeerde in de boeken van Karl May voorstelde, die hij rond zijn twaalfde las. De haarkrans rondom is nog donker maar grijst aan de slapen — en ook in de oren, waar vlassige plukken uitsteken. Iemand moet hem in het huis van bewaring kleren gebracht hebben, want hij draagt niet langer de plunje die hij bij zijn arrestatie aanhad. Zijn verder niet versleten, zelfs nog nieuw ogende sweater zit vol schroeigaatjes, als van iemand die regelmatig onder invloed in slaap valt met een brandende peuk. De zwarte merkbroek is vol grijze asvingers gestempeld, alsof een bakker zijn meelhanden aan zijn zondagse kledij heeft afgeklopt. Wat ik zocht,' zegt cliënt, 'was niet het zwijgen, maar de stilte.'
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)
„Im letzten Licht erreichen wir ein Dorf. Auch hier sind alle Fenster verrammelt, die Türen verschlossen, wir treffen keinen Menschen und finden keinen Hinweis auf den Verbleib der Bewohner. Durch eine bereits eingeschlagene Glastür betreten wir einen Supermarkt, wir wandeln zwischen leeren und halbleeren Regalen, der Boden ist übersät mit aufgerissenen Verpackungen, zerbrochenem Glas, zerbeultem Aluminium und zertretenen Kartons, und über allem liegt der entsprechende, schwer zu ertragende Geruch: der Geruch von allem, was ein Supermarkt je enthalten hat. Tütensuppen, Chips, Schokolade, Katzenfutter, Abflussfrei, Tiefkühllasagne, Deodorant, Bier, verfaulendes Fleisch. Wir finden eine Palette Wasserflaschen und ein paar in Plastikfolie eingeschweißte Knoblauchbaguettes. Mit unserem Essen ziehen wir uns in den wärmsten und sichersten Raum des verwüsteten Komplexes zurück: die abgetaute Kühlkammer. Wir essen, wir trinken, wir schweigen. Es ist ein gutes Schweigen, ein Na also, es geht doch, wir kommen schon klar, irgendwie finden wir schon eine Lösung, und wir genießen das kalte Knoblauchbaguette, die Butter schmeckt richtig gut, wenn sie so hart ist, man muss zubeißen, ehe man den intensiven Geschmack spürt, nach den Strapazen der letzten Tage wirkt das Fett wie eine Offenbarung. Nachdem wir uns vergewissert haben, dass man uns nicht von außen einschließen kann, bauen wir ein Lager aus mehreren Schichten Karton mit zerknüllter Plastikfolie dazwischen, wir legen uns einer neben den anderen, dann decken wir noch mehr Kartonbahnen über uns, unsere Köpfe auf dem zerknüllten Plastik, die Flaschen mit dem Mineralwasser in Reichweite. Das Atmen klingt nicht nur erschöpft. Es klingt friedlich.”
« On ne sache pas qu’il y ait eu un jour une évasion ou une chasse à l’homme, les gens allaient leur chemin comme on leur disait, ne traînant les pieds que lorsque la fatigue les gagnait et commençait à éclaircir les rangs. Tout était bien réglé et finement filtré, il ne pouvait rien advenir hors la volonté expresse de l’Appareil. On ne sait pas les raisons de ces restrictions. Elles sont anciennes. La vérité est que la question n’avait jamais effleuré un quelconque esprit, l’harmonie régnait depuis si longtemps qu’on ne se connaissait aucun motif d’inquiétude. La maladie et la mort elles-mêmes, qui passaient plus qu’à leur tour, étaient sans effet sur le moral des gens. Yölah est grand et Abi est son fidèle Délégué. Le pèlerinage était le seul motif admis pour circuler dans le pays, excepté les nécessités administratives et commerciales pour lesquelles les agents disposaient d’un sauf-conduit devant être composté à chaque étape de la mission. Ces contrôles qui se répétaient à l’infini et mobilisaient des nuées de guichetiers et de poinçonneurs n’avaient pas davantage de raison d’être, ils étaient une survivance de quelque époque oubliée. Le pays vivait des guerres récurrentes, spontanées et mystérieuses, cela était sûr, l’ennemi était partout, il pouvait surgir de l’est ou de l’ouest, tout autant que du nord ou du sud, on se méfiait, on ne savait à quoi il ressemblait ni ce qu’il voulait. On l’appelait l’Ennemi, avec un accent majuscule dans l’intonation, cela suffisait. On croit se souvenir qu’un jour il a été annoncé qu’il était mal de le nommer autrement et cela avait paru légitime et si évident, il n’y a sensément aucune raison de mettre un nom sur une chose que personne n’a jamais vue. L’Ennemi prit une dimension fabuleuse et épouvantable. Et un jour, sans qu’aucun signal ne fût donné, le mot Ennemi disparut du lexique. Avoir des ennemis est un constat de faiblesse, la victoire est totale ou n’est pas. On parlait de la Grande Mécréance, on parlait de makoufs, mot nouveau signifiant renégats invisibles et omniprésents."
Vanmorgen hebben wij in het Wilhelminagasthuis ter gelegenheid van het jubileum van de Vara een echte ouwe socialist ontleed.
Het was gek wat er allemaal tevoorschijn kwam: halfvergane rode vlaggen, strijdliederen, Internationale broederschappen en solidariteit, AJC een potje poepen en zes geschiedenisboeken door P. Quack (antiquarisch).
In plaats van hersenen vonden wij: ‘Een ver- ontrustend rapport over de afnemende belangstel- ling van de jongere generatie voor het dem. soc.’
Uitvaart
De Here had deze keer weer eens genomen en met grote droefenis hadden wij kennis gegeven en vertrokken wij om 2 uur van het sterfhuis.
In de eerste volgauto's zwijgend de mannen: iets van aartsvaders hadden ze - hoewel de meesten toch maar gewoon kantoorbediende waren.
Daarna onder troosteloze hoeden de vrouwen, in het volle ornaat van de trieste frigiditeit die recht op een stoel in de hemel geeft.
Maar waarom reed daarachter nu dat rode autootje met die luidzingende chinees?
Riekus Waskowsky (15 oktober 1932 - 14 april 1977)
In Sonnenglut, in Mittagsruh Liegt stumm das Hospital; Es sitzt ein altes Mütterlein, Am Fenster bleich und fahl.
Ihr Aug' ist trüb, ihr Haar schneeweiß, Ihr Mieder rein und schlicht, Sie freut sich wohl und lächelt still, Im warmen Sonnenlicht.
Am Fenster blüht ein Rosenstock Viel Bienlein rings herum, Stört denn die stille Alte nicht Das emsige Gesumm?
Sie schaut in all' die Sonnenlust So selig stumm hinein: Noch schöner wird's im Himmel sein, Du liebes Mütterlein!
Mein Herz ist wie ein See so weit...
Mein Herz ist wie ein See so weit, Drin lacht dein Sonnenlicht In tiefer süßer Einsamkeit, Wo leise Well an Well sich bricht.
Ist´s Nacht, ist´s Tag? Ich weiß es nicht, Lacht doch auf mich so lieb und lind Dein sonnenlichtes Augenlicht Und selig bin ich wie ein Kind.
Unter Feinden
Dort der Galgen, hier die Stricke und des Henkers roter Bart, Volk herum und giftge Blicke - Nichts ist neu dran meiner Art! Kenne dies aus hundert Gängen, schreis euch lachend ins Gesicht: "Unnütz, unnütz, mich zu hängen! Sterben? Sterben kann ich nicht!"
Bettler ihr! Denn euch zum Neide ward mir, was ihr - nie erwerbt: zwar ich leide, zwar ich leide - aber ihr - ihr sterbt, ihr sterbt! Auch nach hundert Todesgängen bin ich Atem, Dunst und Licht - "Unnütz, unnütz, mich zu hängen! Sterben? Sterben kann ich nicht!"
Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)
“The barber at Stadelheim prison is called Adam, and most people don’t know if it his given name or his surname. He is not an independent businessman, but a state employee with the title of Surgical Assistant and a certificate attesting to his competence. He lives in the prison. Until 1935 he lived in the same capacity in the surgical clinic, and shaved the hairy parts of bodies before they were submitted to the surgeon’s knife. He is a master of his trade, but his trade has nothing in common with the gay, loquacious beautification work of a Figaro. For he does not shave faces. Adam is grave and taciturn and emaciated like a fakir. His office, his appearance and the late hour of the night at which he usually goes into action, spread terror, deadly terror. He is used to it and pays no attention to it. Sometimes it happens that his clients must be tied to their cots face down and cut hair in any position and has never yet nicked anyone. That is his pride. “Adam, work!” the prison’s executive secretary speaks over the house wire. “Cell number,” Adam requests. “There are six.” “Six,” says Adam. It is not an exclamation of astonishment, but only a repetition of the number. He hangs up, and dons his work coat. Every barber in the world wears a white jacket, Adam wears a black one. He is no worldly barber.”
In noon's heat, in a dale of Dagestan With lead inside my breast, stirless I lay; The deep wound still smoked on; my blood Kept trickling drop by drop away. On the dale's sand alone I lay. The cliffs Crowded around in ledges steep, And the sun scorched their tawny tops And scorched me - but I slept death's sleep. And in a dream I saw an evening feast That in my native land with bright lights shone; Among young women crowned with flowers, A merry talk concerning me went on. But in the merry talk not joining, One of them sat there lost in thought, And in a melancholy dream Her young soul was immersed - God knows by what. And of a dale in Dagestan she dreamt; In that dale lay the corpse of one she knew; Within his breast a smoking wound showed black, And blood ran in a stream that colder grew.
Heaven And The Stars Brilliant heavens of evening,
Distant stars clearly shining, Bright as the rapture of childhood, O why dare I send you nevermore greeting-- Stars, who are shining as clear as my joy? What is thy sorrow? Mortals make question. This is my sorrow; The heavens and the stars are--heaven and stars ever, I am alas! but a perishing man! Forever mortal Envies his neighbor; I envy rather Ye in your freedom, ye stars ever radiant, And only would be in your places!
Michail Lermontov (15 oktober 1814 - 27 juli 1841) Lermontov, Poesjkin en Gogol op het Nationale Monument in het Kremlin van Novgorod
Uit: If on a winter's night a traveller (Vertaald door William Weaver)
« You are about to begin reading Italo Calvino's new novel, If on a winter's night a traveler. Relax. Concentrate. Dispel every other thought. Let the world around you fade. Best to close the door; the TV is always on in the next room. Tell the others right away, "No, I don't want to watch TV!" Raise your voice--they won't hear you otherwise--"I'm reading! I don't want to be disturbed!" Maybe they haven't heard you, with all that racket; speak louder, yell: "I'm beginning to read Italo Calvino's new novel!" Or if you prefer, don't say anything;just hope they'll leave you alone. Find the most comfortable position: seated, stretched out, curled up, or lying flat. Flat on your back, on your side, on your stomach. In an easy chair, on the sofa, in the rocker, the deck chair, on the hassock. In the hammock, if you have a hammock. On top of your bed, of course, or in the bed. You can even stand on your hands, head down, in the yoga position. With the book upside down, naturally. Of course, the ideal position for reading is something you can never find. In the old days they used to read standing up, at a lectern. People were accustomed to standing on their feet, without moving. They rested like that when they were tired of horseback riding. Nobody ever thought of reading on horseback; and yet now, the idea of sitting in the saddle, the book propped against the horse's mane, or maybe tied to the horse's ear with a special harness, seems attractive to you. With your feet in the stirrups, you should feel quite comfortable for reading; having your feet up is the first condition for enjoying a read. Well, what are you waiting for? Stretch your legs, go ahead and put your feet on a cushion. on two cushions, on the arms of the sofa, on the wings of the chair, on the coffee table, on the desk, on the piano, on the globe. Take your shoes off first. If you want to , put your feet up; if not, put them back. Now don't stand there with your shoes in one hand and the book in the other. Adjust the light so you won't strain your eyes. Do it now, because once you're absorbed in reading there will b no budging you. Make sure the page isn't in shadow, a clotting of black letters on a gray background, uniform as a pack of mice; but be careful that the light cast on it isn't too strong, doesn't glare on the cruel white of the paper, gnawing at the shadows of the letters as in a southern noonday. Try to foresee now everything that might make you interrupt your reading. Cigarettes within reach, if you smoke, and the ashtray. Anything else? Do you have to pee? All right, you know best.”
Italo Calvino (15 oktober 1923 - 19 november 1985) Cover
“All of a sudden she could not bear the heat anymore. She heaved herself up laboriously until she was standing shakily in the metal bathtub, her body covered in a film of liquid chocolate that evened out all irregularities. As though I were already dead and buried, she thought. When she realized that her state would give the woman who was coming to rinse her down a foolish, alarming impression, she sagged slowly at the knees, back into the sludge, holding tightly onto the edge of the bath with both hands. The song stopped at that very moment, as abruptly as it had started, as though it were no more than the flicker of a memory presumed lost. The German could not tolerate being in bed for long. After a few minutes she shuffled across the worn parquet floor again, towards a table with two bottles of mineral water beside a stack of plastic beakers. Lotte followed her actions intently, despite herself, as though she had to keep on her guard. `Excusez moi, madame ...' With a slight inflection, in ponderous school French, the woman turned unexpectedly to Lotte. `C'est permis ... for us ... to drink this water?' The story that follows probably would not have happened if Lotte had also replied in French. But on a reckless impulse she said, `Yes, das Wasser können Sie trinken.' `Ach so!' The woman forgot the water, retraced her steps to Lotte's bed, exclaiming delightedly, `You're German!' `No, yes, no ...' Lotte stammered. But she had already lit the fuse; crackling softly, the woman was coming towards her. Everything about her was broad, round and curved, an elderly Walküre who would not go away. She stood at the foot of Lotte's bed, casting a shadow over it. She looked candidly at her, `Where are you from, if I might ask?' Lotte tried to retract her impulsiveness, `From Holland.' `But your German is faultless!' the woman insisted, spreading her plump hands. `From Cologne originally,' Lotte conceded, in the flat tone of a forced admission. `Cologne! But that's where I'm from too!'
Tessa de Loo (Bussum, 15 oktober 1946) Scene uit de film “De tweeling” uit 1993
“He shook his head. "I'd rather not, sir." "But it's the straight goods. I'm going to put my shirt on him." "I do not recommend it, sir. The animal is not intended to win. Second place is what the stable is after." Perfect piffle, I thought, of course. How the deuce could Jeeves know anything about it? Still, you know what happened. Wonderchild led till he was breathing on the wire, and then Banana Fritter came along and nosed him out. I went straight home and rang for Jeeves. "After this," I said, "not another step for me without your advice. From now on consider yourself the brains of the establishment." "Very good, sir. I shall endeavour to give satisfaction." And he has, by Jove! I'm a bit short on brain myself; the old bean would appear to have been constructed more for ornament than for use, don't you know; but give me five minutes to talk the thing over with Jeeves, and I'm game to advise any one about anything. And that's why, when Bruce Corcoran came to me with his troubles, my first act was to ring the bell and put it up to the lad with the bulging forehead. "Leave it to Jeeves," I said. I first got to know Corky when I came to New York. He was a pal of my cousin Gussie, who was in with a lot of people down Washington Square way. I don't know if I ever told you about it, but the reason why I left England was because I was sent over by my Aunt Agatha to try to stop young Gussie marrying a girl on the vaudeville stage, and I got the whole thing so mixed up that I decided that it would be a sound scheme for me to stop on in America for a bit instead of going back and having long cosy chats about the thing with aunt. So I sent Jeeves out to find a decent apartment, and settled down for a bit of exile. I'm bound to say that New York's a topping place to be exiled in. Everybody was awfully good to me, and there seemed to be plenty of things going on, and I'm a wealthy bird, so everything was fine. Chappies introduced me to other chappies, and so on and so forth, and it wasn't long before I knew squads of the right sort, some who rolled in dollars in houses up by the Park, and others who lived with the gas turned down mostly around Washington Square--artists and writers and so forth. Brainy coves.”
P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975) Stephen Fry (Jeeves) en Hugh Laurie (Wooster) in de Britse komische televisieserie “Jeeves and Wooster” (1990 - 1993)
“The three of them sat at the only round table, Sollozzo refusing a booth. There were only two other people in the restaurant. Michael wondered whether they were Sollozzo plants. But it didn’t matter. Before they could interfere it would be all over. McCluskey asked with real interest, “Is the Italian food good here?” Sollozzo reassured him. “Try the veal, it’s the finest in New York.” The solitary waiter had brought a bottle of wine to the table and uncorked it. He poured three glasses full. Surprisingly McCluskey did not drink. “I must be the only Irishman who don’t take the booze,” he said. “I seen too many good people get in trouble because of the booze.” Sollozzo said placatingly to the captain, “I am going to talk Italian to Mike, not because I don’t trust you but because I can’t explain myself properly in English and I want to convince Mike that I mean well, that it’s to everybody’s advantage for us to come to an agreement tonight. Don’t be insulted by this, it’s not that I don’t trust you.” Captain McCluskey gave them both an ironic grin. “Sure, you two go right ahead,” he said. “I’ll concentrate on my veal and spaghetti.” Sollozzo began speaking to Michael in rapid Sicilian. He said, “You must understand that what happened between me and your father was strictly a business matter.” I have a great respect for Don Corleone and would beg for the opportunity to enter his service. But you must understand that your father is an old-fashioned man. He stands in the way of progress. The business I am in is the coming thing, the wave of the future, there are untold millions of dollars for everyone to make. But your father stands in the way because of certain unrealistic scruples. »
Mario Puzo (15 oktober 1920 – 2 juli 1999) Scene uit de gelijknamige film uit 1972
- Intussen begint de lucht onder luid gerommel te betrekken, er volgt een stortbui, met hagel gemengd, en de Tyrische vrienden, de manschap uit Troje en ook de Dardaanse kleinzoon van Venus gaan angstig op zoek naar een schuilplaats, waar ook te vinden in het gebied,van de bergen kolken reeds stromen neer. Dido en de Trojaanse leider komen terecht in dezelfde grot.
Eerst geven Tellus en Iuno, godin van het huwelijk een teken: bliksems flikkeren, ook de aether, getuige bij het verbond, en op de bergtop juichen de nimfen. Die dag was de eerste van de dood en de eerste aanzet tot een serie ellende, want niets meer trekt Dido zich aan van fatsoen of reputatie
en zij denkt ook niet meer aan liefde in het geheim: zij noemt het een huwelijk, met deze aanduiding camoufleert zij haar schuld. - Meteen trekt Fama door de grote steden van Libië, Fama, het snelste kwaad dat bestaat: sterk door haar snelheid wint ze onderweg nog aan impact,
eerst nog klein door haar schuchterheid, verheft ze zich daarna hemelhoog en loopt op de grond met haar kop verstopt in de wolken. Moeder aarde bracht haar voort, ontstoken in woede op de goden, haar laatste, zoals verluidt, een zus voor Coeus en Enceladus, rap ter been en met verderfbrengende vleugels,
een griezelig monster, reusachtig; zoveel veren als ze aan haar lichaam heeft zoveel waakzame oogjes zitten daaronder (wonderlijk om het te beschrijven), en evenveel tongen, ze kletst met evenveel monden, spitst evenveel oren. 's Nachts vliegt zij door het donker tussen hemel en aarde met gesuis, maar nooit sluit zij haar ogen voor een zoete slaap;
Vergilius (15 oktober 70 v. Chr. - 21 september 19 voor Chr.) De ontmoeting van Dido en Aeneas door Nathaniel Dance-Holland, 1766
“De theaterles, één uur per week gedurende de basiscursus Nederlands, was het uur van Senad – het enige waarin hij ongestraft zichzelf kon zijn. Waar de meeste leerlingen tijdens de eerste les braaf de bewegingen van een voetballer of een zwemmer nabootsten, daar ging Senad slechts ietwat door de knieën toen het zýjn beurt was een geliefd tijdverdrijf uit te beelden. In die houding keek hij de rest van de klas afwachtend aan. Niemand raadde, of dorst te raden, wat dat voor hobby was. ‘Nou Senad, Senad was het toch hè,’ zei theaterdocente Patchouli, ‘wat is dat, wat doe jij graag?’ ‘Poepen,’ riep Senad. Een en ander veroorzaakte hilariteit – en toch, toch kwam het op mij niet banaal over. Natuurlijk, Senad had willen provoceren, maar dan alleen door een gewoonlijk verzwegen waarheid nu eens uit te spreken. De zeventienjarige Senad, alleen in naam moslim, was afkomstig van en gevlucht uit Bijeljina, een kleine, overwegend Servische stad in het noordoosten van Bosnië. Hij ging, met zijn Levi’s 501 en houthakkershemd, westers gekleed. Met zijn lange zwarte haar, dat hem als een half gesloten gordijn voor de ogen hing, met zijn passie voor muziek en bovenal met zijn dat-niet-zo-belangrijk-houding waar het schoolse zaken betrof, vertegenwoordigde hij het type van de hippie. In de derde week, de derde theaterles, speelde de 26-jarige Patchouli zelf mee, ze speelde een liftster. Gestrand ergens op het platteland, azend op een ritje naar de grote stad, sprak ze Senad aan, die op zijn stoel in de kring zat. ‘Oo´o´o´o´o´o´ mene´e´e´e´e´r! Wat een mooie auto heeft u! En ik hoor dat u naar de stad gaat... Mag ik niet met u meerijden?’
De Italiaanse dichter, schrijver en journalist Stefano D'Arrigowerd geboren op 15 oktober 1919 in Alì Marina (sinds 1954: Alì Terme), provincie Messina. Kort na zijn geboorte emigreerde zijn vader Giuseppe naar de Verenigde Staten. D'Arrigo volgde de basisschool in Alì Terme, daarna vanaf 1929 in Milazzo de middelbare school en het klassieke gymnasium. Na zijn eindexamen studeerde hij vanaf 1938 literatuur in Messina; Zijn studie voltooide D'Arrigo in 1942 met een proefschrift over Friedrich Hölderlin. Tijdens WO II was D'Arrigo tot 1943 de landing van de geallieerden op Sicilië in militaire dienst als luitenant in Palermo. In 1946 verhuisde hij naar Rome, waar hij werkte voor de kranten Il Tempo en Il Giornale d'Italia en voor het weekblad Vie Nuove als journalist en kunstcriticus. In 1948 trouwde D'Arrigo met Jutta Bruto. Vanaf ongeveer het midden van de jaren vijftig wijdde D'Arrigo zich uitsluitend aan zijn literaire werk. D'Arrigo’s eerste onafhankelijke publicatie was een bundel gedichten, “Codice siciliano” (Siciliaanse code), in 1957. Dit werk werd bekroond met de Premio Crotone. Naast de gedichten werkte hij in de periode 1956-1957 aan een roman van 600 pagina'sonder de werktitel “La testa del Delfino” (Het hoofd van de dolfijn), de eerste versie van het werk, dat bijna 20 jaar later als “Horcynus Orca” zou gepubliceerd. In 1958, stuurde D'Arrigo stuurde een deel aan de jury van de literaire prijs Premio Cino del Duca. De prijs werd toegekend aan hem voor 1959 en deze prijs veranderde D'Arrigo’s leven. De uitgever Arnoldo Mondadori bood D'Arrigo iets later een contract aan voor de publicatie van de roman. D'Arrigo accepteerde beide aanbiedingen en begon met het herzien van wat tot nu toe was geschreven. In 1960 verschenen de twee hoofdstukken in het derde nummer van het tijdschrift Menabò onder de titel “I giorni della fera”. In september 1961 ging het schijnbaar definitieve manuscript naar de uitgever, nu onder de titel “I fatti della fera”. Het zou echter nog 14 jaar duren; pas in 1975 verscheen het werk onder de titel “Horcynus Orca”, stevig bewerkt en verdubbeld qua omvang. De auteubleef tot aan zijn dood in 1992 schaven aan zijn roman, het verhaal van iemand die, terugkerend uit de oorlog, in de laatste acht dagen van zijn leven geconfronteerd wordt met zowel de mythologie als de realiteit van de Zuid-Italiaanse naoorlogse samenleving. In 1985 publiceerde D'Arrigo zijn tweede en laatste roman “Cima delle Nobildonne”.
Uit: Horcynus Orca (Vertaald door Moshe Kahn)
“Die Sonne ging auf seiner Reise viermal unter, und am Ende des vierten Tags, welcher der vierte Oktober neunzehnhundertdreiundvierzig war, erreichte der Matrose ‘Ndrja Cambrìa, einfacher Oberbootsmann der ehemaligen Königlichen Marine, den Landstrich der Feminoten an den Meeren zwischen Skylla und Charybdis. Es dämmerte zusehends, und ein leichter Wind hauchte vom Meer, dessen Gegenströmung eingesetzt hatte, auf das niedrige Vorgebirge. Den ganzen Tag über hatte das Meer sich zur großen gleichmäßigen Stille weiter geglättet, unter einem Schirokko, der ohne die geringste Veränderung seit dem Aufbruch von Neapel angedauert hatte: aus Ost, aus West und Ost, gestern, heute und morgen, dazu das mattmatte Wogen der grauen, der silbernen oder der ehernen Welle, die sich wiederholte, so weit das Auge reichte. Erst seit ein paar Stunden hatte die Hitze, wiewohl der Schirokko unverändert geblieben war und sogar die Wasserfläche erwärmt hatte, unmerklich begonnen, ihr löwenmähniges Haupt zu schütteln. Das war eben, als die Gegenströmung wieder eingesetzt hatte, verschlungen und giftend bei den ersten sich quälenden Schlangen aus Abwässern und Abfällen, riesigen Muränen ähnlich, die er, mit seinem Kennerblick, an der unterschiedlichen Färbung ausmachte, wie von bemoostem Stein, eiskalt und schauerlich. Das war mithin, nachdem die Inseln vor seinem Blick hinter dem Kap von Milazzo verschwunden waren, und Stromboli, Vulcano und Lipari, die er nun zum ersten Mal aus der Ferne und vom Land aus sah, nachdem er sie immer nur von der Palamitara aus gesehen hatte, wenn er den Golfo dell’Aria hinaufgerudert war, in der Sonne zu dampfen schienen wie Gerippe von Walen, die bei windstiller See erlegt worden waren. Während er nun zur äußersten Spitze des feminotischen Vorgebirgs ging, wechselte der Himmel vor ihm über der Meerenge von purpurner Glut zu teer durchsprenkeltem Nebeldunst. Als er vor dem Meer stand und man wegen einiger perlmuttener Lichtzuckungen in der Luft noch deutlich sehen konnte, brach die mondlose Nacht unvermittelt herein, mit jenem jähen und windschnellen Wechsel von Licht zu Dunkel, mit dem die Neumondnächte auch im hellsten Sommer herabfallen. Rauchige Wolkenschwaden hatten, als wälzten sie sich von den Höhen des Aspromonte und des Antinnamare herunter, die offene Durchfahrt zwischen den beiden Meeresufern in ein einziges schwarzes Gebrodel getaucht und eingeebnet.“
E. E. Cummings, Maarten van der Graaff, Daniël Rovers, Péter Nádas, Katha Pollitt, Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Żeromski, Philip Winkler
maggie and milly and molly and may went down to the beach(to play one day)
and maggie discovered a shell that sang so sweetly she couldn’t remember her troubles,and
milly befriended a stranded star whose rays five languid fingers were;
and molly was chased by a horrible thing which raced sideways while blowing bubbles:and
may came home with a smooth round stone as small as a world and as large as alone.
For whatever we lose(like a you or a me) it’s always ourselves we find in the sea
Spring is like a perhaps hand
Spring is like a perhaps hand (which comes carefully out of Nowhere)arranging a window,into which people look(while people stare arranging and changing placing carefully there a strange thing and a known thing here)and
changing everything carefully
spring is like a perhaps Hand in a window (carefully to and fro moving New and Old things,while people stare carefully moving a perhaps fraction of flower here placing an inch of air there)and
without breaking anything.
9
there are so many tictoc clocks everywhere telling people what toctic time it is for tictic instance five toc minutes toc past six tic
Spring is not regulated and does not get out of order nor do its hands a little jerking move over numbers slowly
we do not wind it up it has no weights springs wheels inside of its slender self no indeed dear nothing of the kind.
(So,when kiss Spring comes we’ll kiss each kiss other on kiss the kiss lips because tic clocks toc don’t make a toctic difference to kisskiss you and to kiss me)
E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962) Cover
Overgiet een grijze Kadett met cognac. Ga in de grijze Kadett naar Umbrië. Stap in Umbrië uit de Kadett. Begraaf een gedicht van Pasolini onder een kurkeik of een jeneverbes.
Er blijft iets ongezegd. Vernietiging heeft ons gekozen, vernietiging heeft zich geopend.
Overgiet de grijze Kadett met siroop. Reis in de grijze Kadett naar een loofbos. Voer daar de leer- of werkstraf uit van een vreemde. Begraaf een gedicht van Dickinson.
Vernietiging heeft ons gemaakt. Kom klaar in een pretpark.
Teken een cirkel op de serre van een politicus. Ga naar het stadskantoor en leg je onder een klok op de grond, met je voeten naar Kaapstad. Lees de gedrichten van Snoek. Verbrand drie dagen later een zijden voorwerp.
Vernietiging gaat in ons op.
Omklem Pascal en het Kussenboek, wandel een kerk in. Denk aan het boerenleven. Schrijf iets over de geur van religie, het middenklassegeloof van je ouders.
Vernietiging is onze mondigheid.
Wacht tot je psycholoog op vakantie is. Zet een tent op in haar tuin. Ga in een vaalgeel gewaad in de tent zitten. Neem een vel papier en noteer de titel Civiele liederen. Schrijf drie dagen lang civiele liederen. Gebruik deze regels:
Er is geen eenheid in de riten van mijn massacultuur.
De geschiedenis laat mij blind achter.
Kom zonder gewaad de tent uit. Ruik de ochtendlucht. Ontmenselijk jezelf: trek vulgair en fluitend de stad in.
Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)
“Het eerste wat je opvalt bij aankomst in Afrika is het licht, schrijft Ryszard Kapuscinski in Ebbenhout, al voegt hij daar meteen aan toe dat het continent zo groot en gevarieerd is dat je er niet in die ene simpele bewoording (‘Afrika’) over kunt spreken. Mij valt vooral de onwerkelijke hitte op, alsof iemand vergeten is de deur van een heel grote sauna dicht te doen. In haar reisboek Mali blues vertelt Lieve Joris de anekdote van een koloniale legerofficier die ergens aan het eind van de negentiende eeuw, op zijn post in het verschroeiend hete noorden van Mali, een brede ton halfvol water met genoeg ruimte voor een bureau en een stoel in zijn werkruimte laat plaatsen. Alleen zo denkt de man de kantooruren te kunnen overleven. Het zou een oplossing zijn, want die hitte, hoe kun je daar nu in godsnaam over schrijven? Mijn schrijfhand plakt al aan het papier terwijl ik probeer te noteren hoe ontzettend warm ik het heb. Kapuscinski wijdt er in zijn boek schijnbaar zonder al te veel zweetdruppels een volledige pagina aan, maar hoe hij het hoofd koel genoeg hield om dat alles te kunnen noteren, daarover schrijft hij niet. Het is al donker als ik aankom in Dakar, de hoofdstad van Senegal. Op het vliegveld, dat niet groter zal zijn dan de luchthaven van pak ’m beet Charleroi, vraagt een douanier naar het adres waar ik tijdens mijn vakantie zal verblijven. Het is de eerste en enige vraag die hij stelt, en toch moet ik hem het antwoord schuldig blijven. Ik heb voor vertrek alleen maar de naam van de wijk waar Rolf woont opgeschreven. Dat neem ik mezelf kwalijk: waarom ben ik niet voorbereid op deze vraag? En ook, inwendig vloekend: waarom heeft Rolf me er niet op voorbereid? De douanier wuift zich met mijn paspoort koelte toe.”
Uit: Parallel Stories (Vertaald door Imre Goldstein)
“As he began his story for the third time, the young man noticed nervously that every clue had been numbered and the sight made him very anxious. He felt as if he had been not the one who discovered the corpse or reported it but, rather, the culprit instantly confronted with physical evidence of his crime. He was like a blade, though he could not tell of what, perhaps of a razor or an icy thought, but of that he said nothing. In fact, his first thought was that he had murdered his own father. He could not understand why he had such a thought, why he would wish the death of this man, but of that too he said nothing to the police officers. Hardly anything remained of which he could speak aloud. But they paid little attention to him; both uniformed and plainclothesmen were going about their business, and from time to time they mumbled to one another phrases the young man could not understand. They would not delay him further. Twice he had given them his personal data, they had registered his willingness to give evidence later in court, and still he could not leave. Some of the policemen were being relieved by others around him. When he runs, he repeated excitedly in his report, he does not look at anything or in any specific direction, and he does not think. From a psychological viewpoint, that is the essence of running at an even pace. But when twenty minutes later he again ran past the body on the bench, it occurred to him that the snow could remain intact like that only on a cooled-off corpse. He had read something like that somewhere. And that's when he stopped to take a closer look. In Berlin's Tiergarten, or game preserve, many things have happened already, or, more correctly, hardly anything can happen here that hasn't occurred before. The police officers listened to the report impassively. One of them simply moved on with his plastic bags to continue his work. In a little while, another one stopped to listen, and the rest of them promptly left him there alone. However, the young man could not calm down. He told his story to this new man as if every detail had another hundred details and every sentence needed a further explanation, as if with every explanation he were revealing earthshaking secrets while keeping silent about his own.”
No one left to call me Penelope, mourned the old countess, on being informed of the death of her last childhood friend. Did she sit long
in the drafty hall, thinking, That's it then, nobody left but hangers-on and flunkeys, why go on? Death can't help but look friendly when all your friends live there, while more and more
each day's like a smoky party where the music hurts and strangers insist that they know you till you blink and smile and fade into the wall and stare at your drink and take a book off the shelf
and close your eyes for a minute and suddenly everyone you came in with has gone and people are doing strange things in the corners. No wonder you look at your watch
and say to no one in particular If you don't mind, I think I'll go home now.
November Fifth, Riverside Drive
The sky a shock, the ginkgoes yellow fever, I wear the day out walking. November, and still light stuns the big bay windows on West End Avenue, the park brims over with light like a bowl and on the river a sailboat quivers like a white leaf in the wind.
How like an eighteenth-century painting, this year 's decorous decline: the sun still warms the aging marble porticos and scrolled pavilions past which an old man, black-coated apparition of Voltaire, flaps on his constitutional. 'Clear air, clear mind' -as if he could outpace darkness scything home like a flock of crows.
“They all went to sleep except the young Frenchman, who took a little pocket edition out of his coat and nursed it on his knee while he gazed at the warm, dusty country. At Shorncliffe the train stopped. Dead silence. There was nothing to be seen but a large white cemetery. Fantastic it looked in the late afternoon sun, its full-length marble angels appearing to preside over a cheerless picnic of the Shorncliffe departed on the brown field. One white butterfly flew over the railway lines. As we crept out of the station I saw a poster advertising the Athenaeum. The Enthusiast grunted and yawned, shook himself into existence by rattling the money in his trouser pockets. He jabbed the Mole in the ribs. “I say, we’re nearly there! Can you get down those beastly golf-clubs of mine from the rack?” My heart yearned over the Mole’s immediate future, but he was cheerful and offered to find me a porter at Dover, and strapped my parasol in with my rugs. We saw the sea. “It’s going to be beastly rough,” said the Enthusiast, “Gives you a head, doesn’t it? Look here, I know a tip for sea-sickness, and it’s this: You lie on your back — flat — you know, cover your face, and eat nothing but biscuits.” “Dover!” shouted a guard. In the act of crossing the gangway we renounced England. The most blatant British female produced her mite of French: we “S’il vous plaît’d” one another on the deck, “Merci’d” one another on the stairs, and “Pardon’d” to our heart’s content in the saloon. The stewardess stood at the foot of the stairs, a stout, forbidding female, pockmarked, her hands hidden under a businesslike-looking apron. She replied to our salutations with studied indifference, mentally ticking off her prey. I descended to the cabin to remove my hat. One old lady was already established there. She lay on a rose and white couch, a black shawl tucked round her, fanning herself with a black feather fan. Her grey hair was half covered with a lace cap and her face gleamed from the black drapings and rose pillows with charming old-world dignity. There was about her a faint rustling and the scents of camphor and lavender. As I watched her, thinking of Rembrandt and, for some reason, Anatole France, the stewardess bustled up, placed a canvas stool at her elbow, spread a newspaper upon it, and banged down a receptacle rather like a baking tin. I went up on deck. The sea was bright green, with rolling waves.”
Katherine Mansfield (14 oktober 1888 – 9 januari 1923) Cover
Die gelben Blätter ... Die gelben Blätter wirbeln von den Bäumen, Der Sturm schlägt mir den Regen ins Gesicht, In schwarzen Wolken stirbt das letzte Licht. Ich geh voran – jetzt ist nicht Zeit, zu träumen.
Ich geh voran. Des Sommers Blumen starben, Viel süße Träume starben matt und schwer. Nach keiner Hand greift heut die meine mehr. Ich geh allein. Ich hab gelernt, zu darben.
Die Hände, die nach meinen greifen wollen, Mit sanftem Druck geb ich sie wieder frei. Nicht glaub ich mehr, daß jede würdig sei. Doch ward ich still. Ich hab verlernt, zu grollen.
Nun bahn ich durch des Herbstessturmes Tosen Mir einen Weg, den nichts mehr hemmen soll, Zu einem Land von neuen Träumen voll, Zu einem neuen Sommer schwer von Rosen.
So in die still verschneite Nacht ...
So in die still verschneite Nacht Blick' ich hinaus; Die alte Sehnsucht ist erwacht Und singt und flüstert, weint und lacht Und lacht mich aus.
Sie zieht um mich den Zauberkreis Von Wunsch und Wahn; Sie spricht wie du so scheu und leis; Sie starrt mich an so traurig heiß, Wie du getan.
Margarete Susman (14 oktober 1872 - 16 januari 1966)
Uit: The Coming Spring (Vertaald door Bill Johnston)
“Czaruś had just turned fourteen and graduated from the fourth class to the fifth when Seweryn Baryka was called up to serve as an officer in the reserve. War had broken out. Rapidly, in the space of a few days, the family idyll was shattered. Cezary found himself alone with his mother in a fatherless apartment . Accompanying his father to the troop ship leaving for Astrakhan, he had felt no sorrow whatsoever. It was a novelty! He was occupied by a thousand trifling details—dates, names, and figures, in connection with his father’s donning the uniform of an officer. He packed his father’s magnificent yellow leather suitcase with its metal fittings, stamped monogram, and abundance of mysterious compartments within. He neither shared nor understood his mother’s desperate tears and sobbing, which lasted from morning till night. It was only when his father was on board in the company of other officers, and he was left alone on shore with his mother, and the gangway was pulled away with a clatter —only then was Czaruś overcome by a terror he had never in his life known before. Under the influence of this feeling he stretched out his arms and started shouting like a true child. But the reassuring gestures C The Coming Spring 14 that his father’s white hands formed in the air calmed him as instantly as that youthful blind pain had struck. It would only be for a short time! Just for maneuvers! The war would be over soon. Just a few weeks. Maybe a month. Two at the most. The Russian steamroller would flatten the enemies’ fields, crushing obstacles as if they were carrots or corn, and all would return to normal. That was what everyone was saying, and such an opinion Cezary too had inherited from his departing father. Returning home from the port with his mother, who was truly as silent as the grave, Cezary was already in a cheerful mood. He was happy about various things, above all the prospect of freedom. His father never ever punished him nor even scolded him; he would tell him off half-jokingly, gently making fun of him. Yet he possessed an unbreakable iron power over his son. Despite his father’s mild-mannered smile, despite his polite suggestions and respectful advice, and his good-natured requests made during blandishments and games—no resistance was possible.”
Stefan Żeromski (14 oktober 1864 - 20 november 1925) Cover Poolse uitgave
“Also?«, fragt Axel, ohne sich umzudrehen. Er beobachtet mich immer noch im Seitenspiegel. Trotz der Sonnenreflexion kann ich seinen stechenden Blick erkennen. Wie er mich prüft. Ich gebe die Wegbeschreibung weiter und betone noch mal, dass ich den Typen an die Abmachung erinnert habe. »Hab ich gehört«, sagt er und dreht sich zu Hinkel, der wie immer am Steuer sitzt. Axel wiederholt die Wegbeschreibung. So als ob Hinkel mich nicht gehört hätte oder er den Weg nur fahren könnte, wenn die Anweisung von ihm kommt. Ich bemerke, wie Kai mich von der Seite ansieht, den Mundwinkel verzieht. Nett gemeint. Wenn ich ihn jetzt angucke, wird er bestimmt noch mit den Augen rollen. Mir damit sagen, Scheiße noch mal, was fürn Kontrollfreak. So in der Art. Aber ich reagiere nicht, sondern achte drauf, ob Hinkel den richtigen Weg nimmt. Er grunzt, was wohl heißen soll, dass er verstanden hat. Mit seiner bulettenartigen Hand umgreift Hinkel das Lenkrad auf zwölf Uhr. Schweißperlen haben sich in seinen langen Handrückenhaaren verfangen und funkeln in der Sonne. Sehen aus wie quer rübergekämmt. Die andere Hand lässt er aus dem Fenster baumeln. Tomek, der links von Kai sitzt, scrollt mit unbeteiligtem Gesichtsausdruck über sein Handy. Das ist so ein Ostblockding. Diese immer gleiche slawische Fresse. Gut oder scheiße gelaunt. Kann man nicht erkennen. Mit dem Ausdruck würde er wohl selbst einen Lottogewinn entgegennehmen. Die Kippe in seiner linken Hand ignoriert er. Der Fahrtwind brennt sie wie in Zeitraffer runter. Wär auch kein Wunder, wenn er kacke drauf ist. Schließlich hat er vor dem Losfahren das Shotgun-Spiel um den besseren Platz gegen Kai verloren. Kennt das wahrscheinlich nicht mal. Jetzt muss er da sitzen, wo Jojo letztes Mal mit seiner zerstörten Nase alles vollgeblutet hat. Jojos Gummel hat da richtig gelitten. Und das Sitzpolster erst. Außerdem ist das von vornherein der Platz, auf dem man an heißen Tagen auf keinen Fall sitzen will. Hinter Hinkel. Selbst bei offenem Fenster.“
Tags:E. E. Cummings, Maarten van der Graaff, Daniël Rovers, Péter Nádas, Katha Pollitt, Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Ż,eromski, Philip Winkler, Romenu
De Oostenrijkse schrijfster wereldreizigster Ida Laura Pfeifferwerd geboren in Wenen op 14 oktober 1797. Haar vader, de rijke koopman Reyer moedigde haar interesses in sport en avontuur aan, in weerwil van haar meer conservatieve moeder. Op vijfjarige leeftijd reisde Pfeiffer naar Palestina en Egypte, een ervaring die haar bij zou blijven en van invloed zou zijn op haar verdere leven. Op 1 mei 1820 trouwde Ida met Dr. Mark Anton Pfeiffer, een advocaat die 24 jaar ouder was dan Ida en bovendien een zoon had van zijn overleden vrouw. In 1838 stierf Dr. Pfeiffer en liet Ida twee zonen na. Nadat haar twee zonen het huis uit waren maakte Ida Pfeiffer plannen om haar oude droom te vervullen: het maken van wereldreizen. In 1842 reisde ze langs de Donau naar de Zwarte Zee en Istanboel en keerde terug naar Oostenrijk via Italië. Haar reiservaringen publiceerde Pfeiffer in 1843 in haar boek “Reise einer Wienerin in das Heilige Land”. Dankzij de opbrengsten van dit boek kon Pfeiffer nieuwe reizen ondernemen en in 1845 reisde ze naar Scandinavië en IJsland. Verslagen van deze reis bracht ze uit in haar tweedelig boek “Reise nach dem skandinavischen Norden und der Insel Island”. Tijdens haar reizen verzamelde Ida Pfeiffer planten, insecten, weekdieren, dieren uit de zee en mineralen, die ze verkocht aan het Naturhistorisches Museum in Wenen en het Museum für Naturkunde in Berlijn. Haar eerste wereldreis maakte Ida Pfeiffer in 1846, waarbij ze Zuid-Amerikaanse landen als Brazilië en Chili bezocht, alsook Tahiti, China, India, Perzië, Klein-Azië en Griekenland. Ze keerde terug in 1848 en beschreef haar ervaringen in haar boek “Eine Frau fährt um die Welt”. Haar tweede wereldreis duurde van 1851 tot 1854, waarbij ze van Groot-Brittannië naar Zuid-Afrika reisde, om vervolgens naar de Indische Archipel te varen. In 1856 publiceerde ze haar bevindingen in het boek “Meine zweite Weltreise”. In mei 1857 ondernam Ida Pfeiffer haar reis naar Madagaskar, in gezelschap van de Franse avonturier Joseph-François Lambert. Zij wist echter niet dat Lambert een staatsgreep op de Malagassische koningin Ranavalona I had voorbereid. Op 20 juni mislukte deze staatsgreep en Koningin Ranavalona liet alle betrokken Malagassiërs executeren. De betrokken Europeanen, waaronder ook Pfeiffer, werden gevangengezet. In juli werden zij weer vrijgelaten en uit Madagaskar gezet. Op de reis van de hoofdstad Antananarivo en de kust liep Pfeiffer een ziekte op waarvan ze niet meer zou herstellen, vermoedelijk kanker of malaria.
Uit:Reise einer Wienerin in das Heilige Land
„Seit Jahren lebte der Wunsch in mir, eine Reise in das Heilige Land zu machen. Jahre gehören dazu, um mit dem Gedanken eines so gewagten Unternehmens vertraut zu werden. Als daher meine häuslichen Verhältnisse sich so gestaltet hatten, daß ich mich wenigstens auf ein Jahr entfernen konnte, hatte ich nichts eifriger zu tun, als mich auf diese Reise vorzubereiten. Ich las manche Werke darüber und war auch so glücklich, mit einem Herrn bekannt zu werden, der einige Jahre früher jene Länder bereist hatte. Ich konnte mündlich manche Belehrung und manchen Rat über das Fortkommen und Verhalten auf dieser gefahrvollen Wanderung erhalten. Vergebens suchten meine Verwandten und Freunde, mich von diesem Vorsatz abzubringen. Höchst lebhaft stellte man mir all die Gefahren und Beschwerden vor, die den Reisenden dort erwarten. Männer hätten Ursache zu bedenken, ob ihr Körper die Mühen aushalten könne und ob ihr Geist den Mut habe, dem Klima, der Pest, den Plagen der Insekten, der schlechten Nahrung usw. kühn die Stirn zu bieten. Und dann erst eine Frau! So ganz allein, ohne alle Stütze hinauszuwandern in die weite Welt, über Berg und Tal und Meer, ach, das wäre unmöglich. Dies war die Meinung meiner Freunde. Ich konnte nichts als meinen festen unabänderlichen Willen entgegensetzen. Mein inneres Vertrauen auf Gott gab mir Ruhe und Kraft, meine irdischen Angelegenheiten mit voller Besonnenheit zu ordnen. Ich machte mein Testament, bestellte alles derart, daß im Fall des Todes, worauf ich mehr gefaßt sein mußte als auf eine glückliche Rückkehr, die Meinigen alles in bester Ordnung fänden. Und somit trat ich am 22. März 1842 meine Wanderung von Wien aus an. Ich fuhr um ein Uhr mittags zu den Kaisermühlen, dem Platz, von welchem die Dampfschiffe nach Pest usw. abgehen. Freudig überraschte mich am Ufer die Anwesenheit einiger Verwandter und Freunde, die mir nochmals Lebewohl sagen wollten. Die Trennung war freilich recht hart, denn unwillkürlich erfaßte uns der Gedanke, ob wir uns in dieser Welt wohl noch einmal sehen würden. Ein lebhafter Streit an Bord des Schiffes zerstreute ein bißchen unsern trüben Sinn. Ein Reisender mußte auf Ansuchen eines Herrn, statt mit Sack und Pack nach Ungarn zu flüchten, mit der Polizei in die Stadt zurückkehren. Ersterer schuldete letzterem tausenddreihundert Gulden, und glücklicherweise wurde er noch vor der Abfahrt des Schiffes eingeholt. Kaum war dies geordnet, so gab die Glocke das Zeichen der Abfahrt, die Räder begannen ihre Bewegung und entzogen mich für diesmal meinen Lieben nur zu schnell. Reisende gab es noch wenige. Die Witterung war zwar schön und mild, aber die Jahreszeit noch zu früh, um andere Reisende als Geschäftsleute oder solche mit so umfassenden Plänen, wie ich sie im Kopfe hatte, in die Welt zu führen. Die meisten gingen nach Preßburg oder höchstens nach Pest. Bald hörte man vom Schiffskapitän, daß eine Frau auf dem Schiff sei, die bis Konstantinopel zu reisen gedenke, und nun betrachtete man mich von allen Seiten. Einer der Herren, der dieselbe Reise machte, sprach mich an und bot mir seine Dienste an, wenn ich deren benötigen sollte, und wirklich stand er mir überall schützend zur Seite.“