Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
18-08-2017
Dolce far niente, Hans Andreus, Ulrich Woelk, Marc Degens, Luciano de Crescenzo, Alain Robbe-Grillet, Idea Vilariño
Dolce far niente
Fiets in Amsterdam door Leonid Afremov, 2013
Dinsdagmorgengracht
De mussen pikken kleine witte edelstenen brood een rok fietst op een fiets die vrouw is enkel rok een mannelijke jas en een vrouwelijke jas gaan kouwelijk de fiets die ook al rok is achterna de dikke pijl met vleugels van een meeuw gaat bovenal maar daar weer boven gaat de hemel uitgestreken blauw.
lk hoor opeens het orgel waar de man aan draait hij draait een driekwartsmaat hij is ook zelf driekwart toch draait hij zich te boven langzaam met het wiel draait hij zichzelf te boven driekwartshemel van het uitgestreken blauw maar wees vooral gerust hij weet het niet hij is er lang al aan gewend.
Maar dan rukken de vuilnisbakkenmannen op en op hoor de muziek der vuilnismannen hoor het orgel zwijgt triomfmars en het blauw der mannen is ook al triomf meer dan de hemel dan het uitgestreken blauw want meer zoals de meeuw zoals de gracht die zwijgt en lacht zoals de mussen en hun kleine witte edelstenen brood.
Hans Andreus (21 februari 1926 – 9 juni 1977) Amsterdam, Palmgracht. Hans Andreus werd in Amsterdam geboren.
“Dafür, dass er Epileptiker ist, hat er seinen Weg gemacht. Er ist sechsunddreißig, promovierter Jurist und hält zehn Prozent der Anteile des elektrotechnischen Familien-unternehmens, das sein Großvater in den dreißiger Jahren gegründet hat. Auf dem Markt für Großtransformatoren und Starkstrom-Umspannanlagen ist die Firma weltweit mit Erfolg aktiv. Anlagen der Negier Group stehen unter anderem in Kanada, Mexiko und Südafrika. Das sind die Länder, in denen er vor Ort war, was mit seiner Krankheit nicht selbstverständlich ist. Manche Fluggesellschaften verlangen von Epileptikern, dass sie sich vor dem Abflug beim Kabinenpersonal melden. Man möchte während des Flugs keine unliebsamen Überraschungen er-leben. Er gibt seine Epilepsie beim Check-in trotzdem nicht mehr an. Durch die Wahl des richtigen Medikaments ist er seit ungefähr zehn Jahren anfallsfrei. In dieser Hinsicht hat er Glück gehabt, denn Anfallsfreiheit wird medikamentös keineswegs bei allen Epileptikern erreicht. Deswegen beunruhigt ihn das unheilvolle, schwer zu fas-sende Gefiihl, das sich in ihm verdichtet, als er in Berlin vor einem Straßencafe aus dem Taxi steigt. Für Ende Oktober ist es ungewöhnlich warm und schwül. Der Luftzug eines Busses wirbelt ein paar Blätter über den Gehweg. Irgend-etwas geschieht in diesem Moment in ihm. Er spürt einen Druck in der Magengegend und eine unbestimmte, in nichts wurzelnde Angst. Er locken den Knoten seiner Krawatte, aher diese Geste, mir deren Beiläufigkeit er sich selbst ein wenig beruhigen möchte, bringt keine Erleichterung Das vage, vom Bauch aufsteigende Gernhl säuerlicher Wärme lässt nicht nach und auch die unbestimmte Angst nicht, so dass er schließlich denkt: „Was. wenn es die Vorahnung eines kommenden Anfalls ist?“ Die Tür des Cafés steht offen. Hinter dem Panoramafenster zur Straße lesen die Gäste Zeitung oder beschmieren kleine Brötchen mit Marmelade. Es ist Frühstückszeit. Dass in dem Café gelesen wird, wertet er als Beleg dafür, dass es sich bei den Gästen um besonnene. informierte und letztlich intelligente Mitmenschen handelt. Sollte er einen Anfall haben, wäre das sicher ein Vorteil. Von dem zufällig zusammengewürfelten Straßenpublikum in einerGroßstadt wie Berlin lässt sich das wahrscheinlich nicht sagen. Außerdem könnte der Fußboden dort ein Holz- oder Teppichboden sein und also federnd oder sogar weich im Vergleich zu den harten Betonplatten des Gehwegs. Das Café scheint den Schutz zu bieten, den er braucht. falls es wirklich zu einem Anfall kommen sollte. Ihm bleibt nicht viel Zeit, sich zu entscheiden. Oh vergehen nur Sekunden, bis sich aus der Vorahnung eines epileptischen Anfalls —einer Aura — ein Anfall entwickelt.“
„Immerhin hatte ich nun eine Adresse und schrieb ihm eine kurze, wütende Postkarte zurück; wenige Tage später rief er mich an. Er entschuldigte sich für sein Verhalten, dann endlich erzählte er mir die Geschichte seines Umzugs. »Du erinnerst dich noch an die Fossilienmesse«, fragte er mich, »wo meine Betonblumen geklaut wurden?« »Klar«, antwortete ich. »Da war doch eine Frau, die sich für die Betonblumen interessiert hatte«, sagte Dennis. »Ich hab gar nicht mit ihr gesprochen, aber du.« »Stimmt.« An die vornehme Dame in dem schwarzen Kostüm konnte ich mich noch lebhaft erinnern. »Als du im Urlaub warst«, fuhr Dennis fort, »hat mich diese Frau angerufen, Brigitte Caumann. Sie wollte mehr über mich und meine Arbeit wissen.« »Woher hatte die denn deine Nummer?«, fragte ich ihn. »Von den Fernsehfritzen«, erklärte mir Dennis. »Brigitte hatte diesen schrecklichen Peniskunstbericht gesehen, die Betonblumen wiedererkannt und sich dann meine Nummer besorgt. Vier Stunden am Stück haben wir miteinander telefoniert, ich habe ihr mein ganzes Herz ausgeschüttet. Du weißt ja, wie dreckig es mir damals ging. Der Tod von Lucky und diese Fernsehgeschichte, außerdem litt ich immer noch unter der Trennung von Lily. Brigitte wollte mir helfen und riet zu einer Luftveränderung. Ich sollte Abstand zu allem gewinnen, auch räumlich. Sie bot mir an, in ihrer Eigentumswohnung in Berlin zu wohnen. Kostenlos, die Wohnung stand sowieso leer.« »Das hat sie dir einfach so am Telefon angeboten«, fragte ich ungläubig, »ohne dich zu kennen?« »Sie kannte doch die Blumen. Und sie bot mir noch mehr an«, fuhr Dennis fort. »Brigitte meinte, dass ich mir keine Sorgen machen solle, sie werde sich um alles kümmern, sie sei seit ein paar Jahren Witwe, und ihr Mann habe ihr genug Geld hinterlassen. Und dann ging alles ganz schnell.”
Uit: Geschichte der griechischen Philosophie (Vertaald door Linde Birk)
“Du bist ein Philosoph und weißt es nicht; Du bist ein Philosoph, weil Du die Probleme des Lebens auf ganz persönliche Art angehst. So kam ich auf die Idee, dass Dich eine Beschäftigung mit der griechischen Philosophie besonders interessieren müsste. Deshalb habe ich mich entschlossen, meinen Versuch, Leben und Denken der ersten Philosophen in möglichst leicht verständlicher Form darzustellen, Dir zu widmen. Warum die Griechen? Da muss ich Dir als Erstes einmal sagen, lieber Salvatore, dass Du gar kein Italiener bist, sondern ein Grieche. Ja, mein Lieber, Grieche, fast möchte ich sogar noch hinzufügen: Athener! Setzt man nämlich Grichenland mit einer bestimmten Lebensart gleich, so ist es ein riesiges Mittelmeerland, das aus Sonne und Geselligkeit gemacht ist und sich auf der italienischen Halbinsel etwa bis an die Ufer des Volturno erstreckt (vgl. Abb. 1). Außerhalb dieser geographischen Grenze, an der sich auch die Lebensform verändert, leben die Römer, Etrusker, Mitteleuropäer, alles Leute, die ganz anders sind als wir und mit denen man oft nur schwer auskommen kann. Willst Du etwas besser verstehen, wodurch wir uns eigentlich von den andern {10}unterscheiden, möchte ich Dir vorschlagen, einmal über ein Verb nachzudenken, das es in der griechischen Sprache gibt, für das sich aber in keiner anderen Sprache eine Entsprechung findet und das daher wirklich unübersetzbar ist, wenn man es nicht mit ganzen Sätzen umschreiben will. Dieses Verb heißt agorazein. Agorazein bedeutet: ›auf den Markt gehen und hören, was es Neues gibt‹ – also reden, kaufen, verkaufen und seine Freunde treffen; es bedeutet aber auch, ohne genaue Vorstellungen aus dem Haus zu gehen, sich in der Sonne herumzutreiben, bis es Zeit ist zum Mittagessen, oder so lange zu trödeln, bis man Teil eines menschlichen Magmas aus Gesten, Blicken und Geräuschen geworden ist. Agorazonta, das Partizip dieses Verbs, bezeichnet die Fortbewegungsart dessen, der sich dem agorazein hingibt. Er schlendert, die Hände auf dem Rücken, ziellos dahin, wobei er fast nie eine gerade Strecke verfolgt. Ein Fremder, der aus geschäftlichen Gründen oder als Tourist in eine griechische Stadt kommt, egal ob Korinth oder Pozzuoli, kann diese Menschenmenge nur staunend betrachten, die da auf den Straßen hin- und hergeht, alle paar Schritte stehen bleibt, laut redet und redet, weitergeht und wieder stehen bleibt. Vielleicht glaubt er dann, an einem besonderen Festtag hierhergeraten zu sein, dabei hat er nur eine gewöhnliche Szene des agorazein miterlebt. Nun, dieser Gewohnheit des Umherwandelns in südlichen Gefilden verdankt die griechische Philosophie sehr viel. »Mein lieber Phaidros«, sagt Sokrates, »wohin des Wegs und woher?«
“Dans la pénombre de la salle de café le patron dispose les tables et les chaises, les cendriers, les siphons d’eau gazeuse ; il est six heures du matin. Il n’a pas besoin de voir clair, il ne sait même pas ce qu’il fait. Il dort encore. De très anciennes lois règlent le détail de ses gestes, sauvés pour une fois du flottement des intentions humaines ; chaque seconde marque un pur mouvement : un pas de côté, la chaise à trente centimètres, trois coups de torchon, demi-tour à droite, deux pas en avant, chaque seconde marque, parfaite, égale, sans bavure. Trente et un. Trente-deux. Trente-trois. Trente-quatre. Trente-cinq. Trente-six. Trente-sept. Chaque seconde a sa place exacte. Bientôt malheureusement le temps ne sera plus le maître. Enveloppés de leur cerne d’erreur et de doute, les événements de cette journée, si minimes qu’ils puissent être, vont dans quelques instants commencer leur besogne, entamer progressivement l’ordonnance idéale, introduire ça et là, sournoisement, une inversion, un décalage, une confusion, une courbure, pour accomplir peu à peu leur oeuvre : un jour, au début de l’hiver, sans plan, sans direction, incompréhensible et monstrueux. Mais il est encore trop tôt, la porte de la rue vient à peine d’être déverrouillée, l’unique personnage présent en scène n’a pas encore recouvré son existence propre. Il est l’heure où les douze chaises descendent doucement des tables de faux marbres où elles viennent de passer la nuit. Rien de plus. Un bras machinal remet en place le décor. Quand tout est prêt, la lumière s’allume…”
Alain Robbe-Grillet(18 augustus 1922 – 18 februari 2008) In 1957
I would like to die now of love so you could know how and how much I loved you. I would like to die of love so you can know.
Neither
Now you’re gone. I smell your place in bed your heat that still remains and at the same time bitter alienated I know I am still alone and that it will be only my body the sweet the possessed and never you that will gather up my life.
Vertaald door Jesse Lee Kercheval
Idea Vilariño (18 augustus 1920 - 28 april 2009) In 1954
Dolce far niente, Simon Vestdijk, Ted Hughes, V. S. Naipaul, Nis-Momme Stockmann, Jonathan Franzen, Jan Emmens
Dolce far niente
Prins Hendrikkade te Amsterdam door Willem Witsen, 1891
Amsterdam
Gevoegd tot wallen steen, en krom verdronken, Staan de kantoren in hun lang plantsoen. Te lang, te smal... Op bruggeranden ronken Tramwagens dwars door 't stoffig dubbelgroen.
Nog stroomt een rest van 't kruislingsch labyrinth Waar men 't verleden moeizaam in kan halen Als spook'ge achterstevens, vluchtend bint Van schepen die de reeders lieten dwalen.
Maar in die duizeldun vertakte haven Zijn zelfs de geesten zoo misteekend, dat Het laatste toplicht, wezenloos hoogdravend, Zweeft als een lichtreclame op de binnenstad.
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971) Harlingen, Zuiderhaven. Simon Vestdijk werd in Harlingen geboren.
“September 21, 1949 — September 22, 1950: Port of Spain to Oxford Trinidad September 21, 1949 Dear Kamla [Naipaul's elder sister], I wonder what is the matter with this typewriter. It looks all right now, though. I am enclosing some cuttings which, I am sure, will delight you. You will note that I went after all to the Old Boys' Association Dinner. I can count those hours as among the most painful I have ever spent. In the first place, I have no table manners; in the second, I had no food. Special arrangements, I was informed after the dinner, had been made for me, but these appeared to have been limited to serving me potatoes in various ways — now fried, now boiled. I had told the manager to bring me some corn soup instead of the turtle soup that the others were having. He ignored this and the waiter brought up to me a plateful of a green slime. This was the turtle soup. I was nauseated and annoyed and told the man to take it away. This, I was told, was a gross breach of etiquette. So I had bread and butter and ice-cold water for the first two eating rounds. The menu was in French. What you would call stewed chicken they called 'Poulet Sauté Renaissance'. Coffee was 'moka'. I had rather expected that to be some exotic Russian dish. Dessert included something called 'Pomme Surprise'. This literally means 'surprised apple', and the younger Hannays, who was next to me, told me it was an apple pudding done in a surprise manner. The thing came. I ate it. It was fine. But I tasted no apple. 'That,' Hannays told me, 'is the surprise.' I have just finished filling out the application forms for entrance to the University; I had some pictures of myself taken. I had always thought that, though not attractive, I was not ugly. This picture undeceived me. I never knew my face was fat. The picture said so. I looked at the Asiatic on the paper and thought that an Indian from India could look no more Indian than I did. My face would give anyone the idea that I was a two-hundred-pounder. I had hoped to send up a striking intellectual pose to the University people, but look what they have got. And I even paid two dollars for a re-touched picture."
„Passfotos auf einer Korkpinnwand schwammen vorbei. Ein primitives Boot mit Bildern von Menschen, die jetzt vielleicht tot waren. Mit Kugelschreiber waren Herzen auf die Augen gemalt – daneben Bilder von Boybands, aus Zeitschriften her ausgerissen, mit Hörnern und Schnurrbärten bemalt. Ein rosafarbenes Tagebuch mit einem winzigen Vorhängeschloss. Ein aufgedunsener hölzerner Jubiläumsbierkrug aus dem Allgäu. Ein Kontoauszugsordner – völlig unangebracht und unsensibel stand «Spesen » darauf. All das war gar nicht zum Schwimmen gemacht. Aufgeweicht und blass trudelte es vorbei. Vielleicht gab es ja noch irgendwas, das zu gebrauchen war, dachte ich. Aber ich war so müde und betrunken, dass ich das Gefühl hatte, meine Augen schwämmen da mit – irgendwo in dieser grobstückigen Suppe der über Jahre so sorgfältig angeschafften und parzellierten Individualgegenstände wirbelten sie herum, wie Lotteriekugeln in der Trommel: Ade ihr kleinen Augen, ihr braucht mich jetzt nicht mehr. Viel Glück, treibt davon! In den wenigen Lücken des fast blickdichten Müllteppichs schnappten sie kurze Bilder von einem hageren Typ auf einem Dach auf: Unbeweglich mit gebogenem Rücken wie ein kackender Hund, das Hemd am Körper klebend und mit Gänsehaut von der Hitze auf der weißen muttermalfleckigen Haut stand er da. Ein fleischgewordenes Satzzeichen in dem sinnlosen Gebrabbel des Wassers. «Mach’s gut, Finn», riefen sie mir zu. Ich war so unglaublich müde. Das war der heißeste Sommer seit Jahren. Obwohl mir nichts peinlicher war als mein dünner weißer Oberkörper (vor allem vor der schönen Jütte), zog ich mir das Hemd aus und machte mir daraus den wohl widerlichsten Turban der Welt. Das hätte niemand geahnt, dass die Dächer der Häuser dieser Siedlung mal Inseln wären und als Inseln so unbewohnbar sauber, so glatt, stabil und seelenlos. Obwohl die Menschen um uns her um ertranken: Die deutschen Dächer sangen ihre Lieder in ihrer deutschen Baumarktsprache: Dachziegel, Witterungsschutz, Giebelbekleidung. Da konnte sich nirgends ein «Sterben wie die Fliegen» reinschummeln. Zu unseren Füßen: schrankenloser Realsozialismus des Hausrats. Die Terkels, die mit den Brodersens einen Grabenkrieg um die Grundstücksgrenze geführt hatten, vereinten sich in ihren sich wild verheiratenden Gartengeräten, die von der einen in die andere Garage gespült wurden, wo sie sich zu einer großen Blechdüne auftürmten.“
“Walter and Patty Berglund were the young pioneers of Ramsey Hill—the first college grads to buy a house on Barrier Street since the old heart of St. Paul had fallen on hard times three decades earlier. The Berglunds paid nothing for their Victorian and then killed themselves for ten years renovating it. Early on, some very determined person torched their garage and twice broke into their car before they got the garage rebuilt. Sunburned bikers descended on the vacant lot across the alley to drink Schlitz and grill knockwurst and rev engines at small hours until Patty went outside in sweatclothes and said, “Hey, you guys, you know what?” Patty frightened nobody, but she’d been a standout athlete in high school and college and possessed a jock sort of fearlessness. From her first day in the neighborhood, she was helplessly conspicuous. Tall, ponytailed, absurdly young, pushing a stroller past stripped cars and broken beer bottles and barfed-upon old snow, she might have been carrying all the hours of her day in the string bags that hung from her stroller. Behind her you could see the baby-encumbered preparations for a morning of baby-encumbered errands; ahead of her, an afternoon of public radio, “The Silver Palate Cookbook,” cloth diapers, drywall compound, and latex paint, and then “Goodnight Moon,” then Zinfandel. She was already fully the thing that was just starting to happen to the rest of the street. In the earliest years, when you could still drive a Volvo 240 without feeling self-conscious, the collective task in Ramsey Hill was to relearn certain life skills that your own parents had fled to the suburbs specifically to unlearn, like how to interest the local cops in actually doing their job, and how to protect a bike from a highly motivated thief, and when to bother rousting a drunk from your lawn furniture, and how to encourage feral cats to shit in somebody else’s children’s sandbox, and how to determine whether a public school sucked too much to bother trying to fix it. There were also more contemporary questions, like: What about those cloth diapers? Worth the bother? And was it true that you could still get milk delivered in glass bottles? Were the Boy Scouts O.K. politically?“
Jonathan Franzen (Western Springs, 17 augustus 1959)
Ik ben een breekbaar geval. Neem nu bijvoorbeeld de slagaderkwestie: een hondsdolle hond mag ik niet met de hand, maar moet ik bepaald met een stok van mij afslaan, nogal omslachtig. Verkeer kan ik uitsluitend ontgaan op oversteekplaatsen, met armgezwaai, ’t gevaar in dit geval hangt samen met de weerstand van het skelet. Ik ben, kortom, een wezen dat huist in een nest van koffie, thee en tabak. Daarbuiten ben ik beklaagbaar.
De wind drijft
De wind drijft over de verlaten meren het rimpelspel van een herinnering. Oud wolkgevaarte spiegelt zich. Verloren onderstromen zoeken nu in het riet verheuld in zingen onderkomen.
En sta mij bij: dit is een godsteveel. De volheid van je vrouwenhaar dat in verlangensspeling verdolend rond je rijpe mond haar licht bezwaart - Hoe vind ik, nu dit vers: dauwende neerslag, zich te licht bevond, nog evenwicht?
Jan Emmens (17 augustus 1924 – 12 december 1971) Hier met collega-dichter Chris van Geel (rechts)
David. Zie je. Hoe de laatste paarden van de middag steigeren. Hoe ze in opstand komen. Hoe de vraatzuchtige trompetten triomfantelijk schetteren. Maar ik herinner mij niet meer hoe de dingen een naam krijgen. Ik weet het echt niet meer. De kleren waarin ik verder moet leven vergaan van schande. Nog een engel erbij. Een engel die uitgeput raakt. In het uitgeputte hof van de engelen. David. Zie je. Hoe de laatste paarden in doodstrijd zijn. Hoe zij gehoor geven aan de triomfkreet van de trompet. Zij verkondigen dat er gevlucht moet worden. Het geeft niet waarheen. Het geeft niet naar welk miniatuur-land. Naar welk plan. Of welke luchtspiegeling. Ik wil alleen maar vluchten. Ontsnappen aan de puinhoop van de rampspoed thuis. Als ik hun de gave van het woord kon weigeren. Want zij hebben zoveel gelogen. Zij hebben ons zo verraden. De hoop is zo breekbaar. Zo breekbaar is het beloofde land. De engelen gaan in zwermen in ballingschap. Zij verwerpen het moment van de onthullingen: er is zoveel tegen ons gelogen. En ik ben een gebroken engel die zich door de riolen voort laat rollen. Het smerige water is slechts één enkele vervalste waarheid te midden van vele leugens. Kruimels. Ik benoem alleen kruimels. Het is heel ernstig 37 jaar te worden. En een gebroken engel te zijn. Razend van het wakker liggen en het huilen.
Dolce far niente, Willen van Toorn, Charles Bukowski, Reiner Kunze, Moritz Rinke, Ferenc Juhász, Justus van Maurik
Dolce far niente
Mercatorplein, Amsterdam
Uit: De rivier
“Onze weg liep dood op een soort half plein, waaraan de enorme bakstenen katholieke kerk lag met zijn pastorie en zusterhuis, en daartegenover het broederhuis en een jongens- en meisjesschool, omsloten door hoge muren. De Hoofdweg, een brede weg met bomen die onze weg kruiste, eindigde zowel links als rechts in een plein. Rechts lag het Mercatorplein, links het Surinameplein. Het Mercatorplein was het mooiste plein van de wereld; het had twee vierkante, bakstenen torens met bogen eronder, in het midden een plantsoen met een opgewekt tramhuisje en winkels onder galerijen. Het veel grotere Surinameplein was maar half af; aan de ene kant had je dezelfde galerijen als op het Mercatorplein; ertegenover lag net zo'n tramhuisje middenin een open zandvlakte, onder een groepje populieren. Je vergat nooit dat je aan de rand van de stad woonde. Alle straten die parallel liepen aan onze weg eindigden op een kade van een brede vaart; daarachter lag 'de polder', een gebied van kwekerijtjes met kassen, verbonden door smalle looppaden. Je kon de polder alleen in over hoge, houten bruggetjes die 's nachts met een hek werden afgesloten. Het land van de kwekers lag meters lager dan de stad. Het mooist kon je de ontmoeting tussen stad en polder zien bij de overhaal achter de katholieke kerk; het was een enorme ijzeren installatie, die de roeibootjes waarin de kwekers hun groente naar de stad brachten uit de lage poldervaart tilde en knarsend neerliet in het kanaal dat naar de Centrale Markt leidde. De meeste kwekers waren katholiek, en ze gebruikten hun bootjes niet alleen om hun waren naar de markt te brengen maar, omdat er in de polder geen ander vervoer mogelijk was, ook om voor plechtigheden naar de kerk te gaan. Mijn broers en ik stonden aan de kade en keken hoe complete bruidsstoeten, of een bootje met een doodskist en volgboten vol familieleden in het zwart, of feestelijk geklede families met een huilende dopeling door het ijzeren toestel de stad in werden getild. De Centrale Markt kenden we vanwege de groentewinkel. Af en toe mochten we in de vakantie mee om te kijken. Vaak liepen we erheen, een wandeling van een halfuur door de nog slapende, donkere stad. Mijn vader en Henk waren dan allang op de fiets gegaan. Je kwam op de markt door een hek dat door twee politiemannen werd bewaakt. Wij zeiden dat we voor Hiemstra kwamen en dan mochten we doorlopen. Hiemstra was de man van wie mijn vader de winkel had overgenomen; veel grossiers dachten dat mijn vader een broer van die Hiemstra was en spraken hem zo aan.”
Willem van Toorn (Amsterdam, 4 november 1935) Amsterdam. Postjesweg. Aan deze weg werd Willem van Toorn geboren.
Die dinge hören nur, wenn du sie rufst bei ihrem wahren namen
Getäuscht sein will allein der mensch
Er täuscht sich aus der welt hinaus, die dinge
kennen kein verzeihn
ANTWORT
Mein Vater, sagt ihr, mein Vater im Schacht habe Risse im Rücken, Narben, grindige Spuren niedergegangenen Gesteins, ich aber, ich sänge die Liebe.
Ich sage: Eben, deshalb.
PHILOSOPHIE (für Elisabeth)
Wir ertragen den mittag, wo das steinerne gesetz der ufer die milde des grases walten läßt. Die feuchtigkeit der felsen und das sonnengesprenkel, das aus den blättern fällt, sind salamander, die auf unsren nackten rücken liegen
und dösen. Das wassergras schweigt unzählbare blüten. Der nachbar nagelt um das wörtchen „mein“ vor den erdbeeren einen zaun.
An der Thaya, sagtst du, überkomme dich „undefinierbare sehnsucht“
„Seine Kindheit, das hatte die Baufirma Brüning auch gar nicht mehr zu beschönigen versucht, würde in der Mit-te auseinanderbrechen, eher früher als später, in zwei Teile. Der Westflügel, in dem er mit seiner Mutter und ihrer übermächtigen Liebe groß geworden war, mit seinem Großvater, dem Bildhauer, den man den Rodin des Nor-dens nannte, sowie seiner Großmutter, die jeden Tag nord-deutschen Butterkuchen backte — dieser Westflügel des Hauses würde zuerst absacken und im Teufelsmoor unter-gehen. Dabei würde sich der Ostflügel, in dem der Rest der Familie gelebt hatte, gleichzeitig in die Höhe heben, bis das ganze Haus in der Mitte in zwei Stücke breche. Und dann würde der Ostflügel zurück in den Schlamm fallen und vermutlich früher oder später auch dieser Teil der Fa-milie Kück herabsinken — mit seinen sommersprossigen Johans, den blauäugigen Hinrichs, den Milchkühen und Mördern, dem Schnaps und dem schönen strohblonden Bauernmodell Marie, das noch heute auf dem Bild eines alten Worpsweders wie ein Gespenst erschien. )>Grundbruch«, flüsterte Paul vor sich hin. »Grundbruch« war das Fachwort, das die örtliche Baufir-ma Brüning für solche Katastrophen benutzte. Solch ein Grundbruch hatte sich nicht zum ersten Mal ereignet hier im Norden, in der Tiefebene, in den sumpfigen Wiesen am Rande des Teufelsmoors, wo früher nur Torfbauern lebten und mit braunen Segeln über Flüsse fuhren. Paul stellte einen Stuhl in das Moor und versuchte ru-hig zu atmen, während er die schrägen, rissigen Wände betrachtete und den Westflügel des Hauses, der aussah wie der geneigte Rumpf eines Schiffes. Aus der Ferne hörte er eine Kuh, dann eine weitere aus der Nähe, die der anderen Kuh ein paar Wiesen weiter zu antworten schien. Er spürte, dass auch der Stuhl, auf dem er saß, versank und zog sein kleines schwarzes Notizbuch aus der Hosentasche, »Paul Wendland« stand auf der ersten Seite und seine Handynummer. Eigentlich hieß er »Wendland-Kück«, aber er nannte sich nur Paul Wendland, weil »Kück« sowieso niemand draußen in der Welt verstand. Er schlug eine fitie Seite auf, gleich hinter dem »Hahner-Projekt«. Er schrieb sich all seine Projekte ins Notizbuch, auch die persönlichen Vorsätze, Probleme und ihre möglichen Lösungen; schon seit seiner Kindheit setzte er dem Durcheinander in der Familie Kück und dem allgemeinen Chaos seine Notizen, Listen und Gleichungen entgegen.“
Moritz Rinke (Worpswede, 16 augustus 1967) Hier als acteur in de Duitse speelfilm “September” uit 2003
Forever confusing smoke with weeds, clouds and sky with water.
Born with no lungs, just a blister floating in a cage of splinters, listless fins and hyperthyroid eyes.
Even the smallest fry chase their hunger as boldly as carp — mouths, nostrils, eyes burst on a rising scream like a shoal of bubbles.
A world of nothing but water!
Houses and trees float up like giant bubbles.
THE FLOWER OF SILENCE
The flower of silence fades to grief's huge funeral leaves Don't cry don't scream don't tear me apart with your eyes Don't tie me to the grieving cross with live ropes weeping blood I'm drying up my flesh my glands death is a shimmer of flies
My nerve-tentacles weave through the dripping stars Squeezing and sucking the blood of starfish I'm drunk I'm a mad green eye whirled on the poles of its grief Help me my carnivore mask has eaten away my face
Go back to the forest I heard the song of the stag Silence is every leaf the trees grow noiselessly Peace is a wandering doe the birds are scarlet flowers My heart seed of your heart the flower of silence opens.
Vertaald door David Wevill
Ferenc Juhász (16 augustus 1928 – 2 december 2015)
“Moetje! Grootvader vraagt of u eventjes een knoop aan zijn overjas wil zetten; grootvader wil uitgaan en zijn jas kan niet dicht.’ ‘Och, wat een gezanik met dien ouden man; 'k heb geen tijd, laat me met rust!’ ‘Hè, Moe!’ ‘Grootvader heeft veel te veel noten op zijn zang tegenwoordig; 'k zeg je immers dat ik geen tijd heb, 'k moet eerst den winkel opredderen.’ ‘Och toe, Moetje! doe 't maar even; grootvader wou de deur uit.’ ‘Zeur niet, Keetje; 'k heb je gezegd dat je moet heengaan. Die oude man kan vanmiddag wel uitgaan.’ ‘Hè, Moe!’ Dit gesprek vindt plaats in het voorhuis van de woning van mijnheer en juffrouw Van Reel. Mijnheer Van Reel is stadsreiziger, voor een huis in papier en enveloppen, en zijn vrouw doet een winkeltje in garen, band, knoopen, lint enz. Dat winkeltje bevindt zich in een der achterbuurten der stad, in een hoog, smal huis, een dier perceelen, die alleen voor den eigenaar eenige aantrekkelijkheid kunnen hebben, doch waarin de huurder niet leeft, maar vegeteert. 't Is een ouderwetsch huis; met trappen, waarop zelfs een acrobaat moeite heeft zich staande te houden, en kamers waarin lucht en licht slechts karig doordringen. Alléén door de ramen der voorpui schijnt een somber licht in de vertrekken, want 't huis is ondiep en heeft van achteren een blinden muur. Het bovengedeelte wordt door verschillende huisgezinnen bewoond, en 't onderhuis is aan het echtpaar Van Reel verhuurd, dat met hun negenjarig dochtertje Keetje en den ouden Louwers, juffrouw Van Reel's stiefvader, een achter den winkel gelegen kamer en een klein insteekkamertje in gebruik heeft. Met een knorrig gezicht treedt juffrouw Van Reel den winkel binnen, en bij 't twijfelachtig licht, dat door de beslagen ruiten binnendringt, ontwaren wij eene vrouw van vijf- of zes-en-dertig jaren, met een gelaat, dat ons op den eersten aanblik niet voor haar inneemt. Haar gezicht, misschien eenmaal schoon, is thans mager, vervallen en beenig. De wangen zijn fletsch van kleur, evenals de blauwe oogen, die lusteloos van onder de lange, hoogblonde wimpers rondzien. Het slecht verzorgde blonde haar is met een kam achteloos van achteren opgestoken, en verhoogt den onaangenamen indruk van 't geheel.”
Justus van Maurik (16 augustus 1846 - 18 november 1904) Cover
De Nederlandse schrijver Sander Kok(ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Kok studeerde literatuurwetenschap en kunstgeschiedenis en liep vanaf 2006 een aantal seizoenen shows voor onder meer Armani. Ook speelde Sander Kok in campagnes voor Mercedes, Lacoste en Samsung. Voor zijn modellenwerk woonde hij in New York, Seoul en Milaan. In 2017 debuteerde hij met “de roman “Smeltende Vrouw. Naar aanleiding van het verschijnen van deze filosofische roman werd de schrijver opgenomen in de Jonge Schrijversgids van Vrij Nederland.
Uit: Smeltende vrouw
“De mens spreekt vooral om zijn eigen stem te horen. Hij wil zijn stem horen om te controleren of hij nog deugt. Hij probeert zijn stem zoals een metaalbewerker op een stalen buis slaat om te controleren of ze hol is of massief, terwijl hij wel weet dat ze hol is. De buurmannen Andriessen en Reukens kenden elkaar al jaren, zonder ooit elkaar gesproken te hebben. Volgens Reukens lag dat aan de moderne tijd; de mensen spraken niet meer met elkaar. Als dat anders was geweest, wist hij, zou hij de eerste zijn om aan het gebruik een einde te maken — maar die waarheid hield hij in het onderste van zijn bewustzijn verborgen, als een vies tijdschrift dat onder op de stapel ligt en slechts eens in de zoveel tijd wordt opgepakt. Andriessen vond er niets van, hij hoefde niet zo graag te praten, met niemand eigenlijk, althans niet per se. De toevallige luisteraar was genoeg. Daarbij: hij dacht er niet eens over na. De buurman was zwijgzaam, zoveel was duidelijk, en dat was dat. Als de buurman niet sprak, waarom zou hij dan zelf spreken? Maar Reukens vond het vervelend. Elke keer dat hij Leo Andriessen zag, en ze zich binnen gehoorsafstand van elkaar bevonden, moest hij voorwenden met iets anders bezig te zijn, omdat het vreemd was om nu, na al die tijd, ineens tegen de buurman te praten. In de tien jaar dat Reukens en Andriessen in hun vrijstaande huizen naast elkaar woonden, was het contact nooit verder gekomen dan een klungelig handopsteken van een afstand: een groet in stilte, liefst zonder oogcontact, en in voorgewende drukte uitgevoerd. De echtgenote van de buurman, die door hem 'Bella' werd genoemd, was een slanke veertiger die zich buiten meestal op hoge hakken vertoonde. Ze liep altijd rechtop, de kin iets geheven. Naar de heersende maatstaven, dacht Reukens, was ze waarschijnlijk mooi, maar ze was het tegendeel van de vrouw die hem aantrok. Bella leek hem een barse vrouw. Bars, ja: een woord dat eigenlijk een man paste, maar misschien nog beter bij de agressieve, harde, afgelakte vrouwelijkheid van de buurvrouw. Bij haar man was ze anders. De strengheid in haar gezicht maakte plaats voor spot, maar een milde, haast lieve spot, een angstige spot ook, die zich nooit volledig als spot durfde te uiten. In de buurt van haar man kregen Bella's bewegingen iets afwachtends en als zij dan bewoog, leek de beweging altijd in dienst van zijn wensen te staan.”
Dolce far niente, Nescio, Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter, Leonie Ossowski, Daan Zonderland, Jan Campert
Dolce far niente
Gezicht op het IJ voor Amsterdam, met de overkapping van het Centraal Station door Hobbe Smith, 1913.
Uit: Boven het dal
“We zaten in den avond op ’t terras van ’t Tolhuis en keken over ’t IJ naar de stad. De electrische lampen aan de spoorbaan brandden lila in de hoogte tegen een donkerblauwe lucht. ’t Weerlichtte wat boven de drie spitse torens van de kerk aan de Haarlemmerstraat, onder de kap van ’t Centraalstation hijgde een locomotief, de tram reed brommend over de De Ruyterkade, ’t water golfde verlaten koudblauw met nerveuze, korte en onnoozele golfjes, maakte een zwak geluidje tegen den steenen rand van ’t terras en riekte zwakjes naar dood water. Dicht bij lag, heel stil, het scheepje van visschers, de mast, zonder zeil, stak schraaltjes naar boven tegen de donkere stad, met de punt in een licht stuk licht. ‘k Zag dat ’t scheepje van voren hoog was en van achteren laag en vond ’t aardig, er zoo naar te kijken. ’t Was stillig, er waren weinig menschen. Er was wat geluid van glazen en kopjes, nu en dan, de stad aan den overkant ademde zwakjes en onschuldig en weerkaatste zijn lila engele lichten, die zigzagden in ’t IJ.”
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961) Reguliersbreestraat vanaf Rembrandtplein door Henk Alleman. Nescio werd geboren in de Reguliersbreestraat.
Zij heeft gezegd: ik moest niet wanhopig wezen, het leven zou wel ergens goed voor zijn - en nu zit ik doortrokken van mijn wezen de halve tafelronde van de zee te presideren in het zetelduin.
Boven mij plafondengeltjes van wolken en boven mij de luchter van de dag, voor mij als penhouders of dolken masten die krassen op het tafelblad: schepen en dat zij heeft gelijk gehad.
Talloze stemmen rollen in de schelpen van mijn hoofdhelften en de uitspraak luidt: dubbel en dwars staat zij in het gelijk. Het zijn alleen meeuwen die blanco stemmen. De zee spreekt zich schuimbekkend voor haar uit.
Een mummie van woorden
Geen god vertoonde ooit zijn gezicht
en geen gedicht spreekt onomwonden,
verzegeld verzegeld, egyptisch graf,
zo wacht ik af in al deze regels
of ik zal worden gevonden, verstaan,
een mummie van woorden onder het puin vandaan.
Ja en nee
Op iedere boom schrijf ik ja maar nee op de blaren
in iedere steen schrijf ik nee maar ja over de stad
nee schrijf ik op mijn hart ik schrijf ja over jaren maar nee midden op de dag
nee middaglicht het vale ik schrijf nee op haar haren ik schrijf nee op haar handen maar ja op haar levensloop
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010) Van der Graft ontvangt het eredoctoraat van de Universiteit Utrecht in 1966
Because it hadn't seemed enough, after a while, to catalogue more Christmases, the three-layer cakes ablaze with birthday candles, the blizzard Billy took a shovel to, Phil's lawnmower tour of the yard, the tree forts, the shoot-'em-ups between the boys in new string ties and cowboy hats and holsters, or Mother sticking a bow as big as Mouseketeer ears in my hair,
my father sometimes turned the gaze of his camera to subjects more artistic or universal: long closeups of a rose's face; a real-time sunset (nearly an hour): what surely were some brilliant autumn leaves before their colors faded to dry beige on the aging film; a great deal of pacing, at the zoo, by polar bears and tigers caged, he seemed to say, like him.
What happened between him and her is another story. And just as well we have no movie of it, only some unforgiving scowls she gave through terrifying, ticking silence when he must have asked her (no sound track) for a smile. Still, what I keep yearning for isn't those generic cherry blossoms at their peak, or the brave daffodil after a snowfall,
it's the re-run surprise of the unshuttered, prefab blanks of windows at the back of the house, and how the lines of aluminum siding are scribbled on with meaning only for us who lived there; it's the pair of elephant bookends I'd forgotten, with the upraised trunks like handles, and the books they meant to carry in one block to a future that scattered all of us.
And look: it's the stoneware mixing bowl figured with hand-holding dancers handed down so many years ago to my own kitchen, still valueless, unbroken. Here she's happy, teaching us to dye the Easter eggs in it, a Grecian urn of sorts near which—a foster child of silence and slow time myself—I smile because she does and patiently await my turn.
Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954) Salter ontvangt het eredoctoraat in de letteren van Amherst College in 2010
„Die Treckwagen wirkten beunruhigend. Schon vor Wochen waren die ersten Kolonnen vorbeigezo-gen, aber damals waren sie noch in großen Abständen herangerollt. Man hatte sie bestaunt, denn in der Aufmachung glichen sie eher Zigeunertrupps. Aber mit der Zeit war die Angst gewachsen. Tag und Nacht rumpelten die Räder rechts und links an dem großen Alumnatsgebäude vorbei über den Marktplatz. Das monotone Anrufen der Pferde, das Knarren der Räder, das Heulen fremder Hunde scheuchte die Bürger nachts in den Betten hoch. Jeden Tag schien sich die Hoffnung zu verringern, dass die Flucht nur anderen bestimmt sei. Gerüchte wanderten von Tür zu Tür. Man erzählte, man übertrieb, man schürte die Angst. In den Hinterhöfen, in den Kellern, vor den Nachbarn verborgen, wurden Handwagen und Fahrräder be-packt, denn es war verboten, sich ohne Befehl davonzumachen. Frau Nagold starrte durch die Fenster ihrer Wohnung im obersten Stock des Alumnatsgebäudes. Bis jetzt hatte sie versucht, ihre Fluchtgedanken zu bezähmen. Sie hatte ihre Pflicht als Lehrersfrau im Alumnat erfüllt, sie hatte die Jungen versorgt, sie war in der Küche eingesprungen, als die Kö-chin eines Morgens mit Sack und Pack verschwunden war. Sie hatte sich bemüht, den optimisti-schen Reden des Direktors Jähde Glauben zu schenken, dass Adolf Hitler im richtigen Moment die richtige Waffe einsetzen würde. Aber wo blieb diese, wenn die Treckwagen schon jetzt aus einem Ort kamen, der kaum hundert Kilometer entfernt war? Frau Nagold schloss die Augen. Ganz langsam nahm das Grauen auch von ihr Besitz.“
Leonie Ossowski (Röhrsdorf, 15 augustus 1925) Scene uit de gelijknamige film uit 1980
‘Wat is een paddenlevens doel?’ Peinst vader pad op zijn paddenstoel. ‘Wat is een paddenleven droef,’ Denkt moeder pad op haar paddepouffe. Maar babypad schraapt zijn paddenstrotje En roept luidkeels om zijn paddepotje.
Er staat een boom
Er staat een boom in Nederland Dichtbij het plaatsje Duiven. Daar groeien rode neuzen aan En al die neuzen snuiven.
Zodra het echter winter wordt En het begint te vriezen, Dan worden al die neuzen paars En al die neuzen niezen.
Daan Zonderland (15 augustus 1909 – 5 augustus 1977) Cover
Valer de dagen, die scheem'rend zich bezinnen op wat een sterke zomer brandde aan hun wet, toen d'uren, groeiend tot een rijp en schoon beginnen, den luiden zegen hunner tochten hebben ingezet.
Waar alle nachten als een donker-vreemd gebed stegen tot waar de sterre-steenen winnen hun heimlijk vuur... en aard's gespreide bed verstilt onder d'extaze van een ademloos beminnen...
Valer de dagen... zie, hoe een siddrend ongeduld schrijnender bloeit onder den raadsel-schoonen schijn van droefenis, die àl geluk en leed verhult;
en door de tijden, die geweldloos sterven achter 't avondland, rest enkel nog de steun van hart's vertraagd refrein, dat d'eindloosheid der heem'len over onze oogen spant.
Zwervers-liefde
Gij waart mij immer vreemd en nooit-genegen, enkel het hooren Uwer tred was een solaes voor mij, armzalig hert, dat hunkerend en dwaas, zijn liefden spilt langs nachtelijke wegen.
Zoovele steden zwierf ik - achter het waas, waarmee zij uit de koele kimmen stegen, wist ik de schat der pleinen, strak-gelegen onder de zon, midden der dagen luid geraas.
O stad, gij duistre, die heim'lijke weelden tot relequieën in heur schrijnen werft; voor mij, die zooveel wrange vreugden deelde, wiens wreede hart in menig leven kerft, waart ge een tijdlijk schoon, dat alreê sterft:
balseme kort voor wond, die nimmer heelde.
Jan Campert (15 augustus 1902 - 12 januari 1943) Spijkenisse: De beeldengroep 'Mannetjes op de Krom'