Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
18-06-2017
Vader en zoon (Michel van der Plas)
Bij Vaderdag
Een buitenman en zijn zoon door Traian Biltiu Dancus, 1946
Vader en zoon Vader. Waarom als iemand dat woord zegt kijk ik nog steeds vooruit, niet achter mij? ben ik niet, zoek ik? Het is toch voorbij? jij bent toch in de regen weggelegd?
Wat verwacht ik dan: je hand op mijn hoofd? Waar zou ik moeten komen? ben je daar nog wel, warm woord? Of hebben ze je naar het huis gebracht waarin je hebt geloofd?
Als ik het hoor is het of ik zelf riep. Ik moet al antwoord geven en ik ken nauwelijks de vraag die ik nog altijd ben
Ja, zeg ik, en kijk om. De nacht is diep. Ik weet opeens waarvoor je hebt geleefd: ik draag de naam van wie de dood doorgeeft.
Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013) Den Haag, de geboorteplaats van Michel van der Plas
De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenaresMarije Langelaarwerd geboren op 18 juni 1978 in Goes. In 2000 voltooide ze haar studie aan de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem en nam sindsdien deel aan diverse tentoonstellingen en festivals in binnen- en buitenland. Met Mark Manders runt ze de uitgeverij ROMA Publications. In het voorjaar van 2003 verscheen haar officiële debuutbundel “De rivier als vlakte.” In 2009 volgde “De schuur in”, diewerd genomineerd voor de Jo Peterspoëzieprijs en de J.C. Bloemprijs en werd bekroond met de Hugues C Pernathprijs. Voor haar bundel “Vonkt” ontving zij de Jan Campert prijs 2017 en de Awater Poëzieprijs. De bundel werd ook genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2018.
In het dier
Ik klim in de boom voor het uitzicht een hert komt naderbij om ons te warmen. We spreken hem toe over de stad, buiten de greep van de bladeren. De ogen van het dier openen zich in een weg naar elders we lopen naar binnen het is warm en behaaglijk en zoveel instinct. Mijn man klikt in een poot en begint op en neer, op en neer, en krom en recht, en krom en recht zoveel beweging in mijn man. Het dier accepteert gelaten. Ik loop verder richting hersens, altijd zo gedachtengeoriënteerd. Ik kom terecht in een ijle substantie. Ik zie hier de varianten van het dier. Kortpotig of juist lang, met of zonder hoorns, verlengde tong, ingegroeide hoeven de mogelijkheden zijn eindeloos. het dier gorgelt. Te lang ronddraven is nooit goed dus glijd ik weer naar beneden waar mij man inmiddels in de staart de lucht rond het dier circuleert. Mijn man is zo speels het verwondert mij. We lopen eruit. Het dier schudt zich. We aaien zijn rug en keren weer terug naar de auto
De hoeder van mijn oude eenzaamheid
De hoeder van mijn oude eenzaamheid schudt aan de tafel
een wilde dans is gestopt wat nu nog moet wordt afgerond
willoze twijgen in het gedoofde venster de kop van de helling bezwijkt
de andere wereldhelft zal stonds ontwaken
ik leg mij neer in de opalen schijnsels de roep van dieren komt tot de deur
zacht zal ik straks belijden wat nu nog komt dat hoeft niet meer
“Was soll ich Ihnen schon sagen? Ich bin ja nur ein kleines, ein winziges Schräubchen im Getriebe. Ich will das gar nicht verschweigen, o nein! Aber auch so kann man eine schöne Stange Geld verdienen und sein Glück machen, nicht wahr?« Der etwas stockige, untersetzte Mann musterte sein Gegenüber. »Wir versuchen doch alle nur, auf der goldenen Kugel zu tanzen, ganz egal, wie und wohin sie rollt«, sprach er rasch weiter, und dann hob er neuerlich den Blick, den er für einen Moment zu seinen auf dem Tisch liegenden Händen gesenkt gehabt hatte. »Haben Sie Kinder?«, fragte er unvermittelt. »Das ist doch nicht Ihr Ernst, Herr Weill!«, rief sein Gegenüber da aus, ein noch jugendlich wirkender, schwarzhaariger, elastischer Mensch, der in einem guten, blauen Tuchanzug steckte und bisher stillgehalten hatte: »Wollen Sie mich verarschen?!« Er brachte die Worte mit hartem, slawischem Akzent vor. »Aber nein!«, beteuerte darauf der so Angesprochene, sein feistes Gesicht lief jetzt noch mehr an, es war ohnehin schon von roten Flecken übersät gewesen — und dann brach er in ein leutseliges, ja in ein gutmütig breites Lachen aus. »Es geht doch nicht um uns, keineswegs«, meinte er, die Stimme dämpfend, in jener Tonart, die dem Flüstern näher ist als der normalen Stimmlage, der Kellner im Hintergrund hatte, die über den Arm gelegte Serviette zurechtrückend, wegen des lauten Gelächters schon missbilligend herübergeschaut: »Das Spielchen dreht sich doch nicht um uns! Worum dreht sich's denn, na? — Um die Zukunft natürlich, um diese wunderschöne Fee!« Die Szene spielte im CaM IMPERIAL in Wien, in jenem prächtig inszenierten Raum, der auf die Ringstraße hinausgeht, die beiden Herren saßen auf der gepolsterten Bank, die an der Wand entlangführt und mit kleinen Marmortischen bestückt ist. Gerade oberhalb der Herren und ihrer Köpfe hing eine märchenhaft aufgefasste Alpenlandschaft in schwerer Goldrahmung, auf dem Tischchen vor ihnen standen Tassen samt halb vollen Wassergläsern, die Sonne schien hell durch die großen Fenster, der im Hintergrund postierte Kellner hatte sich beflissen am Kuchenbüfett zu schaffen gemacht. Nur wenig Leute da! Wenig Kundschaft! — Es ist ja auch erst elf Uhr, dachte Weill, sein Blick hatte dabei seine Armbanduhr kurz gestreift. Jetzt sitze ich schon eine geschlagene Stunde mit dem Trottel herum, und nichts geht weiter. »Wissen Sie was? Ich will Ihnen etwas erzählen. — Es war einmal ein kleiner Junge«, hob er an und unterdrückte dabei mit forscher Miene jeden etwa aufkeimenden Protest, »die Familie stammte aus einem abgelegenen Nest in der Westschweiz her, wo sie sich seit Generationen mehr schlecht als recht mit dem Uhrmachen durchgebracht hatte.“
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)
De Algerijnse schrijver en journalist Kamel Daoudwerd geboren op 17 juni 1970 in Mostaganem, Algerije. Zie ook alle tags voor Kamel Daoud op dit blog.
Uit: Moussa, of de dood van een Arabier(Vertaald door Manik Sarkar)
“Ja, ja, ik weet het, je popelt om me al die vragen te stellen waar ik zo’n hekel aan heb, maar toch verzoek ik je om aandachtig te luisteren; dan zul je alles uiteindelijk begrijpen. Dit is geen gewoon verhaal. Het is een verhaal dat begint aan het einde en teruggaat naar het begin. Als een school zalmen ja, maar dan getekend met potlood. Ongetwijfeld heb je het verhaal net als iedereen gelezen zoals die schrijver het heeft opgeschreven. Hij schrijft zo goed dat zijn woorden op eindeloos nauwkeurig uitgehakte stenen lijken. Hij was heel strikt met schakeringen, die held van jou; hij dwong ze haast om wiskunde te zijn. Oneindige berekeningen op basis van stenen en mineralen. Heb je gezien hoe hij schrijft? Hij beschrijft een schot en het is haast poëzie! Zijn wereld is helder, duidelijk en precies, geciseleerd door de heldere ochtend, geschetst met geuren en vergezichten. De enige schaduw zijn de ‘Arabieren’, onduidelijke, onsamenhangende objecten, afkomstig ‘van voorheen’, spoken met als enige taal de klank van een fluit. Ik denk dat hij er genoeg van had om rond te moeten zwerven in een land dat hem – dood of levend – niet wilde. De moord die hij beging was als de daad van een geliefde, bedrogen door de grond die hij niet kon bezitten. De stumper – wat moet hij geleden hebben, als kind van een oord waaruit hij niet was geboren! Ook ik heb zijn versie van de feiten gelezen. Net als jij en miljoenen anderen. Vanaf het begin is het meteen glashelder: hij droeg een mensennaam, mijn broer de naam van een gebeurtenis. Hij had hem ook ‘Veertien Uur’ kunnen noemen, zoals die ander, die zijn slaaf ‘Vrijdag’ noemde. Een moment van de dag in plaats van een dag van de week. Veertien Uur, ja, dat klinkt niet gek. Zjoezj in het Arabisch, twee, het tweetal, hij en ik, voor degenen die het verhaal van dit verhaal kennen in zekere zin een onvermoede tweeling.”
“It was hard to imagine the icy water thawed and re-sealing, or the sky returning to a lively blue. She had a sense of contraction, of huddling against the weather. Later, it figured in her mind as Stalinist classicism, the wind tunnel of the vast and inhuman Karl-Marx-Allee, and the shapes of people in padded jackets bending against the cruel air. A scene from Eisenstein, perhaps, with a gelid lens and the special effects of monumental vision, swollen by an aerial view and historical misery. Black outlines on white snow, impersonality, extinguishment. Exaggeration of this kind was irresistible. In that early, fierce cold, Berliners coped better.” (...)
“We are all shits, my friends. We are all literary snobs in this vicarious little room of our own, dilettantish, smug, hidden from the fucked-up world. We are enslaved to the folly and the whirlpool of our own obsessions. Where is now rather than our own deeply intoxicating pasts? Where is Lampedusa, where is the tragedy of others? What do we think of a man playing "Nessun Dorma" on a saw in the shadows of a U-station? The lost homeless in Kreuzberg, the drug pushers in Gorlitzer Park, the illegally immigrant prostitutes, freezing their arses at Hackescher Markt? And all the other foreigners, wretched foreigners, who don't have wine and company? Why do we meet for this writer who laments his lost Russia, when losses are everywhere? We adore him because we find some cracked mirror there, we think that words will save us, that a fine description will drag us away from our own disappointments, and offer consolation, or explanation, or the return of a disappeared father. We want to cancel our nothingness with his vigour of incarnation, we want to believe, truly believe, in literary salvation. Who else tells us that a twig reflected in a puddle is worthy of our notice? That it looks like an undeveloped photograph, that it symptomises something inside us, that it reminds us of the entanglements of words and things and reflections; that we must all notice the withering as well as the blossoming; and that immortal gesture is always present and exists inside the world...”
Gail Jones (Harvey, 17 juni 1950)
De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.
Ladies And Gentlemen In Outer Space
Here is my philosophy: Everything changes (the word "everything" has just changed as the word "change" has: it now means "no change") so quickly that it literally surpasses my belief, charges right past it like some of the giant ideas in this area. I had no beginning and I shall have no end: the beam of light stretches out before and behind and I cook the vegetables for a few minutes only, the fewer the better. Butter and serve. Here is my philosophy: butter and serve.
Grasshopper
It's funny when the mind thinks about the psyche, as if a grasshopper could ponder a helicopter.
It's a bad idea to fall asleep while flying a helicopter:
when you wake up, the helicopter is gone and you are too, left behind in a dream,
and there is no way to catch up, for catching up doesn't figure
in the scheme of things. You are who you are, right now,
and the mind is so scared it closes its eyes and then forgets it has eyes
and the grasshopper, the one that thinks you're a helicopter, leaps onto your back!
He is a brave little grasshopper and he never sleeps
for the poem he writes is the act of always being awake, better than anything
you could ever write or do. Then he springs away.
Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)
De Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck(pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.
Uit: Mulisch, onze man in Havana
“In een twistgesprek met W.F. Hermans, dat eind '69 door De Haagse Post gepubliceerd werd, verklaarde Mulisch naar aanleiding van zijn Cuba-boek: ‘Voordat ik daarheen ging, hing er over Nederland een zwijgen, wat dat eiland betreft. En ik vlei me met de illuzie, dat ik daar iets aan gedaan heb. Cuba is nu iets in Nederland...’. Deze uitspraak stemt me een beetje treurig, omdat ze inderdaad bewijst dat Mulisch zich vleit met een illuzie: voor zover ik dit kan beoordelen ziet het er niet naar uit, dat Mulisch' ‘Oratio pro Castro’ de onverschilligheid van het Nederlandse volk ten opzichte van de Cubaanse realiteit heeft doorbroken. Hoewel ik, wat de algemene standpunten in het twistgesprek betreft, geneigd ben me eerder achter dat van Mulisch op te stellen dan achter dat van Hermans, kan ik Hermans moeilijk ongelijk geven waar hij tegen Mulisch zegt: ‘Je bent ontzettend misleid als je denkt dat de mensen in Nederland zich écht interesseren voor dat soort dingen’. Al slaat Mulisch in zijn boek meer dan ééns de spijker op de kop, al onthult hij achtergronden en legt hij verbanden die van aard zijn om de gemiddelde Nederlander uit zijn gelukzalige sluimer te wekken, erg veel bekeringen zal dit nochtans indrukwekkende geschrift (helaas) niet maken, omdat Mulisch (of wie dan ook) met een getuigenis als dit nu eenmaal de gemiddelde Nederlander - d.w.z. de in zijn geijkte denkpatronen vastgeroeste burger - niet bereikt, omdat hij tenslotte met een boek als ‘Het woord bij de daad’ alleen maar de gemoederen in beweging kan brengen van degenen wier gemoederen voordien al in beweging waren, m.a.w. omdat hij zowel door de inhoud als door het niveau van zijn boek op een publiek mikt van linkse medestanders. Wat waarschijnlijk het lot is van alle geëngageerde boeken. Als een auteur met een al dan niet geëngageerd boek aan een bestaande situatie ‘iets zou kunnen doen’, zoals Mulisch zegt, dan vraag ik me af waarom de zoveel grotere en bredere stroom van Vietnam-informatie van de laatste tien jaar niet veel méér heeft teweeggebracht dan het machteloze verzet van een grommende minderheid. Wellicht bedoelt Mulisch dat hij zijn landgenoten bewust heeft gemaakt van wat er in Latijns-Amerika, en in het bijzonder op Cuba, gaande is, en ik zou willen dat het waar was, dat hij daar inderdaad in geslaagd was, maar ik geloof het jammer genoeg niet.”
Wie mij wenen hoort of klagen, Vraag mij niet waarom. Voog'len zingen in de hagen Vinden alles wat zij vragen; Maar mijn smart is stom.
Volg mij niet, als het hart, in duister Sombre beelden kweekt; Eng'len dalen dan vol luister, Brengen mij met zoet gefluister, Wat mijn ziel ontbreekt.
Laat mij eenzaam zijn in 't leven Eenzaam met mijn smart; En als vreugde u mag omzweven Zij alleen de rust gegeven Aan 't gebroken hart.
Adriaan van der Hoop jr (17 juni 1802 - 4 november 1841)
Uit: Der Herbst, in dem ich Klavier spielen lernte
„22. September Ich lerne Klavier spielen. Was dieser Satz bedeutet, weiß ich noch nicht. Es gefällt mir, das nicht zu wissen. Dagegen verwirrt mich, was er früher bedeu-tet hätte. Meine Großeltern hatten ein Klavier, ein schwarzes, die väterlichen Großeltern, bei den müt-terlichen gab es nicht mal ein Schifferklavier, sondern eine Quetschkommode, aber immer einen der vielen Onkel oder älteren Vettern, die uns damit verzaubern konnten. Auf der väterlichen Seite stand das Klavier, es gab nur einen, der es spielte, und den konnte ich ebenso wenig leiden wie die An, wie er das Klavier spielte. Er war der ältere Bruder meines Vaters und von Statur genauso pompös, wie er in die Tasten griff. In den Kriegsjahren haben wir ihn dort zu Weihnach-ten spielen gehört, nachdem ich eine gute Wegstunde auf einem Schlitten durch den Winter gezogen wor-den war. Mein Vater war einer, der nicht Klavier spielte, aber gern fotografiert hat, darum nehme ich an, dass er das Bild aufgenommen hat, das mich auf dem Schlitten zeigt, und stelle mir vor, dass er den Schlitten nur kurz an meine Mutter abgegeben hat, um uns zu fotografieren. Er war seit Mai 194o Soldat und hatte Weihnachtsurlaub. Die Ehe meiner Eltern hat den Krieg nicht über-standen, im Herbst kam ich in die Schule, und von da an habe ich die Großeltern nur noch allein be-sucht, um meinen Vater zu treffen oder um eine Fe-rienwoche auf dem Dorf zu verbringen. Im Hühner-hof konnte ich auf der Schaukel sitzen, in der Stube mit dem Klavier spielen, mit viel Neugier und wenig Erfolg, und bei seltenen Gelegenheiten dem uner-freulichen Onkel beim Klavierspielen zuhören. Das Musikmachen hat mich angezogen, das Pompöse ab-gestoßen. Mein Großvater war Hauptlehrer an einer vier-klassigen Dorfschule, darum wohnte er mit seiner Familie in der an die Schule angebauten Wohnung, einer Wohnung mit größeren Räumen als damals üb-lich, und höher waren sie auch. Darum hatte er ein Klavier. Meine Freude an dem Instrument gefiel ihm so sehr, dass er versprach, ich würde es später einmal er-ben. Seitdem sind mehr als sechzig Jahre vergangen, ich habe vieles gelernt und erlebt, nicht aber, wie es ist, Klavier spielen zu lernen. Das will ich jetzt. Gestern hat mein Liebster mir sein Klavier ge-bracht. Das war traurig, denn er kann es nicht mehr brauchen, weil seine Hörnerven so nachgelassen ha-ben, dass er Töne nur noch falsch hört.“
Hanna Johansen (Bremen, 17 juni 1939)
De Nederlandse dichter en schrijver Max Dendermonde (pseudoniem van Hendrik Hazelhoff) werd geboren op 17 juni 1919 in Winschoten. Zie ook alle tags voor Max Dendermonde op dit blog.
Uit: De wereld gaat aan vlijt ten onder
“Eind September zou dat weer anders zijn. Ofschoon...: wat was eigenlijk ànders? In Oaklake roken de dennen precies zo. Zolang zijn wereld deze vrije, zorgeloze geur had, deed het er weinig toe waar hij was, in de kussens van een oude Willys Overland of in een hangmat in Oaklake. Het ging om het dolce far niente. Alleen: in Oaklake was de wereld - ondanks het feit dat hij er zich moest scheren - zelfs nog vrijer en zorgelozer. Oaklake was een beetje zijn thuis, een wereld zonder haast. Oaklake was een blauw vandaag, waardoor de uren wegdreven als witte, doelloze wolken. Het was een zomaar zijn, niet een willen hebben. Alec vond het een mooie dag, een bijna volmaakte dag. Alleen was er misschien iets te weinig tekening in de hemel. Hij zei tegen meneer Dall: ‘Jammer dat er niet wat meer wolken zijn’. Meneer Dall keek niet-begrijpend, haast een beetje verstoord. Had hij het verkeerd verstaan? Die Weatherwood zei soms van die rare dingen. Wat ging er om in die man? Eric T. Dall begreep het niet. Hijzelf had juist nagedacht over de mogelijkheid nog maar weer eens een nieuwe lezing in elkaar te zetten, iets over Zuid-Afrika misschien. Dat was niet ongunstig nu de kranten steeds maar schreven over Malan en de apartheidspolitiek. Hij had zich afgevraagd, welke boeken hij daarover zou moeten lezen en wie hem daarbij zou kunnen helpen. Zuid-Afrika, ja, dacht hij, een mooi onderwerp voor de winter. Hij glimlachte tevreden. Meneer Dall dacht altijd vooruit. Hij was de wolken alweer vergeten. En zo reden ze door, kalmaan, er gebeurde niets. Maar een kwartier later stopten ze; er stond op de lange, eenzame weg een man te zwaaien naast een oude Chevrolet, die scheef hing op een krick onder de achteras. ‘En?’, vroeg meneer Dall door het raampje op de toon van een man die door tijdgebrek weinig hulp te bieden heeft. De man keek hem hard grijnzend en gom-kauwend aan. Het was een lange, blonde man in een grijs pak; een grijze hoed plakte achter op zijn hoofd. Uit zijn borstzakje staken een vulpotlood en een vulpen.”
Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004) Cover
My heart be brave, and do not falter so, Nor utter more that deep, despairing wail. Thy way is very dark and drear I know, But do not let thy strength and courage fail; For certain as the raven-winged night Is followed by the bright and blushing morn, Thy coming morrow will be clear and bright; ’Tis darkest when the night is furthest worn. Look up, and out, beyond, surrounding clouds, And do not in thine own gross darkness grope, Rise up, and casting off thy hind’ring shrouds, Cling thou to this, and ever inspiring hope: Tho’ thick the battle and tho’ fierce the fight, There is a power making for the right.
Venus In The Garden
'Twas at early morning, The dawn was blushing in her purple bed, When in a sweet, embowered garden She, the fairest of the goddesses, The lovely Venus, Roamed amongst the roses white and red. She sought for flowers To make a garland For her golden head.
Snow-white roses, blood-red roses, In that sweet garden close, Offered incense to the goddess: Both the white and the crimson rose.
White roses, red roses, blossoming: But the fair Venus knew The crimson roses had gained their hue From the hearts that for love had bled; And the goddess made a garland Gathered from the roses red.
James Weldon Johnson (17 juni 1871 – 26 juni 1938)
Sons of the South, awake! arise! Sons of the South, and do. Banish from under your bonny skies Those old-world errors and wrongs and lies. Making a hell in a Paradise That belongs to your sons and you.
Sons of the South, make choice between (Sons of the South, choose true), The Land of Morn and the Land of E'en, The Old Dead Tree and the Young Tree Green, The Land that belongs to the lord and the Queen, And the Land that belongs to you.
Sons of the South, your time will come – Sons of the South, 'tis near – The "Signs of the Times", in their language dumb, Fortell it, and ominous whispers hum Like sullen sounds of a distant drum, In the ominous atmosphere.
Sons of the South, aroused at last! Sons of the South are few! But your ranks grow longer and deeper fast, And ye shall swell to an army vast, And free from the wrongs of the North and Past The land that belongs to you.
The Day Before I Die
There's such a lot of work to do, for such a troubled head! I’m scribbling this against a book, with foolscap round, in bed. It strikes me that I’ll scribble much in this way by and by, And write my last lines so perchance the day before I die.
There’s lots of things to come and go, and I, in careless rhyme, And drink and love (it wastes the most) have wasted lots of time. There’s so much good work to be done it makes me sure that I Will be the sorriest for my death, the day before I die.
But, lift me dear, for I am tired, and let me taste the wine— And lay your cheek a little while on this lined cheek of mine. I want to say I love you so—your patient love is why I’ll have such little time, you know, the day before I die.
Henry Lawson (17 juni 1867 – 2 september 1922) Portret door Sir John Longstaff, 1900
Ich kann den Blick nicht von euch wenden; Ich muß euch anschaun immerdar; Wie reicht ihr mit geschäft'gen Händen Dem Schiffer eure Habe dar!
Ihr Männer, die ihr von dem Nacken Die Körbe langt, mit Brod beschwert, Das ihr, aus deutschem Korn gebacken, Geröstet habt auf deutschem Herd;
Und ihr, im Schmuck der langen Zöpfe, Ihr Schwarzwaldmädchen, braun und schlank, Wie sorgsam stellt ihr Krüg' und Töpfe Auf der Schaluppe grüne Bank!
Das sind dieselben Töpf' und Krüge, Oft an der Heimath Born gefüllt; Wenn am Missouri Alles schwiege, Sie malten euch der Heimath Bild;
Des Dorfes steingefaßte Quelle, Zu der ihr schöpfend euch gebückt, Des Herdes traute Feuerstelle, Das Wandgesims, das sie geschmückt.
Bald zieren sie im fernen Westen Des leichten Bretterhauses Wand; Bald reicht sie müden braunen Gästen, Voll frischen Trunkes, eure Hand.
Es trinkt daraus der Tscherokese, Ermattet, von der Jagd bestaubt; Nicht mehr von deutscher Rebenlese Tragt ihr sie heim, mit Grün belaubt.
O sprecht! warum zogt ihr von dannen? Das Neckarthal hat Wein und Korn; Der Schwarzwald steht voll finstrer Tannen, Im Spessart klingt des Aelplers Horn.
Wie wird es in den fremden Wäldern Euch nach der Heimathberge Grün, Nach Deutschlands gelben Weizenfeldern, Nach seinen Rebenhügeln ziehn!
Wie wird das Bild der alten Tage Durch eure Träume glänzend wehn! Gleich einer stillen, frommen Sage Wird es euch vor der Seele stehn.
Der Bootsmann winkt! - Zieht hin in Frieden! Gott schütz' euch, Mann und Weib und Greis! Sei Freude eurer Brust beschieden, Und euren Feldern Reis und Mais!
Ferdinand Freiligrath (17 juni 1810 – 18 maart 1876) Portret door Johann Peter Hasenclever, 1851
Der Alte stolpert weiter durch den Schnee. Da schreit es wieder und er zweifelt nicht mehr länger , denn diese Böe, die wie einen Turm aus Schnee den Wald durchpfeift, trägt ein Wort, ein klares Wort vorbei; und jäh sucht er , woher es kam, seinen Weg tiefer in den Wald kämpfend und tiefer in den Schnee und in die Nacht, die s ich wie eine dunkle Felswand gegen jeden seiner Schritte stellt, den Schnee durchscheinend, als ob der ganze weite Wald er füllt gewesen sei von fliegend flatternd weißen Geistern, die auf seinem Wege heulten, auf luftigen Zehen sich zeigend, um dann zwischen Stämmen zu verschwinden. Doch der Alte kämpft sich weiter durch den Sturm, er wandert wenn es tost, wenn es verstummt verschnauft er , horcht auf sein Knie. Doch jäh springt er auf und geht ins Dunkel, wie ein Zwerg bahnt er sich, durch Farne, Moos . ... Er hör t nichts mehr . Den Alten fröstelt bei dem Gedanken, dass böse Geister mit ihm spielen, und murmelt vor ich hin, die Gebete, die er kennt. Da wimmert es erneut ganz nah bei ihm; obwohl der Wind ihm seinen Schrei zurückdrückt in den Rachen. Aber hier, ja hier !
Henrik Wergeland (17 juni 1808 – 12 juli 1845) Standbeeld in Oslo
De Amerikaanse schrijver en journalist John Herseywerd geboren op 17 juni 1914 in Tientsin in China. Zie ook alle tags voor John Hersey op dit blog.
Uit: Hiroshima
“The two key symptoms, on which the doctors came to base their prognosis, were fever and the lowered white-corpuscle count. If fever remained steady and high, the patient's chances for survival were poor. The white count almost always dropped below four thousand; a patient whose count fell below one thousand had little hope of living. Toward the end of the second stage, if the patient survived, anaemia, or a drop in the red blood count, also set in. The third stage was the reaction that came when the body struggled to compensate for its ills—when, for instance, the white count not only returned to normal but increased to much higher than normal levels. In this stage, many patients died of complications, such as infections in the chest cavity. Most burns healed with deep layers of pink, rubbery scar tissue, known as keloid tumors. The duration of the disease varied, depending on the patient's constitution and the amount of radiation he had received. Some victims recovered in a week; with others the disease dragged on for months. As the symptoms revealed themselves, it became clear that many of them resembled the effects of overdoses of X-ray, and the doctors based their therapy on that likeness. They gave victims liver extract, blood transfusions, and vitamins, especially B1. The shortage of supplies and instruments hampered them. Allied doctors who came in after the surrender found plasma and penicillin very effective. Since the blood disorders were, in the long run, the predominant factor in the disease, some of the Japanese doctors evolved a theory as to the seat of the delayed sickness. They thought that perhaps gamma rays, entering the body at the time of the explosion, made the phosphorus in the victims' bones radio-active, and that they in turn emitted beta particles, which, though they could not penetrate far through flesh, could enter the bone marrow, where blood is manufactured, and gradually tear it down.”
“23.8.1941 Am Samstag machte ich einen sehr schönen Fussmarsch von St. Germain nach Versailles, allein mit einer Lunchtüte. 10km lang durch völlig menschenleere Park- und Forstlandschaft. [...] Mir persönlich am Liebsten ist Fontainebleau. Einige schöne Ausflüge nach Fontainebleau, von dem ich gar nicht genug bekommen kann. Sonntag wahrscheinlich wieder nach Rouen. Sonntag ein erneuter Abstecher nach Rouen, zusammen mit Z, der es noch nicht kannte. Von dieser Stadt kann ich einfach nicht genug bekommen. Leider hatte ich bisher immer mit dem Wetter Pech. Beängstigend ist die Verelendung der Stadt durch Zerstörungen und Arbeitslosigkeit. Völlig mittelalterliches Bettlerelend, [...] Wiedersehen mit Chartres wurde jüngst auch zelebriert, ohne Glasfenster und Skulpturen. Eine der wenigen Städte, die nichts abgekriegt hat. – Ich hoffe noch auf einen schönen letzten Sonntag in Fontainebleau.“
Felix Hartlaub (17 juni 1913 – begin mei (?) 1945)
Monte Carlo, Ende April – üppig blühende Blumenbeete, die aus smaragdgrünem Rasen herauslachen – Palmen mit braungeschuppten Stämmen und etwas zerzausten, graugrünen Blätterkronen, die sich gegen einen türkisblauen Himmel abheben, glitzernde Glasbauten, phantastische Gebäude jeder Art, alle freundlich einladend, bunt bewimpelt, dazwischen herumwandelnd Menschen, die eine Spur zu auffallend gekleidet sind und auf der Welt nichts zu tun haben, als sich zu unterhalten, – in der Luft ein Geruch von Rosen, Pittosporum und frischgewässertem Rasen – dazu ein Singen und Seufzen von Waldteufelschen Walzermelodieen – der schönste Fleck auf Erden, ein Stück Paradies, das der Teufel in Pacht genommen hat, um sein tollstes Unwesen darauf zu treiben – das ist Monte Carlo – Monte Carlo, wie es zwei junge Leute aus der verglasten Galerie des Hotels de Paris erblicken, wo sie, an einem kleinen, mit einladendster Sauberkeit und Präzision gedeckten Tischchen sitzend, auf ihr soeben bestelltes Frühstück warten und indessen an den Horsd'oeuvres naschen, die der Oberkellner vor sie hingestellt hat. Beide derselben gesellschaftlichen Sphäre und demselben Beruf angehörend, beide Diplomaten, wie es bereits im Fremdenbuch des Hotels de Paris eingetragen stand, waren sie doch gänzlich verschieden in Nationalität, Neigungen und Charakter. Der eine – er mochte um ein paar Jahre mehr zählen als sein Kollege – hatte dunkles, über der Stirn bereits gelichtetes Haar, feine, aber einigermaßen ermüdete Züge, einen hoch hinaufgezwirbelten Schnurrbart, ein Monocle im linken Auge und etwas überlegen Weltmännisches, Blasiertes im ganzen Wesen. Er war ein Preuße mit einer russischen Fürstin zur Mutter und hieß Gerhard von Siehrsburg; der andere, ein junger Riese mit kurzgestutztem, krausem, blondem Haar, schöngeschnittenem, sonnverbranntem Gesicht, dunkelblauen Augen und frischen, roten Lippen, zwischen denen, wenn er lächelte, zwei Reihen kerngesunder, weißer Zähne hervorblitzten, war der Sohn einer Engländerin und eines Österreichers und hieß Friedrich Graf Ulenberg. Seine Freunde nannten ihn Freddy.”
Ossip Schubin (17 juni 1854 – 10 februari 1934) Portret door Karl Gussow, ca. 1887
De Nederlandse dichter, schrijver en programmamakerTom Hoflandwerd geboren in Apeldoorn in 1990. Hofland studeerde van 2010 tot 2014 Writing For Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht waar hij les kreeg van onder andere Don Duyns en P.F. Thomése. Sinds 2015 maakt hij programma's voor zowel radio als internet voor de VPRO. Daar maakte hij onder andere met schrijver Pascal van Hulst een vierdelige webserie genaamd Heemennekes en Hellehonden over Nederlandse sagen. In 2016 maakte hij met radiomaker Jair Stein de aflevering Hoe een goed mens te zijn voor het radioprogramma Het leven, een gebruiksaanwijzing. De serie wordt sinds 18 september 2016 uitgezonden als onderdeel van RadioDoc op NPO Radio 1 en gepubliceerd als podcast. Artikelen, korte verhalen en columns van zijn hand zijn verschenen op weblogs als Hard//hoofd en Bedrock Magazine en op de website van De Gids. In 2017 verscheen zijn debuutroman “Lyssa”. In 2011 belandde Hoflands gedicht “Vogels” in de top 20 beste gedichten van Nederland en Vlaanderen uit 2011, volgens de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Het gedicht werd zodoende gepubliceerd in de bloemlezing De Toverhazelaar bij Uitgeverij Augustus. In 2017 won Hofland het C.C.S Crone Stipendium voor beloftevolle Utrechtse schrijvers.
Uit: Lyssa
“De trein naar Mestopes. Ik vertrek vanaf een verlaten perron en vermoed dat ik misschien wel de enige reiziger aan boord ben. We minderen vaart; de stad nadert- De nacht ligt als een warme deken over het land en alles lijkt te slapen, mens en dier. De trein is het enige teken van leven in dit machtige landschap. Buiten is het aardedonker, maar in een spookachtig licht herken ik de bergen die een halve cirkel rondom Mestopes vormen. Daar in die magistrale natuur heb ik mijn militaire training ondergaan: slapend in grotten, ons ondergoed wassend in beekjes en kou lijdend onder de sterren. Ik studeerde taalkunde in Mestopes, maar na mijn eer-ne jaar, op mijn achttiende, werd ongelukkig genoeg de dienstplicht ingevoerd en werd ik onvoorbereid uit het klaslokaal geplukt. Nu ben ik gestationeerd in de suffe garnizoensplaats Határ, waar ik met mijn bataljon de nobele taak toebedeeld heb gekregen de grens van het rijk te bewaken. Let wel: een grens die niemand in honderd jaar heeft geprobeerd over te steken, dus wij vermaken ons met paardrijden, schermen en lange avonden in het koffiehuis. Heel soms, als we ons geld niet vergokt of verbrast hebben, gaan we opgedirkt te paard naar de dichtstbijzijnde grote stad, Dosada, om dan vervolgens daar ons geld te vergokken of te verbrassen. Het is de verandering van omgeving die onze versufte koppen als koud water om de oren slaat. Het leger heeft mij nooit aangetrokken: ik voelde me er het eerste jaar wanhopig misplaatst. Ik had zelfs plannen gesmeed om de grens over te steken en te deserteren. Op de middag van mijn geplande vertrek (de koffers waren al gepakt, ik zou een paard meenemen en in de nacht verdwijnen) werd ik door mijn overste naar zijn kamer geroepen en, tussen de koffie en de koek door, benoemd tot tweede luitenant. Rood aangelopen stamelde ik mijn bedankje en maakte me uit de voeten. Hoe of waarom ze mij kozen is nog altijd een mysterie. Ik pakte met knikkende knieën mijn koffers weer uit en besloot het even aan te zien. De iets hogere soldij die ik zou ontvangen zou mijn leven aan de kaarttafel in ieder geval vergemakkelijken. Na een aantal weken begon ik mij prettig in mijn rol te voelen. Ik kreeg een nieuw uniform aangemeten zonder scheuren en een oude maar keurig opgepoetste officiers-sabel waar ik al snel trots op werd.”
De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer werd op 16 juni 1981 in Blackheath, een voorstad van Kaapstad, geboren. Vanaf haar derde groeide ze op bij haar grootouders in Grabouw, een dorp 20 km buiten de stad, die daar op een fruitboerderij woonden en werkten. Op haar dertiende ging ze weer bij haar ouders wonen in Eersterivier, een township op de Kaapse Vlakte, waar zij ook de middelbare school doorliep. Ze heeft gewerkt als verpleegster en administratief medewerkster. In 2010 verwierf ze een beurs voor een honneursstudie aan de Universiteit van de Westkaap (Universiteit van Wes-Kaapland), waar ze o.a. les kreeg van Antjie Krog. Zij begon op tienjarige leeftijd met het schrijven van gedichten. Haar grootvader heeft een belangrijke rol gespeeld in haar ontwikkeling als dichter. Hij vertelde haar vele verhalen, vooral over zijn jeugd en de geschiedenis van de kleurlinggemeenschap waar hij toe behoorde. De gedichten in haar eerste bundel Noudat slapende honden (2008) handelen over het dagelijkse leven op de Kaapse Vlakte. In haar dichtbundel grond/Santekraam (2011) vertelt ze het verhaal van haar familie en de wereld waaruit deze met geweld verdreven werd. Een derde bundel verscheen in 2016 met de titel Hammie, waarin haar inmiddels overleden moeder een belangrijke rol speelt. Haar eerste gedichten werden gepubliceerd in Nuwe Stemme 3 (2005). Ook in de bundel My ousie is 'n blom (2006) zijn enkele gedichten van haar opgenomen. Samen met haar man, striptekenaar en illustrator Nathan Trantraal, werkt ze aan een graphic novel.In haar nieuwe dichtbundel Hammie gaat het om de complexe relatie tussen de dichteres en haar inmiddels overleden moeder. Kamfer heeft één dochtertje, Seymour.
Lage levens
er was een vrouw in mijn leven die zo vaak was verraden dat haar hart een cirkel was ze wreef haar vernederingen samen met haar badolie in haar huid ze was mijn moeder en ze leerde mij om niet van mezelf te houden
Waar ik sta
Nu zit ik aan tafel met de vijanden van mijn voorvaderen Ik knik en groet beleefd maar ergens diep van binnen weet ik waar ik sta.
Mijn hart en hoofd staan open en zoals welopgevoede mensen lachen en eten we samen maar ergens diep van binnen weet ik waar ik sta.
Joël Dicker, August Willemsen, Joyce Carol Oates, Derek R. Audette, Theo Thijssen, Casper Fioole, Frank Norbert Rieter, Giovanni Boccaccio, Frans Roumen
Uit: De waarheid over de zaak Harry Quebert (Vertaald doorManik Sarkar)
“In de herfst van 2007 was het een jaar geleden dat mijn eerste roman was verschenen en had ik nog geen regel van de opvolger geschreven. Toen er geen brieven meer op te bergen waren, toen ik in openbare gelegenheden niet meer werd herkend en de affiches met mijn beeltenis uit de grote boekhandels van Broadway waren verdwenen, besefte ik dat roem iets vluchtigs is. Het is een uitgehongerde Gorgo die je moet blijven voeden, anders zal ze je direct vervangen: de politicus van de dag, het sterretje uit de laatste realityshow en de band die pas was doorgebroken namen mijn deel van de aandacht in. Toch waren er nog maar een schamele twaalfmaanden verstreken sindsmijn boekwas verschenen: inmijn ogen een belachelijk korte tijd, maar op de schaal van de mensheid een eeuwigheid. In dat jaar waren er alleen al in Amerika een miljoen kinderen geboren en een miljoen mensen gestorven, ruim tienduizend mensen beschoten, een half miljoen aan de drugs geraakt, een miljoen miljonair geworden, zeventien miljoen van mobieltje veranderd en vijftigduizend omgekomen bij auto-ongelukken, waarbij ook nog eens twee miljoen al dan niet ernstig gewond waren geraakt. En ik had maar één enkel boek geschreven. Schmid & Hanson, de machtige New Yorkse uitgeverij die me een aardig sommetje geld voor mijn eerste roman had gegeven en die heel veel hoop op me had gevestigd, bestookte mijn agent, Douglas Claren, die op zijn beurt in mijn nek hijgde. Hij zei dat de tijd drong en dat ik absoluut met een nieuw manuscript moest komen en ik deed er alles aan om hem gerust te stellen, om zo mezelf gerust te stellen: ik bezwoer hem dat ik goed opschoot met mijn tweede roman en dat hij zich niet druk hoefde te maken. Maar ondanks alle uren dat ik me op kantoor opsloot, bleef het papier spierwit: de inspiratie was er zonder enige waarschuwing vandoor gegaan en ik had geen idee waar ik die moest terugvinden. En ’s avonds in bed, als ik niet kon slapen, bedacht ik dat de grote Marcus Goldman binnenkort, nog voor zijn dertigste, alweer zou ophouden te bestaan. Die gedachte boezemde me zo’n angst in dat ik besloot op vakantie te gaan om op andere gedachten te komen: ik deed mezelf een maand vakantie cadeau in een paleis in Miami, zogenaamd om nieuwe inspiratiebronnen aan te boren, in de heilige overtuiging dat ontspanning onder de palmbomen me in staat zou stellen om mijn creatieve geest weer op volle toeren te laten draaien. Maar natuurlijk was Florida gewoon een vluchtpoging, en tweeduizend jaar voor mij was de filosoof Seneca ook al eens in die penibele situatie beland: waarheen je ook vlucht, je problemen zoeken een plaatsje in je bagage en reizen overal mee naartoe. Het leek of er bij aankomst in Miami bij de uitgang van het vliegveld een vriendelijke Cubaanse kruier naar me toe kwam rennen die vroeg: ‘Bent u meneer Goldman?’
“Opeens stond Marian naast me en haalde haar vingers door mijn haar. Ik was verrukt, maar meer nog verbaasd over het feit dat ze het bij mij deed en niet bij Jaap. Die was weliswaar met Mies, maar op hem werd iedereen altijd verliefd. Dat was een gegeven. Ik beschouwde mezelf als lelijk, en afgeschreven voor de liefde. Wel had ik altijd een ‘harem’: eerst de vriendinnen op school, en ook de diverse meisjes die ik in toneelstukken moest beminnen (enige tijd werd ik vergeleken met ‘Monsieur Ripois et ses femmes’, een film met Gérard Philippe), later de vriendinnen op het Conservatorium, Iet, Maya, Tirza, en vooral Freddie - maar er gebeurde nooit wat. Vandaar mijn verbazing over die vingers in mijn haar, en later die vingers in mijn vingers, terwijl Jaap binnen handbereik was. In het licht van latere zeden en gewoonten is dit alles volkomen onbetekenend. Ook ik, die het zelf heb meegemaakt, kan nauwelijks begrijpen dat het in die jaren gebruik was dat volkomen normale, volwassen burgers tot aan het ochtendgloren aangekleed op matrassen lagen, pratend, wijn drinkend en luisterend naar muziek, en dat een feest noemden. Dan draaiden we, meestal bij Jaap op zolder, Franse chansons (Georges Brassens, nu volkomen vergeten zangeresje als Nicole Louvier, of de Canadese Aglaé), Spaanse flamenco, de cellosuites van Bach (Janos Starker), het dubbelconcert van Brahms (Casals/Thibault), de Tzigane van Ravel (de Menuhins), Ravi Shankar en nog veel meer. We luisterden devoot, tussen Jaaps landschappen en portretten aan de muren, maar ik voelde toch altijd de prikkel tot een zekere ontluistering van die plechtigheid, bijvoorbeeld door na Menuhins fabelachtige capriolen bemoedigend op te merken dat ik het ‘kranig’ vond. Sommigen (Ype, Johannes) moesten daar meer om lachen dan anderen. Veertien dagen na de Galerie Robert was er zo'n avond bij Jaap. Na omzwervingen over alle beschikbare plaatsen was ik, diep in de nacht, links van Marian terechtgekomen.”
August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007) Cover
In these ancient snapshots Sunday is always ablaze. If it is Christmas, your father is hurrying to hide the fir tree beneath the cellar stairs. Grandfather's whiskers brush near, a steely wool. Uncle is eating with his mouth moistly open, the teeth too big. And there are whispers you can't hear. Prayers for the dead not to be recorded.
(When we were children, you say. If we were children.)
In these documents it is your strategy to remember nothing. Those slow-munching jaws, those balloon pupae. "Life phenomena." (The snapshots show you all curls and dimples and shy shadowed eyes. It is always noon and a tide of light. You are always smiling, blind.)
Look—there are creatures swimming as if idly out of the room's dark corners. Rising from the mud. There are avuncular whiskers, gruff jutting underlips, pewter eyes that seem to wink, although they do not.
A Swedish biochemist says it is his life's wish to know life. As in "life phenomena."
In these ancient snapshots there are no explanations, no captions. There is no speech. Surprised in silence, and usually smiling, the beloved dead.
When we were children.
Burning Oak, November
Yesterday, the sky in mute horizontal swaths, air almost too thick to breathe. We found the stump of an old oak, man-
sized, burning without flame at the edge of a clearing—splintered wood raw, bulldozed roots exposed— even the black ants fled
in the stink of old grief made public and final, old hopes exposed— past tense!—now headless leafless a stump knocked half out of the earth
and the soul just blue smoke vague and slow-spreading rising without grace into an indifferent sky no one will paint, or photograph, or see— except us: yesterday.
Harry Potter’s an enigma. His forehead bears a peculiar stigma. Yet there’s a question I’ve often pondered, a complex query which no puzzle surpasses: If he’s such a great and powerfull wizard, then why in the hell does he need those glasses?
Message Of The Cardinal
A cardinal, on this cold, yet bright autumn morning rests on a birch branch outside of my window. I pause from my work to watch it and breathe in the magnificence of its colour. A smile overtakes me. The cardinal has brought for me a message on this day. He tells me, in no uncertain terms, that life is beautiful.
Derek R. Audette (Hull, 16 juni 1971) Hull, Quebec
“Een andere stomme streek, die wist-ie zich nog duidelik te herinneren. Toen was-ie op de Kerstboom gevraagd bij neef Breman. Een hele deftige neef nogal, tenminste in die tijd. Ze hadden er een piano, en daar kregen de twee nichtjes les op van een aparte juffrouw. Tweede Kerstdag werd er een hele troep kinderen gevraagd. Ze speelden eerst spelletjes, zoals pandverbeuren, met al dat beroerde zoenen, maar het eind was een loterij. En toen had hij een doosje kleurkrijt gewonnen. En z'n neef Dolf, die nu op de H.B.S. was, sterke jongen, hoor, die won een zweeftol. En, hoe kon-ie toen zo eeuwig stom zijn, hij was ook erg klein, nog niet eens op 't grote school, - toen had-ie met Dolf geruild, en was met die dooie zweeftol thuis gekomen; waar natuurlik twee dagen later het hangertje van stuk ging; en toen was de tol door z'n gekke punt niet eens een fatsoenlike gewóne tol! Ezelachtig. Want het waren van die echte dikke pijpen kleurkrijt geweest, een doos van minstens zestig cent; wat had-ie daarmee geen fijne landschappen kunnen maken. Hij had gewoon uit schetsen kunnen gaan, naar de sla-tuintjes, waar dikwijls schilders ook zaten. Allicht had er een hem in de gaten gekregen; gezegd: Dat doe je daar heel aardig. Hier hei-je een beter stukkie papier; teken het nou es dáárop. Hij aan de gang. Het water met golfjes, met van die schaduwkantjes. De schilder riep er een ander bij. Waar heb je dat geleerd? Nergens. - Dat lieg je. - Nee, enkel gewoon op avondschool blokken en zo getekend, en één keer een kruik. - Maak dat je eigen wijs. - Maar natuurlik moesten ze hem eindelik wel geloven. Mocht-ie voor de aardigheid eens proberen met die ene z'n verf - wouen ze gewoon niet geloven, dat-ie nog nooit een penseel in z'n handen had gehad! Zo mocht-ie dan bij schilders aan huis komen, en schoot-ie aardig op. Kwamen d'r thuis een paar schilderijtjes van hem te hangen, met z'n naam er onder; en wie weet, hoe het verder gelopen was. Daar was nu geen kans op. Tekenen bleef tekenen, en een tekening werd nooit echt, want de kleur was het voornaamste, en kleuren had hij nooit gehad. Wat gaf het, of-ie later geld genoeg zou hebben voor kleuren? Dan was-ie eenmaal groot, en om goed beroemd te worden, moest je als jongen al beginnen, net zo als Rembrandt. Ja, hoe zou die Rembrandt zo jong al aan al die penselen en die verf gekomen zijn? Had toch bepaald ook rijkere ouders gehad dan hij....”
Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943) Scene uit de film met Ruud Feltkamp als Kees Bakels, 2003
Nu je langzaam in vloeistof overgaat je rustig uitstrekt, oprekt, afglijdt van de graat. Ogen eerst, vingers volgen, de grens aftast en steeds verlegt tot waar jij reikt en voelbaar bent
Besef ik te laat als om regen te vergeten ik in plassen stamp en spring dat jij juist in dit water was opgeweld, mij nu doorweekt. Sporen modder op tapijt.
Drink ik jou, zuig je op in waterhoofd met drijfverstand en als je mij dan hebt doortrokken ik je eindelijk pissen kan hoor ik toch weer jouw gezeik.
Het land zompt en plonst ik loop over water zoals de zoon betaamt.
“Er werd lang en nadrukkelijk aangebeld en Gordon kon zichzelf niet wijsmaken dat hij daar gewoon doorheen sliep, al vreesde hij dat opnieuw de buurman voor de deur zou staan. Met het openen van zijn ogen realiseerde hij zich echter dat die vrees geen grond meer had. De overspannen keffer van oma, die de buren van hun slaap had afgehouden, had hij immers na een nachtelijke schermutseling over het balkon gegooid. Vier hoog, weg ermee. Hij zag zijn gehavende hand: de tanden van het ondier hadden minuscule gaatjes achtergelaten waar een eindeloze hoeveelheid bloed uit had gestroomd. Gordon had de wond met wodka uitgewassen en met een schone theedoek verbonden. De doek was in zijn slaap losgeraakt en hoewel de wond inmiddels dicht was, getuigden vele donkere vegen en vlekken op zijn slaapshirt ervan dat het bloeden maar langzaam was gestelpt. Pas nadat hij zich had verbonden, was er tijd geweest voor schrik en wroeging. Het restje wodka dat in de fles overschoot was net genoeg om zichzelf in slaap te grienen. Stom onnozel beest. Het had nadat oma naar het tehuis was verhuisd zijn zindelijkheid verloren en schier onophoudelijk gekeft. Het was de tragiek van een zinloos stukje leven, zeker omdat aan Gordon geen groot hondenfluisteraar verloren was gegaan. Op het balkon ermee en dagelijks water en brokken. Hij had zich afgevraagd wie zich hulpelozer voelde bij de situatie: het keffende beest of hijzelf. Maar dat was nu voorbij: exit Fifi.”
„Giotto aber war in keinem Stücke besser beritten oder bekleidet als jener, und so setzten sie denn, wie es zwei bejahrten Leuten geziemt, langsamen Schrittes miteinander ihre Reise fort. Da geschah es, wie sich dies im Sommer oftmals zuträgt, daß ein plötzlicher Regen sie überfiel, so daß sie sich, so schnell sie vermochten, in das Haus eines Bauern flüchteten, der mit ihnen beiden bekannt und befreundet war. Inzwischen sah es aber nicht so aus, als ob der Regen nachlassen wollte, und da beide noch am selben Tag nach Florenz wollten, liehen sie sich von dem Bauern zwei alte Mäntel, wie man sie in der Romagna trägt, desgleichen, da keine besseren zu haben waren, auch noch zwei Hüte, die vor Alter ganz abgetragen waren, und mit diesen machten sie sich auf den Weg. Nachdem sie eine Weile geritten waren, hatte der Regen sie völlig durchnäßt; auch waren durch das Gespritze der Pferdehufe bei dem nassen Wetter ihre Anzüge ganz beschmutzt, und beides trug nicht viel dazu bei, ihren Aufzug anständiger erscheinen zu lassen. Mittlerweile hatte aber das Wetter sich ein wenig aufgehellt, und sie begannen, nachdem sie lange Zeit schweigsam nebeneinander geritten waren, sich zu unterhalten. Als nun Messer Forese des Weges ritt und dem Giotto zuhörte, der trefflich zu reden wußte, betrachtete er ihn von der Seite her vom Kopf bis zu den Füßen und um und um, und wie er ihn in allen Stücken so unscheinbar und häßlich fand, begann er, ohne zu bedenken, welche Figur er selbst machte, zu lachen und sagte: »Giotto, wenn jetzt ein Fremder, der dich nie gesehen hätte, uns hier entgegenkäme – kannst du dir denken, daß er dich als den ersten Maler der Welt, der du doch bist, erkennen würde?« Sofort antwortete Giotto: »Messer, ich glaube wohl, daß er mich als solchen erkennen würde, sobald er, nachdem er Euch besehen, glaubte, daß Ihr das Abc könntet.« Messer Forese erkannte aus dieser Antwort sein Unrecht und sah sich mit einer Münze bezahlt, die der von ihm verkauften Ware völlig entsprach.“
Giovanni Boccaccio ( juni of juli 1313 - 21 december 1375) Decamerone door Franz Xaver Winterhalter, 1837
En als toegift bij een andere verjaardag:
Toen mij je schreden tot de dood ontroerden Naar Franz Werfel
Toen mij je wezen tranenwaarts ontvoerde En ik door jou ’t onmeetbare in zweefde, Beleefden deze dag niet afgeleefden, Miljoenen moeitevol de mond gesnoerden?
Toen mij je schreden tot de dood ontroerden, Was arbeid om ons heen, de aarde beefde, Waar leegte, goddeloos en koud, aan kleefde, Er leefden en er stierven nooitvervoerden!
Ik was zo vol van jou, dat ik kon zweven, Er waren velen die in mufheid stampten, Aan tafels krompen en bij ketels dampten.
O hoestenden op straten, in kanalen! Bestaat een evenwicht in wereld, leven, Hoe moet ik deze schuld dan ooit betalen?
Frans Roumen, Uit: Herdichten voor Verzameld Werk, Uitgeverij Berend Immink, Nijmegen 1986)
Tags:Joël Dicker, August Willemsen, Joyce Carol Oates, Derek R. Audette, Theo Thijssen, Casper Fioole, Frank Norbert Rieter, Giovanni Boccaccio, Frans Roumen, Romenu
Mein Zung erkling Und fröhlich sing Von Christi Leichnam zart, Auch von dem Blut, Das uns zu gut Am Kreuz vergossen ward, Das genommen Und herkommen Von jungfräulicher Art.
Ein Jungfrau schon Uns Gottes Sohn Zu Bethlehem gebar, Der unbeschwert Die Welt gelehrt, Lebt drei und dreißig Jahr. Bald gefangen, Zum Tod gangen, Wie prophezeiet war.
Vor seinem Tod Und letzten Not In diesem Jammertal, Zu Tisch er saß, Das Lämmlein aß, In einem großen Saal, Da er eben Sich selbst geben, Zur Speis im Abendmahl.
Das Worte sein Aus Brot und Wein Macht Fleisch und Blut behänd, Er da handlet, Kräftig wandlet, Brot ward in Fleisch verwend, Gleiche Krafte, Aus Wein schaffte Das Blut im Sakrament.
O Christ hab acht Und wohl betracht, Was Christus hie getan, Durch Christi Wort, An allem Ort, Dasselb der Priester kann, Wie befohlen, Zu erholen, Die Schrift zeigt klärlich an.
Lob, Preis und Ehr, Je mehr und mehr, Sei Christo weit und breit. Ihn preis und preis Um diese Speis, O liebe Christenheit. Diese Gaben, Die wir haben, Wohl brauch zur Seligkeit. Amen.
Friedrich von Spee (25 februari 1591 – 7 augustus 1635) Kaiserswerth, promenade. Friedrich von Spee werd in Kaiserswerth geboren.
Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Hugo Borst, Ramon Lopez Velarde
De Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût(eigenlijk Helena Anthonia Maria Elisabeth Dermoût-Ingerman) werd geboren in Pekalongan, Java, op 15 juni 1888. Zie ook alle tags voor Maria Dermoûtop dit blog.
Uit: Nog pas gisteren
“Dan kwamen zij bij de bergpas, eindelijk! Daar hielden zij stil, de paarden werden uitgespannen, want nu kwamen er karbouwen voor de postwagen, gespannen aan een houten juk. Zij deden onrustig en wilden naar de paarden stoten en bliezen door hun neusgaten, maar de mannen hielden hen vast en spanden hen in voor de wagen met hun touwen. De karbouwen waren niet groot, maar breed en grauw en sterk, en liepen wat schuin naast elkaar onder het juk om hun grote hoorn. De linker van de een en de rechter van de ander staken over elkaar heen. De koetsier zat nog wel op de bok, maar hij hoefde geen teugels vast te houden, de mannen leidden de karbouwen, duwden telkens het juk recht, schreeuwen - rrt - rrrrrrt, klakten met de tongen, klapten met de zwepen. Het ging langzaam voetje voor voetje. Links was een ravijn. Paarse aardorchideeën groeiden er in het gras, er was een heg van wilde rozen om een hellend veldje heen. Een beek murmelde. Een straffe wind woei koud en schraal. Boven werden de karbouwen weer uitgespannen, die waren alleen voor de steile bergpas en zij reden weer verder met de paardem. Maar al gauw hielden zij stil en stapten zij uit. Zij moesten een eind een zijweg inlopen, de mannen droegen de koffers, tot zij bij een klein wit huis kwamen in een tuin. Voor het huis stond onder een oude scheefgegroeide boom een grijs stenen beeld van een zittende olifant, opzij was een laantje van moeibeibomen. Daar woonde de oude meneer op zijn landje. 'Een klungellandje!' zei papa, maar hij hield niet van de oude meneer. Het huis was van bamboe en hout, en op palen - zoals een groot kamponghuis - , maar alles zat netjes in de verf. Er was ook niet meer dan één woonkamer, met een glazen wand om naar buiten te kunnen kijken, een paar slaapkamers, en de bijgebouwen achter het huis; overal kraakten de vloeren. De oude meneer had maar twee bedienden, alleen een oude kokkin, die ook het huis opruimde, en een jongen om de tuin te vegen. Voor de bloemen zorgde hij zelf; overal stonden bloemen, en om het hele huis heen groeide een brede strook heliotrope, waarvan de geur zwaar en zoet in de kamers hing.”
“James was at Rutgers within a few months, but Thatcher and King Papas made Geoff’s apartment a religion. Thatcher ended up in the army, and Papas ended up in Boston, but there was a time they never missed a Tuesday night. In the four years Thatcher was in the army he never came back, even when he was on leave. He visited Geoff if he was home, and wrote often, but never came by on Tuesdays. “So why don’t you come?” Geoff said again. “Bring both those songs.” “Okay, maybe.” “It’ not a death sentence. Do what you will.” Mason reached for the bottle on the floor, filled his glass and then filled Thatcher’s. Thatcher took a long drink of the wine. “You know what it is?” Thatcher said. “I just — I just don’t have a connection with those people anymore.” “What people? Which?” “The people who come here. The New Yorkers.” “You mean your friends?” Thatcher rolled his eyes. “Some of them. My friends are in Jersey.” “So why don’t you like New York writers? Because they only write about life as a New York writer?” Thatcher rolled his eyes again. “Yes, well.” Mason tapped the stem of his wineglass with his fingernail. “We’re not as elitist as you think, and you’re not as worldly and of-the-people as you imagine. Just come on Tuesday and sing your proletarian drivel.”
Christian Bauman (Easton, 15 juni 1970) Easton, Pennsylvania.
“Glaubst du, das ist eine tote Nutte?« Ich drehe mich um. Ein Stück über mir an der Böschung steht ein Junge, den ich hier noch nie gesehen habe. Von seinem Geschrei sind die Blesshühner, Enten und Nilgänse aufgeschreckt worden, die sich am Ufer versteckt halten; sie flattern wild durcheinander. Es ist sehr früher Morgen, ich kann die Nacht noch in der Luft riechen; Nebelreste qualmen über dem Flusswasser. »Nein, ganz bestimmt nicht!•, gebe ich ärgerlich zurück. »Es könnte ja sein, Mann. Die liegt da so!• Er zuckt mit den Achseln. Seine blonden Haare glänzen in der Sonne, die direkt hin-ter ihm aufgegangen ist und ihn beleuchtet wie einen Film-helden. Gerade habe ich beschlossen, ihn einfach nicht mehr zu beachten, da fängt er an, zu mir herunterzusteigen. Das Gras ist nass vom Tau und rutschig; vielleicht fällt er hin. Aber nein. Knackend zerbricht Gehölz unter seinen Schrit-ten, und er steht neben mir. Er ist etwa so groß wie ich und sehr kräftig. Obwohl es noch ziemlich kühl ist, trägt er nur ein T-Shirt zu den Jeans. »Hast du sie angefasst? Atmet sie noch?• Um warm zu bleiben, tritt er auf der Stelle. Ich sehe die Gänsehaut auf sei-nen Armen. »Reg dich ab. Natürlich atmet sie noch. Wenn du mal die Klappe hältst, hörst du sogar, wie sie schnarcht. Das ist übri-gens meine Mutter. Und sie schläft nur.• »Echt? Oh, sorry.« Es macht ihm absolut nichts aus, das sehe ich. Um Mutter genauer zu inspizieren, geht er in die Knie. Ihre Haut ist noch blass vom Winter, ihre Haare sind rot. Alle anderen in der Familie haben braune Haare. Vater sagt, sie will etwas Besonderes sein. Sie hat den Kopf auf die Arme gelegt und umgebogene Zweige als Kissen benutzt, schläft gemütlich weiter. Ein Spuckefaden läuft ihr am Kinn hinunter. •Das ist deine Mutter? Was macht sie hier?« Ich lasse mich nicht zu einer Antwort herab. Er hätte sie nie entdeckt, wenn ich nicht vor ihr gestanden hätte wie eine blöde Hinweistafel. Hier, wo der Fluss sich zu biegen beginnt und die Strömung schneller wird, stehen die Ufer voller Schilf, das alles verdeckt. Deshalb setzt Mutter sich abends mit ihrem Bier oder der Schnapsflasche gerne hier-hin. Ich würde es wahrscheinlich genauso machen, gerade jetzt, an den ersten schönen Tagen. Bisher hatten wir dieses Jahr nur schlechtes Wetter, sogar unser Erdkundelehrer, der unwitzigste Typ überhaupt, hat angefangen, über den Un-terschied von nasser Kälte und kalter Nässe zu scherzen.“
Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)
De Nederlandse schrijver, redacteur en radio- en televisiepresentator Hugo Borstwerd geboren in Rotterdam op 15 juni 1962. Zie ook alle tags voor Hugo Borst op dit blog.
Uit: Ma
“Mijn vader had me gevraagd om vrijdagmorgen rond halfelf naar de Robert Kochplaats te komen. Daar stond de bruine boodschappentrolley waarvan ik voortaan gebruik zou gaan maken al klaar. ‘In het voorvakje zit een munt van 50 cent voor het winkelwagentje,’ legde mijn vader uit. ‘Die moet je er altijd in laten zitten.’ In zijn auto op weg naar de Plus zei hij: ‘Let goed op straks, want zo leer je de artikelen en merken van je moeder alvast kennen.’ Hij vond dat ik de auto de week erop moest laten staan. Ik kon dat stuk makkelijk lopen met mijn jonge benen. Dat had hij jarenlang ook gedaan met zijn rotheup. Het was zomer, het regende licht. Toen hij uitstapte, werd hij vriendelijk begroet door een man. Toen hij een winkelkarretje pakte, zei een vrouw: ‘Dag meneer Borst.’ Dat ging de hele tijd zo door. ‘Dag meneer Borst.’ ‘Hoe maakt u het, meneer Borst?’ Andere mensen knikten of glimlachten naar mijn vader, als ze een hoed hadden gedragen, hadden ze de rand even aangetikt. Mijn vader zei steeds allerhartelijkst gedag terug of hij maakte een joviaal gebaar. Hoewel hij veel werd herkend vond ik het intiem om samen boodschappen te doen. Nu nog meer dan toen, denk ik. Ik zie nog voor me hoe pa liep. Goh, dat twee centimeter beenlengteverschil zo’n enorme slag in zijn wiel kon slaan. Hij stond erop het winkelwagentje zelf te duwen. Ik begreep eerst niet waarom. Maar dat ding bood hem houvast. Hij liet het karretje alleen los om artikelen te pakken. Ik zag zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd staan. Pa werkte mij die vrijdag officieel in; het tillen was hem echt te zwaar geworden en bovendien stond hem een pittige chirurgische ingreep te wachten. Direct na de operatie zou boodschappen doen zeker niet lukken, dus mijn vrouw Karina en ik beloofden het voortaan op ons te nemen. Dat luchtte mijn vader op. Zijn dienstbaarheid aan mijn moeder was groot, zo niet onbegrensd.”
Omnichromy of a perfect evening... The soul, a muted horn, and he light, sublime, and fortune, replete, and Life, a fairy spirit set free from her prison to love.
Leaden sky. In the west, a curl of saffron. and angel's overturned inkwell. The breee, a doleful refrain. On the golden rapture of the hill, green vapor, like a dragon's breath. And the bewitched valley strains toward a kiss filtering through the transoms of the horizon through the transoms of the horizon.
A time of secrets, like those known to the thimbles of despairing seamstresses who entangle their mortal monologues in the skein of empty hours.
As secret as you were in yesterday's hand, rosy lode, canary grass, and d'Orsay perfume.
Evening, like a rehearsal of happiness amid May's petals; evening, Newton's disk, a time when spring was omnichromy and Life a spirit set free in passive love...
« Le nouveau s’était redressé, vexé, un pli barrant son petit front têtu. Mais, tout de suite décontenancé par l’attitude railleuse de l’ancien, il détourna la tête et rougit. Le rouquin se contenta de ce succès flatteur. Il descendit de son trône et, pour montrer qu’il ne songeait pas à s’acharner sur un copain irresponsable, il haussa ses critiques jusqu’à l’autorité militaire, dont tous les actes, suivant lui, étaient dictés par la sottise et le désir évident de molester le soldat. — J’dis pas ça pour toi, tu sais pas encore. Mais les autres enfifrés qui vous font passer les gamellesà la pâte au sabre pour qu’elles reluisent mieux, tu crois qu’on devrait pas tous les fusiller… Ils trouvent qu’on ne se fait pas assez viser comme ça ?… Tu me refileras ta musette, tiens, j’te la noircirai au bouchon, et on passera vos bouteillons, vos galetouses et tout l’truc à la fumée de paille, y a pas meilleur. Lemoine, qui ne quittait jamais Sulphart d’un pas, haussa lentement les épaules. — Tu vas pas déjà abrutir ces mecs-là avec tes boniments à la graisse, lui reprocha-t-il de sa voix traînante. Laisse-les au moins débarquer. Le nouveau à la musette blanche s’était assis sur une brouette. Il semblait épuisé. La sueur, en rigoles noires, avait tracé des accolades de ses tempes au bas de ses joues. Il déroula ses molletières, mais n’osa pas retirer ses chaussures, de beaux brodequins de chasse aux semelles débordantes. — J’ai le talon tout écorché, me dit-il. Je dois avoir le pied en sang. Je suis tellement chargé. Lemoine soupesa son sac. »
Roland Dorgelès (15 juni 1885 – 18 maart 1973) Gedenktplaat op Monmartre
II « Heureux le barde, heureux celui qui sur la rive Où le destin avait mis son berceau, Peut au soir de ses jours où tranquille il arrive, Dire aussi, là je trouve mon tombeau.
« Heureux celui qui voit à son heure dernière Autour de lui ses vieux amis priant; Leur présence adoucit la mort sur sa paupière En lui voilant l'abîme du néant.
« Heureux il va dormir au milieu de ses pères Près de l'église à l'ombre d'un côteau; Ses enfants à genoux diront quelques prières Avec ferveur le soir sur son tombeau. « Heureux - mais nous, hélas! sans foyer, sans patrie, Qui donc viendra pour nous fermer les yeux? Jouets de la tempête, exilés qu'on oublie, Peut-être on nous renîra pour aïeux.
« Mais j'insulte nos fils. Ah! le nom de leurs pères Sera sacré pour eux et leurs enfants. Car ils ont tout donné pour que des jours prospères Dans l'avenir embellissent leurs ans.
« Ils ont osé naguère et sans chefs et sans armes Jeter le gant au géant des combats: Le colosse ébranlé, le coeur saisi d'alarmes À Saint-Denis un jour lâcha le pas.
« Mais le nombre bientôt écrasa la vaillance; Avec Chénier tombèrent nos héros. Heureux, aux bords chéris, témoins de leur naissance, Ils vont en paix dormir dans leurs tombeaux.
François-Xavier Garneau (15 juni 1809 – 2 februari 1866) Standbeeld in Québec
Uit: En Eeuwig zingen de Bosschen (Vertaald door Annie Posthumus)
“‘Dieren, vele - oneindig vele - hoorde hij aankomen van alle kanten, zwaar en licht van voetstap, achter elkander aan, achter elkander aan, uit oosten en zuiden en uit de groote bosschen in westen en noorden. Er was een gedruisch en gekraak van boomen die tegen den grond sloegen, en de aarde schudde en dreunde. Daar zag hij dieren komen, dicht achter elkander aan, zoodat zij de bosschen plat trapten, - zachtjes, als in een stroom voortwaarts glijdend, - maar met verpletterende zekerheid kwamen ze aan. Zware beren, sluipende wolven, gluipende vossen en oude elanden met geweien als heele boomen. Dichter- en dichterbij, honderden, duizenden, zachtjes, - een eindelooze rij, rug na rug. In de lucht werd het zwart van adelaars en haviken en allerlei vogels, die, stil op hun vleugels rustend, aan kwamen glijden - gereed om naar omlaag te schieten en den scherpen snavel in vleesch te hakken. En beneden in de buurtschap, op de wegen, kwamen menschen aansluipen, vele - rondtrekkend volk en zwervers, menschen van het soort waarop in vroeger jaren klopjacht gehouden werd. Glurend keken zij om de hoeken van de huizen. Het wemelde ervan, overal, en steeds nader en nader kwamen ze. Ze praatten mompelend en dreigend, en achter hen aan, daarginds op de heuvels van Hamarrbo. en de stelle hellingen van den met bosch begroelden bergrug af, kwamen andere menschen aansluipen: - menschen uit de breede woonstreek der vlakte. Zij doken laf weg achter kreupelnout en struweel, maar hij zag ze allen. Een geknak van twijgen en een gekraak van boomen en een geraas en gedreun van duizenden op hem afkomende wilde dieren en lafaards.”
Trygve Gulbranssen (15 juni 1894 – 10 oktober 1962) Cover
“But that was all happening somewhere else, not in Petaluma with its low-hipped ranch houses, the covered wagon perpetually parked in front of the Hi-Ho Restaurant. The sun-scorched crosswalks. I was fourteen but looked much younger. People liked to say this to me. Connie swore I could pass for sixteen, but we told each other a lot of lies. We’d been friends all through junior high, Connie waiting for me outside classrooms as patient as a cow, all our energy subsumed into the theatrics of friendship. She was plump but didn’t dress like it, in cropped cotton shirts with Mexican embroidery, too-tight skirts that left an angry rim on her upper thighs. I’d always liked her in a way I never had to think about, like the fact of my own hands. Come September, I’d be sent off to the same boarding school my mother had gone to. They’d built a well-tended campus around an old convent in Monterey, the lawns smooth and sloped. Shreds of fog in the mornings, brief hits of the nearness of salt water. It was an all-girls school, and I’d have to wear a uniform—low-heeled shoes and no makeup, middy blouses threaded with navy ties. It was a holding place, really, enclosed by a stone wall and populated with bland, moon-faced daughters. Camp Fire Girls and Future Teachers shipped off to learn 160 words a minute, shorthand. To make dreamy, overheated promises to be one another’s bridesmaids at Royal Hawaiian weddings. My impending departure forced a newly critical distance on my friendship with Connie. I’d started to notice certain things, almost against my will. How Connie said, “The best way to get over someone is to get under someone else,” as if we were shopgirls in London instead of inexperienced adolescents in the farm belt of Sonoma County. We licked batteries to feel a metallic jolt on the tongue, rumored to be one-eighteenth of an orgasm. It pained me to imagine how our twosome appeared to others, marked as the kind of girls who belonged to each other. Those sexless fixtures of high schools.”