Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
12-08-2016
Dolce far niente, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Marcellus Emants, Naoki Higashida
Dolce far niente
Uitgeest
Uitgeester volkslied
Dorpstrouw (Melodie: 'Aan het Noordzeestrand', Will Tura)
Waar de golfjes kabbelen langs het Buitenmeer, zet de binnenvisser 's avonds fuiken neer, Waar de witte zeilen over het water gaan, en het riet blijft groeien, eeuwig af en aan, Daar in 't groen verscholen, ligt mijn mooi Uitgeest, stipje op de landkaart, telt voor mij het meest.
Waar de gele treinen rijden af en aan. vol met mensen die naar huis of werk toe gaan, Waar men al 100 jaren melksuiker maakt, en iedereen in juli, naar de kermis raakt, Tussen boterbloemen traag het melkvee graast, daar ligt mijn Uitgeest, dorpje zonder haast.
Waar de hopen staan van geurig goudgeel hooi, en de tuintjes pronken met hun bloementooi, Waar de twee spitse torens naar de hemel gaan, en vijf watermolens in de polder staan, Waar 't Oude Regthuis staat op het dorpsplein, daar ligt mijn Uitgeest, daar leef ik pas fijn.
Waar in koude winters ligt een sprei van sneeuw, op zijn wijde wieken drijft de zilvermeeuw, Waar op gladde ijzers heel de dorpsjeugd zwiert, over 't Binnenmeertje, dat de polder siert, Heerlijk daar te wonen, dorp waar ik van hou, jou, mijn mooi Uitgeest, blijf ik altijd trouw.
“Im letzten Augenblick aber und dicht vor dem Anprall weiß er zu bremsen und einzuschwenken, was sowohl für seine körperliche als seine geistige Selbstbeherrschung zeugt; und nun beginnt er, ohne Laut zu geben - denn er macht einen sparsamen Gebrauch von seiner sonoren und ausdrucksfähigen Stimme -, einen wirren Begrüßungstanz um mich herum zu vollführen, bestehend aus Trampeln, maßlosem Wedeln, das sich nicht auf das hierzu bestimmte Ausdruckswerkzeug des Schwanzes beschränkt, sondern den ganzen Hinterleib bis zu den Rippen in Mitleidenschaft zieht, ferner einem ringelnden Sichzusammenziehen seines Körpers, sowie schnellenden, schleudernden Luftsprüngen nebst Drehungen um die eigene Achse, - Aufführungen, die er aber merkwürdigerweise meinen Blicken zu entziehen trachtet, indem er ihren Schauplatz, wie ich mich auch wende, immer auf die entgegengesetzte Seite verlegt. In dem Augenblick jedoch, wo ich mich niederbeuge und die Hand ausstrecke, ist er plötzlich mit einem Sprunge neben mir und steht, die Schulter gegen mein Schienbein gepreßt, wie eine Bildsäule: schräg an mich gelehnt steht er, die starken Pfoten gegen den Boden gestemmt, das Gesicht gegen das meine erhoben, so daß er mir verkehrt und von unten herauf in die Augen blickt, und seine Reglosigkeit, während ich ihm unter halblauten und guten Worten das Schulterblatt klopfe, atmet dieselbe Konzentration und Leidenschaft wie der vorhergegangene Taumel.
Thomas Manns villa in Bad Tölz, waar hij 8 zomers doorbracht
Es ist ein kurzhaariger deutscher Hühnerhund, - wenn man diese Bezeichnung nicht allzu streng und strikt nehmen, sondern sie mit einem Körnchen Salz verstehen will; denn ein Hühnerhund wie er im Buche steht und nach der peinlichsten Observanz ist Bauschan wohl eigentlich nicht. Für einen solchen ist er erstens vielleicht ein wenig zu klein, - er ist, dies will betont sein, entschieden etwas unter der Größe eines Vorstehhundes; und dann sind auch seine Vorderbeine nicht ganz gerade, eher etwas nach außen gebogen, - was ebenfalls jenem Idealbilde reiner Züchtung nur ungenau entsprechen mag.“
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955) Met Bauschan (die in Bad Tölz werd gekocht) in brons vereeuwigd in Gmund am Tegernsee
Neben dem Bett tickt die Uhr Neben mir schlgt dein Herz Jeder Schlag ein Schritt mehr
Von dir zu Auf mich fort
Als es schon zu spät war
Irgendwann hab ich dann Heine zitiert (Liebe hab ich nie erfleht) und deine Lilienohren besungen. Du hast dabei Zeitung gelesen und dir die Schlfen massiert.
Recherchen
Kein Schuhkarton voller Fotos. Kein Knirschen, keine Fußspur im Schnee. Und nirgendwo leise Musik. Vielleicht die Zeitung von heute (Die Toten sind immer die andren) an einem Morgen wie diesem. Vielleicht ein Schmerz in der Schlfe. Keine Locke, kein Brief, kein Archiv.
Uit:The Story of First-Aid and Beauty Case (Vertaald door Chad Davidson Marella Morris)
“So Firstkept on straight and ended up on the kiddie slide, zoomed upward, bounced off the café awning, ended up on the second floor of an apartment, revved the engine in the dining room, ran into the refrigerator, went out on to the balcony, fell down on the street, caromed off a dumpster, smashed through one car door and out the other, and came to a stop against a Plane tree. "Did you hurt yourself?" asked Beauty Case. "No," said First. "I meant to do that." Beauty gave an "ah," showing in plain view her blueberry-stained tongue. They stood there a moment just staring at each other, then First said: "Nice polkadot miniskirt." And Beauty Case said: "Nice leather pants." "What pants?" First was about to ask. Then he looked at his legs: they were so full of scabs, scars, and scrapes from the asphalt that they looked like leathern pantlegs. He was actually wearing shorts. "They’re the Streets of Fire model," he said. "You want to take a spin on my motorcycle?" Beauty Case swallowed her ice cream all in one gulp, which was her way of saying "yes." As she got on the motorcycle, she whirled her legs around, abruptly awakening the slumbering senses of various old men. Then she squeezed First's chest hard and said: "You do know how to drive a motorcycle, don't you?"
“Ik moet opklimmen tot de eerste ervaringen, die mij mijn duister binnenste ontsluierden. Mijn geheugen is nooit bijzonder goed geweest. Ik zie mijn jeugd dan ook niet meer voor me als een doorloopende reeks van gebeurtenissen; maar herinner me alleen de enkele oogenblikken, waarop ik sterke - doorgaans onaangename - indrukken ontving. Een van mijn eerste en pijnlijkste ondervindingen was mijn intrede op de lagere school. Wat ik me van die omgeving nog kan voorstellen is een groote, grauwe ruimte, waarin een massa giegelende kinderen bijeen zitten, bewaakt door een norsche onderwijzer. Vóór de klasse staat een reusachtig, zwart bord; tegen de grijze wanden hangen flets getinte, blinde kaarten. Duidelijker herinner ik me het gevoel van iets kleins, iets zwaks, iets nietigs te zijn, verlaten en verloren in een vijandige bende: het konijntje uit een van mijn prentenboeken, dat levend in een hok vol wilde beesten wordt gegooid. Dat al die oogen mij vijandig aankeken, besefte ik dadelijk en ofschoon er meer dan vijf en twintig jaren over heen zijn gegaan, heeft niets die indruk van vijandigheid weer uit kunnen wisschen. Nog altijd moet ik het hok, met wilde dieren bevolkt, binnen gaan, zoodra ik me onder menschen wil bewegen en nooit vermag een redeneering het wantrouwen te onderdrukken, waarmee ik mijn zoogenaamde broeders nader. Al gauw volgde mijn eerste vechtpartij, beter gezegd mijn eerste botsing, die op een vechtpartij had moeten uitloopen, maar inderdaad iendigde met mijn vlucht. Geruime tijd had ik met instinctieve schuwheid alle grootere en forschere jongens weten te vermijden; eindelijk werd ik door één van hen net zoo lang getergd, dat mijn vuist in een overschuiming van drift hem een stomp toebracht.”
Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923) In 1900
Uit:The Reason I Jump (Vertaald door David Mitchell)
“Perhaps you’re thinking that it’s no major effort for me to write these sentences, but that wouldn’t be true at all. Always lurking at the back of my mind is an anxiety about whether or not I’m perceiving things in the same way that people without autism do. So, via TV, books and just tuning in to the people around me, I’m constantly learning about how ordinary people are supposed to feel in given situations. And whenever I learn something new, I write a short story dealing with the situation in question. This way, with luck, it won’t slip my mind. What causes panic attacks and meltdowns? I don’t know if you can understand this one. Panic attacks can be triggered by many things, but even if you set up an ideal environment that gets rid of all the usual causes for a given person, we would still suffer panic attacks now and then. One of the biggest misunderstandings you have about us is your belief that our feelings aren’t as subtle and complex as yours. Because how we behave can appear so childish in your eyes, you tend to assume that we’re childish on the inside, too. But of course, we experience the same emotions that you do. And because people with autism aren’t skillful talkers, we may in fact be even more sensitive than you are. Stuck here inside these unresponsive bodies of ours, with feelings we can’t properly express, it’s always a struggle just to survive. And it’s this feeling of helplessness that sometimes drives us half crazy, and brings on a panic attack or a meltdown. When this is happening to us, please just let us cry, or yell, and get it all out. Stay close by and keep a gentle eye on us, and while we’re swept up in our torment, please stop us from hurting ourselves or others."
Dolce far niente, Max Dauthendey, Hugh MacDiarmid, Ernst Stadler, Yoshikawa Eiji, Fernando Arrabal, Andre Dubus, Alex Haley
Dolce far niente
Regenstimmung door Otto Modersohn, 1884
Regen
Da draußen regnet es weit und breit. Es regnet graugraue Verlassenheit. Es plaudern tausend flüsternde Zungen. Es regnet tausend Erinnerungen. Der Regen Geschichten ums Fenster rauscht. Die Seele gern dem Regen lauscht.
Der Regen hält dich im Haus gefangen. Die Seele ist hinter ihm hergegangen. Die Insichgekehrte ist still erwacht, Im Regen sie weiteste Wege macht. Du sitzt mit stummem Gesicht am Fenster, Empfängst den Besuch der Regengespenster.
Max Dauthendey (25 juli 1867 – 29 augustus 1918) Würzburg. De Alte Mainbrücke in de regen. Max Dauthendey werd geboren in Würzburg.
Stony Limits (Fragment) (In Memoriam: Charles Doughty, 1843-1926)
How should we have anything to give you In death who had nothing in life, Attempting in our sand-riddles to sieve you Who were with nothing, but the sheer elements rife? Anchor of truth, facile as granite you lie, A plug suspended in England's false dreams. Your worth will be seen by and by, Like God's purpose in what men deem their schemes, Nothing ephemeral can seek what lies in this ground Since nothing can be sought but the found.
The poem that would praise you must be Like the glass of some rock, sleek brown, crowded With dark incipient crystal growths, we see; Or a glimpse of Petavius may have endowed it With the tubular and dumb-bell-shaped inclusions surrounded By the broad reaction rims it needs. I have seen it in dreams and know how it abounded —Ah! would I could find in me like seeds!— As the north-easterly garden in the lunation grows, A spectacle not one man in ten millions knows.
I belong to a different country than yours And none of my travels have been in the same lands Save where Arzachel or Langrenus allures Such spirits as ours, and the Straight Wall stands, But crossing shear planes extruded in long lines of ridges, Torsion cylinders, crater rings, and circular seas And ultra-basic xenoliths that make men look midges Belong to my quarter as well, and with ease I too can work in bright green and all the curious interference Colours that under crossed nicols have a mottled appearance. Let my first offering be these few pyroxenes twinned On the orthopinacoid and hour-glass scheme, Fine striae, microline cross-hatchings, and this wind Blowing plumes of vapour forever it would seem From cone after cone diminishing sterile and grey In the distance; dun sands in ever-changing squalls; Crush breccias and overthrusts; and such little array Of Geology's favourite fal-de-lals And demolitions and entrenchments of weather As any turn of my eyes brings together.
Hugh MacDiarmid (11 augustus 1892 – 9 september 1978) Portret door Robert Heriot Westwater, 1962
Gefleckte Moose· bunte Flechten schwanken um hoher Palmen fächerstarre Fahnen· und zwischen glatten Taxusstauden ranken sich bleich und lüstern zitternde Lianen.
Gleich seltnen Faltern schaukeln Orchideen· und krause Farren ringeln ihr Gefieder· glitzernd von überwachsnen Wänden wehn in Flocken wilde Blütenbüschel nieder.
Und kranke Triebe züngeln auf und leuchten aus jäh gespaltner Kelche wirrem Meer· und langsam trägt die laue Luft den feuchten traumschlaffen Duft der Palmen drüberher.
Und schattenhaft beglänzt im weichen gedämpften Feuer strahlt der Raum· und ahnend dämmern Bild und Zeichen für seltne Wollust· frevlen Traum.
Evokation
O Trieb zum Grenzenlosen, abendselige Stunde, Aufblühend über den entleerten Wolkenhülsen, die in violetter Glut zersprangen, Und Schaukeln gelber Bogenlampen, hoch im Bunde Mit lauem Flimmer sommerlicher Sterne. Wie ein Liebesgarten nackt und weit Ist nun die Erde aufgetan . . o, all die kleinen kupplerischen Lichter in der Runde . . Und alle Himmel haben blaugemaschte Netze ausgehangen – O wunderbarer Fischzug der Unendlichkeit! Glück des Gefangenseins, sich selig, selig hinzugeben, Am Kiel der Dämmerung hangend mastlos durch die Purpurhimmel schleifen, Tief in den warmen Schatten ihres Fleisches sich verschmiegen, Hinströmen, über sich den Himmel, weit, ganz weit das Leben, Auf hohen Wellenkämmen treiben, nur sich wiegen, wiegen – O Glück des Grenzenlosen, abendseliges Schweifen!
Ernst Stadler (11 augustus 1883 – 30 oktober 1914) Cover
“The summit is believed to be the object of the climb. But its true object—the joy of living—is not in the peak itself, but in the adversities encountered on the way up. There are valleys, cliffs, streams, precipices, and slides, and as he walks these steep paths, the climber may think he cannot go any farther, or even that dying would be better than going on. But then he resumes fighting the difficulties directly in front of him, and when he is finally able to turn and look back at what he has overcome, he finds he has truly experienced the joy of living while on life's very road.” (…)
“Fighting isn’t all there is to the Art of War. The men who think that way, and are satisfied to have food to eat and a place to sleep, are mere vagabonds. A serious student is much more concerned with training his mind and disciplining his spirit than with developing martial skills. He has to learn about all sorts of things—geography, irrigation, the people’s feelings, their manners and customs, their relationship with the lord of their territory. He wants to know what goes on inside the castle, not just what goes on outside it. He wants, essentially, to go everywhere he can and learn everything he can.”
Yoshikawa Eiji (11 augustus 1892 – 7 september 1962) Cover
Uit: The Burial of the Sardine (Vertaald door Patrick Bowles)
XL
« Lis came alone. She brought me a dish of lentils. I sat down and ate them. I think she was watching me. As for me, I stared at my plate. Then I wiped my lips with a paper serviette. Lis gave me a glass of water and asked me to rinse my mouth. Then I heard a voice coming from I don't know where. It sounded like Altagora's voice. It was murmuring, 'Excite him, excite him.' And then Lis came over to me and put my sex in her mouth. And she touched it with her tongue. And once again I heard the voice coming from outside and saying, 'Tie him up so he can't finish.' Lis moved away from me. I felt very hot and I begged her to go on. It was then that she handcuffed my hands behind my back and danced in front of me. I felt hotter and hotter. Outside I heard the sound of a woman's laughter. It sounded like Altagora.”
Fernando Arrabal (Melila, 11 augustus 1932)
De Amerikaanse schrijver en essayist Andre Dubus werd geboren op 11 augustus 1936 in Lake Charles, Louisiana. Zie ook alle tags voor Andre Dubus op dit blog.
Uit: Dancing After Hours
“As a young man, in his first marriage, he had done some erotic dabbling: one-night stands whose causes, he now knew, were alcohol, night, and vanity. This had only scratched his marriage: a little blood showed, nothing more; for his wife had also fallen from grace, and in the same way. Theirs was a confessional marriage, and the purging of one and forgiving by the other deepened their love. The marriage ended much later, when their sexual mischief was far behind them, and Lee would never understand all of ist ending any more than he could explain why, on their first date in college, there was already enough love between them to engender the years it would take to have three children and let their love die. He learned how quickly love died when you weren’t looking; if you weren't looking. At the restaurant a flaxen-haired young waitress flirted with him as a matter of course. This was Doreen Brodie. She was tall, and her limbs looked stronger than his. Some nights he had an afterhours drink with her, sitting at the bar, and her blue eyes and thin red lips aroused his passion and, more tempting, swelled his loneliness till it nearly brimmed over, nearly moved his arms to hold her. He did not touch her. She was younger than his children, he was old, a marital leftover wearing a jacket and tie. He had come to believe that only young women still trusted love, believed in it. He knew this could not be true, that it was the inductive reasoning of his bad luck, that he simply had not met resilient older women because they lived someplace else, or lived here in this little town but somehow had not crossed his path. Yet even if he met such a woman, wasn’t he the common denominator in three divorces? Perhaps he was a sleeping snake.”
Andre Dubus (11 augustus 1936 - 24 februari 1999) Hier met zijn zoon
“I have a better idea,” he said, “We need a new public information assistant out here, and we’re paying $6000 a year. If you want it, you can have it.” Six thousand a year! That was real money in 1960. I could get a nice apartment, a used car, pay off some debts, and maybe save a little something. What’s more, I could write on the side. As the dollars were dancing in my head, something cleared my senses. From deep inside a bullheaded resolution went up. I had dreamed of being a writer—full time. And that’s what I was going to be. “Thanks, but no.” I heard myself saying, “I’m going to stick it out and write.” Afterwards, as I paced around my little room, I started to feel like a fool. Reaching into my cupboard—an orange crate nailed to the wall—I pulled out all that was there: two cans of sardines. Plunging my hands in my pockets, I came up with 18 cents. I took the cans and the coins and jammed them into a paper bag. There, Alex, I said to myself. There’s everything you’ve made of yourself so far. I’m not sure I’ve ever felt so low. I wish I could say things started getting better right away. But they didn’t. Thank goodness I had George to help me over the rough spots. Through him I met other struggling artists like Joe Delaney, a veteran painter from Knoxville, Tenn. Often Joe lacked food money, so he’d visit a neighborhood butcher who would hand him some wilted vegetables. That’s all Joe needed to make down-home soup.”
Dolce far niente, Guus Luijters, Kees van Kooten, Alfred Döblin, Moses Isegawa, Mark Doty, Jerzy Pilch
Dolce far niente
Gezicht op Amsterdam met schepen op het IJ door Ludolf Backhuysen, 1666
En ‘s avonds namen we de pont
En ‘s avonds namen we de pont over het IJ en keken naar de sterren in het water naar de schepen in de nacht met hun kajuit van licht waar gezongen werd misschien een psalm we voeren heen en weer van onze naar de overkant waar wij niet wilden zijn het IJ gleed ons voorbij een schip gelijk maar als van donker glas met huiverende rimpelingen zou het vanzelf weer ochtend worden en waren wij erbij voor een morgen aan het IJ
Guus Luijters (Amsterdam,3 november 1943) Het IJ tijdens Sail 2010
Uit: Dagboek van een werkloze optimist (Het groot bescheurboek)
“Maandag
Fantastisch geslapen. Wat was het weer een gezellig weekend. Wat kan Lea's vader toch kostelijk vertellen. Vooral als hij begint over dat trappetje, vroeger op de zaak. Kan ik honderd keer horen. En wat ziet Lea's moeder er toch fantastisch uit, voor haar leeftijd. Als Lea er later ook zo uit gaat zien...nou, ik teken er voor. Nee, ik mag mijn handen dichtknijpen met zulke schoonouders. Trouwens ook met de buren en helemaal de hele straat. Leuk gelukt is dat met die bloembakken. Het lijkt soms wel of ons straatje bewoond wordt door alleen maar leuke mensen met een meer dan gemiddelde fantasie: als je alleen al al die verschillende huisnummers ziet! Mijn nieuwe sokken zitten precies goed. Blij dat ik die kleur heb genomen. Lea vindt ze ook het einde. Na de douche (zalig!), heerlijke koffie (Goudmerk) gedronken en onze kopjes niet afgewassen, maar gewoon de boel de boel gelaten. Ergens zijn we wel artiesten. Handig dat het ochtendblad in twee delen komt, dan kunnen Lea en ik na verloop van tijd oversteken. Tegen twaalven zalig gewandeld met de hond en op de terugweg twee warme lekkerbekjes gehaald bij die romantische viskar op de Macayweg. Gelukkig niet in poep getrapt, zodat ze thuis nog warm waren. 's Middags eindelijk heerlijk oude kranten gelezen. BrWrr! Blij dat het niet het nieuws van vandaag was. Half uurtje geknutseld (Taj Mahal uit kroonkurken). Zo lekker als Lea vandaag de bloemkool had gemaakt (kaassausje!), proefde ik haar nog nooit. 's Avonds samen stiekem meegekwist met de televisie. Samen bed verschoond, waar vervolgens als blokken in geslapen.”
„Und leise fing er wieder seine Musik an, das Grunzen und Brummen, und ich geh nich wieder auf die Straße. Der rote Jude trat wieder in das Haus, entdeckte den andern am Geländer zuerst nicht. Er hörte ihn summen. «Nun sagt, was macht Ihr hier? Ist Euch nicht gut?» Er machte sich vom Pfosten los, ging nach dem Hof zu. Wie er den Torflügel anfaßte, sah er, es war der Jude von dem andern Haus. « Gehn Sie doch los! Was wolln Sie denn von einem?» «Nun nun., nichts. Ihr ächzt und stöhnt so, wird man doch fragen können, wie Euch ist.» Und durch den Türspalt drüben schon wieder die ollen Häuser, die wimmelnden Menschen, die rutschenden Dächer. Der Strafentlassene zog die Hoftür auf, der Jude hinter ihm: «Nun nun, was soll geschehn, wird doch nicht so schlimm sein. Man wird schon nicht verkommen. Berlin ist groß. Wo tausend leben, wird noch einer leben.» Ein hoher finsterer Hof war da. Neben dem Müllkasten stand er. Und plötzlich sang er schallend los, sang die Wände an. Den Hut nahm er vom Kopf wie ein Leierkastenmann. Von den Wän den kam der Ton wieder. Das war gut. Seine Stimme erfüllte seine Ohren. Er sang mit so lauter Stimme, wie er im Gefängnis nie hätte singen dürfen. Und was er sang, daß es von den Wänden widertönte? «Es braust ein Ruf wie Donnerhall.» Kriegerisch fest und markig. Und dann: «Juvivallerallera» mitten aus einem Lied. Es beachtete ihn keiner. Der Jude nahm ihn am Tor in Empfang: «Ihr habt schön gesungen. Ihr habt wirklich schön gesungen. Ihr könntet Gold mit einer Stimme verdienen, wie Ihr habt.» Der Jude folgte ihm auf der Straße, nahm ihn beim Arm, zog ihn unter unendlichem Gespräch weiter, bis sie in die Gormannstraße einbogen, der Jude und der starkknochige, große Kerl im Sommermantel, der den Mund zusammenpreßte, als wenn er Galle spucken müßte.“
Alfred Döblin (10 augustus 1878 – 26 juni 1957) Barbara Sukowa (Mieze) en Günter Lamprecht (Franz Biberkopf) in de tv-serie van Rainer Werner Fassbinder uit 1980
“Uncle Kawayida was a meter reader for the Ugandan National Energy Board. His job was to visit people’s homes and take readings used to calculate the monthly energy bills customers had to pay. Courtesy of his travels and, I believe, of his large imagination, he told stories of women who used sugared promises to try to bribe him into under-reading their meters, and of men who tried to impede his work by accusing him of flirting with their wives. He amazed us with stories of people living in congested urban squalor, ten to a little house, with parents fucking in the vicinity of children who cleverly feigned sleep. He spoke of women who committed garage abortions by slipping stiff leaf stalks or bike spokes up the condemned birth canals of unfaithful wives or sneaky daughters, an occasional fatal or near-fatal hemorrhage the price for puncturing the wrong things. He told tales of men who beat their wives with electric cables, sticks, boots or fists and afterward ordered them to serve their dinner or to fuck them, and of women who drank and fought like men, cracked open men’s heads with beer bottles and subsequently emptied their pockets. In those places were wild children who did not go to school and got into a life of crime: stealing, robbing, mugging, sometimes even killing people. In the same places lived rich people’s children who went to school in big cars, laughed at teachers and wrote love letters in class. There were also people who could hardly make ends meet, who ate one meager meal a day after doing backbreaking work. In that world roamed fantastic football hooligans who fought their rivals in epic battles in which rocks, piss bottles, shit parcels, clubs and even bullets were exchanged to the point where police had to intervene with tear gas or bullets. There were men and women, devout churchgoing Catholics and Protestants, who worshipped the Devil and offered blood sacrifices during nocturnal orgies; and people of different religious denominations who deposited featherless, headless hens, dead lizards, frog entrails and other ritual garbage in other people’s yards, outside shopfronts or at road junctions.”
Uit:His Current Woman(Vertaald door Bill Johnston)
“Come here,” he said with that particular sort of tenderness which human fury can sometimes turn into in the space of a few seconds.The specter standing at the foot of the bed vanished, but the tenderness remained. Dear Lord, thought Kohoutek, dear Lord, it’s not that I’m taking Your name in vain, but when all’s said and done, my current woman is sleeping in the attic of a prewar slaughterhouse, separated from outer space by no more than a layer of crumbling roof tiles and a piece of cardboard. I mean, it’s ridiculous. At this point, in Pawel Kohoutek’s soul and body deadly fear gave way to stupendous audacity. Since I was capable of concealing her; since I was able to take her bread, sausage, lemonade, and three blankets from the stove room; since I managed to accomplish all that, I’ll accomplish even more: Unnoticed by anyone, I will go to her and I will make love to her, said Kohoutek almost aloud, and he rose from his bed. Incidentally, his thoughts continued, what is it that she sees in me? She’s just like all the others; she’s attracted by that damned veterinary medicine, he answered himself. In the silence and the darkness he set about getting dressed. He put on pants and a sweater, pulled his shoes on his bare feet, threw his trench coat around his shoulders, and moved off with extreme caution down the long hallway toward the front door.As he was passing the room in which his wife slept, he paused for a moment to assure himself he was safe. He placed an ear to her door and listened to her peaceful breathing. The poor thing’s asleep, he thought, and he was suddenly overcome by another wave of emotion.This time it was an emotion connected strictly with the matter of marital fidelity. The poor thing, she’s sleeping peacefully, and I’m up to all this. I mean, I’ve been with this woman for so many years, whispered Kohoutek to himself, so many years, and what I’m doing is so immoral. And upon a sudden impulse Kohoutek opened the door and, still dressed in his clothes, climbed onto her bed and began to shower her with passionate kisses. Kohoutek’s wife, who was in a deep sleep, didn’t immediately realize what was going on.”
De Vlaamse schrijver en musicus Elvis Peeters werd geboren op 10 augustus 1957 in Grimbergen. In 1982 stond Peeters met zijn Nederlandstalige punkgroep Aroma di Amore in de finale van de Rock Rally. Vanaf eind jaren tachtig is Peeters ook actief in andere muzikale projecten o.a. ‘Peeters en Angst’(1988), ‘De Legende’(1992) en ‘Schmoll’(2004). Sinds begin jaren negentig legt Elvis Peeters zich voornamelijk toe op het schrijven van theaterstukken, hoorspelen, verhalen en romans. Het werd de start van een duurzame, literaire samenwerking met co-auteur Nicole Van Bael. Hun eerste theatertekst ‘Het uur van de aap’ kreeg in 1990 meteen een eervolle vermelding in het juryrapport van de Nederlandse Toneelschrijfprijs. In 1992 verscheen de eerste verhalenbundel. In 1998 publiceerden Peeters en Van Bael een eerste roman ‘Spa’. In 2000 haalde de verhalenbundel ‘Brancusi’ de long list voor de Gouden Uil. In 2001 volgde het eerste kinderboek ‘Meneer Papier gaat uit wandelen’ met tekeningen van Gerda Dendooven. In 2005 verscheen een tweede roman ’De Ontelbaren’. Het boek stond op de shortlist voor de Libris Literatuurprijs 2006 en de longlist voor de Gouden Uil 2006. In 2008 verscheen Peeters eerste dichtbundel ’Dichter’. De roman “WIJ”werd in 2009 met applaus onthaald en zorgde voor flink wat discussie. Van dit snoeiharde verhaal over acht adolescenten werden meer dan 10.000 exemplaren verkocht. De roman 'Dinsdag' uit 2012 werd genomineerd voor de AKO-literatuurprijs en de Libris-literatuurprijs.
Uit: WIJ
“De dag daarop namen we hetzelfde viaduct. Dat waren we niet van plan geweest, we bleken te lui om een ander te kiezen. We kropen niet terug in de berm. We gingen bij Karl en zijn brommer staan, een eind van de meisjes verwijderd. Boven de andere rijrichting van de snelweg, waar het viaduct al bijna weer begon te dalen. Over het viaduct kwam weinig verkeer. Af en toe een tractor, soms een auto, soms een fietser. We zagen ze van ver komen. We waren gewoon twee groepjes jongeren, een paar meisjes, en paar jongens, die uit verveling naar de auto’s op de snelweg keken die onder het viaduct door raasden. Vrachtwagenchauffeurs, zakenlui, koeriers, families die op vakantie vertrokken. Het kon iedereen overkomen. Achter het stuur moet je oplettend zijn. Hoe graag worden mensen niet afgeleid? We vroegen ons af of het mogelijk was. De meisjes stonden op een rij, hun voeten uit elkaar. Ze wuifden naar de auto’s. Met één hand, de andere arm lag met de elleboog op de brugleuning en met die hand hielden ze hun rokjes omhoog. Hun kruis paste precies tussen twee spijlen van de reling. Vier jonge kutten. Wie wil dat niet zien? ’s Ochtends om half elf. De zon brandde al. Plots zagen we de auto van zijn lijn afwijken, een grijze Peugeot. Hij raakte maar heel even de auto die hem net inhaalde, een groene Nissan. Hun snelheid lag hoog. Ik meen zelfs dat Liesl met haar slipje zwaaide in plaats van met een witte zakdoek. We hoorden de klap onder het viaduct. Jens rende met zijn camera naar de reling aan de overzijde. De auto’s schoten dwars over de rijstroken. De Nissan sloeg over de kop en belandde in de middenberm, die geel zag van de brem. De Peugeot tolde tegen de vangrail, werd opnieuw de weg op gekatapulteerd. Femke filmde het met haar gsm, ze moet bliksemsnel zijn geweest. Als bij wonder raakte de Peugeot geen andere wagens meer. We konden de adrenaline ruiken. We hoorden tientallen auto’s, vrachtwagens krijsend remmen. Een blauwe Audi met een caravan die te snel reed, ramde een bestelbus. De Peugeot sloeg tegen de berm, bijna op de plek waar wij de dag daarvoor hadden gezeten. Toen klonk een luide knal. De Nissan vloog in brand tussen de bremstruiken, met zijn vier wielen omhoog. We hoorden het loeien en het ratelend knetteren van de vlammen. Karl startte de brommer, hij nam Liesl mee, de andere meisjes holden naar hun fietsen. Het was warm, we hadden dorst. Wellicht haalde het voorval de kranten en wisten we morgen wie de slachtoffers waren. Het mooiste op de beelden van Jens zijn de vlammen en het verzengen van de brem. Femke legde alleen de smerige zwarte rookwalm vast.”
Dolce far niente, Jürgen Becker, Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer
Dolce far niente
Zomerbui op de Singel (Amsterdam) door Thomas Schmall, 2010
Sommerregen. Schwarzer Abend… In memoriam Donald Barthelme
Sommerregen. Schwarzer Abend. An den Rand einer Todesmeldung gekritzelt die verfügbaren Daten, die das Interview in Gang setzen, die Erinnerung an entrückte Begegnungen, von denen wir uns mehr Zukunft versprochen hatten.
Der neue New Yorker bleibt offen liegen. Was heißt Zukunft, wenn sich das letzte Gespräch per Bandschleife endlos wiederholen läßt und ein Nachruf zehn Jahre liegt im Archiv. Trockener Sommer. Der Abend ist hell.
Eine Reise ist vorzubereiten. Man muß durch eine Nebelfront, deren Weiß so weiß wie chinesische Trauer ist. Bitte keine Zitate. Thema vom Tisch. Die Gerstenfelder sind leer, und man liest, kompliziert sind die Städte.
Jürgen Becker (Keulen, 10 juli 1932) Keulen in de regen. Jürgen Becker werd geboren in Keulen
Mijn lichaam had nergens iets te verbergen, maar het verborg zich toch uit huiver voor de grote vinder die er enkel op uit was het mee te nemen naar elders. Het dierf niet te kijken, zocht beschutting achter
veel te kleine handen en met die handen wist het zich geen raad. Het kroop in de kast om zoek te raken, dook dieper onder, zette zijn tanden in de bruidsjapon van zijn ma, bedekte heel zijn muizenziel,
alsook het kippenvel rondom zijn kindertepels, met alle onzichtbaarheid van de wereld. Niets had mijn lichaam te verbergen, maar het verborg
zich, duwde zich af tegen de randen van zichzelf, schaamrood op de wangen, zweet in de handen. En nooit kon het de grote vinder verhinderen.
Jaren later
Omdat ik nooit één vers verzonnen heb dat zich om jouw schouders leggen liet als een warme arm of als een sjaal, maar je pover in mijn taal onthaalde, waar het altijd tochtig was,
omdat ik door de eerzucht werd verteerd om 't plechtige verdriet van dikke kinderen of 't sjofele gesjacher van een meisjeslijf te spellen met een overspel van woorden, al jaren op het afscheid toebereid.
ter wille van één rilling en wat dringende driften, om wat ik niet vermocht, vermogenloze danser, maar om verdwenen zwier die óns bewonen bleef zoals een nachtelijke balzaal, al verlaten, geheel vervuld nog van de trieste walsen,
om alles wat niet blijft, blijf jij mij over, want alles gaat voorbij, maar niets gaat over.
De bekoring
Mooie meisjes duren niet lang. En de uiterst bekoorlijke blondines met groene, ja zeer groene ogen het kortst van al: korter nog dan een gedicht, korter dan de snelheid van het licht in hun groene, ja zeer groene ogen.
The trees are coming into leaf Like something almost being said; The recent buds relax and spread, Their greenness is a kind of grief.
Is it that they are born again And we grow old? No, they die too. Their yearly trick of looking new Is written down in rings of grain.
Yet still the unresting castles thresh In fullgrown thickness every May. Last year is dead, they seem to say, Begin afresh, afresh, afresh.
Cut grass
Cut grass lies frail: Brief is the breath Mown stalks exhale. Long, long the death
It dies in the white hours Of young-leafed June With chestnut flowers, With hedges snowlike strewn,
White lilac bowed, Lost lanes of Queen Anne’s lace, And that high-build cloud Moving at summer’s pace.
Love We Must Part
Love, we must part now: do not let it be Calamitous and bitter. In the past There has been too much moonlight and self-pity: Let us have done with it: for now at last Never has sun more boldly paced the sky, Never were hearts more eager to be free, To kick down worlds, lash forests; you and I No longer hold them; we are husks, that see The grain going forward to a different use.
There is regret. Always, there is regret. But it is better that our lives unloose, As two tall ships, wind-mastered, wet with light, Break from an estuary with their courses set, And waving part, and waving drop from sight.
Maar nu de taal waarmee de mens het doen moet ik het maken
het lichaam dat in zonlicht de kracht krijgt van honger en in de gebalde vuist van oorlog en liefde zichzelf afkluift zingend
de taal het gratis theater van de ontkenning, levend
en buiten de dodende stromende tijd die de ogen vertroebelt het kijken schoonspoelt.
Woorden als deze
Waar geurde je toen naar, toen, het was een woord dat er niet was, zomersneeuw, zweem van lichtweefsel, mondstilte, honinggras
vandaag, najaar, in ons slordig beheerd paradijs hoorde ik, afzijdig, tussen de wildgroei je pathetisch geblokkeerde zilver rinkelen
ik ziende taalde het doofste, witvlinders, leven zo licht dat geen naam het kon dragen, en jij bestond dit onteigend moment dat ik rilde
woorden als deze staan voorgoed roerloos, ik bewoon ze, ook nu de wind opsteekt, oude schaduwtakken breken en je het koud hebt -
Spakeloos landschap
De mensen worden uit het landschap weggenomen: wat een rust! vooreerst nog geen puinhopen, het licht is het licht dat er is op huizen als dingen naamloze bomen een klagende waakhond een jagende vos
later naarmate het donker nadert steeds meer kraaien -
Gerrit Kouwenaar (9 augustus 1923 - 4 september 2014)
“Zo ongeveer zal het gebeurd zijn: Laat op de avond kwam Hetty rommelig thuis van haar filosofische kunstkring en raasde vervuld van wat ze over het leven en de dood had gehoord zijn kamer binnen zonder te kloppen. En deinsde terug. ‘Barend,’ prevelde ze, ‘Barend.’ Haar gezicht was verstard, haar mond was opengevallen. ‘Barend!’ Ze zag hem daar zitten, wijdbeens in zijn fauteuil die hij onder het licht had geschoven om zichzelf beter te kunnen bekijken! En achter hem al die kasten vol: duizenden boeken, het beste wat ooit door grote geesten was bedacht als het geen beesten waren tenminste! Haar adem stokte. Haar Barend - moederziel alleen in die fauteuil, zijn rug naar de boeken, en dat bleke gerimpelde losse vel strak als een trommelvlies in zijn hand op haar gericht! Als een futiel dreigement, een goedkope aanbieding! ‘Wat,’ fluisterde ze, ‘wat! Ben jij dat? Doe jij zoiets waar ik bij ben?’ Haar stem won aan kracht. Ze schreeuwde het naar hem uit: ‘WAT!?’ En Barend maar gelukzalig glimlachend naar haar kijken, en naar zijn hand, zijn langzaam bewegende hand. Gelukzalig glimlachend mompelde hij iets, ze vluchtte de kamer uit, knalde de deur achter zich dicht, stormde de twee trappen op naar haar slaapkamer. Op haar slaapkamer smeet ze hijgend haar tas op haar bed onder het schuine dak. Haar hart bonsde en sloeg over, het gaf schrikbarende knallen. Voor de spiegel zette ze grote schrikogen op. ‘Bah!’ riep ze uit de grond van haar geteisterde hart, ‘bah! Dat ik dat nog te zien moest krijgen, zo’n domper op de bezieling van een overrompelende avond, ’s nachts om tien over twaalf! Alsof ik mijn buik niet vol had van dat ding!’ Ze rukte haarjas open, schudde hem af en gooide hem achter zich op het bed, bij de tas.”
Henk Romijn Meijer (9 augustus 1929 – 23 februari 2008) In 1975
Dolce far niente, Adriaan Jaeggi, Jostein Gaarder, Klaus Ebner, Birgit Vanderbeke, Gernot Wolfram, Hieronymus van Alphen
Dolce far niente
Het laden van vaten op de Brouwersgracht door Cornelis Vreedenburgh, 1919
Ode
het verbaast ons niet dat wij de mooiste zijn zeggen de gevels het zou niemand moeten verbazen neuriet het water
this is pata negra-country hier broeden de salonboten en groene stalen bruggen ademen het vertrouwen dat we eeuwig zijn het is hier altijd laat van licht en tijd
de moeder van de grachtengordel drijft een beautyshop voor platbodems aan het ongelijk plaveisel
this is pata negra-country je moet er iets voor doen om hier te wonen en niemand zal vertellen wat
Adriaan Jaeggi (3 april 1963 – 10 juni 2008) De Brouwersgracht tegenwoordig
Uit: Die Frau mit dem roten Tuch (Vertaald door Gabriele Haefs)
„Aber da bist du nicht der Einzige, Steinn. In unserer Zeit gibt es viel psychische Blindheit und viel geistige Armut. Ich dagegen bin so naiv, dass ich es nicht als schnöden Zufall abtun kann, dass wir plötzlich noch einmal zusammen auf dieser Hotelveranda standen. Ich glaube, es hat dabei eine Art Regie gegeben. Frag mich nicht, wie oder auf welche Weise, denn das weiß ich wirklich nicht. Aber es nicht zu verstehen bedeutet, die Augen zu verschließen. König Ödipus hat auch nicht gesehen, welche Schicksalsfäden sich um ihn webten, und als er es endlich sah, war er so beschämt, dass er sich selbst das Augenlicht genommen hat. Was sein Schicksal betrifft, war er ja die ganze Zeit schon blind gewesen. Plötzlich geht es zwischen uns zu wie beim Pingpong. Vielleicht sollten wir den ganzen Nachmittag so weitermachen? Dann komme ich an diesem schönen Sommertag auch noch ein wenig hinaus nach Ytre Sula. Was meinst du? Doch, lass uns miteinander reden. Ich habe Ferien, und hier gilt die ungeschriebene Regel, dass an einem Ferientag jeder macht, was er will. Ein bisschen streng sind wir nur mit den Mahlzeiten, die wir gemeinsam einnehmen. (Nur frühstücken darf jeder, wenn er aufsteht.) Aber jetzt liegt das Mittagessen noch nicht lange zurück, und ich habe bis zum späten Abendessen keine Verpflichtungen mehr. Wenn kein Wind aufkommt, können wir vielleicht auch wieder grillen. Und du? Wohin wird es mich an diesem Nachmittag noch ein wenig verschlagen, meine ich?“
„Ina fragte ihn, warum auf der Karte kein Beruf stünde, denn allein mit dem Namen wisse doch niemand, dass er Maler sei. Sie kam mir dabei recht impertinent vor und machte mich verlegen, doch Walder grinste freundlich, räumte ein, dass er natürlich noch nicht mit Berühmtheiten wie Attersee und Lassnig, ganz zu schweigen von Institutionen wie Kokoschka und Schiele, mithalten könne, und erwiderte, es wirke doch zumindest blasiert, wenn die Berufsbezeichnung Maler, Kunstmaler oder gar akademischer Maler die schlichten Lettern seines Namens hochhievte. Im Grunde hatte ich mich bereits entschieden, seinem Wunsch nachzugeben und es einmal auszuprobieren, denn eine solche Gelegenheit bietet sich wohl nicht alle Tage. Indes stellte ich mich unentschlossen und tat, als wollte ich zuerst genauere Erkundigungen einholen, neigte den Kopf etwas zur Seite und äußerte eine gewisse Verwunderung darüber, dass er ausgerechnet mich auswählte. Innerlich schmunzelte ich und vermied es, Ina anzusehen, damit wir nicht beide unweigerlich in Gelächter ausbrachen, doch meiner Erwartung, gleich ein paar der üblichen Floskeln von diesem Mann zu hören, von wegen wahnsinnig attraktiver Frau, abgrundtiefer Augen, und ähnlichen Schwachsinn, begegnete er mit einem ernsten Gesichtsausdruck und bekannte, er sei an Menschlichkeit interessiert und habe das Gefühl, ich besäße eine Menge davon. Eine Woche später klopfte ich an seine Wohnungstür im sechsten Bezirk und ein diesmal leger gekleideter Walder, mit naturfarbener Hose und dunkelblauem Sweatshirt, öffnete. Richtig galant bat er mich weiter und führte mich gleich im Atelier herum, dessen Zentrum ein riesiger Raum bildete, mit Glasplatten im Plafond, die in den freien Himmel hinausgingen und das ganze Zimmer in helles Licht tauchten. Ich verstand gut, warum ein Kunstmaler ein solches Ambiente bevorzugte, und mutmaßte gleichzeitig, dass Walder mit seinen Bildern ordentlich verdient haben musste, um dieses Atelier bezahlen zu können. An den Wänden lehnten Landschaften, Ölmalereien, die mir nicht besonders aufregend schienen und mich kaum ansprachen. Ganz vereinzelt entdeckte ich Aquarelle von Wiener Innenhöfen, begrünte und belebte Stadtoasen, von denen manche sogar als Gaststätten dienten. Diese Aquarelle besaßen einen gewissen Reiz, doch ich ließ mir nichts anmerken, weil ich die Bilder möglicherweise nur deshalb ansprechend fand, weil ich solche Höfe mochte und gern selbst einen besitzen wollte. Im Grunde vermied ich, etwas über die Werke auszusagen, das mich letzten Endes als Unwissende verriete, versuchte ich doch zumindest als feinsinnig und kunstliebend zu gelten. Nirgendwo stieß ich indes auf Akte, die angebliche Spezialität des Malers.“
„Es war der Sommer der Wildschweine. Und es war der Sommer, in dem alles anders wurde. Wenn man genau überlegt, was in diesem Sommer passiert ist: eigentlich nicht viel. Jedenfalls uns nicht. Aber manchmal muss gar nicht viel passieren, und dennoch steht hinterher kein Stein mehr auf dem anderen, und tatsächlich stand hinterher kein Stein mehr auf dem anderen, und vielleicht war das gut so. Aber es ist gefährlich. Im Laufe des Sommers hat der Boden unter unseren Füßen angefangen, sich zu bewegen, es gab erst leise und dann immer stärkere tektonische Reibungen, Zerrungen, Deformationen, irgendwelche lithosphärischen Vorgänge, kein Erdbeben natürlich, kein Vulkanausbruch, nur eben dass der Boden, auf dem du stehst, keine sehr stabile Grundlage für deine Schritte mehr ist, wir haben alle vier angefangen zu schwanken, obwohl Johnny und Anouk anfangs gar nicht dabei waren, und dazu kamen auch noch die Wildschweine. Solche tektonischen Vorgänge gibt es in jedem Leben, in Ihrem sicherlich auch. In unserem Leben haben wir uns gewissermaßen daran gewöhnt, dass von Zeit zu Zeit die Erde bebt, und dann überlegst du: Erdbeben oder Weltuntergang. Seit wir denken können, schwankt uns immer mal wieder der Boden unter den Füßen, dass wir denken, das war’s jetzt, Weltuntergang, weil demnächst die Miete fällig ist oder der Winter kommt. Mit dem Winter ist das Heizen dran, und sonderbarerweise bebt die Erde nur selten im Sommer, jedenfalls unter unseren Füßen, sondern immer ab Oktober, November, wenn das Heizen demnächst dran ist, es hat mit der Weltwirtschaft zu tun, die gern nach den Sommerferien und noch lieber nach den Wahlen zusammenkracht, und gewählt wird meistens im Herbst, jedenfalls in den Ländern, die entscheiden, wann die Weltwirtschaft zusammenkracht.“
„Als sie am Gare du Nord angekommen waren, war der Himmel über dem Bahnhofsgebäude glasklar, ein nüchternes, weites Strahlen, das die Augen blendete. Er fragte, ob sie mit ihm etwas essen gehen wolle. Ich muss zurück ins Hotel. Mein Onkel wartet auf mich.« Ich kann mir ein paar Tage freinehmen und nach Freiburg kommen.« Es macht keinen Sinn, wenn wir uns wiedersehen.« Maja, verschwinde jetzt nicht einfach wieder. Komm endlich in der Wirklichkeit an.« In welcher denn ...? Ich muss wirklich gehen. Bernhard hat schon mehrmals angerufen.« Dann war sie schnell in eine Seitenstraße eingebogen, wobei sie sich nocheinmal umdrehte und ihm kurz zuwinkte. Jemand klopfte an die Tür. Ein Kollege aus der Sportredaktion, der fragte, ob er zu der Nachmittagskonferenz hinüberkomme. Die anderen würden schon warten. Irgendetwas liege in der Luft. Ich komme gleich.« Er nahm sein Jackett und verschloss die Fenster. Er lächelte, als er sah, wie draußen im Hof der Hund des Pfortners um das Glashäuschen hemmtrottete. Als ihm Maria auf dem Gang das Papier mit den Stichpunkten für die Sitzung überreichen wollte, nickte er kurz, nahm es und steckte es ungelesen in die Innentasche seines Jacketts. Er schlenderte über den Hof in das Nebengebäude, in dem die Konferenz stattfand. Er hielt das Gesicht in die Sonne. Ein noch versteckter, zarter Geruch nach Herbst lag in der Luft. Er dachte an die Geschichte von Maj as Vater, an den Oktopus und dessen Tentakelbewegungen in dem Plastikeimer. Er fragte sich, ob er jemals einen Oktopus gesehen hatte, der in Freiheit lebte. Wie weit diese Tiere wohl ihre Fangarme ausstrecken konnten?“
Waarom verwelkt de roos zo ras? Zei Jantje, och of 't anders was! God wierd ook, dunkt me, meer geprezen, Zo 't roosje langer bleef in wezen.
Al denkt ge, dat ge 't wel doorziet, Mijn lieve Jan! het is zo niet. De Schepper weet het best van allen, Waarom 't zo schielijk af moet vallen; En wil ook, dat ge gadeslaat, Hoe ras het aardse schoon vergaat. De schepper, die 't ons past te vrezen, Wordt door bedillen nooit geprezen.
De bedelaar
Die afgeleefde man, die bijkans nakend zit, En trillend van de kou, mij om een duitje bidt, Is even goed als ik. Gods wijsheid gaf alleen Mij wat meer geld dan hem. Ben ik dan beter?... Neen. Een vroom en eerlijk mens draagt dikwijls slechte kleren, Ik wil dan ook de deugd in arme mensen eren. Die met verachting op hem ziet, Doet naar ‘t bevel van Jesus niet.
Flipje, de vader en de tuinman
Flipje: Wel waarom snoeit ge toch de bomen, Zeg trouwe Piet? Daar aan die takjes vrucht zou komen, Gelijk ge ziet.
De tuinman: Een boom, die al te veel moet dragen, Verliest zijn kracht, Ook zou de vrucht zo niet behagen, Als gij verwacht. Uw vader heeft graag goede peren!
De vader: 't Is wel gezegd: En 't deel van die te veel begeren Is doorgaans slecht.
Hieronymus van Alphen (8 augustus 1746 – 2 april 1803) De markt in Gouda door Johannes Bosboom, 1880
De Vlaams schrijver André Demedts werd geboren in Sint-Baafs-Vijve (Wielsbeke) op 8 augustus 1906. Hij debuteerde in 1929 met de dichtbundel “Jasmijnen”. Verder schreef hij onder meer de romans “Voor de avond valt” (1947), “De ring is gesloten” (1951), “Voor de avond valt” (1964), ' 'Geluk voor iedereen' ' (1982), “Veertien-Achttien” (1985). Het meest vermeldenswaardig zijn de repressieroman “De Levenden en de Doden” (1959) en de tetralogie “De Eer van ons Volk” (1973-1978), een plattelandsepos dat zich afspeelt in de woelige periode rond de Franse Revolutie en deels gebaseerd is op Demedts’ eigen familiegeschiedenis. Hij schreef ook een belangrijke biografie van Stijn Streuvels: “Stijn Streuvels, een terugblik op leven en werk” (1971). Demedts kreeg in 1962 de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies voor De levenden en de doden en in 1976 voor zijn gehele oeuvre. In 1990 kreeg hij de Driejaarlijkse Staatsprijs voor literatuur voor zijn gehele schrijverscarrière. In 1970 werd de André Demedtsprijs ingesteld voor mensen of instellingen die zich inspannen voor de Groot-Nederlandse gedachte. Demedts streefde hierbij naar de culturele integratie tussen Vlaanderen, Nederland en Zuid-Afrika. Demedts was lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en werd bekroond met de Driejaarlijkse Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan. Hij schreef een alle genres omvattend oeuvre bijeen.
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben, en ook zal sterven naar Gods wil. Hier groeit geen boom, noch ligt een steen, die ik niet ken.
Het land is mild en trouw, voor elken man die het bemint, er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw, wier liefde niet een einde vindt; er is alleen het land, mijn land dat blijft, om in te liggen als het leven zelf verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan, vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch, ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan, gelijk een keerende herfstwind was. En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet, als men alleen nog om zich zelven lacht, en om geen dingen meer, en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij, die zich aan land noch lucht gewent, en almaardoor aan 't vragen blijft, of er geen ander land bestaat dat hij veel beter kent...
Gelegenheidsvers
'k Heb Lieze weergezien. Zij stond stil in de regen. Toen ik haar riep, bewogen haar oren verrast; zij kwam naar mij toe; vertederd ging ik haar tegen, zij wreef met haar kop, ruw pakte ik haar manen vast.
Mijn paard, zei ik haar. Zijt gij nog altijd in leven? Weet gij nog wel hoe jong en hoe wild gij toen waart? En waar, vroeg zij mij, zijt gij tot nog toe gebleven, waar is het beter voor u, dan hier bij uw paard?
Ik ben niet thuis, gaf ik toe. Ik leef onder mensen, ik vermoed dat ik voor hen niet goed genoeg ben; ik doe wat ik kan; naar 't schijnt zal ik eerlang wensen: sta mij toe dat ik niets van de mensen meer ken.
Ontdekken en leren is goed; alles verleren is beter; 't geeft soms de rust die 'k nimmer gewon. Dan zal ik waarschijnlijk tot u weer kunnen keren, of zou 't spreekwoord geen waar zijn: na regen komt zon
Is alles leugen wat wij ons wijs lieten maken, is er niets dan geklets en gescharrel om baat? Is er buiten geknoei en bedrogen geraken geen heil voor onze menselijke edele staat?
Waar gaat gij nog heen, druipend, alleen in de regen, zoekt gij nog iets dat eens een begoocheling bood?... Er is maar één waarheid, wij gaan lachend haar tegen, ach Lieze, mijn beest, er is geen thuis dan de dood.
De Nederlandse schrijfster Lotte Lenteswerd geboren in Trier in 1990. Lentes studeerde Nederlands in Nijmegen. Ze schrijft, is programmamaker bij literair festival Boek op de Bank en de ene helft van het duo Arts en Lentes. Ze werkte voor onder andere Das Magazin en NTGent, en haar stukken verschenen onder meer in De Titaan, Trouw, De Optimist en Hard//Hoofd. Ook schreef zij teksten voor theatervoorstellingen die werden uitgevoerd op H80 Festival en Mooie Worden Festival. Haar novelle ‘De jongen, het stof’ verscheen in november 2015 bij Literair Productiehuis Wintertuin. In datzelfde jaar werd ze geselecteerd voor het Slow Writing Lab, het talentenprogramma van het Nederlands Letterenfonds. Lentes maakt ook onderdeel uit van het literair agentschap van Wintertuin.
Uit: Walter
“Ook vandaag heeft Walter de aankleedhulp geweigerd. Steunend op een plastic wandelstok met houtmotief schuifelt hij door de gangen van de kliniek, zoals altijd onberispelijk gekleed: een donkerblauwe pantalon met vouw, een wit overhemd met gesteven boord en een olijfgroene trui van kasjmier. Hoe een tachtigjarige man in deze toestand zelfs maar zijn eigen onderbroek aankrijgt, blijft voor iedereen een raadsel. Sinds zijn pensioen rookt Walter vanille sigaren, maar die zijn hier niet te krijgen. Op de patio haalt hij een verkreukeld pakje Gauloises uit zijn borstzak om na twee diepe halen zijn sigaret weer uit te maken. Hoesten doet pijn aan zijn stuitje, maar alles doet in principe pijn. Naproxen (pijnstiller), hydrochloorthiazide (voor de bloeddruk), Lisinopril (voor de nieren), Crestor (voor de cholesterol), vitamine C (voor de show), medicijnen waar hij zijn hele leven een gezonde achterdocht voor heeft gevoeld, hebben hem tijdens de eerste twee weken detox een hellevaart bespaard. Hij neemt daarom voor lief dat hij ze driemaal daags moet gaan halen bij verplegend personeel dat tegen hem praat als tegen een pas gecastreerde Jack Russel. ‘En Wallie, hoe voelen we ons vandaag?’ Hij is nog nauwelijks over de drempel van de verplegerspost of ze staan al met zijn drieën om hem heen. Ze geven hem schouderklopjes en knijpen in zijn bovenarm. Walter heeft geen lucht om zich te verweren, werkt daarom zo snel als hij kan het programma af. Doorslikken, mond open, tong omhoog, wegsloffen. De eerste keer in een kliniek, nu zo’n dertig jaar geleden, had hij geen medicijnen nodig. Toen zijn vrouw dreigde de halve inboedel en hun twee kinderen mee te nemen als hij niet zou stoppen met drinken, liet hij zich schoorvoetend opnemen. De pijn die na de detox in alle spieren, pezen en botten van zijn lijf was komen opzetten, was toen vanzelf weggegaan. Over de onpeilbare verveling en desinteresse die aan zijn verslaving ten grondslag lagen, moest hij praten met therapeuten en groepsgenoten.”
Dolce far niente, Abdelkader Benali, John Birmingham, Cees Buddingh’, Diana Ozon, Othon III de Grandson
Dolce far niente
Kasteel Assumburg, Heemskerk
Heemskerk
Paars pioenroze in juni. Twee vijftig voor een bosje. Te geef. Ze liggen in een kratje te wachten op een hardloper, een wandelaar, een koper.Wij passeren. Mijn tweede keer in Heemskerk. Drie rondjes
van zeven kilometer. Een bordje met daarop kam- pioenen. Bloemen geurt alles naar. Drie rondjes betaald door Tata Steel. Tietenijzer. De eerste keer liep ik harder, de tweede keer kom ik niet verder
dan de derde. Villawijk. Polder. De geur van mest. Mensen op het gazon, kortgeknipt en groen. Een villa staat te koop. Een donkere vrouw met aan haar voet een flesje water,
wacht op haar man, haar minnaar, haar vriend, een zus. Familie. Onze blikken missen elkaar.
“Kipper half expected to be grabbed in a headlock for an affectionate noogie. That would have set his detail right off. But after a few moments the uproar receded. Kipper’s gaze fell on a woman, who’d remained unusually reserved throughout. Doubtless one or two of his detail were watching her closely from behind their darkened sunglasses. He caught her eye and favored her with an indulgent grin by which he meant to convey a sense of amused pity. She obviously did not fit in with this gang of roughnecks. Her features were fine-boned, and she didn’t look like somebody used to long days of heavy manual labor. As he so often found when he traveled around to “meet the peeps”—his daughter’s term, not his—the peeps intrigued him. This nation of castaways and lost souls all had their stories. And you had to wonder what paths had brought biceps guy and this quiet woman to New York three years after the Wave had dissipated as mysteriously as it had arrived. “Mister President,” Karen Milliner said, “we really need to get a move on—the schedule, you know.” Jostled out of his momentary ponderings by the director of communications, his flak catcher in chief, he nodded and smiled apologetically to the workers. “I’m sorry, guys. Just like you, I am a mere civil servant, and my boss here”—he jerked a thumb at Milliner—“says I gotta get back to work.” The small crowd booed her but cheered him as he waved and began to walk away with his personal security detail shadowing every step. Cries of “Thank you, Mister President” and “Way to go, Kip” followed him down into the graveyard of corporate America.”
van september ’35 tot juni ’38 studeerde ik middelbaar engels a. de lessen werden gegeven in het gymnasium aan de laan van meerdervoort te den haag. het was een zich deftig voordoend gebouw: de stortbak van de wc had dan ook twee deftige trekkers, er hing een stukje ivoorkarton naast waarop in deftige drukletters stond: ‘voor grote spoeling gebruike men de lange trekker voor kleine spoeling gebruike men de korte trekker’ een vermoedelijk iets minder deftig iemand had eronder geschreven: ‘in geval van twijfel wende men zich tot de rector’
moraal: ga niet bij het onderwijs, en als u toch bij het onderwijs gaat word dan liever geen rector
Dag met een sterretje
'Kees, we gaan eten!' hoor ik Stientje roepen. Ik klap mijn schrift dicht. Ik lust best wel wat. Ik loop de trap af, strijk mijn haar nog even glad voor de spiegel, ga de kamer in.
Sacha en Ellen zitten al aan tafel. Wiebe helpt Stientje in de keuken. 'Wat eten we? Weten jullie 't?' Nee, ze weten het ook niet. 'k Hoop dat 't yambalaya is.
Maar nee, het blijkt geen rijst. Eerst ben'k een beetje teleurgesteld. Tot 't plotseling tot me doordringt wat daar zo goudgeel glinstert in die schaal.
En innig tevreden vlij 'k er drie, vier naast mijn doperwten en dominolapje. Weer heb ik de nieuwe aardappels gehaald.
Cees Buddingh’ (7 augustus 1918 - 24 november 1985) Cover De Parelduiker, 2011
De Nederlandse dichteres Diana Ozon (pseudoniem van Diana Groenveld) werd geboren in Amsterdam op 7 augustus 1959. Zie ook alle tags voor Diana Ozonop dit blog.
De eerste bloesem
Na de regen sneeuwt het bloesemblaadjes
Een roze tapijt bedekt mijn pad Bedoeld voor een godin een vorstin of de bruid Windvlagen dragen ze aan
Het sprookje is voorbij Ik word werkster De bruine snippers veeg ik op een berg Het lentefeest is over
De zomer begint met alle ernst van droogte maanden van dorst en drank en beminnen
De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam in 1985. Zij groeide op in Amsterdam Zuid-Oost en woonde daarna in bijna alle hoeken van de stad. Van Rijswijk studeerde Nederlands en literatuurwetenschap. Ze werkt als columniste en journaliste. In diverse literaire tijdschriften (DeRevisor, Tirade, SLANG, hard//hoofd en Das Magazin) publiceerde zij korte verhalen en in 2014 was zij een van de initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel. Ze schreef toneel voor Theatergroep Thomas. Zij is redacteur van het literaire tijdschrift Tirade.
Uit: Onheilig
“Leeg, mijn huis voelt leeg, of misschien ben ik het zelf, want hier is niets veranderd. En dat terwijl ik steeds voller word, een lijf gevuld met zwarte stippen, hoewel ik niet zeker weet of die erbij komen ofdat die stippen andere dingen opeten. Ik probeer de gezwellen toe te spreken ’s nachts, ik zeg: kunnen jullie niet gewoon naast wat er al was bestaan, naast mijn ingewanden, mijn botten, ik draag jullie, jullie zijn mij, ik ben jullie. Waarom dat eindige, bedoel ik. Maar tijdens het preken tegen mijn lijf dwaal ik af. Of ik val in slaap, op slechte dagen val ik in slaap. Later worden dat de goede dagen, later is over een maand, twee maanden, wie zal het zeggen. Ik woon niet hoog genoeg om me uit het raam te laten vallen. Zelfs als ik uit het zolderraam op het dak klim is de val te kort om zeker te weten dat ik doodga. Er zouden ongezonde ledematen knakken en ze zouden me in het ziekenhuis in leven houden terwijl dat geen zin heeft omdat het toch allemaal zal stoppen, ze zouden op de gebroken botten dingen zien zitten die er niet horen, het is walgelijk, ik ben de ziekte. Die ben ik altijd al geweest, in zekere zin, het zit in je DNA zei de arts, maar ze zei ook dat mijn levensstijl me niet geholpen heeft. Ze zei dat alsof het een keuze was, zoals sommige mensen zich identificeren met hun motor, of met het feit dat ze veel sporten, zoals de naturisten die in mijn jeugd ook de hele tijd verkondigden dat ze het liefst vrij waren. Dat is een naturist, zei mijn vader over een van zijn werknemers, die gaat in het weekend in zijn blootje badmintonnen. Een levensstijl dus, ik was iemand met een levensstijl. Bij alles wat ik zie denk ik dat het misschien wel de laatste keer is dat ik het zie. Feit is dat die dingen er hetzelfde uitzien als ze eruitzagen voordat het de laatste keer was, en ook dat al die laatste keren nog weken (maanden? jaren?) verder kunnen liggen. Zomerregen, rode auto’s, het wuivende park, een onooglijk klein hondje met een jasje aan. Gisteren slenterde er een uitgeblust straatorkest onder mijn raam langs, de instrumenten sleepten bijna over de grond en de muzikanten zeiden helemaal niets, ze waren van de metro onderweg naar de markt en natuurlijk regende het, de zomer is herfstig.”