Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
23-05-2016
Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Jane Kenyon, Susan Cooper, Michaël Vandebril
O, zaligheid dier eerste lentedagen - Als van de uren, dart'lende doorleefd In zacht verleden, elk de beelden geeft Van wat in jong're vreugd mijn oogen zagen.
't Bloeiende gras waarin wij spelend lagen, 't Warm leven voelende dat samenweeft Wolken en velden wijl de wind aanzweeft Wuivend de geuren die haar vleug'len dragen.
De zón was als een vriend voor mijmering En alle droomen die hem anders vluchten Naar troost in avondscheem'ring's koele schoot.
En als de zaal'ge dag verdwijnen ging En 't westen doofde, breidde door de luchten Wijdere liefde◡over liefde die vlood.
Wees altijd zacht voor hen…
Wees altijd zacht voor hen die eenzaam staan Omdat zij grooter zijn dan die hen tarten, O, laat de dorst dier onbegrepen harten Niet zonder laving langs uw leven gaan.
En zien zij al uw vreugden donker aan, En breekt hun zwijgen soms een woord dat hard en Wreed klinkt - bedenk dan hun gespannen smarten, Zij zelven weten van hun trots de waan.
Diep woelt in hen 't onzegbare verlangen Naar warmte, zacht omhelzen en de lange Streelingen van een vrouw, die spraakloos mint,
En zij die de eenzame dit heeft gegeven Verbrandt zijn duister in haar warme leven, En in zijn vreugde voelt zij zich weer kind.
Herleving
Een rotsenstijgering in 't goud geslagen Van klimmend zonvuur, dat in 't Oost het land Houdt in een wijdomcirkelende brand Van vlammen die de lichte ruimten schragen.
En dáár, op 't hoogtepunt, waar wijde vlagen 't Scherpe eind omwaaien van den rotsenrand, Laait fel mijn hart in stormbewogen hand Van vuur geheven in het licht der dagen.
Daar in het wind-doorwaaide, lichte en wijde Leven der ruimte zal mijn leven zijn Van wereldhartstocht in 't beweeg der heem'len En ik zal brengen al 't verwarrend weem'len Van 't aardsche in mij voor den lichten schijn Waar altijd liefde is en altijd strijden.
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976) Portret door Ernst van Leyden, 1963
“Wilt u iets weten over het bureaublad waaraan ik werk? Goed, ik vertel het u. U kunt meteen doorlezen, maar voor mij gaan er twee hele dagen voorbij, twee dagen dichter bij mijn kist en kuil, ik ben me daar altijd terdege van bewust en vraag me voortdurend af: Waarom ben ik er eigenlijk? Hoe? En hoelang nog? Het is een wonder. Mijn hart heeft al miljoenen malen geslagen, mijn nieren hebben een gigantisch reservoir urine verwerkt, mijn voeten hebben al honderden kilometers afgelegd en nog altijd sterf ik niet. Hoe durft iemand derhalve zomaar een mugje dood te slaan? Ook een mugje heeft een orgaan om zuurstof in zijn bloed te krijgen, een hartje, bloed en zelfs vleugels, die wij niet hebben.) Dat bureaublad is eigenlijk geen onderdeel van een echt bureau, maar een tekentafel die ik al vanaf mijn zevende jaar ken. Mijn vader werkte in en na de oorlog als archivaris op de grote scheepswerf in Schiedam en daar werden tekeningen gemaakt voor schepen en onderzeeërs. Ik herinner me hoe mijn vader mij, toen ik zeven was, zijn burelen liet zien. Ook toonde hij me een geweldig grote zaal waarin wel honderdentwintig schuinopstaande tekentafels stonden en er waren evenveel stoeltjes; ik was er hoogst van onder de indruk. Daarop werden hele schepen of delen van schepen ontworpen. Mijn moeder vroeg mijn vader eens om een houten blad van een bij twee meter dat ze op tafel kon leggen bij haar werk, zodat ze het gewone tafelblad niet zou beschadigen. Mijn moeder heeft namelijk altijd veel naai- en verstelwerk aan jurken en kostuums verricht om een beetje bij te verdienen (bepaald rijk waren mijn ouders niet). Ze knipte patronen uit damestijdschriften of ze kocht ze in de stad in een winkel, tegelijk kocht ze vele meters stof, thuis legde ze de patronen op de stof en met een radeerwieltje maakte ze, de haast onontwarbare streepjeslijnen op de stukken papier volgend, honderden kleine putjes in de stof, het werden grillige lijnen, mijn moeder trok die haast onzichtbare lijnen over met een dun krijtje en dan knipte ze de stukken stof, die ze aan elkaar ging naaien, uit. Ik heb haar daarbij vaak geholpen en had grote achting voor haar omdat ik meende zelf nooit zulk werk aan te zullen kunnen.”
“Mijn secretaresse komt binnen zonder iets in zijn handen, aan zijn gezicht kan ik zien dat hij iets op zijn lever heeft. Ik zeg hem te gaan zitten. Na wat keelschrapen en loze praatjes komt hij ter zake: ''Ik kom je eigenlijk vertellen dat ik wegga.' Ik verkil tot op het bot. Zijn werk is prima, ik kijk graag naar hem, hij voorkomt dat ik blunders maak, ik voel me bij hem geborgen. En nu zou hij vertrekken? Dat kan ik niet toestaan. 'Waarom?' vraag ik neutraal. 'De baan is niet helemaal wat ik ervan verwachtte,' zegt hij, en iets in zijn stem doet me doorvragen. Wat had je dan méér verwacht?' 'Laten we zeggen... samenwerking op een iets persoonlijker basis'. Ik haal verlicht adem. Dit lijkt me geen probleem dat niet op te lossen valt. Als dat alles is, hou ik hem wel binnenboord. Dus ik word streng:'Hoe had je je dat dan voorgesteld?' Hij laat zich op zijn knieeën vallen naast mijn stoel en omknelt mijn kuit. Hij legt zijn wang, die licht stoppelig aanvoelt, tegen mijn scheenbeen en stamelt: 'Vanaf de eerste dag wacht ik erop dat je mij... voor iets anders zult roepen dan brieven, en contracten, en afspraken, en vergaderingen. Je weet niet hoeveel moeite het me kost hier in de kamer vlak naast je te zitten en mijn fatsoen te bewaren.... terwijl ik er alleen maar aan kan denken hoe zacht je huid is en hoe fier je borsten en hoe rond je schouders, en hoe je haar, als ik het losmaak, daaroverheen zal vallen, en hoe ik je overal zal likken en strelen als ik de kans krijg....' 'Kom, sta op,' zeg ik koel. 'Dit lijkt me een probleem dat makkelijk te verhelpen is. Kleed je uit.'
Lydia Rood (Velp, 23 mei 1957)
De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.
Having It Out With Melancholy
1. FROM THE NURSERY
When I was born, you waited behind a pile of linen in the nursery, and when we were alone, you lay down on top of me, pressing the bile of desolation into every pore.
And from that day on everything under the sun and moon made me sad -- even the yellow wooden beads that slid and spun along a spindle on my crib.
You taught me to exist without gratitude. You ruined my manners toward God: "We're here simply to wait for death; the pleasures of earth are overrated."
I only appeared to belong to my mother, to live among blocks and cotton undershirts with snaps; among red tin lunch boxes and report cards in ugly brown slipcases. I was already yours -- the anti-urge, the mutilator of souls.
„It was an odd little play. One of the people in it was Father Christmas, but all he had to do was introduce the other characters to the audience. These were the wicked Dragon, who loved fighting; the Turkish Knight, who fought the Dragon but could never beat him; and the Doctor, who was there in case anyone was wounded. And of course there was the hero, Saint George. The Boy was especially proud of the way he made Saint George kill the Dragon, at the end. The wounded Dragon staggered round in a circle, puffed out three clouds of white smoke, jumped up in the air and fell down dead. (The white smoke was really chalk dust, puffed by the Boy from a little pipe.) The watching children always cheered at this, so the Boy was pleased. It wasn't magic, but it was the next best thing. One Christmas, the Magician and the Boy went to perform at a family party given by a Mr. and Mrs. Pennywinkle, in a grand stone house as big as a castle. "Mr. Pennywinkle is a very important person!" said the Magician, frowning at the Boy. "Everything must be perfect!" The Magician was a very tall man, with a beaky nose, black eyebrows like doormats, and a bristly mustache. He was alarming when he frowned. The Boy said, "Yes, Master! Of course!" He gave the magic wands an extra polish, he shampooed the rabbits, and he repainted the trees on the back wall of the puppet theatre stage. And off they went to the party.”
Annette von Droste-Hülshoff , Erik Spinoy, Arthur Conan Doyle, Ahmed Fouad Negm, Anne de Vries
Bij Drievuldigheidszondag
Heilige Drie-eenheid door El Greco, 1577
Am ersten Sonntage nach Pfingsten (Dreifaltigkeit)
»Drum gehet hin und lehret alle Völker, und taufet sie im Namen des Vaters und des Sohnes und des heiligen Geistes, und lehret sie alles halten was ich euch gesagt habe, und sehet, ich bin bei euch bis ans Ende der Welt.«
Bin ich getauft in deinem Zeichen, Du heilige Dreifaltigkeit, Nun bleibt es mir und kann nicht weichen In dieser nicht und jener Zeit. Ich fühle durch Verstandes Frost, Durch Menschenwortes Nebelrennen Es wie ein klares Funkeln brennen Und zehren an verjährtem Rost.
In deinem Tempel will sich's regen, Wo ich als deine Magd erschien, Und unter deines Priesters Segen Fühl' ich es leise Nahrung ziehn. Wenn eine teure Mutterhand Das Kreuz mir zeichnet auf die Stirne, Dann zuckt's lebendig im Gehirne Und meine Sinne stehn in Brand.
Ja selbst zu Nacht, wenn alle schlafen Und über mich die Angst sich legt, In der Gedanken öden Hafen Der Zweifel seine Flagge trägt: Wie eine Phosphorpflanze noch Fühl' ich es warm und leuchtend schwellen, Und über die verstörten Wellen Legt sich ein leiser Schimmer doch.
Und muß mir zum Gericht gereichen Die Lebenspflanze mir gesellt, Die ich versäumte sondergleichen, Und dürrem Holze gleichgestellt:[638] So ist sie in der Sünden Bann, Des Geistes schwindelnden Getrieben, Mein heimlich Kleinod doch geblieben Und angstvoll hangt mein Herz daran.
Ob ich vor deiner Geißel zage, Nichts kömmt doch dem Bewußtsein gleich, Daß dennoch ich dein Zeichen trage Und blute unter deinem Streich. Fluch allem, was von dir mich stößt! Dein will ich sein, von dir nur stammen; Viel lieber sollst du mich verdammen, Als daß ein andrer mich erlöst.
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848) Friedhofskapelle Mariä Himmelfahrt in Meersburg, hoogaltaar (detail Hl. Drie-eenheid) Annette von Droste-Hülshoff werd naast de kapel begraven
Een ding gestand doen is jezelf beliegen. Van een pop, een beeld,, een torso luidt de saaie waarheid dat ze dood zijn. Al wat meer lijkt is verguldsel uit de smidse
van je ogen en verfraaiing door je geest vol kinderleugens. Maar soms - het duurt niet lang, je moet jezelf verschalken - maak je geen onderscheid
meer tussen schijngestalten en het ware beeld. IK wordt de ander,
poppen krijgen lichaamswarmte, torso's worden vormen van herinnering. Schijn is de kleurrijkste waarheid - even daar te zijn is heerlijk.
Henry Moore in Palais Auersperg
Een duif
bereikt een tak. Het klinkt als knarsende scharnieren,
hangt in de zilveren lucht en is weer uitgewist.
Klimop bekleedt verweerde stammen. De cirkel van kastanjes, langzaam uit
elkaar gehaald, legt op het grasperk nog de handen van zijn schaduw,
bedekt het met een zoete regen van genade, van gebladerte.
En midden in de tuin ligt wit en vol van rust een marmeren
gewricht.
Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960) Henry Moore: Reclining Connected Forms, 1969-74
"You remember that a stonemason, named Slater, walking from Forest Row about one o'clock in the morning -- two days before the murder -- stopped as he passed the grounds and looked at the square of light still shining among the trees. He swears that the shadow of a man's head turned sideways was clearly visible on the blind, and that this shadow was certainly not that of Peter Carey, whom he knew well. It was that of a bearded man, but the beard was short and bristled forward in a way very different from that of the captain. So he says, but he had been two hours in the public-house, and it is some distance from the road to the window. Besides, this refers to the Monday, and the crime was done upon the Wednesday. On the Tuesday, Peter Carey was in one of his blackest moods, flushed with drink and as savage as a dangerous wild beast. He roamed about the house, and the women ran for it when they heard him coming. Late in the evening, he went down to his own hut. About two o'clock the following morning, his daughter, who slept with her window open, heard a most fearful yell from that direction, but it was no unusual thing for him to bawl and shout when he was in drink, so no notice was taken. On rising at seven, one of the maids noticed that the door of the hut was open, but so great was the terror which the man caused that it was midday before anyone would venture down to see what had become of him. Peeping into the open door, they saw a sight which sent them flying, with white faces, into the village. Within an hour, I was on the spot and had taken over the case. “
Arthur Conan Doyle (22 mei 1850 – 7 juli 1930) Robert Downey Jr. als Sherlock Holmes en Jude Law als Watson in Sherlock Holmes: A Game of Shadows, 2011
In your marvel, the heavens orbit The years are long But how cautious are you! You that attach the soul to life Love is yours, eternity is yours!
Annihilation! To those that know you not O people! O spirit of eternity Power is yours, eternity is yours!
The night is your solution As the morning unravels And the thirsty sea is weary The arrow strayed Shot the thirsty You're the decent, but we inquire
Judas betrayed, but how many Judases sold Christ? Judas could not last forever And you cannot wound a wounded country A million Judases betrayed the promise and were defeated You are all that remains In the fields And your sickle Brushed the wheat from above Christ's blood And you are the wounded The doctors come to ask How grand! Who fathered you?! Who bore you?! How noble! O people, you are the heartbeat of existence. Eternity is yours Sovereignty is yours Power is yours Power is yours
“Nu moet Bartje het doen, alsof het doodgewoon is, dat hij niet meer in 't nest ligt. En lief zijn. Maar vooral slim. Hij staat bij moeder, voor zij het merkt. Hij ziet wel, dat er kachelhoutjes klaar liggen naast het fornuis, maar hij vraagt toch: ‘Dag moe. Zal ik holties hakken veur moe?’ Laat zij daar nou van sckrikken, als hij dat zegt. Zij giet kokend water over de tafel en zet de ketel met een harde bons op 't fornuis. ‘Lelijke jongen toch,’ roept zij kwaad, ‘waar kom ie vandaan?’ ‘Van de pomp, moe. Hoeveul holties moet moe hebben? Een hele bult, hè, veur de hele dag genoeg?’ Maar moe heeft hem toch door met die houtjes. Zij zegt niets, zij lacht een beetje en zucht meteen. Maar nou staat de koffiekan nog open op de tafel en die plas moet zij ophemmelen en er moet nog tabak in vaders doos en het brood moet gesneden. En daardoor is zij Bartje al weer vergeten in haar gejaagd beredderen, om alles voor vader klaar te krijgen. Bartje kan opblijven en hij maakt een sprongetje van plezier. Dat heeft hij toch maar weer gelapt. Hongerig dwaalt hij om de tafel, zijn kin net boven de rand. Hij peutert, met een schichtige blik naar moeder en naar de bedstee, een stuk van vaders boterham, graait de kruimels van de broodplank en maakt een kapje buit, dat midden in 't water ligt. Op een stoof onder het raam kan hij veilig zitten kauwen. Hij moet moeder nu maar niet voor de voeten lopen. ‘Albert!’ roept moeder, met haar ogen op de wekker. Een geeuw en een gekreun uit de grote bedstee is het antwoord. ‘Albert, toe nou! 't Is je tied, heur!’ ‘Och ja, mense, ik kom al jà!’
Anne de Vries (22 mei 1904 – 29 november 1964) Cover
Auferstanden aus Ruinen und der Zukunft zugewandt, laß uns dir zum Guten dienen, Deutschland, einig, Vaterland. Alte Not gilt es zu zwingen, und wir zwingen sie vereint, denn es wird uns doch gelingen, daß die Sonne schön wie nie über Deutschland scheint.
Glück und Friede sei beschieden Deutschland, unserm Vaterland. Alle Welt sehnt sich nach Frieden, reicht den Völkern eure Hand. Wenn wir brüderlich uns einen, schlagen wir des Volkes Feind. Laßt das Licht des Friedens scheinen, daß nie eine Mutter mehr ihren Sohn beweint.
Laßt uns Pflügen, laßt uns bauen, lernt und schafft wie nie zuvor, und der eignen Kraft vertrauend, steigt ein frei Geschlecht empor. Deutsche Jugend, bestes Streben unsres Volks in dir vereint, wirst du Deutschlands neues Leben, und die Sonne schön wie nie über Deutschland scheint.
Johannes R. Becher (22 mei 1891 - 11 oktober 1958) Portret door Ludwig Meidner, 1916
Het terras van onze villa is opgenomen in het lila van de baai. Rapallo en Sestri liggen aan de voet der bergen te trillen in de zon. Palmen wuiven er in de wind en ver op zee deinen de vissers met de blauwte mee
Dit is de parel van Ligurië wij gaan de trappen naar beneden om inkopen te doen: olijven, vijgen, ansjovis en wijn, die hier bijna voor niets te krijgen is, we wandelen zeewaarts onder sinaasappelbomen zwemmen, zonnen en weer omhoog gekomen zien wij het speelgoedtreintje rijden langs de zee en prijzen het geluk der Méditerranée
“You cannot read a serious article in the Nazi press without stumbling over their precious „Weltanschauung“, their so-called philosophy. Whatever they do, be it the most stupid, the most brutal, the most bestial thing – they profess to do it on philosophical grounds. How is this philosophy just a sham, invented by crooks and imposters? Undoubtedly that is true in many cases. But it is too comfortable an explanation to be altogether satisfactory. It won’t do. This philosophy is worth looking at, with the cool detachment of an historian or scientist. And here Nietzsche comes in, the world-famous German philosopher Friedrich Nietzsche, who is now being claimed by the Nazis, and who was in fact about as much of a Nazi as you and I. It is about him, and about his book „Thus Spake Zarathustra „ I talk to you today. It is the story of one of the most fateful misrepresentations in the history of the human mind. Who was this man Nietzsche? [...] That book – „Thus Spake Zarathustra“ is the full title, – is a strange work, the strangest mixture of poetry, prose, fiction, philosophy. Just this mixture made it so much more impressive to the large public than Nietzsche’s more important strictly philosophical works. I think I had better give you just a taste of it; of its beginning. Zarathustra goes into the mountains, to stay there in solitude for ten years, his only companions being his eagle and his serpent. Then he decides toreturn to me, to impart unto them his wisdom. As he arrives in the nearest town he finds the people gathered in the market place, waiting for a rope dancer’s performance. And now, listen; I have to concentrate it a bit. „And thus spake Zarathustra unto the folk: I teach you the man that is to be, the Superman: Man is something that is to be surpassed. What have ye done to surpass him? All beings hitherto have created something higher than themselves; and you desire the ebb of that great tide, and would rather relapse into the Beast than surpass Man? The Superman is the meaning of the earth. I conjure you, my brethren, remain true to the earth, and do not believe those who speak unto you of hopes beyond this earth. Thus spake Zarathustra. All the folk laughed at him however and became impatient for the rope dancer, who began his performance.“
Ballade de la convenance de se déshabiller au printemps
La Seine, clair ciel à l'envers, S'ensoleille comme le Tage ! Laisse éclore des menus vairs Tes bras, ta gorge et davantage. Au diable l'imbécile adage : " Avril. Ne quitte pas un fil. " Il ne sied qu'aux personnes d'âge. Quitte tout, ma mie, en avril !
Quand Zéphyr dévêt des hivers La colline après un long stage, Pourquoi resteraient-ils couverts Les seins de lys qu'un val partage ? Vent ! déchire en ton brigandage Ces brumes : batiste et coutil ! Je me charge du ravaudage. Quitte tout, ma mie, en avril !
C'est le temps où par l'univers Le franc amour flambe et s'étage ; Le faune halète aux bois verts Et l'ermite en son ermitage. Aimons ! plus de baguenaudage ! Les pudeurs, le refus subtil Des flirts et du marivaudage, Quitte tout, ma mie, en avril !
ENVOI
Ange ! si ton démaillotage Veut un poêle, mon coeur viril Le remplace avec avantage ! Quitte tout, ma mie, en avril.
Dolce far niente, Simon Vestdijk, Robert Franquinet, E. E. Cummings
Dolce far niente
Onbevlekte Ontvangenis door El Greco, 1613
Duif, bloem en engels (naar El Greco’s "Inmaculada Concepción")
Hoe steil werd gij, gebenedijde, afgeschilderd In uw zoet concilie van eng’len overschoon, Die uit de volle luitkelk toon om toon Doen drupp’len naar waar ’t middenlicht verwildert.
Baart daar een diamanten baaierd eng’lenlijven? De vleug’len der geknielde adorant Lijken uw voet ontsproten in ’t vruchtbaar verband Van dit verzaligd op elkander drijven,
Dat pas in de afgrond vindt die enk’le bloemen, Een twintigtal, ontbloeiend aan de hemelhel, - Want ied’re hemel kent zijn eigen keerzij wel, - Om zich op aardscher oorsprong te beroemen.
Baarzieke wondergolf van deinen en heupwiegen In heuplooze en gewichtlooze contour: Zoo stijgt, vorstin, gij door de hemelvloer, Uw gansche aanhang meebetoov’rend tot dit vliegen
Ten hoog’ren hemel, war hoog boven ’t karnen Van engelinnenmelk tot godd’lijk geelgoud spook, Tot drielingen van licht uit zwangere rook, De duif, aanwiekend, pas een rustpunt vindt in ’t barnen.
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971) Standbeeld in Doorn, ontworpen door Jaap te Kiefte
De begrafenis van de Graaf van Orgaz door El Greco, 1586
El Greco
Hij heeft hen uit het laatst gericht gebroken, nu vreten één voor één zij zijne oogen aan, de hooge hoofden, die te droomen staan, hebben nog niet het laatste woord gesproken.
En die in zak en asch het brandmerk heeft geroken, kruipt als een kind Jeronima nabij, en in het hulsel van zijn pij is aan dit zoet gelaat de roode roos ontloken.
En staat gekorven dwars door hunne mond, de sprakeloozen in de zwarte wâ want man èn vrouw streven op Golgotha en niemand kan hun laatste vrees doorgronden.
Robert Franquinet (5 juni 1915 - 30 mei 1979) Abstract Rood door Robert Franquinet, 1959
De droom door Pablo Picasso, 1932
Picasso
you give us Things which bulge:grunting lungs pumped full of sharp thick mind you make us shrill presents always shut in the sumptuous screech of simplicity
(out of the black unbunged Something gushes vaguely a squeak of planes or
between squeals of Nothing grabbed with circular shrieking tightness solid screams whisper.) Lumberman of The Distinct 'sumptuous screech of simplicity' allposters.com Picasso: Femme your brain's axe only chops hugest inherent Trees of Ego,from whose living and biggest
bodies lopped of every prettiness you hew form truly
E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962) Self-portrait with sketchpad, 1939
De Amerikaanse schrijfster en scenariste Maria Keogh Semplewerd geboren op 21 mei 1964 in Santa Monica, Californië. Haar familie verhuisde naar Spanje al snel nadat ze was geboren. Daar schreef haar vader, de scenarist Lorenzo Semple, Jr. de pilot voor de tv-serie Batman. Het gezin verhuisde naar Los Angeles en vervolgens naar Aspen, Colorado. Semple bezocht de kostschool Choate Rosemary Hall en behaalde vervolgens in 1986 een BA Engels aan het Barnard College. Haar eerste baan als scenarioschrijfster kreeg zij in 1992, voor de tv-show “Beverly Hills, 90210”. In 1997 werd zij genomineerd voor een Primetime Emmy, voor “Mad About You”. In 2006 en 2007 werd ze genomineerd voor de Guild of America Award een Writer's, voor “Arrested Development.” Zij is een van de oprichters van Seattle 7 Writers. Semple publiceerde de romans zijn “This One is Mine” (2008), “Where'd You Go, Bernadette” (2012), en “Today will be Different” (2016). “This One is Mine” gaat over een vrouw die alles heeft, een liefdevolle familie en rijkdom, maar haar onvrede brengt haar er toe om gevaarlijke beslissingen te nemen in het streven naar "meer." “Where'd You Go, Bernadette gaat over een architecte met pleinvrees architect, die worstelt met het leven in Seattle en die vermist raakt net voor een familie-uitstapje naar Antarctica. Het boek stond een jaar op de New York Times bestseller lijst, won de American Library Association Alex Award en werd genomineerd voor de Women's Prize voor fictie.
Uit: This One Is Mine
“David stood at the sink, a pine forest to his left, the Pacific Ocean to his right, and cursed the morning sun. It beat through the skylight and smashed into the mirror, making it all but impossible to shave without squinting. He had lived in Los Angeles long enough to lose track of the seasons, so it took glancing up at CNBC and seeing live images of people snowshoeing down Madison Avenue for it to register: it was the middle of winter. And he determined that all day, no matter how bad things got, at least he’d be grateful for the weather. His pool shimmered. Stone Canyon Reservoir shimmered. The ocean shimmered. He cocked his head and flicked his wrist, skipping an imaginary stone from the pool to the reservoir. It split some Westwood high- rises, then landed in the Santa Monica Bay. He wound up again—this time to clear Catalina—then stopped. There was a furry . . . brown . . . thing floating in the Jacuzzi. “Honey!” He walked into the bedroom. “There’s something in the Jacuzzi.” He paused, waiting for the daylight in his eyes to fade. His wife was in bed, her back to him, her hair seeping from under the pillow she’d taken to putting over her head at night. “Ma- ma, Ma- ma.” A squawk erupted from the baby monitor. There was a cough, then a bleat. But Violet didn’t move. What was her plan? Who did she think was going to get the baby? Was a standoff really so necessary that Violet would let Dot cry like this? Jesus Christ. David marched by the bed, skirting the rug so his bare heels struck the hardwood. “Aggh.” Violet pulled the pillow off her head. And there they were, the reason he fell in love with her almost twenty years ago in front of the Murray Hill Cinema: the violets tattooed behind her ear. David’s dog walker, a friend of Violet’s from Barnard, had set them up. David managed two bands at the time — big ones, but still, only two. He’d been told Violet worked for a legendary theater producer and was the daughter of some obscure intellectual he’d never heard of. The plan was to meet half an hour before Full Metal Jacket. David arrived on time, but the movie had already sold out. He spotted Violet — she had said she’d be the one wearing red plastic sandals — sitting on the sidewalk in the ticket holders’ line, engrossed in the New York Times, and listening to a Walkman. Two movie tickets were tucked under her leg. She wasn’t a knockout, but wasn’t fat either, and had a face you wanted to look into. She turned the page of the business section and folded it, then folded it again. An artsy chick who read the business section? Who was responsible enough to have arrived early and bought tickets?"
De Amerikaanse schrijfster en journaliste Amy Waldman werd geboren op 21 mei 1969 in Los Angeles. Waldman studeerde aan de Yale University en werkte daarna acht jaar voor de New York Times. Aanvankelijk werkte ze als verslaggever voor de New York stadsdelen Brooklyn en Bronx en de wijk Harlem. Verder schreef zij over de impact van de terreur aanslagen van 11 september 2001. Daarna bracht ze drie jaar door op de kantoren van de krant in New Delhi in India. Na haar terugkeer naar de VS was Waldman onder meer correspondent van het tijdschrift The Atlantic. Ze was een Fellow van het Radcliffe Institute of Advanced Study aan de Harvard University in Cambridge (Massachusetts) en in 2010 Fellow van de American Academy in Berlijn. Waldmans eerste roman “The Submission” gaat over de nasleep van 11 september 2001 en beschrijft de reacties nadat een moslim architect via een anonieme inschrijving een competitie voor een monument op Ground Zero won . Het boek verscheen in 2011 in het Engels en werd in hetzelfde jaar meerdere malen bekroond.
Uit: The Submission
"The names," Claire said. "What about the names?" "They're a record, not a gesture," the sculptor replied. Ariana's words brought nods from the other artists, the critic, and the two purveyors of public art arrayed along the dining table, united beneath her sway. She was the jury's most famous figure, its dominant personality, Claire's biggest problem. Ariana had seated herself at the head of the table, as if she were presiding. For the previous four months they had deliberated at a table that had no head, being round. It was in an office suite high above the gouged earth, and there the other jurors had deferred to the widow's desire to sit with her back to the window, so that the charnel ground below was only a gray blur when Claire walked to her chair. But tonight the jury was gathered, for its last arguments, at Gracie Mansion's long table. Ariana, without consultation or, it appeared, compunction, had taken pride of place, giving notice of her intent to prevail. "The names of the dead are expected; required, in fact, by the competition rules," she continued. For such a scouring woman, her voice was honeyed. "In the right memorial, the names won't be the source of the emotion." "They will for me," Claire said tightly, taking some satisfaction in the downcast eyes and guilty looks along the table. They'd all lost, of course--lost the sense that their nation was invulnerable; lost their city's most recognizable icons; maybe lost friends or acquaintances. But only she had lost her husband. She wasn't above reminding them of that tonight, when they would at last settle on the memorial. They had winnowed five thousand entries, all anonymous, down to two. The final pruning should have beeneasy. But after three hours of talk, two rounds of voting, and too much wine from the mayor's private reserve, the conversation had turned ragged, snappish, repetitive. The Garden was too beautiful, Ariana and the other artists kept saying of Claire's choice. They saw for a living, yet when it came to the Garden they wouldn't see what she saw.”