Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
17-01-2026
An die Schwester (Georg Trakl)
Dolce far niente
Broer en zus door Emil Nolde, 1918
An die Schwester
Wo du gehst wird Herbst und Abend, Blaues Wild, das unter Bäumen tönt, Einsamer Weiher am Abend.
Leise der Flug der Vögel tönt, Die Schwermut über deinen Augenbogen. Dein schmales Lächeln tönt.
Verdween mijn zusje onverwacht. En niemand die haar lopen zag. De zon sloop weg, de dag werd oud. De maan kwam op, de nacht was koud. We zochten haar aan strand en zee. Misschien nam Westenwind haar mee. We riepen hard en zongen zacht. We zochten sporen in de nacht. Maar alles gaat zoals het moet. En zij bleef weg, voorgoed, voorgoed. Nu zingt de wind een droevig lied. Vergeet mij niet, vergeet mij niet.
Zusje
Het zusje dat zo dwalen moest langs verre stranden, golven woest zij gaf de woorden toekomst mee en bracht ze naar de wijde zee nu is ze weg, haar stem werd stil maar als ik haar weer horen wil sluit ik mijn ogen om te zien of zij nog ergens is misschien.
Johanna Anna Kruit (Zoutelande, 14 december 1940) Sint Catharinakerk, Zoutelande
Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)
“We zijn alleen. Alleen zoals in de cel waar ze mijn nagels doorboorden en op me kwamen pissen. Mijn nagels doorboren, op me pissen. Drie jaar. Ik heb het nooit zo gezegd, vergeef me. Vanaf de zomer van 87, dag van onze terugkeer uit Parijs, tot de herfst van 90. We hadden onze twee zonen al en onze lieve Nazifé. Ze dwongen me regimegezinde dingen te schrijven, elke dag weer. Domme regimegezinde dingen. ‘Ik hou van onze president. In mijn ogen is hij de beste van allemaal. Ik heb nooit een president gezien die zo wijs is als president al-Assad. Ik heb van mijn leven nooit een leider gezien als hij. Ik heb nooit iemand gezien als hij. Hij is de vader van het volk. Hij helpt de armen. Hij is tegen onrecht, tegen corruptie, een ware Arabier. Telkens als we door een probleem worden bedreigd, kan alleen hij de natie op zijn schouders dragen enz.’ Ik ga weer onder water. Zien wat mijn geheugen niet heeft onthouden. De bomen. Op de bodem van het meer staan nog altijd bomen.* Maar je kunt ze onmogelijk herkennen. Sommige dragen nog altijd hun knoppen, arme paarse klokjes als kindertenen. Als ik mijn lamp richt en mijn hand naar ze uitsteek, ik wou dat je het zag, bewegen ze zachtjes, onmerkbaar. Als kleine knuistjes die vaarwel zwaaien. Dan moet ik aan onze kinderen denken. Blijf nog even, Almasji. Ga niet weg. Beneden, lager, op een diepte die ik niet kan bereiken, meen ik de ingebeukte deur te zien, de regenton, de blauwe gordijnen van het huis en, daarachter, achter de gordijnen en de gebroken ruiten, mama die naar me glimlacht en me wenkt om bij haar te komen, papa naast haar. Ik zwem snel nu.”
dezer dagen schiet het weer in je botten het nestelt zich in je gewrichten komt dichter bij je lang voor de ochtend dan lig je wakker weet je niet wat er met je gebeurt, waar het vandaan komt wat er overblijft alleen deze smalle kamer het verkeerd gefineerde meubilair het gekantelde raam een kier naar de straat het geruis in de populieren dreef me door de nachten je hoort daar niets meer en vraagt je in stilte af wanneer begon het dat ik niet meer dichterbij kon komen
Wantrouwen in grote woorden in kleine woorden, voegwoorden tussenwerpsels, in het laatste woord dat iedereen wil en niemand krijgt
Een totale gespreksstop met strenge straffen tong uitrukken wel het minste
Het paard langs de spoorbaan staart de sneltreinen na het gras wacht op de vallende nacht een steen koestert zich in het laatste licht.
Waarom hebt u mij verlaten? Wat een lachwekkende klacht.
Toekomstbeeld
Sommige dichters willen dat met hen ook het licht vergaat dat de wereld dan niet langer bestaat; blinde woede om de eigen dood (over die van anderen valt te praten).
Ik sta bij de rivier, u weet wel en zie hoe het licht mij majestueus links laat liggen; ik slik even en schik mij schrikkend in dit lege toekomstbeeld.
Het museum van de kindertijd
Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt in een naamloze straat, stuit meestal op een dichte deur waarachter stilte heerst
Of lijkt te heersen. De meesten lopen door terug naar het vertrouwde stratenplan en vergeten zijn bestaan.
Is het museum vloeibaar, opvouwbaar bestaat het uit prisma’s, electrische velden of valt het soms samen met wie eraan denkt?
Meestal is het verlaten, de wanden en uitstalkasten leeg op de jaartallen na die elkaar hun juistheid betwisten
Of het vult zich met mist, met daarin een aarzelende stem die beweert zich niets meer te herinneren, vrijwel niets.
Maar één gezicht, één geluid, één lichtval kan plotseling de toegang verschaffen tot de expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.
Zodra de zon verdreven is duiken de zwermen op ze cirkelen boven de daken, gaan een ogenblik lang op de stijve takken zitten vliegen plotseling weer weg, verdwijnen uit het zicht van onze nog onverlichte ramen breken door het dichte web van hogere vliegroutes laten ons achter met een schemerige hemel die we niet kunnen duiden.
“I used to be shocked when Virgil Thomson the composer—who wrote the opera Four Saints in Three Acts with Gertrude Stein, which received its premiere in 1934 with an all-black cast—used to be called to the telephone. I knew him in the 1970s when he was almost in his eighties; he’d come back to the table and say, “Well, Smitty is dead,” and just sit down and continue the conversation about something else. I was amazed that he could receive the news with such indifference about such a close friend. Now that I’m in my eighties, I realize his emotion was stoicism, not indifference; someone who outlives his contemporaries knows that he very likely will be next but that for the moment “he controls the narrative,” as pundits say. When you get to be old, everyone consults you about the biographies of your famous contemporaries. You get the last word, at least until the dead person’s Complete Letters come out. A life, a love. I always say that Jim Ruddy was the great love of my life. What does that mean now he’s just a faint neural scratch on my brain? It seems the hippocampus delegates short-term memories to various other neurons, where they are encoded forever. Does that mean an electrode stimulating the right neurons could make Jim, his conversation, his deep voice, his big curved penis, as real as it was fifty or sixty years ago, a hologram? The wondering way he’d greet any declaration with a tentative acceptance? His always saying “Is that right?” no matter how preposterous one’s remark had been. Maybe I’ve forgotten him because I wrote about him; I’ve always thought that writing about someone is the kiss-off. Nabokov, in Speak, Memory, was apprehensive about writing about his nanny since he liked revisiting her in his thoughts and he knew once he’d committed her to print, he’d lose her. Some people wonder why I’ve not written about them. If they’re a current part of my life, I need to keep them on life support; my husband is Michael Carroll, whom I’ve been with since 1995. I’ve never written about him; he’s too precious to me. My recent fiction is less autobiography and more thought experiment. I assemble my monsters from stolen body parts (his nape, her stutter). Often I want to lead the reader to a better (more compassionate, more forgiving, bolder, more loving) world by picturing it as if it already existed; George Meredith called that process “moral sculpture.” What did it feel like to be in love? Constant suspense. Does he love me yet? More? Less? Is he getting bored?”
Steeds dorst je – zoals dorst heeft naar de eerste regen het droge zomerweer – naar je gezegend huis, naar een verborgen leven, als de bede van een monnik, leven van loochening en liefde in een hoek.
Ook dorst je naar het schip dat prooi is van de zeeën, dat vogels, vissen volgend almaar verder trekt, welks leven rijk en vol is van de ganse aarde – maar beide, schip en huis, zij gaven ’t antwoord: ‘nee!’
Noch het geluk in afzondering en onbewogen, noch ook het leven dat zich steeds weer weet bezield door elke nieuwe haven, ieder volgend land –
alleen de siddering van de slaaf, van die moet zwoegen: sleep voort over de markt de naaktheid van je leden, vreemde voor vreemden en voor eigen mensen vreemd.
Vertaald door Hero Hokwerda
Kostís Palamás (13 januari 1859 – 27 februari 1943) De dichters (1919) door Georgios Roilos. Het schilderij toont verschillende dichters van de generatie van 1880; in het midden, met het hoofd rustend op zijn elleboog, Kostís Palamás.
Daarachter een gekringeld samenvloeien Van schuine lijnen, als de strengen van Een zijden koord, in ’t door een lichte bries Gerimpeld water. Zonlicht tooit de baai Met schittering van scherven dansend zilver. Die rimpeltjes en kopjes promeneren, Gehaast en schertsend, geen moment verveeld. Ils se promènent, als vrij welgestelde Gezinnen in het Bois, op zondag. Blij om Die zorgeloosheid en gefascineerd Door zonne-morsetekens in de haven, Ben ik, voor het moment, geheel genezen, Onthecht, en los van toekomst en verleden, Zelfs van de wetenschap dat deze Zee Van Hadria, des Doges gemalin, De koele, de gewijde, is afgeschuimd Door kooplui uit haast alle werelddelen, En al die kristallijnen breekbaarheid Waarvoor ze zweten aan de ovens lijkt Een wondere en breekbare triomf. De eerste ruwe bol van glas, gestold, Wordt aan de blaaspijp, gloeiend heet en zacht Als toffee nog, gedompeld in een mal, Die van metaal is en van binnen als Een ananas met stekels is bezet. Het glas krijgt voor de helft een regelmatig Patroon van kuiltjes zo, en als die eenmaal Bedekt zijn met een vloeibare glazuur, Ontstaan er belletjes gevangen lucht, Geëmailleerde, parelende leegtes.
„Als ich mit den Hunden nach Hause zum Dorf zurückging, fand ich auf dem Weg Spuren von Rehen, einem sehr kleinen Pony, anderen Hunden und Menschen, Waschbären, viel-leicht einer Katze und in unregelmäßigen Abständen ein Herz, kleiner oder größer, ver-mutlich mit einem Stöckchen in den Sand gezogen, wie unterwegs, aber deutlich zu er-kennen, und vielleicht ftbaf oder sechs die Länge des Weges, der sich aufs Dorf hin wohl einen knappen Kilometer zieht. Davor war ich auf den weiten Feldern zu den geborstenen Weiden hingelaufen, die ich von fern öfters mit meinem Vater gesehen hatte, breite, zerklüftete Stämme, kahl jetzt im Februar, und mein Vater hatte immer das Durchscheinende der winterlichen, laublosen Landschaft geliebt. Mit meinem alten besten Freund war ich den Weg nicht mehr gegangen, denn er war vor-her gestorben, und vor zwei Jahren war ich viele Male den Weg mit meiner sterbenskran-ken Freundin im Herzen gegangen und mit meiner besten Freundin, die nach einem Herz-infarkt noch schwach gewesen, war ich ihn gegangen und wieder, als sie bei Kräften war, und unzählige Male waren wir den Weg zu viert gegangen, und meine inzwischen heran-gewachsenen Töchter auch un7ählige Male zu zweit oder mit Freundinnen. Was ich auch sah, sah ich mit vielen Augen, nur die Herzen im sandigen Weg sah ich al-leine, ohne die Menschen, die ich liebte, und anderntags würden sie schon verwischt oder vertreten oder verregnet sein. Ich kann nicht sagen, dass ich traurig war, aber alle Traurigkeiten waren doch dabei, sehr hell und einige fröhlich, und viel Sehnsucht und auch ein zerdehntes Herz, das in die Ver-gangenheit wollte und noch etwas in die Zukunft. Deswegen habe ich dieses Buch geschrieben.“
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
Droste in een negligé, slapeloos. (Een wesp die haar zwellingen stak:) Geen liefdesvlek, niets uit een droom, gewoon een niet-vlek. Kijk: zwarte zwanen halverwege. Vanuit de erker, het gordijn als teken. Zijn het de dierbare familieleden die draden spinnen en opkijken van de boekhouding? Ach, al dat schrijven… Zo geschrokken, arm ding, zo bedrogen.
in je precieze jaren toen je zelden buitenkwam omdat je onder schot gehouden werd zagen maar weinig mensen hoe wit je haar was
als ik door de glazen deur naar buiten kijk zie ik een trillend been naast de begonia
we zouden kunnen gaan graven maar dat zal je rug niet rechten we kunnen door de tuin lopen en de plekken aanwijzen waar onkruid groeit we laten de thee onze tong vormen de inkt van deze lange dag op onze vingers
als we de jassen aantrekken zal de wereld gaan draaien zullen onze voeten bevriezen zodat we kunnen schaatsen tussen de hopeloos glijdende honden op zoek naar een lijn naar een bal naar een bot
we zullen weer naar school gaan om schapen te leren tellen we zullen naar de winkel gaan omdat het prettig is om iets te kopen voor het op is
Stem uitbrengen
een gevangene krijgt sleutel ven zijn cel sluit de deur en verdwijnt
je zegt me te gaan slapen nu je zelf nog wakker bent
de kampbewoners dIe zich de woestijn eigen maken omdat er geen gras is vullen de bulten van hun kamelen
*
een gevangene komt terug met de sleutel van rijn cel als een priem in zijn hand
ik denk aan alles in mij wat zijn nek niet uitsteekt en loop wat sneller
ik mis mijn manieren in mijn hoofd staan de torens recht maar ze komen nooit buiten
een gevangene legt de sleutel op de tafel in zijn cel
wil en stil zit een groep mensen in een treincoupé door het midden loopt een scheur
de rat het lieveheersbeestje de vermoeide man allemaal vormen vvan het kind dat de trap afloopt en zich uitvouwt
schijnwerpers glimlach lamplicht bloeiende mond het oog een waterige ster in de avond (22:30) hemel boven Servië waar bommenwerpers overgeven / vanuit afvalscherven en puin wijs je op het menselijke, op het daaronder be- graven lichaamsdeel / even snikken en dan verder