Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
“He had reached the neutral ground upon the outskirts of the town, which was neither town nor country, and yet was either spoiled, when his ears were invaded by the sound of music. The clashing and banging band attached to the horse-riding establishment, which had there set up its rest in a wooden pavilion, was in full bray. A flag, floating from the summit of the temple, proclaimed to mankind that it was ‘Sleary’s Horse-riding’ which claimed their suffrages. Sleary himself, a stout modern statue with a money-box at its elbow, in an ecclesiastical niche of early Gothic architecture, took the money. Miss Josephine Sleary, as some very long and very narrow strips of printed bill announced, was then inaugurating the entertainments with her graceful equestrian Tyrolean flower-act. Among the other pleasing but always strictly moral wonders which must be seen to be believed, Signor Jupe was that afternoon to ‘elucidate the diverting accomplishments of his highly trained performing dog Merrylegs.’ He was also to exhibit ‘his astounding feat of throwing seventy-five hundred-weight in rapid succession backhanded over his head, thus forming a fountain of solid iron in mid-air, a feat never before attempted in this or any other country, and which having elicited such rapturous plaudits from enthusiastic throngs it cannot be withdrawn.’ The same Signor Jupe was to ‘enliven the varied performances at frequent intervals with his chaste Shaksperean quips and retorts.’ Lastly, he was to wind them up by appearing in his favourite character of Mr. William Button, of Tooley Street, in ’the highly novel and laughable hippo- comedietta of The Tailor’s Journey to Brentford.’ Thomas Gradgrind took no heed of these trivialities of course, but passed on as a practical man ought to pass on, either brushing the noisy insects from his thoughts, or consigning them to the House of Correction. But, the turning of the road took him by the back of the booth, and at the back of the booth a number of children were congregated in a number of stealthy attitudes, striving to peep in at the hidden glories of the place. This brought him to a stop. ‘Now, to think of these vagabonds,’ said he, ‘attracting the young rabble from a model school.”
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870) Cover
De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happelwerd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happelop dit blog.
Je hangt mij al lang het oog uit.
Je hangt mij al lang het oog uit. En daar zit je dan, neergestreken op een stoel!
En de nacht lacht. En een ster blaakt – Omwille van mij? Omwille van jou?
Kus me, als dat mag, nog een keer – Tik in mijn oor! Kom nog eens terug! Zonder adjectieven. Of ga weg!
Ik kom in de benen – Asjeblieft een gedicht! Vaarwel, adieu, jij gekwelde, opgehangene! In mijn nachtoog – Vaarwel, adieu!
Zo teder als jij bent, ben ik behoorlijk hardvochtig!
Uit: Ende offen – Das Buch der gescheiterten Kunstwerke
„Plötzlichen Eingebungen gehorcht Michelangelo auf der Stelle. Er schläft in seinen Stiefeln. Bei seinem Tod 1564 defilieren Dutzende Jünger an seinem Leichnam vorbei. Sie sind in derselben Soutane gekleidet wie ihr Meister. Hier arbeitete kein anonymes Kollektiv mehr wie noch im Mittelalter. Hier schuf ein einzigartiges Individuum. Und nicht zu Gottes Ehren, sondern den Menschen zur Feier. Signed and sealed: Michelangelo, Superstar. Im Glanz einer solchen Aura beginnen Fragmente zu leuchten. Von nun an konnte es passieren, dass auch das Unvollkommene vollkommen war. Von nun an gab es eine Figur, die erst in der Aufklärung ihren Namen erhalten und sich seit der Romantik größter Popularität erfreuen sollte: das Genie. Poeta alter deus (Shaftesbury)! Ein Original, dessen in die Kunst über-setzte Regeln natürlich und deshalb natürlich absolut sind (Kant)! Prometheus (Goethe)! Flackernd, intuitiv, grenzwahnsinnig, und vor allem leidend. Kurz und exzessiv hatte sein Leben zu sein (da damals ausschließlich männlich konnotiert). Genies, das sind Unvollendete. Moment. Einschub zum Einschub in der Klammer. Auch in diesem Buch werden die geneigte Leserin und der geneigte Leser wieder einmal mehr von Männern und ihren Problemen erfahren als von Frauen. Kann es wirklich sein, dass Männer seltener fertig werden als Frauen? Sind Männer flattriger? Und zugleich: vor Schöpferkraft strotzend, vor Kraft kaum zum Gehen fähig, you name it. Genius, das stand bei den Römern nicht zufällig für die Zeugungskraft des Mannes. Weibliche Genies – lange Zeit ein Oxymoron. Sind Frauen in Wirklichkeit also einfach fleißiger, fokussierter und strukturierter? Wirklich jetzt? Was zweifellos der Fall ist: dass Männer auch in der Kunst Privilegien genossen, die Frauen sich erst sehr spät erkämpften, was die Anzahl ihrer bekannten Vertreterinnen in Musik, Literatur, Film, Architektur und Malerei über die Jahrhunderte sehr überschaubar macht.“
Thomas von Steinaecker (Traunstein, 6 februari 1977)
Onverwacht draait de telescoop deze oktobermiddag, Ik zie mezelf, weer klein gemaakt, door de objectieflens:
Ik ben niet de weduwnaar die onlangs mijn vrouw heeft begraven, Noch de plichtsgetrouwe zoon die waakte terwijl mijn vader, Als een aangeslagen bokser, vocht om de dood te slim af te zijn,
Verward en woedend, met zijn handen in cartoonachtige handschoenen Om te voorkomen dat hij aan de slang van zijn morfinepomp trok.
Vandaag ruimen we het huis op waar hij zestig jaar heeft gewoond. In de slaapkamer waar ik geboren ben, herinneren mijn broers en zussen zich
Hoe hun enige aanwijzing voor mijn geboorte als kinderen Achter deze gesloten deur angstige instructies waren om te bidden.
Als we de zolder openmaken, ontdekken we de koffer Die mijn moeder had ingepakt voor haar laatste ziekenhuisopname:
Een toilettas en talkpoeder, kleren die ze nooit meer heeft kunnen dragen, Een tas vol gebeden en de opgevouwen brief Die ik als tienjarige schreef voor mijn zusje.
Ik besteed één pagina aan haar te vertellen dat ik braaf ben, en prop dan drie pagina’s vol met gekrabbelde X’en – elk een kus voorstellend.
Vorige week zong een kleindochter die ze nooit gekend heeft op het podium, Stralend en helder, in een band genaamd Kleine X’jes Ogen . Vierenveertig jaar lang, in een brief in een tas in een koffer op deze zolder, Waren deze sterrenstelsels van X’en de verbannen ogen van een verward kind.
Maar – terwijl ik ze openvouw – zie ik mezelf staren naar wie ik nu ben, In dit leven dat ik me nooit had kunnen voorstellen toen ik slordige X’en Krabbelde voor een vrouw die ik voor het laatst lachend in een ziekenhuisbed zag liggen,
Die ze in haar tas stopte toen de verpleegsters haar hoofd kaal schoren Ter voorbereiding op een operatie waarvan ze nooit zou herstellen:
In de hoop dat ik op een dag haar tas zou openen en verrast zou zijn En mijn X’en terug zou vinden: grote X’en voor kusjes, kleine X’jes voor ogen.
Wij zijn samen onderweg en kussen de zegelring van wie daar om vraagt
Beter worden we er niet van al schept het misschien een band
Die we kunnen gebruiken ankerloos als we zijn
Wagen na wagen trekt aan ons voorbij wat de afstand alleen maar vergroot
Overal vogels, scharminkels van het ongebondene een aansporing en aanfluiting gelijk
Een paar dozijn zou nog kunnen maar toch geen honderden, elke dag opnieuw
We zullen worden gezien als luxepaarden, als kamelen zonder baat
De tegenstand wordt al georganiseerd maar wij zetten door, iets anders hebben we nooit geleerd
Lament
De verenigde vezelfabriek en marche Lament De aorta & de aars & het gat Lament Het klagen van het vlees & het moeras Lament De overdosis recycleren & de barst Lament De ekster op de galg & de grimas Lament De kwadratuur van het mirakel & de blaas Lament De overdruk op het bestel & de magneet Lament De zuigkracht van het bloed & de profeet Lament Het roffelen van het ritme & het dak Lament Het doorgaan van de maat & de matrak Lament Het overgeven van de eeuw & van het spel Lament De coalitie van de geeuw & van de rel Lament. Het is het wegen van het veel & van het meer Het is het raadsel van de spankracht van de veer Het is het spektakelstuk, het galafeest, de eer Het is het dogma, het axioma & de leer Het krimpen van de stof & van de naad Lament Het overtollig vet wegsnoeien & verraad Lament Het suggereren van de stop & het ventiel Lament Het laten groeien van de rentevoet, de hiel Lament Het zwaktebod, de faling, het patroon Lament Het opslaan van de kracht, de durf, de hoon Lament Het is de lafheid & de moed, de heroïek Het is het spiegelbeeld van deze mozaïek Het is een schouwspel zonder goden of publiek Het is de kanker, de bevruchting, de koliek
Zolderkamer en raam, mijn schaatsen aan de muur De priester kon de badkamer zien, lichtgele houten lambrisering toilet, jonge benen, glanzende zwarte beenharen “Het zijn mijn benen, señor.” De glans van haarstoppels spoelt zijn lavendelkleurige horizon af hij voelde de jongen kreunen en wat het betekende gezicht van een rotjong op de tafel van de dokter ik was de schaduw van de wassende avond en vreemde ruiten. ik was de vlek en het gejammer van gemiste tijden in de weerspiegelde hemel plekken vervuild water onder zijn lavendelkleurige horizon, raam Vlek gekrabbeld door een jongen, koude, verloren knikkers in de kamer De sjofele tafel van de dokter… zijn gezicht… De huid van de jongen spreidt zich uit naar iets anders. “CHRISTUS, WAT ZIT ERIN?” schreeuwt hij vlees en botten rezen op als een tornado “DAT DOET PIJN” ik was de vlek en het gejammer van glanzende achterbeenharen zilverpapier in de wind, rafelige geluiden van een verre stad.
Vertaald door Frans Roumen
William S. Burroughs (5 februari 1914 – 2 augustus 1997)
“Zijn vrouw kwam overeind maar Nazim hief zijn arm en stond erop zelf thee voor ons te halen. Hij ontworstelde zich aan zijn fauteuil en moest bij elke stap uit alle mogelijke posities van hoofd, schouders, romp en armen de juiste kiezen om zijn evenwicht te hervinden. Het was de eerste keer dat ik met eigen ogen zag dat hij nooit helemaal hersteld was. Ik begreep er niets van, dat wil zeggen, ik begreep wel hoe het een tot het ander leidde, de wurgende wetmatigheid van oorzaak en gevolg, maar wat ik begreep, begreep ik niet écht: ik kon me niet voorstellen dat de man die nu schommelend als een galjoen in de keuken verdween dezelfde was als de jongen die ooit met zijn broers voor ons was opgedoken en even later was afgevoerd, ons achterlatend in stervend zwaailicht. Ik keek naar Sybil en vroeg me af of ze in dezelfde afgrond staarde. Het kon niet anders of het duizelde haar zoals het mij duizelde. Ze had niets gedaan maar alles ge- zien, aangelicht door straatlantarens had die opeenvolging van gebeurtenissen zich voor haar ogen afgespeeld, van ons allen wist zij nog het beste wat er was gebeurd, dubieus voorrecht van de getuige. Maar haar gezicht glom, haar handen hield ze tussen haar dijen, haar onderbenen stonden uiteen, haar voeten staken naar binnen, ze zat er als een schoolmeisje bij, en als ze al ten prooi was aan vertwijfeling, dan liet ze daar niets van blijken. Uit de keuken gekletter, in de woonkamer stilte, en achter het raam gleed de stad al even stil weg in het dal. Ik liet mijn blik ronddwalen, sofa en fauteuils groot, kitsch-lamp, foto van de Bosporus, wandkleed met de Bosporus, vaas met de Bosporus, dat was het wel zo’n beetje, nee, er was meer, natuurlijk was er meer, in de hoek, bij de deur naar de gang, zag ik zijn rolstoel, opgevouwen. Zijn vrouw verroerde zich niet, haar hoofddoek sneed een ovaal uit haar gezicht, haar ogen waren groot en vochtig. Misschien kwam het door de zuiverheid van haar blik maar ik was ervan overtuigd dat ze niet van die vechtpartij wist, hij had haar er nooit over verteld, zij wist niet anders of hij was invalide geraakt door een ongelukkige val, motorongeluk of hersenbloeding, voor haar moesten Sybil en ik volstrekte vreemden zijn die uit de hemel waren komen vallen.”
Poems about night and related poems. Paintings about night, sleep, death, and the stars. I know one poem from school under the stars, but belong to no school of poetry. I forgot it by heart. I remember only it was set in the world and its theme parted.
Poems about stars and how they are erased by street lights, streets in a poem about force in the schools within it. We learned all about night in college, how it applies, night college under the stars where we made love a subject. I completed my study of form
and forgot it. Tonight, poems about summer
and the stars are sorted by era over me. Also poems about grief and dance. I thought I’d come to you with these themes like my senses. Do you remember me from the world? I was sat there and we spoke
on the green, likening something to prison, something to film. Poems about dreams like moths about streetlights until the clichés glow, soft glow of the screen comes off on our hands, blue prints on the windows. How pretentious to be alive now,
let alone again like poetry and poems indexed by cadence is falling about us while parting. It was important to part yesterday
in a serial work about lights so that distance could enter the voice and address you tonight. Poems about you, prose poems.
De hemel viel uit je ogen En verkruimelde. De zon viel van je gezicht En bevroor. Bevroren kwam de koele wind Zonder jouw vlijtige handen. Op zoek naar jou, verborgen de bronnen zich in de velden. Als een omgevallen boom, Is de taal zelf Hoorbaar alsof ze valt. God, zo eenzaam Zo eenzaam Ben ik nog nooit geweest!
Ich sah viel Städte als Flammenraub Und Greuel auf Greuel häufen die Zeiten, Und sah viel Völker verwesen zu Staub, Und alles in Vergessenheit gleiten.
Ich sah die Götter stürzen zur Nacht, Die heiligsten Harfen ohnmächtig zerschellen, Und aus Verwesung neu entfacht, Ein neues Leben zum Tage schwellen.
Zum Tage schwellen und wieder vergehn, Die ewig gleiche Tragödia, Die also wir spielen sonder Verstehn,
Und deren wahnsinnsnächtige Qual Der Schönheit sanfte Gloria Umkränzt als lächelndes Dornenall.
Amen
Verwestes gleitend durch die morsche Stube; Schatten an gelben Tapeten; in dunklen Spiegeln wölbt Sich unserer Hände elfenbeinerne Traurigkeit.
Braune Perlen rinnen durch die erstorbenen Finger. In der Stille Tun sich eines Engels blaue Mohnaugen auf.
Blau ist auch der Abend; Die Stunde unseres Absterbens, Azraels Schatten, Der ein braunes Gärtchen verdunkelt
Blutschuld
Es dräut die Nacht am Lager unsrer Küsse. Es flüstert wo: Wer nimmt von euch die Schuld? Noch bebend von verruchter Wollust Süße Wir beten: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
Aus Blumenschalen steigen gierige Düfte, Umschmeicheln unsere Stirnen bleich von Schuld. Ermattend unterm Hauch der schwülen Lüfte Wir träumen: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
Doch lauter rauscht der Brunnen der Sirenen Und dunkler ragt die Sphinx vor unsrer Schuld, Daß unsre Herzen sündiger wieder tönen, Wir schluchzen: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
1 ja, het schalt, zingt in den hogen het geprezene, vult de tent met blauw, maar zingt het in slaap, als het maar het grote beklemtoont, als het in den hogen wijst, wijdte die nooit nadert en juist die volledig is.
2 zingt in den hogen, wat zich in lofprijzing verzamelt, is altijd slechts één, iedere daad heerlijk, draagt (op) en steekt (niet) omhoog, wat het verschil uitmaakt: de schepping, de macht (binnen hem).
3 zingt in den hogen, de mond niet alleen, alles wat dient, blik, letter, papier, snaar – bazuint, schrijft, citeert, klinkt voort, het.
4 zingt in den hogen, op trommel of mond, alles draait om zijn zij in het rond, fluit en slag.
5 zingt in den hogen, ook het donkerste staal, wordt licht, klinkt goed (bombamdebimbam).
6 zingt in den hogen, alles wat ademt, lang en houdt aan (hem), schalt, maar zingt het in slaap!
Uit: Ik stuur deze brief maar op goed geluk weg. Brieven 1939-1950, s
“Brief aan Haasses ouders en broer in Batavia, 11 september 1939
Lieve Allemaal, Moesten jullie veel porto betalen voor mijn vorige brief? Ik wist niet precies hoeveel er op moest voor de zeepost, ik dacht 6 cent, dat had Oma gezegd, en ik had geen tijd meer om ’t op ’t postkantoor te gaan vragen, omdat de brief nog diezelfde avond met de Oranje weg moest. Maar de volgende dag las ik in de krant dat de vliegdienst weer ingesteld was en dat de Nandoe dien morgen was vertrokken. Ik hoorde ook dat mijn brief te laat was geweest voor de Oranje, zodat ik denk dat hij nu met het vliegtuig is meegegaan. Hoe gaat het met jullie? Hier is alles weer gewoon, je let niet eens meer op mobilisatie of zandzakken en ander oorlogstuig. Ze zeggen dat de oorlog wel een jaar of drie zal duren. Ik hoop het niet! – Anneke en ik hebben van kamer geruild. Ik heb nu de grote voorkamer met 3 ramen op de gracht. Mijn meubels staan er prachtig in, het ziet er zo artistiek en gezellig uit. Douwe heeft een vriend die binnenshuis foto-opnamen kan maken, misschien kan die mijn kamer ook eens nemen. Er is weer van allerlei gebeurd. Douwe en ik hebben het zotste avontuur van ons leven meegemaakt. Enfin, nu moeten wij er voor boeten. Het is een tragikomische geschiedenis, getiteld: ‘Wij gaan op een middag om 6 uur de stad in om goedkoop te eten’. Luistert! Zondagmiddag’s eten D. en ik gewoonlijk in de ‘Petite Marmite’ dat is een kantoormensen eetgelegenheid waar je voor 80 cent soep, voorgerecht, groenten, aard. en vlees, toetje en koffie krijgt, meer dan genoeg en uitstekend klaargemaakt. D. heeft daar een abonnement. Gisteren zouden wij ’t ook weer doen. Wij waren wat laat, zodat er geen plaats meer te krijgen was (er kunnen n.l. maar ± 25 mensen in). Wij hadden echter veel te veel honger om te wachten en besloten ons heil elders te zoeken. Nu waren wij eens op een avond in een café in de Leidse straat geweest dat ‘Fleur’ heet. Het was een goedkope gelegenheid, zoiets als Heck, en een bedevaartsoord voor soldaten + meisje, en Zaterdagavond-dagjesmensen. Op de tafeltjes lagen kaarten die ’t bestaan vermeldden van een, blijkbaar bij ‘Fleur’ horend, eet-restaurant in de straat daarachter. Dit nu herinnerden wij ons gisteren ter onzaliger ure.”
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Van mij naar jou is er een seconde, een lach, er is een volle waslijn die uitkijkt over de zee. Na het gekkigheid bij It-Toqba z-Zghira* probeerde ik je te bereiken. En misschien omdat er geen licht is in dit huis, in de nog steeds echoënde gang, in de kamers boven en beneden, op de bodem van deze put die jouw onvruchtbare woorden kreunt en mompelt , vond ik niemand. Alleen in jouw keuken, knallen mijn uitgehongerde ingewanden over de jongen die geboren wilde worden en zichzelf hangend aantrof aan de uitgedroogde borst die ontsproot in de woestijn; bijna als een stad waaruit iedereen is weggevlucht.
En het is nutteloos om je te verschuilen achter oude muren, en blootsvoets te lopen over de wegen van je moeder, en trots de ruïnes van je schoonheid te bewonen; want je bent nooit moeder geweest, en je zult het ook nooit worden.
Uit de deur van je buurman kwam een meisje tevoorschijn, haar ogen, twee kanonskogels gekruist op de cornetto bij de kleine opening van haar mond. Ze staart je aan, ze probeert je niet te bereiken. Als een mijn op de zeebodem van de haven die nooit ontploft bekijkt ze je, de afbladderende verf, en lacht een moment, naar jou, en liegt dat je mooi bent.
Februari (Marjoleine de Vos), Hugo von Hofmannsthal
Bij het begin van februari
Denim serie. Blauwe schaduwen van februari door Nadezda Stupina, 2018
Februari
De keuze, zegt hij, is niet groot, er is verdriet om bij te blijven, of kies je voor het leven. Zo makkelijk klinkt hij, lacht moeilijk en wenst geloof ik alle dingen nieuw. Achter het raam zit het huiselijk leven onder de lamp bij de hagelslag luistert slordig naar elkaar en de muziek; vier jaargetijden, eerste deel. Hoor de lente. Wat al ruikbaar is moet nog te voorschijn komen het kan eenvoudig toegevroren, februari, verijsde rietpluimen aan metalen water. Toch doet een reeds vergeten geur geloven dat het komen zal. De dolle pimpelmees weet er al van, net als de vlier aan het diepje dat zich een weg slingert door modderig gras.
Het is zo ver weg, wij zijn zo stram vertederd het huiverig oog stuit op de kerktoren in de verte tussen onzichtbaar bezige bomen. Gehoorzaam halen wij onze adem in en als koolzuur in de Spa zo onbedwingbaar groeit alles zich een weg naar boven feestelijk bereid tot bijna niets.
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957) Uitzicht op de Oude Kerk van Oosterbeek
Leben, Traum und Tod … Wie die Fackel loht! Wie die Erzquadrigen Über Brücken fliegen, Wie es drunten saust, An die Bäume braust, Die an steilen Ufern hängen, Schwarze Riesenwipfel aufwärts drängen …
Leben, Traum und Tod … Leise treibt das Boot … Grüne Uferbänke Feucht im Abendrot, Stiller Pferde Tränke, Herrenloser Pferde … Leise treibt das Boot …
Treibt am Park vorbei, Rote Blumen, Mai … In der Laube wer? Sag, wer schläft im Gras? Gelb Haar, Lippen rot? Leben, Traum und Tod.
Für mich…
Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche, Mein Auge adelt mirs zum Zauberreiche: Es singt der Sturm sein grollend Lied für mich, Für mich erglüht die Rose, rauscht die Eiche. Die Sonne spielt auf goldnem Frauenhaar Für mich – und Mondlicht auf dem stillen Teiche. Die Seele les ich aus dem stummen Blick, Und zu mir spricht die Stirn, die schweigend bleiche. Zum Traume sag ich. »Bleib bei mir, sei wahr!« Und zu der Wirklichkeit: »Sei Traum, entweiche!« Das Wort, das Andern Scheidemünze ist, Mir ists der Bilderquell, der flimmernd reiche. Was ich erkenne. ist mein Eigentum, Und lieblich locket, was ich nicht erreiche. Der Rausch ist süß, den Geistertrank entflammt, Und süß ist die Erschlaffung auch, die weiche. So tiefe Welten tun sich oft mir auf, Daß ich drein glanzgeblendet, zögernd schleiche, Und einen goldnen Reigen schlingt um mich Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche.
De jongeling in het landschap
De hoveniers legden hun perken bloot en overal liepen er bedelaars met zwart verbonden ogen en met krukken – maar ook met harpen en met nieuwe bloemen, de sterke geur van zwakke voorjaarsbloemen.
De naakte bomen lieten alles bloot: men keek stroomafwaarts en zag ginds de markt en kinderscharen spelend langs de vijvers. Hier in dit landschap ging hij langzaam voort, voelde de macht ervan en wist – dat zich op hem het lot der wereld had betrokken.
Hij naderde die vreemde kinderen en was bereid, daar in het onbekende een nieuw bestaan al dienend door te brengen. Het kwam niet in hem op zijn zielerijkdom, wegen van toen, herinneringen aan vervlochten vingers en verruilde zielen als méér te zien dan als nietig bezit.
Het geuren van de bloemen sprak hem slechts van vreemde schoonheid – en de nieuwe lucht ademde hij stil, maar zonder smachten: slechts dat hij dienen mocht, verheugde hem.
Vertaald door Victor Bulthuis
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)
Op een zonnige dag in september met een stelletje andere fietsers wachtend op de pont van Maassluis hoorde ik een vrouw met een vachtje van bonterig spul op haar zadel geflankeerd door een brandweersnor op een toon van let even goed op aan een stel dat het ook eens een keer op de tandem wilde proberen, vertellen dat zij wel de baas was in huis, maar dat hij, die daar naast haar, mooi altijd het laatste woord had.
Op Rozenburg, op de veerdam, ging de gewaarschuwde tandem – zij voorop; vier stampende benen – vol op het orgel. Binnen geen tijd kwamen ze los van de grond, stegen op, en waren uit zicht verdwenen.
Bij Warder
Bij gunstige stroming en voldoende zout ontstonden er schelpenbanken.
En nog steeds, op de strandjes bij Warder, tussen Hoorn en Edam, vind je schelpen, kokkels, strandgapers vooral, uit de tijd van de Zuiderzee die pas zijn losgewoeld, opgestuwd, aangespoeld.
Er staat me nog heel wat te wachten.
Den Haag Centraal
Wat laat u mij nu toch weer lijden, Heer! Weet u niet, hoe ik aan het tobben ben en tastend rondga? Waarom moet mijn blik zich dan nog hechten aan een apparaat met knoppen en met gleufjes en de tekst ‘Zoek uw bestemming en druk dan de knop in?’
Of de eerlijke Huronen de stijgende luchtdruk konden compenseren – ik heb hen nooit ontmoet. Ik denk aan gaven die veel verder gaan dan eerlijkheid. Terwijl die toch zou kunnen voldoen als troost, als ontroost, als weerobservatie, een souvenir van een reis en verlichting van het jichtige sterven.
Neem een vrouw. Neem haar niet in de woorden, vriend. In de wetenschap van een gedicht wordt niet bemind. Hooguit staat er berekend wat niet overbleef van een bestaan. Neem een hoofd en zoen het ver, ver weg van de taal. Verschroei een schoot en hoor, de zucht in je werkelijke oor. Ga dan naast haar liggen, al de lege eeuwen van je zinnen worden een zondagmiddag in haar waar.
Dwaling
Dagelijks hebben wij elkaar ontwaard, nooit hebben wij elkaar gevonden.
Nooit hebben wij elkaar geraakt, dagelijks hebben wij elkaar getroffen.
Dagelijks hebben wij elkaar gehoord, nooit heeft iets ons verstaan.
Nooit heeft iets ons verklaard dagelijks hebben wij elkaar gezien.
Nooit hebben wij elkaar ontweken, dagelijks hebben wij de omweg gedaan.
Nooit hebben wij elkaar verzwegen, dagelijks hebben wij elkaar verstomd.
Dagelijks hebben wij om elkaar bewogen, want wij wilden niet verdwalen.
Nooit hebben wij nader bewogen dan toen wij dwaalden om elkaar.
Verlies
Omdat ik me zo vaak verloren heb in dat zingen van de dingen, in de momenten van de mensen,
omdat het me het liefste was zo te verdwijnen, zo het lichtst en dichtst te zijn
bij de oorzaak van het gedicht
omdat ik me zo vaak vergeten ben in de klembeet van middagen immer de gapende schaduwen
omdat het mijn natuur was, mijn onmetelijk gewicht, mijn neiging tot daadwerkelijkheid,
was er niemand.
Bernard Dewulf (30 januari 1960 – 23 december 2021)
Denk eraan, dat de mens de mens een wolf is, dat hij loert op een slachtoffer, denk er altijd aan, ook nu, op dit ogenblik, in april, onder deze betrokken lucht, terwijl het is of je heel zacht het koren kunt horen groeien, terwijl de meisjes het onkruid wieden en de leeuwerik jubelt, denk eraan, ook nu!
Als je van de wijn proeft in de kelders van Randersacker, als je sinaasappels eet in de tuinen van Alicante, als je inslaapt in hotel Miramar, vlakbij het strand van Taormina, als je op allerzielen een kaars offert op het kerkhof van Maastricht, als je vissend je net ophaalt boven de Doggersbank, als je in Detroit een schroef van de lopende band pakt, als je rijstplantjes poot op de sawah’s van Sumatra, als je per muildier over de Andes trekt – denk eraan!
Denk eraan als een hand je streelt, als je vrouw je omhelst, als je kind lacht!
Denk eraan dat als de katastrofe weer achter de rug is iedereen zijn onschuld zal weten te bewijzen! Denk eraan: niet op de kaart liggen Nieuw Guinea en Bikini, maar in je eigen hart. Denk eraan dat je schuld hebt aan al het verschrikkelijke dat ver van je bedreven wordt.
„Der Waldplatz ist nicht einmal Teil der Tour, dieser hinterste und schlechteste aller Fußballplätze, der keine Ban-den und keine Netze hat, in dessen Mitte ein einzelner Baum steht, der gleichzeitig aber auch der beste Platz ist, weil man sich nirgendwo sonst auf dem Schulgelände weiter von allem anderen entfernen kann und weil direkt dahinter, beim Theater Akzent, in Sichtweite der Nuntiatur, der päpstlichen Botschaft, die beste Stelle liegt, um über die Mauer zu klettern. Wenn die Kinder wieder nach Hause kommen und ihre Eindrücke mit den Eltern besprechen, das Marianum mit anderen Schulen vergleichen, Pro-und-Kontra-Listen anfertigen, um eine wohlüberlegte Entscheidung zu treffen, erwähnt kein Einziger von ihnen die Mauer. Auch Till nicht, ein kleiner rothaariger Junge, dem sie sehr wohl aufgefallen ist, der sie angeschaut, sie wahrgenommen hat, im Gegensatz zu vielen anderen Kindern, für die sie nicht mehr war als eine altmodische Theaterkulisse, ein in grauen Pastelltönen zum Horizont führender Übergang. Es wäre aber falsch, Tills abweichenden Eindruck mit einer besonderen Auffassungs- oder Beobachtungsgabe zu begründen, ihm die Hellsichtigkeit zu attestieren, jetzt schon zu erkennen, was den anderen erst mit 14 oder 15 wirklich ins Auge stechen wird, nämlich dass sie, anders als andere Jugendliche aus anderen Schulen, hier eingesperrt sind und dass die Mauer dabei eine sehr pragmatische Rolle spielt. Es liegt auch nicht daran, dass Till sich schon bei der Aufzählung der Fußballplätze, erst recht aber bei ihrer Besichtigung langweilt, keinen Elfmeter schießen will, noch weniger, als er dazu gedrängt wird, Probier es doch einmal! Trau dich!, so wie immer alle zum Fußball gedrängt werden, als gäbe es nichts anderes auf der Welt, bis er sich schließlich doch fügt, weil das Warten der anderen hinter ihm einen Druck erzeugt, den er von Sprungtürmen und Wasserrutschen im Schwimmbad kennt, wo umzudrehen und gedemütigt abzusteigen irgendwann gleich unmöglich ist, wie zu springen. Seine Beine werden beim Anlaufnehmen so lang, dass er Höhenangst bekommt, während das Tor immer weiter schrumpft und die Arme des Tormanns in die Breite wachsen, und er stolpert schließlich über seine eigenen Füße, ohne den Ball zu berühren. Till steht auf und denkt keine Sekunde darüber nach, ob das gerade peinlich war. Es ist Samstag, und als seine Mutter ihn mit einem «So, jetzt müssen wir aber wirklich los!” aus seinem Zimmer geholt und die paar Hundert Meter zu der Schule gebracht hatte, lagen schon drei Stunden Assassin’s Creed hinter ihm, weshalb er sich noch immer in diesem angenehmen, von der realen Welt losgelosten Zustand befindet, den das Eintauchen in andere Welten erzeugt.“
Verrotte paperassen (- intussen zijn de woordsplitsing en de spelling veranderd -) wij verzamelen alles –
telefoonnummers dwaze afspraken, vliegenpoten.
Hier wachten we op de monnik van Heisterbach, op zijn ronde gezicht, dat wij ooit hadden. ‘Ach, de balans!’ Hij komt buiten adem. Zijn wij het? Wij herkennen hem niet meer.
Vertaald door Jan Gielkens
Günter Eich (1 februari 1907 – 20 december 1972)
Onafhankelijk van geboortedata
De Oostenrijkse schrijfster Margit Mössmerwerd geboren in 1982 in Hollabrunn. Mössmer studeerde theater-, film- en mediastudies, evenals Spaanse studies in Wenen. Ze was redacteur en afdelingshoofd bij het onafhankelijke tijdschrift FM5. Vanaf 2007 werkte ze bij quartier21 in het MuseumsQuartier Wenen, waar ze verantwoordelijk was voor communicatie en verspreiding .Ze is getrouwd met de schrijver Tonio Schachinger. Na talrijke literaire en journalistieke publicaties in diverse tijdschriften zoals EIKON, corpus, VICE, schau Kunstmagazin en betonblumen, verscheen in het voorjaar van 2015 Margit Mössmers debuutroman, *Die Sprachlosigkeit der Fische* (De sprakeloosheid van de vis). Fragmenten uit de roman hadden in 2010 al een prijs gewonnen bij de WÖRTER.See literaire wedstrijd van de Oostenrijkse radiozender Ö1 en werden uitgezonden op Ö1. De losjes met elkaar verbonden episodes draaien om de protagonist Gerda, die zich door tijd en ruimte beweegt. Zo werkt ze in de ene episode als au pair in Londen, terwijl ze in een andere episode haar pensioen doorbrengt in Ecuador. Ze wordt ook afgebeeld als burgemeester van een Siciliaanse stad en als de geliefde van een stierenvechter in Madrid. Irmi Wutscher omschreef de roman in een segment op de Oostenrijkse radiozender FM4 als “magisch realisme gemaakt in Oostenrijk”. In de zomer van 2015 verscheen de tweede editie van de roman, die een extra verhaal bevatte. Het boek is nu verkrijgbaar in een derde, uitgebreide editie. Margit Mössmer werd, samen met vier andere Duitstalige auteurs, genomineerd voor de Franz Tumler Literatuurprijs, die in september werd uitgereikt. In 2020 was Margit Mössmer fellow aan het Bundesländeratelier voor Schrijvers in Paliano bij Rome en fellow aan het Praagse Literatuurhuis.
Uit: Das Geheimnis meines Erfolgs
“Dag dag dag, tschewi tschewi dag! Mit dein Ruf der Am-sel musste ich einsehen, dass ich kein Bandit war. Ich er-hob mich von meinem Sessel, riss Henry Fonda von der Wand, schlüpfte aus der Hose, nahm endlich den Hut ab, zog die falschen Stiefel aus und kickte sie mit dem Fuß unter den Schreibtisch, wo der falsche Revolver lag. Ich spürte die Butterkeksbrösel unter meinen nackten Sohlen. Sie erinnerten mich daran, wie lange die Nacht gedauert, wie sehr sie aus Stunden, Minuten und Sekunden bestanden hatte. Butterkeksbrösel, wenn man nahe genug he-rangeht, sehen aus wie Himmelskörper. Sie können von Raum und Zeit berichten. Sie sind Zeugen von Vergangenheit und Gegenwart. Leben und Tod. Ich ging quer durchs Zimmer über die roten Spuren auf dem Boden. Sie sahen aus wie kleine Flugzeuge. Vor dem Fenster blieb ich stehen, zog das Hemd aus, machte einen großen Schritt auf den Stapel IKEA-Kataloge, lehnte mich mit dem Oberkörper hinaus und blickte zur Amsel in die Wiese hinunter, senkrecht. Es ist nicht weiter bemerkenswert, dass mein Fenster offen stand, auch wenn draußen der Schnee lag. Mir war heiß, heiß wie an jedem Tag. Die Amsel wendete ihren Kopf und sah zu mir nach oben. Sie beobachtete mich dabei, wie ich mich auf das Fensterbrett setzte, wie ein nackter Reiter auf sein Pferd. Wie ich schließlich auch mein linkes Bein über den Rücken des Pferdes schwang, sodass beide Beine in der Luft hingen. Die Amsel war eine gewöhnliche Amsel und hatte daher auf die angenehmste Weise nichts dazu zu sagen. Sie wippte dreimal mit ihrem Schwanz auf und ab und flog in den blätterlosen Holunderbusch. Ich blickte an meinen Zehen vorbei in die Tiefe. Der Schnee dort unten war Februarschnee, wässrig und von der frühen Morgensonne beschienen. Ich rutschte mit meinem Hintern einen Zentimeter nach vorn. Meine Fingerkuppen waren noch dagegen und hefteten sich ans Mauerwerk. Unten in der Küche war Nina schon mit dem Herrichten des Frühstücks beschäftigt. »Nina!«, rief ich. »Nina!« »Was?« »Kannst du mir helfen?« »Ich habe zu tun!« »Nina!« Sie ging endlich die Treppe hinauf. Unsere Treppe bestand aus zwölf knarzenden Holzstufen, also konnte ich ihren Weg nach oben mitzählen. Eins, zwei, drei, vier, bei fünf zitterten meine Arme vor Anstrengung, mein halber Kör-per hing schon in der Luft.”