Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
15-08-2017
Dolce far niente, Nescio, Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter, Leonie Ossowski, Daan Zonderland, Jan Campert
Dolce far niente
Gezicht op het IJ voor Amsterdam, met de overkapping van het Centraal Station door Hobbe Smith, 1913.
Uit: Boven het dal
“We zaten in den avond op ’t terras van ’t Tolhuis en keken over ’t IJ naar de stad. De electrische lampen aan de spoorbaan brandden lila in de hoogte tegen een donkerblauwe lucht. ’t Weerlichtte wat boven de drie spitse torens van de kerk aan de Haarlemmerstraat, onder de kap van ’t Centraalstation hijgde een locomotief, de tram reed brommend over de De Ruyterkade, ’t water golfde verlaten koudblauw met nerveuze, korte en onnoozele golfjes, maakte een zwak geluidje tegen den steenen rand van ’t terras en riekte zwakjes naar dood water. Dicht bij lag, heel stil, het scheepje van visschers, de mast, zonder zeil, stak schraaltjes naar boven tegen de donkere stad, met de punt in een licht stuk licht. ‘k Zag dat ’t scheepje van voren hoog was en van achteren laag en vond ’t aardig, er zoo naar te kijken. ’t Was stillig, er waren weinig menschen. Er was wat geluid van glazen en kopjes, nu en dan, de stad aan den overkant ademde zwakjes en onschuldig en weerkaatste zijn lila engele lichten, die zigzagden in ’t IJ.”
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961) Reguliersbreestraat vanaf Rembrandtplein door Henk Alleman. Nescio werd geboren in de Reguliersbreestraat.
Zij heeft gezegd: ik moest niet wanhopig wezen, het leven zou wel ergens goed voor zijn - en nu zit ik doortrokken van mijn wezen de halve tafelronde van de zee te presideren in het zetelduin.
Boven mij plafondengeltjes van wolken en boven mij de luchter van de dag, voor mij als penhouders of dolken masten die krassen op het tafelblad: schepen en dat zij heeft gelijk gehad.
Talloze stemmen rollen in de schelpen van mijn hoofdhelften en de uitspraak luidt: dubbel en dwars staat zij in het gelijk. Het zijn alleen meeuwen die blanco stemmen. De zee spreekt zich schuimbekkend voor haar uit.
Een mummie van woorden
Geen god vertoonde ooit zijn gezicht
en geen gedicht spreekt onomwonden,
verzegeld verzegeld, egyptisch graf,
zo wacht ik af in al deze regels
of ik zal worden gevonden, verstaan,
een mummie van woorden onder het puin vandaan.
Ja en nee
Op iedere boom schrijf ik ja maar nee op de blaren
in iedere steen schrijf ik nee maar ja over de stad
nee schrijf ik op mijn hart ik schrijf ja over jaren maar nee midden op de dag
nee middaglicht het vale ik schrijf nee op haar haren ik schrijf nee op haar handen maar ja op haar levensloop
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010) Van der Graft ontvangt het eredoctoraat van de Universiteit Utrecht in 1966
Because it hadn't seemed enough, after a while, to catalogue more Christmases, the three-layer cakes ablaze with birthday candles, the blizzard Billy took a shovel to, Phil's lawnmower tour of the yard, the tree forts, the shoot-'em-ups between the boys in new string ties and cowboy hats and holsters, or Mother sticking a bow as big as Mouseketeer ears in my hair,
my father sometimes turned the gaze of his camera to subjects more artistic or universal: long closeups of a rose's face; a real-time sunset (nearly an hour): what surely were some brilliant autumn leaves before their colors faded to dry beige on the aging film; a great deal of pacing, at the zoo, by polar bears and tigers caged, he seemed to say, like him.
What happened between him and her is another story. And just as well we have no movie of it, only some unforgiving scowls she gave through terrifying, ticking silence when he must have asked her (no sound track) for a smile. Still, what I keep yearning for isn't those generic cherry blossoms at their peak, or the brave daffodil after a snowfall,
it's the re-run surprise of the unshuttered, prefab blanks of windows at the back of the house, and how the lines of aluminum siding are scribbled on with meaning only for us who lived there; it's the pair of elephant bookends I'd forgotten, with the upraised trunks like handles, and the books they meant to carry in one block to a future that scattered all of us.
And look: it's the stoneware mixing bowl figured with hand-holding dancers handed down so many years ago to my own kitchen, still valueless, unbroken. Here she's happy, teaching us to dye the Easter eggs in it, a Grecian urn of sorts near which—a foster child of silence and slow time myself—I smile because she does and patiently await my turn.
Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954) Salter ontvangt het eredoctoraat in de letteren van Amherst College in 2010
„Die Treckwagen wirkten beunruhigend. Schon vor Wochen waren die ersten Kolonnen vorbeigezo-gen, aber damals waren sie noch in großen Abständen herangerollt. Man hatte sie bestaunt, denn in der Aufmachung glichen sie eher Zigeunertrupps. Aber mit der Zeit war die Angst gewachsen. Tag und Nacht rumpelten die Räder rechts und links an dem großen Alumnatsgebäude vorbei über den Marktplatz. Das monotone Anrufen der Pferde, das Knarren der Räder, das Heulen fremder Hunde scheuchte die Bürger nachts in den Betten hoch. Jeden Tag schien sich die Hoffnung zu verringern, dass die Flucht nur anderen bestimmt sei. Gerüchte wanderten von Tür zu Tür. Man erzählte, man übertrieb, man schürte die Angst. In den Hinterhöfen, in den Kellern, vor den Nachbarn verborgen, wurden Handwagen und Fahrräder be-packt, denn es war verboten, sich ohne Befehl davonzumachen. Frau Nagold starrte durch die Fenster ihrer Wohnung im obersten Stock des Alumnatsgebäudes. Bis jetzt hatte sie versucht, ihre Fluchtgedanken zu bezähmen. Sie hatte ihre Pflicht als Lehrersfrau im Alumnat erfüllt, sie hatte die Jungen versorgt, sie war in der Küche eingesprungen, als die Kö-chin eines Morgens mit Sack und Pack verschwunden war. Sie hatte sich bemüht, den optimisti-schen Reden des Direktors Jähde Glauben zu schenken, dass Adolf Hitler im richtigen Moment die richtige Waffe einsetzen würde. Aber wo blieb diese, wenn die Treckwagen schon jetzt aus einem Ort kamen, der kaum hundert Kilometer entfernt war? Frau Nagold schloss die Augen. Ganz langsam nahm das Grauen auch von ihr Besitz.“
Leonie Ossowski (Röhrsdorf, 15 augustus 1925) Scene uit de gelijknamige film uit 1980
‘Wat is een paddenlevens doel?’ Peinst vader pad op zijn paddenstoel. ‘Wat is een paddenleven droef,’ Denkt moeder pad op haar paddepouffe. Maar babypad schraapt zijn paddenstrotje En roept luidkeels om zijn paddepotje.
Er staat een boom
Er staat een boom in Nederland Dichtbij het plaatsje Duiven. Daar groeien rode neuzen aan En al die neuzen snuiven.
Zodra het echter winter wordt En het begint te vriezen, Dan worden al die neuzen paars En al die neuzen niezen.
Daan Zonderland (15 augustus 1909 – 5 augustus 1977) Cover
Valer de dagen, die scheem'rend zich bezinnen op wat een sterke zomer brandde aan hun wet, toen d'uren, groeiend tot een rijp en schoon beginnen, den luiden zegen hunner tochten hebben ingezet.
Waar alle nachten als een donker-vreemd gebed stegen tot waar de sterre-steenen winnen hun heimlijk vuur... en aard's gespreide bed verstilt onder d'extaze van een ademloos beminnen...
Valer de dagen... zie, hoe een siddrend ongeduld schrijnender bloeit onder den raadsel-schoonen schijn van droefenis, die àl geluk en leed verhult;
en door de tijden, die geweldloos sterven achter 't avondland, rest enkel nog de steun van hart's vertraagd refrein, dat d'eindloosheid der heem'len over onze oogen spant.
Zwervers-liefde
Gij waart mij immer vreemd en nooit-genegen, enkel het hooren Uwer tred was een solaes voor mij, armzalig hert, dat hunkerend en dwaas, zijn liefden spilt langs nachtelijke wegen.
Zoovele steden zwierf ik - achter het waas, waarmee zij uit de koele kimmen stegen, wist ik de schat der pleinen, strak-gelegen onder de zon, midden der dagen luid geraas.
O stad, gij duistre, die heim'lijke weelden tot relequieën in heur schrijnen werft; voor mij, die zooveel wrange vreugden deelde, wiens wreede hart in menig leven kerft, waart ge een tijdlijk schoon, dat alreê sterft:
balseme kort voor wond, die nimmer heelde.
Jan Campert (15 augustus 1902 - 12 januari 1943) Spijkenisse: De beeldengroep 'Mannetjes op de Krom'
Kees Fens, Wolf Wondratschek, Danielle Steel, Erwin Strittmatter, Sir Walter Scott, Thusnelda Kühl
Dolce far niente
De Baarsjesweg in Amsterdam
Uit: Slatuinenweg
'Slatuinen' - het is al halflandelijk. Ik meen dat heel lang geleden de hele buurt eromheen de 'Slatuintjes' heette. Er moeten tuinders hebben gewoond; die werden bij de uitbreiding van Amsterdam naar het westen steeds verder weggeschoven. Het is minder dan een halve eeuw geleden dat niet ver voorbij het onlangs helemaal gerestaureerde Mercatorplein, waarvan de curieuze poortgebouwen verbeeld zijn in Hermans' novelle Dokter Klondyke, de tuinderijen begonnen. Een lappendeken van kleine veldjes, doorsneden met slootjes. En die wereld, die zich alleen soms op de schaats liet verkennen, liep door tot het dorp Sloten.Met kleine bootjes, roeiboten vaak, kwamen de tuinders over hun slootjes en de Kostverlorenvaart naar de Centrale Markt-hallen, een lange en zware tocht voor weinig winst. Voor mij was het een groot buitengebied waar het altijd koud was en alleen boerenkool, die er verstijfd bijstond, werd verbouwd. De kerk van Sloten had als patroon Sint Pancratius, en dat is een van de ijsheiligen. (Het dorp Sint-Pancras, in Noord-Holland, leek mij ook een heel koude plek).De Slatuinenweg loopt van de Admiraal de Ruyterweg naar de Baarsjesweg, die aan het water ligt. Rechts van de toegang lag het einde van een huizenblok. Op de begane grond van die hoek was een café-restaurant gevestigd, dat op mij als jongen een zeer wereldse en vooral ook dure indruk maakte. Aan de linkerzijde lag het geheimzinnigste gebouw uit mijn buurt. 'Dirk Schnabel' stond erop. Je zag er nooit iemand, maar uit alle ramen kwamen vreemde geuren, die mij zeer bekoorden: ik bleef er wel staan om te snuiven. Schnabel was, wist ik later, een clichéfabriek. Tussen die twee daalde je af in de Slatuinenweg (sommigen zeiden 'Slatuinenpad', maar ik hield die naam voor een piepklein steegje dat het straatje ook nog kende). Ik was nog nooit in een dorp geweest - Sloterdijk uitgezonderd - maar zo stelde ik mij een dorpsstraat voor. Je kon er recht doorheen kijken, en dat is zeer bekoorlijk. Links en rechts heel kleine huisjes, een benedenverdieping en een zolderachtige bovenverdieping. Er leken mij alleen maar achtergeblevenen te wonen, de laatste tuinders, zonder tuin.”
Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008) De Chassékerk en de Chasséstraat in Amsterdam. Kees Fens groeide op in deze straat.
Als ich mich in dich verliebte, wußte mein Körper früher als ich, was los war, und fing an zu schreien, irgendetwas in Richtung Bauch, was sofort meine Beine in Mitleidenschaft zog, denn sie waren unbrauchbar, als ich aufstand und mich entschuldigte. Auf diese Art Neuigkeiten war ich nicht gefaßt gewesen (und ich haßte Romane, in denen sowas an der Tagesordnung war). Meinem Körper allerdings war alles egal. Er schrie zwar nicht mehr, aber sein Flüstern, das dann einsetzte, war noch lauter. Ich schloß die Augen. Mein Kopf war eine Rennstrecke vieler Gedanken, die alle den Weg nach Hause vergessen hatten und nun die Toilette nicht mehr verlassen wollten. Ich hatte Mühe, mich dir wieder gegenüberzusetzen. Wir unterhielten uns, nehme ich an, wobei mir auffiel, daß du viel lieber mit meiner Nase sprachst, mit meinen Fingern, meinen Schultern. Natürlich nahmst du zu Recht an, daß die dich besser verstehen als ich. Auch mein Bauch mischte sich wieder ein, abgrundtief begeistert von dir. Dann, ich war unfähig, es zu verhindern, hast du auf meiner Haut eine Zigarette entzündet.
Liebst du mich?
Ob ich dich liebe? Ich weiß es nicht und wage nicht, es zu wissen. Ich fürchte alle Nachteile dieser Gewißheit und will auch mit den Vorteilen nicht leben müssen. Ich halte schon die Frage für gelogen und fühlte mich um all meine Zweifel betrogen, wüßte ich eine Antwort. Ich schweige nicht, mir sind nur, Geliebte, die Sinne benommen. Ich kann nie genug bekommen von meiner Unvollkommenheit, vom Licht, wenn es verlöscht, und von den Rätseln der Ruhe in deinen Augen. Wie wenig dann Worte taugen!
Was an mir sterblich ist, nimm es dir. Es gehört keinem, nicht einmal mir.
“San Gregorio–sacred words to sacred women, and Isabella and Amadeo the most sacred words of all. He in all his golden, green-eyed Florentine magnificence, inheriting the house at thirty-one; she the granddaughter of Jacques Louis-Parel, the king of Paris couture since 1910. Isabella’s father had been Italian but had always taken pleasure in telling her he was quite sure that her blood was entirely French. She had French feelings and French ideas, French style, and her grandfather’s unerring taste. At seventeen she had known more about high fashion than most men in the business at forty-five. It was in her veins, her heart, her spirit. She had an uncanny gift for design, a brilliance with color, and a knowledge of what worked and what didn’t that came from studying her grandfather’s collections year after year. When at last in his eighties he had sold Parel to an American corporation, Isabella had sworn that she would never forgive him. She had, of course. Still if he had only waited, if he had known, if…but then she would have had a life in Paris and never met Amadeo as she had when she set up her own tiny design studio in Rome at twenty-two. It had taken six months for their paths to cross, six weeks for their hearts to determine what the future would be, and only three months after that before Isabella became Amadeo’s wife and the brightest light in the heavens of the House of San Gregorio. Within a year she became his chief designer, a seat for which any designer would have died. It was easy to envy Isabella. She had it all: elegance, beauty, a crown of success that she wore with the casual ease of a Borsalino hat, and the kind of style that would still make an entire room stop to stare at her in her ninetieth year. Isabella di San Gregorio was every inch a queen, and yet there was more. The quick laughter; the sudden flash of diamonds set in the rich onyx eyes; her way of understanding what was behind what people said, who they were, why they were, what they were and weren’t and dreamed of being. Isabella was a magical woman in a marvelous world.”
„Einmal waren wir in der Heuernte, und der Kalender hatte gut Wetter vorausgesagt, doch als wir das Heu schon fast trocken hatten, brach ein Gewitter los und verdarb es. Großvater zog den Tischkasten auf, packte den Kalender und warf ihn aus dem Fenster hinaus in den Regen: »Was fällt dir ein? Da überführ dir, du Lügensack!« Großmutter holte den Kalender herein. Er hatte achtzig Pfennig gekostet. Sie entschuldigte den Kalender: »Es kann doch vorkommen, daß eins mal die Unwahrheit sagt.« »Du vielleicht, ich nicht«, sagte Großvater. Die Kalendergeschichten las Großvater jahrsüber mehrmals, und manche Partien der Geschichten konnte er auswendig, besonders, wenn sie sich auf Personen aus der Geschichte der von ihm gehaßten Preußen bezogen oder auf Personen, die einem Mord zum Opfer gefallen waren, oder auf andere, die sich selber umgebracht hatten. Als sich im Dorf ein heimatloser Fleischergeselle erhängte, zitierte Großvater aus einer Kalendergeschichte: »Er sah kein Land mehr, nur böse Menschenzungen, und er ließ sich von ihnen treiben und suchte die Handwärme seiner Mutter, und die war nicht mehr, und da legte er sich ein Seil aus Hanf um seinen Nacken und schied...« Im Kalender standen auch Inserate, zwielichtige Bücher wurden angeboten: FREIE LIEBE oder EHE IN NOT Und WlE LERNE ICH MICH JAPANISCH SELBSTVERTEIDIGEN, auch HERREN RAUCHEN BREMER KEULEN.“
Erwin Strittmatter (14 augustus 1912 – 31 januari 1994)
“The latter part of the fifteenth century prepared a train of future events that ended by raising France to that state of formidable power which has ever since been from time to time the principal object of jealousy to the other European nations. Before that period she had to struggle for her very existence with the English already possessed of her fairest provinces while the utmost exertions of her King, and the gallantry of her people, could scarcely protect the remainder from a foreign yoke. Nor was this her sole danger. The princes who possessed the grand fiefs of the crown, and, in particular, the Dukes of Burgundy and Bretagne, had come to wear their feudal bonds so lightly that they had no scruple in lifting the standard against their liege and sovereign lord, the King of France, on the slightest pretence. When at peace, they reigned as absolute princes in their own provinces; and the House of Burgundy, possessed of the district so called, together with the fairest and richest part of Flanders, was itself so wealthy, and so powerful, as to yield nothing to the crown, either in splendour or in strength. In imitation of the grand feudatories, each inferior vassal of the crown assumed as much independence as his distance from the sovereign power, the extent of his fief, or the strength of his chateau enabled him to maintain; and these petty tyrants, no longer amenable to the exercise of the law, perpetrated with impunity the wildest excesses of fantastic oppression and cruelty. In Auvergne alone, a report was made of more than three hundred of these independent nobles, to whom incest, murder, and rapine were the most ordinary and familiar actions. Besides these evils, another, springing out of the long continued wars betwixt the French and English, added no small misery to this distracted kingdom. Numerous bodies of soldiers, collected into bands, under officers chosen by themselves, from among the bravest and most successful adventurers, had been formed in various parts of France out of the refuse of all other countries. These hireling combatants sold their swords for a time to the best bidder; and, when such service was not to be had, they made war on their own account, seizing castles and towers, which they used as the places of their retreat, making prisoners, and ransoming them, exacting tribute from the open villages and the country around them--and acquiring, by every species of rapine, the appropriate epithets of Tondeurs and Ecorcheurs, that is, Clippers and Flayers.“
Sir Walter Scott (14 augustus 1771 - 21 september 1832) Scene uit de gelijknamige film uit 1955 met o.a. Robert Taylor als Quentin (hier in de badkuip)
„Es war im Jahre 1700. Im Oktobersturm sausten die Wipfel der uralten Eschen, die wie trotzige Riesen Reimer Floris alten Bauernhof zu schützen schienen. Sie hatten ihn geschützt durch Jahrhunderte hin, so lange die stolze Werft, auf der er stand, den Namen »Flors Warf« geführt. Nun aber war ihre Macht dennoch gebrochen worden, und darum geschah es, daß sie nun im Sturm klagend und heulend ihre alten Häupter wiegten. In der Küche schwelte eine Tranlampe und beleuchtete sorgenvolle Gesichter. Und so oft von dem großen Wohngemach ein Ton lauter Lustbarkeit herüberdrang, schlug Sievert Nickels, der alte Knecht, mit der Faust auf den Tisch und rief: »Und ich bleib' dabei, eine Sünde und Schande ist es und niemals im Lande Eiderstedt Sitte gewesen, so lange ich denken kann.« »Und nicht einmal für den Nispuk ein Schüsselchen übrig zu lassen« – klagte die Magd Telse. »Das geht nicht gut, ist mir bange, und mit Reimer Floris Glück ist's vorbei. Die arme kleine Deern, die Martje!« Ein gellender Ton schnitt die Rede der beiden ab. Sievert Nickels stand auf, zündete aber erst die kurze Kalkpfeife wieder an, bevor er auf seinen Holzschuhen schwerfällig und langsam über den großen, dunklen Fliesenflur schritt. Gerade wollte er die Haustür öffnen, da fiel noch einmal der Drücker auf die Messingplatte, lauter als das vorige Mal, wie in sichtlicher Ungeduld geschleudert. »Lat ji man Tid,« brummte Sievert. Da stand die mittelhohe schlanke Gestalt eines Mannes vor ihm in der Uniform der Offiziere Karls XII. von Schweden. »Ist das die gerühmte Eiderstedter Gastfreundschaft?« fragte General Steenbock schneidend. »Ob Eiderstedter Gastfreundschaft je gerühmt worden ist, weiß ich nicht,« versetzte Sievert trocken, den Mann vor ihm entweder nicht erkennend oder nicht erkennen wollend – »vielleicht ist's ja aber mit der gerühmten Eiderstedter Gastfreundschaft besser bestellt als mit der gerühmten schwedischen Mannszucht."
De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silvermanwerd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974 als dochter van een projectontwikkelaar en architect en een docente kunstgeschiedenis. Ze is in 1996 afgestudeerd aan Vassar College. Zij debuteerde in 2009 met “Houses Are Fields”. In het boek reageerde zij op de dood van haar moeder. Gedichten van Silverman zijn gepubliceerd in tijdschriften als Poetry, The Harvard Review, Plowshares, Massachusetts Review, The Antioch Review en AGNI. Silverman's gedichten werden ook opgenomen in de bloemlezing van de hedendaagse Amerikaanse poëzie, “The Best American Poetry” (2016). Als vertaalster is ze vooral bekend om haar vertalingen van Giovanni Pascoli, die zijn verschenen in The Nation, New England Review, Agni, Pleiades en Modern Poetry in Translation. Zij wordt beschouwd als een van de meest vernieuwende hedendaagse Engelse vertalers van Italiaanse poëzie. Silverman vertaalde ook de dialectpoëzie van Pier Paolo Pasolini en verschillende werken van Paolo Valesio. Ze heeft lesgegeven aan de universiteit van Bologna in Italië onder een Fulbright-fellowship, Ursinus College en Emory University, waar ze ook creatief-schrijven doceerde. Silverman was ook docent aan de Universiteit van Maryland en de Universiteit van Houston en werkte ze als lerares poëzie op openbare scholen via het programma Writers-in-the-Schools.
The Winter Before
My mother knocked on the bathroom door to read me a poem. Her happiness was shining. Even now, she read from her place on the page, the Beloved is tending himself inside of you. When I didn’t smile she asked, Isn’t it beautiful? God is inside of us. Yes. A thousand times yes. For no reason I remembered my dream from the night before, how I had no money in a strange city and each male friend I asked for a place to stay wanted sex in exchange. No reason. I smiled. I let her happiness be my happiness, which is easy sometimes, but when she turned to walk back to her bedroom, I wanted to call to her: Wait. All my dreams had returned. Dreams of being alone in strange cities, a man following or being followed—death as the lover we greet indifferently, on the stairs. Wait. I wanted to ask her, Will we be all right? My father was already sleeping in the bed she would climb into and the skin on their bodies was the most precious thing I would ever know. I would lose it. Will we be all right? The door closed click, shut. Ghosts cluttered the hallway. Inside me somewhere buried and lightless I was sobbing and would not stop, but in the mirror my eyes were dry. I asked to forget and be forgiven though I asked no one, and nothing.
Philtrum
I. Paper boat, rift in the water. Deft bluff of a thumb. Misplaced teardrop, left to dry. Cool cleft of the river bed.
II. Before we are born, the angel of God comes to the womb and teaches us everything. How the lung books in scorpions let them breathe, the nature of a galaxy's greed. Whole memories and the words for each piece of the world. Then birth. And the angel returns as our mothers begin to suffer, silences cells as our mothers beg. Push, someone urges, and almost, while inside the angel traces a finger from the nose to the top lip, so when we enter our lives, all we were taught is forgotten.
Adriaan Roland Holst, antoine de kom, Atte Jongstra, Amélie Nothomb, Nikolaus Lenau, Tom Perrotta
Dolce far niente
Het voormalige huis van A. Roland Holst aan de Nesdijk in Bergen
Wereld en droom
Dwazen, die duur van aardsch geluk bedongen, dat zingend op geen sterven zich bezint: Waar het nu ritselt, daar werd eens bemind - Waar nu de raaf krast werd eenmaal gezongen.
Wij bouwen tot het woord ons wordt ontwrongen: De steden staan op graven in den wind - En als vergeefschheid zich bevestigd vindt moet nog de dood ons worden opgedrongen.
Maar wat dan van den droom? duizenden zwerven voorbij de wegen naar de bronzen poorten van gindschen steilen, nooit ontsloten tempel -
Maar daar ook waait de wind en heerscht het sterven, en harten, eenmaal ruischend van geboorten, ritselen schuw daar over duistren drempel.
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976) Interieur van het huis van A. Roland Holst aan de Nesdijk in Bergen
Ogier de Gombaud aan Lodewijk xviii van Frankrijk, 24 april 1815
1 Sire, mijn lot: dat ik ben, noch denk, leef Zo leeg als een schedel, gerot en verdoemd Door de onmin van Bonaparte - woedend Was de Eerste Consul; ons plan bleek
Mank, al bekend, en ik, nooit een strateeg, Liep in de val die voor hem was bedoeld. Mijn lot. Dat ik denk, dus ben, leef Leeg als 'n schedel. Verrot. Gedoemd
Zoals zo vaak gebeurt, ellendige Herhaling van historie: per schoener Cybèle naar Cayenne. In naam van zijn roem Telt een simpele grenadier niet meer. Mijn lot, O Sire, Majesteit, zo ledig. Over dit hoofdstuk/artikel
2 Vrij, gelijk en broederlijk? Beroerd. Slik, Hitte en muskieten zijn mijn deel, dat wat Napoleon met harde hand Continentaal Verklaarde - het werd mij ontzegd. Ach, ik
Was van geen belang; hij heeft beschikt Zich tóch vergist: niet hij bedacht Mijn straf - heb ik mijzelf dan niet verbannen? Vrij ben ik, gelijk en broederlijk, ik zit
Ga, sta, volg eigen wet. Beschik Over mijn eigen onderdanen: echt bestaande Vogels in plat vlak gevangen, stram, betrapt Met prooi en al, vrij naar de natuur geschilderde Verzinsels op velijn, staande in 't slik, zo ik.
“Er was de zee beneden, daarboven een zwerk van lood. Axel Borg stond met twee benen stevig op Bornholms graniet en liet de blik weiden over zijn reisroute. Hoe lang zou het duren voor de wateren zouden samenvloeien? Aan de einder was het silhouet van Christiansø zichtbaar, een minimale horizonverdikking in een smalle streep licht. Hij had een overtocht geboekt naar deze in de komende maanden schaars bevolkte, geologische ruïne, waar hij zich terug zou trekken voor het Werk. De Ostrogoth lag klaar, maar alles in hem verzette zich tegen de reis. De dieseldampen aan boord van de veerboot, het zeewater dat zich straks in snotgroene walmen, algachtig aan hem zou meedelen, het dreigend grijs, een eilandgemeenschap waar hij zich in zou moeten vechten, de eenzaamheid van de komende maanden die hem toegrijnsde. En meer nog: het Werk. Weinig volk op de kade. De wind was opgestoken en maakte van het haventje van het lieflijke Gudhjem een tochtgat. Huiverend liep hij terug naar het hotel om zijn rolkoffer te halen, laptoptas, een doos. Ziet er niet goed uit met het weer...’ zei Axel. De hotelhouder haalde de schouders op. ‘Och, de zee is geduldig. U gaat eh...?’ ‘Naar Christiansø.’ ‘Dan had u beter een paar maanden eerder kunnen komen. Daar valt nu niks te beleven.’ ‘Daar ga ik juist voor.’
«Sur l’autre rive de la Seine, un jeune couple nouvellement établi non loin de la gare d’Austerlitz mit au monde une petite fille. Le père s’appelait Lierre, la mère s’appelait Rose. Ils nommèrent le bébé Trémière. – Vous êtes sûrs de ce prénom ? interrogea l’infirmière. – Oui, dit l’accouchée. Mon mari porte un nom de plante grimpante et moi celui d’une rose. Une rose qui grimpe, c’est une rose trémière. Découragée face à une telle détermination, l’infirmière inscrivit Trémière sur le bracelet. Au moment de le nouer autour du poignet, elle regarda le visage de la petite et ne put retenir un cri: -Que tu es belle ! Trémière n’avait pas la figure rouge et chiffonnée des nouveau-nés : sa tête était lisse et blanche comme une fleur de coton, aucune convulsion ne secouait ses traits de poupée de porcelaine. Les gens qui vinrent effectuer leur visite de politesse à la maternité furent aussitôt sous le charme. – Vous l’avez bien réussie ! dirent-ils aux parents, émerveillés d’un succès si facile. Il y eut quelques fâcheux pour déplorer le prénom, mais ils concluaient toujours ainsi : – Bah ! Elle est si belle que n’importe quel prénom lui irait. Lierre inventait des jeux vidéo, Rose dirigeait une galerie d’art dans le nouveau quartier branché de Chevaleret. Ils avaient vingt-cinq ans, ils n’avaient pas de temps à accorder à leur bébé. Un mois après l’accouchement, la jeune mère reprit son travail et confia la petite à sa mère, qui habitait une ruine somptueuse à Fontainebleau. – Tu es sûre que c’est une bonne idée ? lui demanda Lierre. – C’est là que j’ai grandi, élevée par ma mère, répondit Rose. – La maison et la mère s’effondraient moins à l’époque. – Je souhaite à ma fille une enfance aussi féerique que la mienne. La mère de Rose s’appelait Passerose, autre nom de la rose trémière. Elle s’éprit de sa petite-fille au premier regard : – Je ne pensais pas qu’il était possible d’être encore plus belle que Rose, dit-elle à l’enfançonne.»
“Still, as skeptical as she was of fanatical punctuality in general, Sarah had to admit that the kids seemed to find it reassuring. None of them complained about waiting or being hungry, and they never asked what time it was. They just went about the business of their morning play, confident that they'd be notified when the proper moment arrived. Lucy seemed especially grateful for this small gift of predictability in her life. Sarah could see the pleasure in her eyes when she came running over to the picnic table with the others, part of the pack for the first time all day. "Mommy, Mommy!" she cried. "Snack time!" Of course, no system is foolproof , Sarah thought, rummaging through the diaper bag for the rice cakes she could have sworn she'd packed before they left the house. But maybe that was yesterday? It wasn't that easy to tell one weekday from the next anymore; they all just melted together like a bag of crayons left out in the sun. "Mommy?" An anxious note seeped into Lucy's voice. All the other kids had opened Ziploc bags and single-serving Tupperware containers, and were busy shoveling handfuls of Cheerios and Goldfish crackers into their mouths. "Where my snack?" "I'm sure it's in here somewhere," Sarah told her. Long after she had come to the conclusion that the rice cakes weren't there, Sarah kept digging through the diaper bag, pretending to search for them. It was a lot easier to keep staring into that dark jumble of objects than to look up and tell Lucy the truth. In the background she heard someone slurping the dregs of a juice box. "Where it went?" the hard little voice demanded. "Where my snack?" It took an act of will for Sarah to look up and meet her daughter's eyes. "Im sorry, honey." She let out a long, defeated sigh. "Mommy can't find it."
Justus van Maurik, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel, Stefano Benni, Marcellus Emants, Naoki Higashida
Dolce far niente
Amsterdam, Gemeentearchief vanaf Weesperzijde
Uit: Amsterdam bij dag en nacht
“Evenals 't licht zich 't allereerst aan den uitersten rand van den gezichteinder vertoont, zóó ontwaakt ook ‘het leven’, de bedrijvigheid het eerst aan den zoom der stad.'t Is nog donker op den Sloter- en Amstelveenschen weg en de Weesper- en Utrechtsche zijden dommelen in grauw en nevelig duister. Op Y en Amstel glinstert 't maanlicht nog over 't ijs of spiegelt in de wakken, maar van alle kanten komen reeds ‘de boeren’ naar Amsterdam; zij brengen voedsel naar de slapende stad; voor hen is 't reeds dag en werktijd. Ziet! daar naderen ze van Sloten, uit de polders, van Ouwerkerk en van Amstelveen. Met wagens en karren komen ze aangereden, - de groenteboeren het eerst; zij brengen kool, wortelen, rapen en meer andere wintergroenten voor de groenmarkt en lokken de negotianten uit het warme bed, naar de Prinsengracht. Dáár komen de kinderen Israëls hun te gemoet; zij hebben den naam van ‘vroeg op te staan’ - maar ze doen 't ook in werkelijkheid. Als er wat te verdienen is zijn zij, met loffelijken ijver, bij de hand, vóór anderen; zij duwen hun handkar voort en - moeder de vrouw zit er in! Waarom zou ze niet rijden? 't Kost niets meer en straks zal ze nog genoeg moeten loopen, als ze haar groenten gaat uitventen, want ‘moeder’ loopt even hard met de savooie kool of rapen, als ‘vader’ met Hoornsche wortelen en uien. Na de groenten, de melk. De melkboeren komen iets later naar stad, maar toch zijn ze van vijf uur af al op weg, omdat tusschen vijf en zes uur de ‘tollen’ open zijn. Achter en naast elkander rijden ze voort tot aan het ‘Stuivertje,’ op den hoek van de Vondel- en Stadhouderskade; dáár wordt 's morgens vroeg en ook tegen den avond, de melkmarkt gehouden. Alles en iedereen is daar druk in de weer; vóór de klok zes uur heeft geslagen wordt in ‘het Stuivertje’ reeds geloofd en geboden, gebitterd en gegeten, gekibbeld en weer vrede gemaakt. De opkoopers wachten in die herberg de boeren af en voorzien zich van de noodige hoeveelheid melk die zij, op hunne beurt weer, aan de ‘slijters’ over doen. Veel buiten-boeren gaan zelf met hun wagens de stad in en enkelen onder hen bedienen zelfs particulieren, die liever niet van de Amsterdamsche melk-inrichtingen koopen, omdat ‘hun boer’ geen duinwater in zijn melk doet. - Gelukkig dat de kikkersloten niet klappen!”
Justus van Maurik (16 augustus 1846 - 18 november 1904) Amsterdam, Overtoom. Vanaf de Stadhouderskade tot ongeveer bij de Anna Vondelstraat werd de Overtoom tot oktober 1901 de Vondelkade genoemd. Justus van Maurik werd geboren in Amsterdam.
„St. Moritz, Donnerstag, den 20. VII 1950 Gut geschlafen wie auch K.. Bad und Theefrühstück. Ausbleiben von Post, scheinbares Versagen des Dolder-Concierge. Brief an Direktor Kraehenbühl. Unabhängig hiervon die Frage ob Franzl antworten wird. Das Waldhaus, wohin sein Brief gehen würde, schickt getreu. Er wird wohl nicht wissen anzufangen und in seinen Schriftzügen werden ja nicht seine Augen sein, la forza de suo bel viso. – Michelangelos Gedichte beschäftigen mich nachhaltig. Ich möchte darüber schreiben. Diese sinnlich-übersinnliche Liebeskrankheit, diese phantastische Aufgewühltheit, die immer das Verfallensein an das Schöne als Liebe zu Gott und dem Geistigen deutet, diese Kraßheit der Schilderung der eigenen Häßlichkeit, des eigenen Lebenselends halten mich gewaltig fest.
Het landhuis in Bad Tölz, van 1909 tot 1917 in het bezit van de familie Mann
Das erotisch aushaltende Alter, das unbezähmbare Verfallensein an schöne Augen. – Das Wetter bedeckt und kühl. Kleine Heiz-Sonne im Zimmer – Schrieb etwas am Kapitel weiter. (Besteigung des Felsens). – Schöne Spaziergänge vormittags und gegen Abend mit K. .- Die Mäntel kamen gute englische Ware. – Sah Michelangelos Bekenntnisse weiter an in Gedanken an einen Aufsatz. – Geschichte der Päpste. – Ein paar Postkarten. Ausbleiben von Post, fast ganz, im Allgemeinen und im Besonderen. Wüsste der Junge in der weißen Jacke, wie ungeduldig ich bin, ein paar Worte von ihm in Händen zu haben, er würde sich etwas mehr beeilen! – Die Küche hier ist vorzüglich. – K. rief Frau Ninon Hesse an abends.“
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955) Hier in zijn werkkamer in Californië
„Abfahrt Berlin Hauptbahnhof 12.37 Uhr. Ankunft Kutno 17.07 Uhr. Der Berlin-Warszawa-Expreß war reservierungspflichtig. Ich hatte einen Platz an der Abteiltür reserviert, da ich sowohl im Flugzeug als auch in der Bahn zu Beklemmungen neige, wenn ich nicht am Gang beziehungsweise an der Abteiltür sitze. Neben mir war zudem frei, so daß ich mich auf eine entspannte Reise freuen konnte. Mir gegenüber saß eine ältere, ganz in Schwarz gekleidete Dame und daneben ein junges, unübersehbar verliebtes Pärchen. Der junge Mann mit seinem strohig-blonden Haar, den vollen Lippen und melancholischen Augen gefiel mir. Und das Mädchen, das eine sehr tief sitzende Jeans, eine viel zu kurze Bluse und eine Perle im Bauchnabel trug, ebenfalls. Die beiden redeten unentwegt miteinander, allerdings auf polnisch, was ich schade fand, ich hätte sie gern ein wenig belauscht. Und wenn sie nicht redeten, dann küßten sie sich, was weder die ältere Dame noch mich störte. Im Gegenteil. Wäre ich der junge Mann gewesen, dann hätte ich das Mädchen auch geküßt. Ich fand es sehr anziehend, zumal sie mich beim Küssen einige Male durch den Vorhang ihrer brünetten Haare unverhohlen anschaute und anscheinend nichts dagegen hatte, daß ich den beiden bei ihren Zärtlichkeiten zusah. Ich bemühte mich trotzdem, mich auf meine eigenen Angelegenheiten zu konzentrieren, und blätterte zuerst im Fahrplanheft, holte dann meine Lektüre aus der Tasche und breitete sie auf dem Sitz neben mir aus. Der Zug fuhr laut Plan über Frankfurt/Oder, Rzepin, Poznan und Konin nach Kutno. Konin kannte ich aus den Papieren meiner Eltern. Hier hatten sie im anuar 1945 ihr erstes Kind Günter auf der Flucht vor den Russen zurücklassen müssen, waren danach in einen Wald geflüchtet und schließlich für ein Jahr in einem polnischen Arbeitslager interniert worden.“
Uit:The Story of First-Aid and Beauty Case (Vertaald door Chad Davidson Marella Morris)
"You do know how to drive a motorcycle, don't you?" At that, First gave a real story-worthy smile, blasted a cloud of gasoline vapors and took off zigzagging down the wrong side of the road. Those who saw him that day said he was doing at least one-hundred and seventy-five an hour. The power of love! They heard the noise of that tornado that came through, but saw nothing more than the light from a shooting star. First took curves so tightly that instead of getting gnats in the face, he had to be careful of earthworms. And Beauty wasn't the slightest bit scared. On the contrary, she cried out in joy. It was then that First understood she was the love of his life. When they arrived in front of Beauty's house, First reared up the motorcycle and Beauty flew off through the window, right into the living room armchair. Her mom saw her sitting there and said: "Where were you? I didn’t even hear you come in!" In that same moment, they heard First coming to a stop against the roll-up door of a filling station. He got up: the motorcycle had lost one wheel and the gastank. No big deal. He filled up his mouth with gas and left for home on one wheel spitting mouthfuls of gas every now and then into the carburator. He stretched out on his bed and declared to four cockroaches: "I'm in love." "And who with?" they asked. "With Beauty Case." "Hot chick," said the cockroaches in chorus (around those parts cockroaches spoke colorfully). The next night, First and Beauty Case went out again together. After thirty seconds First asked if he could kiss her. Beauty Case gulped down her ice cream. They began kissing at nine fifteen and according to various witnesses the first to take a breath was First at two in the morning”.
“Nog nooit had Theodoor zo intens de gewaarwording gehad van heel, heel gelukkig te zijn. Een opwindende blijheid lag over zijn denken als kleurophelderend vernis over de verven van een schilderij en die blijheid doorzong zijn vertederd gevoelen als verre muziek het zachte suizen van een woud. Het winnen van Tonia's liefde was een triomf voor hem geweest en zo machtig heerste in zijn gemoed het zaligend besef van dit triomferen, dat het al wat hij deed en ondervond doordrong. In de melancholicus wordt elke ervaring tot een leed, omdat hij zich er niet tegen opgewassen voelt; in Theodoor werden nu al de dingen van zijn leven tot genietingen, omdat hij zich steeds voelde zegevieren. In zijn dorste werkzaamheden had hij plezier; onder de hinderlikste wrijvingen van moeder en zuster kon hij blijmoedig blijven; opgeruimd voorkomend en zelfs deelnemend bewoog hij zich onder tijdgenoten op de soos of in deftiger gezelschap op viezietes, vergaderingen, dienees. Altoos en overal was 't hem, of hij een kostbaar kleinood met zich omdroeg, een kleinood, dat hij, onbespied en onvermoed door jaloers afkeurende blikken, in zich borg, een talisman, die hem onkwetsbaar zou maken voor de grievendste teleurstellingen van het leven en die elk maatschappelik sukses zou verhogen tot een dubbele zege. En dit gevoel van gelukkig te zijn maakte hem gezond en krachtig tevens. Hij verbeeldde zich nu pas rustig aan zijn carrière te kunnen gaan arbeiden, wijl hij zich nu eerst niet anger hoefde te bekreunen om kwellende behoeften van lichaam en gemoed. Soms vroeg hij zich af, hoe 't mogelik was, dat hij zulk een heerlikheid had gevonden: een vrouw, die van hem hield, die zo gans en al naar zijn smaak was, die in geen enkel opzicht zijn vrijheid belemmerde, die hem nooit in opspraak zou brengen, die naar geen verandering haakte. En als hij zich dan bekennen moest, dat het toeval hem gediend had en hij met recht een geluksvogel mocht heten, dacht hij toch ook altijd weer met pedanterie aan zijn takt; want zonder die takt - daar twijfelde hij geen sekonde aan - zou zij nooit zo smoor verliefd op hem zijn geworden.”
Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923) Cover
Uit:The Reason I Jump (Vertaald door David Mitchell)
“When you look at something, what do you see first? So how do people with autism see the world, exactly? Us, and only us, can ever know the answer to that one! Sometimes I actually pity you for not being able to see the beauty of the world in the same way we do. Really, our vision of the world can be incredible, just incredible...You might reply, "But the eyes we all use to look at things work the same way, right?" Fair enough, you may be looking at the exact same things as us, but how we perceive them appears to be different. When you see an object, it seems that you see it as an entire thing first, and only afterwards do its details follow on. But for autistic people, the details jump straight out at us first of all, and then only gradually, detail by detail, does the whole image sort of float up into focus. What part of the whole image captures our eyes first depends on a number of things. When a colour is vivid or a shape is eye-catching, then that's the detail that claims our attention, and then my heart kind of drowns in it, and we can't concentrate on anything else. Every single thing has its own unique beauty. People with autism get to cherish this beauty, as if it's a kind of blessing given to us. Wherever we go, whatever we do, we can never be completely lonely. We may look like we're not with anyone, but we're always in the company of friends”.
Remco Campert, Hugh MacDiarmid, Ernst Stadler, Yoshikawa Eiji, Fernando Arrabal, Andre Dubus
Dolce far niente
Het Weteringcircuit in Amsterdam
Uit: De zwerftocht van Remco Campert (Ons Amsterdam, redactie Jojanneke Claassen en Jochem Brouwer)
“De AJP- puddingfabriek in de Huidekoperstraat, een van die twee straatjes langs Alhambra en uitkomend op de Nicolaas Witsenkade, lag tegenover ons huis op nummer 23. Als ik op mijn twaalfde, denk ik, tussen de middag uit school kwam, zaten de meisjes uit de fabriek altijd op onze stoep te zonnen. Van die brutale meiden met witte mutsjes en witte jassen. En daar moest ik dan tussendoor stappen. Voor de hoek was ik al bang en kwam ik de hoek om, dan zag ik… ja hoor. Mijn moeder had een engagement in Amsterdam en in verband daarmee verliet ik Den Haag, waar ik op 28 juli 1929 ben geboren. We woonden boven een oude paardenstal, die als fietsenstalling werd gebruikt en waar de NSB eenmaal per week liederen kwam zingen, maar het was een fijn buurtje. Schaatsen op de Nicolaas Witsenkade – daar heb ik nog een gedicht over gemaakt; dat ik samen met mijn vriendje een briefje van ƒ 25 op het ijs vind. En dan had je de resten van het Paleis van Volksvlijt op het Frederiksplein, waar de prachtige galerij nog van over was. Ik heb even op het Frederiksplein op school gezeten, maar dat was echt heel kort. Daarna kwam het Amsterdams Lyceum op het Valeriusplein. Over de Weteringschans liep ik naar lijn 16 op het Weteringcircuit, die me keurig voor school afzette – áls ik instapte. Ik spijbelde nogal. Dan liep ik over de Weteringschans, twijfelend of ik wel of niet. Vaak sloeg ik resoluut rechtsaf, richting binnenstad. Vooral de laatste maanden ging ik nauwelijks meer. Ik vond die school verschrikkelijk, helemaal toen ze me een klas terugzetten. Ik had er goeie vrienden, zoals Rudy Kousbroek, met wie ik in het Lyceum Café (op de hoek Okeghemstraat, het is nu een restaurant) rondhing. Niet voor pils of zo, want daar waren we nog niet aan toe. Voor de schoolkrant Halo, waar we aan meewerkten. Maar dat hele onderwijs… ik heb het examen niet eens gedaan. Ik heb me op school nooit op mijn gemak gevoeld”
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929) Remco Campert met zijn moeder in het Haagse Bos
Stony Limits (Fragment) (In Memoriam: Charles Doughty, 1843-1926)
I know how on turning to noble hills And stark deserts happily still preserved For men whom no gregariousness fills With the loneliness for which they are nerved —The lonely at-one-ment with all worth while— I can feel as if the landscape and I Became each other and see my smile In the corners of the vastest contours lie And share the gladness and peace you knew, —The supreme human serenity that was you!
I have seen Silence lift his head And Song, like his double, lift yours, And know, while nearly all that seems living is dead, You were always consubstantial with all that endures. Would it were on Earth! Not since Ezekiel has that faw sun ringed A worthier head; red as Adam you stood In the desert, the horizon with vultures black-winged, And sang and died in this still greater solitude Where I sit by your skull whose emptiness is worth The sum of almost all the full heads now on Earth —By your roomy skull where most men might well spend Longer than you did in Arabia, friend!
Hugh MacDiarmid (11 augustus 1892 – 9 september 1978) Portret door Alexander Moffat, 1978
Und wieder ward der zeugende Tropfen Bluts aus Baldurs Wundenmalen Zu roter Blüte erlöst in der Seele eines Menschen. Das war, als der südliche Mittag mit glühenden Lippen Verdurstend an den Steppen sog von Palästina. Heiß gärte ihr Blut, und von der trocknen Straße stieg Ein Feueratem auf Und wirbelte in braunen Flocken Um sonnverbrannte, staubstarrende Gesichter, Als sie ihn zum ersten Male sahen. Der Sommerwind riß gierig Jubelrufe Von ihrem Mund und schleifte sie die Gassen lang: »Hosianna! Hosianna!« Palmen schwankten und bunte Tücher, Und ein Leuchten floß Von ihm in alle Seelen Und jauchzte durch die Welt . . .
Und es sank der Mittag hin, und das Lied verschwamm In blauem Dämmern, das von den Bergen niederrollte. Abendgluten rankten sich um Marmorsäulen, Bluteten auf den weißgebauschten Mantel, zuckten Um wutverzerrte, bleiche Züge, Um geballte Fäuste, Die sich empor warfen zur Terrasse, wo Er träumend über ihre Häupter weg Den Tag ins blaue Meer verklingen sah – »Kreuzige ihn! Kreuzige ihn!« Dumpfes Hämmern durch das schwüle Zwielicht. Glühend starrt die Gier. Die rostigen Nägel beißen sieh ins Fleisch. Die Sehnen springen. Dampfend quillt das Blut. Ein Wimmern stirbt Im trunknen Reigen, der von Blut und Gier berauscht Das Kreuz umrast: »Hilf dir, König der Juden!«
Und der Sturm stöhnt auf. Schreiend verstiebt der Schwarm. Falbe Blitze stechen nieder, Rasen durch die Straßen der Stadt, Die wie von schwarzer Asche verschüttet starrt, Fern verdröhnend . . . Dann weicher Regen . . . Atmende Stille . . . Die Palmen schauern sich Den Rieseltau von feuchten Blättern. Ein Windstoß reißt die Wolken auseinander . . . Aus grauen Nebeln weiß Der Mond. Ein bleiches Leuchten rieselt den schwarzen Stamm hinab, Der jäh sich auf reckt in die Nacht auf Golgatha. Zittert auf geschlossnen Lidern Und fahlen Wangen, über die Vom Dornkranz, der mit Raubtierpranken Sich tief ins Fleisch gekrallt, Ein dünnes Rot hinsickert . . . Dann wieder Nacht. Und wieder stöhnt der Sturm . . . Schwer sinkt ein schlaffes Haupt zur Brust herab.
Ernst Stadler (11 augustus 1883 – 30 oktober 1914)
"It's my bee!" "It's mine!" "Liar!" Seven or eight young boys swept across the fields like a whirlwind, swinging sticks back and forth through the yellow mustard blossoms and pure-white radish flowers, looking for the bees with honey sacs, called Korean bees. Yaemon's son, Hiyoshi, was six years old, but his wrinkled face looked like a pickled plum. He was smaller than the other boys, but second to none among the village children when it came to pranks and wild behavior. "Fool!" he yelled as he was knocked down by a bigger boy while fighting over a bee. Before he could get to his feet, another boy stepped on him. Hiyoshi tripped him "The bee belongs to the one who caught it! If you catch it, it's your bee!" he said, nimbly jumping up and snatching a bee out of the air. "Yow! This one's mine!" Clutching the bee, Hiyoshi took another ten steps before opening his hand. Breaking off the head and the wings, he popped it into his mouth. The bee's stomach was a sac of sweet honey. To these children, who had never known the taste of sugar, it was a marvel that anything could taste so sweet. Squinting, Hiyoshi let the honey run down his throat and smacked his lips. The other children looked on, their mouths watering. "Monkey!" shouted a large boy nicknamed Ni'o, the only one for whom Hiyoshi was no match. Knowing this, the others joined in. "Baboon!" "Monkey!" "Monkey, monkey, monkey!" they chorused. Even Ofuku, the smallest boy, joined in. He was said to be eight years old, but he was not much bigger than the six-year-old Hiyoshi. He was much better looking, however; his complexion was fair, and his eyes and nose were nicely set in his face. As the child of a wealthy villager, Ofuku was the only one who wore a silk kimono. His real name was probably something like Fukutaro or Fukumatsu, but it had been shortened and prefaced with the letter o in imitation of a practice common among the sons of wealthy families. "You had to say it too, didn't you!" Hiyoshi said, glaring at Ofuku. He did not care when the other boys called him monkey, but Ofuku was different. "Have you forgotten that I'm the one who always sticks up for you, you spineless jellyfish!"
Yoshikawa Eiji (11 augustus 1892 – 7 september 1962) Cover
“La radio reposait sur l'ancienne table de nuit de grand-mère. Dans le tiroir de la table - où elle rangeait ses médailles, ses petits livres de messe, ses pastilles - tu mettais maintenant ton jeu de cartes, un grand agenda et des papiers. Dans le bas de la table de nuit - où grand-mère mettait son pot de chambre - tu rangeais maintenant le bottin. (…)
Tante Clara m'a mis une serviette autour de chaque poignet, puis elle m'a ligoté encore avec une corde qu'elle a attaché de chaque côté du lit. Elle avait les mains froides. Moi, j'avais les yeux fermés; Quand je les ouvrais je voyais la lampe qui pendait du plafond. Tante Clara ne m'a pas mis une serviette autour des chevilles. Elle me les a attachées avec une corde de chaque côté du lit. J'ai senti ses mains froides, mais je l'ai pas regardée. Tante Clara m'a frappé avec la ceinture. Pour qu'on ne nous entende pas, je n'ai pas crié. Puis elle les a pris tous les deux dans ses mains froides. Je lui ai dit que ça, non. Tante Clara a dit que le Christ n'avait pas hésité à souffrir pour nous sauver. Elle me les a serrés petit à petit. Alors j'ai crié. Tante Clara respirait comme lorsque je la fouettais. Puis j'ai senti qu'il se passait quelque chose de différent. Quand tout a été terminé, tante Clara m'a dit que je devais aller me confesser tout de suite."
Fernando Arrabal (Melila, 11 augustus 1932) Scene uit de gelijknamige film uit 1971
De Amerikaanse schrijver en essayist Andre Dubuswerd geboren op 11 augustus 1936 in Lake Charles, Louisiana. Zie ook alle tags voor Andre Dubusop dit blog.
Uit: Dancing After Hours
“He slipped into masturbation and nearly always, afterward, felt he was too old for this, too, and what he wiped from his hand onto the sheet was his dignity. But sometimes on long afternoons when he could think of nothing but Doreen Brodie, of phoning her and asking her for a date, of having dinner with her, of making love with her, and so falling in love with her, he resorted to the dry and heartless caress of his hand; then, his member spent and limp as his soul, he focused clearly on his life again, and he did not call Doreen. He had married friends and went to their homes for dinner, or joined them at bars, but mostly he was alone in his apartment. So working nights, which had been an intrusion on his marriages and an interference with his dating, became a blessing. He started reading history or philosophy during the day, going for long walks, and keeping a journal in spiral notebooks. He wrote every morning before breakfast: reflections on what he read, on people at the restaurant, sketches of the town and river and sky as he saw them on his walks. He wrote slowly, used a large dictionary, and took pleasure in precise nouns, verbs, and adjectives. He liked working with colors. He wrote nothing painful or erotic; he did not want his children to feel pity or shame when they went through his effects after his death. For a summer and fall, a winter and part of a spring, Lee Trambath lived like this, till an April morning when he woke to the sound and smell of rain. As he dressed he remembered that yesterday he had meant to buy coffee, but, drawn by sunshine and a salty breeze from the sea, he had walked along the river, instead of to the store. He wanted to write about rain, try to put its smell and sound on paper. »
“De volgende dag vertrok onze familie, want in Nederland gingen de scholen alweer bijna beginnen. Mijn vrouw en ik zouden nog een dag of tien hier blijven. Daar blijven, bedoel ik. Ik zwom iedere dag mijn vaste kwartiertje, maar begon al na een paar schoolslagen van die rare zware armen en schouders te krijgen. Dus gestopt met zwemmen, maar de borstpijn bleef zeuren. En nog iets nieuws: lopend van het huis naar de schuur en weer terug moest ik regelmatig halt houden om op adem te komen. Thuis natuurlijk niks zeggen. Sterke aandrang om een paar maal per dag in het geniep te gaan liggen slapen. Dit nog niet eerder meegemaakt. Ik belde onze huisarts in Amsterdam en vroeg of hij op maandag 25 augustus even vijf minuten naar mij zou willen luisteren. Afgesproken. Tien uur ’s ochtends. Wij vingen onze terugtocht aan op de vrijdagmiddag hieraan voorafgaand. Het autorijden viel mee: in zittende positie had ik nauwelijks pijn. En we reden om beurten. Twee keer overnacht. Maar toen ik ’s avonds voor het hotel onze twee weekendtassen uit de auto tilde moest ik ze onderweg naar de kamer vier à vijf keer neerzetten. Zondagavond rond middernacht weer thuis in Amsterdam. Tot een uur of drie als een bezetene gegraven in de opgehoopte kubieke meter post, kranten en bladen. Ik lag tien nummers van het Amerikaanse weekblad The New Yorker achter. Ik ben (was) abonnee sinds 1972. Hier kom ik nog op terug. Tegen drieën naar bed. Wekker op zeven uur gezet, want ik wilde mijn twee kleinkinderen verrassen. Na deze nerveuze hazenslaap schoot ik haastig dezelfde kleren aan die ik vier uur terug had uitgetrokken, zette ondersteboven een gekke zonnebril op, trok de loze shoebag uit mijn reistas als een kaboutermuts over mijn hoofd en stak met een literpot Franse pindakaas, waar broer (10) en zus (6) zo gek op zijn, de nog slapende straat over. Zij wonen namelijk, handig, tweehonderdvijftig meter bij ons vandaan. Gedurende dit kippeneindje moest ik vijf keer stoppen en al mijn kracht en adem bij elkaar schrapen om verder te kunnen lopen. Maar ik hield de omgekeerde bril en de kaboutermuts dapper op, ondanks de verbaasd gapende passagiers van de passerende tramlijn 16, en tikte ten slotte met de pot pindakaas op het raam van de benedenwoning.”
Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941) Cover
„In eine Stube führte er ihn, wo ein Eisenofen brannte, setzte ihn auf das Sofa: «Nun, da seid Ihr. Setzt Euch nur ruhig hin. Könnt den Hut aufbehalten oder hinlegen, wie Ihr wollt. Ich will nur jemand holen, der Euch gefallen wird. Ich wohne nämlich selbst nicht hier. Bin nur Gast hier wie Ihr. Nun, wie es ist, ein Gast bringt den andern, wenn die Stube nur warm ist.» Der Entlassene saß allein. Es braust ein Ruf wie Donnerhall, wie Schwertgeklirr und Wogenprall. Er fuhr mit der Elektrischen, blickte seitlich hinaus, die roten Mauern waren sichtbar zwischen den Bäumen, es regnete buntes Laub. Die Mauern standen vor seinen Augen, sie betrachtete er auf dem Sofa, betrachtete sie unentwegt. Es ist ein großes Glück, in diesen Mauern zu wohnen, man weiß , wie der Tag anfängt und wie er weiter geht. (Franz, du möchtest dich doch nicht verstecken, du hast dich schon die vier Jahre versteckt, habe Mut, blick um dich, einmal hat das Verstecken doch ein Ende.) Alles Singen, Pfeifen, Lärmen ist verboten. Die Gefangenen müssen sich des Morgens auf das Zeichen zum Aufstehen sofort erheben, das Lager ordnen, sich waschen, kämmen, die Kleider reinigen und sich ankleiden. Seife ist in ausreichender Menge zu verabreichen. Bum, ein Glockenschlag, Aufstehen, bum fünf Uhr dreißig, bum sechs Uhr dreißig, Aufschluß, bum bum, es geht raus, Morgenkostempfang, Arbeitszeit, Freistunde, bum bum bum Mittag, Junge, nicht das Maul schief ziehen, gemästet wirst du hier nicht, die Sänger haben sich zu melden, Antreten der Sänger fünf Uhr vierzig, ich melde mir heiser, sechs Uhr Einschluß, guten Abend, wir habens geschafft. Ein großes Glück, in diesen Mauern zu wohnen, mir haben sie in den Dreck gefahren, ich hab schon fast gemordet, war aber bloß Totschlag, Körperverletzung mit tödlichem Ausgang, war nicht so schlimm, ein großer Schuft war ich geworden, ein Schubiack, fehlt nicht viel zum Penner.“
Alfred Döblin (10 augustus 1878 – 26 juni 1957) Barbara Sukowa (Mieze) en Günter Lamprecht (Franz Biberkopf) in de tv-serie van Rainer Werner Fassbinder uit 1980
“Thank you, General.” The Avenger took off precariously, like a creature off balance. It veered to one side, then the other, making the shrill noise of a tormented beast. Bat looked out and saw the city fading under him, reduced to a patchwork of coloured roofs, cut by the road network, dotted with treetops. A church steeple loomed in the distance, menacing like a spear sharpened to impale condemned sinners. For a moment he thought about the astrologer’s Learjet and he wondered whether the man had also been interviewed in the air. From what he had heard about the sensational spread of astrology in the country, and the evidence of it he had seen in the newspapers, he concluded that if astrologers built churches the skyline would be crowded with their spires. His mind wandered and he remembered stories about British tycoons who held business meetings in private jets, aboard yachts or from inside golden coffins. It struck him that the General might be playing at that kind of eccentricity in a bid to impress or intimidate. “The most beautiful city in the world,” the General said emphatically as if anticipating stiff opposition. Bat did not agree, but said nothing. He looked out the window as if to confirm his views. “Do you know why? It is because I own a fifth of it. I own a fifth of everything in this country. That comes down to about four million people, ten million fishes, two thousand crocodiles, twenty islands and much more. You can imagine the feeling. There is nothing like it, I can assure you,” he said, looking outside for a long moment, as if to make sure the city was still there, a smug smile on his face. On any other day, Bat might have panicked, but today he was determined to succeed and was not going to let anybody stand in his way. A man who openly boasted about owning a fifth of the country could be managed. All it took was studying his ways, finding his weaknesses, and going around him. “Right now I am looking for somebody who is hungry and dedicated. Loyalty is paramount and disloyalty a cardinal sin. This government hates half-measures, I can assure you. You have it all or you lose the whole lot. You are either in, or out in the cold. It has taken me twenty years to get where I am and I like it. If you are ready to work hard, I guarantee you the fulfilment of your dreams,” he said sombrely”.
Moses Isegawa (Kawempe, 10 augustus 1963) Cover luisterboek
Uit: A Thousand Peaceful Cities (Vertaald door David Frick)
“We followed him up the wooden stairs. Then with all our might we squeezed ropes fatter than our arms. The sweltering noon slowly began to smolder. “Let the littlest bell sing,” cried Sexton Messerschmidt at the top of his voice, and he looked ironically upon our pathetic efforts. With seeming negligence he grasped the rope we had been straining at so ineffectually. “You gentlemen lack not only artistic talent but also physical strength. You are an absolutely worthless generation. When you grow up you will bring not only the Lutheran Church but also People’s Poland to ruin—which, after all, who knows, maybe would be for the better. “This is how it’s done. With your entire being, not just with your hands. We are in a holy place, therefore you gentlemen will magnanimously forgive me if I don’t suggest just what you can do for yourselves with nothing but your hands. In the profession—in the vocation—of the bell-ringer the hand is not an upper extremity but the extension of the soul. Let the littlest bell sing,” cried Sexton Messerschmidt, and at his call the littlest bell moved. “Tym’s bell-foundry in Warsaw,” Messerschmidt outshouted the first heartbeats, “Tym’s bell-foundry in Warsaw, bronze practically in statu crudi, bronze without alloy, which is why it has a pure sound, even if it doesn’t carry. As the story goes, this bell was cast by order of the enlightened protector of the Reformation, Mikołaj Radziwiłł the Black. It was hung by our Calvinist brethren in the church tower in Kiejdany. It served them faithfully, and with its pure voice it sustained them in the faith, which, although perfect, is after all also the correct one. Henryk Sienkiewicz mentions the church in Kiejdany in his Trilogy. Unfortunately, Sienkiewicz’s pen did not describe the sound of our bell, and it’s a pity, a pity. You, gentlemen, of course, haven’t yet read the Trilogy.” “I’ve read it, I’ve already read With Fire and Sword, and The Deluge, and Pan Wołodyjowski. I’ve read it,” I wanted to call out, but I restrained myself and bit my tongue. My psychological instinct, not yet perfected, but already existing, whispered to me that it wasn’t a good thing to demonstrate any sort of abilities in the presence of Sexton Messerschmidt."
“Het wolkenpak is voor de maan geschoven, Erik spiedt door de nachtkijker. Hij voorvoelt dat het gaat gebeuren, zijn adem is één met de flauwe bries die langs de helling blaast. Eerst hoort hij het, dan pas ziet hij de schaduw die zich losmaakt van een boomtop en naar beneden suist tussen de stammen, boven de struiken, met brede vleugels. Een oehoe. De uil strijkt neer op een laaghangende tak een eind verder de glooiing af. Erik herkent zijn prachtige, kenmerkende contouren met de opstaande veertjes als hoorntjes op zijn kop. Enkel om te oefenen neemt Erik hem in het vizier. Hij mikt op het silhouet. Zijn ogen zijn nu voldoende gewend aan het duister zonder nachtkijker. Aan een silhouet heeft hij genoeg. Maar hij gaat aan de oehoe geen kogel verspillen, hij laat het geweer zakken. Over de uil maakt hij zich geen zorgen. Erik zit gecamoufleerd achter een struik, zijn pet steekt er niet bovenuit, er zit een loergat in de struik, ongezien bestrijkt hij de hele helling. Hij heeft deze plek overdag in gereedheid gebracht met een schoffel en een snoeischaar, weken geleden. Er is genoeg tijd overheen gegaan opdat niemand het verband kan leggen tussen wat hij toen overdag deed en wat hij nu ’s nachts uitvoert. Hij weet niet welke informatie de dagdieren met de nachtbeesten uitwisselen. Hier in het bos op de helling leven de soorten wellicht meer naast elkaar dan in de stad, zeker als sommige elkaar naar het leven staan. In de steengroeve waar hij werkt, leven de lastdieren en de mensen ook elk hun eigen bestaan, hoe intelligent ze ook mogen zijn. Ieder kent zijn taak, dat volstaat.”
Uit: Nervous People (Vertaald door Charles Rougle)
„So Ivan Stepanich shows up and says: "I work," he says, "like an elephant for thirty two rubles and change in a co-op. "I smile," he says, "at the customers and weigh out their sausage for them, and "and out of that," he says, "for my hard-earned kopecks I buy myself bottle brushes, and no way am I going to permit unauthorized outside personnel to use these brushes." Here it gets noisy again, and a discussion gets going over the brush. All the tenants, of course, come barging and bustling their way into the kitchen. Gavrilych the invalid shows up too. "All this noise," he says, "but no fighting?" Right after this remark a fight was in fact corroborated. Away they went. The thing is, our little kitchen's narrow. Unsuitable for fighting. A tight squeeze. Pots and primus stoves everywhere. No place to turn around. And twelve people all packed in there. Try to smack one in the kisser and you clobber three. And of course you keep stumbling over everything and falling down. A man with three legs couldn't keep his balance on that floor, let alone a one-legged invalid. But in spite of that, our invalid, the ornery buzzard, comes barreling right into the thick of it. Ivan Stepanych, whose brush it is, shouts at him: "Stay out of it, Gavrilych. Watch out or you'll get your one and only leg ripped off." Gavrilych says: "Big deal," he goes, "so I lose my leg!" "Only," he says, " I can't leave now. They've busted my whole counternance bloody." And as a matter of fact just then someone smacks him across the kisser. Well, so he doesn't leave and goes on the attack. And right there someone up and bonks him on the noodle with a saucepan.“
Michail Zostsjenko (10 augustus 1895 – 22 juli 1958) Standbeeld in Sint Petersburg
“De Rat keek niet naar de wal. Wat had hij er te zoeken? Hij slenterde droevig naar Dorus toe. Er donkerde weer iets van de vroegere geslotenheid op zijn gezicht, maar toen ik hem een vertrouwelijk knipoogje gaf, glimlachte hij toch monter. Ineens zag ik die glimlach verstarren. De dunne mond bleef openstaan in opperste verwondering de wijde ogen staarden naar de steiger en hij verroerde zich even niet. Met een ruk schoot hij naar voren, duwde Wanda ruw op zij, zwaaide met zijn armen en er kwam een kreet van intense blijdschap uit zijn hijgende keel. De anderen keken hem verrast aan en Wanda vergat om snibbig tegen hem te doen. “Vader! Vader!” niets bestond er meer voor hem, geen klas, geen Dorus, geen meester.”
Piet Bakker (10 augustus 1897 - 1 april 1960) Affiche voor de musiacal met Danny de Munk (Cis) en Matheu Hinzen (Ciske), 2016
Doucement pour dormir à l’ombre de l’oubli ce soir je tuerai les rôdeurs silencieux danseurs de la nuit et dont les pieds de velours noir sont un supplice à ma chair nue un supplice doux comme l’aile des chauves-souris et subtil à porter l’effroi dans les coins où la peau se fait craintive, émue pour mieux aimer, pour avoir peur d’un autre corps et du froid. Mais quel fleuve pour fuir ce soir ô ma raison ? C’est l’heure des mauvais garçons l’heure des mauvais voyous. Deux grands yeux d’ombre dans la nuit seraient pour moi si doux, si doux. Prisonnier des tristes saisons je suis seul, un beau crime a lui
là-bas, là-bas à l’horizon quelque serpent peut-être et glacé de n’aimer point. Mais où coule, où coule au loin le fleuve dont a besoin pour fuir ce soir ma raison ? Sur les berges vont les filles leurs yeux sont las, leurs cheveux brillent, Je ne sais rien dire à ces filles dont ils sont les mauvais garçons dont ils sont les fiers maquignons. Je suis seul, un beau crime a lui, Deux grands yeux d’ombre dans la nuit seraient pour mot si doux, si doux. C’est l’heure des mauvais voyous.
René Crevel (10 augustus 1900 – 18 juni 1935) Portret door Jacques-Emile Blanche, 1928