Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
18-12-2016
Weihnachtsbäume (Gustav Falke)
Bij de vierde zondag van de Advent
The Christmas Tree door Elizabeth Forbes (1859–1912)
Weihnachtsbäume
Nun kommen die vielen Weihnachtsbäume aus dem Wald in die Stadt herein. Träumen sie ihre Waldesträume wieder beim Laternenschein?
Könnten sie sprechen! Die holden Geschichten von der Waldfrau, die Märchen webt, was wir uns erst alles erdichten, sie haben das alles wirklich erlebt.
Da steh'n sie nun an den Straßen und schauen wunderlich und fremd darein, als ob sie der Zukunft nicht trauen, es muß doch was im Werke sein!
Freilich, wenn sie dann in den Stuben im Schmuck der hellen Kerzen stehn, und den kleinen Mädchen und Buben in die glänzenden Augen sehn.
Dann ist ihnen auf einmal, als hätte ihnen das alles schon mal geträumt, als sie noch im Wurzelbette den stillen Waldweg eingesäumt.
Dann stehen sie da, so still und selig, als wäre ihr heimlichstes Wünschen erfüllt, als hätte sich ihnen doch allmählich ihres Lebens Sinn enthüllt;
Als wären sie für Konfekt und Lichter vorherbestimmt, und es müßte so sein, und ihre spitzen Nadelgesichter sehen ganz verklärt darein.
Gustav Falke (11 januari 1853 - 8 februari 1916) Lübeck in de Kersttijd. Gustav Falke werd geboren in Lübeck.
Uit: Vergeef ons (Gerda Baardman en Wim Scherpenisse)
“Wil je mijn recept voor rampspoed? De waarschuwing: vorig jaar, Thanksgiving bij hen thuis. Twintig, dertig mensen aan tafeltjes die vanuit de eetkamer de zitkamer in zwermden en bij het pianobankje abrupt ophielden. Hij zat aan het hoofd van de grote tafel stukjes kalkoen tussen zijn tanden uit te peuteren en over zichzelf te praten. Ik bleef naar hem kijken terwijl ik met dienbladen heen en weer liep tussen de keuken en de eetkamer, en mijn vingertoppen in allerlei onbenoembare troep terechtkwamen: cranberrysaus, zoete aardappelen, een koud zilveruitje, kraakbeen. Bij elk tripje van de eetkamer naar de keuken haatte ik hem meer. Elke zonde uit onze jeugd, te beginnen met zijn geboorte, kwam weer terug. Hij kwam elf maanden na mij ter wereld, meteen al ziekelijk – zuurstoftekort tijdens de bevalling – en daardoor heeft hij veel te veel aandacht gekregen. Ik heb herhaaldelijk geprobeerd hem duidelijk te maken hoe afschuwelijk hij is, maar hij blijft zich gedragen alsof hij een geschenk van de goden aan de mensheid is. Ze noemden hem George. Hij werd graag Geo genoemd, want dat klonk interessant, wetenschappelijk, wiskundig, analytisch. Ik noemde hem Geode, sedimentair gesteente. Zijn bovennatuurlijke zelfvertrouwen en zijn goddelijk arrogante hoofd met de blonde, rechtopstaande plukken haar trokken de aandacht, maakten de indruk dat hij iets wist. Mensen vroegen zijn mening, wilden dat hij met hen meedeed, maar ik heb zijn charme nooit gezien. Tegen de tijd dat we respectievelijk tien en elf waren, was hij langer dan ik, breder, sterker. ‘Weet je wel zeker dat hij niet van de slager is?’ vroeg mijn vader weleens voor de grap. Dan lachte niemand. Ik liep af en aan met zware schalen, borden en aangekoekte ovenschotels, en niemand merkte dat er hulp nodig was, George niet en ook zijn twee kinderen niet, of zijn belachelijke vrienden die eigenlijk zijn werknemers zijn, onder wie een jonge weervrouw en diverse nieuwslezers, zowel mannelijk als vrouwelijk, die stijf rechtop zaten met hun Ken- en Barbie-haar strak in de lak, en ook mijn Chinees-Amerikaanse vrouw Claire niet, die een hekel aan kalkoen had en nooit naliet ons eraan te herinneren dat een feestmaal in haar familie uit geroosterde eend met kleefrijst bestond. George’ vrouw, Jane, had de hele dag gekookt, schoongemaakt en eten opgediend, en stond nu botjes en etensrestjes van de borden en schalen in een gigantische vuilnisbak te schrapen.”
“Une nuit a passé et je suis une autre. Une autre que celle-de-la-veille victorieuse, c'est-à-dire que je suis redevenue l'ancienne, celle qui hésite devant sa tenue, qui regarde sa montre pour faire avancer le temps comme si l'observation du cadran avait un quelconque pouvoir d'accélération (en l'occurrence cela a plutôt un pouvoir inverse), celle qui se sent incapable de travailler car autre chose travaille son esprit, celle qui trouve que sa coupe fraîche après une bonne nuit de sommeil ressemble à un saint-honoré, et qui n'arrive pas à y remettre de l'ordre, parce que le pli de la mèche de dessus que l'oreiller a modelé sept heures durant est indestructible, comme sculpté dans la pierre, celle qui se gratte la tête parce que le brushing pulvérisant d'un coiffeur à bout de patience est pour le pou ce que le spa jet d'eau chaude, enrobage de boue et massage aux pierres chaudes est pour la femme de quarante ans célibataire et work addict, celle qui trouve soudain ses trente pages écrites en une soirée nulles, vaines, voire honteuses, celle qui se dégoûte d'avoir accepté si promptement un déjeuner avec son nouvel éditeur qu'elle a la faiblesse de trouver attirant, celle qui se regarde dans la glace et a envie de pleurer, celle qui reçoit un SMS de son ex-mari lui demandant si elle peut récupérer ses enfants en début d'après-midi car il doit passer un scanner. (…)
"Tu ne peux pas dire bonjour au père de tes enfants, Charlotte ?" C'est comme ça qu'il m'appelle, désormais. Retournant contre moi une confidence que je lui avais faite du temps de l'entente cordiale, quand les amants se racontent leurs petites et grandes humiliations qui les ont construits, et qu'ils n'imaginent pas encore la bombe à retardement qu'ils fabriquent dans cet instant de complicité merveilleuse."
För sin hand genom skägg och hår, skakar huvud och hätta --- »nej, den gåtan är alltför svår, nej, jag gissar ej detta» --- slår, som han plägar, inom kort slika spörjande tankar bort, går att ordna och pyssla, går att sköta sin syssla.
Illustratie bij Tomten door Jenny Nyström
Rubs his hand through his beard and hair, Shakes his head and his cap. “No, that question is much too deep, I cannot fathom that.” Then making his mind up in a hurry, He shrugs away the annoying worry; Turns at his own command, Turns to the task at hand.
Viktor Rydberg (18 december 1828 – 21 september 1895) In 1858
“Opening a show for MC-poet Saul Williams (a Parisian transplant as of last year) back in 2005, Mike Ladd commanded the stage of Élysée Montmartre with his raucous blend of hip-hop and hard-core music. His satin baseball jacket told me serendipity was at work; this Boston-born MC was repping the Mustangs team of my old Bronx high school by sheer coincidence. I soon discovered that both our girlfriends were French, and pregnant. Our first sons would be born weeks apart. Ladd left his Brooklyn enclave for Paris months before I did, to commit to his woman, escape the restrictive air of post-9/11 New York City and live out artistic fantasies of the American abroad. More commonalities then; our reasons for relocating to Europe were pretty much the same. My first exposure to the titre de séjour, the French residency card for non-European Union immigrants, came from Ladd years before I was issued my own 10-year permit. Jake Lamar invited me to the home of 60-something Morehouse College graduate Tannie Stovall one Friday night, for a weekly gathering of black-male bonding. For years, this elder statesman (an expatriate since the 1970s) has been hosting African-American males-Parisians and out-of-towners-to his apartment for current-events barbershop talk accentuated with bottles of wine and sandwiches. Lamar and the Tannie Stovall events exposed me early on to how a long-term life in Paris might be." Laplante-Collins founded Paris Soirées in 1994 as African-American Literary Soirées, settling into its current moniker in 1999. Held in her living room every Sunday, the weekly get-togethers feature a wide range of guest speakers. Writers, photographers, singers, painters and businessmen give spirited talks over the hostess’ own Southern-style soul food. Like the famed French salon gatherings of writers Gertrude Stein and Madame de Sévigné, Laplante-Collins carries on the storied tradition of basking in the arts by rarified Parisian sunlight.”
Saki, Christopher Fry, Thomas Strittmatter, Gatien Lapointe, Heinrich Smidt
De Birmees - Britse schrijver Saki (pseudoniem van Hector Hugh Munro, een naam gekozen uit de Rubaiyat van Omar Khayyam) werd geboren op 18 december 1870 in Akyab, Birma. Zie ook alle tags voor Sakiop dit blog.
Uit:The toys of peace
"What does he do?" asked Eric wearily. "He sees to things connected with his Department," said Harvey. "This box with a slit in it is a ballot-box. Votes are put into it at election times." "What is put into it at other times?" asked Bertie. "Nothing. And here are some tools of industry, a wheelbarrow and a hoe, and I think these are meant for hop-poles. This is a model beehive, and that is a ventilator, for ventilating sewers. This seems to be another municipal dust-bin -- no, it is a model of a school of art and public library. This little lead figure is Mrs. Hemans, a poetess, and this is Rowland Hill, who introduced the system of penny postage. This is Sir John Herschel, the eminent astrologer." "Are we to play with these civilian figures?" asked Eric. "Of course," said Harvey, "these are toys; they are meant to be played with." "But how?" It was rather a poser. "You might make two of them contest a seat in Parliament," said Harvey, "and have an election --" "With rotten eggs, and free fights, and ever so many broken heads!" exclaimed Eric. "And noses all bleeding and everybody drunk as can be," echoed Bertie, who had carefully studied one of Hogarth's pictures. "Nothing of the kind," said Harvey, "nothing in the least like that. Votes will be put in the ballot-box, and the Mayor will count them -- and he will say which has received the most votes, and then the two candidates will thank him for presiding, and each will say that the contest has been conducted throughout in the pleasantest and most straightforward fashion, and they part with expressions of mutual esteem. There's a jolly game for you boys to play. I never had such toys when I was young." "I don't think we'll play with them just now," said Eric, with an entire absence of the enthusiasm that his uncle had shown; "I think perhaps we ought to do a little of our holiday task. It's history this time; we've got to learn up something about the Bourbon period in France."
„RICHARD: Name And business. THOMAS: Thomas Mendip. My well-born father, If birth can ever be said to be well, maintains A castle as draughty as a tree. At every sunset It falls, reflecting down into the river, and fish swim Through its walls. They swim into the bosom of my grandmother, Who sits late, watching for the constellation of Orion Because my dead grandfather, she believes, Is situated somewhere in the Belt. That is part of the glory of my childhood. RICHARD: I like you as much as I've liked anybody. Perhaps you're a little drunk. But here, I'm afraid, They may not take to you. THOMAS: That's what I hope. RICHARD: Who told you to come here? You couldn't have chosen a less fortunate afternoon. They're expecting company ... well, a girl. Excuse me, I must get back to the books. THOMAS: I'll wait. RICHARD: He'll not See anybody; I'm sure of it. THOMAS: Dear boy, I only want to be hanged. What possible Objection can he have to that? "
Christopher Fry (18 december 1907 - 30 juni 2005) Scene uit een opvoering in New York, 2011
“Anna, eine in den Schwarzwald dienstverpflichtete Magd, wird tot in einem Weiher gefunden. Ganz besonders schlimm nimmt der Vorfall Rot mit, einen ehemaligen Landstreicher und Korbflechter. Rot findet recht bald heraus, daß Hungerbühler, der Bauer, bei dem er als „Schlafgänger“ wohnt, für Annas Tod verantwortlich ist. Auch der Kommissar, der in dem Fall ermittelt, ist recht bald im Bild; zum einen aber findet er Gefallen an Hungerbühlers Frau Antonia, zum anderen sieht er den nahenden Zusammenbruch voraus und braucht einen Unterschlupf, den er in dem abgelegenen Schwarzwaldhof zu finden hofft. Außerdem wäre es peinlich, wenn von dem Fall etwas an die Öffentlichkeit käme, denn es widerspräche der Nazipropaganda über die Lage der Ostarbeiter. Rot reagiert mit einem körperlichen Zusammenbruch profaner Art: Darmverschluß. Da bald das ganze Dorf über Hungerbühlers Tat Bescheid weiß, da er auch mit seinen Gewissenskonflikten zwischen Nazi-Ideologie und Menschlichkeit nicht mehr zurecht kommt, meldet er sich an die Front. Er fällt bald. Rot stirbt an seiner Krankheit.”
Thomas Strittmatter (18 december 1961 - 29 augustus 1995) Scene uit een opvoering van “Der Polenweiher” in München, 1993
Ô que je m’embarque sur la mer verte et bleue Ô que je saisisse les reflets qui m’aveuglent Le temps dispersé en mille figures Le mot prisonnier de la chair L’accord caché au fond du sang L’infini de l’univers et du cœur La solitude sans fin de chaque être Trouverai-je le secret de ma vie
Trouverai-je un jour l’événement qui commence
Être homme est déjà une tragédie Et j’ai pleuré en découvrant le monde
J’ai allumé un feu sur la haute clairière Je suis descendu dans l’aine des sources Le parfum du sol me frappe au visage La femme aux hanches brillantes d’aurore L’homme à genoux inventant Dieu Je suivrai la marche du fleuve Je connais ensemble hier et demain Et c’est aujourd’hui qu’il me faut construire
Je découvre ma première blessure Je plante dans le sol ma première espérance
Espace et temps ô très charnelle phrase
Toutes les routes dans une même figure L’instant et toute l’année en un pas
Gatien Lapointe (18 décember 1931 – 15 september 1983) Rue du Petit Champlain tijdens de kersttijd, Lower Town, Quebec City
„Jerta saß auf einer Steinbank, die auf der äußersten Spitze des Gartens errichtet war. Neben ihr stand Skuld, eine blühende, junge Nordländerin. Sie war mehr Gespielin, als Dienerin. Die Blicke der jungen Herrin schweiften längs des Horizontes. Sie beugte sich vornüber und die Gespielin zog sie erschrocken zurück und rief: »Siehst du nicht die Brandung unter dir? Wie leicht faßt dich ein Schwindel und du stürzest hinab in die Tiefe.« »Fürchtest du dich vor der brandenden See und bist eine Tochter des Nordens?« fragte Jerta lachend. »Ich bin im Süden geboren, wo die goldenen Äpfel an immergrünen Bäumen reifen, und fürchte sie nicht, sie ist mir von Jugend auf treu gewesen und hat mich oft auf ihren Wellen gewiegt. Sie wird auch jetzt meine Bitten erhören und mir meinen Osrick bringen.« »Sie wird es,« antwortete Skuld. »Aber sie tut es erst dann, wenn sie ihn mit ihren Armen zu fassen vermag. Wer weiß, wo der Ruhelose jetzt weilt, woran er denkt und was er treibt. Die Menschen werden anders, wenn sie es zu etwas bringen und Osrick ist ein vornehmer Kapitän geworden.« »Ich bin dir böse, weil du mir den Freund verdächtigen willst,« sagte Jerta und eine Wolke des Unmuts flog über ihre Stirn. »Aber es gelingt dir nicht.« Sie sah der Freundin in das treue Auge und fuhr fort: »Nein, ich zürne dir nicht, da ich weiß, daß du diesen Zweifel nur aussprichst, um meine Sehnsucht zu mildern, denn du siehst wohl, daß sie mich verzehrt.« Die beiden Jungfrauen umarmten sich und Jerta sagte, durch Tränen lächelnd, nach einer Weile: »Wenn mein Osrick aus dem schönen Süden heimkehrt, dann sollen auch für dich Freudentage anbrechen. Ich habe es wohl gesehen, daß Ole Steen, wenn er mit einer Botschaft von dem Sarge herüberkommt, nur Augen für dich hat. Und du, Schelmin, siehst das Boot, welches ihn trägt, immer zuerst, wenn es auch noch so weit entfernt ist. Osrick wird auf seinem Schiffe einen Platz für den schmucken, jungen Matrosen haben, und du ziehst dann mit mir in die blumenduftigen Täler, wo die Sterne golden blinken und die See vom Purpur widerstrahlt.«
Heinrich Smidt (18 december 1798 - 3 september 1867) Cover
De Russische dichter en schrijver Jakov Petrovitsj Polonskiwerd geboren in Rjazan op 18 december 1819 als zoon van een ambtenaar en studeerde aan de Universiteit van Moskou, waar hij de jonge dichters Apollon Grigojev en Afanasi Fet leerde kennen. In 1844 publiceerde hij zijn eerste bundel met lyrische poëzie, welke geplaatst kan worden in de school van de ‘zuivere kunst’, welke in die periode, in navolging van van Aleksandr Poesjkin, opgang deed. Polonski werkte in de jaren 1840 als secretaris voor Michail Vorontsov, onder andere in Tiflis en Odessa. De nabijheid van de Zwarte Zee leek zijn romantische gevoelens alleen maar verder aan te wakkeren en in deze periode schreef hij volgens velen zijn beste gedichten. In 1851 vestigde hij zich in Sint-Petersburg, deed daar aanvankelijk vooral journalistiek werk en trad vanaf 1860 in overheidsdienst, bij het departement voor de censuur. Zijn latere gedichten vertonen in toenemende mate een sociale betrokkenheid. Op late leeftijd voerde Polonski nog een correspondentie met Anton Tsjechov. Hij overleed op 78-jarige leeftijd in Sint-Petersburg en werd begraven in zijn geboortestad Rjazan. Hoewel Polonski in het Rusland van voor de revolutie grote bekendheid genoot is hij in de Twintigste Eeuw enigszins in de vergetelheid geraakt. Tegenwoordig is hij vooral nog bekend door zijn gedichten die aan het einde van de negentiende eeuw op muziek werden gezet door vooraanstaande componisten als Pjotr Tsjaikovski, Sergej Rachmaninov, Sergej Tanejev en Anton Rubinstein.
Der Morgen
Seht, ob steilen Bergen, die zum Himmel streben, dort aus Blüthenthalen Nebel sich erheben!
Seht, wie er gleich Rauch sich zu den Wolken windet, die mit Gold sich säumen, bis er unter ihnen, den verwandten, schwindet!
Und jetzt zittert unten Frühroth auf den Wellen. Schon beginnt der Osten flammend sich zu hellen.
Ha, schon strahlt des Morgens, jungen Morgens Sonne! Nacht entweicht und alles grüßt den Tag mit Wonne, grüßt die Sonne!
Am Azur, den blauen, ist nur Licht zu schauen.
Genius der Menschheit, freue dich! zur Trauer seit jeher verurtheilt, fühle Wonneschauer!
Freue dich und glaube, enden muß das Leiden, wenn auch währt das Ringen, enden muß das Leiden!
Vertaald door Josef Wenzig
De Zwaan (Fragment)
Een park, een strijkstok, lampionnen, Mensen maken blij gerucht, Alleen de wind sliep, aardedonker Was de nachtelijke lucht.
Ook donker was de groene vijver En het dichte oeverriet, Waar een gedoemde zwaan verkwijnde In de stilte, onbespied.
Gebroken, tam, volslagen eenzaam, Is hem stervende ontgaan Dat ergens boven hem een vuurpijl Vonkenregens deed ontstaan.
Vertaald door Peter Zeeman
Jakov Polonski (18 december 1819 – 30 oktober 1898) Portret door Ivan Kramskoy, 1875
“Uitgerekend op de eerste draaidag van Lieve moesten ze de scène spelen waar ze beiden het meest tegen opzagen. Overigens zonder dat ze dat van elkaar wisten. Zelfs zonder dat ze elkaar persoonlijk kenden. Ze woonden al twee jaar in dezelfde stad, waar ze dezelfde winkels, koffiehuizen, feesten en premières bezochten. Achteraf gezien was het vreemd dat ze elkaar nooit tegen het lijf waren gelopen in de nachtkroegen waar ze met hun collega’s na afloop van voorstellingen en opnames samenschoolden. Dat ze elkaar niet kenden voelde later als een hoger ingrijpen. Het moest zo zijn, hun ontmoeting. Althans, dat vond hij. Uiteraard had zij Bison gezien in Vertedering, de Nederlandse Oscarinzending waarin hij de hoofdrol speelde van een filosofische postkamermedewerker die tijdens zijn lunchpauze een doos met kittens had gevonden. Het was zijn grote doorbraak, en natuurlijk spraken ook zijn uiterlijk en bijzondere voornaam bij het grote publiek tot de verbeelding. Zijn ouders — jong in de jaren tachtig — hadden de naam Bison voor hem gekozen omdat hij was verwekt op doortocht over de prairies van Amerika. ‘Bison blijft plakken’, kopte Vice bij de juichrecensie van zijn debuutrol. Sindsdien werd hij door meisjes- en vrouwenbladen genoemd in lijstjes met cuties en begeerlijke vrijgezellen. Een foto van Bison van Beerschot gezeten in zijn sierlijke zwarte Triumph cabrio uit 1967 — een sportwagentje dat hij zichzelf had toegestaan na het succes van Vertedering — was dat jaar de meestbekeken foto van een Nederlandse acteur, aldus een onderzoeksbureau dat dit soort zaken bijhield (of verzon). Op zijn beurt kende hij Liv Minnema eigenlijk niet, behalve haar gezicht en naam. Ze was het model van een opvallende mascarareclame en hij wist dat ze was vernoemd naar Liv Ullmann. ‘De Nederlandse Liv’ werd ze in de Volkskrant betiteld. Toen ze de naam bedacht had haar moeder uiteraard niet kunnen vermoeden dat haar dochter daadwerkelijk uiterlijke overeenkomsten met Ingmar Bergmans lievelingsactrice zou delen. De uiteenlopende rollen die Liv bij Het Zuidwestelijk had gespeeld, waren door kenners lovend besproken. Bison had geen van haar voorstellingen gezien. Met enige afgunst had hij gelezen dat Liv werd getipt voor de tweejaarlijkse Jonge Toneelturk, een ereprijs die hij niet had gekregen toen zijn naam een paar jaar geleden rondging.”
Ronald Giphart (Dordrecht, 17 december 1965)
De Nederlandse schrijfsterYvonne Keulswerd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keuls op dit blog.
Uit: Familiegedoe
“Wij weten al dat P.J. en Carolus vooruitstrevende kooplieden zijn. P.J. koopt grootschalig in en Carolus doet de promotie; kortom, de broers doen dingen die in die jaren zeer ongewoon zijn voor kleine zelfstandigen. Daarbij hoort ook dat P.J. eenmaal per jaar een lange reis maakt. Met paard en wagen trekt hij naar Frankrijk om vaten wijn in te kopen. Met een volgeladen wagen keert hij een week of zes later naar huis en hij gunt zichzelf onderweg een goed glas, want ach, het paard kent de weg zo langzamerhand zelf wel, dus het is niet zo erg als P.J. in zoete dommel op de bok zit. In het jaar 1898 slaat het noodlot echter toe. P.J. is wederom naar Frankrijk vertrokken en op de terugreis die zijn laatste zal worden, schrikt het paard omdat een wijnvat losraakt en op de Belgische kasseien kapotspat. Het paard slaat op hol en P.J. - nog half in zijn middagroes - raakt in paniek. Hij springt van de bok om het paard vast te grijpen maar hij valt. Helaas niet te pletter op de Belgische kasseien zoals het wijnvat, want dan zou het ‘bittere, smartelijke lijden’ waarvan zijn bidprentje melding maakt, hem bespaard zijn gebleven. Nee, P.J. blijft met een voet aan de treeplank hangen en wee o wee, hij wordt honderden meters over de kasseien meegesleurd, voordat iemand het paard kan bedwingen. Zwaargewond wordt P.J. in een ziekenhuis opgenomen - het is niet bekend of dit een Nederlands of Belgisch ziekenhuis is, doch ik vermoed een Belgisch want daar is altijd direct plaats. Na acht maanden krijgt hij er ook nog een longontsteking bij die hem uiteindelijk fataal wordt. Zijn vrouw moet nu samen met broer Carolus voor de wijnhandel en de twintig kinderen zorgen. En een van hen is mijn schoonvader Aat, hij wordt geboren in december 1898, enkele maanden voor het overlijden van zijn vader P.J.”
Uit: Heaven and Hell (Vertaald door Philip Roughton)
“Bárur sighs, looks off to the left, looks at the ocean itself, deep and dark, he doesn’t think at all about the end of the world and the eternal cold, but instead about long, dark hair, how it blew in her face in early January and how the most precious hand in the world brushed it aside, her name is Sigríur, and Bárur trembles a bit inside when he speaks the name to himself. The boy follows his friend’s glance and sighs as well. He wants to accomplish something in life, learn languages, see the world, read a thousand books, he wants to discover the core, whatever that might be, he wants to discover whether there is any core, but sometimes it’s hard to think and read when one is stiff and sore after a difficult fishing voyage, wet and cold after twelve hours’ working in the meadows, when his thoughts can be so heavy that he can hardly lift them, then it’s a long way to the core. The west wind blows and the sky slowly darkens above their heads. Dammit, the boy blurts out, because he is standing there alone with his thoughts, Bárur has set off down the slope, the wind is blowing, the sea churns and Bárur is thinking about dark hair, about warm laughter, about big eyes bluer than the sky on a clear June night. They have come down to the beach. They clamber over large rocks, the afternoon continues to darken and press in on them, they keep going and hurry the final minutes, and are a hair’s breadth ahead of the twilight to the huts.“
Jón Kalman Stefánsson (Reykjavík, 17 december 1963)
Economie Ik houd van economie Economie is als een sprookje. Zij is belangeloos als een dichter En zij kan zelfs waarzeggen
Economie kan kaartlezen En kan kaartleggen Maar economie kan niet kaarten En is daarom ook niet volledig.
Zoals de dichter die daarbij een kaartspeler is Zo is economie dus ook een wonderdoener Als patiënten van psychiaters die tevens mensen zijn Want zij zijn ook zieners.
Ik ben die al die doeners bij elkaar doe Die dan ook zo wonderwel toe doe ben Zeggend wat iedereen al weet – Want economie heeft allang voorspeld:
Eens zal poëzie ook duurder worden mensen Paarser op haar beurt en schaarser; Voor de prijs van poëzie Komt dit op hetzelfde neer
Die prijs van goede poëzie zal waarschijnlijk liggen Ver boven de prijs van goede prostituees En die zijn al zo duur Per uur tegenwoordig
Frank Martinus Arion (17 december 1936 - 27 september 2015) Borstbeeld bij de nationale bibliotheek van Curaçao
De Vlaamse dichter, schrijver en schilder Paul Snoekwerd geboren in Sint-Niklaas op 17 december 1933. Zie ook alle tags voor Paul Snoekop dit blog.
Conversatie met mijn bloemen
I Ik weet het bloemen, gij die aan mijn venster staat en luistert naar de houten stemmen in de straat, langer dan mijn naam zult gij bestaan en luisteren naar de straat, die mij smorgens als een vogel loslaat in de tuinen van de dag en die me savonds, als de bloemen aan hun venster slapen, vraagt of ik gelukkig was.
Gij weet het bloemen, gij die aan de kleuren namen geeft en luistert naar mijn klein gebeuren in de straat, dat ik een wezen ben dat tussen mensen staat en dat alleen is, meer alleen dan aan mijn venster in zijn kleine kooi de blinde vogel die zijn meester haat.
Wij weten bloemen dat er in de droefheid vreugde en wat kleur bestaat en daarom bloemen zijn wij soms gelukkig, gij en ik.
Levensgevaarlijk gedicht
Er zijn woorden die sissen als slangen. Vleesetende woorden met een muil vol tanden. Woorden die gevaarlijk slapen onder hete stenen Of die webben weven om hun prooi te vangen.
Sommige zijn doorzichtig als glazen kwallen en spuiten giftige inkt uit je mond. Andere zijn geslepen tot vlijmscherpe messen of druipen als etter uit verzworen ogen.
Woorden dragen soms bedrieglijke maskers. Zij kennen de knepen van de camouflage om als wandelende takken vruchten te dragen of om een ander woord bekoorlijk te betoveren.
Het is maar een woord voor een woord om eensklaps van gedaante te verwisselen, om als een tijdbom duizend eeuwen te overwinteren in een klompje ijs.
Want leg 's avonds een onschuldig woord als een wicht in zijn wieg te slapen, 's morgens stoot je tussen de lauwe lakens op een koude, splinternieuwe handgranaat.
Paul Snoek (17 december 1933 – 19 oktober 1981) Portret door Jean-Pierre Vandenberghe, 1973
Uit: Een samenzwering van idioten (Vertaald door Paul Syrier)
“Een grote jagerspet zat om de bovenkant van een vlezig, ballonrond hoofd geklemd. De groene oorkleppen, gevuld met grote oren en ongeknipt haar en met de fijne borstels die uit de oren zelf groeiden, staken aan weerszijden uit als richtingaanwijzers die beide kanten tegelijk op wezen. Volle, opeengeknepen lippen stulpten uit onder de struikachtige zwarte snor en verzonken in de hoeken in kleine plooien die overstroomden van misprijzen en kruimels chips. In de schaduw onder de groene klep van de pet keken de hooghartige blauw-met-gele ogen van Ignatius]. Reilly aflandere wachtenden onder de klok van D.H. Holmes-warenhuis en bestudeerden de menigte mensen, speurend naar tekenen van slechte smaak in kleding. Enkele van de uitmonsteringen, zo merkte Ignatius op, waren nieuw en duur genoeg om in alle redelijkheid als een aanslag op de goede smaak en het fatsoen te worden beschouwd. Het bezit van iets nieuws of duurs was slechts een weerspiegeling van het gebrek aan theologie en geometrie bij de betreffende. Het deed zelfs twijfel rijzen met betrekking tot diens ziel. Ignatius zelf was comfortabel en verstandig gekleed. De jagerspet behoedde hem voor verkoudheid. De volumineuze tweed broek was duurzaam en bood een ongewone bewegingsvrijheid. De plooien en hoekjes herbergden bellen warme, bedorven lucht, die Ignatius op zijn gemak stelden. Het flanellen plaidhemd maakte een jasje overbodig, terwijl de shawl het stuk blootliggende Reilly-huid tussen de oorkleppen en de boord beschermde. De uitmonstering was aanvaardbaar volgens iedere theologische en geometrische maatstaf, hoe duister ook, en suggereerde een rijk innerlijk leven. Door zijn gewicht op zijn logge, olifanteske manier van de ene heup op de andere te verplaatsen stuurde Ignatius golven vlees op en neer onder het tweed en flanel, golven die kapotsloegen op knopen en zomen. Aldus herschikt overwoog hij hoe lang hij nu al op zijn moeder stond te wachten.” In de eerste plaats besteedde hij aandacht aan het ongemak dat hij begon te voelen. Het leek of zijn hele wezen op het punt stond uit zijn met wol gevoerde, suède woestijnlaarzen te barsten, en, als om dit te controleren, richtte Ignatius zijn merkwaardige ogen op zijn voeten. Deze zagen er inderdaad gezwollen uit. Hij nam zich vo or zijn moeder de aanblik van deze uitpuilende laarzen te bieden als bewijs van haar onnadenkendheid.”
John Kennedy Toole (17 december 1937 – 26 maart 1969)
„In Ableitung des Gesehenen aus dieser mittelbaren Anschauung macht er sogar auf folgende Besonderheiten Anspruch. Sein Antlitz sei von einer stumpfen Beschaffenheit, daher nicht als Waffe (Schneide oder Spitze), wohl aber als Schutz oder Schild zu gebrauchen. Die gut eingehöhlten, rostbraunen Augen seien bereit, einen in deren Reichweite eingetretenen, fangbaren Gegenstand zu umklammern und sich nicht so leicht wieder entwinden zu lassen. Die tückisch niedere Stirn mache den Kopf widerspenstig gegen das freche Eindringen frische Gedanken begünstigender, natürlicher Luftzüge, aber ebenso unnachgiebig gegen Aufgeben eines einmal eingenommenen Standpunkts. Das dunkelblonde Haar zeige zwar nicht den Anreiz der Sonnenfarbe, noch das verführerische Dunkel der Beize des Ebenholzes, halte aber das gute Mittel der Unauffälligkeit. Der stämmig dicke Nacken samt breit angelegtem Halse bekenne gleich dem untersetzten, ein wenig abgebogenen Gestelle den Ehrenstolz eines, der sich auch auf krummen Wegen nicht unterkriegen lasse. Der breite Busen und der noch in der Knospe befangene Bauch zeigten durch ihre Buchtung beide mit Deutlichkeit Stoßkraft und kämpferische Gesinnung ihres Inhabers. Hände und Füße, hart und groß, gedächten die einen anzupacken, die zweiten sich anzusetzen und bewiesen darüber hinaus Erziehung zur Arbeit durch Notwendigkeit und Herkunft. Aber der trotz niederer Stirn nicht mit minderem Witz ausgerüstete Goggel bleibt bei der Darstellung dieser seiner Äußerlichkeiten nicht stehen, sondern er sucht, sich auf irgendeine Weise einzugliedern und einzureihen, wie es einem deutschen Manne entspreche. Siegfried unähnlich, aber doch dem Volk der Nibelungen angehörend, der Masse gleich an Beschaffenheit, aber überlegen durch Kenntnis dieses Umstandes, beschließt er, von Haus aus nicht zu erben bestimmt, der Bestimmung langsam und beharrlich ein ande-res Bette zu graben.“
“Now folks say you are a considerable of a candid man, and right up and down in your dealins, and do things above board, handsum--at least so I've hearn tell. That's what I like; I love to deal with such folks. Now spose you make me an offer? You'll find me not very difficult to trade with, and I don't know but I might put off more than half of the books myself, tu. I'll tell you how I'd work it. I'd say, "Here's a book they've namesaked arter me, Sam Slick the Clockmaker, but it tante mine, and I can't altogether jist say rightly whose it is. Some say it's the General's, and some say its the Bishop's, and some say its Howe himself; but I aint availed who it is. Its a wise child that knows its own father. It wipes up the Blue Noses considerable hard, and don't let off the Yankees so very easy neither, but it's generally allowed to be about the prettiest book ever writ in this country; and although it aint altogether jist gospel what's in it, there's some pretty home truths in it, that's a fact. Whoever wrote it must be a funny feller, too, that's sartin; for there are some queer stories in it that no soul could help larfin at, that's a fact. Its about the wittiest book I ever seed. Its nearly all sold off, but jist a few copies I've kept for my old customers. The price is just 5s. 6d. but I'll let you have it for 5s. because you'll not get another chance to have one." Always ax a sixpence more than the price, and then bate it, and when Blue Nose hears that, he thinks he's got a bargain, and bites directly. I never see one on 'em yet that didn't fall right into the trap. Yes, make me an offer, and you and I will trade, I think. But fair play's a jewel, and I must say I feel ryled and kinder sore. I han't been used handsum atween you two, and it don't seem to me that I had ought to be made a fool on in that book, arter that fashion, for folks to laugh at, and then be sheered out of the spec. If I am, somebody had better look out for squalls, I tell you. I'm as easy as an old glove, but a glove aint an old shoe to be trod on, and I think a certain person will find that out afore he is six months older, or else I'm mistakened, that's all. Hopin to hear from you soon, I remain yours to command, SAMUEL SLICK. Pugnose's Inn, River Philip, Dec. 25,1836.”
Thomas Haliburton (17 december 1796 – 27 augustus 1865) Portret door Beatham, ca. 1860
Ehre der russischen Revolution! Ich verneige mich mit polnischer Grußgebärde vor ihr: meine Mütze berührt die Erde. Voll Ehrfurcht vor den sowjetischen Taten verneig ich mich heute als Polens Sohn vor den Arbeitern, Bauern und Soldaten.
Diese Mütze trug niemals ein Feldherr. Nicht ledern noch mit Reiherfedern und Pfauenfedern. Waryński, steifnackig, ungeschlagen, hat sie als Schlüsselburgs Häftling getragen.
Unsre Steifnacken geben nicht nach, hielten stand allem Brechen und Biegen, bis die Peitsche des Zaren zerbrach, ohne uns krumm zu kriegen.
Ich verneige mich vor der Asche Rylejews, ich verneige mich vor der Asche Zelabows, ich verneige mich vor der Asche aller Revolutionäre.
Schlicht wie Gedanke ist Lenins Grab, schlicht wie Tat ist Lenins Gedanke, schlicht und groß wie die Revolution ist Lenins Tat.
Ich verneige mich vor den Gräbern um Stalingrad, um Moskau, um jede befreite Stadt, Ihre Hügel sind Pfeiler, Brücken zu tragen – laßt uns Brücken zur Zukunft darüber schlagen!
Aus russischem und polnischen Boden, dem heißgeliebten, umkämpften Boden wachsen Blumen, die Lebensboten, durch das Gebein der Toten.
Vertaald door Alfred Edgar Thoss
Władysław Broniewski (17 december 1897 – 10 februari 1962)
"Shall we go to Mexico?" I launched the question when I reached home that April evening. It was in Washington, and the cherry trees were in bloom on the banks of the Potomac. My wife, who was reading the Evening Star, raised her head and fixed her blue eyes on me. " Mexico?" she repeated vaguely. And she bent her head again, her eyes and her attention on the newspaper. I took off my jacket and dropped the whole weight of accumulated weariness, together with my body, into an easy chair. Gradually the family sounds wrapped about me. On the floor above, my daughter was reciting a passage from Macbeth, preparing her lesson for the following day at the dramatic school of the university. On the ground floor my boy was nursing the mouthpiece of a saxophone, sucking from it the thick warm milk of a blues tune. From the kitchen the thin crepitation of a lamb roast on the stove came to my ears. I closed my eyes. Strange world, Master Shakespeare! The slow fire of the Washington Gas Company is gilding the ribs of a lamb possibly born in the meadows of Montana. Through the labour and the art of the blues composer, and thanks to the skill and the lips of the young saxophonist, at this moment, in this room, I listen to the moan of the lament that many years ago tore at the heart of a slave on a Mississippi plantation. Upstairs yonder Lady Macbeth is trailing her re-morse around the room, imagining she sees blood on her white, sinner's hands. A singular world, my old poet, in which madame is reading the latest speech of John Foster Dulles, while here am I, eaten up with yearning for a holiday. Yes, a holiday, William Shakespeare, a vacation. Have you ever seen a tired man? Well, here's one. Tired in body and mind. I don't want to play tragedy. I am no candidate for Hamlet or King Lear, and I'm too old for Romeo.”
Érico Veríssimo (17 december 1905 – 28 november 1975)
"Seit Tagen wieder habe ich einen Spaziergang gemacht, um mich zu beruhigen. Nebel verhüllte die Landschaft. Allmählich löste sich Regen daraus. Ich ging wie im Traum. Ich kenne diesen Zustand aus der Norweger Zeit. Es ist eigentlich das einzige Glücksgefühl, das ich kenne, in das Unwirkliche, in das Unmögliche unterzutauchen. Ich nehme keinerlei Beziehung zur Landschaft auf. Sie bleibt etwas Fremdes, und doch ist sie das Mittel, durch das meine Vorstellungen geweckt werden. Es ist eigentlich etwas ganz Unnatürliches, Erschöpfendes, seine bewußten Gedanken auf etwas zu konzentrieren, das in keiner Umsetzung Wirklichkeit werden kann. Eine krankhafte Zuflucht, die mich davon entbindet, etwas zu schaffen, weil sie mich ähnlich erschöpft wie das Schreiben. Aber es ist ein unmittelbares Glücksgefühl, das nur allmählich dem Katzenjammer weicht." (…)
"Der Anlaß zu meinem expansiven und (vielleicht darf ich es sagen) tieferen Werken ist mein persönliches Leben. Meine Angst, meine Trauer, meine Verlassenheit, meine Gesundheit, die Störungen in mir und die Zeiten des Gleichgewichts, die Art meiner Sinne und meiner Liebe, meine Besessenheit in ihr, haben auch meine musikalischen Gedanken und Empfindungen gestaltet. Kunst wächst auf dem Felde des Eros; darum einzig haftet ihr die Schönheit an."
Hans Henny Jahnn (17 december 1894 – 29 november 1959) Monument in Hamburg
Uit: Germinie Lacerteux (Door Jules en Edouard de Goncourt)
« — Sauvée ! vous voilà donc sauvée, mademoiselle ! fit avec un cri de joie la bonne qui venait de fermer la porte sur le médecin, et, se précipitant vers le lit où était couchée sa maîtresse, elle se mit avec une frénésie de bonheur et une furie de caresses à embrasser, par-dessus les couvertures, le pauvre corps tout maigre de la vieille femme, tout petit dans le lit trop grand comme un corps d’enfant. La vieille femme lui prit silencieusement la tête dans ses deux mains, la serra contre son cœur, poussa un soupir, et laissa échapper : — Allons ! il faut donc vivre encore ! Ceci se passait dans une petite chambre dont la fenêtre montrait un étroit morceau de ciel coupé de trois noirs tuyaux de tôle, des lignes de toits, et au loin, entre deux maisons qui se touchaient presque, la branche sans feuilles d’un arbre qu’on ne voyait pas. Dans la chambre, sur la cheminée, posait dans une boîte d’acajou carrée une pendule au large cadran, aux gros chiffres, aux heures lourdes. À côté deux flambeaux, faits de trois cygnes argentés tendant leur col autour d’un carquois doré, étaient sous verre. Près de la cheminée, un fauteuil à la Voltaire, recouvert d’une de ces tapisseries à dessin de damier que font les petites filles et les vieilles femmes, étendait ses bras vides. Deux petits paysages d’Italie, dans le goût de Bertin, une aquarelle de fleurs avec une date à l’encre rouge au bas, quelques miniatures, pendaient accrochés au mur. Sur la commode d’acajou, d’un style Empire, un Temps en bronze noir et courant, sa faux en avant, servait de porte-montre à une petite montre au chiffre de diamants sur émail bleu entouré de perles. Sur le parquet, un tapis flammé allongeait ses bandes noires et vertes. À la fenêtre et au lit, les rideaux étaient d’une ancienne perse à dessins rouges sur fond chocolat. À la tête du lit, un portrait s’inclinait sur la malade, et semblait du regard peser sur elle. Un homme aux traits durs y était représenté, dont le visage sortait du haut collet d’un habit de satin vert, et d’une de ces cravates lâches et flottantes, d’une de ces mousselines mollement nouées autour des têtes par la mode des premières années de la Révolution. La vieille femme couchée dans le lit ressemblait à cette figure. Elle avait les mêmes sourcils épais, noirs, impérieux, le même nez aquilin, les mêmes lignes nettes de volonté, de résolution, d’énergie. Le portrait semblait se refléter sur elle comme le visage d’un père sur le visage d’une fille. Mais chez elle la dureté des traits était adoucie par un rayon de rude bonté, je ne sais quelle flamme de mâle dévouement et de charité masculine."
Jules de Goncourt (17 december 1830 - 20 juni 1870) Cover
“This was a war of attrition...A mug's game! A mug's game as far as killing men was concerned, but not an uninteresting occupation if you considered it as a struggle of various minds spread all over the broad landscape in the sunlight. They did not kill many men and they expended an infinite number of missiles and a vast amount of thought. If you took six million men armed with loaded canes and stockings containing bricks or knives and set them against another six million men similarly armed, at the end of three hours four million on the one side and the entire six million on the other would be dead. So, as far as killing went, it really was a mug's game. That was what happened if you let yourself get into the hands of the applied scientist. For all these things were the products not of the soldier but of hirsute bespectacled creatures who peer through magnifying glasses. Or of course, on our side, they would be shaven-cheeked and less abstracted. They were efficient as slaughterers in that they enabled the millions of men to be moved. When you had only knives you could not move very fast. On the other hand, your knife killed at every stroke: you would set a million men firing at each other with rifles from eighteen hundred yards. But few rifles ever registered a hit. So the invention was relatively inefficient. And it dragged things out! And suddenly it had become boring.”
Ford Madox Ford (17 december 1873 - 26 juni 1939) Scene uit de Britse tv-serie “Parade’s End”uit 2012 met o.a. Benedict Cumberbatch (2e van rechts)
“Mr. Bergen had been “got”, though indirectly, through the Red Cross. Hester had a secretarial. job for three mornings a week, and did some typing for the Red Cross Centre on Fridays. It wasn’t, she thought, wanting to be honest in all things, that she deeply cared about the work, but that she didn’t like to feel guilty about not caring. She really would have liked to have volunteered out of sheer good nature, like Maisie Meade, whom she had met there, and who had evidently escaped any kind of hardening process. Shapeless, or rather not bothered by her shape, Maisie went everywhere with three large bags: one for shopping; one containing “my life”, as she called it-keys,‘ addresses, lists, and so on; one in case she should be given something which had to be taken to somebody else. “Your spare room, Hester dear ‘. . . I know you don’t have to let it “If I did have to, it wouldn’t worry me,” said Hester. “I don’t mind talking about money.” Now she had been sharp with Maisie, which was not forgivable. “Of course I’ll help out, Maisie.” “He’s from Poland, dear, and he’ll be out every day. He has a job, to do with refugee families over here in fact, but it’s so difficult to find anywhere for him that’s not too expensive “What’s his name?” “Ernst or Ernest Bergen, I‘mnot absolutely sure which…“ “What am I going to call him then?” “I thought you might say his name rather quickly and quietly clear, so that it might be either.“
Penelope Fitzgerald (17 december 1916 - 28 april 2000) Cover biografie
« Elle m'ordonne, tutoie d'office... que j'aille pas rouscailler, me croire au palace, dans les Claridge pis quoi encore ! Elle est rougeaude, le teint, les pognes... triple menton, mamelle altière, les yeux pas du tout en amande ! On est là, deux autres avec moi, un petit vieux qui quitte sa petite vieille et un Kabyle tout ahuri. Faut laisser ses fringues à l'étuve. En échange on reçoit la chemise rêche, sans col, sans bouton, le troc en toile grise trop court ou trop long, la capote bleue luisante d'usure. On est admis, paperasses en ordre. Personne à prévenir en cas de... On signe, on suit le guide, l‘homme aux bassins, aux pistolets, le convoyeur de la morgue. M'sieur Louis, mettons, ou M'sieur Albert. S'il se meut à l’aise, cézig, entre la vie et la mort, la consultation, les cuisines, la douche épuration, le bloc opératoire... Familier, jovial, trogne à Gévéor, ses bras velus manches retroussées, le calot blanc posé cascadeur sur ses tifs plaqués à la gomina. Au passage, escortant le crevard, poussant son macchab quotidien, ça l'empêche pas de vanner grivois les filles de salle, les plus loucheuses, les plus tocardes aussi bien que les jolis sujets. Casanova, Don Juan de banlieue, séducteur garanti Biscaille, il enjambe, déflore, sodomise à la bonne braguette... ainsi dire ! Que c'est pas le mec à se complexer, se cuire la conscience au court-bouillon pour œci cela, toutes vos broutilles métaphysiques. Il bande, il boit, donc il est. Il nous précède sous la voûte... une autre cour, d'autres arcades. Les bâtiments autour, minute de silence alors !... respectables, mastards... les piliers, les murs ! Des siècles et des siècles que ça résiste… vents et marées, révolutions ! Il nous arrive, notre hôpital, de la nuit des rois. L'Histoire ici qui transpire, pas de la broutille, du pince-fesses, de la partouze aristocratique ! On ferrait là les bagnards avant leur départ pour Toulon, on guillotinait Lacenaire... l'Abbaye de Monte-à-Regret dressée dans la cour d'honneur..."
Alphonse Boudard (17 december 1925 – 14 januari 2000)
Adriaan van Dis, Jane Austen, Adriaan van der Veen, Noël Coward, Tip Marugg, Rafael Alberti, Pierre Lachambeaudie
De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Disop dit blog.
Uit: Nathan Sid
‘Nathan lag, terwijl zijn moeder bij het aanrecht rommelde, op zijn rug op de keukenvloer. Hij soesde met zijn ogen dicht in de zon. Hij kon veel met zijn ogen dicht. Hij bladerde dagdromend door de mooiste albums en schreef blind verhalen met een tien voor spelling. Achter zijn oogvel zweefde een wereld zonder fouten.’ Hij kijkt naar zijn moeder, hij sluit zijn ogen en ‘zag een Indische tuin waar vogels vlogen, zoals op de postzegels van tante Una uit Nieuw-Guinea. Hij zag wilde kembang sepatoe en water met verse groene sprietjes en, zoals altijd, bergen die op duinen leken, maar nu met een pluimpje rook eruit. Net zoals op het schilderij schuin boven het dressoir. Zijn vader liep er ook, met een geweer en oranje medailles op zijn borst. Nu keek hij hem strak aan. Nathan deed zijn ogen weer open. Hij wilde zijn strenge vader helemaal niet zien. Stiekem dacht hij hoe fijn het was een halve wees te zijn, nooit meer slaag en veel meer knuffels.’ Maar zijn moeder vertelt Nathan hoe beroerd de jeugd van Pa Sid is geweest; de roos van Soerabaja, Pa Sids moeder, was een gemeen type, dat haar kinderen sloeg en in het weeshuis plaatste. Nathan besluit de vader te verdedigen. Maar de vrees bekruipt hem net zo te zijn of te worden als zijn vader, want hem is gezegd dat hij even driftig en gulzig is als Pa Sid, spilziek en onbeheerst: ‘Nathan wilde niet verder alleen op de wereld. Het liefst bleef hij klein en kroop hij voor altijd weg onder zijn moeders jurk. Bij dat witte, waar het was zoals achter zijn gesloten wimpers, een veilige wereld waarin hij niets fout kon doen.’ (…)
“Niemand wist waar die bramen bloeiden, want niemand was lid van Nathans club. Daarvoor waren er te weinig bramen. Wel stuurde hij veel briefjes. Daar schreef hij vieze woorden op. Nathan zei dan dat hij zo’n briefje in het duin gevonden had en las ze thuis hard op voor. Op één van de uit zijn vaders la gepikte bruine kartonnetjes had hij met een mengsel van bloed en bramensap “lulkak je word vermoord” gekrast. Voor de grap had Nathan het bij zijn vaders bord gelegd, onder een pitriet tafelmatje waar het wit ge- bloemde zeil altijd wat bobbelde van de warme schotels. Pa Sid zag het liggen, las het vluchtig, zei niets en keek streng voor zich uit. Nathan had geen honger meer en zijn dijen kleefden erger dan ooit aan de houten stoel. Toen hij eindelijk van tafel mocht, gaf zijn vader hem in het voorbijgaan plotseling een harde pets. Zijn vingers kleurden wit op Nathans wangen. “Wordt schrijf je met dt”, zij hij. Voortaan moest Nathan zalf en pleisters op zijn korstjes.”
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)
“Mrs. Norris was often observing to the others that she could not get her poor sister and her family out of her head, and that, much as they had all done for her, she seemed to be wanting to do more; and at length she could not but own it to be her wish that poor Mrs. Price should be relieved from the charge and expense of one child entirely out of her great number. "What if they were among them to undertake the care of her eldest daughter, a girl now nine years old, of an age to require more attention than her poor mother could possibly give? The trouble and expense of it to them would be nothing, compared with the benevolence of the action." Lady Bertram agreed with her instantly. "I think we cannot do better," said she; "let us send for the child." Sir Thomas could not give so instantaneous and unqualified a consent. He debated and hesitated;—it was a serious charge;—a girl so brought up must be adequately provided for, or there would be cruelty instead of kindness in taking her from her family. He thought of his own four children, of his two sons, of cousins in love, etc.;—but no sooner had he deliberately begun to state his objections, than Mrs. Norris interrupted him with a reply to them all, whether stated or not. "My dear Sir Thomas, I perfectly comprehend you, and do justice to the generosity and delicacy of your notions, which indeed are quite of a piece with your general conduct; and I entirely agree with you in the main as to the propriety of doing everything one could by way of providing for a child one had in a manner taken into one's own hands; and I am sure I should be the last person in the world to withhold my mite upon such an occasion. Having no children of my own, who should I look to in any little matter I may ever have to bestow, but the children of my sisters?—and I am sure Mr. Norris is too just—but you know I am a woman of few words and professions. “
Jane Austen (16 december 1775 – 18 juli 1817) Jane Austen House in Chawton, waar Jane, haar moeder en haar zus Cassandra de laatste jaren van hun leven woonden
“Zij kon met een heel beslist gebaar haar hoofd schudden, diep ademen, mijn hand vast houden en mij dan met haar bruine ogen die braken en smolten, blijven aanstaren. Ik had twee bedden boven elkaar, maar ze waren veel te nauw voor ons tweeën. Nadat zij mij had geleerd wat passie was, strekte ik mij benauwd in het donker naast haar uit, met wijd open mond trachtend zoveel mogelijk lucht binnen te halen. Zij lag half over mij heen, haar hand liefkozend op mijn keel en soms viel zij in slaap en begon heel zacht te blazen en te snorren. Ik luisterde naar haar en naar het kraken en zuchten van het hout in de traag deinende hut. Overdag lachte zij mij steeds uit en protegeerde mij bedillerig als haar domme vriend, die niet beter wist. Zij kon hartelijk lachen en slim vertellen over Engeland en haar toekomst in Amerika. Geboeid keek ik naar het rose tongpuntje, dat af en toe door haar tanden verscheen wanneer zij heel tevreden leek over zichzelf. Over Duitsland wilde zij nooit spreken. Ongeduldig schudde zij haar hoofd. ‘Dat is toch voorbij. Zand erover.’ Later hoorde ik van iemand, dat haar vader, die in Berlijn een grote bontzaak had gehad, er bij de vervolgingen halfdood was geslagen. Hij woonde nog ergens in Engeland, maar de schok had zijn gezondheid gebroken. We waren nu vrienden en zaten in de bioscoopzaal trouw naast elkaar, met op de achtergrond heimwee naar mijn Amerikaanse held, die mij niet meer wilde zien en het fladderende meisje. Ik trachtte tegelijk toch enige vrijheid als toeschouwer te behouden. 's Middags ontvluchtte ik haar in de schrijfzaal; ik maakte haar wijs dat ik er moest werken. Zij bleef om uitleg vragen en toen ik iets verzonnen had over een roman, raakte zij opgewonden van plezier en bood mij aan allerlei belangrijke stof te leveren. Zij bracht mij tot aan de deur en nu en dan zag ik haar naar binnen kijken en wanneer ik voor mij uit zat te staren, maakte zij aanmoedigend met haar hand een schrijvende beweging. Zij hield niet van doelloos zitten. Ook 's avonds in de gezelschapszaal kon ik haar als er gedanst werd af en toe ontwijken. Ik danste er vaak met een Weens meisje, dat er altijd wat afzijdig, iedere avond met haar moeder zat. Zij was heel licht en gracieus en zij had blond haar en grote wat wegkijkende ogen. Haar moeder lachte en knikte wanneer ik haar dochter weghaalde en ik merkte hoe zij ons volgde, tevreden haar hoofd buigend, neuriënd wanneer er op de piano walsen werden gespeeld.”
Adriaan van der Veen (16 december 1916 – 7 maart 2003) Winter in Schiedam
De Engelse schrijver en songwriter Noël Coward werd geboren op 16 december 1899 in Teddington, Londen. Zie ook alle tags voor Noël Cowardop dit blog.
The Boy Actor (Fragment)
I can remember. I can remember. The months of November and December Were more significant to me Than other months could ever be For they were the months of high romance When destiny waited on tip-toe, When every boy actor stood a chance Of getting into a Christmas show, Not for me the dubious heaven Ofbeing some prefect’s protégé!
Not for me the Second Eleven. For me, two performances a day. Ah those first rehearsals! Only very few lines: Rushing home to mother, learning them by heart, ‘Enter Left through window’ - Dots to mark the cue lines: ‘Exit with others’ - Still it was a part. Opening performance; legs a bit unsteady, Dedicated tension, shivers down my spine, Powder, grease and eye-black, sticks of make-up ready Leichner number three and number five and number nine. World of strange enchantment, magic for a small boy Dreaming of the future, reaching for the crown, Rigid in the dressing-room, listening for the call-boy ‘Overture Beginners - Everybody Down!’
Noël Coward (16 december 1899 - 26 maart 1973) Portret door Clemence Dane, voor 1939
De Antilliaanse dichter en schrijver Tip Maruggwerd geboren op 16 december 1923 in Willemstad, Curaçao. Zie ook alle tags voor Tip Marugg op dit blog.
Moment embryoné
Halleluja zong je gewiegd in d’engelenschoot maar uit de ruïne die je achterliet zal ik verrijzen.
Als je hand zich opent en ik wegren op zoek naar mededogen, zal mijn bloed, schoon gebroken, stollen en verdoemen mijn smerige bestaan.
Ik ben bang dat een vreemde langs zal komen en een ster rukken uit de doodsgrijns van mijn stervensuur.
Te Deum kan ik niet zingen Maar mijn ziel kan Gods beeld oproepen in het vibrato van mijn woorden.
Tip Marugg (16 december 1923 - 22 april 2006) Getekend portret in het tijdschrift Lorito Real, 1952
I Denk aan dat uur: toen de onzichtbare ogen van de alkoven tegen een koning in duisternis rebelleerden.
Jullie weten het, jullie weten het. Laat me met rust! Als sneeuwspleten langs mij opengaan, graven van onbeweeglijk gemaakte wateren, nevelvlekken van geoxydeerde dromen, draai dan voor altijd de sleutel van jullie oogleden om. Wat willen jullie nog meer?
Grote, onzichtbare ogen gaan tot de aanval over. Witgloeiende stekels dringen de wanden binnen. Dode pupillen rollen, lakens.
Een koning is een egel van wimpers.
Vertaald door Willy Spillebeen
Rafael Alberti (16 december 1902 – 27 oktober 1999) Portret door José Ramón Vaca, 1996
Un castor pris au piége était par un chasseur Employé… comme laboureur. Jugez de son supplice et de sa maladresse. Vainement sur son dos on usait l’aiguillon, Il se couchait sur le sillon. Le chasseur furieux l’accusant de paresse, Mon castor à la fin sur ses pieds se redresse, Et lui dit : « Donnez-moi du mortier, du moellon, Laissez-moi, c’est mon goût, redevenir maçon, Et du travail je reprends l’habitude. »
Tel que vous prétendez être un franc paresseux, Bientôt vous le verrez adroit, laborieux ; Mais il faut le classer selon son aptitude.
Pierre Lachambeaudie (16 december 1807 – 7 juli 1872)
Es ist nicht tief hier und wenn das Meer sich zurückzieht sitzen alle meine Freunde auf ihren Stühlen.
Mit bloßen Füßen die Hosenbeine hochgerollt. Sie haben keine Angst.
Die Wellen brausen und schäumen laufen über ihre Füße verschwinden dann wieder murmelnd.
Meine Freunde sitzen etwas zu weit voneinander entfernt um ein Gespräch zu führen. Das Meer macht Lärm und tatsächlich sieht es so aus als wären sie nur interessiert an ihrer eigenartigen Lage. Dämmerung herrscht die Sonne rollt sichtbar widerwillig im Westen hinab. Die Dunkelheit naht.
Ich strenge meine Augen an um sie allesamt zu sehen. Schwer unterscheidbar. Schwer in all dem einen Sinn zu erkennen. Ich lächele und lächele hebe die Hand und winke.
Jetzt kommt die Gezeitenwelle es steigt die Flut. Das Wasser reicht schon übers Knie. Doch keiner erhebt sich. Nicht einer der Freunde verläßt seinen Platz.
Einige verbergen das Gesicht in den Händen und einer sieht weg doch selbst als das Wasser den Hals erreicht bleiben sie sitzen.
Unter dem glühend ins Schwarz sich färbenden Himmel renne ich angstvoll und verwirrt umher auf dem Strand niedergedrückt von der ertränkenden Unbeweglichkeit. Schließlich zerbricht das Meer die Stühle und hier und dort greift eine Hand nach den Resten ein Gesicht leuchtet weiß es gurgelt in einem Mund.
Der Arbeit ist nicht nachzukommen am Strand die verfügbaren Rettungsmethoden sind ineffektiv und veraltet. Stöhnend werfe ich mich über die offenen Münder schnell aber bin ich ermattet und wer hat den Vorrang wer?
Der Morgen spült letzte Wrackteile den Strand hinauf während der Himmel zerreißt: ein aufgeblähtes Lungengewebe über den letzten Krämpfen.
Vertaald door Lutz Volke
Klaus Rifbjerg (Kopenhagen, 15 december 1931)
De Estse dichter, beeldend kunstenaar en vertaler Indrek Hirv werd geboren op 15 december 1956 in Kohila. Zie ook alle tags voor Indrek Hirv op dit blog.
olives deep in my mid-winter pocket
olives deep in my mid-winter pocket I sleep by day — I keep watch by night a birch in the south — at home I'm a vine at peace and pacing — at the same time
olives deep in my mid-winter pocket my mind drifts — steel and glass surround I give heed to the dead — and at their behest plant my feet firmly here on home ground
Vertaald door Miriam McIlfatrick
À toi
À toi qui appartiens à la nuit de novembre comme le cavalier à la selle comme l’épée au sang je veux aujourd’hui te jurer une infidélité éternelle
D’un pas de maître d’armes tu me poursuis de vie en vie tu rends sensées et ridicules mes plus audacieuses folies tu veilles en sage-femme exercée sur mes métamorphoses
Et si un jour le temps doit venir de la vengeance je jure de renoncer devant toi à la mort la plus belle
Waarom leert men op school een schuldloos kind Latijn en Grieks en niet de donker talen van zeemeerminnen en van nachtegalen van het water, de wolken en de wind?
Liefdesverklaring
Ik houd zo van die donkre burgerheren Die langzaam wandlen over 't Velperplein In deze koele winterzonneschijn: De dominee, de dokter, de notaris En 't klerkje dat vandaag wat vroeger klaar is. Maar 't kan verkeren.
Zo onmiskenbaar ziet men aan hun kleren Dat zij rechtvaardig zijn, terwijl de plicht Die eedle lijnen groefde in hun gezicht: De dominee, de dokter, de notaris, Drievuldig beeld van al wat wijs en waar is. Maar 't kan verkeren.
Op aarde valt voor hen niets meer te leren, Zij zijn volkomen gaaf en afgerond, Oud-liberaal, wantrouwend en gezond: De dominee, de dokter, de notaris, Voor wie de liefde zelfs zonder gevaar is. Maar 't kan verkeren.
Zij gaan zich nu voorzichtig laten scheren, Om daarna, met ervaring en verstand, Een glas te drinken op het heil van 't land: De dominee, de dokter, de notaris. 'k Weet geen probleem dat hun na zes te zwaar is. Maar 't kan verkeren.
Ik houd zo van die zindelijke heren, Levende monumenten op het plein In deze veel te heldre winterschijn: De dominee, de dokter, de notaris, Die denken dat uw dichter niet goed gaar is. Maar 't kan verkeren!
Jan Greshoff (15 december 1888 – 19 maart 1971) Cover
„Wir standen bei einer Tankstelle. Irgendwas war mit dem Motor oder dem Auspuff. Es schneite auf die Schirme, und die Autos fuhren mit Licht, richtiges Pannenwetter. Unser Fahrer suchte ein Telefon. Ich weiß noch genau, wie er dann die Unterarme bewegte, so über Kreuz, hin und her. Gabriela verkündete, daß wir auf den Werkstattservice warten müßten. Sie schlug vor, Perugia und seine Sehenswürdigkeiten zu besichtigen. Wir holten unsere Mäntel heraus und liefen im Gänsemarsch zur Altstadt hinauf, Gabriela und der Bergsteiger vorneweg. Der war aufgebracht und bestand darauf, nach Assisi gefahren zu werden, das bei gutem Wetter angeblich von hier aus zu sehen sei. »Zum Greifen nah«, hat er immer wieder gesagt. Dabei war es ein Mordsglück, daß wir nicht irgendwo auf der Autobahn oder der Landstraße herumirren mußten. Auf dem Fußweg blieb der Schnee inzwischen liegen. Kunstmuseum und Kirchen waren geschlossen, Mittagspause. Gabriela führte uns um den Maggiore-Brunnen, sagte einiges zum Rathaus und zur Kathedrale, die riesig wirkte, weil ihre Mauern im Nebel verschwanden. Seit über 500 Jahren stehe die Fassade unverkleidet da, worauf eine Frau aus Plauen meinte, daran gemessen schneide die DDR gar nicht schlecht ab. So spottete sie ständig. Ernst reagierte nie. Er überhörte das einfach. Am Marktplatz verteilte sich die Gruppe auf verschiedene Lokale. Unseres hieß »Victoria«. Bisher hatten wir nur für den Dante-Teller und ein paar Tassen Kaffee Geld ausgegeben. Deshalb beschlossen wir, uns etwas zu bestellen. Der Kellner schlängelte sich in seiner langen weißen Schürze um die wenigen Tische, die nun auf einen Schlag besetzt waren. Manchmal erstarrte er mitten in der Bewegung und reckte seinen Oberkörper einem Rufer entgegen.“
“Bij nader inzien doet de naam Bogaards wel een belletje bij Birgit rinkelen, al zou ze niet kunnen zeggen waar of wanneer ze iets over hem gehoord of gelezen heeft. Jef licht haar met een paar zinnen in. Zijn vader is een vrij bekend archeoloog, die onlangs werkzaam was bij een opgraving in Egypte. Soms hadden ze wekenlang geen contact met elkaar, maar een maand geleden belde zijn vader hem, in grote staat van opwinding over een belangrijke ontdekking. Hij wilde er over de telefoon niet te veel over kwijt, bang dat hij werd afgeluisterd, en hij klonk behalve opgewonden ook erg opgejaagd. Hij wilde de ontdekking nog even voor zichzelf houden zodat hij die rustig kon bestuderen, maar hij had het gevoel dat hij in de gaten werd gehouden. Hij zei dat hij Jef ’s avonds terug zou bellen, maar de telefoon was niet meer gegaan. ‘Sindsdien heb ik niets meer van hem gehoord.’ Jef strijkt met een ongerust, nerveus gebaar door zijn dikke donkerblonde haar. ‘Hij reageert niet op mijn sms’jes en ik krijg zijn voicemail als ik hem bel.’ ‘Waar ergens in Egypte zat je vader?’ vraagt Eline. ‘In Karnak. Daar ligt een groot tempelcomplex dat hij aan het onderzoeken was.’ Jef loopt naar het raam en kijkt door een kier in het gordijn. ‘Normaal gesproken zou ik me niet zo ongerust maken, mijn vader en ik hadden wel vaker lange tijd weinig contact. Maar de afgelopen week zijn er een paar incidenten geweest die volgens mij met elkaar te maken hebben. Eerst was er een auto die op me inreed en vervolgens werd er ingebroken in mijn huis. Ik werd gewaarschuwd door een buurvrouw, die een man met een donker uiterlijk mijn huis had zien binnengaan. Ze belde de politie, die meteen kwam. Waarschijnlijk is die man toen op de vlucht geslagen. Ik denk dat hij me op zat te wachten, want er ontbrak niets en hij had ook nergens aan gezeten. Er stond alleen een leeg bierflesje op tafel. “
Simone van der Vlugt (Hoorn,15 december 1966) Cover
Uit: De rode stoeltjes (Vertaald door Paul Bruijn en Molly van Gelder)
“Gilgamesj waste het stof van zijn reizen uit zijn haar, wierp zijn vuile kleren af, hulde zich in schone nieuwe gewaden; om zijn schouders een met franje versierde mantel, omgord met een schitterende sjerp. Het dorp ontleent zijn naam aan de rivier. Het gevaarlijk razende water kolkt met een manische vrolijkheid, stukken hout en blokken ijs met zich meevoerend. In de poeltjes, waar het water aan de zijkant wordt ingesloten, doemen glimmende stenen uit de bedding op, blauw, zwart en paars, volmaakt glad en rond, als een nest grote eieren in een emmer water. Het kabaal is oorverdovend. In het Folk Park druipt het smeltende ijs met een zacht gemurmel van de rankste takjes van de overhangende bomen en krijgt de hoepelvormige metalen sculptuur, een doorn in het oog van veel bewoners, een fraai aanzien door een grillig halssnoer van ijspegels, blauwachtig in de ijskoude nacht. Had de vreemdeling zich verder gewaagd, dan had hij de vlaggen uit allerlei landen gezien, een blijk van het kosmopolitische karakter van het plaatsje, en als eerbetoon aan vroeger tijden staan er oude landbouwmachines: een maaidorser, een molensteen en een replica van een Ierse cottage uit de tijd dat de boeren in hutjes woonden en brandnetels aten om niet te verhongeren. Hij blijft op de oever staan, als gebiologeerd door het water. De bebaarde man met zijn lange zwarte jas en witte handschoenen kijkt op het smalle bruggetje naar de bruisende stroom, en daarna kijkt hij, schijnbaar een beetje verloren, om zich heen; zijn aanwezigheid is het enige buitenissige op die eentonige winteravond in dat vrieskoude gat dat voor een dorp moet doorgaan en Cloonoila heet.”
"Abs: Dr. Hans Carossa 31. Dezember 1943 Rittsteig, Post Schalding, Nieder-Bayern
Lieber Herr Ernst Reiner, gerade noch vor Ende des alten Jahres erreichen mich Ihre warmen Zeilen, für die ich Ihnen vielmals danke. Es ist mir eine besondere Freude, zu sehen, wie treulich Sie die geistige Verbindung mit der Heimat aufrechterhalten, der Sie das Schicksal so weit entrückt hat, aber Sie sind jung und dürfen hoffen, nach Ihrer Rückkehr wieder eine beruhigte Zeit zu erleben; dann werden sich die Tage, die Ihnen jetzt, unter dem fremden Himmel, zuweilen schmerzlich sind und wie verlassen vorkommen, vielleicht in wertvolle Erinnerungen verwandeln, die Ihrer Arbeit zugute kommen. Sehr gern würde ich Ihnen eines meiner wenigen Bücher schicken, weiß nur noch nicht recht, welches Ihnen gegenwärtig am ehesten zusagen könnte. Vielleicht sende ich nach den Feiertagen »Das Jahr der schönen Täuschungen« und etwas später die Gedichte, unter welchen sich allerdings die in den letzten zwei Jahren entstandenen nicht befi nden. Diese scheinen mir einen anderen Ton zu haben als die früheren und werden sich eher zu einer Sonderausgabe eignen, die ich Ihnen, wenn es einmal so weit ist, gern übermittle. Sie schreiben, Sie hätten Ihre Schwester gebeten, einige Zeilen an mich zu richten. Ich erinnere mich nicht, eine Nachricht von ihr erhalten zu haben; da ich aber manchmal krank, manchmal auf Reisen war und über dies meinen Wohnort gewechselt habe, so ist es nicht unmöglich, daß noch irgendwo ein Brief ungeöffnet liegt. Bei uns ist erst heute der Winter eingekehrt. Ein Schneesturm fegt übe die Donaulandschaft, in der ich seit Jahren lebe; in wenigen Stunden werden die Neujahrsglocken läuten. Mit herzlichen Wünschen für Sie und Ihre Kameraden grüßt Sie Ihr Hans Carossa“
Hans Carossa (15 december 1878 - 13 september 1956)
... J'aurais pu te montrer nos duchesses fameuses, Tantôt d'un histrion amantes scandaleuses, Fières de ses soupirs, obtenus à grand prix, Elles-même aux railleurs dénonçant leurs maris, Tantôt, pour égayer leurs courses solitaires, Imitant noblement ces grâces mercenaires, Qui, par couples nombreux, sur le déclin du jour, Vont aux lieux fréquentés colporter leur amour ; Contents d'un héritier, comme eux frêle et sans force, Les époux, très amis, vivant dans le divorce ; Vainqueurs des préjugés, les pères bienfaisants, Du sérail de leurs fils eunuques complaisants ; De nouvelles Saphos, dans le crime affermies, Maris de nos beautés sous le titre d'amies ; Et de galants marquis, philosophes parfaits, En petite Gomorre érigeant leurs palais.
Nicolas Gilbert (15 december 1750 – 16 november 1780)
“Intussen is, terwijl we nog niet eens vertrokken zijn, de plee om de hoek al volgekotst en grondig verstopt. Het is, als altijd op een schip, veel te warm, en de lucht van minerale olie en opgewarmde gebakken vis, gemengde wierook der maritieme zwaarmoedigheid, maakt mijn stemming niet joliger. Het montere tweetal gaat, misschien wegens mijn voortdurende geloer, verder weg zitten en plaatst zich vlak voor een zeer knap gelijkend, elektriek gevoed, imitatie kolenvuur. (Door welks aanblik ik mij opeens herinner dat ik jaren geleden, in een hotel in Bremen, snacht op de overloop, op een guéridon, in een vaas, een bos rozen met lampjes erin heb gezien — niet van het gewone, vulgaire soort zoals men ze op de Nieuwendijk kan kopen, maar elke roos verschillend wat betreft de dichtheid van de kelk, elke roos om zo te zeggen een individu.) Inmiddels wordt mijn bewering over de eersteklasse reizigers aangevochten: een jongen van omtrent zeventien jaar, in verschoten blauwe lifterskleding, komt de lounge binnen, blijft enige tijd zitten, eet eenappel, en spreekt zijn reisgezel die even lelijk is als hij hartverscheurend mooi, in een stoterige, hese woordenstroom toe, die mij dwingt om sneller en dieper adem te halen. Hij wijzigt gelukkig niets aan zijn kleding, noch doet hij iets aan zijn haar, dat regen en wind op volmaakte wijze boven zijn grijze ogen hebben gearrangeerd. Mijn droomprins gaat achterover liggen op een van de zwart lederen zitbanken, en dit is het ogenblik waarop de kellner moet ingrijpen: heeft meneer een hut? Neen. Reist hij eersteklas? Neen. Dan mag hij hier alleen blijven als hij zestien shilling suppletie betaalt, en voor nog enige shillings meer kan hij een bed huren. Het tweede bed in mijn hut is onbezet. Een dagdroom suist door mij heen, een avonddroom, een zeedroom. Maar hoe moet ik hem door al die gangen krijgen, waar bij iedere kruising weer een andere zieke penguin op wacht zit achter een met kaartjes, volgnummers en sleutels belegd tafeltje? De jongen grijnst brutaal, verdwijnt met zijn reisgezel, en ik ga nu maar naar bed. Niet mijn, maar uw wil geschiede. Zo vaak ik een hut op een schip met een ander gedeeld heb, is het trouwens altijd een jongeman geweest van weliswaar nog een eind onder de dertig, maar met reeds een dik en uitdrukkingsloos gezicht, een lijkwitte huid onder twee lagen ondergoed, een zeer slecht figuur, een nare zeeplucht, en een das met stippeltjes — generlei herkomst, noch enig doel bezittend, en geen enkele opmerking of mededeling van mij begrijpend, zodat ik tenslotte meer en meer neig naar de overtuiging dat het doden zijn geweest, door wraakzuchtige landgoden veroordeeld om in eeuwigheid des nachts over de zeeën te varen. Men kan beter een hut alleen hebben, dan deze met zulke onheildragers te delen.”
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006) In 1963
“Winkler praatte niet graag wanneer hij vloog. Al sinds zijn eerste vliegtochtje gaf hij er de voorkeur aan tijdens een vlucht te mijmeren en een beetje over zijn leven na te denken. Dat gemijmer had niets filosofisch. Winkler had geen denkmodellen en bezat geen diepere gronden wanneer hij vloog. Toen hij de eerste keer in een vliegtuig zat – een kwartier boven de bollenvelden met zijn lagere-schoolklas in een propellertoestel - vond hij onmiddellijk dat vliegen slechts voor twee dingen bedoeld kon zijn: ergens zo snel mogelijk aankomen en ergens zo snel mogelijk wegkomen. Tijdens een vlucht kon Winkler mijmeren, bijvoorbeeld over een kastje dat hij thuis wilde laten timmeren, een manier om knipsels beter op te bergen of hoe hij zijn tuin kon laten herinrichten tot een grafveld. Boven de Bering Zee bedacht Winkler een manier om beter met de eenzaamheid om te gaan. Niet een methode die gestoeld zou zijn op religieuze of psychologische principes, maar gewoon een wijze van het vullen van de tijd, zodat hij niet de kans kreeg om zich te beklagen over oprispingen van alleen-zijn. Want de eerlijkheid gebiedt te schrijven dat Winkler wel eenzaam wilde zijn, maar de eenzaamheid niet altijd kon verdragen. Sinds zijn vroege jeugd hield Winkler zich bezig met eenzaamheidsbestrijding. Van gesprekken met jongens op school hield hij niet, van clubvorming (zijn voorzitterschap van een volstrekt onschuldige jeugdbende leidde tot niets anders dan kinderachtige schoolpleinconflicten) had hij al snel zijn bekomst gehad en de vijf weken dat hij lid van een figuurzaagclub was geweest maakten hem - als hij er vijfendertig jaar later aan dacht - nog van streek.”
Boudewijn Büch (14 december 1948 – 23 november 2002)
“J'ai beaucoup voyagé, dit Taillegueur à Josette, et j'en ai connu beaucoup de voyants, j'ai conversé avec eux, j'ai couché avec eux, je les ai questionnés, j'ai écouté leurs rêves, j'en ai torturé certains pour qu'ils me disent ce qu'ils n'auraient jamais osé, ou ce qu'ils se disent seulement entre eux, ou à la confession, ou sur le papier, et tu ne peux pas savoir comme leur âme est confuse et encombrée, fourbe, pleine de détours et de recoins, remplie à ras bords et sans cesse débordante, fuyante et tortueuse, tu ne peux pas imaginer tous leurs vices car ils semblent les fabriquer à plaisir, et tu ne peux pas imaginer leur connaissance car chez la plupart elle est infinie et inutile, et ce qu'ils érigent en beauté qui est moins que le vent, et leur régime stupide des distances et des perspectives, et la vénération des crottes de couleurs, et le culte d'eux-mêmes et le culte du soleil qui sécrète leurs cancers, tu ne peux l'imaginer, mais je te l'apprendrai, je connais l'âme des voyants mieux que n'importe quel voyant. (…)
Quand ils firent connaissance, Robert se passionnait à étudier la résistance au frottement des objets, et Josette à les définir à la pointe de sa langue. Robert avait les poches pleines de cailloux, de billes, de petits morceaux de bois, de tessons de bouteille, il les frottait les uns contre les autres, ou simplement entre deux doigts il en grattait l'asphalte de la cour, jusqu'à ce qu'il sente un échauffement, alors il les mettait à son nez pour renifler le brûlé. Josette était habituée à ses bruits de manipulation. Non loin du coin où il se terrait, car il était sauvage, elle procédait tout autrement, à peu près avec les mêmes objets, elle les approchait du bout de sa langue pour en tester le sel, le cuivre, la poussière, le verre, le moisi. »
Hervé Guibert (14 december 1955 – 27 december 1991)
Elle est debout sur mes paupières Et ses cheveux sont dans les miens, Elle a la forme de mes mains, Elle a la couleur de mes yeux, Elle s'engloutit dans mon ombre Comme une pierre sur le ciel. Elle a toujours les yeux ouverts Et ne me laisse pas dormir. Ses rêves en pleine lumière Font s'évaporer les soleils, Me font rire, pleurer et rire, Parler sans avoir rien à dire
L'aube impossible Le grand enchanteur est mort! et ce pays d'illusion s'est effacé (Young)
C'est par une nuit comme celle-ci que je me suis privé du langage pour prouver mon amour et que j'ai eu affaire à une sourde. C'est par une nuit comme celle-ci que j'ai cueilli sur la verdure perpendiculaire des framboises blanches comme du lait, du dessert pour cette amoureuse de mauvaise volonté. C'est par une nuit comme celle-ci que j'ai régné sur des rois et des reines alignés dans un couloir de craie! Ils ne devaient leur taille qu'à la perspective et si les premiers étaient gigantesques, les derniers, au loin, étaient si petits que d'avoir un corps visible, ils semblaient taillés à facettes.
C'est par une nuit comme celle-ci que je les ai laissés mourir, ne pouvant leur donner leur ration nécessaire de lumière et de raison.
C'est par une nuit comme celle-ci que, beau joueur, j'ai traîné dans les airs un filet fait de tous mes nerfs. Et quand je le relevais, il n'avait jamais une ombre, jamais un pli. Rien n'était pris. Le vent aigre grinçait des dents, le ciel rongé s'abaissait et quand je suis tombé, avec un corps épouvantable, un corps pesant d'amour, ma tête avait perdu sa raison d'être. C'est par une nuit comme celle-ci que naquit de mon sang une herbe noire redoutable à tous les prisonniers.
Paul Eluard (14 december 1895 - 18 november 1952) Hier met Picasso (rechts)
De Deense schrijfster Helle Helle werd geboren als Helle Krogh Hansen in Nakskov op 14 december 1965. Zie ook alle tags voor Helle Helle op dit blog.
Uit:Remains (Vertaald door Mark Kline)
“He walks down in stocking feet, I walk up to my apartment and stir the stew. I take the cream out of the refrigerator, pour some in the pot, put the cream back. Then I hear how he wrestles the dresser up the basement steps and sets it down in the hall. He yells up to me, asking if he could bother me one more time, if I have a flashlight he could borrow? Because he can`t find the picture but it`s down there for sure on the floor somewhere and there is still no light down there, just like he thought. I yell down to him that yes, of course. I don't own a flashlight. For whatever reason, though, I look for one, rattling drawers so he can hear me. I end up bringing him a candle and a box of matches. This is way too dangerous, he says. Nobody should be walking around this basement carrying a candle, all these paint cans, it`s an absolute fire trap. But maybe if I come down with him and just concentrate on holding the candle, he can look around. If I have time, that is. Fortunately I remember my bike lights. I run up and find them in my coat pocket, hurry back down again. The one light he clips onto his shirt collar, the other he holds. He walks down into the basement again. I sit on his dresser. I can hear him rummaging around, having no luck with finding his picture. He yells up, asking if that`s my good-looking recliner in the middle of the floor. I yell back that it belongs to the plumbers. He can’t understand why they would let such a fine recliner go to waste. Then he asks if he could use my bathroom, since he`s already there in the basement. Of course, I yell, and I begin humming.”
Du willst dem Geschicke zuvorkommen, seinen majestätischen Lauf voreilig unterbrechen, willst dein Leben von dir werfen, wie man Warenballen aus einem Schiffe wirft, nur weil man befürchtet und abschätzt, daß es sie nicht mehr zu halten vermag, bis es das Land erblickt… Und weißt doch nicht, ob es nicht doch noch trägt, oder ein anderes Wunder, vielleicht in Gestalt eines Walfischs sich bergend, von seinem Wasserspiele abläßt und vor dir in silberner Straße einherzieht, mit seinem eigenen Leibe das todeserschöpfende Rudern ersparend! Und weißt nicht, ob der Blitz im Gewölk dich nicht sucht und dein Schiff und die Bürde so heimwärts kommt auf gradestem Wege! Aus der wirbelnden Sturmessäule hinaufgeschleudert! Von seiner Hand ergriffen und geheiligt aufgestellt im Himmelsraume. Weißt nicht, was ihm das liebste ist: Du selbst oder die Bürde, um deretwillen du fährst, oder das Schiff, worin du sie birgst, oder das Meer, worein es verpflanzt ist. – Denn alles ist sein.
Regina Ullmann (14 december 1884 – 6 jannuari 1961) Cover
De P.C. Hooft-prijs 2017 gaat naar de Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne. Bas Heijnewerd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.
Uit: Onbehagen
“Op 7 januari 2015 stond ik in een Parijse boekhan¬del de op die dag verschenen nieuwe roman van Michel Houellebecq af te rekenen, toen ik een be¬richt op mijn telefoon voelde binnenkomen. Op mijn scherm stond: Charlie Hebdo! Even dacht ik dat de vriend die het stuurde me wilde attenderen op een bijzonder grappige of pro-vocerende cover van het beruchte satirische blad. Al snel volgden sms’jes van anderen. Daarna ver-scheen het nieuws van de krantensites op mijn scherm. Omdat ik me niet zo ver van de redactie van Charlie Hebdo bevond, besloot ik ernaartoe te lo¬pen, ik wist eigenlijk niet goed waarom. Op de boulevard waar de redactie in een zijstraatje was gevestigd, niet ver van Place de la Bastille, hing een vreemd verstilde sfeer. Het was zo’n twee uur na¬dat de bloedige aanslag op de redactie had plaats¬gevonden. Er was politie. Het straatje waar de re¬dactie zich bevond was afgesloten met linten. Hier en daar stonden tv-journalisten met een micro¬foon in hun hand te wachten tot de camera zou gaan lopen. Maar er klonken nauwelijks geluiden. Er was weinig publiek. Verderop liepen mensen met boodschappentassen, alsof er niks gebeurd was. Het nieuws leek nog niet doorgedrongen. Er was alleen het naakte feit, maar het was nog niet ingedaald, er was nog niets geduid. De daders wa¬ren voortvluchtig. Hier was niets meer. Het was alsof ik in een vacuüm stond, daar op die winterse boulevard. Er was iets ontzagwekkends gebeurd, maar het had nog geen betekenis gekregen. In de dagen, weken, maanden daarna liep dat vacuüm vol met woorden, duizenden, miljoenen woorden, en evenveel beelden. Je suis Charlie werd eerst een geuzenleus, toen een alomtegenwoordige slogan en vervolgens een meme, een cultureel stop¬woordje, onderwerp van ironie en parodie. Al die woorden en beelden gaven betekenis – en vlakten die toen onvermijdelijk weer af. Maar dat eigenaardige gevoel die middag is me bijgebleven – de gewaarwording dat ik tegenover iets stond dat ik niet kon bevatten, iets rauws en elementairs, dat zich heel even onttrok aan al mijn redelijke verklaringen en beschouwingen. De slachtpartij die zich daar had afgespeeld liet zich een paar uur lang niet inpassen in mijn werkelijk¬heid.”