Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
15-01-2016
Antoine Wauters, Etty Hillesum, Osip Mandelstam, F. Springer, Maud Vanhauwaert, Mihai Eminescu, Philip Snijder
Maintenant que vous êtes nus, feu au feu, en la cendre la cendre, tu me viens par grâce, Sylvia. Arquée comme petite. Et tout ce que tu parviens à saisir de moi, en moi, ou à toucher entre les points jamais comblés du corps, et que tu entends et qui s’écrit ou même s’essouffle, considère-le comme la plus mince parcelle encore, mon bruissement, la poussière.
Maintenant je ne peux pas bouger, ni la jambe, ni supporter ce qui a pris place de souffle, toute lumière utile à vos vies. Qui a pris, ou par le feu a rejoint la zone grise, ton ventre, Armand, creusé et composté sous le prunus, ton ventre, Charles, mort et mis à brûler parmi les restes. Mais maintenir vos yeux, comme clarté pure ou diffuse joie, en les miens grands ouverts, je dois.
Uit: Het verstoorde leven - Dagboek van Etty Hillesum
“11 juli 1942 Zaterdagochtend 11 uur Velen verwijten mij onverschilligheid en passiviteit en zeggen, dat ik me zo maar overgeef. En zeggen: ieder, die uit hun klauwen kan blijven, moet dat proberen en is dat verplicht. En ik moet iets dóen voor mezelf. Dit is een sommetje dat niet op gaat. Iederéen is op het ogenblik n.l. bezig iets voor zichzelf te doen om er onder uit te komen en er moet immers toch een aantal, een zeer groot aantal zelfs, gaan? En het gekke is: ik voel me niet in hun klauwen. Niet als ik blijf en niet als ik weggetransporteerd word. Ik vind dat alles zo cliché-achtig en zo primitief, ik kan die redenering helemaal niet meer volgen, ik voel me in niemands klauwen, ik voel me alleen maar in God’s armen, om het nu eens beeldschoon te zeggen en of dat nu hier aan dit verschrikkelijk dierbare en vertrouwde bureau is, of over een maand in een kale kamer in de Jodenbuurt of misschien een in een arbeidskamp onder S.S.-bewaking, in God’s armen zal ik me geloof ik altijd voelen. En men zal mij lichamelijk misschien ten gronde kunnen richten, maar verder ook niet. En ik zal misschien aan wanhoop ten prooi vallen en aan ontberingen, die me zelfs tot in m’n vruchtbaarste phantasieën niet had kunnen voorstellen. En toch is dit alles zeer gering aan die onmetelijke wijdheid van godsvertrouwen en innerlijke belevingsmogelijkheid. Het kan zijn, dat ik alles onderschat. Dagelijks leef ik met alle harde mogelijkheden, die zich ieder ogenblik verwerkelijken kunnen voor mijn persoontje en die zich voor velen, voor veel te velen, al verwerkelijkt hebben.”
Etty Hillesum (15 januari 1914 – 30 november 1943)
Yet to die. Unalone still. For now your pauper-friend is with you. Together you delight in the grandeur of the plains, And the dark, the cold, the storms of snow.
Live quiet and consoled In gaudy poverty, in powerful destitution. Blessed are those days and nights. The work of this sweet voice is without sin.
Misery is he whom, like a shadow, A dog’s barking frightens, the wind cuts down. Poor is he who, half-alive himself Begs his shade for pittance.
Alone I stare into the frost’s white face
Alone I stare into the frost’s white face. It’s going nowhere, and I—from nowhere. Everything ironed flat, pleated without a wrinkle: Miraculous, the breathing plain.
Meanwhile the sun squints at this starched poverty— The squint itself consoled, at ease . . . The ten-fold forest almost the same . . . And snow crunches in the eyes, innocent, like clean bread.
Vertaald door John High en Matvei Yankelevich
Nature –is Rome, and mirrored there Nature - is Rome, and mirrored there. We see its grandeur, civic forms parade: a sky-blue circus in the clear air, fields a forum, trees a colonnade. Nature - is Rome, therefore, it seems vain now for prayers to be made: there are sacrificial entrails, to foretell war; slaves, to keep silent; stones, to be laid!
Vertaald door A. S. Kline
Osip Mandelstam (15 januari 1891 – 27 december 1938) Rond 1920
De Nederlandse schrijver en diplomaat F. Springer (eig. Carel Jan Schneider) werd geboren in Batavia op 15 januari 1932. Zie ook alle tags voor F. Springer op dit blog.
Uit: Bougainville
“Ze ging door. Haar stralende herinnering aan die vierentwintig uur in het Marriott Hotel veranderde na enige tijd in irritatie. De heer Vaulant was zijn streken dus nog niet kwijt. Waarom had zij kunnen denken dat wij op ons vijfenveertigste anders handelen dan wanneer we twintig zijn. Les jeux sont faits, nietwaar? Ze dacht, barst Tommie Vaulant, minnaars genoeg, bewonderaars bij het dozijn, jawel, niet lachen Bo (ik lachte niet), dus een hele drukke tijd, veel reizen, veel aanloop van buitenlandse relaties op het kantoor in Amsterdam, hij kon barsten, Tommie Vaulant. Dagen achtereen dacht ze geen seconde aan hem, arrogante big shot van de Verenigde Naties. Maar die vierentwintig uur: als ze een enkele keer alleen thuis zat, omdat er werkelijk niets meer te verzinnen was aan werk, uitgaan, weg zijn, dan kwamen die vierentwintig uur glashelder terug, minuut na minuut. Er waren ogenblikken dat ze het zo allemaal had kunnen opschrijven. (O god, ook zij, dacht ik, en misschien zou zij haar opstel dan ook wel bij haar vriendje Bo inleveren.) Maar het zou er nooit van komen. September vorig jaar, vlak na een teleurstellende ervaring met een zogenaamd begripvolle minnaar had ze, eigenlijk toch nijdig op zich zelf, toegegeven aan haar verlangen en een brief naar New York geschreven, naar Mr Vaulant in het hoofdkwartier van de VN. Er kwam een briefje terug. De inhoud kende ze uit haar hoofd. ‘Dear Madam, I sincerely regret to inform you that Mr Thomas Vaulant met with a fatal accident while on a recent official mission in South East Asia. I herewith duly return your letter."
Ik ga je heel veel dragen boven alles en om mij heen en als ze mij naar je vragen zeg ik wacht en dan leg ik je zachtjes van mij af, kijk hoe ze mijn kleren is en hoe naakt ik zonder haar.
Ik kan je ook in mij dragen en dan denkt men hé er is iets zwarts met haar maar als niemand ziet hoe je in mij doorweegt houd ik het niet lang in.
Laat mij je daarom aandoen en hopen dat op een dag je door lichtheid bent vervaagd dat ik weer durf kleur bekennen als er nog eens een vrouw komt die haar vouwen om mij slaat.
Maud Vanhauwaert (Veurne, 15 januari 1984)
De Roemeense dichter Mihai Eminescu (eigenlijk Mihail Eminovici) werd geboren op 15 januari 1850 in Botoşani bij Czernowitz. Zie ook alle tags voor Mihai Eminescu op dit blog.
Sonnet III
When e'en the inner voice of thought is still, And does some sacred chant my soul endear, 'Tis then I call to thee; but will you hear? Will from the floating mists your form distil?
Will night its tender power of wonder rear And your great, peaceful eyes their light fulfil, That of the rays that bygone hours spill To me as in a dream you do appear?
But come to me... come near, come still more near... Smiling you bend to gaze into my face While does your sigh gentle love make clear.
Upon my eyes I feel you lashes' trace, O love, for ever lost, for ever dear, To know the aching thrill of your embrace!
Vertaald door Corneliu M. Popescu
Mihai Eminescu (15 januari 1850 - 15 juni 1889) Portret door Gicu Serban, z.j.
“In de huiskamer deed ik de gordijnen dicht en zette de televisie aan. Toen het toestel bijna was opgewarmd en ik de eerste menselijke geluiden hoorde- ik herkende, terwijl het scherm nog donker was, de zelfingenomen stem van presentator Fred Oster, gevolgd door het gelach van een zaal vol publiek- zette ik het meteen weer uit. Opeens wist ik volkomen zeker dat het kijken naar die stompzinnige Avros’s Wiekentkwis me niet zou afleiden, maar me nog meer in verwarring zou brengen. Als ik zou meespelen met de deelnemende echtparen en proberen de quizvragen eerder te beantwoorden dan zij, zou natuurlijk blijken dat mijn geest zelfs dat allerlaagste intellectuele niveau niet meer kon bereiken. (…)
Maar later kreeg zijn slaapafwijking de ernstiger vorm die ik me herinner: het in alle drukte stante pede wegzakken in een onbereikbaar diepe bewusteloosheid, en daaruit lange tijd later met een extra hard, angstig snurkgeluid plotseling ontwaken. Snel probeerde oom Klaas dan de verwarring en gêne van zich af te schudden, meestal door op te veren en heel hard een lied te gaan zingen:”Op naar Jeruzalem marcheren! Alle hoeren de kolere…!”
“Clara schoof de papieren en boeken naar een hoek van de tafel, zodat er ruimte vrijkwam voor twee ontbijtborden en twee koppen koffie. ‘Hier.’ Ze gaf het stapeltje correspondentiekaarten aan Judith. ‘Daar staat alles op.’ ‘Verhaal kuil. Dode Duitse soldaat. Vrouw met kar. Stilte in gevangenis. Koffiehuizen.’ Judith haalde haar schouders op. ‘Ik moet het materiaal eerst zien,’ zef ze. Op het bed maakten ze twee stapeltjes. Links de perfotapes, rechts de losse filmstukken. Aan de hand van de nummering op de kaartjes zochten ze de corresponderende rolletjes bij elkaar. Judith legde de stroken op de montagetafel synchroon. Twee uur lang keken ze naar de bevende beelden op het scherm. Clara had uit de keuken een tafeltje gehaald en het naast de montagetafel gezet. Daar lagen nu in drie keurige rijtjes de zwarte plastic rolletjes met de stukken film en perfotape. Drie rechte rijtjes. Plakkertjes met nummers erop. Zo zag het er heel ordelijk uit. ‘Wat vind je ervan?’ ‘Hoe moet dat in godsnaam ooit een film worden,’ zei Judith. ‘Ik had gedacht...’ Clara's stem stokte. Ze had wel wat gedacht, maar nu ze haar gedachten moest formuleren kon ze er opeens geen woorden voor vinden. ‘Misschier moet het ook helemaal geen film worden.’ Judith las verstrooid in het stapeltje correspondentiekaartjes. ‘Een volgorde,’ mompelde ze. ‘Er moet toch een volgorde voor te bedenken zijn, een vorm.’ ‘Ik bedoel dat we uit laten komen dat het maar fragmenten zijn, een soort gefilmde notities,’ zei Clara. ‘Maar dan nog,’ zei Judith. ‘Er ontbreekt gewoon te veel.’ ‘Dit is wat we hebben. Tomas heeft wel gezegd dat hij nog wel dingen wil toelichten. Misschien dat we, als we een bandrecorder hebben, dat we hem dan nog dingen kunnen laten vertellen en die er dan gewoon met zwartbeeld tussen zetten.’
“Alle vee is nu van de wei en alleen de bulldozer blijft buiten achter in de regen, die gaandeweg overgaat in natte sneeuw. Binnen is het behaaglijk tussen de dampende koeienlijven. Maar we praten niet zoals vroeger met voldoening na over de hele operatie, we rakelen niet eindeloos op hoe hachelijk het wel was en hoe wild ze waren en hoeveel geluk we hadden dat we de beesten weer in de stal kregen, nee. ‘Het boeren is bijna afgelopen,’ zegt mijn broer voor de zoveelste keer, met op zijn gezicht een mengsel van schrik en wrok. ‘Ze willen ons weg.’ ‘Nog lang niet,’ zeg ik. We zwijgen en kijken de stal rond, waarin het verval stilaan merkbaar wordt in de kromme buizen en roestige drinkbakken. De koeien zijn al gaan liggen, dicht bij elkaar, met hun zware koppen op elkaars buik. Ze kijken met glanzende ogen naar ons terug. Hun adem is zichtbaar als wolken stoom. De jonge vaarzen zitten nog vol onrust. Soms kunnen ze het niet houden van de schurft en schuren ze zich tegen de muren. Soms krommen ze hun rug en steken ze hun staart omhoog om pletsend te pissen en te schijten. Het spat tot op ons gezicht. ‘Brave beesten,’ zeg ik verkrampt, om hem te paaien. ‘Een mooi, gesloten en gezond zoogkoeienbedrijf, wat wil een boer nog meer?’ ‘Ze hebben de schijterij,’ zegt hij. ‘En de boerderij draait niet meer."
Chris De Stoop (Sint-Gillis-Waas, 14 januari 1958)
“The chateau, as Yvette called what the Melroses called an old farmhouse, was built on a slope so that the drive was level with the upper floor of the house. A wide flight of steps led down one side of the house to a terrace in front of the drawing room. Another flight skirted the other side of the house down to a small chapel which was used to hide the dustbins. In winter, water gurgled down the slope through a series of pools, but the gutter which ran beside the fig tree was silent by this time of year, and clogged with squashed and broken figs that stained the ground where they had fallen. Yvette walked into the high dark room and put down the laundry. She switched on the light and began to divide the towels from the sheets and the sheets from the tablecloths. There were ten tall cupboards piled high with neatly folded linen, none of it now used. Yvette sometimes opened these cupboards to admire this protected collection. Some of the tablecloths had laurel branches and bunches of grapes woven into them in a way that only showed when they were held at certain angles. She would run her finger over the monograms embroidered on the smooth white sheets, and over the coronets encircling the letter ‘V' in the corner of the napkins. Her favourite was the unicorn that stood over a ribbon of foreign words on some of the oldest sheets but these too were never used, and Mrs Melrose insisted that Yvette recycle the same poor pile of plain linen from the smaller cupboard by the door.
* * * Eleanor Melrose stormed her way up the shallow steps from the kitchen to the drive. Had she walked more slowly, she might have tottered, stopped, and sat down in despair on the low wall that ran along the side of the steps. She felt defiantly sick in a way she dared not challenge with food and had already aggravated with a cigarette. She had brushed her teeth after vomiting but the bilious taste was still in her mouth. She had brushed her teeth before vomiting as well, never able to utterly crush the optimistic streak in her nature. The mornings had grown cooler since the beginning of September and the air already smelt of autumn, but this hardly mattered to Eleanor who was sweating through the thick layers of powder on her forehead. With each step she pushed her hands against her knees to help her forward, staring down through huge dark glasses at the white canvas shoes on her pale feet, her dark pink raw-silk trousers like hot peppers clinging to her legs.”
“When a captive lion steps out of his cage, he comes into a wider world than the lion who has known only the wilds. While he was in captivity, there were only two worlds for him - the world of the cage, and the world outside the cage. Now he is free. He roars. He attacks people. He eats them. Yet he is not satisfied, for there is no third world that is neither the world of the cage nor the world outside the cage.” (…)
“No one’s words can compete with this mercilessly powerful rain. The only thing that can compete with the sound of this rain, that can smash this deathlike wall of sound, is the shout of a man who refuses to stoop to this chatter, the shout of a simple spirit that knows no words.” (…)
“She drank like a drowning man helplessly swallowing sea water, in accordance with some law of nature. To ask for nothing means that one has lost one’s freedom to choose or reject. Once having decided that, one has no choice but to drink anything — even sea water…. Afterwards, however, Etsuko felt none of the nausea of a drowning person. Until the moment of her death, it seemed, no one would know she was drowning. She did not call out — she was a woman bound and gagged by her own hand.”
Yukio Mishima (14 januari 1925 - 25 november 1970)
« You are a historian, Nah. You should document my role in the revolution. I want you to demonstrate my sacrifices and contributions. Yes, you can do it. Forget about what your father will think about you. He is dead. I wonder what's happened to his ghost. I wonder if it rests in its grave. Watch out for his shadow. The hands to strangle me are creeping up fast. I can feel them at my throat. That's why I am telling you this. I am not afraid of death if I know my spirit will live through the tip of your fountain pen to the lips of the people, generations to come. Tell the world the story of a heroine. If you can't print your manuscript in China, take it outside. Don't let me down. Please. You are not a heroine, Mother! I hear my daughter fire back. You are a miserable, mad and sick woman. You can't stop spreading your disease. Like Father said, you have dug so many graves that you don't have enough bodies to lay in them! Their dinner has turned cold. Nah stands up and kicks away her chair. Her elbow accidentally hits the table. A dish falls. Breaks. Pieces of ceramics scatter on the floor. Grease splatters on the mother's shoe. You have killed me, Nah. Madame Mao suddenly feels short of breath. Her hand grips the edge of the table to prevent herself from falling. Pretend that you never had me, Mother. You can't disown your mother!"
“Herr Balaban und seine kleine Tochter Selda kamen auf dem Bahnhof einer fremden Stadt an. „Entschuldigen Sie bitte“, sprach Herr Balaban einen Mann an, „was halten Sie von der Ausländerfrage?“ „Oh“, sagte der Mann, „ich bin unseren ausländischen Mitbürgern sehr dankbar, dass sie uns die schweren Arbeiten abnehmen, die niemand sonst machen will.“ „Vielen Dank!“ sagte Herr Balaban, und wandte sich an einen anderen: „Verzeihen Sie, was halten denn Sie von der Ausländerfrage?“ Der Mann sagte: „Wissen Sie, ich finde, dass unsere ausländischen Mitbürger frische Farben in das Bild unserer Stadt bringen und unsere Kultur mit neuen Impulsen bereichern!“ „Danke schön“, sagte Herr Balaban und wandte sich an einen dritten Mann: „Was bitte, halten Sie von der Ausländerfrage?“ „Also wenn Sie mich fragen, mir wär’s lieber, wenn die alle zu Hause bleiben und uns in Ruhe lassen würden!“ „Oh“, strahlte Herr Balaban, „endlich ein ehrlicher Mensch. Würden Sie bitte einen Moment auf unsere Koffer aufpassen? Ich muss die Kleine da aufs Klo bringen!“
Kent gij het land, waar hoog de ceder wies? een adem Gods door ’t moerbeiboomdal blies? van ’t eêlste bloed de bruine druifrots zwol? de olijftak glom, van malse koornen vol? Kent gij dat land? daarheen, daarheen, o leidsman mijner vaadren! voer mijn schreên!
Kent gij de stad? Haar hoog en heerlijk huis maalde, eeuwen door, bij palm- en lofgeruis, met offerbloed, in ’t heiligdom gebracht, de Redder af, door eigen volk geslacht. Verstrooide schaar, daarheen, daarheen! de Rijkstad ligt niet voor altoos vertreên.
Kent gij het volk? Zijn doden leven weer, Zijn stammen gaan weer opwaart, God ter eer. Zijn oog aanschouwt wiens hart zijn misdrijf brak. Vergeving stroomt uit d’ ader, die ’t doorstak. Daarheen, o aard, de blik! daarheen Uw heil vangt aan bij ’t einde zijner weên!
De Duitse schrijver en vertaler Andreas Steinhöfelwerd geboren op 14 januari 1962 in Battenberg. Steinhöfel groeide met twee broers op in de Hessische stad Biedenkopf en volgde daar een gymnasiumopleiding. Hij begon vervolgens aan de studie biologie en Engels om leraar te worden, maar stapte na een lange stage over op Engels, Amerikaans en media studies aan de universiteit van Marburg. Hij maakte vijf jaar deel uit van de Engelse drama groep van de faculteit Engels. Na zijn afstuderen verscheen in 1991 zijn eerste (jeugd-)boek “Dirk und ich”. Als winnaar van de Alice Salomon Poëzieprijs in 2013 had hij een daaraan verbonden leeropdracht van de Berlijnse Alice Salomon Fachhochschule. Als “Poet in Residence“ hield hij in het wintersemester 2014/2015 aan de Universiteit van Bielefeld een serie lezingen. Tot zijn bekendste boeken behoort “Paul Vier und die Schröders” (1992), dat is uitgegroeid tot standaardlectuur aan Duitse scholen. De verfilming van het boek won in 1995 de Duitse kinderfilmprijs. Bij adolescenten is vooral zijn roman “Die Mitte der Welt” populair, die onder meer voor de Duitse Jeugdliteratuur Prijs genomineerd werd, evenals het quasi-vervolg “Defender – Geschichten aus der Mitte der Welt”. Onder zijn vertalingen bevinden zich naast boeken van Jerry Spinelli, Roddy Doyle, Lois Lowry, Paul Shipton en Kate Walker ook vertalingen van de twee bekendste werken van Susan E. Hinton, “The Outsiders” en “Rumble Fish”. Als scenarist schreef Andreas Steinhöfel o.a. 40 afleveringen van de Käpt’n Blaubär Club (1993-1994 voor WDR / ARD) en 5 afleveringen van de kinderen serie Urmel aus dem Eis (1994 WDR / ARD), In 2009 kreeg hij voor zijn boek “Rico, Oskar und die Tieferschatten” de Duitse Jeugd Literatuur Prijs in de categorie kinderboeken. De gelijknamige film kwam in juli 2014 in de Duitse bioscopen. Andreas Steinhöfel was tot aan diens dood in 2009 de levensgezel van de bekende Berlijnse DJ Gianni Vitiello.
Uit: Die Mitte der Welt
„Ich liege matt auf meinem Bett, als das Telefon klingelt. Die Julihitze hat mich erschlagen, sie kriecht selbst bei Nacht durch die Zimmer und Flure wie ein müdes Tier, das nach einem Schlafplatz sucht. Ich weiß, wer der Anrufer ist, weiß es seit drei Wochen. Kat - eigentlich Katja, aber bis auf ihre Eltern und einige Lehrer gibt es niemanden, der sie bei ihrem vollen Namen nennt - ist aus dem Urlaub zurück. "Ich bin wieder da, Phil!", schreit sie am anderen Ende der Leitung. "Unüberhörbar. Wie war's?" "Ein Albtraum, und hör auf zu grinsen, ich weiß, dass du das gerade tust! Ich bin total elterngeschädigt, und die Insel war ein verdammtes Dreckloch, du kannst es dir nicht vorstellen! Ich will dich sehen." Ich blicke auf die Uhr. "In einer halben Stunde auf dem Schlossberg?" "Ich wäre gestorben, wenn du keine Zeit hättest." "Willkommen im Club. Ich hab mich in den letzten drei Wochen fast zu Tode gelangweilt." "Hör zu, ich brauche länger, ungefähr eine Stunde? Ich muss noch auspacken." "Kein Problem." "Ich freu mich auf dich ... Phil?" "Hm?" "Ich hab dich vermisst." "Ich dich nicht." "Dachte ich mir. Arschloch!" Ich lege den Hörer auf, bleibe auf dem Rücken liegen und blinzele eine Viertelstunde lang das blendende Weiß der Zimmerdecke an. Zypressenduft wird vom Sommerwind in Wellen durch die geöffneten Fenster getrieben. Dann wälze ich mich aus dem verschwitzten Bett, greife nach Boxershorts und T-Shirt und tapse auf knarrenden Dielen durch den Flur in Richtung Dusche. Ich hasse das Badezimmer auf dieser Etage. Der Rahmen der Tür ist verzogen, man muss sein ganzes Gewicht dagegen stemmen, um sie zu öffnen. Dahinter wird man von zersprungenen schwarzen und weißen Kacheln, von Rissen in der Decke und rieselndem Putz begrüßt. Das veraltete Leitungssystem benötigt drei Minuten, bis es endlich Wasser liefert; im Winter ist der daran angeschlossene rostige Boiler nur durch heftige Fußtritte dazu zu bringen, sich entnervend langsam aufzuheizen. Ich drehe den Wasserhahn auf, lausche dem vertrauten asthmatischen Pfeifen der Leitung und bedauere nicht zum ersten Mal, dass Glass sich nie mit einem Klempner eingelassen hat. "Wegen der Rohrleitungen?", hat sie erstaunt gefragt, als ich sie irgendwann auf die praktischen Möglichkeiten einer solchen Liaison angesprochen habe. "Wofür hältst du mich, Darling - für eine Nutte?“
“I'd been afraid I wouldn't feel anything when Brice finally died-but my body did all the feeling for me. It took over. My knees buckled, I lost my balance, tears spurted from my eyes. I staggered in the sunlight and nearly fell and had to be held up by Laurent and his lover. Everything I'd lived through in the last five years had changed me-whitened my hair, made me a fat, sleepy old man, matured me, finally, but also emptied me out. I met Brice five years before he died-but I wonder whether I'll have the courage to tell his story in this book. The French call a love affair a "story," une histoire, and I see getting to it, putting it down, exploring it, narrating it as a challenge I may well fail. If I do fail, don't blame me. Understand that even writers, those professional exhibitionists, have their moments of reticence. Strange that I should be living here, in Paris. Ever since I'd been a child, an imaginary Paris had been the bright planet pulsing at the heart of my mental star map, but the one time I'd gone to Paris I had been dressed in a horrible shiny blazer and everyone in the cafés had laughed at me. I said to a French acquaintance as we left the Flore, "I know I'm being paranoid," but he said matter-of-factly, "No, they are laughing at you." A sign in the tailor shop window off the Boulevard St.-Germain warned that customers would not be allowed more than three fittings after the purchase of a suit and my mind winced at this proof of shameless male vanity, so exotic to an American since Americans equated male vanity with effeminacy or Mafia creepiness. The year was 1968 and stylish young American men back home were wearing fringe and puffy-sleeved pirate shirts, headbands, mirrored vests and winklepicker boots, but the materials were synthetic, the colors garish, the fit very approximate and the mood one of dressing up. Orange and black were popular colors. The long Mardi Gras of that decade in the States was a mockery of traditional good taste, a send-up of adult propriety, the recklessness of a generation that would never settle down long enough to study the fine gradations with which quality, and especially beauty, begin. And if the mood was festive, the festivity seemed more a gesture defying parental drabness than an assertion of a new-born hedonism. A true search for pleasure is an exacting science and is born from a profound interest in raglan versus fitted sleeves and in the precise arc a weighted hem on the bias will describe."
Edmund White (Cincinnati, 13 januari 1940) Hier met partner Michael Carroll (links)
„Aber diese Nummer gehört jemand anderem!“ Unmöglich, antwortete sie. Da gebe es – „Sicherungen, ich weiß! Aber ich bekomme ständig Anrufe für ... Wissen Sie, ich bin Techniker. Ich weiß, daß sich bei Ihnen dauernd Leute melden, die von nichts eine Ahnung haben. Aber ich bin vom Fach. Ich weiß, wie man -“ Sie könne gar nichts tun, sagte sie. Sie werde sein Anliegen weiterleiten. „Und dann? Was passiert dann?“ Dann, sagte sie, werde man weitersehen. Aber dafür sei sie nicht zuständig. An diesem Vormittag konnte er sich nicht auf die Arbeit konzentrieren. Seine Hände waren zittrig, und in der Mittagspause hatte er keinen Hunger, obwohl es Wiener Schnitzel gab. Die Kantine hatte nicht oft Wiener Schnitzel, und normalerweise freute er sich schon am Tag vorher darauf. Diesmal jedoch stellte er sein Tablett mit dem halbvollen Teller in die Stellage zurück, ging in eine stille Ecke des Eßsaals und schaltete sein Telefon ein. Drei Nachrichten. Seine Tochter, die vom Ballettuntericht abgeholt werden wollte. Das überraschte ihn, er hatte gar nicht gewußt, daß sie tanzte. Ein Mann, der um Rückruf bat. Nichts an seiner Nachricht verriet, wem sie galt: ihm oder dem anderen. Und dann eine Frau, die ihn fragte, warum er sich so rar machte. Ihre Stimme, tief und schnurrend, hatte er noch nie gehört. Gerade als er ausschalten wollte, läutete es wieder. Die Nummer auf dem Bildschirm begann mit einem Pluszeichen und einer zweiundzwanzig. Ebling wußte nicht, welches Land das war. Er kannte fast niemanden im Ausland, nur seinen Cousin in Schweden und eine dicke alte Frau in Minneapolis, die jedes Jahr zu Weihnachten ein Foto schickte, auf dem sie grinsend ihr Glas hob. Auf die lieben Eblings stand auf der Rückseite, und weder er noch Elke wußte, wer von ihnen eigentlich mit ihr verwandt war. Er hob ab.“
“Corrine had become a connoisseur of guilt; not for her the stabbing thrust of regret for an ill-conceived act—but, rather, the dull and steady throb of chronic guilt, even as she'd done her best to rearrange her life around her kids, quitting her job to take care of them and, over the past two years, working highly flexible hours on a screenplay and on a project that was the obverse of a busman's holiday—a start-up venture called Momtomtom.com, which had been on the verge of a big launch this past spring, when the Internet bubble started to deflate and the venture capital dried up. This afternoon, she'd spent four hours making a presentation to a possible backer, hustling for seed money for the Web site. As these prospects dimmed, she'd been trying to set up meetings on the screenplay, an adaptation of Graham Greene's The Heart of the Matter. And here were the theoretical bookends of her existence, the maternal and the romantic—the latter submerged and almost extinct. In fact, that had been her secret intention in writing this script: to try to rekindle the romance and fan it back to life. Corrine hadn't wanted to be one of those mothers who paid someone else to raise her kids; for the first five years, to the astonishment of her friends and former colleagues, she'd stayed at home. Manhattan was an existential town, in which identity was a function of professional accomplishment; only the very young and the very rich were permitted to be idle. The latter, like her friend Casey Reynes, had their charities and their personal assistants and inevitably managed to convey the impression that all this constituted an exhausting grind. Russell had initially supported her maternal ideal, though, as the years went by and their peers bought vacation homes in the Hamptons, he couldn't consistently disguise his resentment over their straitened finances, or his sense that his stay-at-home wife had become translucent, if not invisible, within the walls of their loft—a nanny without salary.“
“We sit beside people who show us wallet pictures of their children. "Sont-ils si mignons!" I say. My husband constructs remarks in his own patois. We, us, have no little ones. He doesn't know French. But he studied Spanish once, and now, with a sad robustness, speaks of our childlessness to the couple next to us. "But," he adds, thinking fondly of our cat, "we do have a large gato at home." "Gâteau means 'cake,' I whisper. "You've just told them we have a large cake at home." I don't know why he always strikes up conversations with the people next to us. But he strikes them up, thinking it friendly and polite rather than oafish and irritating, which is what I think. Afterward we always go to the same chocolatier for whiskey truffles. One feels the captured storm in these, a warm storm under the tongue. "What aggrandizement are we in again?" my husband asks. "What 'aggrandizement'?" I say. "I don't know, but I think we're in one of the biggies." My husband pronounces tirez as if it were Spanish, père as if it were pier. The affectionate farce I make of him ignores the ways I feel his lack of love for me. But we are managing. We touch each other's sleeves. We say, "Look at that!," wanting our eyes to merge, our minds to be one. We are in Paris, with its impeccable marzipan and light, its whiffs of sewage and police state. With my sore hip and his fallen arches ("fallen archness," Daniel calls it), we walk the quais, stand on all the bridges in the misty rain, and look out on this pretty place, secretly imagining being married to other people—right here in River City!—and sometimes not, sometimes simply wondering, silently or aloud, what will become of the world.”
The current crop of young directors approach the cinema with a strength and desire unknown to most of their elders. I can sense this in their work—films neither the industry nor the public demanded, and which exist only because of the determination of their makers. Once they are made, however, their necessity becomes fully apparent. This is most likely not the result of some new development, since the history of the cinema, no less than History itself, consists of what Vico referred to as ‘corsi e ricorsi’. And yet how to describe, if not with the word ‘new’, certain images and forms of behaviour that evoke a whole country and its people as if they were being filmed for the first time? When I saw Lucrecia Martel’s La ciénaga (The Swamp, 2001) in Paris, I was struck, not by the dysfunction of the provincial bourgeois family, but by the skill with which this first-time director choreographed the movements of the various characters within her frame; and by the film’s setting—a country house or holiday home, where the beds are never made, where children come and go from the swimming pool without wiping their feet. Then there is the delicate evocation of the pains of adolescent love, experienced above all in what is left unsaid, a transgression to which we cannot yet put a name. Filming 1,200 miles north of Buenos Aires in Salta province, Martel did not choose the picturesque scenery to the west—mountains, crystalline rocks eroded to fantastical forms—but opted instead for the low jungle and muggy atmosphere of the east. (Hence the frequent talk in the dialogue, so exotic to porteño ears, of going shopping in Bolivia, ‘where it’s better value for money’).”
Edgardo Cozarinsky (Buenos Aires, 13 januari 1939)
Uit: Persian Is Sugar (Vertaald door Heshmat Moayyad en Paul Sprachman)
“The attendants locked the door from the outside and left me to my fate. Earlier, as I was leaving the ship, going ashore on the tender, I had learned from bits and pieces of people’s conversations with the boatmen, that the shah and the Assembly were at loggerheads once more and that a new wave of arrests and imprisonment had begun.* The capital had decreed that travelers were to receive special scrutiny. Clearly, this was what was behind the arrests-especially when you consider that a supernumerary had arrived that morning from Rasht expressly for this purpose. In order to display his utility, his talent, and his expertise, he was making good and bad suffer alike and turning on the defenseless like a mad dog. In the meantime, he had even displaced the hapless provincial governor and was paving the way for his own administration of Enzeli: reports of his services had been keeping the telegraph lines between Enzeli and Tehran busy every minute since morning. I was so dismayed at first that I could barely see, but, as I gradually got used to the darkness, I sensed that I wasn’t the only guest in the cell. I first noticed one of those notorious “Western-oriented gentlemen” who will serve as monuments to coddling, idiocy, and illiteracy in Iran until the Resurrection, and who will surely keep audiences rolling in the aisles oflocal theaters (I hope the devil’s not listening) for another century. My lVogT companion was perched in an arched alcove wearing a collar as tall as a samovar chimney and, from the black smoke of some Caucasus diesel train, as sooty. Pinched by the collar, which propped up his neck like a pillory, he was immersed in a French novel, reading in the light and shadow of the cell.”
Mohammad- Ali Jamālzādeh (13 januari 1892 - 8 november 1997)
Dearest, today I found A lonely spot, such as we two have loved, Where two might lie upon Favonian ground Peering to faint horizons far-removed:
A green and gentle fell That steepens to a rugged canyon's rim, Where voices of vague waters fall and swell And pines far down in sky-blue dimness swim.
Toward the sunset lands, A leafless tree, from tender slopes of spring, Holds out its empty boughs like empty hands That vainly seek some distance-hidden thing.
Strange, that my wandering feet, In all the years, had never known this place, Where beauty, with a glamor wild and sweet, Awaits the final witchcraft of your face.
Upon this secret hill I gave my dark bereavement to the sun, My sorrow to the flowing air . . . until Your tresses and the grass were somehow one,
And in my prescient dream I seemed to find An unborn joy, a future memory Of you, and love, and sunlight and the wind On the same grass, beneath the selfsame tree.
Clark Ashton Smith (13 januari 1893 – 14 augustus 1961)
Tags:Edmund White, Daniel Kehlmann, Jay McInerney, Lorrie Moore, Jan de Bas, Edgardo Cozarinsky, Mohammad- Ali Jamā,lzā,deh, Clark Ashton Smith, Romenu
De Amerikaanse schrijver Michael Carroll werd geboren in 1965 en groeide op in een wijk van Fort Caroline (nu Jacksonville), Florida. Hij verliet Jacksonville in de vroege jaren '90 om twee jaar te dienen bij het Peace Corps, eerst in Jemen, toen in de Tsjechische Republiek. Daarna verbleef hij weer een jaar in Jacksonville voordat hij naar Parijs trok om met de schrijver Edmund White, die hij zes maanden eerder op een reis had ontmoet te gaan samen wonen. Een paar jaar later verhuisden ze naar Princeton, New Jersey, daarna naar New York. Nadat ze vanaf 1995 partners waren geweest trouwde het stel in 20013. Carroll debuteerde met de verhalenbundel “Little Reef and Other Stories” in 2014. De bundel werd genomineerd voor de shortlist voor de Lambda Literary Award for Gay Fiction. Zijn korte verhalen zijn ook verschenen in Ontario Review, Boulevard en The New Penguin Book of Gay Short Stories.
Uit: After Memphis (Little Reef and Other Stories)
““My brother Jeff called. I’m not even sure why I answered, seeing on the landline’s display who it was, or at least recognizing the area code and the prefix of the number, though of course I was expecting him to call any day, any week, since I had heard from our mother that he’d broken up with his new girlfriend, after getting cold feet about divorcing his wife Deanne. I had not met the new girlfriend, Terri, now the new ex-girlfriend. Jeff still had a touch of the guilt, I could hear in his voice, but I could also discern a gratifying exasperation with Deanne. She had taken thirty hard years out of Jeff, bankrupted him, and was now daring him to follow through by hiring a second, more aggressive lawyer-whose services he was paying for. To top it off, the case was complicated by the fact that before he could finally be cut loose, my brother first had to settle up with the banks. I didn’t know much else except that he wasn’t expected to pay every cent of debt she’d rung up on the credit cards, just a big chunk of it. No doubt, Deanne’s pride had been hurt, because after all she was the one being left. Oh yes, Jeff said, Deanne was now officially pissed. “But after the hundred and ten thousand,” he said, “how the fuck could she question it?” That was new, the f-word. I hadn’t heard that or any other cussing out of Jeff ’5 mouth in thirty years. Of course I sympathized, but I couldn’t let on too strongly, not yet. I’d been highly supportive of their union then the shotgun wedding when we were in high school. But Deanne, really, over time she’d taken the cake. She’d raised and homeschooled three kids, but when you don’t work and your husband’s a firefighter, you really had to rein in the indulgences, and she had been quite indulgent, denying those kids nothing in the way of clothes and gadgets and meals out at Wagon Wheel and TGI Friday’s. I was finishing the cold coffee left in my Grumpy mug from Disneyland Paris and feeling seized upon and getting low on blood sugar as he dived right into all this and told me something none of us had ever known: that he’d always put Deanne in charge of the monthly bill paying. He was still getting to the bottom of how many cards were involved. “But this,” he said, “I take partial, no, the lion’s share of responsibility for. I was an idiot, so I guess that’s what I get for my willful ignorance. Having to work three jobs to get untangled from responsibilities I take very seriously. I’ll be under the fucking water for a long-ass time.”
Cees van der Pluijm, David Mitchell.Jacques Hamelink, Kamiel Verwer, Haruki Murakami, Jakob Lenz, Fatos Kongoli
De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Cees van der Pluijm overleed op 14 december jongstleden op 60-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.
Uit: Momenten
1960
Je ging er eerst eens met je vader kijken Naar het gebouw en naar de weg erheen Je moest per slot maar zien dat je er kwam
Je kreeg een tas, wat geld, een boterham Je was pas zes, moest haasten, mocht niet wijken Een hele tippel voor een kind alleen
Je stapte uit de bus en koos je pad Je wandelde parmantig door de stad
Het leek haast of het vanzelfsprekend was – Maar eenzaam was het, en een bange reis De wereld zou nog lang je vijand blijven
Je zou bij juffrouw Broenink leren schrijven Gekortwiekt keurig zittend in de klas Voorgoed verdreven uit het paradijs
Uit: Portretsonnetten
2 Hij voelt zich als een lang vergeten jas Die aan een lege kapstok bleef, alleen Steeds meer alleen en zelden nog eens beet Bij 't sluitingsuur van deez' of gene tent
De jeugd werd almaar jonger om hem heen En hij steeds meer een afgeleefd karkas
Hij heeft de barricaden nog gekend Hij stond er bovenop destijds en streed De goede strijd; er bleef hem bijna geen Die weet wat vechten voor je rechten was
Hij rolt er nog maar een en kijkt absent Met lege ogen naar het volle glas
Ze zeggen, op den duur, dat alles went Zelfs hangen ja, wanneer je dat maar weet
4
Hij neemt nog steeds haar foto met zich mee En telkens weer als hij zijn portemonnee Gebruikt, kijkt zij hem stralend lachend aan: Beschermengel en eeuwig goede fee
En thuis ziet hij haar oude spullen staan Hij heeft er nog niet dát van weggedaan Nog steeds dezelfde bril op de wc Dat geeft een warm gevoel bij 't zitten gaan
Zijn vrienden zeggen: "Zet haar van je af 't Is ongezond, het leven gaat toch door?" En dat is waar, maar staat hij bij haar graf Dan klinkt haar stem weer dwingend in zijn oor:
"Mijn jongen laat zijn moeder niet alleen" Blijf mij nabij staat smekend op haar steen
Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014) Hier met Robert Long (links), eind jaren 1990
“Thursday, 7th November – Beyond the Indian hamlet, upon a forlorn strand, I happened on a trail of recent footprints. Through rotting kelp, sea cocoa-nuts & bamboo, the tracks led me to their maker, a white man, his trowzers & Pea-jacket rolled up, sporting a kempt beard & an outsized Beaver, shovelling & sifting the cindery sand with a tea-spoon so intently that he noticed me only after I had hailed him from ten yards away. Thus it was, I made the acquaintance of Dr Henry Goose, surgeon to the London nobility. His nationality was no surprise. If there be any eyrie so desolate, or isle so remote that one may there resort unchallenged by an Englishman, ’tis not down on any map I ever saw. Had the doctor misplaced anything on that dismal shore? Could I render assistance? Dr Goose shook his head, knotted loose his ’kerchief & displayed its contents with clear pride. ‘Teeth, sir, are the enamelled grails of the quest in hand. In days gone by this Arcadian strand was a cannibals’ banqueting hall, yes, where the strong engorged themselves on the weak. The teeth, they spat out, as you or I would expel cherry stones. But these base molars, sir, shall be transmuted to gold & how? An artisan of Piccadilly who fashions denture-sets for the nobility pays handsomely for human gnashers. Do you know the price a quarter pound will earn, sir?’ I confessed I did not. ‘Nor shall I enlighten you, sir, for ’tis a professional secret!’ He tapped his nose. ‘Mr Ewing, are you acquainted with Marchioness Grace of Mayfair? No? The better for you, for she is a corpse in petticoats. Five years have passed since this harridan besmirched my name, yes, with imputations that resulted in my being blackballed from Society.’ Dr Goose looked out to sea. ‘My peregrinations began in that dark hour.’ I expressed sympathy with the doctor’s plight. ‘I thank you, sir, I thank you, but these ivories,’ he shook his ’kerchief, ‘are my angels of redemption. Permit me to elucidate. The Marchioness wears dental-fixtures fashioned by the aforementioned doctor.”
Uit:Ranonkel of de geschiedenis van een verzelving
“Evarist Schouwvagher, een kleine beweeglijke muisachtige man, gepensioneerd brievenbesteller, had savonds als naar gewoonte de opvallend talrijke planten die de vensterbanken van zijn huis vulden water gegeven en toen niets maar dan ook niets bijzonders gemerkt. Hij had een paar verdorde bladeren weggeplukt hier en daar, in de huiskamer het raam opengezet, zodat de planten volop de zoele sterkende nachtlucht konden inademen en had daarna de slaap des gerusten geslapen, een slaap die hem sedert de dood van zijn kijfachtige en gemelijke wederhelft na tweeënveertig kinderloos gebleven huwelijksjaren sinds een half jaar ten deel gevallen was. Voor haar dood had hij rust noch ruimte gehad in huis. Zelfs snachts niet, wanneer hij naast haar lag, een muis naast een luidruchtig en onafgebroken trompetterende olifant, voortdurend bijna daardoor doodgedrukt ondanks de kapaciteit van het ledikant. Al spoedig na hun trouwen was de lichaamsomvang van zijn vrouw gaan toenemen. Aanvankelijk had ze gedaan wat ze kon om af te slanken. Maar diëten, lange wandelingen buiten de stad, in zijn gezelschap, niets had gebaat. Ze was steeds dikker geworden. En onbeweeglijker. Ze vulde het hele huis met haar weke warme brijïge vleesmassa's, met haar op den duur kalm geworden gekijf Evarist achtervolgend waar hij zich bevond, bezig met de was, met het lappen van de ramen, met het toebereiden van de maaltijden, kortom met al die dingen die ze met het tot in het ongeloofwaardige uitdijen van haar lichaamsvolume had opgegeven, rustig en niet zonder genotzuchtigheid. Van een arts had ze nooit willen weten. Haar dikte was geen ziekte beweerde ze maar een eigenaardigheid van haar konstitutie, zodat niemand er iets aan zou kunnen veranderen. Vaak had Evarist het idee gehad dat ze eigenlijk zeer gesteld was op haar ongewone proporties, dat ze er prat op ging, dat ze haar de kans gaven zich superieur te voelen aan mensen van normale omvang, die ze met een soort half honend medelijden placht te bejegenen, als lieden die het immers niet konden helpen dat ze, ofschoon volwassen en geheel uitgegroeid, schriel en mager gebleven waren, met een dunne laag vlees bedekte skeletten.”
De eenzaamheid is als een regen die stijgt van de zee de avonden in en van vlakten, die onbewoond zijn en afgelegen gaat ze naar de lucht, waar ze ademen kan en pas dan valt ze over de stad
regent ze neer in de duistere uren, en als morgen in de bochten van alle straten de lijven, die zinloos duren teleurgesteld in treurnis elkaar maar blijven haten en toch in één bed slapen met z'n twee
Uit: De olifant verdwijnt (Vertaald door Jacques Westerhoven)
“De TV People lijken er hoegenaamd niet in geïnteresseerd om een uitzending te ontvangen. Ze maken ook niet de minste aanstalten om naar de antenneaansluiting te gaan zoeken. Het scherm blijft wit, het beeld blijft uit, maar het stoort ze in het geheel niet. Zolang het knopje maar op ‘Aan’ staat, is hun doel bereikt. Het is een nieuw toestel. Het zat wel niet in een doos, maar ik zie meteen dat het spiksplinternieuw is. De handleiding en het garantiebewijs zitten in een plastic zakje met plakband aan de zijkant vastgekleefd. Het snoer glimt glad als een pasgevangen vis. De drie TV People bekijken het witte scherm van allerlei standpunten in de kamer, alsof ze het aan een grondige keuring onderwerpen. Een van hen gaat naast me zitten om zich er met eigen ogen van te overtuigen hoe goed je het beeld kunt zien vanuit mijn huidige positie. Het toestel staat met het scherm recht naar me toe. De afstand is ook precies goed. Dat lijkt hen tevreden te stellen. Ze ademen helemaal zo’n sfeertje uit van: Hebben wij dat karweitje even goed geklaard? Een van de TV People (degene die naast me was komen zitten om naar het beeld te kijken) legt de afstandsbediening op tafel. Intussen heeft geen van de TV People ook maar een woord gesproken. Ze gaan precies en ordelijk te werk, dus waarom zouden ze ook? Elk van de drie volbrengt de hem opgelegde taak met de grootste, allergrootste efficiëntie. Ze zijn handig. Ze werken door. Ze doen hun werk in de kortst noodzakelijke tijd. Op het allerlaatst pakt een van hen de klok die al die tijd op de vloer heeft gestaan en zoekt de kamer rond naar een geschikt plekje. Uiteindelijk geeft hij het op en zet de klok maar terug op de vloer. Daar gaat hij gewoon door met het zware aftellen van de tijd: Trrp qu sjaoes trrp qu sjaoes. Onze flat is vrij klein, en met al mijn boeken en de papieren van mijn vrouw hebben we nauwelijks plaats om onze voeten neer te zetten. Ik struikel vast een keer over die klok, denk ik met een zucht. Dat kan niet missen. Wedden dat ik er mijn tenen tegen stoot?”
Die erste Frühlingspromenade Der Baum, der mir den Schatten zittert, Der Quell, der mir sein Mitleid rauscht, Der Vogel, der im Baume zwittert, Und, ob ich ihn auch höre, lauscht; Die ganze freundliche Natur Nimmt mich umsonst in ihre Kur.
Die Weisheit, strengen Angesichtes Und guten Herzens, aber kalt, Lacht meines glühenden Gedichtes Von Liebe - und doch glaubt sie's bald; Will mich entzaubern, trösten mich, Bezaubert und verirret sich.
Die Schöne, die auf jungen Rosen Des liebesbangen Maien liegt, Von der, dem Kummer liebzukosen, Mir Blick und Wunsch entgegen fliegt, Die schraubt mein mir entrücktes Herz Nur höher auf zu wilderm Schmerz.
Ach Phyllis! um gleich jenen Knaben In Sturmhaub' und Perück' und Stern, So froh die Fluren zu durchtraben, Müßt' ich von diesen weisen Herrn Die Kälte und die Blindheit haben; Müßt' ich, in meinem Selbst vergraben, Dich, Gottheit, nie gesehen haben; So hold, so nah mir - und so fern - -
Jakob Michael Reinhold Lenz (12 januari 1751- 24 mei 1792) Het slot van Seßwegen (Cesvaine) in Letland
Uit: The Loser (Vertaald door Robert Elsie en Janice Mathie-Heck)
“When the ship set sail and had reached the point where I couldn’t see the faces on deck any longer, I felt a lump in my throat. With my head between my hands, I was overcome by a long spell of sobbing. I didn’t realize right then that it had been years since I’d last cried. My soul was parched and I’d thought for a long time that nothing more on earth could move me to tears. Someone passing by put his hand on my shoulder and said not to worry, that there would be another freighter docking in the afternoon… I went back to my neighbourhood at dusk. No one had seen me leave and no one saw me come back. Dorian Kamberi’s departure with his family became known the next day. It wasn’t the subject of much talk. Some criticized him, some praised him, and others were jealous. I paid attention to the gossip like a thief who has taken part in a robbery and listens to the news of its discovery. For the first time in the forty years of my existence as a bachelor, I had a secret to guard. It was possibly the only secret that my town hadn’t found out about. And it would never have found out if I hadn’t decided to make this confession. No one would really have been surprised to learn that I’d gone and boarded a freighter to disappear from the face of the earth. But that I should make the tedious journey, get on the ship, and then disembark all of a sudden, no, no one would have believed that. Even Dori, if he’d actually heard what I said, would never have thought that I’d really get off. Maybe he figured that, with my usual sluggishness, I’d have been more of a burden to him than his family, and so he made no attempt to stop me.”