Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
20-09-2015
September (C. S. Adama van Scheltema)
Dolce far niente
September Afternoon door Joseph DeCamp, rond 1895
September
September blaas uw gouden vlammen Door al de wijde wereld heen! Blaas van nog boordevolle stammen Het kwijnend afval naar beneên! Begraaf ons in uw gulle goud, Tot ons ontstuimige verlangen Barst boven al uw wilde zangen En feest in al uw vruchten houdt!
September blaas uw witte buien Als blâren van een rozenstok! Blaas aan ons hart, tot het gaat luien Als de uit goud gegoten klok! Totdat ons hoofd zijn lichten draagt Als de aan uw goud ontstoken lampen, Tot straalt door al uw blinde dampen De dag, die uit uw donker daagt!
September blaas de hemel open! Blaas door de wolken wagenwijd! Tot onze harten overlopen Van ’t goud dat uit de hemel glijdt! Tot onze schoot uw licht bewaart, Tot wij de lichte wereld loven – Tot onze ogen gaan geloven Aan alle heerlijkheid op aard!
C. S. Adama van Scheltema (26 februari 1877 - 6 mei 1924)
“She was twenty-one when she’d first landed in L.A., and because of her exceptional looks, she could’ve easily followed the actress or modeling route. But that kind of career was not for her, she was after something more substantial. So what better plan than working toward eventually opening her own fitness studio? And since everyone in L.A. seemed to be obsessed with the way they looked, it was a business she could definitely tap into. She knew plenty about health and how to be in optimum shape — at least Gregg had taught her something. Best of all she was smart enough to realize that she could achieve her goal if she worked hard and didn’t allow herself to get caught up in the whole L.A. scene of recreational drugs, too many late-night clubs and endless parties. “Hey, beauty,” Dorian, a buff trainer with a Fabio-style mane of flaxen hair and several flamboyant tattoos, called out as she pulled on a fresh tank top. “That old dude of yours is gettin’ impatient. He’s mutterin’ obscenities under his breath.” “Oh God!” Cameron exclaimed. “That man is such a dud!” “Somebody needs to put him down,” Dorian warned. “And I do not mean in a good way.” “I’d love to,” Cameron quipped, hurrying toward the main workout area. “Only I suspect he’d get off on it.” “She’s so right,” Dorian agreed, tossing back his precious mane. Her un-favorite client, Mr. Lord, was indeed waiting. A bizarre figure in red-and-black bicycle shorts, stuffed with what could only be described as a fake penis; a Rat Pack T-shirt circa tour 1965; and a crooked slime-brown toupee perched jauntily on top of his head. He was the author of crap biographies, filled with information gleaned from newspaper files, all out-of-date and totally inaccurate. The celebrities he’d written about regarded him as a pathetic joke who couldn’t write his way out of a corner, but he kept on trying.”
Jackie Collins ( 4 oktober 1937 – 19 september 2015)
KOSENDES SCHWEIGEN ich schneide mir die fussnägel, reisse sie mir ein wie es einreisst und wehtut, dass immer mehr freunde hier wegwollen. sie ziehen mit dem herbst in die grossen städte. ich schreibe, doch was ich den freunden hinterherschreibe, macht den herbst nur noch schlimmer. und immernoch liegen mir zwanzig geschichten auf dem magen, die raus wollen. raus müssen, ein konglomerat aus kaffee und skizzen: wir waren, wir hatten, wir wollten. es geht nicht. ich streite mit der telephongesellschaft über die rechnung und muss mich immer wieder neu einwählen. jeden morgen ein kater aus halsschmerzen und zeitung. wo steht mein name. ich gugel ihn, die meisten der 34tausend einträge jedoch sind schnäppchen-angebote oder handeln von längst aus craussendorf ausgewanderten. ferne, sehr ferne verwandtschaft. der herbst hört gar nicht mehr auf, so scheints. ich frage mich. ich frage mich und gehe auf eine halbe stunde zu Walter. er brüht mir was auf, sehr heiss, aber so, dass ichs nicht verwenden kann für die lokalnachrichten. er weiss, wie man das macht. es gibt zupfkuchen und zigeunermusik, Bee Bee King und schokolade. eine neue bekanntschaft zu machen, gelingt nicht. die frau mit der unerhört tiefen stimme zwinkert vom nachbartisch her und kost einem burschen, der halb so alt ist wie ich, die locken. und küsst ihn und scattet ein paar zeilen an der musik aus den lautsprechern entlang. sie heisst Evelyn. angeblich.
URANUS II (Kometen) elephant melzow mix
op de golven van de nacht opgestegen (ik, (jouw sterdwaze adem ongrijpbaar: in de halfschaduw hemel (at mosfeer, maanstof, een ver uur nog, totdat de zon ons weer membraan maakt
Your face is the face of all the others before you and after you and your eyes calm as a blue dawn breaking time on time herdsman of the clouds sentinel of white iridescent beauty the landscape of your contesses mouth that I have explored keeps the secret of a smile like small white villages beyond the mountains and your heartbeats the measure of their ecstasy There is no question of beginning there is no question of possession there is no question of death face of my beloved the face of love.
My omhelsing het my verdubbel
My omhelsing het my verdubbel my borste roep na mekaar die twee kopspelende maats en my hande omsluit my geheime
in ’n kamer ver weg agter die gestorte herfs kyk jou oë verbaad na die spieël van jou lyf.
L’Art poetique
Om myself weg te bêre soos ’n geheim in ’n slaap van lammers en van steggies Om myself te bêre in die saluut van ’n groot skip Weg te bêre in die geweld van ’n eenvoudige herinnering in jou verdrinkte hande om myself weg te bêre in my woord.
Kon ik dit moment vast houden als sierkleur vlechten in het tapijt van mijn bestaan beitelen als ornament in mijn geheugen straks is het voorbij verdampt vervlogen geglipt door de vingers van de tijd speurend naar geluk omhelst ieder voor zichzelf één voorbij moment tot een volg end gebeuren die herinnering in felheid overtreft beleving wordt herinnering herinnering wordt fragment fragment vervaagt niets is veranderd niets verandert de cyclus loopt zijn baan
« On raconte en Perse qu‘un jour, par un temps de sécheresse tenace, très dure, une délégation vint trouver l'illustre Nasreddin Hodia, personnage très populaire dans tout le Moyen-Orient, pour lui demander s’il connaissait un moyen de faire venir la pluie. Bien sûr,dit-il,j'en connais un. Vite. Dis-nous ce qu'il faut faire. Nasreddin demanda qu‘on lui apportàt une bassine pleine d‘eau, ce qui fut fait. non sans grand-peine. Quand il eut la bassine, il ôta sa robe et, à l‘étonnement de tous, se mit tranquillement à la laver. Comment ! s'écria-t-on. Nous avons rassemblé toute l‘eau qui nous restait et toi tu t‘en sers pour laver ta robe! Ne vous inquiétez pas, répondit Nasreddin, je sais très bien ce que je fais. Il prit tout le temps nécessaire, malgré les insultes et les menaces. Il lave sa robe avec minutie, puis il dit : Il me faut maintenant une seconde bassine d‘eau. Les membres de la délégation crièrent encore plus fort ou trouver cette seconde bassine Et pour quoi faire? Avait-il donc perdu l‘esprit?"
Jean-Claude Carrière (Colombières-sur-Orb, 19 september 1931)
“A man and a girl approach, walking... Girl is hit by a bus. She regains consciousness. PORTMAN: Hello, Stranger. They're in the ER. He notices her going through his things. PORTMAN: Sorry. Looking for a cigarette. DAN: I've given up. PORTMAN: Thank you. PORTMAN: Gotta be somewhere? DAN: Work. PORTMAN: Mmm. DAN: Do you fancy my sandwiches? PORTMAN: Don't eat fish. DAN: Why not? PORTMAN: Fish piss in the sea. DAN: So do children. PORTMAN: Don't eat children either. PORTMAN: What's your work? DAN: I'm sort of a journalist. PORTMAN: What sort? DAN: I write obituaries. She moves over, offering him a seat. PORTMAN: Are we in for a long wait? He looks at an elderly lady. DAN: She was 21 when she came in.”
Patrick Marber (Londen, 19 september 1964) Natalie Portman (Alice) en Jude Law (Dan) in de film “Closer” uit 2004
„Rongai, den 4. Februar 1938 Meine liebe Jettel! Hol Dir erst mal ein Taschentuch, und setz Dich ganz ruhig hin. Du brauchst jetzt gute Nerven. So Gott will, werden wir uns sehr bald wiedersehen. Jedenfalls viel früher, als wir je zu hoffen wagten. Seit meinem letzten Brief aus Mombasa, den ich Dir am Tag meiner Ankunft schrieb, ist so viel passiert, daß ich immer noch ganz wirr im Kopf bin. Ich war nur eine Woche in Nairobi und schon sehr niedergeschlagen, weil mir jeder sagte, daß ich mich hier ohne Englischkenntnisse gar nicht erst nach einer Arbeit in der Stadt umzusehen brauchte. Ich sah aber auch keine Möglichkeit, auf einer Farm unterzukommen, wie das hier fast jeder tut, um erst einmal ein Dach über dem Kopf zu haben. Dann wurde ich vor einer Woche zusammen mit Walter Süßkind (er stammt aus Pommern) zu einer reichen jüdischen Familie eingeladen. Ich habe mir zunächst gar nicht viel dabei gedacht und nahm einfach an, die würden es hier auch nicht anders als meine Mutter in Sohrau halten, die ja immer irgendwelche armen Schlucker mit an ihrem Tisch sitzen hatte. Inzwischen weiß ich jedoch, was ein Wunder ist. Die Familie Rubens lebt schon seit fünfzig Jahren in Kenia. Der alte Rubens ist Vorsitzender der Jüdischen Gemeinde Nairobi, und die wiederum kümmert sich um die Refugees (das sind wir), wenn sie frisch ins Land kommen. Bei Rubens (fünf erwachsene Söhne) war man ganz außer sich, als herauskam, daß Du und Regina noch in Deutschland seid. Hier sieht man die Dinge ganz anders als ich zu Hause. Du und Vater hattet also ganz recht, als Ihr nicht wolltet, daß ich allein auswandere, und ich schäme mich, daß ich nicht auf Euch gehört habe. Wie ich später erfuhr, hat mich Rubens schrecklich beschimpft, aber ich konnte ihn ja nicht verstehen. Du kannst Dir gar nicht vorstellen, wie lange es gedauert hat, ehe ich kapierte, daß die Gemeinde für Dich und Regina die hundert Pfund für die Einwanderungsbehörden vorstrecken will. Mich hat man sofort auf eine Farm verfrachtet, damit wir alle drei erst mal eine Unterkunft haben und ich wenigstens etwas verdienen kann.“
Stefanie Zweig (19 september 1932 - 25 april 2014)
Uit: Furchtloser Agent der Wahrheit. Günter Wallraff über C. Meyer-Clason: "Portugiesische Tagebücher"
„Curt Meyer-Clason, ein Exportartikel deutscher Kulturpolitik: tatsächlich dürfte es ihn überhaupt nicht geben. Sieben Jahre leitet er das "Instituto Alemao" in Lissabon, eines der 115 bundesdeutschen Goethe-Institute. Er hat deutsche Interessen zu vertreten: beim Nato-Partner, in einem faschistischen Land. Aber Curt Meyer-Clason funktioniert nicht. Als er 1969 sein Amt antritt, erhält er guten Rat vom Vorgänger: "Keine Kolloquien bitte, keine Diskussionen, keine Auseinandersetzungen ... Bleiben Sie still in Ihrem Winkel, fallen Sie nicht auf" -- und er tut das Gegenteil. Unter Meyer-Clason wird das Deutsche Institut zu einem der geistigen Zentren des portugiesischen Widerstands gegen den Faschismus. Die deutsche Kolonie allerdings kann nicht auf ihn rechnen, zum großen Ärger der Botschaft. Abgehangenes Kulturerbe für schmarotzende Altnazis, Erbauung für die geschäftigen Salazaristen aus der Heimat wird nicht mehr geliefert. Meyer-Clason verachtet Diplomaten: "Ihr Leben heißt Akkuratesse, Noblesse, Adresse, Pointilesse ... Ihr Beruf heißt, ist Auftritt, Vorstellung, Darstellung, Schaustellung -- Verstellung." Er ist ein Literat und ein Demokrat, ein Mensch. Sein Anspruch: "Literatur und Kunst verherrlichen aber nicht das Bestehende, sie stellen es um des Künftigen willen in Frage. Das offizielle Portugal lebt ängstlich rückwärts. Will ich also die fortschrittlichen Kräfte beider Länder in einem Dialog zusammenbringen -- und ohne dies gibt es keine schöpferische Kulturarbeit -- muß ich eigene. womöglich gefährliche Wege gehen."
Curt Meyer-Clason (19 september 1910 – 13 januari 2012)
“When we were alone I stared at Arsinoe as at a stranger. Seeking the proper words with which to begin I impulsively spoke the wrong ones. "Aren't you ashamed to step half naked into the presence of a strange man?" "But you want me to dress simply," she protested. "Hundreds of times you have said that you cannot satisfy my small wants and that within these few days I have plunged you into debt for years to come with my excessive demands. Could I have dressed more simply than this?" As I opened my mouth to reply, she laid a restraining hand on my arm, bit her lip and said beseechingly, "No, Turms, don't speak before you have considered your words well, for I can stand no more." "You can stand no more!" I cried in amazement. "Precisely. Even the patience of a woman in love has its limits. During these days in Himera I have all too clearly realized that I cannot please you, try as I may. Ah, Turms, how could this have happened to us!" She flung herself onto the bed, buried her face in her arms and began to weep. Each sob wrenched my heart so that at length I began to wonder whether I was not, after all, the cause of all her misdeeds. Then, remembering Dorieus' averted gaze and Mikon's guilty face, I forgot Dionysius. The blood rushed to my head and I raised my hand to strike her. But the hand remained aloft, for I suddenly noticed the tempting helplessness of her beautiful body as it quivered under the sheer fabric. The natural result was that, with her arms around my neck, I again experienced one of those moments when all else faded and I seemed to be resting on a cloud with Arsinoe. Soon she roused herself and touched my damp forehead with cool fingers. "Why are you always so cruel to me, Turms, when I love you so madly?" Nor did her face belie her words. She spoke in all sincerity. "How can you say that?" I reproached her. "Aren't you ashamed to look at me with those clear eyes when I have just learned that you have been deceiving me with my two best friends." "That is not so," she protested, but her glance evaded mine. "If you really loved me--" I began and could go no farther, for anger and humiliation throttled the words."
Mika Waltari (19 september 1908 - 26 augustus 1979)
LONG time a child, and still a child, when years Had painted manhood on my cheek, was I, - For yet I lived like one not born to die; A thriftless prodigal of smiles and tears, No hope I needed, and I knew no fears. But sleep, though sweet, is only sleep, and waking, I waked to sleep no more, at once o'ertaking The vanguard of my age, with all arrears Of duty on my back. Nor child, nor man, Nor youth, nor sage, I find my head is gray, For I have lost the race I never ran: A rathe December blights my lagging May; And still I am a child, though I be old, Time is by debtor for by years untold.
Hartley Coleridge (19 september 1796 - 6 januari 1849) Gravure uit 1850
Armando, Ton Anbeek, Michaël Zeeman, Stephan Sarek, Omer Karel De Laey
De Nederlandse kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker Armando werd geboren op 18 september 1929 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 18 september 2010 en eveneens alle tags voor Armando op dit blog.
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was niemand weet wie ik zal zijn wie ik was u overschat mij ik ben radeloos ik was een ander
geef mij touwen bind mij vast dood mij niet ik ben onschuldig ik ben de vijand
Armando, Damals, 2010
Een tijdperk
Strenge stemmen verlaten de aarde, bezingen de razernij der dingen en het geween van bloeiende bloemen: de oogst van een roekeloos tijdperk.
Was het een offer op verlaten altaren? Het bleek een halsstarrig ademen.
Uit:Vestdijks beeld van de tweede wereldoorlog: ‘Pastorale 1943’ en ‘Bevrijdingsfeest’
“Niet alleen de beschrijvingen zijn ironisch. Even sterk is de ironie aanwezig in de plot van Pastorale. Want de aanslag op Poerstamper is het gevolg van een misverstand: Poerstamper is helemaal de verrader niet en dus wordt hij ten onrechte op zo omslachtige wijze om zeep geholpen. Er zijn andere ironieën: Cohen haast zich terug naar zijn onderduikadres, hij doet alle mogelijke moeite om op tijd bij de pont te komen - en dat terwijl de lezer weet dat hij op weg is naar zijn ondergang. Als een van de obstakels hem werkelijk de weg versperd had, zou hij te laat gekomen zijn voor zijn arrestatie. En ten slotte is er het wrange lot van Schults die meent gevangen genomen te zijn vanwege zijn verzetsdaden - pas later blijkt hij het slachtoffer geweest te zijn van een afgewezen vrouw. Door-en-door ironisch, noemde ik het boek, tot op de voorlaatste bladzij. Want daar gebeurt iets opmerkelijks. Eerst heeft Schults een gesprek met zijn broer, de gelauwerde S.S.-er. Die broer zegt: ‘“Dat je tegen ons bent, kan me niets schelen. Maar het zou me spijten, wanneer je aan die poppenkast van de illegaliteit meedeed. Ik heb in Rusland genoeg van de partizanen gezien om daar geen consideratie mee te hebben; en die dóén tenminste nog wat, hier is het alleen maar poppenkast”’ (p. 277). De illegaliteit als poppenkast; het lijkt een volmaakte typering van wat de lezer te zien heeft gekregen in de voorafgaande bladzijden: de knullige executie van de verkeerde, onbelangrijke persoon. Krijgt de S.S.-er daarmee het laatste woord over het verzet? Nee, in de meest letterlijke betekenis niet. In de laatste alinea blijkt dat Schults dóórgaat, ondanks het feit dat hij aan den lijve heeft ondervonden hoezeer het verzet een poppenkast kan wezen. Schults denkt: ‘Alles voor het vaderland, - zo was het nu eenmaal, men kon het niet korter en begrijpelijker zeggen: alles voor het vaderland; en omdat hij een halve Duitser was, was het zijn vaderland eerst recht, en mocht hij geen haarbreed afwijken van de weg, die iedere Hollander zou moeten gaan.’ Ondanks alle relativering kiest iemand hier voor het (onvolmaakte) verzet; juist omdat hij de tekortkomingen van de illegaliteit zo goed kent, is deze keuze opmerkelijk."
Ton Anbeek (18 september 1944) Scene uit de film “Pastorale 1943” uit 1978
Zij staan geschonden en verminkt en uit hun schedel drinkt een vogel regenwater. Zij zijn verwaarloosd tot een tuinbeeld en slechts voor wie dat kiest een monument.
Er zit iets radeloos in een natuurbeschrijving en elke uitgeschreven wandeling krijgt voortaan de armzaligheid van bermtoerisme mee. Niet in de wind, niet in de heuvels, wat kunnen mij die dieren, die rivieren schelen.
En dan die puzzelaars van bijgelovig toeval die sprokkelend van woordbeeld gaan tot ander woordbeeld, verrast hun dagen slijten in het lexicon. Een leger regels of de droom van moord, de koestering van diepe zin, men rijmt zich warm.
Zoals een duif wordt doodgereden in het stadsverkeer, binnen een dag van vogel vlek wordt, een schaduw onherleidbaar in het natte asfalt.
„Ich will protestieren, doch kommt in diesem Moment die Bedienung heran. Schmidthuber bestellt einen Palatschinken. “Wir haben nur rohen oder gekochten Schinken”, bedauert die junge Frau. Schmidthuber verdreht die Augen. “Pfannkuchen! Dann bringen Sie mir halt einen Pfannkuchen, wenn Ihnen das mehr sagt.” Die Bedienung geht, und vieldeutig sieht er mich an. “Verstehen Sie jetzt, was ich meine?” Ich nicke. “Übrigens ist es nicht das Restaurant, das sich dreht.” “Sondern?” “Der Turm dreht sich. Das Restaurant steht still. Ein kardanisch-konisches Schneckengewinde. Trabantensteuerung nennt man das. Ich bin übrigens Geotektoniker.” Schmidthuber verzieht anerkennend das Gesicht. “Wahnsinn. Der Turm dreht sich, das Restaurant steht still. Wetten, die Ossis wissen das noch nicht einmal.” “Glaub ich gerne.” “Bei denen würde sich der Turm wahrscheinlich langsam in die Erde bohren.” “Wahrscheinlich.” “Die wissen ja noch nicht einmal, was Palatschinken ist.” Schmidthuber nickt sich selbst zu, stutzt aber plötzlich. “Moment mal”, sagt er dann nachdenklich, “wenn sich der Turm dreht, das Restaurant aber stehen bleibt … wieso sieht man dann immer etwas anderes da unten?” Die herannahende Bedienung unterbricht seine intelligente Kausalkette. Auf einem Teller rutscht ein glasierter Pfannkuchen hin und her. Schmidthuber schlägt empört die Hände vors rote Gesicht. “Das darf doch nicht wahr sein. Das ist ein Berliner, kein Pfannkuchen. Mann, wo kommen Sie denn her?”
De Nederlandse dichter, journalist en docent Michael Deak (pseudoniem van Simon Kapteijn) werd geboren op 18 september 1920 in Alkmaar. Volgde seminarie te Warmond. Brak de priesteropleiding af en werd in 1942 administratief medewerker van het Bedrijfschap voor Vee en Vlees. Publiceerde in 1941 in Criterium en c. 1941 in Roeping, vanaf 1942 in Groot Nederland. De oude redactie van dit in 1903 opgerichte tijdschrift werd in 1943 door SS-Verwalter Reinier van Houten vervangen door een SS-redactie. Deak bleef tot en met 1944 medewerker aan dit collaborerende tijdschrift. Naast 'normale gedichten' leverde hij ook uitgesproken 'nationaal-socialistische gedichten' aan. Gedichten die hij met W.J. van der Molen onder het pseudoniem Aernout van Leiden had geschreven. Zes daarvan werden in het mei/juninummer 1944 van Groot Nederland¹ gepubliceerd. In 1985 verklaarde hij daarover dat deze zes verzen dienden om vijf sonnetten met een verborgen verzetsboodschap een door de Amsterdamsche Keurkamer uitgeschreven poëziewedstrijd te laten winnen. Na de oorlog zouden hij en Van der Molen deze boodschap dan onthullen. In 1945 werkte hij mee aan het clandestiene tijdschift Parade der profeten. Hij werd in 1948 tot de katholieke 'jeugdige dichtersbent' gerekend, met o.a. Frans Babylon, Jan Leyten, Michel van der Plas, Hans Berghuis, Jan Engels .Naar eigen zeggen was in 1950 de inspiratie op en schreef hij geen nieuw werk meer.
Donkere metten Twee bruine vogels nestelen op het hart van Zwarte Lientje met de blanke tanden: dat zijn de wilde vogels van de schande, dat zijn de stille vogels van de smart.
k Weet een verscholen fjord tussen het zwart van haar klein oerwoud. Wie er eenmaal landde keert er steeds weer, en vangt met warme handen de bruine vogels op haar brandend hart.
Wij hebben voor elkaar geen vreemde namen en geen verhalen voor elkaar bedacht, wij zijn alleen maar teder en tezamen.
Eet van het brood dat ik je heb gebracht en zing je liederen van Suriname en laat mijn bloemen in je haar vannacht.
De Nederlandse dichter, schrijver, biograaf en letterkundige Gerrit Borgers werd op 18 september 1917 te Brummen geboren in een kleine-ambtenarengezin. Zijn vader was commies bij de belastingen en dat bracht veel overplaatsingen en evenzoveel verhuizingen mee. Zo woonde het gezin achtereenvolgens te Geldermalsen, Brummen, IJsselmonde, Amsterdam, Maassluis, Rijswijk en Bussum. Gerrit heeft een viertal lagere scholen bezocht voor hij, met financiële steun, zijn opleiding hbs-b kon aanvangen aan het Theosofisch Lyceum Drafna te Naarden. In 1939 begon hij aan zijn studie Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Kort na het cum laude behalen van zijn kandidaats-diploma op 12 maart 1943 moest Gerrit als niet-tekenaar van de loyaliteitsverklaring zijn studie staken. Pas in 1949 studeerde hij af. Na de bevrijding bleef hij les geven aan het Goois Lyceum en zette hij zijn studie te Amsterdam voort. In 1946 werd hij redacteur van het tijdschrift Podium. Met een onderbreking van twee jaar - 1956-1957 heeft Borgers tot 1963 het blad geleid. Van 1952 tot 1954 mee aan het weekblad Vrij Nederland, met beschouwingen over Van Ostaijen, over poëzie van jongeren, over Lucebert, Andreus, over Windroos-deeltjes, over gedichten van Buddingh', Kousbroek en over Louis-Paul Boon. In 1954 werd hij conservator van het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Aan het einde van zijn Museum-periode, die bijna een kwart eeuw zou beslaan en in de loop waarvan hij bevorderd werd tot hoofdconservator (1969), bereidde hij mede de nieuwe vestiging voor in het complex van de Koninklijke Bibliotheek. Daarnaast was hij werkzaam op talloze terreinen van cultuur en letteren. In 1956 verscheen, door hem ingeleid, de verzamelbundel “Losse planken” van het tienjarig Podium. In 1961 verscheen het door hem verzorgde deel II (in twee banden) van Nijhoffs Verzameld werk, en wel het kritisch, verhalend en nagelaten proza. In 1962 verzorgde hij het Boekenweekgeschenk voor de jeugd "De Muze viert feest". Twee jaar later gaf hij, samen met Karel Jonckheere en Chris Leeflang, het Boekenweekgeschenk "Speels abc der Nederlanden uit". In 1971 was het dan promoveerde hij bij prof. H.A. Gomperts te Leiden cum laude op zijn tweedelig proefschrift "Paul van Ostaijen", met de ondertitel "Een documentatie". In de serie Achter Het Boek publiceerde hij in 1973 twee fragmenten van een autobiografische roman en in 1975 verscheen de rijk geïllustreerde Kroniek van Paul van Ostaijen. Vanaf 1979 bekleedde hij de leerstoel Moderne Nederlandse Letterkunde en Tekstinterpretatie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1981 kwamen de Verzamelde gedichten van Paul van Ostaijen in één deel uit. In 1983 verleende hij medewerking aan het Verzameld werk van A. Roland Holst. Kort daarvoor was ook Gerrits intensieve bemoeienis begonnen met de door Hans Visser en Anne Wadman geplande Vestdijk-biografie, als lid van de Begeleidingscommissie, en iets later met de in 1984 gestarte serie Rondom Vestdijk, waarbij hij adviseur was.
Uit:Nogmaals: de Vestdijk-biografie
“Eenzelfde opvatting over de éénduidigheid van een literaire tekst blijkt ook uit de slotregel van deze alinea: ‘Trouwens, nog niemand kent en begrijpt op het ogenblik het oeuvre van Vestdijk, en er zullen zeker nog decennia verstrijken voor men diens werk volledig heeft doorvorst.’ Nog sterker, ben ik geneigd te zeggen: ‘volledig doorvorst’ zal het wel nooit worden, want het kennen en begrijpen van een werk is geen statische aangelegenheid. Kennis en begrip veranderen steeds per lezer, milieu, periode enz. (met de Bijbel zijn ze al eeuwen bezig). Bovendien is een levensbeschrijving iets anders dan een studie of essay over iemands oeuvre. Voor een biograaf gaat het er niet om het werk en de persoon achter het werk te verklaren, maar de relatie tussen het geleefde leven en de daarin geschreven werken te verhelderen, kortom een schrijversleven, zoals het eens geweest is, te beschrijven, zoals S. Dresden in De structuur van de biografie (1956) betoogt. Verder komen in deze paragraaf twee beweringen voor zonder enige argumentatie, zodat een discussie hierover niet mogelijk is: uit de publikaties van Wadman zou ‘zonneklaar’ blijken dat hij weinig of niets van Vestdijk begrijpt en het is voor mevrouw Vestdijk de vraag ‘of Visser wel ooit op de gedachte gekomen is dat een biograaf inzicht moet hebben in het werk van zijn auteur’. In paragraaf III merkt mevrouw Vestdijk terecht op, dat een biograaf zoveel mogelijk documentatiemateriaal moet verzamelen. Er zijn echter zéér veel gegevens beschikbaar en herhaaldelijk is gebleken, dat een levensbeschrijving, gebaseerd op vele gegevens, wel aangevuld, maar zelden ingrijpend gewijzigd wordt door later bekend geworden materiaal. Als bewijs dat het selecteren en interpreteren van het materiaal boven Wadmans en Vissers krachten gaat verwijst mevrouw Vestdijk in paragraaf IV naar het niet beschikbare proefhoofdstuk. Zij licht hier de episode over Vestdijks reis met de Kota Inten uit, waarin gebruik gemaakt wordt van een door Vestdijk senior geschreven Epos, en schrijft: ‘De biografen nemen al te gemakkelijk aan dat de woorden van vader Vestdijk de mening van Vestdijk junior vertolken.’ Ja, zonder het proefhoofdstuk kunt u weer niet controleren of deze uitspraak juist is, evenmin trouwens als mijn bewering dat de biografen alleen aannemen dat het Epos gebaseerd is op de mededelingen per brief van Simon, hetgeen zeer plausibel is - waar zou pa Vestdijk anders de stof voor zijn Epos vandaan hebben gehaald? Deze veronderstelling wordt nog ondersteund door de overeenkomsten van bepaalde passages uit het Epos met motieven die Vestdijk in een aantal gedichten uit die tijd verwerkt heeft."
Gerrit Borgers (18 september 1917 – 15 januari 1987)
Plant hondsdraf, inwoners Hondsdraf onder je ramen
Ruil jullie tamme anjer in voor de balling
Elegie van de varkens
Er is zoiets droefs in de wijze ogen van varkens dat zij wel profeten lijken voor de slachttijd. (ik heb het niet erg op profeten en jij? Nee meer houd ik van het klimop dat omhoog klimt) Hun slagtand uitgerukt als zij op de lopende band het moederlijf uittrekken, exodus heet Egypte, de rode zee door van hun verlossing, stro tegemoet en de messenrijke afgodsbeelden van de mens. Soms staat er één, een oude beer onder de oude boom van de kennis, oud uitstervend appelras, doodstil en kijkt naar de wind op de horizon, door inzicht blinder dan van nature bijna.
Bijna zie je, in de bruidsachtige herfstsluiers in de lispelende wind, in de kruidigheid, de gedachte- wolk op zijn topzware kop: gestreept rende ik, ever eenmaal, en wat ben ik nu! O jammer van de getemde varkens, zij zijn de dichters onder de dieren, melancholiek en van weinig nut totdat aan de muur afgebrand, hun speklaag openklapt als een elegie.
Aardappelen
Platvloerser en toch blijmoediger plant leeft er bijna niet in dit sombere land. De aardappel is zo Hollands: hij danst dom de aardappelmand in en veel later de mond. Het bruin van oude veelgebruikte balzakken en van wel zeer versleten bruiden paart hij aan varkensachtige rondheid, Grootmogoldom en de gezichtsuitdrukking van rollende munt. Op de balzaal van gods akker wiegelt hij blij en zijn spaarbank heeft hij onder de grond.
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015) In 1973
“He stands there waiting, and when nobody makes a move to say anything to him he commences to laugh. Nobody can tell exactly why he laughs; there's nothing funny going on. But it's not the way that Public Relation laughs, it's free and loud and it comes out of his wide grinning mouth and spreads in rings bigger and bigger till it's lapping against the walls all over the ward. Not like that fat Public Relation laugh. This sounds real. I realize all of a sudden it's the first laugh I've heard in years. He stands looking at us, rocking back in his boots, and he laughs and laughs. He laces his fingers over his belly without taking his thumbs out of his pockets. I see how big and beat up his hands are. Everybody on the ward, patients, staff, and all, is stunned dumb by him and his laughing. There's no move to stop him, no move to say anything. He laughs till he's finished for a time, and he walks on into the day room. Even when he isn't laughing, that laughing sound hovers around him, the way the sound hovers around a big bell just quit ringing -it's in his eyes, in the way he smiles and swaggers, in the way he talks. 'My name is McMurphy, buddies, R. P. McMurphy, and I'm a gambling fool.' He winks and sings a little piece of a song: ' ?... and whenever I meet with a deck a cards I lays ... my money ... down,'' and laughs again.”
Ken Kesey(17 september 1935 – 10 november 2001) Scene uit de film uit 1975 met o.a. Jack Nicholson als Randle P. McMurphy
Van drie zangen de eerste En van de eerste een fragment. Vraag niet waar het geheel is, Aanvang en end.
Want alles is fragment.
Al door het zeggen van het woord Deelt men, scheidt men en schendt Het alomvattende, dat men niet kent, Dat ik aanwezig weet of alleen maar vermoed, Dat ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet, Dat mij beheerst en mij te luisteren gebiedt. Maar als ik zoek en luister, dan vind ik het niet.
Een troost blijft:
Er is in ieder woord een woord, Dat tot het onuitspreekbare behoort; Er is in ieder deel een deel Van het ondeelbare geheel, Gelijk in elke kus, hoe kort, Het hele leven meegegeven wordt.
Abel Herzberg (17 september 1893 - Amsterdam, 19 mei 1989) Hier rechts tijdens een televisie-interview in 1963
The house of my childhood stood empty On a grey hill All its furniture gone Except my grandmother's grindstone And the brass figurines of her gods
After the death of all birds Bird-cries still fill the mind After the city's erasure A blur still peoples the air In the colourless crack that comes before morning In a place where nobody can sing Words distribute their silence Among intricately clustered glyphs
My grandmother's voice shivers on a bare branch I toddle around the empty house Spring and summer are both gone Leaving an elderly infant To explore the rooms of age.
Dilip Chitre (17 september 1938 – 10 december 2009)
wij zijn de dichters / wij gunnen elkaar de vrijheid van denken en verbeelding / wij kijken naar elkaars woordworstelingen als kleuters die Noachs archeologie met boetseerklei vormgeven / en wij zijn allemaal blij met de vruchten van andermans handen / wij zijn de dichters / wij hebben grote medeklinkende harten die belangeloos opgaan in de liefde / wij zijn niet jaloers of afgunstig / we voelen ons nooit afgescheept / wij oordelen niet en veroordelen niet / wij proberen elkaar niet te verdoezelen met de ikkesotische concepten van het Empaier / noch zullen wij een ander ooit vergiftigen met wierook of hem met stroferoof het canongedonder insturen / wij zijn de dichters / geringschattend is als woord te tongbeduvelend om ooit piekfijn en fris in een gedicht onderuit gehaald te worden wij nemen niemand bij de neus en zijn niet zelfvoldaan / wij bakkeleien immers niet om de kruimels van de tafel van de baas / kijk, wij begluren nooit een ander en apen nooit na / wij zijn de dichters / wij koeren als vredesduiven wederzijdse bewondering / bovendien: wij weten dat al onze lettergrepen torentjes zijn van as en zandkasteeltjes op het land / en brandende kaarsjes van ons op de tocht van de geschiedenis / daarom zijn onze monden welluidend van meelevendheid / want wij zijn de dichters / armzalige broeders en zusters / dus waarom zouden wij ooit in elkaars gat of oog willen koekeloerehoeren of de ander in de oven stoppen?
there is no time
there is no time time is man's skin it cracks and crackles and shrinks in life's passing-by in the fire of being telling the hours then letting them be in the ever reverberating moment of silence in the smoking dance of the evening star and the midnight sun in the curl of the leaf in the dove's swiftly graceful and fluttered gesture of dying there is no time time is the shooting comet of recall strewing heaven with the sparks of stories no one will ever hear again time's my love for you the lizard movements in your body that come and go to fill the hollows with the fire of telling those many faces of departure there is no time just the pulse of the heart as pain under eye-shells just the emptied tell-skin of this poem splotched and measured by cancer words of forgetting like lizard shit
Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)
“Zonder dat hij het ons aanvankelijk durfde te bekennen had Freek van Weegen vier uurtjes maatschappijleer per week aan de Van Schevichavenstraat in de wacht weten te slepen, na bemoeienissen van een oom of zwager van Sigrit, nota bene, maar dat hoorden Teeuwisse en ik pas later, toen Lucas Bertels ons gezelschap voor het patriarchaat van het Land van Maas en Waal had verruild en wij tweeën onze variant van het dolce far niente in praktijk probeerden te brengen. Vergeleken met de hoeveelheden die daaraan te pas kwamen was hij, Teeuwisse, nog een bescheiden drinker en ik, ach, ik verkeerde van meet af aan in de veronderstelling dat ik de tijd van mijn leven meemaakte en dat geen mens mij die na afloop ooit zou kunnen afnemen. Dachten de andere drie zoiets eveneens? Ik vermoedde het, maar ernaar vragen deed ik liever niet, want alles was beter in die dagen dan voor dom of - erger nog - naïef versleten te worden. (Toen ik in een vlaag van enthousiasme eens voorstelde ons verbond een naam te geven, was mij dat op ruim anderhalve minuut gezamenlijk zwijgen komen te staan en aan het eind van de avond had Van Weegen ‘voor alle zekerheid’ geïnformeerd of ik misschien ook invoering van viltkartonnen petjes propageerde, de hufter met zijn kromme pijpje.) Rechten studeerden wij, Bertels had zich om cosmetische redenen bovendien voor de filosofie laten inschrijven, maar dat bestaan fungeerde enkel als dekmantel, zoals atoomspionnen voor de nederigste overheidsdiensten kiezen. Onze geheime opdracht betrof de tijdgeest, de ontleding ervan, om precies te zijn, en daaraan hadden wij met ons vieren de handen meer dan vol. De ontleding van de tijdgeest. Toegegeven, de term had iets potsierlijks, maar dat konden wij ook niet helpen en het viel moeilijk vol te houden dat er maar met de duimen gedraaid moest worden, totdat er iemand met een betere op de proppen was gekomen. Want het ging niet goed met Nederland. Hoe vaster het in de greep van het totalitaire welzijn was geraakt, des te onbarmhartiger deed het schrikbewind van de leeghoofdigheid, het boerenbedrog en de wansmaak zich gelden, het was langzamerhand om wanhopig te worden.”
Frans Kusters (16 september 1949 - 20 november 2012)
“Good morning, Henry, Novack drawled, looking up from the sports page. He had a pale, pudgy face and a wispy little moustache above a mouth set in a perpetual smirk. Novack treated me with the same lazy contempt with which he treated all civilians, not holding the fact that I was a lawyer against me. This made us friends of a sort. Good morning, deputy, I replied. We had ourselves a little bit of excitement here last night, he said, folding his paper. Los Altos brought in a drunk thats what they thought he was, anyway and it took three of us to subdue him. What was he on? Well we took a couple of sherms off of him when we finally got him stripped and housed, so it was probably PCP. Why didnt I see an arrest report for him? We couldnt book him until he came down enough to talk. Heres his papers. I took the papers and asked, Wheres he at now? In the drunk tank with the queens. Hes a fag. Thats no crime, I reminded him. Good thing, too, or wed have to charge admission around here. I read the report. The suspects name was Hugh Paris. He stood five-foot ten, had blond hair and blue eyes. He refused to give an address or answer questions about his employment or his family. He had no criminal record. I studied his booking photo. His hair was in his face and his eyes went off in two different directions, but there was no denying he was an exceptionally handsome man. How do you know hes gay? I asked. They picked him up outside of that fag bar in Cupertino, Novack said.”
“Whenever Claudia looked after me, she fried eggs with small cubes of smoked ham for my dinner. She sat next to me on her father's sofa, smoking cigarettes and arranging her rings and earrings into piles on the table. She taught me my first French words. She did not seem to mind that my mother and I were living in her father's apartment, or that I was sleeping in her bed. Later, as I lay in that bed, I would listen to her move around the apartment. She played the piano and, when she tired of that, she talked on the phone, laughing loudly. When she hung up, I felt a terrible silence as if she had gone out and I was left all alone. Perhaps she felt the same, for after a moment, she would make another call and when she had run out of phone calls she walked around, her footsteps indecipherable from the rattle of the windows, or the lives going on in neighbouring apartments. At the end of August, it began to rain. Maureen sat each day at her desk in the small study near the kitchen. I spent most of the week sitting at the living-room window looking out. The building opposite echoed ours: red brick with a white balustrade, a black-speared fence guarding the edge of the pavement. I thought I could see figures in the windows, but it was usually just the reflections of the sky cramping in darkness overhead. On the fourth successive day of rain, the skies calmed for about an hour. For a brief period the street became brighter, but very soon the clouds were shifting, threatening again. In the building opposite, lights came on in the windows and, with each, a square of reflected sky disappeared. I had the sensation I was not alone. I turned to find Claudia standing in the doorway. Her hair was damp. She looked at me, at first, as if she did not know me and then she smiled. 'Bonjour,' I said.“
“There was in those days a very subtle, but real, social distinction based on gradations of color, and I can remember the additional strain under which darker-skinned poor people lived. But there was also a great deal of optimism, shared by all levels of the black community. Besides a certain reverence for the benign intentions of the federal government, there was a belief in the idea of progress, nourished, I think now, by the determination of older people not to pass on to the next generation too many stories about racial conflict, their own frustrations and failures. They censored a great deal. It was as if they had made basic and binding agreements with themselves, or with their ancestors, that for the consideration represented by their silence on certain points they expected to receive, from either Providence or a munificent federal government, some future service or remuneration, the form of which would be left to the beneficiaries of their silence. Lawyers would call this a contract with a condition precedent. And maybe because they did tell us less than they knew, many of us were less informed than we might have been. On the other hand, because of this same silence many of us remained free enough of the influence of negative stories to take chances, be ridiculous, perhaps even try to form our own positive stories out of whatever our own experiences provided. Though ours was a limited world, it was one rich in possibilities for the future. If I had to account for my life from segregated Savannah to this place and point in time, I would probably have to say that the contract would be no bad metaphor. I am reminded of Sir Henry Maine's observation that the progress of society is from status to contract. Although he was writing about the development of English common law, the reverse of his generalization is most applicable to my situation: I am the beneficiary of a number of contracts, most of them between the federal government and the institutions of society, intended to provide people like me with a certain status.”
James Alan McPherson (Savannah, 16 september 1943)
Ich spreche kleine, einfältige Sätze leise für mich hin, immerfort für mich hin. Ich spreche kleine, alltägliche, geringe Sätze. Ich spreche wie die geringen Glocken, die sich wiederholen und wiederholen.
Sophie ist ein Himmel. Sophie ist ein Stern. Sophie ist eine Blume.
Alle Blumen blühen, blühen für dich. Alle Herzen glühen, glühen für dich.
Nun bist du fortgegangen. Was soll ich hier gehen und stehen. Ich habe nur ein Verlangen. Ich will dich wiedersehen.
Hans Arp (16 september 1886 - 7 juni 1966) Rond 1906/1907
I van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen van hoe de mensen webben spinnen en sterven van savonds versierde hyenaas en cocons in de ochtend van zwaar slapen aanblazen en van de vraatzucht
II hoe in de heldere natuur eender werken de dingen en wezens bruisend zich rekken de takken en huilende vallen de stenen een denkende mier of een denkende ster en een slang zacht vertrekt uit zijn zwangere staart als de beken uit hun drabbig foedraal zoals de leliën ook en van verdriet of van vrede blauw zijn de bloemende bergen
III altijd en overal anders zijn de mensen want anders dragen zij de aarde: vaak door de slaafse spreekbuis hinkend zij dragen de aarde of vallend van de statietrap zij torsen de aarde maar nooit en te nimmer zij nemen de aarde aan als een wind in ’t gezicht in het web
IV door donkerte nader zij komen met allen en alles en daar gelijk is het oor aan de mond het hoofd aan het hart aan alles aan allen gelijk het licht zij vloeien het toe
Lucebert, Het geschenk, 1986
V maar daaraan terstond zij maken bodemloze fotoos van de almacht als was de nacht hun moeder niet de avond niet hun vader zij steken de zon in de mond verorberen de wolken zij beduimlen de bliksem met hun smeulende tongen en bootsen de maan na met hun pluimstrijkende ogen of gaan wonen in hoge wisselstromen onttronend de diepte
VI spook en talisman zij trouwen en bouwen hun huizen daarom maar buiten zij breken graag de glazen derwisch van het water en gehaast zij plukken de magnetische springveren die van het vuur en de maandragende paarden der zee blazen zij op en het steen het steen zij besmetten het met rokende rivieren of sluizen en aldus ook hun mummies zij sluimren of mijmren niet maar zij stomen zij bonzen
VII oh de moede man die de sleutels der dubbelzinnigheid smolt of wegwierp dat hij staat voor de zo vaak vertoonde kasten en laden die zo gehoond gelijk zij geloofd zijn dat hij er staat en vraagt naar een deur om daar door te gaan
VIII zie dan voor zijn vetgemeste spiegel wil hij vliegen en zweven hoor dan door zijn mulle microfonen wil hij van vrede lachen en zingen deze die eens de sleutels der dubbelzinnigheid smeedde hem opent geen vrede
Hij wist met kalme angst hoe alles moest Leven. Voortleven, zalig of verdoemd. Niets wordt vernietigd, spoorloos verwoest: Een geur, een toon die in de stilte zoemt,
Iets blijft, hoe ook verijld, versteend, verbloemd, Leven moet alles tot in eeuwigheid. Geen sluimering, geen min, geen dood verzoent De kruistocht redeloos door ruimte en tijd.
De doden rusten niet, gezweept tot feesten Waarin zij ijdel trachten te bezwijmen Tot redding uit de onduldbare geheimen.
En ieder zwervling is omzwermd door geesten; Nooit worden wij eenzaam en nooit met rust gelaten aan een beek, een graf, een kust.
De poolvulkaan
Barre verlatenheid Duldde ik eeuwen reeds, In gelatenheid Trots en uitgebrand.
Wolken sneeuwen steeds, Zwaar en eindeloos; Wit en eindeloos Ligt het poolland rond.
‘t Laaiend Noorderlicht In staalharde nacht Houdt in mij de hoop Dat een langre schicht Mij inééns losscheurt uit mijn krater
En in vlammenvloed Al het eeuwig ijs Smelt tot groen, schuimbekkend water, Waar ik rood en donker uit verrijs.
Nagoya kasteel
Als een schip in de eeuwigheid verankerd Ligt ver van de oevers het kasteel in 't meer, Der wereld afgewend, hier onveranderd Het rijk van bos en water en weleer.
Nu wil de eeuwige zwerver overvaren, Zijn rust bewaren midden in het meer, Welks oppervlak de schichtige winden vlieden, Waarop geen kelken drijven, uit welks diepten De muren rijzen, steil en afgesloten Zonder een poort; gezonken zijn de boten.
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936) Slauerhoff in kimono ,1926
“Finally, Aisha finished with her customer and asked what colour Ifemelu wanted for her hair attachments. “Colour four.” “Not good colour,” Aisha said promptly. “That’s what I use.” “It look dirty. You don’t want colour one?” “Colour one is too black, it looks fake,” Ifemelu said, loosening her headwrap. “Sometimes I use colour two, but colour four is closest to my natural colour.” Aisha shrugged, a haughty shrug, as though it was not her problem if her customer did not have good taste. She reached into a cupboard, brought out two packets of attachments, checked to make sure theywere both the same colour. She touched Ifemelu’s hair. “Why you don’t have relaxer?” “I like my hair the way God made it.” “But how you comb it? Hard to comb,” Aisha said. Ifemelu had brought her own comb. She gently combed her hair, dense, soft and tightly coiled, until it framed her head like a halo. “It’s not hard to comb if you moisturize it properly,” she said, slipping into the coaxing tone of the proselytizer that she used whenever she was trying to convince other black women about the merits of wearing their hair natural. Aisha snorted; she clearly could not understand why anybody would choose to suffer through combing natural hair, instead of simply relaxing it. She sectioned out Ifemelu’s hair, plucked a little attachment from the pile on the table and began deftly to twist.”.
Chimamanda Ngozi Adichi (Enugu, 15 september 1977)
“Beasts!" said Clarice Vane to old Miss Marple. "Absolute beasts some people are!" Miss Marple looked at her curiously. Clarice Vane had recently come to live with her Uncle, Dr. Haydock. She was a tall dark girl, handsome, warm hearted and impulsive. Her big brown eyes were alight now with indignation. She said: "All these cats – saying things – hinting things!" Miss Marple asked: "About Harry Laxton?" "Yes, about his old affair with the tobacconist’s daughter." "Oh that!" Miss Marple was indulgent. "A great many young men have affairs of that kind, I imagine." "Of course they do. And it’s all over. So why harp on and bring it up years after? It’s like ghouls feasting on dead bodies." "I daresay, my dear, it does seem like that to you. You are young, of course, and intolerant, but you see we have very little to talk about down here and so, I’m afraid, we do tend to dwell on the past. But I’m curious to know why it upsets you so much?" Clarice Vane bit her lip and flushed. She said in a curious muffled voice: "They look so happy. The Laxtons, I mean. They’re young, and in love, and it’s all lovely for them – I hate to think of it being spoilt – by whispers and hints and innuendoes and general beastliness!"
Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976) Mr. Stringer (Stringer Davis) en Mrs. Marple (Margaret Rutherford) in een Agatha Christie film, begin jaren 1960
“We accompanied him along some streets, around a few corners, entered a crowded neighbourhood with lots of tiled roofs and bay windows and then into his family’s small wooden house. He led us into their sitting- room. The house was shady and cool inside. A white, fleeting image of a woman flickered to and fro, first at one end of the room, then at the other. The cover of the divan and the curtains in the room had been delicately embroidered in greens and pinks and purples. There were no pictures on any of the walls, just thickly framed large, ornate texts in Arabic. ‘My mother won’t allow photographs in this room,’ explained Nejip, ‘because she prays here.’ The floorboards were yellow from years of polishing. I could see the side of a hill out of the window, occupied by a graveyard. We respectfully kissed Nejip’s ageing mother’s wrinkled hands. She spoke a little Turkish. She asked us polite questions, as best she could, and we tried to provide answers. It was getting dark. Nejip’s sister, who also worked in the tobacco warehouse, entered the room wearing blue earrings and with her curly hair uncovered. ‘Welcome,’ she said and went and lit the pink lamp on the sideboard before leaving us again. Before long we were joined by Nejip’s dark-moustachioed father, his plaster-splattered uncle and his elder brother, who turned out to be a carpenter. They all had thick and calloused hands and chatted to us in their broken Turkish.“
Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970) 1935
„Ein Verwalter, namens H., und eine Haushälterin mit ihrer Tochter machten gleichsam den mittlern Stand des Hauses aus, und dann folgte das niedrige Gesinde. – Diese Leute schlossen sich wirklich fest aneinander, und alles hatte eine unbegrenzte Ehrfurcht gegen den Herrn von Fleischbein, der wirklich einen unsträflichen Lebenswandel führte, obgleich die Einwohner des Orts sich mit den ärgerlichsten Geschichten von ihm trugen. Er stand jede Nacht dreimal zu bestimmten Stunden auf, um zu beten, und bei Tage brachte er seine meiste Zeit damit zu, daß er die Schriften der Mad. Guion, deren eine große Anzahl von Bänden ist, aus dem Französischen übersetzte, die er denn auf seine Kosten drucken ließ und sie umsonst unter seine Anhänger austeilte. Die Lehren, welche in diesen Schriften enthalten sind, betreffen größtenteils jenes schon erwähnte völlige Ausgehen aus sich selbst und Eingehen in ein seliges Nichts, jene gänzliche Ertötung aller sogenannten ›Eigenheit‹ oder ›Eigenliebe‹ und eine völlig uninteressierte Liebe zu Gott, worin sich auch kein Fünkchen Selbstliebe mehr mischen darf, wenn sie rein sein soll, woraus denn am Ende eine vollkommne, selige ›Ruhe‹ entsteht, die das höchste Ziel aller dieser Bestrebungen ist. Weil nun die Mad. Guion sich fast ihr ganzes Leben hindurch mit nichts als mit Bücherschreiben beschäftigt hat, so sind ihrer Schriften eine so erstaunliche Menge, daß selbst Martin Luther schwerlich mehr geschrieben haben kann. Unter andern macht allein eine mystische Erklärung der ganzen Bibel wohl an zwanzig Bände aus.“
Karl Philipp Moritz (15 september 1756 - 26 juni 1793) Cover