Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
07-04-2019
En Jezus schreef in 't zand (Gerrit Achterberg)
Bij de 5e zondag van de veertigdagentijd
Jezus en de overspelige vrouw door Pieter van Lint, ca. 1630
En Jezus schreef in 't zand
Jezus schreef met Zijn vinger in het zand. Hij bukte zich en schreef in 't zand, wij weten niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten, verzonken in de woorden van Zijn hand.
De schriftgeleerden, die Hem aan de tand hadden gevoeld over een vrouw, van hete hartstochten naar een andere man bezeten, de schriftgeleerden stonden aan de kant.
Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet. Ga heen en luister naar het lied.
En Hij stond recht. De woorden lieten los van hun figuur en brandden in de blos
waarmee zij heen ging, als een kind zo licht. Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962) De Hervormde kerk van Nederlangbroek, de geboorteplaats van Gerrit Achterberg
“... ik moet een jaar of drie geweest zijn toen mijn moeder riep: ‘Gauw, gauw, kom kijken, paardenvolk!’ Eerste Wereldoorlog. Mobilisatie. Ons dorp was vol uniformen. Er was niets angstaanjagends aan. Integendeel, het had iets vrolijks en ik begreep uit mijn vaders uitleg dat we niet bang hoefden te zijn. Oorlog bestond alleen in hele verre landen, zoals België, niet bij ons. Terwijl op nauwelijks honderd kilometer afstand hele generaties jonge mannen in de loopgraven van Ieper en Verdun werden uitgeroeid, hernam het dagelijks leven in het Zeeuwse dorp al snel zijn vertrouwde gang. De vluchtelingen verdwenen naar andere provincies of terug naar België, de militairen werden een vertrouwd deel van het straatbeeld. Ter gelegenheid van haar vijfde verjaardag kreeg Annie door het raam van de salon een cadeautje aangereikt van een in Kapelle gelegerde majoor, die kennelijk vriendschap had gesloten met haar moeder. Uit het pakje kwam een poppenbadje. Er bestond nog geen plastic, het was van celluloid. Er zat een klein bloot celluloid poppetje in. Het kraantje kon echt lopen als je water deed in het tankje bovenin. Nooit in m’n verdere leven heb ik zo’n verrukkelijk cadeau gehad. Het paard brieste en stampte, de majoor lachte vrolijk. Geuren van meibloesem woeien naar binnen en de zon scheen op ons alle drie. Alle vier eigenlijk, als je het paard meerekent. De zon? Onzin. De salon lag pal op het noorden; er kwam nooit een straaltje zon naar binnen. Er moet iets anders geweest zijn waardoor de wereld van goud leek. Haar eerste jeugdjaren bracht Annie in grote geborgenheid door. Truida Schmidt concentreerde al haar liefde, aandacht en zorg op het dochtertje dat ze op de valreep nog gekregen had. ‘Ik zou je ’t liefste in een doosje willen doen’, zoals ze zei. ‘Als een dikke spinnende moederpoes’ die alles wegblaast, dribbelde ze om Annie heen. ‘Ik was een kostbaar kleinood dat bewaakt en afgeschermd moest worden.’ Urenlang zat ze haar voor te lezen en liedjes met haar te zingen, en al snel was het kind zelf in staat Ot en Sien te spellen. Op vierjarige leeftijd zou ze zelfs haar eerste gedichtje gemaakt hebben:
Er was eens een hond, die zat op z’n kont er was eens een kat die zat op z’n gat.
Dat haar vader iets bijzonders was binnen het dorp, besefte Annie al vroeg. ‘Hij was de baas van de kerk. En de kerk met z’n hoge toren was het middelpunt van het heelal. Elke middag om twaalf uur luidde de koster eigenhandig de torenklok.”
Annejet van der Zijl (Leeuwarden, 6 april 1962) Cover
De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Aliop dit blog.
The Earthquake Days
In the earthquake days I could not hear you over the din or it might have been the dinner bell but that’s odd because I’m usually the one cooking if not dinner then a plan to build new fault lines through the dangerous valley.
I can’t give you an answer right now because I’m late for my resurrection, the one where I step into my angel offices and fuck the sun senseless. That eclipse last week? Because of me. You’re welcome.
The postman rattles up with your counter offer and I’m off to a yoga class avoiding your call yes like the plague because son you can read in the dark and I have no hiding place left.
You know me too well and you know it. We walk hand in hand down the hill into the Castro avoiding the nudist protest not because we are afraid but because we already know all about this city, its engineered foundations, the earthquake-proofed buildings, the sea walls.
No tempest will catch us unaware while we claim our share of the province of penumbral affections. You have no reason to trust me but I swear I lie
down in this metal box as it thunders and looks inside my brain. I am terrified nothing is wrong because otherwise how will I rewrite the maps unmoored a deep sea a moor a cosmonaut
Who needs saving more than the one who forgot how the lazy cartographer mislabeled his birthplace as Loss? Riding the bus out to the end of the lines and back
I collect trash for art, oil spill, spent forest, the mind is at work and everything is at stake. I demand statehood for my states of mind, senators for my failure, my disappointment, the slander and my brain unmapped reveals no
explanation for danger the ground untamed. I make paintings of nothing and stand before them like mirrors. I recently became a man but I do not want to let go of my weakness,
instead want to meet God in heaven and in long psychotropic odes have Him send me again digging in the dirt to unleash tantric animal governors to lay down the orgasmic law twice skewered and miserable in the old photographs, miserable in my body, huddled
next to my mother, recently permed and aglow so unaware of what is about to hit her. I am the answer to Bhanu’s question: “Who is responsible for the suffering of your mother?” and so sick I considered that sickness
could bring us closer and Shahid and Allen in heaven slap me silly because they want me to know that this world is worth its trembling. At the next table over a mother tries to reconcile her bickering sons. I have no brother but the one
I invent has always got my back, he drowns out the mullahs so my mother can hear me finally. In a different book Jesus never suffered, never was flogged or died went whole into heaven without passion.
Shall I then deny myself passport through the stark places unsalvageable, imagine it, the Mother of Sorrows did never grieve in the new season trees smell of semen and the tectonic plates make their latest explosive move:
to transubstantiate my claim by unveiling this city down to its stone.
Everyone I know wants to douse the hungry flames, flee the endless aftershocks, unravel every vexing question.
wir wollten über kleine tiere sprechen, wollten auf die knie gehen für die kleinen tiere, jene aus staub und schlieren, in ritzen und dielen, jene, die in grauen, feilen frieren, unsere tiere aus nichts, wir wollten auch ganz nah in deiner spräche und in meiner hauchen, sag mir liebes, hast du heute schon gesaugt, nein, wir wollten unsere tiere nicht erschrecken, klein wie flecken, sind das flecken, haben sie nicht puschelscbwänze, lange löffel, oder lange schwänze, tuschelohren, wollten wir nicht weniger rauchen, weniger husten, weniger entweder oder sein, gestern war die zimmerecke einsam in ihrer knarzenden öde. heute ist sie hort, heute zärtlichen horden ein port, wir wollen also still sein, auf den knien lauschen: unsere kleinen tiere, wie sie ihre wollenen, mondgrauen namen tauschen.
bougainville
0 gestippelde ochtend hoe die vanonder de mist opstijgt alsof ’t door vloeiblad heen weekt waterverven, val van bladpunten, val van tuiten als van tule, een twijgje schilt zich uit het kostuum heeft geen lijf, rekt zich, bezint zich op (groen) en de zenuwpunten in de schouder van het dal groeten het bewegen, de arm, ze leggen de hand op tafel bij de knoppen, bloesems, de niet te vatten lucht –
1 ontbreken de steunbladeren ontbreekt de bevattelijke grond om je heen en is zo één verhouten complot een plaats delict van beschrijving: vliezig, geribd, zo is vaak de griffel bezet met papillen, snap dat, zonder een kijken naar, blootgesteld enkel aan het op elkaar botsen van vocalen tussen haren, doorns, kan dat vergroeien laat zich dat binnenhalen, gerafelde zoom fluweel soms lancetachtige bladschijf, kopieer dat, tweeslachtige signalen –
Vertaald door Annelie David
Uljana Wolf (Berlijn, 6 april 1979)
De Roemeense schrijver, journalist en literair criticus Iulian Ciocanwerd geboren op 6 april 1968 in Chisinau, in de toenmalige Sovjet Socialistische Republiek Moldavië. Zie ook alle tags voor Iulian Ciocan op dit blog.
Uit: The Queen of Hearts(Vertaald door Alistair Ian Blyth)
“Sergeant Jora Kureki was summoned to the Telecentru Sector Police Station to be entrusted with a new mission: he was to patrol the danger zone around the huge pit day and night. Captain Putinelu, with his permanently puffy face, affectionately put his arm around Kureki’s shoulders, trying to mollify his disgruntlement. “It’s an order from the top, Jora . . . we haven’t got any choice . . . you’ll stroll around that damned pit, you’ll warn people out walking late not to get too close to the edge, you’ll shoo away drunkards, so that they won’t tumble into the chasm. You’ll even be able to take quick naps on a bench. It’s summer, it’s warm, it’s pleasant to be out at night, Jora!” Captain Putinelu gave an understated smile and studied Kureki closely with his eyes. “Yes . . . but, why do I have to go and walk around in the middle of the night, boss?” grumbled Jora Kureki. “I’m busy with the case of the dustbin that went missing from the yard of the Prosecutor’s Office —” “I told you the order came from the top, Jora. And in that order, it says quite clearly that the policeman assigned to patrol the danger zone is sergeant Kureki. Or maybe you’d like me forget about the whole thing and find a replacement for you?” Captain Putinelu cast his dissatisfied subaltern a reproving look. “Yes, but . . . how many nights am I going to have to hang around the pit?” “I’ve got no idea, Jora! As long as it takes. In other words, for as long as there’s a pit.” “But it’s a bit big, boss . . . who knows how long it’ll be there. What are we supposed to do? Walk around the pit like lunatics for months or even years?” “You’ve started to talk out of turn, lately, Jora. Do what you’re told and be thankful that you’ll be getting overtime! Now, get out of here, because I don’t have time to listen to your moaning,” said the captain with the permanently puffy face, raising his voice.”
Uit: Das Glück: Eine Reise in Nähe und Ferne. Photonovelle
„Der nächste Winter Frühmorgens, die Kälte sickerte in die Poren, sahen Wege aus wie Pfeile, die sich irgendwo verloren. Milchtanker, denen ich begegnete, fuhren hart am Rand und scheuchten in den Schnee. Als ein Astronaut landen wollte, rief er in sein Mikrophon oder Belebungsgerät, die Ebene kenne er schon! Es war eine Enklave zwischen dem Weiler Neutrauchburg und den Menelzhofener Höhen im Allgäu. Meine beiden Großmütter - die eine trug Ringe aus abgeschnittenen Stielen silberner Teelöffel, die andere war Erbauerin begehbarer Schränke - flüsterten aus dem Gezweig: Ras Alhague und Ras Alghet. Ich schlug im Sternenatlas nach und fand Nachbarschaften wie Regulus und Krebs, Bellatrix und Beteigeuze, verbunden durch Entfernungen, die wir nicht begreifen. Im vormaligen Pulverturm arbeitet noch ein Töpfer, dessen Haare schwinden. Er lädt zu Kursen ein, und wenn die Teilnehmer, es sind meist Frauen, laut werden, zeichnet er mit Kreide eine Höhle auf die Tafel, die Dschebel Kafzeh heiße, ein Fundort bei Nazareth für menschliche Skelette aus der Riß-Würm-Warmzeit. Weit weg in der Kälte wurde ein Gehäuse aus Eisenblech, das früher einen Wasserfall mit einer Flachsspinnerei verband, aufgerichtet. Das hohle Monstrum scheint, je näher wir kommen, zu wachsen. Wo ich geboren wurde, werde ich wieder sein. Es gibt noch enge Gassen, alle Mauern sind alterslos getüncht, doch dahinter gewinnen träumerische Gesänge an Macht. Draußen hat sich wieder Kälte ausgebreitet, so daß die Säume der Wälder Jackenfutter gleichen. Füchse, die vorbeikommen, stellen ihren Schwanz hoch und schnaufen verächtlich. Aas, das am Weg liegt, ist kaum mehr zu riechen. Kettensägen und Schaufelbagger sind vorrätig im Wald, der, solang er noch steht, Wind und Frost in sich behält. Wer seine Handschuhe auszieht, wird daran erinnert.”
„Vor drei Monaten begann Vater als Chef der Buchhaltung einer Zuckerplantage, die TPC heißt – Tanzania Planting Corporation. Sie gehörte der Reederei Mærsk, wurde aber von der tansanischen Regierung verstaatlicht. Doch für die nächsten Jahre hat Mærsk noch einen Vertrag und soll den Eingeborenen beibringen, die Plantage zu betreiben. Sie liegt ein Stück südlich der Stadt Moshi, in der auch die Schule ist. Vater dreht sich auf dem Vordersitz um. »Bist du okay, Christian?« »Wann fahren wir zu unserem Haus?«, möchte ich wissen. »Später«, sagt Vater. »Es ist erst sieben.« Er hat mir erzählt, dass die Dunkelheit am Äquator früh und sehr plötzlich kommt. Mein Kopf fühlt sich leicht an. Ich könnte töten für eine Zigarette. »Okay«, sage ich und schaue aus dem Fenster, der Himmel ist mit klaren Sternen übersät, die sich bis zum Horizont erstrecken. Wir erreichen eine T-Kreuzung, an der Holzschuppen und kleine gemauerte Häuser ein schwaches Licht in die Dunkelheit werfen. Es sind Läden auf bloßem Erdboden. Dunkle Gestalten bewegen sich zwischen ihnen. Wir biegen rechts ab in Richtung Moshi. »Dies ist eine der besten Straßen des Landes«, erklärt mir mein V ater. »Fast keine Schlaglöcher.« Die Dunkelheit hüllt uns völlig ein. Es gibt so gut wie keinen Verkehr, und Katriina fährt schnell. Die Straße beginnt, kurviger zu werden, und führt bergab in eine Schlucht – die vorderen Scheinwerfer erleuchten steile Felswände auf beiden Seiten. »Was ist das denn!?«, stößt Katriina aus und tritt die Bremse durch, gleichzeitig reißt sie das Lenkrad herum, um einem großen belaubten Ast auszuweichen, der auf unserer Seite der Straße liegt. Die Bremsen blockieren, der Wagen rutscht auf den Ast und schiebt ihn vor sich her, bis wir zum Stehen kommen. »Dort hält jemand«, sagt Vater. Ein Stück weiter vorn kann ich undeutlich einen dunklen Kasten erkennen, die Scheinwerfer liefern nur ein diffuses Licht durch das Laub des Asts. »Straßenräuber?«, fragt Katriina. »Glaub ich nicht«, erwidert Vater und öffnet die Tür. »Der Ast ist ein tansanisches Warndreieck.« Ich steige ebenfalls aus und helfe ihm, den Ast von der Frontpartie des Wagens zu ziehen, während K atriina zurücksetzt. Wie ich jetzt erkennen kann, handelt es sich bei dem Kasten um einen Lastwagen, der an eine der Felswände geprallt ist und quer auf der Fahrbahn steht – ein großer frischer Zweig steckt an der hinteren Stoßstange. Wir schleppen den Ast wieder an seinen Platz auf der Fahrbahn. Bei dem verunglückten Lastwagen sehe ich niemanden mehr.“
“ZIFA: ...You Said I should make sacrifice to the gods. These past several years we have none of us Followed your word. Being the elder, I agree, I am to blame for this. But now I obey you and will make instant Sacrifice to the gods. ORUKORERE: But you are As yet not cleansed, and for that matter all The concession is reeking with rot and Corruption. ZiIFA: In that case, it needs drastic Cleansing, which is what we shall now all perform. ORUKORERE: Be careful, son, and do nothing that is Rash. When the gods ask for blood it is Foolish to offer them oil. (…)
ORUKORERE: Take away The light. Will you take away your lamp? What, am I become so like a statue That discovered among ruins in The sun-set day, you wonder at Yet will not bow down to? I know I have lost both my face and limbs. Recognition therefore's become a thing For houseflies and bats, has it? I say Let there be no light again in this house.”
„Und wie überlegen du mir jetzt schon wieder bist. Aber ich glaube nicht, dass du dich hast aufnehmen lassen in die große Gemeinschaft der Heiligen. Du sitzt irgendwo allein und verfluchst Mutter, weil sie dir nicht die Wärmflasche bringt. Du willst nicht zusammen mit den gewöhnlichen Toten rund um den Herrgott sitzen. Wenn es einen Herrgott gibt, sagtest du einmal, dann soll er die Krankheiten abschaffen! Der Herrgott sollte dir lieber eine Wärmflasche geben, Kamillentee und Schafwollsocken. Und eine Zeitung. Aber hab Geduld, wir kommen ja nach. Großmutter ist schon recht alt. Und wir sind auch sterblich. Dann bringen wir dir Zigaretten und lassen uns wieder von dir erzählen, wie du geritten bist am norwegischen Eismeer, was für dicke Lachse du gefischt hast, und wir bewundern dich. Und wenn Mutter und die Schwestern schlafen gegangen sind, bleibe ich in der Küche sitzen und frage dich, ob du dich erinnerst an das weiße Kleid, wie ich im weißen Kleid zu dir gekommen bin, wie du das sagtest von der kleinen Geliebten, wie eine kleine Geliebte, wie eine heimliche Geliebte, und du antwortest: Ja, ja. Dann gehst auch du schlafen, und ich sitze allein in der Küche, trinke den Bierrest aus deinem Glas, werfe deine Zigarettenstummel weg, schaue nach, von wem die Ansichtskarten sind, die an der Holzleiste hinter deinem Essplatz stecken. Patienten, die auf ihren Urlaubsreisen an dich dachten, Sportfliegerfreunde, Kriegskameraden, lauter Menschen, die einen besseren Weg zu dir wussten als ich. Meine Briefe hast du nie beantwortet. Wer war ich denn. Nur eine von den vier Töchtern, die dir das Leben vergällten. Gute Nacht, sage ich. Gute Nacht, sagst du in dem Ton, der zugleich ein lautes Seufzen ist, ein Vorwurf von dir an dich selbst, uns gezeugt zu haben. Du tatest mir oft leid, wenn ich uns so anschaute. Aber auch wir haben uns dich und Mutter nicht ausgesucht. Ich hasse mich selbst, wie ich jetzt kerzengerade stehe vor einem Fleck Erde, unter dem du wahrscheinlich kerzengerade liegst. Jeder an seinem vorläufigen Platz. Ein rechter Winkel zwischen dir und mir. Ich bin gekommen, um Andacht zu halten. Aber du sagst nichts, und ich spüre nur mein Lebendigsein. Papa, lieber. Wir haben ein Papier bedrucken lassen mit deinem Namen und deinem Bild. Sympathisch bist du da, blickst ernst und pflichtbewusst. Der gute Arzt. Ich trage dich in meiner Handtasche herum. So ein Vater, den man auseinanderfalten und herzeigen kann.“
Olympie, ô l'impie, je rêve aux rives de la saine Seine
Qui vive ? Il y a des pies à Olympie.
Les pies prient les aines saines loin des arbres
Les impies expient le bris des débris dans les abris des marbres
Au bruit des bris les pies pépient et fuient dans les arbres
Les rives des aines rivent leurs plis sans haine.
Le devoir des victimes
La toile cirée se lève Sur L'Acte Zéro du Drame
Condamnés à mort, pelotez les guillotines en soutien-gorge Dressées sur des soucoupes ! François-Donatiens, raffinez le suc des crèmes fouettées Dans les châteaux mollets de la Rostopchine !
L’exécution capitule
Éclairant sa dent creuse d'un mégot à vif Le cœur coincé entre l'omoplate et la glande pinéale A travers les socs morts Et les escouffes de la barbe d'Adam Sous les coups de feu de la sentinelle (très vite) Le loulou loue l'août lourd.
Alfred Hegenscheidt, Nicolas Chamfort, Levon Shant, Aasmund Olavsson Vinje, Dan Andersson, Erich Mühsam, Georges Darien, Jean-Baptiste Rousseau, Alexander Herzen
De gladde golven glippen naar de rede Met klaterend even, weer gesmoord gekoos, De hemel schemert over zee, en mede Is vrede wijd en zijd en tijdeloos.
En uit de haven komen zij gegleden De boten met hun zeilen roereloos, Een kantige schaduw tegen donkerheden, In 't spiegelende nat een schaduw broos.
De nacht is peilloos; waar de verte zwicht, Verschijnt, verdwijnt het wezenloze licht Van ene baken in de zee verloren.
De boten, onbeweeglijk, gaan te lore. Ginds in de nachtelijke wederschijn, Schaduw en schaduwbeeld verschemerd zijn.
Marialiedje
Ik heb u lief en ken u niet, Ik weet niet wat me in 't hart geschiedt Als in uw oogjes klaar en blauw Mijn eigen aanschijn ik aanschouw.
Gij zijt van mij, ik voel het toch En toch zoo vreemd weer, vreemder nog Dan al wat van u, kindje zoet, Ik gissen durfde en heb vermoed.
Ik droomde van u meen'gen nacht Toen de engel boodschap had gebracht, En toen verstond ik beter u Dan 't vleesch en bloed dat gij zijt nu.
Uw oogen zijn zoo eindloos diep, 't Is of uit hen Gods stem me riep, Zeg, kindeken, blijft gij bij mij, Of keert weldrâ gij tot Gods zij?
Alfred Hegenscheidt (6 april 1866 — 9 februari 1964)
De Franse schrijver en aforist Nicolas Chamfort, pseudoniem van Sébastien Roch Nicolas, werd geboren op 6 april 1740 in Clermont – Ferrand. Zie ook alle tags voor Nicolas Chamfort op dit blog.
Uit: Des femmes, de l’amour, du mariage et de la galanterie (Maximes et Pensées)
« CCCLXVIII L’amour le plus honnête ouvre l’âme aux petites passions. Le mariage ouvre votre âme aux petites passions de votre femme, à l’ambition, à la vanité, etc.
CCCLXIX Soyez aussi aimable, aussi honnête qu’il est possible, aimez la femme la plus parfaite qui se puisse imaginer, vous n’en serez pas moins dans le cas de lui pardonner ou votre prédécesseur, ou votre successeur.
CCCLXX Peut-être faut-il avoir senti l’amour pour bien connaître l’amitié.
CCCLXXI Le commerce des hommes avec les femmes ressemble à celui que les Européens font dans l’Inde ; c’est un commerce guerrier. »
Nicolas Chamfort (6 april 1740 – 13 april 1784) Het bekendste aforisme van Chamfort in het Engels op een t-shirt
De Armeense dichter en schrijverLevon Shantwerd geboren als Levon Seghposian in Konstantinopel op 6 april 1869. Zie ook alle tags voor Levon Shant op dit blog.
Uit: Ancient Gods (Vertaald doorAnne T. Vardanian)
“MAN IN WHITE Suffering is the submission to a life of pain; and the willful waste of life is death. FATHER SUPERIOR Through you speaks primitive mankind. MAN IN WHITE It is ailing mankind that speaks through you!!! FATHER SUPERIOR Enough! Who are you that speaks so profanely? Begone! There is no place on this island for you and your gods. MAN IN WHITE This island, too, is the world, and very much like the rest of the world. Oh, you bewildered, pay homage to the eternal gods!!! FATHER SUPERIOR Go away! MAN IN WHITE Confess, and pay homage! FATHER SUPERIOR Go away! MAN IN WHITE The day will come and you will confess. (He disappears.) FATHER SUPERIOR (looks about uncomfortably) Who was that? He vanished! An apparition, a doubt? No, never! The world cannot enter this island. The world shall never enter this island. No!”
Levon Shant (6 april 1869 – 29 november 1951) Borstbeel in Beiroet
Du beugst, o Wald, Dich niederwärts Und küssest jene schwarze Flut, Die nagend frisst Dein Wurzelherz Und saugt und trinkt von Deinem Blut.
Wie Dich hab' Manchen ich gekannt, Der Lenz und Lust im Herzen trug Und dennoch küsste jene Hand, die ach! ihm tiefste Wunden schlug.
Mein Herz
Mein Herz hat gestanden im Lebensstreit und manchen Schlag hingenommen. Sein Schicksal war lauter Feindseligkeit und doch ist es bis zu dieser Zeit mit dem Leben davon gekommen.
Doch Narb' um Narb' in der Jahre Lauf, Die zeugen von mancher Wunde, Die brechen in jeglichem Frühling auf, Wenn das Eis zerschmilzt und es grünt darauf Und der Kukuk bringt frohe Kunde.
Doch Blumen entspriessen der Narben Spur, Wenn Thränen sie heimlich begossen. So geht es ja auch mit Gottes Natur: Wenn Regenwetter vom Himmel fuhr, lässt Blumen aus Wunden sie sprossen.
Vertaald door Wilhelm Henzen
Aasmund Olavsson Vinje (6 april 1818 – 30 juli 1870) Monument in Granavollen, Gran, Noorwegen
De Zweedse dichter en schrijver Dan Andersson werd geboren op 6 april 1888 in Skattlösberg (Dalarna). Zie ook alle tags Dan Andersson op dit blog.
For My Sister
Now on the bog in yellow sedge there is a wind of spring and legends rise around the island in the Berga Falls Excuse a touch of bitter joy, to my guitar I'll sing the strength to cure us like the tender sweet gale health recalls
A song for you my sister when the earth's expecting spring Luossa's heather's full of lively wind and frantic bees that's where we learnt in infancy the walk of suffering and how to drain our childhood's cup of sorrow to the lees
But glorious glorious spring came on each year in roses veiled though stinging sorrow found our hearts and whitened our cheeks One day you knelt before the King, one night your courage failed and then you drank salvation out of mountains, hills and creeks
Come out when storm is raging in the fruit and willow trees Look at the burning skies of spring our Lord and stars to praise the mignonette outside your wall to your sweet slumber sees then roses cry, come out to us and sleep in our embrace!
Vertaald door Ake Helgesson
Dan Andersson (6 april 1888 – 16 september 1920) Cover
De Duitse dichter, schrijver, anarchist en activist Erich Mühsam werd geboren in Berlijn op 6 april 1878. Zie ook alle tags Erich Mühsamop dit blog.
Babette
Folg mir in mein Domizil, liebes Kind, und frag nicht viel. Wirst schon alles lernen, wirst schon alles sehn, liest nicht in den Sternen, was dir heut noch alles kann für Heil geschehn.
Stehst herum in Nacht und Wind. Komm! Bei mir ist's warm, mein Kind. Geb dir einen Taler, koch dir ein Glas Tee. Einen Emmentaler essen wir selbander auf dem Kanapee.
Bleibst bei mir bis früh am Tag. Geht dann jeder, wo er mag. Ich zum Redaktöre, du, wohin dich's treib. Morgen küsst, ich schwöre, dich mein guter Nachbar, ich des Nachbars Weib.
Durch Ekel fahr ich...
Durch Ekel fahr ich meinen Lebenskarren. Der Kutschbock kracht. Es ist ein elend Holpern. Die Gäule, die man Jahre heißt, sie stolpern in faulem Trott, und alle Fugen knarren.
Aus ungeölten Speichen quiekt mein Gott - kein Witz hilft, den ich in die Deichsel träufl! - So klappert’s durch die Welt. - Als Hüh und Hott keif peitschend ich den Mähren zu: Pfui Teufel!
Erich Mühsam (6 april 1878 – 10 juli 1934) Cover CD
De Franse, anarchistische, schrijver Georges Darienwerd geboren als Georges Hippolyte Adrien op 6 april 1862 in Parijs. Zie ook alle tags Georges Darienop dit blog.
Uit: Biribi, discipline militaire
« L’armée, c’est le cancer social, c’est la pieuvre dont les tentacules pompent le sang des peuples et dont ils devront couper les cent bras, à coups de hache, s’ils veulent vivre. Ah ! je sais bien : le patriotisme !… Le patriotisme n’a rien à faire avec l’armée, rien ; et ce serait grand bien, vraiment, s’il n’était plus l’apanage d’une caste, la chose d’une coterie, l’objet curieux que des escamoteurs ont caché dans leur gibecière, et qu’ils montrent de temps en temps, mystérieux et dignes, à la foule béante qui applaudit. Ce sentiment-là, je crois, n’est pas forcément cousu au fond d’un pantalon rouge. Il y a peut-être autant de patriotisme dans l’écrasement banal d’un maçon qui tombe d’un échafaudage ou dans la crevaison ignorée d’un mineur foudroyé par un coup de grisou, que dans la mort glorieuse d’un général tué à l’ennemi. Et il y a de bons patriotes, voyez-vous, qui haïssent la guerre, mais qui la feraient avec joie ― si l’on tentait d’assassiner la France ― parce qu’ils auraient l’espoir grandiose, ceux-là, non pas d’écraser un peuple, mais d’anéantir, avec le gouvernement qui le régit, toutes les tendances rétrogrades, féodales, anachroniques ― le caporalisme. Je réfléchis longtemps à ces choses. Je pense aussi aux trois années que j’ai passées ici, à mon existence de paria ! Quelle vie ! quel spectacle !… Et, lorsqu’ils ont défilé devant mes yeux, bien en lumière, tous ces affreux tableaux que j’évoque avec horreur, je m’aperçois que je n’en ai vu nettement qu’un côté, jusqu’à présent, et qu’une partie m’en a échappé, ― la partie la plus ignoble, sans doute, de ces conséquences de la compression. Emporté par la passion, aveuglé par la haine, je n’ai jamais senti à mes côtés, parmi mes compagnons de servitude, que les insoumis, que ceux qui résistaient, ne voulaient pas plier ; les seuls événements qui aient frappé mon esprit sont ceux grâce auxquels s’est affirmée la lutte de l’homme qui veut rester libre contre la discipline abjecte. Les journées remplies de la farce grossière de l’existence servile n’ont rien laissé en moi. Je les ai subies, tout simplement. Et quant au grand troupeau des disciplinés, des soumis, des domestiqués, je ne l’ai même pas dédaigné, je ne l’ai point vu. Qu’une bassesse de ces malheureux, par-ci par-là, m’ait fait hausser les épaules, qu’une de leurs vilenies m’ait fait lever le cœur, c’est possible. Rien de plus.”
Georges Darien (6 april 1862 – 19 augustus 1921) Cover
« Scène I Mme MERLUCHE, LUCETTE, BALIVERNE. MADAME MERLUCHE. Or ça, mes nièces, parlons un peu d'affaires. Vous commencez à devenir grandes filles, mes enfants; et à votre âge, je le sais par mon expérience, les jours sont longs et les années sont courtes. Je crois qu'il est temps, ou jamais, de songer à vous pourvoir. Feu monsieur Goguelu, votre père, se voyant près d'aller rendre ses comptes en l'autre monde, s'avisa de faire un testament. Il eût bien mieux fait de mourir subitement, le pauvre homme! Il n'eut pas cet esprit-là. Il vous laissa sous la tutelle, vous du Capitan, et vous du seigneur Trufaldin; deux aussi grands benêts, sans les flatter, qu'il y en ait dans le pays. En cette qualité, il a réglé qu'ils pourraient vous épouser au bout de l'an, ou bien vous marier à leur fantaisie. Voilà l'année finie. Quelle est votre intention à toutes deux? LUCETTE. Hé mais, ma tante pour ce qui est de moi, dame, je ne sais pas que vous dire, car, voyez-vous une fille, enfin, vous comprenez bien. MADAME MERLUCHE. Voilà une réponse fort claire. Et vous? BALIVERNE. Ah ma tante, en vérité, vous demandez là des choses bien extraordinaires. Comment voulez-vous qu'on vous réponde? Et le moyen d'acheminer la pudeur et la bienséance aux termes d'une déclaration comme celle-là. MADAME MERLUCHE. Oui? Voilà donc votre réponse, mademoiselle Lucette? Et vous, mademoiselle Baliverne, est-ce là tout ce que vous avez à me dire? BALIVERNE. Nous ne disons pas cela, mais enfin. »
Jean-Baptiste Rousseau (6 april 1671 – 16 maart 1741) De werken van Rousseau
“In 1852 I met in London the most sharp-witted of my opponents, Solger1; he was packing in order to leave for America straight away; in Europe, it seemed, there was nothing for him to do. ‘Circumstances seem to have convinced you,’ I remarked, ‘that I was not altogether mistaken?’ ‘I didn't need all that,’ replied Solger, laughing amiably, ‘to realize that I was writing sheer nonsense at the time.’ In spite of this charming admission, the general consensus of opinion, the abiding impression went, if anything, against me. Does not this feeling of irritation indicate the imminence of danger, fear of the future, the desire to conceal one's weakness, a peevish, petrified old age ? . . . But where there is danger there is hope! It is the peculiar destiny of the Russians to see further than their neighbours, to see in darker colours and to express their opinions boldly—Russians, those ‘mutes’ as Michelet once called them. This is what one of our compatriots wrote long before: ‘Who, more than we, extolled the virtues of the eighteenth century, the light of philosophy, the softening of manners, the universal spread of public spirit, the close and friendly ties binding the peoples, the mildness of rulers? . . . Though a few black clouds still appeared on humanity's horizon, yet hope's bright ray gilded their tips . . . we considered the end of our century would mark the end of the chief ills of mankind, and thought to see in it the fusion of theory and practice, of thought and action . . . where now is this most comforting system? ‘It destroyed itself in the making; the eighteenth century is ending and the miserable philanthropist takes but two strides to measure his grave, to lay himself down in it with his heart lacerated and betrayed, and close his eyes for ever.”
Alexander Herzen (6 april 1812 – 21 januari 1870) Portret van Alexander Herzen met zijn zoon door Alexander Lavrentievich Vitberg, 1840
Tags:Alfred Hegenscheidt, Nicolas Chamfort, Levon Shant, Aasmund Olavsson Vinje, Dan Andersson, Erich Mühsam, Georges Darien, Jean-Baptiste Rousseau, Alexander Herzen, Romenu
Als dan het koperen keteltje vol as van wat ik was wordt leeggeschud over het geduldig gras mijn lief, sta daar niet voor schut
en veeg de rimmel van je wangen. Denk aan de vingers die deze regels schreven in onze tijd van verlangen en die je streelden tijdens hun leven.
En lach om wat ik was, onder meer het gesnurk in de bioscoop, de onderbroek die steeds afzakte,
de debiele grap en de logge loop naar jou keer op keer toen ik je nu warme weelde pakte.
Een verteller
Hij zei dat zij zei dat hij zei - En toen, en toen, en toen? Het was in de tijd dat de padden dansten. Het was in het Jaar Zoveel.
Met meer voeten in de aarde dan je dromen kan verenigt de verteller nonnen en stieren, hermelijn en geweren, karren en kentauren, en wekt bliksem in de melk. En zet een weerhaak in het vel van wie alleen vermoeden wil.
De zanger
Vrij is de zanger niet Maar vlug en schamper en toppen scherend als een baard.
Vrij is hij niet want zijn doorboord geklater En zijn sprekend wormhout hangen in zijn mond, huig en zijn tong. Losgelaten in zijn huid, dit huis, Groet de zanger koekoek noch vinkenvanger
Noch de schuwe spieders in het laagland.
De zanger is zijn lied.
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008) Op de cover van De Rode Vaan, 1985
Aandacht volgt op ontspanning zoals de nacht volgt op de dag en de droomslaap volgt op de kalme slaap
ik lig met mijn hoofd op mijn arm voor het toetsenbord: de deadlines naderen, de deadlines komen voorbij
terwijl er - zoals dat aanvoelt - een weiland in mijn hoofd is
en een rij koeien die daar voortschrijdt, langzaam naar het hek waar we ze staan op te wachten
door een deur die kennelijk ergens openwaait komt er een luidruchtige vergadering mijn hoofd in golven en ik mag kiezen:
nadenken over wat er gezegd wordt en die zaal binnenlopen
of me bewegen en mijn ogen weer open doen en zo terugkeren naar het toetsenbord en mijn agenda en de opengeslagen boeken om me heen
de koeien werpen hun koppen naar achteren om de vliegen te verdrijven en de slierten kwijl aan hun lippen gaan heen en weer als de slingers van oude uurwerken
nu kijken door hun ogen kennelijk vanuit een wereld waar zij zijn anderen ons in de ogen.
Schelp
Nu je voeten koud zijn geworden de wreven van je voeten, je enkels, je scheenbenen nu je de televisie uitzet en je blik langs de meubels gaat
nu merk je de tocht die over de vloer trekt, die hoe lang al aan het trekken is en die je aan jezelf komt herinneren, in dit huis
uit de schelp in de boekenkast wentelt het ademhalen van Triton omhoog
en in die adem: de schemering van alleenspraak, zonder klacht, zonder vreugde verhaal voor wie bestemd, indien niet voor jou:
over verre tijden, oude stranden in de wind: wind over zeesterren en door neusfluiten, langs een vergeten gyroscoop zingend op de rand van een glas, over sleutels van zolder en sleutels van, ja, van wat?
en je staat met je schelp aan je oor zoals dat je ooit is voorgedaan en hij blaast je omver en roept: niet laten vallen!
ik wilde wel vergaan in 't licht te loore (Gorter)
I
Er was in mijn ogen de glinstering van één die verlangend uit wandelen ging, het zonlicht wenkte hoog en ver, ik wilde nooit meer bij hem weg, er waren ook vogels en ergens een vos, ik kon bij mijn leven niet meer van hem los, de vogels waren opgestegen ik kwam hem in hun hoogvlucht tegen, de vos was in een struik gekropen ik ben er rond om heen gelopen de wind deed als devote zang door heel de wereld ommegang
Alle dingen zijn zo vol verwachting en mijn handen nog verlangensleeg zo open vergeefs.
Hij had ook hele blauwe ogen die mij aanblikten van boven en zijn aanraking was zacht. Toen wilde ik verdwijnen in de opbloeiende lentepracht.
Zelfportret als klaproos
nec meum respectet, ut ante, amorem, qui illius culpa cecidit velut prati ultimi flos, praeter eunte postquam tactus aratrost. (Catullus, carmen 98)
‘Ze noemt je,’ zegt hij, ‘Lilith in habijt, de sluipwesp die ik huisvest en de slang die mij verleidt. Als God jou tot de orde roept, span jij Hem als een tam paard voor jouw kar en de straat ligt geplaveid met echtgenotes.’
Dat ik niet uit mijn lijst breek en dit stilleven tegenspreek. Dat ik de betere beelden verzwijg.
Barsten in een slakkenhuis van calciumcarbonaat een sok op een bergtop, een handschoen op straat een bloem benoemd tot onkruid en dan resoluut gemaaid.
The sun burns sere and the rain dishevels One gaunt bleak blossom of scentless breath. Only the wind here hovers and revels In a round where life seems barren as death. Here there was laughing of old, there was weeping, Haply, of lovers none ever will know, Whose eyes went seaward a hundred sleeping Years ago.
Heart handfast in heart as they stood, "Look thither," Did he whisper? "look forth from the flowers to the sea; For the foam-flowers endure when the rose-blossoms wither, And men that love lightly may die—but we?" And the same wind sang and the same waves whitened, And or ever the garden's last petals were shed, In the lips that had whispered, the eyes that had lightened, Love was dead.
Or they loved their life through, and then went whither? And were one to the end—but what end who knows? Love deep as the sea as a rose must wither, As the rose-red seaweed that mocks the rose. Shall the dead take thought for the dead to love them? What love was ever as deep as a grave? They are loveless now as the grass above them Or the wave.
All are at one now, roses and lovers, Not known of the cliffs and the fields and the sea. Not a breath of the time that has been hovers In the air now soft with a summer to be. Not a breath shall there sweeten the seasons hereafter Of the flowers or the lovers that laugh now or weep, When as they that are free now of weeping and laughter We shall sleep.
Here death may deal not again for ever; Here change may come not till all change end. From the graves they have made they shall rise up never, Who have left nought living to ravage and rend. Earth, stones, and thorns of the wild ground growing, While the sun and the rain live, these shall be; Till a last wind's breath upon all these blowing Roll the sea.
Till the slow sea rise and the sheer cliff crumble, Till terrace and meadow the deep gulfs drink, Till the strength of the waves of the high tides humble The fields that lessen, the rocks that shrink, Here now in his triumph where all things falter, Stretched out on the spoils that his own hand spread, As a god self-slain on his own strange altar, Death lies dead.
Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909) Cover
Uit: Lange Schatten in Berlin (Vertaald door Brigitte Döbert)
„Stempel Meine Wohnungstür ist mit geometrischen Mustern verziert, mit Vertiefungen in Form von Quadraten, Rhomben und Ellipsen, die die Ornamentik am Anfang des Jahrhunderts bildeten. Ich habe das untrügliche Gefühl, dass in diesem Haus eine zweite Tür existiert, die mit Erhebun-gen verziert ist, als habe die aus meiner Wohnung im noch weichen Zustand an jener geleimt, was den Unterschied erklären würde. Ähnlich wie man es von unserem eurasischen Kontinent an-nimmt, der sich einst, heißt es, an die amerikani-sche Platte schmiegte. Viele Dinge tragen so die Erinnerung an etwas Ähnliches, mehr oder weni-ger weit Entferntes in sich. In diesem Sinn haben alle Erscheinungen die Struktur von männlichen und weiblichen Körpern, die sich nur darin unter-scheiden, ob bestimmte Segmente ausgestülpt oder eingedellt sind. So enthüllt die Gegenständlich-keit der Welt ihre Herkunft, die sich wohl von der bürokratischen Gepflogenheit des Stempelns her-leitet. 1 )ie Entdeckung der Abhängigkeit zwischen einem Stempel und dessen Abdruck auf einem Blatt Papier dürfte auf eine Kanzlei zurückgehen. Die kleine Handbewegung will den Entwicklungs-gang einiger Gedanken beglaubigen und keines-wegs nur ein iiberraschendes Zeichen setzen, das wir als eigenständige Verzierung bewundern.“
„Im Bachbett floss zu dieser Jahreszeit nur ein zähflüssiges Rinnsal, auf dem sich, wie geschwürbedeckte Riesenkrabben, schmutzige Schaumkronen bewegten. Es stank erbärmlich nach Fäulnis und Verwesung. Es stank nach Tod und Verderben. Tarantino spürte, wie ihm die Beine einschliefen. Fast eine halbe Stunde lang befand er sich schon einige Schritte von seiner Schwester und von Jacinto entfernt und verharrte dort in der gleichen Stellung. Von seinem Versteck aus konnte er die Brücke sehen. Es war eine Brücke aus Beton. Scheinbar für die Ewigkeit gebaut. Der Bach floss unter ihr hindurch. Tarantino versuchte das linke Bein auszustrecken. Dazu musste er sein Gewicht verlagern. Als er sich etwas aufrichtete, lösten sich Steine. Sie kollerten zwischen seinen Beinen hindurch in das Bachbett hinein und verschwanden im Schaum, der sich zwischen alten Autoreifen und einem verbeulten Kühlschrank staute. Rechts von Tarantino bewegte sich ein Schatten. Es war Jacinto. „He", flüsterte Jacinto. „He", gab Tarantino leise zurück. Das war alles. Sie mussten sich still verhalten. Absolut still. Dieser Grenzabschnitt war berüchtigt. Es gab hier mehrere Löcher im Zaun, die von den Drogenschmugglern genauso benutzt wurden wie von den Flüchtlingen. Manchmal gab es Streit. Oft fielen Schüsse und es gab Tote auf beiden Seiten des Zaunes. Irgendwann würde auf der Brücke el indicador, ein Mann auf einem Motorrad, der ihnen als Wegweiser ein Zeichen geben sollte, wenn alles in Ordnung war, um dann sofortwieder zu verschwinden. So war es ausgemacht. Und wenn die Luft rein war, würden sie den Bach durchqueren und zum Zaun laufen, durch das Loch im Maschendrahtzaun, an dem allerhand stinkendes Zeug hing, und auf der anderen Seite, in Amerika, würde ein anderer Gringo mit einem Auto warten, um sie aus der Gefahrenzone heraus zu bringen, Und sobald sie in Sicherheit waren, konnten sie endlich aufatmen und sich umarmen und vor Glück weinen, denn dann waren sie endlich drüben in Amerika, und für Marcela und Tarantino und natürlich auch für Jacinto würde ein neues und gutes Leben beginnen.“
My death was arranged by special plans in Heaven And only occasioned comment by ten persons in Adams, Massachusetts. The best thing ever said about me Was that I was deft at specifying trump. I was killed by my father And married to my mother But born too early to know what happened to me, And as I was an only child I erected selfishness into a personal religion, Sat thinking forty years saying nothing. I observed all. I loved to drink gin, Would not have thought to go farther Into arcane episodes of the heavier drugs, And, being New England, always remained sober. However, I confess now, I was Always afraid of women, I don't know why, it was just the way it was, I could never get very close to any woman. Knowledge and intelligence allowed me The grand rationalization of this; also, I respected Delicacy, but would not go too far in any direction. I thought I was a good man. I was.
I did not obstruct the state, nor religion, But I saw through both and maintained my independence. I kept my counsels among the learned. My learning was more private and precious than worldly. The world had no sense of the devious, So my private vicissitudes were mine alone.
I say all this with a special sort of grace For I avoided many of the pitfalls of fallen man And while I did not have heroic size, the Creative grandeur, or mastership of the mind I earned my bread by cynicism alone, And blow you all a kiss from the tomb.
“Ik hoor niets, maar het begint al licht te worden. Voor mij tekent zich het behang af met de kegeltjes en driehoekjes, achter mij wacht de kamer. Met de half verduisterde ramen en de gebroken vensterbanken. Met het fluwelen stoeltje waarop mijn overgooier hangt alsof ik er nog in zit. Met de eettafel, vier poten in het tapijt, de kast met de porseleinen dieren en nog maar drie kristallen glazen. Met de drempel die me zo de kolere wenst, en de gang die me zal spiegelen als een zwarte sloot. In de gang staan twee deuren op een kier, de een leidt naar de keuken met de afwas, de ander naar de kamer met hem erin. De voordeur is goed dicht. Toch glijdt tussen deur en drempel het ijs van de veranda naar binnen en duwt tegen die veranda de tuin, waarop nog zo’n dertig centimeter sneeuw ligt. Achter de tuin staat het hek naar het pad, daarop zullen mijn voetstappen de eerste zijn en de laatste, zoals de meeste dagen. Laten we daar niet te lang bij stilstaan, laten we doorlopen, links het huis van Serpjakov passeren, met de ramen die dof en grijs zijn geworden als de ogen van een staarlijder, en rechts de bushalte, ook al verlaten. Zo’n tien jaar, schat ik, misschien langer. In ieder geval was het in hetzelfde jaar dat de bussen wegbleven en onze enige buurman vertrok. In het jaar dat ik me liever niet herinner. We noemden hem Serpjakov de Vriendelijke. In deze streek was zijn karakter al even uitzonderlijk als zijn complete gebit. We houden het erop dat hij het zich in ieder geval kon veroorloven breeduit te lachen. En hij dronk niet, zelfs niet toen zijn vrouw overleed. We weten niet waarom hij is weggegaan, hij had juist de daklijsten van zijn huis in de lak gezet. Misschien nam hij wel die laatste bus en kon hij gewoon niet meer terug, misschien is het niet meer dan dat. Na de bushalte komt het veld, dat eens een akker was, met nog een stuk of twintig gebouwen, kleine en grote, waaronder een schooltje, de bakkerij en de artsenpost. En daarachter ligt het complex van de oude batterijenfabriek. Alles is leeg en verlaten, en vanbinnen met hetzelfde grijze gruis bestoven.”
Tags:Hugo Claus, Martin Reints, Mieke van Zonneveld, Vítě,zslav Hálek, Algernon Swinburne, Bora Ć,osić,, Werner J. Egli, Richard Eberhart, Marente de Moor, Romenu
J.C. Bloem-poëzieprijs 2019 voor Jonathan Griffioen
J.C. Bloem-poëzieprijs 2019 voor Jonathan Griffioen
De Nederlandse dichter Jonathan Griffioenheeft met zijn bundel “Gedichten met een mazda 626” de J.C. Bloem-poëzieprijs gewonnen! Deze landelijke prijs wordt iedere twee jaar uitgereikt aan de tweede bundel van een veelbelovende jonge dichter, en is daarmee een aanmoediging voor de continuïteit van het dichterlijk talent. De prijs, groot 2500,- euro, is in het leven geroepen door de stichting Mr.J.C. Bloem-Poëzieprijs en de gemeente Steenwijkerland. Ze is bedoeld om de nagedachtenis aan naar de dichter J.C. Bloem levend te houden. In 2003 werd deze prijs voor de beste tweede bundel voor het eerst uitgereikt.
Jonathan Griffioen werd geboren in Amsterdam in 1987, maar groeide op in Wijk bij Duurstede en studeerde verpleegkunde in Den Bosch. Griffioen was finalist van Write Now! 2012 en halvefinalist van de NK Poetry Slam 2015. Zijn werk verscheen in diverse literaire tijdschriften zoals De Contrabas, De optimist. Awater, Krakatau, De Poeziekrant en Het Liegend Konijn. In november 2015 debuteerde hij met “Wijk”, waarmee hij genomineerd werd voor de C. Buddingh'-prijs.
Als een Dodokolonie
Het dashboard krult op in de rode Mazda 626 uit 1990 waar ik met Jimmy uit voortkom, waar ik plots uitspring. – Ik rol door het donker met mijn cv, mijn arme cv die hapert als de straatverlichting, krabbel op en beweeg in de kleine ruimte tussen geslaagde mensen (werkelijk jongens, ik ben van jullie gaan houden, jullie zijn zo goed gelukt) als een dodokolonie, en ik begin langzaam te wennen aan al jullie vieringen, dronken van Mariokart en Marx. Trek me alsjeblieft niet in twijfel zoals ik in twijfel ben getrokken, zeg me of we op mogen staan, gaan we al werken? Want mijn hoofd is rood geworden van de ijver in mij, en mijn handen zijn rood als mijn hoofd op een tafel vol replica’s van Darth Vaders lichtzwaard. Dadelijk ben ik begeesterd, ben ik gelovig, ben ik niet meer mijn buik, ben ik mijn buik en mijn rug en de darkside, kruinen en vliezen vergeten.
Ik ben mijn buik vergeten. Jullie zijn mijn buik vergeten. De lucht die we sinds de puberteit binnenhielden, is ontsnapt.
Wijk
In Wijk lagen we als leeggelopen ballen tegen muren, vlakgedrukt tegen de loodrechte huizen in buitenwijken, aanstekers en Axe en vertrokken gezichten. Balkons vol moeders schreeuwden dat het etenstijd is en wij rookten paracetamol of kerfden onze namen in strak getrokken huiden, wij gooiden stenen naar reigers omdat ze zo clichématig langs de waterkant stonden. We gingen de nacht in via steeds legere garages, stonden rond een ouijabord onder de sluizen, maar de geesten die er dwaalden, hadden nooit iets boeiends te vertellen. In Wijk, maakten we van meisjes knellende ritsen met tongen van ijzer en borsten vol sokken, was het tijd, bleven wij in de portieken hangen. In Wijk droomde ik van een huis zonder NCRV-gids.
“Ze kwamen er snel achter dat iedereen een idee heeft wat ivf is, maar dat niemand weet wat iui is. En dat dit zo was omdat de meeste mensen het woord insemineren niet over hun lippen kunnen krijgen. ‘Morgen moet ik naar het ziekenhuis.’ ‘O, plaatsen ze dan de eitjes terug?’ ‘Nee, dat is bij ons nog niet. Er wordt niks teruggeplaatst.’ ‘Wat gaan ze doen, dan?’ ‘Ik moet geïnsemineerd worden.’ ‘Geïnsemineerd?’ ‘Ja, geïnsemineerd.’ Zoiets zeg je niet zomaar even bij de koffieautomaat. Het doet denken aan vee, aan koeien en stieren en rietjes. Morgen moeten de eitjes teruggeplaatst worden is een vele malen ingewikkelder behandeling, maar gemakkelijker om te zeggen. ‘Dus jullie doen ivf?’ ‘Zover zijn we nog niet, we zitten nog een stap voor dat traject.’ Vaak liet Marit het er dan maar bij. Ze wilde niemand confronteren met het beeld van haar benen in de beugels en een arts met een rietje in de handen. Zwanger proberen te worden via het ziekenhuis loopt via een vast stramien, zo bleek. In de eerste fase moest ze de derde dag van haar cyclus beginnen met het slikken van kleine tabletjes Clomid. Ze merkte van de pillen zelf, buiten wat misselijkheid, niet zoveel. Het was meer de week erna, nadat ze op dag zeven de laatste pil had genomen. Dan leek het net alsof haar lijf dacht: wat is hier aan de hand? Dan kreeg ze de neiging om mensen aan te vallen, liep ze op straat opzettelijk voorbijgangers omver en deed ze gemeen tegen iedereen die haar voor de voeten liep. Vooral Maarten moest het ontgelden. ‘Terwijl ik helemaal niet in hormonen geloof’, riep ze een keer tegen hem. ‘Het is toch allemaal gedrag? Een mens kan zich toch inhouden?’ Maar ze kon zich niet inhouden. Na het slikken van de tabletjes kwam de week van de echo’s, om te beoordelen of de eitjes het goed deden. De meeste mensen denken bij een echo aan zwangere vrouwen in de film, maar zo’n buikecho laat niet genoeg zien bij zoiets kleins als eierfollikels, dus je krijgt een pook, zoals dat heet. De naam zegt alles.“
Wanneer ze weg wil dromen, vraag het haar, waarom ze haar leven achterlaat, en haar voetstappen kraken.
Ze vertelt hoe ze vergeten is, waar ze naartoe moest, en hoe de horizon is gekomen, en zich weer heeft laten verdwijnen.
Ze vertelt toen ze dacht, dat ze een engel was, en waarheen ze ging vliegen zich niet meer kon herinneren.
Ondergelopen
Overgevoelig voor een badkuip, gevuld met verlangen naar meer, stijgt diep tot aan mijn enkels. De kraan open laten, opwarmen tot het ijs sponst en bodempje afvalwater kan niet weglopen. Je liep door me heen als door een vergiet en droogde jezelf uit over de jaren, nu vullen mijn mond en neusgaten zich met een zee van plastic, levenloos door verdronken zijn zoals nooit tevoren druppels, druppels onderdrukken een stormvloed.
“Op mijn zesde verjaardag stopte papa Tom mij in zijn rugzak. Onder in de zak zaten twee gaten waar mijn beentjes doorheen konden. Ik kon op twee manieren in de zak: naar voren met mijn kin rustend op papa’s schouder en mijn schoenen bungelend tegen zijn benen, en naar achteren, waardoor ik onze ranch langzaam in de zinderende woestijnhitte zag verdwijnen en ik kon zwaaien naar de lachende kinderen in de passerende auto’s. Op mijn zesde verjaardag zat ik er achterstevoren in. Het zou mijn laatste tochtje in de zak worden, had papa Tom gezegd. Ik was eruit gegroeid, maar ik wilde nog één keer genieten van het uitzicht en de gloeiende zomerzon op mijn wangen. ‘Waar ga je heen met dat kind?’ vroeg mama Lou. ‘Op expeditie,’ zei papa. ‘Hoelang?’ ‘Een uur, een dag, een maand, een jaar.’ ‘Er is taart.’ Voor de spiegel in de keuken kamde papa Tom zijn zwarte sluike haar. Ik keek naar de slagroomtaart op de tafel. Mama Lou had hem gebakken. Ze was de beste taartenbakster van heel Texas. Er lagen kersjes, mandarijnpartjes en chocolaatjes op. In het midden stonden zes brandende kaarsjes. Mama Lou had ze dicht bij elkaar gezet, zodat ik ze in één keer uit kon blazen. ‘Wil je taart, Eden?’ vroeg papa Tom. ‘Ja,’ zei ik, ‘en kersjes voor onderweg.’ Papa Tom ging achterstevoren op een stoel zitten, mama Lou schoof de taart naar me toe en ik blies zo hard als ik kon. De vlammetjes waaiden uit en drie kaarsjes vlogen van de taart.”
Marcel Vaarmeijer (Amsterdam,4 april 1963)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelouop dit blog.
The Black Family Pledge
BECAUSE we have forgotten our ancestors, our children no longer give us honor.
BECAUSE we have lost the path our ancestors cleared kneeling in perilous undergrowth, our children cannot find their way.
BECAUSE we have banished the God of our ancestors, our children cannot pray.
BECAUSE the old wails of our ancestors have faded beyond our hearing, our children cannot hear us crying.
BECAUSE we have abandoned our wisdom of mothering and fathering, our befuddled children give birth to children they neither want nor understand.
BECAUSE we have forgotten how to love, the adversary is within our gates, an holds us up to the mirror of the world shouting, 'Regard the loveless'
Therefore we pledge to bind ourselves to one another, to embrace our lowliest, to keep company with our loneliest, to educate our illiterate, to feed our starving, to clothe our ragged, to do all good things, knowing that we are more than keepers of our brothers and sisters.
We ARE our brothers and sisters.
IN HONOR of those who toiled and implored God with golden tongues, and in gratitude to the same God who brought us out of hopeless desolation, we make this pledge.
Savior
Petulant priests, greedy centurions, and one million incensed gestures stand between your love and me.
Your agape sacrifice is reduced to colored glass, vapid penance, and the tedium of ritual.
Your footprints yet mark the crest of billowing seas but your joy fades upon the tablets of ordained prophets.
Visit us again, Savior. Your children, burdened with disbelief, blinded by a patina of wisdom, carom down this vale of fear. We cry for you although we have lost your name.
Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)
De Britse schrijfster E. L. James(pseudoniem van Erika Leonard) werd op 4 april 1963 in Buckinghamshire als Erika Mitchell geboren.Zie ook alle tags voor E. L. James op dit blog.
Uit: The Mister
“Who the hell is this timid creature standing in my hallway? I’m completely bemused. Have I seen her before? An image from a forgotten dream develops like a Polaroid in my memory, an angel in blue hovering at my bedside. But that was days ago. Could it have been her? And now she’s here, rooted to the hallway floor, her impish face pale, her eyes downcast. Her knuckles grow whiter as she clasps the broom handle tighter and tighter, as if it’s anchoring her to the Earth. The headscarf conceals her hair, and an oversize, old-fashioned nylon housecoat swamps her small frame. She looks totally out of place. “Who are you?” I ask again, but in a softer tone, not wanting to alarm her. Wide eyes, the color of a fine espresso and framed by the longest lashes I’ve ever seen, look up at me, then back at the floor. Shit! One peek from her dark, fathomless eyes and I’m . . . unsettled. She’s at least a head shorter than me, perhaps five feet five to my six feet two. Her features are delicate: high cheekbones, an upturned nose, clear fair skin, and pale lips. It’s obvious that she’s cleaning. But why her? Why here? Has she replaced my old daily? “Where’s Krystyna?” I ask, growing a little frustrated at her silence. Perhaps she’s Krystyna’s daughter—or granddaughter. She continues to stare at the floor, her brow furrowed. Look at me, I will her. I want to reach forward and tilt her chin up, but as if she reads my mind, she raises her head. Her eyes meet mine, and her tongue darts out, and nervously she licks her upper lip. My whole body tightens in a hot, heavy rush as desire hits me like a demolition ball. Fuck a duck! I narrow my eyes as annoyance swiftly follows my desire. What the hell is wrong with me? Why does a woman I’ve never met have such an effect on me? It’s irritating. Beneath fine arched brows, her eyes grow wider, and she takes a step back, fumbling with the broom so that it falls from her hands and clatters onto the floor. She bends with easy, economic grace to pick it up, and when she’s standing once more, she fixates on the handle, a slow flush staining her cheeks as she mumbles something unintelligible.”
E. L. James (Buckinghamshire, 4 april 1963)
De Franse schrijfster Marguerite Duras (pseudoniem van Marguerite Donnadieu) werd geboren op 4 april 1914 in Gia Dinh, Indochina (nu Vietnam). Zie ook alle tags voor Marguerite Durasop dit blog.
Uit: The Lover (Vertaald door William Collins)
“One day, I was already old, in the entrance of a public place a man came up to me. He introduced himself and said: ‘I’ve known you for years. Everyone says you were beautiful when you were young, but I want to tell you I think you’re more beautiful now than then. Rather than your face as a young woman, I prefer your face as it is now. Ravaged.’ I often think of the image only I can see now, and of which I’ve never spoken. It’s always there, in the same silence, amazing. It’s the only image of myself I like, the only one in which I recognize myself, in which I delight. Very early in my life it was too late. It was already too late when I was eighteen. Between eighteen and twenty-five my face took off in a new direction. I grew old at eighteen. I don’t know if it’s the same for everyone. I’ve never asked. But I believe I’ve heard of the way time can suddenly accelerate on people when they’re going through even the most youthful and highly esteemed stages of life. My ageing was very sudden. I saw it spread over my features one by one, changing the relationship between them, making the eyes larger, the expression sadder, the mouth more final, leaving great creases in the forehead. But instead of being dismayed I watched this process with the same sort of interest Imight have taken in the reading of a book. And I knew I was right, that one day it would slow down and take its normal course. The people who knew me at seventeen, when I went to France, were surprised when they saw me again two years later, at nineteen. And I’ve kept it ever since, the new face I had then. It has been my face. It’s got older still, of course, but less, comparatively, than it would otherwise have done. It’s scored with deep, dry wrinkles, the skin is cracked. But my face hasn’t collapsed, as some with fine features have done. It’s kept the same contours, but its substance has been laid waste. I have a face laid waste. So, I’m fifteen and a half. It’s on a ferry crossing the Mekong river. The image lasts all the way across. I’m fifteen and a half, there are no seasons in that part of the world,we have just the one season, hot, monotonous,we’re in the long hot girdle of the earth, with no spring, no renewal.”
Marguerite Duras (4 april 1914 – 3 maart 1996) Scene uit L'Amant (internationaal bekend als The Lover), een Franse film naar het boek van Duras uit 1992
„Der Sturm wurde heftiger. Das Laub sauste und kreische, die Wolken rollten mit Tempo in den Westen, da und dort fielen Ziegel auf die Gehsteige. Der Bader Ecke Kärntner Straße und Hürunelpfortgasse, der als Krüppel vor seinem Hut gesessen war, sprang auf und lief diesem hinterher, den der Sturm zum Stock-im-Eisen-Platz trieb. Auch Ed-mund Fraul, der eben über die Salztorbrücke ging, wurde der Hut vom Kopf gerissen. Schon schwamm der im Do-naukanal und unter der Brücke weg. Fraul, vornüberge-beugt, ging weiter, das schlohweiße volle Haar in alle Rich-tungen. Er überquerte den Kai. Die grünbärtige Ruprechtskirche sah älter aus, als sie war, bedrückt ließ sie auch diesen Saum über sich ergehen, der Sand der Baustelle neben ihr wir-belte um sie herum, Fraul bog in die Rotenturmstraße ein. Auf dem Stephansplatz, ohnehin der windigste Platz der Stadt, wurde der Saum geradezu unerträg,fich. Rechts in der Brandstätte ließ der Druck etwas nach. Fraul ging rasch und wusste mit einem Mal, dass ihm von den Häusern, an denen er endangeilte, Unheil drohte. Konnte es sein, dass hinter den Fenstern Leute lauerten, die ihm vierzig Jahre später noch nach dem Leben trachteten? Er schaute rasch links und rechts zu den Scheiben häng Als er in den Tuch-lauben eintraf, zerriss der Sturen die Wolken über ihm, sodass die Novembersonne jäh den Straßenzug aufhellte; einen Moment ließ der Sturm ganz nach, dann trieb er Ed-mund Fraul ins Cafe Korb. Damals hob ich den Blick, legte die Zeitung weg, stand auf;“
“Op een zaterdagmorgen hoor ik geclaxonneer in mijn straat en als ik naar buiten loop zie ik de Toyota-High-Ace pick-up van een vriend voor de poort staan. Vriend met een big smile achter het stuur. Hij buigt zijn hoofd uit het raampje en roept dat ik de poort moet openmaken. Vreemd, denk ik, hij zet toch altijd zijn wagen op de oprit, maar ik sta er verder niet bij stil en ontgrendel de poort. Hij rijdt het erf op en roept me in het voorbijrijden toe dat ik de poort maar achter hem moet sluiten. Dat doe ik, terwijl Vriend intussen zijn pick-up vlak tegen het huis aan parkeert en uitstapt. ‘Je kunt komen,’ zegt hij. Tot mijn stomme verbazing schiet daarop de stoel naast de bestuurdersplaats als een springveer omhoog en er vertoont zich een jongedame die schielijk mijn huis in glipt. De associatie vliegt me door het hoofd met de poppetjes van paters in bruine togen, die wanneer je ze op de kruin drukt hun piemel vanonder de pij tevoorschijn laten komen. ‘Een nichtje,’ grijnst Vriend me toe. Ik begin zo langzamerhand de hele familie van Vriend te kennen en in die familie zijn, voor wie het geloven wil, de vrouwelijke chromosomen gruwelijk oververtegenwoordigd. Het eerste nichtje dat ik te zien kreeg viel vooral op door haar sprekende gelijkenis met een manatee die ik eens gezien had in een park grenzend aan de mistroostige dierentuin van Georgetown. Deze manatee - de zeekoe of lamantijn - speelt in de Groot-Guyanese mythologie geen onbelangrijke rol, al geloof ik dat die toch vooral te danken is aan slecht kijken. De manatee komt tot ver in de binnenlanden voor en laat af en toe een glimp van zichzelf zien aan de oppervlakte van het water. De Surinamers hebben in haar de Watramama, de Watermoeder, gezien, een rijkdom schenkende godin met een lichte huidkleur en lang zwart haar. De dichter Trefossa - Henny de Ziel - zag in de haven van Kopenhagen het beeldje van de kleine zeemeermin uit het sprookje van Andersen en er ging een schok door hem heen: Watermoeder, zo vroeg hij zich af, wat doe jij hier op die steen? En hij merkte op dat zij haar gelukbrengende gouden kam niet bij zich had. Ik weet waar je die hebt gelaten: in Suriname, wist de in Europa verdwaalde Trefossa. Hoeveel charmes de Watermoeder ook worden toegeschreven, dat men haar in de manatee heeft ontwaard blijft bizar, want de zeekoe hoort toch thuis in de categorie van de wat loggere beesten als het nijlpaard en de zeeolifant: lieflijk, maar niet te verstouwen.”
Uit:Das Leben der Hochgräfin Gritta von Rattenzuhausbeiuns (Samen met Gisela von Arnim)
“Es war einmal ein altes Schloß, umfaßt von hohen Bergen, das selber auf einem hohen Berg lag, etwas niederer als die ihn umgebenden. Wie ein Ring umschloß das Tal den Berg, und in einem Ring umschlossen die dunklen felseckigen Berge das Tal. Aus ihren Moosrinden wuchs hie und da spärliches Binsengras hervor; unten im Tale lief hie und da ein Bächlein durchs Grün an hie und dort einem Gebüsch vorüber, die Wurzeln spülend. Oben im Gezweig guckten junge Vogelköpfchen aus den Halm- und Mutterfederflaum-Nestchen dem harmlosen Dahinrollen unten zu, und war der Bach artig, so erzählte er ihnen leise Märchen, und sie taten zuweilen einen Piep des Wohlgefallens dazwischen; kurz, es war ein schönes Leben in dem Gebüsch. – Bald flog eins in den Lüften oder sang lieblich; sie hatten sich hier ungestört und häuslich zufrieden niedergelassen. Es war ein Ausweg aus dem Tal, der ganz überbaut war von Felsen; manchmal sah man in Mitten der Berge in den Eingang einer engen dunklen Höhle, und an verschiednen Orten stürzten kleine Gießbäche heraus, grade hinab ins Tal, brausten dort heftig auf und verloren sich leise murmelnd. Die Grundmauern des Schlosses bauten sich dicht am Rande der Felskuppe schräg in die Höhe, in kahlen Wänden, zuweilen durch ein Fensterloch unterbrochen mit alten Eisenstäben verwahrt, mehr für Ratten als für ein Menschengesicht. So erschienen die Wände auch belebt, wenn in schönen Abendstunden die Welt hochrot gefärbt war und die dunkeln Berge von mattem Rosenschimmer bestrahlt; da regte sich die ganze Burg. Es war ein Getümmel von Begraurockten; da balanzierten die jungen Ratten auf der schrägen Wand, da kam eine Rattenmutter mit sieben Jungen, die sollten die Abendluft genießen, dort ein dicker Rattenklausner oder gar ein vielköpfiger Rattenkönig; bis zuletzt ein graues Gewimmel die alten Mauern deckte. Dann sah es wohl von weitem aus, wenn sich die Abendsonne in einem Schloßfenster spiegelte, als leuchte sie den alten Steinen – denn dafür hielt man die Ratten in der Ferne – zum Abendtanz, und man hatte Angst, sie würden einmal ganz davon laufen und den Besitzer ohne Besitz lassen. Es waren auch Türme an den Ecken, aber zerfallen, außer einem, der noch zierlich an das alte Nest geklebt war; aber aus den gotischen Rosen und Linien der Verzierungen wuchs Gras und Moos.“
Bettina von Arnim (4 april 1785 – 20 januari 1859) Scene uit de film “Gritta von Rattenzuhausbeiuns“ uit 1985
Tags:Hanneke Hendrix, Marko Klomp, Marcel Vaarmeijer, Maya Angelou, E. L. James, Marguerite Duras, Robert Schindel, Michiel van Kempen, Bettina von Arnim, Romenu
Charles Ducal, Adriaan Jaeggi, Frederik van Eeden, Bert Bakker, Peter Huchel, Arlette Cousture, Pieter Aspe, Karel N.L. Grazell, Washington Irving
De Vlaamse dichter en schrijver Charles Ducal(pseudoniem van Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ook alle tags voor Charles Ducalop dit blog.
Ballade van de zee
Niet de wind, maar een boze mond doofde de kaars. De koningszoon verdronk.
Wie op hem wachtte werd gek van verdriet en sprong in zee. Beiden werden een lied.
Is het water te diep, koopt men een plaats op een boot. De afstand is niet zeer groot.
De levens aan boord, zij wegen zo zwaar en de boot is licht. Ook brandt er geen kaars.
Aan de overkant is nog een feest aan de gang. Men eet er de wereld, al eeuwen lang.
Spoelen de lijken aan, vangt men ze op en wordt stil. Een minuut lang spreekt God.
Daarna blazen monden het fort weer dicht, voor de poort ligt een oorlogsschip.
De doden in zee, ook zij worden een lied. Het zingt niet, het huilt.
En toch hoort men het niet.
Honger
Niet langer bij wijze van spreken, maar in de precisie van huid en haar, een schoonheid met leeftijd en wereld: ik wil een antwoord, geen vraag.
Ik wil een kamer zonder verbeelding, een vrouw die is wat ik lees. Honger die het verlangen kan breken, wrevel wordt, vlees op vlees.
Ik wil je schaamte, je kleine gebreken, je schoonheid in menselijke taal. Maar ik vrees dat te veel is geschreven, dat de werkelijkheid niet meer bestaat.
Werkelijkheid
Toen de lucht op was verdwenen de dingen. De meubels stonden gedacht, louter schimmen van ambacht en hout. Ik hield een pen in de hand, maar kon mij het doel niet herinneren. Er scheen licht, maar dat lag aan de lamp.
Of omgekeerd. Alle verklaring was opgebrand. De boekenkast vol, maar zonder gewicht. Zodra ik er mij op beriep, vielen de letters als zand van de bladen. De spiegel keek wit van schrik naar de kamer, die barstte,
scherven van een onleesbaar gedicht. Zo geschiedde in alle kamers waarin ik was opgesloten, in theorie. Elke deur vastgezogen door niets, het luchtledige. Alsof niet achter de deur de materie
“Ik vind de afstandsbediening en knip de televisiebeelden weg. Mijn oma zucht. Ze draait een halve slag in haar stoel en staart naar buiten, met haar theekopje aan haar lippen. ‘Is het niet triest, Sam, als zo veel mensen blij zijn als je begraven wordt?’ ‘Blij? Ik geloof niet dat ze blij zijn,’ zeg ik. ‘Ze huilen toch?’ ‘Daar zijn ze juist blij om. Dat iemand voor ze gestorven is, zodat ze een reden hebben om te huilen. Niet om haar,’ ze maakt een geluid alsof ze haar neus ophaalt, ‘pauvre, silly, niet om dat arme domme veulen, maar om alle dingen, Samson, alle dingen waar ze anders niet om durven huilen. Lacrimae rerum, Sam, weet je wat dat betekent? De tranen om de dingen.’ Mijn oma spreekt vier of vijf talen, Nederlands, Engels, Frans, Duits, het ltaliaans van mijn opa. Nu komt haar Latijn ook weer terug. Het begint wel steeds meer door elkaar te lopen met de jaren. Mijn oma houdt haar kopje uit. Ik schenk haar bij. Ze kijkt me strak aan over de rand en dan, van het ene op het andere moment, alsof er een deur voor haar neus is dichtgeslagen, glijdt haar blik van me af en zijn haar gedachten niet meer hier. Ik probeer haar aandacht te trekken, maar haar heldere moment is alweer voorbij. Ze staart naar het kopje in haar schoot dat ze met twee handen vasthoudt. Als je zo oud bent als mijn oma heb je zoveel om aan terug te denken dat je weinig tijd meer over hebt voor wat er nog om je heen gebeurt. Het lijkt me prettig om zeventig te zijn, of tachtig, de leeftijd waarop het niet meer uitmaakt, dat je rustig kunt doen wat je wilt, omdat je het prima gedaan hebt en dat elke extra dag die je leeft je prestatie alleen nog maar groter wordt. Mijn oma leeft weer op. ‘Hoe is het met Patrick, Sam?’ ‘Goed, oma.’ ‘En hoe is het met die lieve moeder van je?’ Dat heeft ze me al tien keer gevraagd. ‘Goed, oma.’
“Op Vrijdag 21 Februari ooverleed mijn zoon Paul van Eeden na vier en twintig jaren leevens. Het komt niet vaak vóór dat een vader de biografie schrijft van zijn zoon. Maar het zal toch wel niet strijden teegen algemeene gevoelens van kieschheid en bescheidenheid. Dat een zoon het doet van zijn vader is nooit hinderlijk gevonden, maar in teegendeel vaak geëerd als een werk van piëteit en liefde. En hoe sterk zijn de gevoelens van piëteit en liefde die mij dwingen tot het schrijven van deeze bladzijden! Ik waag het naauwelijks te beginnen, uit vrees dat ik het niet goed en waardig genoeg zal doen, niet genoegsaam in den geest van hem, zooals hij was bij zijn scheiden. Zoo groot is mijn eerbied voor mijn eigen kind, zooals het geworden is door lijden en geduld, en zoo groot is mijn dankbaarheid voor wat hij mij gaf in zijn korte leeven en vooral bij zijn heerlijk einde. Want hij is het waardig dat ik van zijn schijnbaar weinig beteekenende loopbaan het eedelste en merkwaardigste neederschrijf en zijn nagedachtenis voor anderen tracht te bestendigen, omdat hij een gewoon jongensbestaan met fouten en vergissingen, wist te doen eindigen in wat ik wel een heilig wonder noemen durf, en een volstrekt niet feilloos karakter wist te verreinen en te verheffen tot een volkoomen zuiverheid van zachtmoedige liefde. Zijn ziekte, zijn lijden was de donkerste schaduw op mijn leeven, en zijn heengaan zag ik tegemoet als de zwaarste slag die mij treffen kon - maar door de wijze waarop hij stierf is deeze slag en zeegen voor mij geworden. Jarenlang, sints den eersten aanval zijner ziekte, was hij mijn smartekind, met wiens beeterschap of verergering mijn stemming op en neer ging, en wiens lijden mij te meer folterde, om zijn innige geneegenheid en kinderlijk vertrouwen jeegens mij, in wiens handen hij zijn lot altijd met volle oovergave legde, en die daardoor de verantwoording voor elken misslag met soms duldelooze zwaarte droeg. Toen is, wat ik het meest van alles duchtte, het toppunt van de angst die mij benaauwde - het afscheid van den zoo geliefden zoon, tot een zeegen en een genade geworden. En ik schrijf dit alles nu en zal het oopenbaar maken - omdat ik weet dat wat hij mij gaf ook voor meerderen bedoeld is, wien ik de gave niet onthouden mag.”
Frederik van Eeden (3 april 1860 – 16 juni 1932) Paul van Eeden
De Nederlandse dichter, schrijver en uitgever Bert Bakkerwerd geboren in Huizum (Leeuwarden) op 3 april 1912. Zie ook alle tags voor Bert Bakker op dit blog.
Grensgebied
Met één seizoen is nooit ons hart tevreden. Jan Van Nijlen
Grijs is de middag, grijzer is het water. Regen versluiert zee en horizon. O, dat de dag zóó duren kon, En niet meer verderschoof - naar later.
Wij loopen onder lucht en boomen. Het waaiend regenen deert ons niet. En wat elk eens in heimwee achterliet, Wordt hier vernieuwd teruggenomen.
Meen niet, dat wij den weg ten einde loopen. Wie 't licht verlaat, krijgt heimwee naar het licht. En wat soms lokt en roept, blijft lang nog dicht, En doet zich niet dan na ons sterven open.
Mei! O, gij zachtste aller maanden, Wij staan in u ter grens van leven en van dood. Maar 't wankel hart weet onuitsprekelijk groot De rust om wat voorbij is en aanstaande.
Bert Bakker (3 april 1912 – 19 september 1969) In 1965
Vollendeter Sommer, am äußersten Rand der Sonne beginnt schon die Finsternis. Lorbeerverwilderungen, dahinter aus Disteln und Steinen ein Versteck, das sich der Stimme verweigert.
Transparenz des Mittagslichtes, Verse, die an nichts erinnern, ein helles Wasser berührt den Mund.
Die Sternenreuse
Daß du noch schwebst, uralter Mond? Als jung noch deine Scheibe schwebte, hab ich an einem Fluß gewohnt, wo nur das Wasser mit mir lebte. Das Wasser schwoll, es war Gesang, ich schöpfte und mein Atem lauschte, wie es um Steine tönend sprang und schäumend schoß und niederrauschte.
Zwei Felsen, wie betäubt von Ruß und steil und schmal wie eine Schleuse, umstanden damals noch den Fluß. Im Wasser hing die Sternenreuse. Ich hob die Reuse aus dem Spalt, es flimmerten kristallne Räume, es schwamm der Algen grüner Wald, ich fischte Gold und flößte Träume.
O Schlucht der Welt, des Wassers Schwall kam wie Gesang: war es mein Leben? Damals sah ich im dunkeln All ganz nah die Sternenreuse schweben.
Peter Huchel (3 april 1903 – 30 april 1981) Fotoboek met teksten van en over Peter Huchel
“J’ai quitté ce monde bien avant que tu n'y arrives. Tyr fais partie de cette cohorte de petits-enfants dont, jusqu'à ma mort, j'ai ignoré l'existence. Dommage. J'aurais aimé vous connaître, non pas tant pour vous bichonner; mais bien pour voir s'il y avait encore chez vous de moi et d'(h'ila. j'ai aimé cet homme à la folie, mais à y repenser, je ne crois pas que nos folies se soient fréquem-ment rencontrées. je dirais qu'elles se sont à peine anisées. Je m'intennge maintenant sur les raisons qu'il avait de me demander en mariage si ce n'est pour m'enlever à quelque soupirant Au moins tu auras compris que le grand perdant aura été Henri Domine, le cher homme. Encore maintenant, je crois avoir rêvé quand je repense à Oviles Il étaitgrand, beau et indépendant C'est peut-être ce qui m'attirait Je n'avais qu'un désir; le faire chuter dans mes filets tendus à tous les coins de sa vie, depuis l'école jusqu'aux chantiers. Dans la paroisse de Saint-Tite campagne, il n'y avait pas beaucoup d'hommes d'aussi beau que lui, honnis son frère Oside. Nous n'avions que deux ans de dift&ence, mais j'aurais aimé que tu lui voies le regard, les cuisses et le postérieur. Quant à ce que ses vêtements cachaient, pendant longtemps j'étais la seule à pouvoir y accéder. Il s'était fait des épaules carrées et puissantes à force de bûcher. Il avait un corps qui ressemblait à ceux des ouvriers de la fin du XIX' ou du début du xr siècle, je dis bien qui ressemblait. Si j'osais, je dirais qu'il était encore plus beau que le David de Michel-Ange, dont mon bon Henri m'avait montré une photo-graphie. Th sais que, même maintenant, ces pen-sées impudiques — Henri aurait dit lubriques- me troublent Je suis un peu effrontée de parler de son corps puisque ce n'est ni de mon âge, ni de ma génération. Le fait est que c'est quand même la première chose qui nous saute aux yeux, tu en conviendras je peux t'avouer, maintenant que je sais que tu as deviné beaucoup de nos secrets, que je ne cessais de nous trouver des occasions d'être ensemble. La crèche de Noél aura été la première. Je regardais toutes les filles qu'il pouvait zieuter et je voyais bien qu'Ovila était une espèce de coq. Donc, à mon goût, il était le plus beau de la paroisse, peut-être pas le plus auentif ou le plus ser-viable, mais le plus beau, c'est certain. »
Arlette Cousture (Saint-Lambert, 3 april 1948)
De Vlaamse schrijver Pieter Aspe (pseudoniem van Pierre Aspeslag) werd geboren in Brugge op 3 april 1953. Zie ook alle tags voor Pieter Aspeop dit blog.
Uit: Het vierkant van de wraak
'Van In hier,' zei hij bits. 'Hallo, Van In, u spreekt met De Kee, goeiemorgen.' Niets klinkt ironischer dan je baas die je op zondag een goeiemorgen toewenst. 'Excuseer dat ik u zo vroeg stoor.' De ironie van de hoofdcommissaris kende vandaag geen grenzen. Van In nam een nijdige trek van zijn sigaret. Hij wist dat er nattigheid op komst was. 'Ik ben net opgebeld door Ludovic Degroof. U kent hem toch?' Die ken ik,' antwoordde Van In gelaten. Iedereen kent Hitler toch ook, wou hij zeggen. 'Goed. Luister nu goed wat ik ga vertellen, Van In.' De Kee kon niet anders dan Van In verklappen dat Degroof hem uit zijn bed had gebeld. Het geval zat hem allesbehalve lekker. 'Een paar uur geleden constateerde een van onze nachtpatrouilles een inbraak bij zijn zoon, de juwelier uit de Steenstraat,' legde De Kee uit. 'U vraagt zich waarschijnlijk af waarom ik u lastig val met een ordinaire inbraak en dat op een zondagmorgen nog wel.' Van In vroeg zich af waarom iemand De Kee lastig viel met een gewone inbraak op zondagmorgen. 'Maar de zaak is delicater,' vervolgde De Kee. 'Volgens een eerste vaststelling is er helemaal niets gestolen. De dader zou alle juwelen in een bak met koningswater hebben gedumpt. Ghislain Degroof, de juwelier, beweert dat het zuur zijn hele collectie heeft vernietigd.' De Kee pauzeerde even. De eerste sigaret, die anders zo lekker smaakte, prikkelde Van Ins keel en hij moest hoesten. 'Hallo, Van In?' `Moment, commissaris,' rochelde Van In. Het werd hoog tijd dat hij ermee kapte. De Kee liet een zekere geïrriteerdheid blijken. 'Indien Deleu niet op vakantie was geweest, had ik u natuurlijk niet lastig gevallen. Maar u begrijpt dat we in dergelijke omstandigheden best een geroutineerde rechercheur inzetten, vooral als we met iemand zoals Degroof te maken hebben.' Deleu was de schoonzoon van De Kee. Van In had hem destijds ingewerkt bij de politie. 'Natuurlijk, commissaris,' zei hij bijna gedwee. Deleu kreeg gewoontegetrouw de meest ophefmakende zaken toegeschoven. Als hij het onderzoek verknalde, en dat lukte hem altijd, mocht Van In opdraven om de brokstukken te lijmen. Deze keer kon De Kee niet anders dan een beroep doen op hem.”
“Multinational Shell bijvoorbeeld bericht graag in de media over zichzelf. Dus waarom zou ik als stadsdichter uit Zuid dat niet mogen? In 1985 ontstond in Amsterdam de stichting Gilde: 50plussers gingen belangeloos hun kennis en ervaring aan anderen doorgeven. Ik meldde me meteen. En zo is min of meer Mee in Mokum (je weet wel, die rondleidingen door ouderen in de stad) bij mij thuis ontstaan, zo heb ik op het gebied van marketing in mijn respectieve Rivierenbuurtse woningen (en nu in het Buitenveldertse Bolestein) velen geadviseerd, onder meer hoge heren uit de omroepwereld, een bankier, Albert Heijn Gzn – wat schrijven betreft begeleidde ik met nogal succes onder anderen aanstaande reclameschrijvers en journalisten, maar ook verhalenschrijvers. En natuurlijk: dichters. Zo hielp ik de huidige stadsdichter van Haarlem, de talentvolle Sylva Hubers, en Gerard Beentjes: de uiterst actieve dorpsdichter van Laren, ik stond mede aan de wieg van de eerste bundelpublicatie van de hedense stadsdichter van Utrecht, Ingmar Heytze. En in 1988 kreeg ik m’n eerste bezoek van Wim Moerenhout. Wim was verzekeringsmakelaar met pensioen en hij wilde poëzie schrijven. Ik gaf hem in vele zittingen les (over dichten kun je met boekenvol praten). Zowat elke veertien dagen kwam en komt hij bij me. Hij is nu 89. Ik nam hem op in een leerlingencollectief, waarmee ik exposeerde, en optrad in theaters en andere zalen, ik had samen met hem een jaarlang een galerie Toonplaats in de stad, ik liet hem bij allerlei andere gelegenheden publiceren en optreden. Tegen de helft van de jaren negentig gaf ik hem een soort titel: de grijze dichter uit Osdorp. En toen ik in 2006 zelf tot stadsdeeldichter van ZuiderAmstel was gekozen, mailde ik een wethouder in Osdorp en Wim is nu stadsdeeldichter van West.”
“I was once at a hunting dinner, given by a worthy fox-hunting old Baronet, who kept Bachelor's Hall in jovial style, in an ancient rook-haunted family mansion, in one of the middle counties. He had been a devoted admirer of the fair sex in his young days; but having travelled much, studied the sex in various countries with distinguished success, and returned home profoundly instructed, as he supposed, in the ways of woman, and a perfect master of the art of pleasing, he had the mortification of being jilted by a little boarding school girl, who was scarcely versed in the accidence of love. The Baronet was completely overcome by such an incredible defeat; retired from the world in disgust, put himself under the government of his housekeeper, and took to fox-hunting like a perfect Jehu. Whatever poets may say to the contrary, a man will grow out of love as he grows old; and a pack of fox hounds may chase out of his heart even the memory of a boarding-school goddess. The Baronet was when I saw him as merry and mellow an old bachelor as ever followed a hound; and the love he had once felt for one woman had spread itself over the whole sex; so that there was not a pretty face in the whole country round, but came in for a share. The dinner was prolonged till a late hour; for our host having no ladies in his household to summon us to the drawing-room, the bottle maintained its true bachelor sway, unrivalled by its potent enemy the tea-kettle. The old hall in which we dined echoed to bursts of robustious fox-hunting merriment, that made the ancient antlers shake on the walls. By degrees, however, the wine and wassail of mine host began to operate upon bodies already a little jaded by the chase. The choice spirits that flashed up at the beginning of the dinner, sparkled for a time, then gradually went out one after another, or only emittednow and then a faint gleam from the socket. Some of the briskest talkers, who had given tongue so bravely at the first burst, fell fast asleep; and none kept on their way but certain of those long-winded prosers, who, like short-legged hounds, worry on unnoticed at the bottom of conversation, but are sure to be in at the death. Even these at length subsided into silence; and scarcely any thing was heard but the nasal communications of two or three veteran masticators, who, having been silent while awake, were indemnifying the company in their sleep.”
Washington Irving (3 april 1783 – 28 november 1859) The Devil and Tom Walker door Charles Deas, 1843
Tags:Charles Ducal, Adriaan Jaeggi, Frederik van Eeden, Bert Bakker, Peter Huchel, Arlette Cousture, Pieter Aspe, Karel N.L. Grazell, Washington Irving, Romenu
De Belgisch schrijver Bart Moeyaertheeft dit jaar de Astrid Lindgren Memorial Award gewonnen, een internationale prijs voor jeugdliteratuur waar een bedrag van 480.000 euro aan verbonden is. De prijs geldt als de Nobelprijs van de jeugdliteratuur. Bart Moeyaertwerd geboren in Brugge op 9 juni 1964. Zie ook alle tags voor Bart Moeyaertop dit blog.
Uit:Tegenwoordig heet iedereen Sorry
“Achter mijn rug doet de magnetron ping, maar toch zet mijn moeder niks op tafel. Ze gaat zitten en plant haar ellebogen naast haar bord. Ze zegt dat ze iets met ons wil bespreken. ‘Rustig,’ zegt ze tegen Alan, en ze houdt haar hand voor zijn gezicht, alsof hij al veel te veel heeft gepraat, terwijl Alan heel rustig is en stilzit en ademt. Ze pakt zijn mes en zijn vork af. Daarna zet ze haar ellebogen weer op tafel en legt ze haar kin op haar handen. Ze kijkt van mij naar een vlek op het tafelblad, hij heeft de vorm van een vis. Ze haalt diep adem en zegt dat mijn vader en zijn Cruz het anders willen aanpakken dan vroeger. Ik zeg: ‘Mama, doe eens zonder inleiding. ’Zonder inleiding zegt ze dat papa en zijn Cruz mij onhandelbaar vinden. Dat is geen nieuws. Het voorstel dat erop volgt is wel nieuw. Ze zouden het gemakkelijker vinden als ik niet meer elke week het weekend bij ze zou doorbrengen. Ze denken dat om de twee weken beter zou zijn. Of om de drie. Ze denken dat ik dat zelf ook liever heb. Wel? Het klinkt niet als een voorstel. Het klinkt als iets wat we gaan doen. Toch willen ze weten wat ik ervan denk. Ik kijk van mijn moeder naar het witte bord voor me. Er ligt niks op, maar hallo: kijk eens goed. Er ligt ineens een stuk taai vlees waar ik niet om heb gevraagd. Ik zeg: ‘Ik ben niet onhandelbaar. Ik ben alleen een beetje lastig soms.’‘Het zijn niet mijn woorden, Bianca,’ zegt mijn moeder. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Maar je zou papa kunnen tegenspreken.’ Mijn stem trilt. Mama schudt haar hoofd en doet alsof ze glimlacht. ‘Ik geef alleen door wat hij heeft gezegd,’ zegt ze. ‘Dan kun jij het straks met hem en Cruz verder bespreken, als ze je vanmiddag komen halen. Jij beslist. Je weet dat je een meisje met een gebruiksaanwijzing bent en daar hou ik rekening mee. Je wilde het zonder inleiding, dus heb ik de boodschap niet verpakt. Ik gebruik het woord dat zij hebben gebruikt. ’Onhandelbaar. Ik schuif mijn bord weg. Ik kijk naar Alan, die zijn vork en zijn mes weer heeft opgepakt en ze als twee soldaten naast zijn bord laat wachten op voer uit de magnetron. ‘En hij?’ zeg ik tegen mama, terwijl ik naar Alan knik. Van mij mag hij met dat bestek doen wat hij wil. Zelfs al houdt hij het mes gevaarlijk dicht bij zijn gezicht en steekt hij zich bijna een oog uit. Alan kijkt naar mij. Hij zucht eens. Hij wil niet weten wat ik vind. Naar de uitleg van mijn moeder luistert hij wel. Ze zegt dat er voor hem niks verandert.”
De Amerikaanse dichter, essayist en natuuronderzoeker John Burroughs werd geboren op 3 april 1837 op een farm in de Catskill Mountains nabij Roxbury, Delaware County, New York als het zevende kind in een rij van tien. Hij vertrok op de leeftijd van 17 omdat zijn vader niets wilde weten van Johns wens om door te leren. Hij moest zijn eigen studies in New York financieren. Gedurende die tijd las hij de werken van William Wordsworth en Ralph Waldo Emerson, die een blijvende invloed op hem hadden. In 1856 verliet hij het Cooperstown Seminar; een jaar later trouwde hij met Ursula North (1836-1917). Hij bereikte zijn eerste literaire succes in 1860 met een essay in het Atlantic Monthly Magazine, uitgegeven door James Russell Lowell. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-65) nam hij in Washington, D.C. een functie aan als secretaris van het United States Department of the Treasury; later werd hij de auditor voor de Federale Bank. Tegelijkertijd begon hij met het schrijven van essays over natuurlijke geschiedenis. Gedurende deze tijd ontmoette hij Walt Whitman, wat resulteerde in een langdurige vriendschap. De bekende dichter moedigde hem schriftelijk aan. Omdat essays van Burrough enthousiaste lezers vonden, waagde hij zich al snel aan boeken. In 1874 kochtt hij een boerderij in Westpark, New York en hield hij zich bezig met het telen van fruit. Hij bleef natuurhistorische boeken en essays schrijven die hem ronduit populair maakten. In 1895 bouwde hij een blokhut met zijn zoon Julian, die ze Slabsides doopten. Daar ontving hij talloze beroemdheden midden in de natuur. In 1911 koos hij een gerenoveerde boerderij in de buurt van zijn geboorteplaats als zomerresidentie. Hier bij Woodchuck Lodge schreef de natuurfilosoof zijn bestsellers. Tijdens zijn leven verkocht hij meer dan 1,5 miljoen exemplaren van zijn werken. In 1901 ontmoette hij zijn bewonderaarster Clara Barrus. De arts werd de grote liefde van zijn leven en uiteindelijk de verzorgster van zijn nalatenschap.
Bluebird
A wistful note from out the sky, 'Pure, pure, pure,' in plaintive tone, As if the wand'rer were alone, And hardly knew to sing or cry.
But now a flash of eager wing, Flitting, twinkling by the wall, And pleadings sweet and am'rous call,- Ah, now I know his heart doth sing!
O bluebird, welcome back again, Thy azure coat and ruddy vest Are hues that April loveth best,- Warm skies above the furrowed plain.
The farm boy hears thy tender voice, And visions come of crystal days, With sugar-camps in maple ways, And scenes that make his heart rejoice.
The lucid smoke drifts on the breeze, The steaming pans are mantling white, And thy blue wing's a joyous sight, Among the brown and leafless trees.
Now loosened currents glance and run, And buckets shine on sturdy boles, The forest folk peep from their holes, And work is play from sun to sun.
The downy beats his sounding limb, The nuthatch pipes his nasal call, And Robin perched on tree-top tall Heavenward lifts his evening hymn.
Now go and bring thy homesick bride, Persuade her here is just the place To build a home and found a race In Downy's cell, my lodge beside.
The Partridge
List the booming from afar, Soft as hum of roving bee, Vague as when on distant bar Fall the cataracts of the sea.
Yet again, a sound astray, Was it the humming of the mill? Was it cannon leagues away? Or dynamite beyond the hill?
'T is the grouse with kindled soul, Wistful of his mate and nest, Sounding forth his vernal roll On his love-enkindled breast.
List his fervid morning drum, List his summons soft and deep, Calling Spice-bush till she come, Waking Bloodroot from her sleep.
Ah! ruffled drummer, let thy wing Beat a march the days will heed, Wake and spur the tardy spring, Till minstrel voices jocund ring, And spring is spring in very deed.