Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
24-05-2017
Joseph Brodsky, Michael Chabon, Bob Dylan, Henri Michaux, William Trevor, Tobias Falberg, Arnold Wesker, George Tabori, Rainald Goetz
The perilous yellow sun follows with its slant eyes masts of the shuddered grove steaming up to capsize in the frozen straits of Epiphany. February has fewer days than the other months; therefore, it's more cruel than the rest. Dearest, it's more sound to wrap up our sailing round the globe with habitual naval grace, moving your cot to the fireplace where our dreadnought is going under in great smoke. Only fire can grasp a winter! Golder unharnessed stallions in the chimney dye their manes to more corvine shades as they near the finish, and the dark room fills with the plaintive, incessant chirring of a naked, lounging grasshopper one cannot cup in fingers.
Moscow Carol
In such an inexplicable blue, Upon the stonework to embark, The little ship of glowing hue Appears in Alexander Park. The little lamp, a yellow rose, Arising -- ready to retreat -- Above the people it adores; Near strangers' feet. In such an inexplicable blue The drunkards' hive, the loonies' team. A tourist takes a snapshot to Have left the town and keep no dream. On the Ordynka street you find A taxicab with fevered gnomes, And dead ancestors stand behind And lean on domes. A poet strolls across the town In such an inexplicable blue. A doorman watches him looking down And down the street and catches the flu. An old and handsome cavalier Moves down a lane not worth a view, And wedding-party guests appear In such an inexplicable blue. Behind the river, in the haar, As a collection of the blues -- The yellow walls reflecting far The hopeless accent of the Jews. You move to Sunday, to despair (From love), to the New Year, and there Appears a girl you cannot woo -- Never explaining why she's blue. Then in the night the town is lost; A train is clad in silver plush. The pallid puff, the draught of frost Will sheathe your face until you blush. The honeycomb of windows fits The smell of halva and of zest, While Christmas Eve is carrying its Mince pies abreast. Watch your New Year come in a blue Seawave across the town terrain In such an inexplicable blue, As if your life can start again, As if there can be bread and light -- A lucky day -- and something's left, As if your life can sway aright, Once swayed aleft.
Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996) In 1964
Uit: Maangloed (Vertaald door Gerda Baardman, Jan de Nijs en Tjadine Stheeman)
“Zo heb ik het verhaal gehoord. Toen Alger Hiss uit de gevangenis kwam, kon hij moeilijk aan een baan komen. Hij had aan Harvard rechten gestudeerd, bij Oliver Wendell Holmes op kantoor gewerkt en een bijdrage geleverd aan het opstellen van het Handvest van de Verenigde Naties, maar hij was ook veroordeeld wegens meineed en was berucht als werktuig van het wereldwijde communisme. Hij had zijn memoires gepubliceerd, maar die waren saai en niemand wilde ze lezen. Zijn vrouw was bij hem weggegaan. Hij was blut en wanhopig. Uiteindelijk kreeg een van de vrienden die hij nog over had medelijden met de stumper en boorde zijn connecties aan. Hiss werd in dienst genomen door een bedrijf in New York dat een modieus soort haarspeldje van lussen pianosnaar maakte en verkocht. Feathercombs Inc. was goed van start gegaan, maar zat nu in zwaar weer doordat een grotere concurrent die hun ontwerpen namaakte, hun merkenrecht schond en artikelen onder de prijs op de markt bracht. De verkoop was sterk afgenomen. De salarissen konden maar net worden betaald. Om Hiss te kunnen aannemen, moest iemand anders worden ontslagen. In een verslag van de arrestatie van mijn grootvader in The Daily News van 25 mei 1957 wordt hij door een niet met name genoemde collega beschrevenals ‘het stille type’. Voor zijn collega-verkopers bij Feathercombswas hij een vilthoed aan de kapstok in de hoek. Hij was de hardstwerkendemaar minst presterende medewerker van de verkoopafdeling. In zijn lunchpauze zonderde hij zich af met een boterham en de nieuwe Sky and Telescope of de Aviation Week. Men wist dat hij in een Crosley reed, een buitenlandse vrouw en een puberdochter had en ergens diep in BergenCounty woonde. Voor zijn arrestatie had mijn grootvader twee keer indrukop zijn collega’s gemaakt. Midden onder de vijfde wedstrijd van de WorldSeries van 1956 hield de radio op kantoor er ineens mee op, waarop mijngrootvader hem repareerde met een buisje dat hij uit de telefooncentralehad gesloopt. En een copywriter van Feathercombs meldde een keer dat hijmijn grootvader tegen het lijf was gelopen bij het Paper Mill Playhouse inMillburn, waar de buitenlandse echtgenote nota bene de hoofdrol, Serafina, speelde in De getatoeëerde roos. Verder wist niemand veel over mijngrootvader en zo leek hij het ook graag te willen houden. Hij glimlachte weleens, maar lachte nooit. Als hij er al een politieke mening op nahield.”
Michael Chabon (Washington, 24 mei 1963)
De Amerikaanse zanger, songwriter en dichterBob Dylan werd geboren als Robert Allen Zimmerman op 24 mei 1941 in Duluth, Minnesota. Zie ook alle tags voor Bob Dylan op dit blog.
All Along the Watchtower
"There must be some way out of here," said the joker to the thief, "There's too much confusion, I can't get no relief. Businessmen, they drink my wine, plowmen dig my earth, None of them along the line know what any of it is worth."
"No reason to get excited," the thief he kindly spoke, "There are many here among us who feel that life is but a joke. But you and I, we've been through that, and this is not our fate, So let us not talk falsely now, the hour is getting late."
All along the watchtower, princes kept the view While all the women came and went, barefoot servants too. Outside in the distance a wildcat did growl; Two riders were approaching - the wind began to howl.
Man Of Constant Sorrow
I am a man of constant sorrow I've seen trouble all my days I'll say goodbye to Colorado Where I was born and partly raised
Through this open world I'm a-bound to ramble Through ice and snow, sleet and rain Im a-bound to ride that mornin' railroad Perhaps I'll die upon that train
Your mother says that I'm a stranger A face you'll never see no more But here's one promise to ya I'll see you on God's golden shore
I'm a-goin' back to Colorado The place that I've started from If I'd knowed how bad you'd treat me Babe, I never would have come
Non, il est vrai, je ne suis pas l'homme des réussites. Pourquoi le serais-je? Puisque de toute façon je réussis. Le but que je n'atteins pas est le but qui me rapporte, que je rapporte. Pourquoi irais-je à la tête d'armées nombreuses m'installer impudemment dans la capitale d'un pays étranger? Pour une si petite insolence, je m'en voudrais de m'être donné tant de mal, d'avoir conquis en vingt ans des galons qu'on peut avoir pour cent francs et pour dix sous de méditation inventive, d'avoir sacrifié des tas d'hommes réellement qui ne revivront plus (et qui ne s'y sont pas tous amusés, ni le chef lui-même). A la vérité, j'aurais honte d'être à sa place, ou du moins d'en être content. Même si je ne m'étais astreint que vingt minutes et non vingt ans à l'esclavage de la discipline. S'être appuyé sur tant de règles, pour blesser de pauvres diables qu'on ne peut même plus ni achever proprement ni ressusciter dans leur santé première. Non vraiment, je ne comprends pas ce gaspilleur malfaisant. Heureusement, nous ne nous rencontrons jamais.
Alphabet
Tandis que j'étais dans le froid des approches de la mort, je regardai comme pour la dernière fois les êtres, profondément. Au contact mortel de ce regard de glace, tout ce qui n'était pas essentiel disparut. Cependant je les fouaillais, voulant retenir d'eux quelque chose que même le Mort ne pût desserrer. Ils s'amenuisèrent et se trouvèrent enfin réduits à une sorte d'alphabet, mais à un alphabet qui eût pu servir dans l'autre monde, dans n'importe quel monde. Par là, je me soulageai de la peur qu'on ne m'arrachât tout entier l'univers où j'avais vécu. Raffermi par cette prise, je le contemplais invaincu, quand le sang avec la satisfaction, revenant dans mes artérioles et mes veines, lentement je regrimpai le versant ouvert de la vie.
“They recalled how no task had been too menial for her to undertake, how the hours spent polishing a surfeit of brass or scraping away old candle-grease had never been begrudged. The altar flowers had not once in sixty years gone in need of fresh water; the missionary leaflets were replaced when necessary. Small repairs had been effected on cassocks and surplices and robes. Washing the chancel tiles had been a sacred duty. While such recollections were shared, and the life that had ended further lauded, a young man in a pale tweed suit that stood out a bit on a warm morning surreptitiously photographed the scene. He had earlier cycled the seven and a half miles from where he lived, and was then held up by the funeral traffic. He had come to photograph the town’s burnt-out cinema, which he had heard about in a similar small town where recently he had photographed the perilous condition of a terrace of houses wrenched from their foundations in a landslip. Dark-haired and thin, in his early twenties, the young man was a stranger in Rathmoye. A suggestion of stylishness — in his general demeanour, in his jaunty green-and-bluestriped tie — was repudiated by the comfortable bagginess of his suit. His features had a misleading element of seriousness in their natural cast, contributing further to this impression of contradiction. His name was Florian Kilderry. ‘Whose funeral?’ he enquired in the crowd, returning to it from where he had temporarily positioned himself behind a parked car in order to take his photographs. He nodded when he was told, then asked for directions to the ruined cinema. ‘Thanks,’ he said politely, his smile friendly. ‘Thanks,’ he said again, and pushed his bicycle through the throng of mourners.”
“JENNY That's what I say. Blust Mother, I say, you don't git indigestion in the back. Don't you tell me, she say, I hed it! JIMMY What hevn't she hed. Jenny returns to washing up while Jimmy struggles a while on the sofa. Jenny hums. No word. Then — JENNY Who d'you see today? JIMMY Only Doctor Gallagher. JENNY (wheeling round) You see who? JIMMY Gallagher. His wife driv him up in the ole Armstrong. JENNY Well I go t'hell if that ent a rum thing. JIMMY (rising and going to table; pain has eased) What's that then? JENNY (moving to get him supper from oven) We was down at the whist drive in the village and that Judy Maitland say he were dead. 'Cos you know he've hed a cancer this last year and they don't give him no longer'n three weeks don't you? JIMMY Ole crows. They don' wan' nothin' less than a death to wake them up. JENNY No. No longer'n three weeks. Girl's voice (off) Yoo-hoo! Yoo-hoo! JIMMY There's your sister. JENNY That's her. Girl's voice (off) Yoo-hoo! Anyone home? JENNY (calling) Come you on in gal, don't you worry about yoo-hoo. Enter Beatie Bryant, an ample, blonde, healthy-faced young woman of twenty-two years. She is carrying a case. JIMMY Here she is. JENNY (with reserve, but pleased) Hello, Beatrice — how are you? BEATIE(with reserve, but pleased) Hello, Jenny — how are you? What's that lovely smell I smell? JENNY Onions for supper and bread for the harvest festival.”
Arnold Wesker (24 mei 1932 – 12 april 2016) Scene uit een opvoering in Colchester, 2012
“Unsere Beziehung war zwar intensiv, aber ganz einseitig. Ich habe ihn nur zweimal gesehen. Das erste Mal am 30. Januar 1933, in jener Nacht, als er sich den Weg zur Macht erschwindelt hatte und sich am Fenster in der Wilhelmstraße im Jubel der Massen badete; er erschien im lodernden Licht der Fakkeln und stand einsam da, als ob ein Mächtiger immer einsam zu sein hätte. Er winkte den Massen zu, und ich habe ihm zugewunken, jung und dumm wie ich war. Er hat mir leid getan, weil mir ein weiser Spruch meiner Großmutter wieder in den Sinn gekommen ist: "Wenn man ganz nach oben gekommen ist, dann bleibt nur noch eins, der Abstieg." Zum zweiten Mal habe ich ihn bei einer Massenkundgebung gesehen, im Sportpalast. Das war eine verschwitzte Veranstaltung, überaus wirkungsbewußt inszeniert, eine Passio histerica: Über allem hing ein widerlicher Geruch nach Leichen. Noch Jahre später ist mir dieser Geruch immer wieder in die Nase gestiegen, und ich habe seitdem eine tiefe Abneigung gegen diese Art von Effekthascherei. Das Ganze war allerdings auch wie ein Witz: wegen dem Mißverständnis zwischen dem bombastischen Aufwand um ihn und diesem Bärtchen; das fand ich komisch, wie Tausende andere auch. Er hat "den Teufel überteufelt, den Herodes überrodet", wie Hamlet sagen würde, all jene Bühnengesten und -tricks angewandt, die ich Jahre später beim Theatermachen immer mehr verabscheut habe. Ich kann also nicht behaupten, daß ich ihn gekannt habe.“
Man sieht das Leuchten im dritten Stock, kommt aber vorne beim Eingang nicht ins Haus. Soll von der Seite kommen, da ist keine Türe, kommt von hinten, durch die Baustelle. Sperrholz, eine Leiter neben einem Vorsicht-Schild im Treppen-haus, der 4. Stock, schon zu hoch. Aber da ist es doch, schräg unten, hinter Glas im Hellen: die Schreibtischarmada, da sitzen sie, eng gepackt in einem weiten großen Raum, die Köpfe und Bildschirme, einzelne aufrecht dahingehende Menschen, ja, das Kommando Gegenwart. Dann stehe ich an der Empfangstheke, wirr, kann vor lauter Vielheit kaum etwas erkennen. Volker Corsten bringt mich nach links hinten, wo ich am Ende des hallenartigen Raums durch eine gläserne Trennwand hindurch Ulf an seinem Schreibtisch sitzen und auf seinen Computer schauen sehe, während rechts von ihm Herlinde Koelbl mit Assistenten ihre Lichtgerätschaften aufbaut, um eine Fotographie zu machen. Ulf schaut auf, sieht mich, kommt kurz raus, kurzes Gespräch. Im Knieen notiere ich ihm meine neue Nummer auf die ausgedruckten Textbeispiele. Eto Sekunden höchstens, bin schon wieder draußen. Nichts schöner als laberlose schnelle Arbeitskontakte. Akut euphorisiert stehe ich dann in der Deutschen Guggenheim gegenüber, ARKADIEN UND ANARCHIE. Montags freier Eintritt. Die Leute drängen sich vor seltsam lichtflirrend düsteren Gemälden, italienischer Divisionismus, verstehe. Aber der römische Held will mit seinen Freunden rumhängen, hat keine Lust zu arbeiten. Er schickt seine Frau auf die sogenannte Straße. Sie verlässt ihn. Er lernt eine andere kennen, die sich in ihn verliebt. Seriöse Arbeit ist ihm zu anstrengend. Die neue Freundin soll für ihn arbeiten. Er sieht seinen eigenen Tod im Traum. Er begeht einen Wurstdiebstahl in der Stadt, kommt beim Fluchtversuch mit einem Motorrad zu Tode. Accatone, 1961, heute Mitte 40.”
Rainald Goetz (München, 24 mei 1954) Franco Citti als Accattone in Pier Paolo Pasolini’s fim uit 1961
De Tsjechoslovaaks-Duitse schrijver, dichter, journalist, componist en diplomaat Louis Fürnbergwerd geboren op 24 mei 1909 in Jihlava, Moravië, Oostenrijk-Hongarije. Als zoon uit een joodse textielfabrikantenfamilie bracht hij zijn jeugd door in Karlsbad, waar zijn vader na een tweede huwelijk naar toe was verhuisd. Zijn moeder was kort na zijn geboorte overleden. In 1913 werd zijn broer Walter Fürnberg geboren. In Karlsbad bezocht Fürnberg vanaf 1919 het gymnasium. Met de op zijn vaders verzoek gevolgde opleiding tot pottenbakker in "Knolls Porzellanfabrik " in Karlsbad moest hij in 1926 als gevolg van tuberculose stoppen. Op 17-jarige leeftijd sloot hij zich aan bij de socialistische jeugd. In 1927 ging hij naar Praag om de Duitse Handelsacademie te bezoeken. Hij begon daar zijn eerste gedichten te publiceren in de Duitstalige burgerlijke pers. In 1928 werd hij lid van de Duitse sectie van de communistische partij van Tsjechoslowakije. In 1932 richtte hij de Agitprop-groep “Echo von links” op, waarvoor hij tussen 1932 en 1936hoofdzakelijk teksten schreef. In 1936 ontmoette hij Lotte Wertheimer met wie hij in 1937 trouwde. Tot 1939 werkte hij voor de communistische pers in Praag, Nadat de Duitsers in maart 1939 Praag waren binnengevallen, probeerden de Fürnbergs naar Polen te vluchten, maar ze werden verraden en gevangen genomen. Terwijl de vrouw van Fürnberg na twee maanden werd vrijgelaten en naar Londen vluchtte, zat hij in verschillende gevangenissen en werd hij gemarteld. Pas later kon men hem door het omkopen van de Gestapo vrij krijgen. Via Italië vluchtte hij met zijn vrouw verder naar Joegoslavië, waar hun zoon in 1940 in Belgrado werd geboren, tot ze eindelijk in 1941 Palestina bereikten. Zijn in Duitsland gebeleven familie werd vermoord. In 1946 keerde Fürnberg terug van Jeruzalem naar Praag. In de volgende twee jaar werkte hij als journalist en correspondent voor diverse kranten in Praag, later in het ministerie van Informatie en 1949-1952 als cultureel attaché van de Tsjechoslowaakse ambassade in Berlijn en keerde daarna terug naar Tsjecho-Slowakije. Wegens de antisemitische tendensen en het politieke klimaat van de late Stalinistische Sovjet-Unie werd hij gedwongen om zijn naam te veranderen in Lubomír Fyrnberg. In 1954 verhuisde Fürnberg naar Weimar. Hij werd plaatsvervangend directeur van de “Nationalen Forschungs- und Gedenkstätten der klassischen deutschen Literatur” en was mede-uitgever van de Weimarer Beiträge. In 1955 werd hij lid van de Duitse kunstacademie. In hetzelfde jaar heeft hij echter een hartaanval gehad, waarvan hij niet meer herstelde. In het administratieve gebouw van de KZ-Gedenkstätte Buchenwald werd zijn werkkamer op in zijn originele staat herbouwd; Van Fürnberg stamt het “Lied der Partei” dat vele jaren als officieel volkslied van de SED heeft gediend.
An die ferne Geliebte
Wenn du nicht bei mir bist, hängen die Blumen die Köpfe, welk steht das Gras, als hätte es nie ein Regen geküßt. Und kein Gott erbarmt sich meiner, dem ärmsten Geschöpfe unter dem bleiernen Himmel, wenn du nicht bei mir bist.
Wenn dich unsagbar Geliebte mein Wort nur herbeirufen könnte! Flög meine Seele zu dir auf zartestem Flaum! Schau – selbst wenn uns das Schicksal die Ewigkeit gönnte, wär sie kurz, Geliebte, für unseren ewigen Traum!
Wenn du nicht bei mir bist, schleichen die Stunden wie Greise, unter der falben Last ihres herbstlichen Alters gebückt. Auf und ab im Zimmer wandl ́ ich in endloser Reise, während das Uhrwerk am Sims erbarmungslos tickt.
Manchmal jagt Leidenschaft himmelwärts Bündel Raketen und sie stieben zur Erde, wie glühende Sternschnuppe fällt. Bin doch der Zeit verbunden mit tausend Fäden und Drähten, Mensch dieser Zeit, zu harten Taten und Opfern bestellt.
Wenn du nicht bei mir bist, sind meine Träume vergebens – trügrischer Schemen, der im Dunkel zerfließt. Dank ich dir, Geliebte, das holde Geschenk meines Lebens – lebe ich leblos, wenn du nicht bei mir bist.
Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Jane Kenyon, Susan Cooper, Michaël Vandebril, Jack McCarthy, Mitchell Albom, Pär Fabian Lagerkvist
Een vreemdelinge – niemand kende haar – is op haar doortocht in dit dorp gestorven: voor kort kwam zij alleen naar hier gezworven, op weg waarheen – geen wist het, noch vanwaar.
De winter liep ten einde; zacht al riep – donker en zacht – het voorjaar door de tijden van het vallen der avonden; men zeide van haar, dat haar leven ten einde liep.
Doch zij had lang al kunnen gaan, zij was enkel nog hier daar zij een ander wachtte; zij wist zich hem te redden nu bij machte, nu haar verlangen tot den dood genas.
Maar hij kwam niet; zij ging niet langer uit, zij was te moe geworden om te lopen; maar altijd liet zij haar klein venster open; daar riep een vogel hem met blij geluid.
Maar hij kwam niet. Toen kwam haar einde: groot scheen de maan in waar zij lag te zieltogen. Er was niets meer buiten haar open ogen dan het raam, open op dien lichten dood.
Zij zag ernaar, zij prevelde de naam van den verlorene; met lange halen en juublend uitslaan zongen nachtegalen den dood naar binnen door het open raam.
Toen kwam, groots geheimzinnig en van ver, de wind aan door den nacht; het lied verstomde – In den morgen, toen de mensen haar vonden, regende het. Zij was al eeuwen her.
Dit Eiland
Hoe zijn wij hier geland, waartoe... vanwaar...? ligt ergens aan het strand dat vreemde schip nog klaar? en als het anker is gelicht, naar waar... naar waar...?
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976) Het huis van A. Roland Holst aan de Nesdijk in Bergen
“Op een mooie zomeravond wandelden Eva en ik door het centrum van Den Haag. Het was ongeveer op dat kruispunt van winkelstraten waar geen automobielen mogen komen, in de buurt van de Passage meen ik, dat wij een aardig klein jongetje tegenkwamen. Het was werkelijk het allerzoetste jongetje dat we ooit hadden ontmoet. Het liep een minuut of vijf met ons mee en babbelde en babbelde maar, het kind kende in het geheel geen mensenvrees, het was nog maar klein, ik schatte het op een jaar of vijf, zes, als het onder de voet dreigde te worden gelopen mompelde het jongetje met een vriendelijke trek, een glimlachje op zijn gezicht: ‘Neemt U me niet kwalijk’. Op een gegeven moment verontschuldigde hij zich tegenover ons en ging zijns weegs. Omdat wij schik hadden in het geval volgden we het jongetje. Het stond stil voor een statig herenhuis, belde er aan en tikte tegen de ruiten. Het ging met zijn rechterhandje aan zijn voorhoofd in een peinshouding staan, toen er maar niet werd opengedaan. Wij stonden op een meter of acht afstand en konden het daarom heel duidelijk horen toen het jongetje wat zei: ‘Hee, nu zijn ze er nog niet, waar blijven ze toch?’. Eva liep op het jongetje af en vroeg: ‘Zijn je Pappie en Mammie niet thuis?’. ‘Nee mevrouw’, antwoordde het jongetje heel beleefd, ‘die zijn nu al weken en weken weg, ik kan maar niet begrijpen wat er aan de hand kan zijn’. ‘Wat zullen we nu krijgen’, zei Eva hoogst verontwaardigd en ze belde bij de buren aan. De buren hadden al giechelend en wijzend achter de gordijnen gestaan en dat was Eva opgevallen. Wat was er donders toch met dat jongetje aan de hand? De deur van het huis van de buren werd op een kier geopend. Eva stond minstens vijf minuten te praten toen de deur eindelijk verder openging en ze even binnen mocht komen. Ik denk dat ik ongeveer 15 minuten buiten met het jongetje heb staan praten toen Eva weer naar buiten kwam. En wat deed ze me daar een drommels raar verhaal! Wat hadden de buren namelijk verteld? Dat de ouders van het jongetje hun zoontje zó ontzettend lief, oppassend en aardig hadden gevonden dat ze het niet meer hadden kunnen bolwerken. Het kind leek wel een Cherubijntje en dat leek helemaal niet op de harde werkelijkheid van het leven die de man en de vrouw iedere dag meemaakten. Ze gingen er allebei op een gegeven moment haast onderdoor. Toen hebben ze het besluit genomen om het jongetje in de steek te laten. Op een nacht, toen het lieve kereltje sliep en de alleraardigste droompjes had zijn ze met een taxi, vergezeld van slechts vier koffers terwijl ze toch zo'n geweldig huisraad hadden, richting Schiphol vertrokken. Sindsdien zijn ze niet teruggekeerd. Volgens de buren zouden ze in nog geen jaren terugkeren daar die twee arme mensen kotsmisselijk waren van het jongetje”.
Maarten Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939) Maarten and Eva Biesheuvel door Lia Laimbock, 1994
“Ten oosten van Eden. Sal zei: Schrijf het op, schrijf alles op. Ik zei: Waarom? Hij zat in zijn stinkende stoel, die met de bekleding waarvan de bloemen in het midden zijn afgesleten, en ik stond voor hem op mijn laarzen met hoge hakken en in mijn korte leren broekje en met mijn navelpiercing en het diamantje in mijn neus. Hij is oud en ik ben jong, op een leeftijd waarop ik nog alles kan bewijzen, en dat wilde ik hem laten voelen. Hij lachte alleen maar zo'n beetje. Zijn tanden zijn bruin van de teer en sommige zwart en verrot. Ik vroeg nog eens: Waarom? — Dat zul je wel zien, zei hij. —En anders? vroeg ik. — Anders... Hij knikte. Hij zocht naar een erge bedreiging. Anders... dat zul je ook wel zien. — Niet goed genoeg, zei ik. Ik maakte me nog een stukje langer, strekte mijn rug, zoals ik dat in het circus had geleerd, en op balletles vroeger. Lange nek, schouders laag, billen in, borst naar voren, kin vooruit. — Wat anders, Sal? — Anders moet je het zelf maar weten, zei hij. Het was de ergste bedreiging die hij kennelijk kon bedenken. Maar als Sal zoiets zegt, dan betekent het écht iets. Daarom doe ik het. En dat wist hij heel goed. Ik schrijf alles op. Ten oosten van Eden ligt het land Nod. Dat komt uit de Bijbel. Daar ben ik zelf achter gekomen natuurlijk, Sal vertelde het er expres niet bij. Als er iemand is die weet hoe hij mij moet manipuleren, dan is hij het. Sal is trouwens ook de enige die de moeite heeft genomen. Behalve dan Rachid en Clemens Cameo, maar die hadden er belang bij, dus die tellen niet. Maar behalve dat ene zinnetje uit Genesis: Toen ging Kaïn weg van het aangezicht des Heren, en ging wonen in het land Nod, ten oosten van Eden weet ik nou nog niks. Wat moet ik daarmee? Waarom is dat zo belangrijk, zoals Sal schijnt te vinden? — Schrijf maar, zei Sal, dan kom je er wel achter. Hij is soms zo irritant dat ik hem die rotte tanden uit zijn bek wil slaan. Maar dat doe ik niet. Zo ben ik niet opgevoed. En hij verdient het ook niet. Sal lachte niet meer. — Begin maar gewoon, zei hij.”
Lydia Rood (Velp, 23 mei 1957)
De Amerikaanse dichteres en vertaalsterJane Kenyonwerd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.
Having It Out With Melancholy
2. BOTTLES
Elavil, Ludiomil, Doxepin, Norpramin, Prozac, Lithium, Xanax, Wellbutrin, Parnate, Nardil, Zoloft. The coated ones smell sweet or have no smell; the powdery ones smell like the chemistry lab at school that made me hold my breath.
3. SUGGESTION FROM A FRIEND
You wouldn't be so depressed if you really believed in God.
4. OFTEN
Often I go to bed as soon after dinner as seems adult (I mean I try to wait for dark) in order to push away from the massive pain in sleep's frail wicker coracle.
“The grip tightened again at once. 'Oh no you don't, boy. I know your tricks. You're the one all right, I know now, you're an Old One, but I don't trust your kind any more than I trust the Dark. You're new awake, you are, and let me tell you something you don't know — while you're new awake, you can't do nothing to anyone unless you can see him with your eyes. So you aren't going to see me, that I know.' Will said: 'I don't want to do anything to you. There really are some people who can be trusted, you know: `Precious few,' the Walker said bitterly. `I could shut my eyes, if you'd let me go: 'Pah!' the old man said. Will said, 'You carry the second Sign. Give it to me.' There was a silence. He felt the man's hands fall away from his own arms, but he stood where he was and did not turn round. 'I have the first Sign already, Walker,' he said. 'You know I do. Look, I'm undoing my jacket, and I'll pull it back, and you can see the first circle on my belt.' He pulled aside his coat, still without moving his head, and was aware of the Walker's hunched form slipping round at his side. The man's breath hissed out through his teeth in a long sigh as he looked, and he turned his head up to Will without caution. In the yellow light from the steadily-burning branch Will saw a face contorted with hauling emotions: hope and fear and relief wound tightly together by anguished uncertainty. When the man spoke, his voice was broken and simple as that of a small sad child. `It's so heavy,' he said plaintively. 'And I've been carrying it for so long. I don't even remember why. Always frightened, always having to run away. If only I could get rid of it, if only I could rest. Oh, if only it was gone. But I daren't risk giving it to the wrong one, I daren't. The things that would happen to me if I did, they're too terrible, they can't be put into words. The Old Ones can be cruel, cruel ... I think you're the right one, boy, I've been looking for you a long time, a long time, to give the Sign to you. But how can I be really sure? How can I be sure you aren't a trick of the Dark?' He's been frightened so long, Will thought, that he's forgotten how to stop. How awful, to be so absolutely lonely. He doesn't know how to trust me; it's so long since he trusted anyone, he's forgotten how ... look: he said gently. 'You must know I'm not part of the Dark.”
There are some waves you cannot ride. If they are very big, and breaking very close to shore, you cannot ride them. What will happen, if you try, is that the wave, having sucked outward all the old water before it, will slam you to the naked sand in unpredictable position, then land on you with all its force. At the very least, you’ll have your wind knocked out. In big surf, this is dangerous. It happened to me once, at Nauset: I thought my back was broken, tried to crawl ashore. My eyes cleared just in time to let me know that I was crawling the wrong way, just in time to curl up in a ball to make it harder for the sea to break my bones, before the next wave hit me. Those waves, you do not try to ride. They are serious waves. they are at war.
Let us get it clearly said right here: there will be fear. There will be instants when the body’s voice cries, “This is a mistake!” Sometimes the body is right. listen to it, it knows its frailty. It is not necessary, always, to ride the biggest waves.
“This is a story about the meaning of time and it begins long ago, at the dawn of man’s history, with a barefoot boy running up a hillside. Ahead of him is a barefoot girl. He is trying to catch her. This is often the way it is between girls and boys. For these two, it is the way it will always be. The boy’s name is Dor. The girl is Alli. At this age, they are nearly the same size, with high-pitched voices and thick, dark hair, their faces splashed with mud. As Alli runs, she looks back at Dor and grins. What she feels are the first stirrings of love. She scoops a small rock and tosses it high in his direction. “Dor!” she yells. Dor, as he runs, is counting his breaths. He is the first person on Earth to attempt this—counting, making numbers. He began by matching one finger to another, giving each pairing a sound and a value. Soon he was counting anything he could. Dor is gentle, an obedient child, but his mind goes deeper than those around him. He is different. And on this early page of man’s story, one different child can change the world. Which is why God is watching him. “Dor!” Alli yells. He looks up and smiles—he always smiles at Alli—and the stone falls at his feet. He cocks his head and forms a thought.”
Uit:Le Boureau (Vertaald door Marguerite Gay en Gerd de Mautort)
"Si, je suis le bourreau !" dit-il. Et il se leva, grand et terrifiant dans son costume couleur de sang. Tous les regards se dirigèrent vers lui; un tel silence s'établit dans la salle, hurlante et retentissante quelques secondes auparavant, qu'on put percevoir le souffle de cet homme. "Depuis l'aube des temps je fais mon métier et il ne me semble pas que je sois près d'en finir. Des millions d'années s'écoulent, des hommes se lèvent et disparaissent dans la nuit, mais moi je reste et, couvert de sang, je les vois passer, moi le seul qui ne vieillisse point. Je suis fidèlement la route des hommes, et il n'y a pas de sentier ayant été foulé par des pieds humains, si secret soit-il, où je n'aie élevé un bûcher et humecté le sol de sang...Je vous ai suivis dès l'origine et je vous suivrai jusqu'à la fin des temps. Quand, pour la première fois, vous avez levé les yeux vers le ciel, devinant Dieu, j'ai découpé un de vos frères et l'ai offert en sacrifice. Il m'en souvient encore: les arbres étaient secoués par le vent et la lueur du feu dansait sur vos visages. J'arrachai mon coeur et le jetai dans les flammes.Depuis ce moment, nombreux sont ceux que j'ai sacrifiés aux dieux et aux diables, au ciel et à l'abîme, des coupables et des innocents en légions incalculables. J'ai exterminé de la terre des peuples entiers, j'ai saccagé et dévasté des royaumes. Tout ce que vous m'avez demandé, je l'ai fait.J'ai accompagné les siècles au tombeau et, appuyé sur mon épée ruisselante, je me suis arrêté un instant, attendant que des générations nouvelles m'appellent de leur voix jeune et impatiente. J'ai flagellé jusqu'au sang des flots d'hommes, clamant pour l'éternité leur mugissement inquiet. J'ai dressé des bûchers pour des prophètes et des messies. J'ai plongé la vie humaine dans les ombres de la nuit. J'ai tout fait pour vous. On m'appelle encore et j'arrive. Je jette un regard sur la terre - elle gît, fiévreuse et brûlante, et dans l'espace retentissent des cris d'oiseaux malades. c'est pour le mal l'époque du rut ! C'est l'heure du bourreau !"
"Well, I have fairly steady nerves, as you know, Mr. Holmes, but I give you my word, that I got a shake when I put my head into that little house. It was droning like a harmonium with the flies and bluebottles, and the floor and walls were like a slaughter-house. He had called it a cabin, and a cabin it was, sure enough, for you would have thought that you were in a ship. There was a bunk at one end, a sea-chest, maps and charts, a picture of the SEA UNICORN, a line of logbooks on a shelf, all exactly as one would expect to find it in a captain's room. And there, in the middle of it, was the man himself — his face twisted like a lost soul in torment, and his great brindled beard stuck upward in his agony. Right through his broad breast a steel harpoon had been driven, and it had sunk deep into the wood of the wall behind him. He was pinned like a beetle on a card. Of course, he was quite dead, and had been so from the instant that he had uttered that last yell of agony. "I know your methods, sir, and I applied them. Before I permitted anything to be moved, I examined most carefully the ground outside, and also the floor of the room. There were no footmarks." "Meaning that you saw none?" "I assure you, sir, that there were none." "My good Hopkins, I have investigated many crimes, but I have never yet seen one which was committed by a flying creature. As long as the criminal remains upon two legs so long must there be some indentation, some abrasion, some trifling displacement which can be detected by the scientific searcher. It is incredible that this blood-bespattered room contained no trace which could have aided us. I understand, however, from the inquest that there were some objects which you failed to overlook?" The young inspector winced at my companion's ironical comments. "I was a fool not to call you in at the time Mr. Holmes. However, that's past praying for now. Yes, there were several objects in the room which called for special attention. One was the harpoon with which the deed was committed. It had been snatched down from a rack on the wall. Two others remained there, and there was a vacant place for the third. On the stock was engraved `SS. SEA UNICORN, Dundee.' This seemed to establish that the crime had been done in a moment of fury, and that the murderer had seized the first weapon which came in his way. The fact that the crime was committed at two in the morning, and yet Peter Carey was fully dressed, suggested that he had an appointment with the murderer, which is borne out by the fact that a bottle of rum and two dirty glasses stood upon the table." "Yes," said Holmes; "I think that both inferences are permissible. Was there any other spirit but rum in the room?"
Arthur Conan Doyle (22 mei 1850 – 7 juli 1930) Cover DVD
If the sun drowns in a sea of clouds And extends a wave of darkness onto the world And vision dies in the eyes of the vigilant And the road is lost in lines and circles O shrewd traveler in straight lines and in circles, You have no guide but the eyes of speech
Contraband
Forbidden from travel Forbidden from singing Forbidden from speaking Forbidden from longing Forbidden from discontent Forbidden from smiling
And every day with your love That which is forbidden increases And every day I love you More than the before
My love, as if a vessel Longing and imprisoned With an informant in each corner A police in every port They forbid me if I Feel some jealousy for you Or if I fly to your embrace Or if I sleep in your lap And your heart like the spring I return like an infant Weeping from weaning
My love, as if city Dressed up and unhappy In every road a difficulty And in every palace decoration Forbidden from waking up With your love, or sleeping with it Forbidden from debate Forbidden from silence And every day with your love That which is forbidden increases And every day I love you More than the before
“Vader steekt zijn blote, zwarte voeten door de gordijntjes, zit een poosje geeuwend op de plank en ploft op de vloer. Steunend en wankelend rekt hij zich. Dan komen zijn vuisten haast tot de zolderbalken. Bartje zegt niets. Hij kauwt en hij kijkt maar. 's Morgens moet je een beetje oppassen met vader. Dan slaapt hij nog half, dan is hij bokkig. Maar als hij een pijp gerookt heeft, wordt het beter. De pijp ligt gestopt op de schoorsteenmantel en lucifers zijn daar ook. Vader steekt op. Zwaar dampend en steunend brengt hij zijn onderkleren in orde en zit dan in een wolk zijn kousen aan te trekken. Dat is niet gek, dat hoort zo bij een vader. Vader heeft haar op zijn benen, lange, zwarte. En als hij kwaad wordt, vloekt hij. En hij kan een wieg timmeren. Er zijn nòg een heleboel dingen, waarom je wel eerbied voor je vader moet hebben, maar deze drie behoren toch wel tot de voornaamste. Bartje heeft geen haar op zijn benen en hij vloekt ook nooit. Vloeken mag niet, zegt moeder. En de juffrouw van de Zondagsschool zei het ook. Dan wordt de Lieve Heer kwaad op je, zei ze. En daarom doet Bartje het niet. Hij is veel te bang, dat de Lieve Heer kwaad op hem zal worden. Vader geeft daar zo niet om, maar die is ook zo groot en zo sterk, die zal wel haast kunnen doen, wat hij wil. Grote mensen zijn niet zo erg bang voor den Lieven Heer. Vloeken is op één na het vreselijkste, wat er is. Het vreselijkste is, als je je vader en moeder slaat. Dan groeit je handje boven je grafje uit, als je doodgaat en dan zwerft je zieltje 's nachts als een wit vlammetje over de hei. Bij het moerasje, waar Bartje een keer geweest is met Arie en Gert, om naar eendeeieren te zoeken, is het er vol van: blanke, wiegende pluimpjes op een dun groen stengeltje. 's Nachts zijn het dwaallichtjes, allemaal zieltjes van gestorven kindertjes. Maar de gestorven Bartje is er niet bij. Want Bartje is wel eens bij zijn grafje geweest: daar stond een half-verrot paaltje op, met een roestig ijzeren plaatje er aan en daar groeiden gras en paddestoelen. Er was geen handje. Die Bartje is zeker ook een oppassende en gehoorzame jongen geweest, net als hij. Die zal ook wel niet gevloekt hebben. Daarom praat moeder zeker nog zo vaak over hem. ‘Zo en zo oud was hij nou al geweest,’ zegt moeder dan, ‘een hele kerel was hij al geweest."
Anne de Vries (22 mei 1904 – 29 november 1964) Jan Krol, Arend Kuik, and Jantje Weurding in Bartje (1972)
Sie haben einen Grund noch, einen festen, Und dennoch hält der Grund sie allzu fest. Sie flüchten vor dem Wind mit allen Ästen Und halten fest, hinauf bis zum Geäst.
Die Aste splittern in den Windgewittern, Und aus der Tiefe schöpft der Wind das Meer. Er schleudert Wogenberge, grau und schwer, Daß auch die Stämme in den Wurzeln zittern.
Gestalten mit verkrüppelten Gelenken, Nur in den Wurzeln regt sich noch ein Wille. Das Meer, der Wind, die Wolken – eine Wucht,
Die Bäume scheinen sich noch zu verrenken, Wenn Meer und Himmel atmen wieder Stille. Sie sind noch in der Stille auf der Flucht.
Kinderschuhe aus Lublin (Fragment)
Ein Paar aus Samt, ein Paar aus Seiden, und eines war bestickt sogar mit Blumen, wie sie ziehn, die beiden, sind sie ein schmuckes Hochzeitspaar.
Mit Bändchen, Schnallen und mit Spangen, zwerghafte Wesen, federleicht - und viel sind viel zu lang gegangen und sind vom Regen durchgeweicht.
Man sieht die Mutter, auf den Armen das Kind, vor einem Laden stehn: "Die Schuhchen, die, die weichen, warmen, ach Mutter, sind die Schuhchen schön!"
"Wie soll ich nur die Schuhchen zahlen. Wo nehm das Geld ich dafür her...." Es naht ein Paar von Holzsandalen, es ist schon müd und schleppt sich schwer.
Johannes R. Becher (22 mei 1891 - 11 oktober 1958) Standbeeld in Berlijn
Uit: Het treurige beroep van een schrijver (Vertaald door Edu Borger)
“Na een groot aantal edicten uitgevaardigd en menigmaal een beroep op de trouw van de goede stad Parijs gedaan te hebben verbaasden de beide gevangenen er zich ten slotte over dat zij geen enkele beroering onder het volk zagen gloren en altijd weer in dezelfde situatie ontwaakten. Spifame schreef dit geringe succes toe aan het scherpe toezicht van de ministers en Vignet aan de niet-aflatende haat van Mellin en du Bellay. De drukkerij werd voor een paar dagen gesloten, er werd over serieuzere oplossingen gepeinsd en er werden staatsgrepen overwogen. Die twee mannen, die er nooit over hadden gedacht om te vluchten om vrij te zijn, beraamden ten slotte het plan voor een ontsnapping die tot doel had de Parijzenaars de ogen te openen en hun minachting voor de Sophonisbe van Saint-Gelais en La Franciade van Ronsard op te wekken. Zij begonnen de tralies van onderen langzaam los te wrikken, waarbij ze al vorderend de sporen van hun arbeid lieten verdwijnen, en dat was des te gemakkelijker omdat zij als rustig, lankmoedig en tevreden met hun lot bekendstonden. Toen zij gereed waren met de voorbereidselen, werd de drukkerij wederom geopend. De vierregelige pamfletten, de opruiende proclamaties en de uitverkoren gedichten werden bij hun bagage gevoegd en nadat Spifame tegen middernacht een korte maar krachtige toespraak tot zijn vertrouweling had gehouden, knoopte deze laatste de lakens van de vorst aan een intact gebleven tralie vast, gleed er als eerste langs naar beneden en hielp kort hierna Spifame overeind, die zich op twee derde van de afdaling in het dichte gras had laten vallen, niet zonder een paar blauwe plekken op te lopen. Vignet vond in het donker al spoedig de oude muur waarachter zich het platteland uitstrekte; omdat hij behendiger was dan Spifame, slaagde hij erin op de muurkap te klimmen en stak vandaar zijn been uit naar zijn genadige heer, die zich er stevig aan optrok, waarbij hij met zijn voet steun vond op de restanten van de uit de muur losgewrikte stenen. Een moment later was de Rubicon overgestoken. Het was om en nabij drie uur in de ochtend toen onze twee in vrijheid verkerende helden een dichtbegroeide plek in een bos bereikten, waar zij zich lang voor speurders schuil konden houden; maar zij dachten er niet over heel nauwgezette voorzorgsmaatregelen te nemen, aangezien zij meenden dat ze alleen maar vrij hoefden te zijn om herkend te worden, de een door zijn onderdanen en de ander door zijn bewonderaars. Ze moesten natuurlijk wel wachten tot de poorten van Parijs geopend zouden worden, hetgeen niet vóór vijf uur 's ochtends gebeurde. De weg was al vol met boeren die hun voorraden naar de markt brachten.”
Gérard de Nerval (22 mei 1806 – 26 januari 1855) Monument in Othis
Debout ! le soleil caresse nos draps. Que ne suis-je né près de Mytilène ! Allons respirer l'odeur des cédrats Au marché qu'on tient à la Madeleine.
J'ai rêvé d'un grand château dans la plaine. Nous étions (hélas ! tu me comprendras !) Moi, l'hôte d'un soir, vous, la châtelaine. Debout ! le soleil caresse nos draps.
Nous voyagerons lorsque tu voudras ! Nous irons en Grèce, au pays d'Hélène Dont les bras étaient moins beaux que tes bras. Que ne suis-je né près de Mytilène !
En Chine où les tours sont de porcelaine, Dans l'Inde où la noire a sous le madras Des cheveux crépus comme de la laine, Allons respirer l'odeur des cédrats.
Mais ce n'est qu'un rêve et tu t'en riras ! Allons acheter de la marjolaine, De la marjolaine et des gobéas Au marché qu'on tient à la Madeleine !
Tags:Erik Spinoy, Arthur Conan Doyle, Ahmed Fouad Negm, Anne de Vries, Johannes R. Becher, Kees Winkler, Gérard de Nerval, Robert Neumann, Catulle Mendès, Romenu
De Duitse schrijver en journalist Takis Würger werd geboren in 1985 in Hohenhameln. Na zijn eindexamen gymnasium werkte hij als vrijwilliger in een ontwikkelingsproject in Peru. Hij werkte als vrijwilliger bij de Münchner Abendzeitung en bezocht de Henri Nannen School. Vervolgens ging hij naar het tijdschrift Der Spiegel, waar hij werkt op de afdeling samenleving. In 2014 studeerde hij een jaar aan het St. John's College, Cambridge Human, Social and Political Science. Würger maakte reportages voor Der Spiegel onder andere uit Afghanistan, Libië, Mexico en de Oekraïne. In 2012 werkte hij als Arthur F. Burns Fellow drie maanden bij de Amerikaanse krant The Austin Chronicle in Texas. Wùrger geeft een seminar reportages aan de Academie van de Beierse Pers. Wùrger heeft verschillende journalistieke prijzen gewonnen, waaronder de Duitse reporter prijs, de CNN Journalist Award en European Journalism Prize Writing for CEE. In 2010 werd hij bekroond door Medium Magazin als een van de "Top 30 Journalisten" (onder de 30); In 2017 werd hij onderscheiden met de Silberschweinpreis, de prijs voor deburanten van lit.Cologne voor zijn roman “Der Club”.
Uit: Der Club
„Im südlichen Niedersachsen liegt ein Wald, der Deister, darin stand ein Haus aus Sandstein, in dem früher der Förster gewohnt hatte und das durch eine Reihe von Zufällen und den Kredit einer Bank in den Besitz eines Ehepaares kam, das dort einzog, damit die Frau in Ruhe sterben konnte. Sie hatte Krebs, Dutzende kleine Karzinome, die in ihrer Lunge saßen, als hätte jemand mit einer Schrotflinte hineingeschossen. Der Krebs war inoperabel, und die Ärzte sagten, sie wüssten nicht, wie viel Zeit der Frau bliebe, deshalb quittierte der Mann seine Arbeit als Architekt und blieb bei ihr. Als die Frau schwanger wurde, riet der Onkologe zur Abtreibung. Der Gynäkologe sagte, auch eine Frau mit Lungenkrebs könne gebären. Sie gebar einen kleinen, dünnen Säugling mit zarten Gliedern und vollem schwarzen Haar. Der Mann und die Frau pflanzten einen Kirschbaum hinter das Haus und nannten ihren Sohn Hans. Das war ich. In meiner frühsten Erinnerung läuft meine Mutter mit nackten Füßen durch den Garten auf mich zu. Sie trägt ein gelbes Kleid aus Leinen und um den Hals eine Kette aus rotem Gold. Wenn ich an diese ersten Jahre meines Lebens zurueckdenke, ist immer später Sommer, und es kommt mir vor, als hätten meine Eltern viele Feste gefeiert, auf denen sie Bier aus braunen Flaschen tranken und wir Kinder Limonade, die Schwip Schwap hieß. An solchen Abenden schaute ich den anderen Kindern zu, wie sie Fangen spielten, ich fühlte mich beinahe wie ein normaler Junge, und es war, als sei der Schatten vom Gesicht meiner Mutter verschwunden, was vielleicht auch am Licht des Lagerfeuers lag. Meistens beobachtete ich die anderen aus einer hinteren Ecke des Gartens, wo unser Pferd graste. Ich wollte es beschützen, weil ich wusste, dass es Angst vor Fremden hatte und nicht gestreichelt werden mochte. Es war ein Englisches Vollblut, das einmal ein Rennpferd gewesen war und das meine Mutter einem Pferdeschlachter abgekauft hatte. Wenn es einen Sattel sah, buckelte es. Als ich ein Kleinkind war, setzte meine Mutter mich auf den Rücken des Pferdes, später ritt ich mit ihm durch den Wald, ich hielt mich mit dem Druck meiner Schenkel fest. Nachts, wenn ich aus meinem Zimmer in den Garten schaute, hörte ich, wie meine Mutter mit dem Pferd sprach. Meine Mutter kannte jedes Kraut im Wald. Wenn ich Halsschmerzen hatte, kochte sie mir einen Sirup aus Honig, Thymian und Zwiebeln, und die Schmerzen verschwanden. Einmal sagte ich ihr, dass ich mich vor der Dunkelheit fürchtete, sie nahm mich bei der Hand und wir gingen durch die Nacht in den Wald. Sie sagte, sie könne nicht leben, wenn sie daran dachte, dass ich mich fürchtete, was mich ein wenig be- unruhigte, da ich häufig Angst hatte. Oben auf dem Kammweg sprangen die Leuchtkäfer aus den Zweigen und setzten sich meiner Mutter auf die Arme.“
„- Ach so, Hase geht auch mit, sagte Lilia mit fallendem Ton. - Natürlich geht das Häschen mit, rief Tante Else. Hase stand in seiner gewohnten Abwehrhaltung mit so weit wie möglich weggedrehtem Gesicht. Er spürte Wärme, plötzlich dicht: Tante Else hatte sich neben ihn gekauert, ihre Arme waren zu eifrig. - Heute geht es mit, nicht wahr, das Häschen, sagte Tante Else. Es tat Hase leid um Lilia: sie hatte das neue Kleid an mit den roten und schwarzen Spritzern und sah so erwachsen aus. Sie konnte ihn nicht gebrauchen. Er sagte nichts, die Lippen ließen sich nicht bewegen, aber es tat ihm leid. Das wäre nicht der Sonntag, den sie mit diesem Kleid haben könnte. Onkel Willi kam aus der Küche ins Vorzimmer und ließ die Tür offen, und der heiße Waschgeruch strömte herein. Onkel Willi roch festlich nach den Blumen und Kräutern seiner Rasierpaste. Sein speckiges Gesicht war nicht hart wie an Werktagen, sondern vom heißen Wasser aufgequollen und rot. - Was macht der Hase für ein böses Gesicht, sagte er mit seiner Sonntagsstimme. Was macht er fürn böses Gesicht, wenn er mitgehn darf, he? Hase gab sich Mühe, zu lächeln, aber das tat immer noch ein bißchen weh, fast zwei Jahre nach der Operation, die Oberlippe hatte nicht genug Platz, oder was war es sonst, auf jeden Fall fühlte er sich nicht wohl, wenn er lächeln mußte. - Macht er ein böses Gesicht? rief Tante Else. Macht er denn eins? - Na klar, sagte Onkel Willi, ich kann's nicht verstehn an so einem Tag, wo wir ihn mitnehmen. Hase spürte, daß er jetzt etwas unternehmen mußte - nie war ein Frieden stabil genug. Er stieß eine Folge bettelnder Laute aus, hob die Hände, zwang sich, den Kopf ganz ihnen allen zuzukehren, das Gesicht zu heben, zu zeigen. Böses Gesicht. Lächeln, schlimmer als Schmerz, Unbehagen wie Krankheit. Kleines schreckliches Gesicht, schartig verzerrt und riesig rot geflügelt von den Ohrschalen. Es tat ihm leid für Lilia, auch ein bißchen für Tante Else, und sogar für Onkel Willi, weil er so weich und sonntäglich gestimmt war. - Na laßt uns doch gehn, sagte Tante Else. Undankbare Kinder verdienen ja gar nicht, daß man sich so mit ihnen anstellt. Es tat ihm leid um Lilias Kleid, weil alle Aufmerksamkeit unterwegs, im Omnibus und in der Vorhalle an der Kasse, wie immer auf ihn gezogen war. Häschen mit der Häschenscharte, Mäuschen mit den Fledermäuschenohren. Es tat ihm so leid für Lilia. Wie hieß er eigentlich wirklich? Hatte er einen Namen? Wie die andern: Willi, Else, Lilia. Kein Gesicht, keinen Namen. Er lief hinter den ändern her mit gesenktem Kopf, fühlte sich schläfrig vor Kummer“.
Gabriele Wohmann(21 mei 1932 – 22 juni 2015) In 1969
« The concept was simple: a walled, rectangular garden guided by rigorous geometry. At the center would be a raised pavilion meant for contemplation. Two broad, perpendicular canals quartered the six-acre space. Pathways within each quadrant imposed a grid on the trees, both living and steel, that were studded in orchard-like rows. A white pe-rimeter wall, twenty-seven feet high, enclosed the entire space. The vic-tims would be listed on the wall's interior, their names patterned to mimic the geometric cladding of the destroyed buildings. The steel trees reincarnated the buildings even more literally: they would be made from their salvaged scraps. Four drawings showed the Garden across the seasons. Claire's favor-ite was the chiaroscuro of winter. A snow shroud over the ground; leaf-less living trees gone to pewter; cast-steel trees glinting with the rose light of late afternoon; the onyx surfaces of the canals shining like crossed swords. Black letters scored on the white wall. Beauty wasn't a crime, but there was more than beauty here. Even Ariana conceded that the spar-tan steel trees were an unexpected touch—reminders that a garden, for all its reliance on nature, was man-made, perfect for a city in which plas-tic bags wafted along with birds and air-conditioner runoff mixed in with rain. Their forms would look organic, but they would resist a garden's seasonal ebb and flow. "The Void is too dark for us," Claire said now, as she had before. Us: the families of the dead. Only she, on the jury, stood for Us. She loathed the Void, the other finalist, Ariana's favorite, and Claire was sure the other families would, too. There was nothing void-like about it. A tow-ering black granite rectangle, some twelve stories high, centered in a huge oval pool, it came off in the drawings as a great gash against the sky. The names of the dead were to be carved onto its surface, which would re-flect into the water below. It mimicked the Vietnam Veterans Memorial but, to Claire, missed the point. Such abstraction worked when humans could lay their hands on it, draw near enough to alter the scale. But the names on the Void couldn't be reached or even seen properly. The only advantage the design had was height. Claire worried that some of the families—so lingoistic, so literal-minded—might see the Garden as con-ceding territory to America's enemies, even if that territory was air. "Gardens are fetishes of the European bourgeoisie," Ariana said, pointing to the dining-room walls, which were papered with a panorama of lush trees through which tiny, formally dressed men and women strolled. Ariana herself was, as usual, dressed entirely in a shade of gruel that she had patented in homage to and ridicule of Yves Klein's brilliant blue. The mockery of pretension, Claire decided, could also be pretentious. 'Aristocratic fetishes," the jury's lone historian corrected.”
“I walked up the steps, between the thickset columns, and into the impressive foyer of the Galer Street School. It was underlit and cathedral cool. Framed photos told the story of the building’s transformation from a home for wayward girls to a single-family residence (!) to today’s ruinously expensive private school. A little about the building’s restoration. On the floor, in wood inlay, because strait is the gate and narrow is the path which leadeth unto life and few there be that find it, dated to 1906. One hundred and fifty rubber molds were created for the intricate plaster work. Colorado alabaster was cut paper-thin for the clerestory. The mosaic of Christ teaching children to pray required flying in a seventy-year-old craftsman from Ravenna, Italy. When the restoration began in 2012, the big mystery was what had happened to the brass Art Deco chandelier from the early photos. It was found by the guys blowtorching blackberry vines out of the basement. Large blindfolded pigs were lowered in on ropes to chew the chandelier free. How could I possibly know this? As I entered, the chic architect in charge of the restoration happened to be leading a tour. On my way to the administration offices: “Eleanor!” I turned. For the past month, the conference room had become auction central, abuzz with parent volunteers. “You’re just the person we need!” said the woman, a young mom. Me? I mouthed, pointing, confused.”
„DEÉR Verstehe. WRAGE Wir haben Partner in zweiundzwanzig Ländern und können unsere Klienten all over the world vermitteln. Nach allen Ländern der EU, Kenia, Mexiko, Japan. Just name it. DEÉR Aha. WRAGE Was alle Damen und Herren hier verbindet: Sie sind vom Verlust ihres Arbeitsplatzes betroffen und erwarten von uns eine optimale Unterstützung bei ihrer Karrierefortsetzung in einem anderen Unternehmen. DEÉR nimmt die anderen wie neu wahr; als hätten sie die Lepra Die da, die stehen alle auf der Straße? WRAGE Hier ist jeder in der gleichen Lage. DEÉR Ja. Das kommt jetzt immer häufiger vor. WRAGE Sehr gut! Was leistet unsere Organisation, und wie leistet sie es? Als wir vor zehn Jahren hier in der Schweiz unsere Tätigkeit aufnahmen, waren wir ein Nischenprodukt in einer intakten Arbeitswelt. Zwar war die Hochkonjunktur am Abklingen, darum ja unsere Anstrengungen, uns auch am Schweizer Markt zu positionieren, aber in den Köpfen des mittleren und höhern Kaders gab es noch kaum irgendwelche Gedanken an einen möglichen Verlust des Arbeitsplatzes. DEÉR Ja, ja. Wir restrukturieren ja auch massiv. Grad nochmals tausendzweihundert Stellen abgebaut. Aber nicht in meinem Bereich. Das Catering ist stabil. WRAGE Ja. DEÉR Einzelne Fluktuationen allenfalls. WRAGE Gut. - 1986 vermittelten wir ganze fünfzehn Herren! Waren bereits zwei Damen unter den Herren. Kleine Heiterkeit. Heute haben wir mehr als neunhundert Klientinnen und Klienten per annum, und wir haben unsre Tätigkeit auch auf nicht deutlich qualifizierte Arbeitsplätze aus dem untern Segment ausgedehnt. Wir bieten jetzt dreitägige Crash-Programme in Gruppen an, für eine erfolgreiche berufliche Neuorientierung auch im Low-salary-Bereich. DEÉR Die da?”
Urs Widmer (21 mei 1938 – 2 april 2014) Scene uit een opvoering in Lugano in 2014
Depuis ces temps troublés d'adieux et de retours Et de soudaine lassitude D'être celui qui va, cerné de solitude, Mes jours toujours plus lourds s'en vontroulant leur cours.
J'avais foi dans ma tête; elle était ma hantise. Et mon entêtement - haine et splendeur - vermeil, Où s'allumait l'intérieur soleil, Dardait contre le bloc de roc de la bêtise.
De vivre ainsi hautement, j'avais Muette joie à me sentir et seul et triste, Ne croyant plus qu'à ma perdurance d'artiste Et à l'oeuvre que je rêvais.
Celle qui se levait tranquille et douce et bonne Et s'en allait par de simples chemins, Vers les foyers humains, Où l'on pardonne.
Ah! comme il fut plombant ce soir d'opacité, Quand mon âme minée infiniment de doutes, En tout à coup d'arbre à terre barra mes routes Et lézarda, craquement noir, ma volonté.
A tout jamais mortes, mes fermetés brandies! Mespoings? flasques; mes yeux? fanés; mes orgueils? serfs; Mon sang coulait péniblement jusqu'à mes nerfs Et comme des suçoirs gluaient mes maladies.
Et maintenant que je m'en vais vers le hasard... Dites, le voeu qu'en un lointain de sépulture, Comme un marbre brûlé de gloire et de torture, Rouge éternellement se crispera mon art!
Des soirs
I Sur mes livres éteints, où comme en un miroir J'ai reflété mon coeur lassé, mon coeur du soir, Après un jour vécu sans gloire et sans vaillance, Lampes immobiles, larmez, dans le silence, Vos feux pour le sommeil qui vient, torpidement, Clore mes yeux fanés et mon attristement; Lampes, brûlez, durant des heures et des heures Encor, inutiles pour tous, mais les meilleures Pour le rêve veiller - dont mon esprit, hélas! Au clair sonnant matin ne se souviendra pas.
II Sous les vitres du hall nitreux que le froid fore Et vrille et que de mats brouillards baignent de vair, Un soir, en tout à coup de gel, s'ouvre l'hiver, Dans le foyer, fourbi de naphte et de phosphore
Qui brûle: et le charbon pointu se mousse d'or Et le posthume été dans l'or se réitère; Il émeraude un bol, il enturquoise un verre Et multiplie en chatons d'or son âme encor.
Par à travers ce feu qui le détruit, sa joie Est de faire des fleurs parmi les lustres, vivre! Et d'allumer sa mort comme une fête. Au loin,
Lorsque tonne l'autonne et que le vent disjoint On serre en noeud ses poings et que gratte le givre... O cette mort que l'on torture et qui flamboie!
Emile Verhaeren (21 mei 1855 - 27 november 1916) Portret door Georges Tribout, 1907
I spent a night turning in bed, my love was a feather, a flat
sleeping thing. She was very white
and quiet, and above us on the roof, there was another woman I
also loved, had addressed myself to in
a fit she returned. That
encompasses it. But now I was lonely, I yelled,
but what is that? Ugh, she said, beside me, she put
her hand on my back, for which act
I think to say this wrongly.
After Lorca for M. Marti
The church is a business, and the rich are the business men. When they pull on the bells, the poor come piling in and when a poor man dies, he has a wooden cross, and they rush through the ceremony.
But when a rich man dies, they drag out the Sacrament and a golden Cross, and go doucement, doucement to the cemetery.
And the poor love it and think it's crazy.
Robert Creeley (21 mei 1926 – 30 maart 2005) Portret door Francesco Clemente, 2001
The graver prude sinks downward to a Gnome, In search of mischief still on earth to roam. The light coquettes in Sylphs aloft repair, And sport and flutter in the fields of air.
Know further yet; whoever fair and chaste Rejects mankind, is by some sylph embrac'd: For spirits, freed from mortal laws, with ease Assume what sexes and what shapes they please. What guards the purity of melting maids, In courtly balls, and midnight masquerades, Safe from the treach'rous friend, the daring spark, The glance by day, the whisper in the dark, When kind occasion prompts their warm desires, When music softens, and when dancing fires? 'Tis but their sylph, the wise celestials know, Though honour is the word with men below.
Some nymphs there are, too conscious of their face, For life predestin'd to the gnomes' embrace. These swell their prospects and exalt their pride, When offers are disdain'd, and love denied: Then gay ideas crowd the vacant brain, While peers, and dukes, and all their sweeping train, And garters, stars, and coronets appear, And in soft sounds 'Your Grace' salutes their ear. 'Tis these that early taint the female soul, Instruct the eyes of young coquettes to roll, Teach infant cheeks a bidden blush to know, And little hearts to flutter at a beau.
Alexander Pope (21 mei 1688 – 30 mei 1744) Portret door Jean-Baptiste van Loo, ca. 1742
Round crystal on velvet shade, Serenity at my heart, I created myself from sky-waters, Froze under icicles of light. I am born virgin in my place Unceasingly as dew-pebbles, Sparkling in my depths; The more the less I hold.
But you won't know what and how many Sources have filtered noiselessly through me. And you don't know how many warm lips Have sipped at my flashing lip. They are here now in the air like leaves When you try my untasted freshness; Your mouth sipping new drops Will kiss shadow lips in flight.
Morgenstimmung
Your song filtered into me One afternoon When the window of my barred soul Flew open in the wind Without my knowing I heard you singing.
Your song has filled the whole building The drawers boxes rugs Like sonorous lavender. Look The bars have come loose And the monastery lies open before me.
And it might perhaps have been nothing Had you not undermined me With your song and your little finger That touches the blackbirds on the keys Your whole being close by.
With a roar clouds collapse Into the room of the closed universe. The storm brought cranes Bees leaves... My beams Are flimsy as petals. Why did you sing?
Why did I hear you? We have crumbled into completeness Cloudlike under the skies. I came from above You from below.
Vertaald door Michael Impey and Brian Swann
Tudor Arghezi (21 mei 1880 – 14 juli 1967) Tudor Arghezi’s oude woonhuis, nu museum in Boekarest
« Mais qu'était-ce que ce néerlandais auquel on reprochait en même temps de n'être qu'un grossier dialecte et d'avoir été créé artificiellement par une clique d'intellectuels, dont tantôt on blâmait la mollesse (la « bouillie flamande »), tantôt la rudesse (le parler, c'était « croasser », « mâcher des clous », « broyer des cailloux ») ? Un langage dont les lettres de noblesse remontaient au Mie siècle et qui avait été celui de nos trouvères, de nos satiriques, de nos grands poètes mystiques et métaphysiques, Hadewijch, Beatrix, Ruusbroec. C'était la langue de Rubens, celle de sa correspondance (sauf le cas où son destinataire ne l'entendant point, le peintre usait de l'italien ou du français), celle de la chanson populaire miraculeusement conservée, celle enfin qu'en même temps que le français on apprenait en classe - à condition bien entendu de s'y prêter. Car dans certaines écoles, notamment l'Institut de Kerckhove fréquenté par les filles de la grande bourgeoisie, une consigne circulait à l'intention des nouvelles : « On ne fait pas le devoir de flamand. » Humiliée mais résignée la maîtresse de néerlandais s'inclinait. Bannie des salons, proscrite des universités et des prétoires, si peu tolérée au Parlement qu'on faisait le vide autour des députés qui avaient l'inconvenance de s'en servir, cette langue bafouée savait se ménager des revanches. Soit qu'elle fût plus que le français propice à l'effusion, soit que les remous de l'émotion fissent affleurer quelque mémoire ancestrale, on la voyait remonter dans les gros mots de la colère ou les diminutifs de la tendresse et même, plus tragiquement, dans la débâcle de l'agonie. Ainsi arrivait-il qu'ayant vécu en français, l'on mourût en flamand. Ce fut le cas de ma mère qui, peut-être pour l'avoir renié durant sa vie, se remit à parler flamand sur son lit de mort, avec précipitation et comme pour rattraper le temps perdu. Il faut dire qu'en reniant le néerlandais, Maman rompait avec une tradition familiale de bilinguisme, ses parents et grands-parents ayant servi avec équanimité les deux langues (ainsi qu'en témoignent divers documents et mémoires d'Edmond De Busscher, mon arrière-grand-père l'archiviste). En même temps - par dévotion amoureuse à un mari que quelques années de jeunesse vécues en France avaient orienté définitivement vers ce côté -, elle trahissait un peu son père qui se flattait de descendre des Artevelde, adversaires farouches du parti français. »
Suzanne Lilar (21 mei 1901 - 12 december 1992) Cover
“Er is niet veel voor nodig om de studente Yvonne tot ontboezemingen te verleiden. Eén maaltijd is genoeg. Nog voor de cognac weet ik dat ze een paar weken het liefje is geweest van de acteur B. Hij is beroemd, ik heb films gezien waarin hij schitterde als schurk. Yvonne werkte in een artiestencafé waar hij geregeld kwam toen hij in een stuk van Schiller speelde met het Berliner Ensemble. Eerst vond ze hem een onuitstaanbare klootzak, maar later begreep ze dat dat het begin van de aantrekkingskracht was geweest. Op een avond, de lichten waren al aan, had hij gezegd dat ze een geweldige kont had. Buiten hadden ze gekust, ze was meegegaan naar zijn hotelkamer. Dit was ze blijven doen gedurende de looptijd van het stuk. Ik ben zeer geïnteresseerd in de erotische omgang van jonge vrouwen en oudere, vaak succesvolle mannen. Ik wil weten hoe het zit, waar op de loopplank ze elkaar ontmoeten. Yvonne is een buitengewone bron. Het eerste wat de acteur deed als ze samen waren op zijn kamer, was zich ontkleden en een douche nemen. Elke avond opnieuw. Ze spreekt met vertedering over zijn buikje. ‘Het paste bij hem,’ zegt ze. Zijn geslacht noemt ze ‘hardachtig’. Ook al sliepen ze naakt, ze waren niet met elkaar naar bed geweest. In de roddelbladen heeft Yvonne foto’s gezien van hem en zijn tweede vrouw. ‘Ze is maar iets ouder dan ik,’ zegt ze. ‘Ze lijkt op mij. Later die avond, in café Le Bateau Ivre, gaat het gesprek over op de achttienjarige jongen op wie Yvonne nu haar oog heeft laten vallen. ‘Zo’n mooi lichaam,’ zegt ze. ‘Een rugbyer.’ Een steek van jaloezie, die me verbaast. Pas later begrijp ik het. Het was niet dat ik Yvonne bijzonder begeerde, al had de acteur gelijk over haar kont. Niet naar haar ging mijn verlangen uit, maar naar iets anders. Ik had zonder jaloezie geluisterd naar de geschiedenis met de beroemde acteur, de wringing volgde pas op haar verzuchting over de schoonheid van de jongeman. Ik was overvallen door de begeerte een achttienjarig lichaam te zijn. Ik bevind me ergens tussen de jonge rugbyer en de oude acteur in.”
Tommy Wieringa (Goor, 20 mei 1967)
De Nederlandse schrijver, journalist en muzikant Auke Hulstwerd geboren in Hoogezand-Sappemeer, op 20 mei 1975. Zie ook alle tags voor Auke Hulst op dit blog.
Uit: En ik herinner me Titus Broederland
“Dat huis is op zichzelf, zeiden de mensen van het dorp – ze zeiden zoveel en wisten zo weinig. De woning, een scheefgezakt geval van hout en steen, lag verscholen in een bos, aan het eind van een kronkelpad dat wemelde van de losgewoelde keien. Meestal scheen de zon, maar het loof rond ons huis was zo dicht dat er een dromerige sluier hing van zwak, groen licht. Een beek diende als drinkbak voor de paarden, aan een boom hingen halsters en een tuig, een handkar was door zijn as gezakt en overwoekerd geraakt door wilde wingerd. Alles stond wankel op de benen, leek het wel, de dieren en de dingen. Maar wij zagen verhalen. Als ik nu mijn ogen sluit, zie ik ons weer, met mantels van handdoeken om, zwaaiend met zwaarden van takken. Jochies nog. We duelleerden – meer dans dan strijd – en doorboorden struiken die indringers verbeeldden. De handkar werd ons roversschip. Titus tuurde door een opgerold bokkeblaadje, ik wierp rotte appels naar de paarden, op mijn hoofd een roestig steelpannetje. De appels ontploften en de paarden zonken. Dit was ons land, ons rijk. En ja, ook dat van vader, al vond Titus van niet. We hadden er zelfs een geheime naam voor, die ik sindsdien nooit meer in de mond heb genomen. Hier leefden we, op een plek die we tot op de laatste grasspriet kenden, in de vrijheid van verbanning, afgeschermd van een wereld die schande sprak van Titus en mij, omdat de een de echo was van de ander, even oud, met dezelfde blik en – zo luidde de mythe – een gedeelde, zwarte ziel. Duivelskinderen. We lachten om dat woord. En stiekem koesterden we het. Ik denk dat we ons er altijd bewust van zijn geweest dat we anders waren, juist door onze sterke gelijkenis. Die hadden we immers nooit bij anderen gezien. Hoe het was om zonder evenbeeld te zijn, konden we ons maar moeilijk indenken. Was dat de ware eenzaamheid? Vader, bijvoorbeeld, had drie jongere broers die in niks op hem leken en niks van hem wilden weten. Die hebben we misschien twee keer in ons leven gezien – ze bleven beide keren kort en gingen niet eens zitten. ‘Het is wel mijn bloed,’ zei vader, toen ze weer vertrokken waren. Wij keken elkaar aan. Werkelijk? Het leek alsof ze de hele tijd langs elkaar heen hadden gepraat. Wildvreemden.
Het heeft iets sinisters, de cremes die in haar zinken. Het zonlicht
dat er sproeten op batikt en de rimpels laat uitbreken. Hoe
ze luchtjes bewaart die ik liever vergat, zijn geur af en toe nog sluimert
tussen mijn spleten. Soms herinner ik me de eerste keer, de handen
op mijn blote rug, hoe de vingertoppen wel inductieplaten leken. Van elke porie
een mondje maakten, happend naar meer, tot we verweerden. Ik trok weg van het bed,
van alle beloftes, de uren vergeefs. Slechts gekleed in mijn huid wandelde ik
richting de tuin. Ik hoorde hem huilen naar mij. Het vel zette de zon al om
in vitaminen. Maakte met iedere stap de botten sterker, de tanden harder.
Vlies
Ze zeiden dat ons hoofd niet meer is dan een knokenkap. Een thuis waarin het spookt. . Maar in de hoek lag iets. We tilden het op en ontdeden het van zijn vlies. Het was teer nog maar het ademde, . het begreep hoe we spartelden. . Laat onze handen maar neerdalen. De vingers zullen zich hoe dan ook spreiden in een majeurakkoord. Op deze polsen . zitten geen wonden maar stukjes weefsel in de vorm van landen waarvan we weten dat ze bestaan.
“Gedurende de dag gleed het zonlicht in onregelmatig veranderende vlakken van links naar rechts door de tuin. Het streelde de stam van de Japanse kers, die in de lente met zijn roze blaadjes de bodem bedekte. Het blikkerde op de overliggende muur, op de paar plekken waar het witsel nog niet van de bak-stenen was verweerd. Het verdween, steeds roder kleurend, verticaal langs de muur van het achterpand, alsof het licht een ladder besteeg. Rogi kon er uren naar kijken. Bij de tuin hoorde een ouder echtpaar dat door het jaar heen in de verglij-dende plekken zonlicht onduidelijke werkzaamheden verrichtte. Zodra de avonden zacht genoeg waren streken zij neer op het kleine terras, dat het laatste zonlicht ving, dronken thee, dronken koffie, namen het avondeten mee naar buiten en zaten daar soms tot diep in de nacht met vrienden en wijn, het terras met kaarsen afgezoomd. Rogi verbaasde zich over hun onverstoorbaarheid. Het was alsof ze hem niet zagen zitten achter zijn raam. Van een architect had hij ooit gehoord dat ramen semitransparant zijn, dat het interieur alleen zichtbaar wordt als er in de kamer licht brandt, dus misschien zagen zij hem werkelijk niet. Hij sloot de gordijnen voor hij de lamp aandeed, om ze niet te storen. Hopelijk hadden zijn ouders het in Doonkelly net zo goed. Zijn kamer was de mooiste van het pand. Het had moeite gekost om hem te vinden. De kleineadvertentiekolommen van het Haarlems Dagblad stonden vol oproepen om betaalbare woonruimte, soms schrijnende van ouders met kinderen, meestal van jongeren die studeerden of jongeren die werkten en genoeg hadden van het leven thuis. Het aanbod beperkte zich tot apparte-menten van achthonderd gulden per maand of meer, 'alleen dames reageren. `Boven de winkels staat alles leeg: verzuchtte Marnix, een klasgenoot die niet op kamers moest maar wel graag het huis uit wilde. 'Het is een schande: Eenmaal werd Rogier op gesprek gevraagd in een studentenhuis dat met cooptatie werkte, maar hij lag niet goed bij de hts'ers die er woonden en zij lagen niet goed bij hem. Het afmeldtelefoontje was een opluchting. Via via hoorde hij van de Hazer.
“Er moet een zekere rust zijn die ik niet bezit. Om een taal te leren, om een dag alleen te zijn, om lief te kunnen hebben. De man naast me leest de krant, eet een verbrande tosti. Hij kleedt zich als een gepensioneerde aardrijkskundeleraar: een beige ribbroek en een flanellen overhemd, rode leesbril van de Hema. Ik bedenk dat ik met hem getrouwd ben, dat we zwijgend aan onze keukentafel zitten terwijl hij de krant leest. De man probeert mijn blik te vangen en schuift me zijn chocolaatje toe. Is dit huwelijk dan toch nog te redden? Is mijn man een diabetespatiënt? Ik besluit te wachten met het eten van de chocolade tot hij weggaat. Naar de badkamer om zich te douchen. De slang lekt, ik had een nieuwe moeten kopen. Zijn chocolaatje is lekkerder dan die van mij. Zonder nootjes. De krant is dichtgeslagen. Altijd leest hij de krant en vertelt op belerende toon over wat er vandaag is gebeurd. Ik ben met een linkse oude lul getrouwd. Ik en mijn slechte huwelijk zitten in het café. De eerste en de laatste sigaret bevallen niet, zo werkt dat. Ik zeg nee als een stelletje vraagt of de stoel naast me vrij is. In mijn gedachten zeg ik sorry. Ik heb het nagelaten je te missen. Ik had je de stoel aangeboden als je het café binnen was gelopen, dat weet ik zeker. Jij bent iemand die zo binnen kan komen lopen. Toen je niet kwam, Broer, ben ik naar huis gegaan. Ik heb niet meer gewacht tot mijn man terugkwam uit de badkamer, dat kan lang duren bij oudere mannen. Ik ging naar mijn drie slaapkamers, de grote gang, de kleinere. De badkamer die ook op een gang lijkt. De keuken met huidkleurige kastjes en tegels die ik niet heb uitgekozen. Ik denk aan de beloftes die ik dit huis heb gedaan. Er is hier veel stuk. Het stuken van het muurtje in de gang gebeurt niet. Ik weet niet of ik lui ben of van gebreken houd.”
Toen ik ingeslapen was in zonneglas, in zonneglas, waarvan de kamer was - een ongeboren diamant van glinstervliezen, ingekeken door ongestoorde moederogen - heb ik haar lichaam weergezien: een licht met het vermogen Te kunnen worden kind of ster en nu ik me heb bewogen moet er een droom geboren zijn waarvoor een koning ligt gebogen.
Achtergebleven
Ze lachte traag, haar lach weende beneden en aan de onderzijde blonk de dood. Zij was hier tusschen ingegaan, vervreemdde meer van zich zelf naardat haar leven vlood.
Zij had het beste van haar hart vergaderd om een, die zij ten doode toe verkoos, te redden, maar de storm had hem beschadigd, die in haar bloed zijn oorsprong koos.
Nu zit zij neder als achtergelaten en telt de uren in haar stille schoot die haar nog scheiden van het laatste: zijn keeren op de winden van den dood.
Kleine ode aan het water
Zo staat de regen als een raam over de bloemen, mond en maan leggen er groot en rond zich aan, liggen er groot en rond om dicht, o teug, waaraan ik lig; met mijn gezicht in maan en water staan bloemen in mijn ogenwater gespiegeld, sta ik spiegelend in waterramen en maanbloemen.
Gerrit Achterberg(20 mei 1905 - 17 januari 1962) Het gedicht "Kleine ode aan het water" als muurgedicht in Leiden
Geachte cliënten, 't wordt lente, wat zullen we nou eens voor prettigs gaan doen. Geachte cliënten, 't wordt lente, de merel zingt aria's in het plantsoen. Hij heeft zijn tarief niet gewijzigd dit jaar, dus wij doen het ook niet, we laten het maar. Wat kan het ons schelen, die centen. Hoogachtend, komma, 't wordt lente!
Het beertje Pippeloentje
Kijk, het beertje Pippeloentje heeft geen sok en heeft geen schoentje, heeft geen dasje en geen boordje en geen tasje met een koordje en geen broekje en geen jakje en geen pakje met een zakje en geen hemdje en geen wolletje en geeneens een parasolletje en geen ponnetje voor in bed, maar Pippeloentje heeft een pet!
Kijk, het beertje Pippeloentje gaat niet wandelen in 't plantsoentje en niet steppen op een stepje en niet scheppen met een schepje en niet knikkeren en niet tollen en niet hard de straat op hollen en niet schrijven en niet rekenen en geen bere-poppetjes tekenen, en niet roetsjen van de trap. maar Pippeloentje eet z'n pap.
Geef 't beertje maar een zoentje: Welterusten Pippeloentje!
Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995) Cover biografie
De Duitse schrijver en acteur Sky du Mont(eigenlijk Cayetano Neven du Mont) werd geboren op 20 mei 1947 in Buenos Aires, Argentinië. Zie ook alle tags voor Sky du Montop dit blog.
Uit:Full House. Liebeserklärung an die Chaosfamilie
`Zuerst tigerten wir eine Woche lang durch Kühlschrankabteilungen in Elektroläden. Überall dasselbe: jede Menge Platz im Kühlschrank — aber jedes Gerät zu groß für unsere dreieinhalb Quadratzentimeter Küchenfläche. Dann rückte Beate raus mit ihrem Plan. »Schatz, ich fürchte, für einen größeren Kühlschrank müssen wir umziehen. Der passt nicht in unsere Küche.« »Im Ernst? Och, schade. Aber wenn du meinst ...« In Wirklichkeit hatte sie das natürlich von langer Hand geplant. Was folgte, war ein zermürbender Marathon durch die Mietanzeigen. Rückblickend frage ich mich, wo alle meine Prinzipien und meine fiskalische Vernunft geblieben sind. Niemals hätte ich bei klarem Verstand (den ich zu dieser Zeit als hormongesteuerter Mann natürlich nicht besaß) eine Immobilie gemietet, die klein, dunkel und überteuert war. Allein ein für meine Lebensgefährtin schlagendes Argument entschied: Es war ein kleines Reihenhäuschen mit Garten. »My house is my castle«, hörte ich von Beate zu jeder Gelegenheit, also gab ich nach, und wir unterschrieben den Mietvertrag. Wenig später zogen wir in unser Häuschen um und verbrachten dort die wohl schönsten vier Wochen unserer bisherigen Beziehung. Heute weiß ich, warum: Der Nestbautrieb meiner Holden war zunächst gestillt — bis sie eines Morgens den Garten betrachtete. »Unser Garten sieht grauenvoll aus! Was werden unsere Nachbarn denken? Die glauben, wir sind absolute Messies!« »Garten? Sieht eher aus wie ein größeres Blumenbeet.« »Sehr witzig! Du musst mal den Rasen mähen!« »Ich glaube nicht, dass da ein Rasenmäher draufpasst«, meinte ich nachdenklich in der Hoffnung, aus dieser Nummer rauszukommen. Ich hasse Gartenarbeit! Und es bleibt ja nicht beim Garten. Wenn die Holde Vorhangstangen wünscht, wird der Mann zum Innendekorateur. Sollen es hellere Lampen sein, wird er zum Elektriker. Streichen, Bohren, Sägen — alles Männersache, versteht sich. Emanzipation? Schweigen wir lieber darüber. Die Kombination Frau und Haus macht jeden Mann zum Allzweckhandwerker. Zum Lohn gibt's Hohn und Spott über die handwerklichen Unzulänglichkeiten des Gatten, am liebsten im familiären Kreis oder — noch schöner — beim Damenkränzchen.`
“Au milieu de la rue Saint-Denis, presque au coin de la rue du Petit-Lion, existait naguère une de ces maisons précieuses qui donnent aux historiens la facilité de reconstruire par analogie l’ancien Paris. Les murs menaçants de cette bicoque semblaient avoir été bariolés d’hiéroglyphes. Quel autre nom le flâneur pouvait-il donner aux X et aux V que traçaient sur la façade les pièces de bois transversales ou diagonales dessinées dans le badigeon par de petites lézardes parallèles? Évidemment, au passage de la plus légère voiture, chacune de ces solives s’agitait dans sa mortaise. Ce vénérable édifice était surmonté d’un toit triangulaire dont aucun modèle ne se verra bientôt plus à Paris. Cette couverture, tordue par les intempéries du climat parisien, s’avançait de trois pieds sur la rue, autant pour garantir des eaux pluviales le seuil de la porte que pour abriter le mur d’un grenier et sa lucarne sans appui. Ce dernier étage était construit en planches clouées l’une sur l’autre comme des ardoises, afin sans doute de ne pas charger cette frêle maison. Par une matinée pluvieuse, au mois de mars, un jeune homme, soigneusement enveloppé dans son manteau, se tenait sous l’auvent d’une boutique en face de ce vieu logis, qu’il examinait avec un enthousiasme d’archéologue. À la vérité, ce débris de la bourgeoisie du seizième siècle offrait à l’observateur plus d’un problème à résoudre. À chaque étage, une singularité: au premier, quatre fenêtres longues, étroites, rapprochées l’une de l’autre, avaient des carreaux de bois dans leur partie inférieure, afin de produire ce jour douteux, à la faveur duquel un habile marchand prête aux étoffes la couleur souhaitée par ses chalands. Le jeune homme semblait plein de dédain pour cette partie essentielle de la maison, ses yeux ne s’y étaient pas encore arrêtés. Les fenêtres du second étage, dont les jalousies relevées laissaient voir, au travers de grands carreaux en verre de Bohême, de petits rideaux de mousseline rousse, ne l’intéressaient pas davantage. Son attention se portait particulièrement au troisième, sur d’humbles croisées dont le bois travaillé grossièrement aurait mérité d’être placé au Conservatoire des arts et métiers pour y indiquer les premiers efforts de la menuiserie française. Ces croisées avaient de petites vitres d’une couleur si verte, que, sans son excellente vue, le jeune homme n’aurait pu apercevoir les rideaux de toile à carreaux bleus qui cachaient les mystères de cet appartement aux yeux profanes. Parfois, cet observateur, ennuyé de sa contemplation sans résultat, ou du silence dans lequel la maison était ensevelie, ainsi que tout le quartier, abaissait ses regards vers les régions inférieures. »
Honoré de Balzac (20 mei 1799 - 18 augustus 1850) Borstbeeld in Vendôme
„GOTT: Warum rülpsen Sie denn fortwährend so ekelhaft? Das ist ja entsetzlich! BEERDIGUNGSUNTERNEHMER: Ja, ja, gräulich! Ganz gräulich! Berufskrankheit. Ich bin Beerdigungsunternehmer. GOTT: Der Tod? – Du hast es gut! Du bist der neue Gott! An dich glauben sie? Dich lieben sie. Dich fürchten sie. Du bist unumstößlich. Dich kann keiner leugnen Keiner lästern. Ja, du hast es gut. Du bist der neue Gott. An dir kommt keiner vorbei. Du bist der neue Gott, Tod, aber du bist fett geworden. Dich hab ich doch ganz anders in Erinnerung. Viel magerer, dürrer, knochiger, du bist aber rund und fett und gut gelaunt. Der alte Tod sah immer so verhungert aus. TOD: Na ja, ich hab in diesem Jahrhundert ein bisschen Fett angesetzt. Das Geschäft ging gut. Ein Krieg gibt dem anderen die Hand. Wie die Fliegen! Wie die Fliegen kleben die Toten an den Wänden dieses Jahrhunderts. Wie die Fliegen liegen sie steif und vertrocknet auf der Fensterbank der Zeit. GOTT: Aber das Rülpsen? Warum dieses gräßliche Rülpsen? TOD: Überfressen. Glatt überfressen. Das ist alles. Heutzutage kommt man aus dem Rülpsen nicht mehr heraus. Rums! Tschuldigung! GOTT: Kinder, Kinder. Und ich kann es nicht ändern. Kinder, meine Kinder. (geht ab) (Draußen vor der Tür, Vorspiel) In einer anderen Szene taucht der Tod wieder auf, diesmal in Gestalt eines Straßenfegers. BECKMANN: Der Straßenfegerbesen macht Kchch – Kchch wie die Lunge eines, der verröchelt. Und der Straßenfeger hat rote Streifen an den Hosen. Er ist ein Generalstraßenfeger. Ein deutscher Generalstraßenfeger. Und wenn der fegt, dann machen die rasselnden Sterbelungen: Kchch – Kchch – Kchch. Straßenfeger! STRASSENFEGER: Ich bin kein Straßenfeger.“
Wolfgang Borchert (20 mei 1921 - 20 november 1947) Scene uit een opvoering in Salzburg, 2011
« Et de vrai elle avait fort bon air, marchant lentement en se balançant, en se prélassant comme une bête qui a conscience de sa valeur. Maintenant je n'avais plus besoin de regarder ma carte à chaque instant comme je le faisais depuis notre départ de Paris : je savais où j'allais, et bien que plusieurs années se fussent écoulées depuis que j'avais passé là avec Vitalis, je retrouvais tous les accidents de la route. Mon intention, pour ne pas fatiguer notre vache, et aussi pour ne pas arriver trop tard à Chavanon, était d'aller coucher dans le village où j'avais passé ma première nuit de voyage avec Vitalis, dans ce lit de fougère, où le bon Capi voyant mon chagrin était venu s'allonger près de moi et avait mis sa patte dans ma main pour me dire qu'il serait mon ami. De là nous partirions le lendemain matin pour arriver de bonne heure chez mère Barberin. Mais le sort qui, jusque-là nous avait été si favorable, se mit contre nous et changea nos dispositions. Nous avions décidé de partager notre journée de marche en deux parts, et de la couper par notre déjeuner, surtout par le déjeuner de notre vache qui consisterait en herbe des fossés de la route qu'elle paîtrait. Vers dix heures, ayant trouvé un endroit où l'herbe était verte et épaisse, nous mîmes les sacs à bas, et nous fîmes descendre notre vache dans le fossé. Tout d'abord je voulus la tenir par la longe, mais elle se montra si tranquille, et surtout si appliquée à paître, que bientôt je lui entortillai la longe autour des cornes, et m'assis près d'elle pour manger mon pain. Naturellement nous eûmes fini de manger bien avant elle ; alors après l'avoir admirée pendant assez longtemps, ne sachant plus que faire, nous nous mîmes à jouer aux billes Mattia et moi, car il ne faut pas croire que nous étions deux petits bonshommes graves et sérieux, ne pensant qu'à gagner de l'argent : si nous menions une vie qui n'est point ordinairement celle des enfants de notre âge, nous n'en avions pas moins les goûts et les idées de notre jeunesse, c'est-à-dire que nous aimions à jouer aux jeux des enfants, et que nous ne laissions point passer une journée sans faire une partie de billes, de balle ou de saut de mouton. Tout à coup, sans raison bien souvent, Mattia me disait : « Jouons-nous ? »
Uit: Schwarze Mutter (Vertaald door Gabriele Haefs)
„Vor vielen Jahren an einem heißen Sommertag hätte er um ein Haar ihren Kopf gegen das Armaturenbrett gestoßen. Sie steckten bei Toulouse in einem Stau, es war schrecklich heiß, sie hatten alle Fenster heruntergekurbelt, sie hatte die eine Hand am Lenkrad, in der anderen hatte sie eine Zigarette. Sie war gereizt, ungeduldig, er selber fand, sie hätten Zeit genug; und außerdem würde ihr Adrenalin sie auch nicht schneller ins Hotel bringen können. Um sie wortlos zu beruhigen - er ahnte schon, dass in diesem Moment jedes Wort gefährlich sein könnte - legte er ihr den linken Arm um die Schulter und ließ seine Finger ihren Nacken hoch wandern, bis ihr Hinterkopf wie ein großer warmer Stein in seiner Hand ruhte. Sie lächelte. Sie kannte ihn gut genug, um zu wissen, dass er sie kannte. Aber er hatte sich selber nicht gekannt. Die Vorstellung, ihren Kopf mit aller Kraft gegen das Armaturenbrett zu stoßen, überkam ihn vollständig unerwartet, kurz sah er das Blut vor sich, ihren ungläubigen Blick, hörte den Schrei. Er zog seine Hand zurück, er hatte die dünne Membran zwischen allem und nichts gesehen, dieses Erlebnis hatte etwas mit ihm gemacht, er wusste nicht, was. Er lag auf dem Bett und rauchte, die Badezimmertür war angelehnt, er konnte sehen, wie sie vor dem Spiegel stand und sich die Lippen nachzog. Ein unschönes blasses Rosa, das ihn immer an die sechziger Jahre erinnerte, an Blondinen mit hochtoupierten Haaren, an kragenlose Kostüme in Pepitamuster. »Bist du so weit?« Sie steckte den Lippenstift in ihre Handtasche, blieb stehen und schmatzte ihrem Spiegelbild zu. Ja, er war so weit. Der Frühstückssaal war fast leer, es war zehn vor zehn, sie waren die letzten. Ein einsames Spiegelei schwamm im Fett auf einem weißen Teller, der Saft war lauwarm, der Kaffee ungenießbar. Er trank ihn trotzdem und sah angeekelt zu, wie sie mit dem Messer das Eigelb zerteilte, wie der Dotter im Fett zerrann, wie sie alles mit einem Stück Weißbrot auffing, es zwischen ihre rosa Lippen führte, ihm schauderte, als ihre Zunge im rechten Mundwinkel einen Krümel erwischte. »Du musst doch versuchen, wenigstens irgendetwas zu essen«, sagte sie mit vollem Mund. Jetzt bekam der Speck Messer und Gabel zu spüren. Schlaffer, fetter Speck, nicht salzig genug.“
Ingvar Ambjørnsen (Tønsberg, 20 mei 1956)
De Surinaamse schrijver A.C. Cirino werd geboren in Goede Hoop, een dorp aan de Coppenamerivier in het district Saramacca, op 20 mei 1929. Zie ook alle tags voor A.C. Cirino op dit blog.
Uit: De inheemse man en een priester
“Het gebeurde op een kwade dag dat een blanke priester per korjaal bij een inheems dorp aankwam. Om wat te doen? Hij zou de inheemsen komen bekeren en het evangelie aan de ‘arme stakkerds’ brengen. Op den duur zouden de inheemse mannen gedoopt worden en voortaan bijvoorbeeld Johannes in plaats van Tukajana heten. Volgens de pater werd de man een nieuwe mens wanneer hij gedoopt zou worden. Dat begreep het slachtoffer ook donders goed. De pater onderwees de inheemsen over vele kerkelijke wetten en gebruiken. Bijvoorbeeld dat er op goede vrijdag geen vlees gegeten mag worden. Dat werd door de inheemsen goed begrepen en ook heel goed onthouden! Op zekere dag, het was het zoveelste bezoek van de priester aan het dorp, betrapte hij Johannes op heterdaad toen hij en zijn gezin bosvarkensvlees aan het eten waren. Was dat een bijzonderheid? Och mens, nee toch! Maar pas op dat moment zou de priester ontdekken dat hij de inheemsen uiterlijk kon veranderen, maar niet hun binnenste. Op de vraag van de priester aan Johannes of hij niet wist dat het die dag goede vrijdag was en dat hij dus geen vlees mocht eten, antwoordde Johannes hem dat hij vroeger Tukajana heette: ‘Door het doopsel van de pater heet ik nu Johannes, zo ook heeft hij het vlees gedoopt en dat heet nu: de vis anjumara!’
A.C. Cirino (20 mei 1929 - 6 mei 2003) Een dorp in het district Saramacca (Geen portret beschikbaar)
Uit: Dem Herrgott zuvorkommen (Vertaald door Hubert Schuhmann)
„Und da schreit er mich an. Die da in die Güterwagen steigen, seien wohl schlechter als die Schießenden? Das glaube ich doch wohl, natürlich, das glauben ja alle, sogar der amerikanische Professor, der neulich zu Besuch war und gesagt hat »Wie die Schafe seid ihr in den Tod gegangen.« Der amerikanische Professor ist einmal an der französischen Küste gelandet, unter mörderischem Beschluss vier- oder fünfhundert Meter über den Strand gerannt, ohne sich zu bücken und ohne hinzufallen, ist verwundet worden, und nun meint er, jemand, der über solch einen Strand gerannt ist, könnte später sagen: »Vorwärts stürmen muss der Mensch, schießen muss er.« Oden »Wie Schafe seid ihr in den Tod gegangen.« Und des Professors Gattin setzte hinzu, gerade für die künftigen Generationen seien diese Schüsse wichtig, was bedeute der Tod von Menschen, die schweigend sterben, da bleibe doch nichts zurück. Die Schießenden jedoch hinterlassen eine Legende — ihr und ihren amerikanischen Kindern. Edelman verstand sehr wohl, dass der Professor neben seinen Narben, seinen Orden und seinem Lehrstuhl auch die Schüsse ungern in seinem Lebenslauf missen möchte, doch hat er ihm trotzdem verschiedenes klarzumachen versucht: dass der Tod in der Gaskammer nicht geringer zu achten ist als der Tod im Kampf und dass ein Tod nur dann unwürdig ist, wenn jemand versucht, auf Kosten anderer das eigene Leben zu retten. Doch ist er mit seinen Erklärungen nicht weit gekommen, sondern gleich wieder ins Schreien geraten, und eine Frau, die mit dabeisaß, suchte ihn zu entschuldigen. »Nehmt es ihm nicht übel«, sagte sie verlegen, »ihm dürft ihr es nicht übelnehmen...« »Kind«, sagt er, »du musst das endlich begreifen, diese Menschen waren still und gefasst, und sie sind anständig gestorben. Es ist schrecklich, wenn jemand so gefasst in den Tod geht. Das ist viel schwerer als alle Schießerei, schießend stirbt es sich viel leichter. Um wie viel leichter erschien das Sterben uns als dem Menschen, der in den Viehwagen steigen, diese Fahrt mitmachen, sein Grab schaufeln, sich splitternackt ausziehen musste... Begreifst du das jetzt?« »Ja«, sage ich, »ja«.
Uit: Olav Audunssohn (Vertaald door Julius Sandmeier en Sophie Angermann)
„Gegen den Frühling zu war Olav eines Tages mit einem seiner Knechte draußen auf dem vereisten Acker und breitete Mist ans. Das Eis glitzerte und gleißte auf den nach Norden gelegenen Äckern, aber oben an der Roßwand sickerte und rieselte das Wasser herunter. Und drüben über der Bucht, auf der Sonnenseite, wurden die Felsen gebacken — der Stier stieg aus dem Meer herauf, mit flimmerndem Widerglanz von dem Gutwetterglitzem auf dem rotgrauen Stein. Der Hang unter den Kiefern dort leuchtete braun, und das Didcicht von Haselnußsträuchem, das sich ins Kvemtal hineinzog, stand vol-ler gelber Kätzchen. Draußen auf der Bucht ruderte Eirik — der rote Kittel des Knaben hob sich leuchtend vom blauen Wasser ab. Olav stand eine Weile auf den Spaten gestützt da, blickte zu dem kleinen Boot hinunter. Es war immer die gleiche Geschichte mit Eirik — er ließ sich so viel Zeit I Eigentlich hatte er nur ein paar Schafe hinüberbringen sollen; das Kleinvieh war jetzt in den Wald drüben hinausgelassen worden. Heu-te hätte man den Jungen gut daheim brauchen können. Hinter Olavs Rücken kam etwas über den Felsen getrippelt — über die großen kahlen Felsen, die den Guten Acker gegen den Fjord schützten. Cecilia stand da, die Sonne im Nacken, so daß die Strahlen durch ihr helles krauses Haar sickerten; es sdiinurterte gegen die Luft. Sie setzte sich hin und rutschte die Felsplatte hinunter, während sie ihrem Vater etwas zurief und ihm eine Handvoll kleiner gelber Blu-men zeigte. Olav fing die Kleine auf, abwehrend: »Nicht hierher, Cecilia — du machst dich schmutzig —« Er hob sie auf einen Stein hinauf. Die Klei-ne drückte die Blumen gegen sein Gesicht, guckte dann, ob der Vater gelb geworden sei vom Staub. Es war nicht viel zu sehen — Cecilia hatte sie bereits ganz zerdrückt —, aber sie lachte trotzdem und wie-derholte das Spiel.“
Sigrid Undset (20 mei 1882 – 10 juni 1949) Cover biografie
„Was ist?, fragte die Frau vor mir. Als sie nach dem Mobiltelefon griff, bemerkte ich, dass auch ihre Finger durch kleine Risse entstellt waren. Du hast von einer Katze in Finnland gesprochen, sagte ich. Die Sonne war zur Hälfte hinter die Fassade gesunken, die Frau fragte mich nicht, ob ich mich setzen wollte, sie legte das Mobiltelefon wieder hin. Das Symbol blinkte nicht mehr. Was ist mit Finnland?, fragte sie. Sie schob sich den Löffel aus der Kaffeetasse in den Mund. Etwas Milchschaum blieb an ihren breiten Lippen kleben. Es ist die Katze, sagte ich, du hast von der Katze gesprochen. Ich setzte mich. Bei einem vorbeikommenden Kellner bestellte ich Kaffee. Sie hob ihr Mobiltelefon wieder kurz an, als wollte sie nur die Uhr ablesen, aber in ihrem Blick registrierte ich eine plötzliche Wachsamkeit. Ich deutete auf die Kratzspuren an ihren Armen. Sie winkte dem Kellner. Ich hatte Angst, sie würde ihn um Hilfe bitten. Er würde mich abweisen, ich müsste aufstehen und an meinen Platz zurückkehren. Sie verwischte die Wassertropfen, die der Brunnen auf ihre verkrusteten Wunden gesprüht hatte. Es ist ja kein Zufall, sagte ich. Was meinst du?, fragte sie. Dass ich dich treffe, sagte ich. Ich kenne deine Stimme. Du hast neben ihm gesessen, und auch seine Stimme habe ich erkannt.“
“Wanneer de namen van twee literatoren samen het onderwerp van een studie aangeven wordt in zulk een studie meestal een onderzoek ingesteld naar - al of niet wederzijdse - beïnvloeding, en naar eventuele betrekkingen tussen de twee besproken figuren. Hierbij blijft het begrip ‘invloed’ meestal zeer vaag omlijnd; men verwart invloed veelal met ontlening. Bij Heine en Poesjkin kan men van zulke invloed en betrekkingen nauwelijks spreken, en dat lijkt mij een van de redenen waarom men hen zo goed als nooit samen noemt. Wij weten, dat Poesjkin proza van Heine gelezen heeft en hem ook een keer ter sprake brengt. Wij kunnen vermoeden dat Heine van Poesjkin gehoord moet hebben, al was het maar van zijn vriend Tjoettsjew of van Varnhagen von Ense, maar hij noemt Poesjkin nooit. De bij mijn weten enige poging, ooit ondernomen om invloed van Poesjkin op Heine vast te stellen betrof één enkel gedicht, dat wel een zekere gelijkenis met een gedicht van Poesjkin vertoont, maar daarom nog helemaal niet onder de indruk van dat gedicht ontstaan hoeft te zijn. Het is dan ook niet mijn bedoeling naar niet of nauwelijks bestaande invloed en betrekkingen te zoeken, maar alleen: beide dichters met elkaar te vergelijken en te onderzoeken of er eigenaardigheden zijn, die wij zowel bij de een als de ander kunnen aantreffen. Bij zulk een onderzoek dringen zich een aantal vragen op die ik hier alleen even noemen wil: Wat is de zin van zulk een vergelijking, vraagt men zich af, volgens welke normen moet men twee dichters vergelijken?; wanneer kan men iemand een groot dichter noemen?; wat verstaat de literatuurwetenschap onder een groot dichter?; bestaat er een literatuurwetenschap?; welke gemeenschappelijke trekken bij twee dichters zijn van belang en welke moet men als toevallig, van geen waarde beschouwen? Ingaan op deze vragen is een onderzoek op zichzelf. Hier wil ik alleen de eerste vraag beantwoorden: De zin van een literaire vergelijking lijkt mij onder meer deze te zijn, dat men door bepaalde eigenschappen zowel bij de een als de ander aan te wijzen die eigenschappen zelf duidelijker maakt, en daardoor ook de figuren van beide dichters.”
Karel van het Reve (19 mei 1921 – 4 maart 1999) Hier met zijn broer Gerard (rechts) op het Muiderslot in 1982
“Mijn allereerste huisgenoot had een vriendje. Wanneer ik ’s avonds thuiskwam, zaten ze samen op de bank. Ze hadden nooit ruzie, ze keken televisie. In het begin bood het reclameblok nog tijd voor wat kennismakingsvragen – zijn bijbaan in een computerwinkel, mijn studiekeuze –, maar al gauw verengde het gesprek tot een gemompeld ‘Hoe was je dag?’. Tot hij op een avond vroeg: ‘Waarom heb jij geen relatie, je bent toch een leuke meid?’ Tussen ‘leuk zijn’ en ‘een relatie hebben’ lag blijkbaar een verband. Ook datingwebsite Parship veronderstelt zo’n correlatie. Zij adverteren met de slogan: ‘Jij bent echt veel te leuk om single te zijn!’ Andersom betrap ik mezelf wel eens op de gedachte: jij bent best stom, hoe kan het dat je een relatie hebt? Eens moest ik een psychologische vragenlijst invullen. Zodra het over sociale verbintenissen ging, stond er ‘ouder(s) en/of partner’. Achter ‘partner’ volgde geen ‘(s)’ en vrienden werden niet genoemd. De aanwezigheid van ouders is vanzelfsprekend. Pas later, zodra je zelf volwassen bent, worden je ouders mensen. Wanneer het de romantische liefde betreft, werkt het andersom: gedurende je jeugd word je erop gewezen dat een geliefde ontbreekt. Vanaf de tienerjaren worden anderen bekeken als potentiële partner, totdat die horde is genomen. De status van ‘in een relatie zijn’ is belangrijker dan de werkelijke persoon met wie die relatie is aangegaan. Iemand vinden staat voorop. Dat druist in tegen het ethische principe van verlichtingsfilosoof Immanuel Kant dat je een ander nooit als middel mag gebruiken om je eigen doel te bevredigen. Ieder mens is een doel an sich. Door de nadruk in onze cultuur op het vinden van een wederhelft is de monogame relatie het doel geworden en de persoon met wie je een relatie hebt een middel om tot dat doel te komen. Om een relatie te hebben, is een partner nodig. Zodoende raakt de partner als mens secundair aan de partner als partner.”
Laatst zag ik er weer twee ze kusten elkaar op de teevee zij deed haar hoofd achterover en zijn lippen raakten haar mond het duurde heel lang en je kon wel zien hoe fijn ze het vond.
Er kwam toen een zucht en ze opende haar ogen dromerig en langzaam ik vraag me nu af hoe vrijen en zoenen later bij mij zal gaan?
Net ben ik voor de spiegel gaan staan en ik heb het precies zo nagedaan ik weet wat je met je lippen doet en hoe je je hoofd dan houdt..
Bij 't morgenlicht heb ik uw stem gehoord En 't was of bloesems in mij opengingen; Hoe sloeg mijn hart op één gefluisterd woord, Dat ruischen bleef in 't menigvuldig zingen!
In sluimer van den middag viel uw blik En zegende de wereld met zijn gloed; De aarde lag als in een zoeten schrik Verstild, uw zichtb're droom, aan uwen voet.
Doch in den nacht zijt gij mij gansch verschenen; Nog trilt in mij de vreugd, die ik doorstond, Nog voel 'k de tranen, die ge mij deedt weenen, Als brandend lag uw kus op mijnen mond.
De boom
O boom, die in de aard' geplant Uw sappen zuigt uit warmen grond, En in een schoon en vast verband Het welig wiss'lend leven bond.
Gij hooge vorst van de getijden En slechts beheerscht door eigen kracht, Uw takken in het licht gebreide Uw wortels borend door den nacht.
Geen ouderdom slaat u ter neer, Elk jaar verrijkt uw sterke leven, Een nieuw lente vindt u weer Van een nog schooner jeugd omweven.
Gij draagt den vollen zomer stout En buigt niet onder zware tuilen: Uw donker lommer wordt een woud, Waar honderd lichte vog'len schuilen.
En als uw goud-gebrande blaren De herfst verstrooid heeft, staat gij naakt Uw armen strekkend in het klare Verkilde licht en wacht en waakt.
H.W.J.M. Keuls (19 mei 1883 – 28 oktober 1968) Minister Scholten reikt de P.C. Hooft-prijs 1961 uit aan H.W.J.M. Keuls (links)
“The miracle happened on West Seventy-fourth street, in the home where Mama worked. It was a big brownstone encircled by a wrought-iron fence, and overlooking either side of the ornate door were gar-goyles, their granite faces carved from my nightmares. They terrified me, so I didn't mind the Fact that we always entered through the less-impressive side door, whose keys Mama kept on a ribbon in her purse. Mama had been working for Sam Hallowell and his family since before my sister and I were born. You may not have recognized his name, but you would have known him the minute he said hello. He had been the unmistakable voice in the mid-1960s who announced before every show: The following program is brought to you in living color on NBC! In 1976, when the miracle happened, he was the network's head of programming. The doorbell beneath those gargoyles was the famously pitched three-note chime everyone associates with NBC. Sometimes, when I came to work with my mother, I'd sneak outside and push the button and hum along. The reason we were with Mama that day was because it was a snow day. School was canceled, but we were too little to stay alone in our apartment while Mama went to work—which she (lid, through snow and sleet and probably also earthquakes and Armageddon. She mut-tered, stuffing us into our snowsuits and boots, that it didn't matter if she had to cross a blizzard to do it, but God forbid Ms. Mina had to spread the peanut butter on her own sandwich bread. In fact the only tinte I remember Mama taking time off work was twenty-five years later, when she had a double hip replacement, generously paid for by the HaHowells. She stayed home for a week, and even after that, when it didn't quite heal right and she insisted on returning to work, Mina found her tasks to do that kept her off her feet. But when I was little, during school vacations and bouts of fever and snow days like this one, Mama would take us with her on the B train downtown. Mr. Hallowell was away in California that week, which happened often, and which meant that Ms. Mina and Christina needed Mama even more. So did Rachel and I, but we were better at taking care of ourselves, I suppose, than Ms. Mina was. When we finally emerged at Seventy-second Street, the world was white. It was not just that Central Park was caught in a snow globe. The faces of the men and women shuddering through the storm to get to work looked nothing like mine, or like my cousins' or neighbors'.
HET ZIJN DE KLEINE PRINSJES DIE ALLES MOGEN OPEENS MOGEN ZE GEEN RUK MEER DAN KRIJGEN ZE SLAAG ALS IK UIT SCHOOL KOM OF NAAR HUIS WORD GESTUURD LOOPT DE ZWARTE KAT VAN DE DOMINEE MET ME MEE IK LOOP MET DE ZWARE TAS OVER MIJN SCHOUDER WEET WAT ER GAAT GEBEUREN ALS IK THUISKOM IK KAN GEEN KAT OP MIJN HIELEN GEBRUIKEN DRAAI ME OM MAAR WAT SNAPT EEN KAT IK PAK HEM BIJ ZIJN STAART SLINGER HEM ROND EN IN EEN HEG DE ARABISCHE PRINS IS NIET ALTIJD DE EERSTGEBORENE MAAR DE EERSTE DIE EEN OORVIJG KRIJGT ALS VADER VRIJ KRIJGT
Eight year have passed Since I placed my cherry seed in the grass. “Must have a tree of my own,” I said, And watered it once and went to bed And forgot; but cherries have a way of growing, Though no one’s caring very much or knowing. And suddenly that summer near the end of May, I found a tree had come to stay. It was very small, five months child, Lost in the tall grass running wild. Goats ate the leaves, the grass cutter’s scythe Split it apart and a monsoon blight Shrivelled the slender stem…… Even so, Next spring I watched three new shoots grow, The young tree struggle, upward thrust Its arms in a fresh fierce lust For light and air and sun.
I could only wait, as one Who watched, wandering, while Time and the rain Made a miracle from green growing pain……. I went away next year- Spent a season in Kashmir— Came back thinner, rather poor, But richer by a cherry tree at my door. Six feet high my own dark cherry, And- I could scarcely believe it-a berry. Ripended and jeweled in the sun, Hung from a branch—just one! And next year there were blossoms small Pink, fragile, quick to fall At the merest breath, the sleepiest breeze. …..
I lay on the grass, at ease, Looking up through leaves at the blue Blind sky, at the finches as they flew And flitted through the dappled green. While bees in an ecstasy drank Of nector from each bloom and the sun sank Swiftly, and the stars turned in the sky, And moon-moths and singing crickets and I— Yes, I!— praised Night and Stars and tree: That small, the cherry, grown by me.
Tags:Constantin Göttfert, Karel van het Reve, Simone van Saarloos, Gijs IJlander, Thera Coppens, H.W.J.M. Keuls, Jodi Picoult, Yahya Hassan, Ruskin Bond, Aleksandr Poesjkin, Heinrich Heine, Romenu