Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
05-05-2017
Vrijheid (Marion Bloem)
Bij 5 mei
Bevrijdingsmonument in Bemmel, Gelderland
Vrijheid
Als vrij zijn is: hou jij je mond want ik heb iets te zeggen
Als vrij zijn is: jij achter tralies, want dan hoeven wij niet bang te zijn voor al jouw anders zijn en doen en anders laten
Als vrij zijn is: de dag van morgen strak bepalen door de dag vandaag iets minder dag te laten zijn
Als vrij zijn is: de deuren sluiten en op het beeldscherm vrij bekijken wat veilig uit de buurt moet zijn
Als vrij zijn is: steeds rustig slapen omdat de anderen hun tong moedwillig is ontnomen
Als vrij zijn is: eten wat en wanneer je wilt maar de schillen laten vallen in de kranten waar de honger wordt verzwegen
Als vrij zijn is: niet hoeven weten wat mij heeft vrijgemaakt, mij vrij houdt, mij in vrijheid elke dag gevangen neemt
Als vrijheid is: wachten tot de ander mij bevrijdt van angsten waar ik heilig op vertrouw
Als vrijheid mijn gedachten pleistert Als vrijheid om mij heen overal rondom en in mij waait, maar voor jou niet is te vangen
Als vrijheid mij beschermt tegen jouw ideeën die voor mij te anders zijn
Als vrijheid voor mij vandaag zo vanzelfsprekend lijkt, en jij niet weet wat dat betekent
Dan is vrijheid munt voor mij en kop eraf voor jou Dan is vrijheid lucht en willekeurig
Maar staat het mij misschien wel vrij om iets van mijn riante vrijheid – met wederzijds goedvinden natuurlijk – tijdelijk of voor langere duur af te staan om jou van mijn verstikkende vrijheid te bevrijden.
Miklós Radnóti, Roni Margulies, Petra Else Jekel, Morton Rhue, Christopher Morley, George Albert Aurier, Henryk Sienkiewicz, Richard Watson Dixon, Catullus
You sit upon the peak and on your knees asleep that youthful woman ripened for your love; behind, the bristly deeds of war; beware! hold dear and keep
your life, hold dear your world which you with hardened hands have built around your life while all about you death in circles hovered around and around above the lands –
behold, it has returned! the garden’s nests from the high treetops come plunging down in terror stricken flight, all things are about to break! and keep an eye on the sky
because already lightning shakes the firmament; wind tussles, drags the cradles as the men-folk whimper asleep as weakly as the helpless innocent;
the wind blows on their dreams, they grumble and turn around, they wake with a start and stare at you who’s been awake and sitting up amid the fleeting thunder, the sound
of roaring future battles being prepared; above, the splendid wind speaks of the storm and so do the clouds; it’s time to wrap your woman warmly in your love.
Fragment
I lived upon this earth in such an age when man was so debased he sought to kill for pleasure, not just to comply with orders, his faith in falsehoods drove him to corruption, his life was ruled by raving self-deceptions.
I lived upon this earth in such an age that idolized the sly police informers, whose heroes were the killers, spies, the thieves -- and the few who held their peace or only failed to cheer were loathed like victims of the plague.
I lived upon this earth in such an age when those who risked protest were wise to hide and gnaw their fists in self-consuming shame -- the crazed folk grinned about their terrifying doomed future, wild and drunk on blood and mire.
I lived upon this earth in such an age when the mother of an infant was a curse, when pregnant women were glad to abort, the living envied the corpses in the graves while on the table foamed their poisoned cup.
De meeuwen van Istanbul zijn teleurgesteld in de zee. Sommige hebben al jaren niet over het blauwe water gevlogen, of vis gesmaakt. Sommige hebben al tijden niet gezien hoe een golf tegen de rotsen slaat en uiteenspat.
Beton is het thuis van de meeuwen in Istanbul. Onder hun vleugels: rood stenen daken, schoorstenen, schotelantennes, overdekte terrassen, mensen op balkons of wandelend in de straten. Etensresten, plastic zakken, vuilnisbakken.
Maar hun ergste teleurstelling vindt ’s nachts een stem, alsof ze de zee willen bereiken, ver van hen vandaan. Het verlangen verandert in woede en ruig geschreeuw. Hun wanhopige kreten verscheuren de duisternis en mengen zich met die van ongelukkige mensen.
De afgrond
Op een ochtend viel door een kier van het gordijn op mijn bed een lange smalle streep licht. Het ene eind raakte mijn ogen, ik ontwaakte. Het andere eind lag op de wang van Elsa.
Doodstil bleef ik liggen kijken naar die glinsterende brug die van mijn kussen omlaag kroop en op het laken een korte weg baande,
ook zij ontwaakte. Zonder iets te zeggen draaide ze zich om, legde haar hoofd op mijn schouder, en viel weer in slaap.
Later op een dag liep ze weg over die brug en verdween.
Nu ben ik elke zomerochtend, als de zon mij wakker maakt, bang om in die peilloze afgrond naast mijn kussen te vallen.
ik ken een man en als ik hem ’s nachts bij me laat dan zuigt hij aan mijn topjes waar geen kind is. waar geen melk is.
de tweede helft van mijn lichaam mist, dat is gegeven. de inventaris: lijstjes op gele plakmemo’s, een paperclip, papier waarop met ingehouden handschrift maskers pronken in huilend inkt zoals
de blanke madonna haar beschaafde rode tranen, haar heilige vloed, waar geen haan naar kraait omdat het overwonnen is.
Petra Else Jekel (Arnhem, 5 mei 1980)
De Amerikaanse schrijver Morton Rhue(pseudoniem van Todd Strasser) werd geboren op 5 mei 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Morton Rhue op dit blog.
Uit: Die Welle (Vertaald door Hans-Georg Noack)
„Laurie, kannst du nicht ein bisschen warten?“, fragte er. „Ich muss mit dir reden. Es ist wirklich wichtig!“ Laurie ging langsamer und sah an ihm vorbei. „Schon in Ordnung, es kommt niemand“, versicherte David. Sie blieb stehen, und David bemerkte, dass sie schwer atmete und ihre Bücher krampfhaft festhielt. „Weißt du, David“, sagte sie, „ich bin gar nicht mehr daran gewöhnt, dich allein zu sehen. Wo sind denn deine Truppen?“ David wusste, dass er ihre feindseligen Bemerkungen überhören und versuchen musste, vernünftig mit ihr zu reden. „Hör zu, Laurie, willst du mir nicht einfach einmal eine Minute zuhören?“ Aber daran schien Laurie nicht interessiert zu sein. „David, wir haben uns kürzlich alles gesagt, was wir einander zu sagen hatten. Ich möchte das alles nicht noch einmal durchkauen. Lass mich bitte in Ruhe!“ Gegen seinen Willen spürte David Ärger in sich aufsteigen. Nicht einmal anhören wollte sie ihn! „Laurie, du musst aufhören, gegen die Welle zu schreiben. Du rufst damit nur alle möglichen Probleme hervor“. „Die Probleme schafft die Welle, David!“ „Nein, das stimmt nicht!“, behauptete David. „Schau mal, Laurie, wir möchten dich gern auf unserer Seite haben, nicht gegen uns.“ Laurie schüttelte den Kopf. „Auf mich kannst du nicht rechnen. Ich habe dir gesagt, dass ich ausscheide. Das ist kein Spiel mehr. Es ist jemand zusammengeschlagen worden“. Sie ging weiter, aber David blieb neben ihr. „Das war ein unglücklicher Zufall“, erklärte er ihr. „ Ein paar Burschen haben einfach die Welle als Vorwand dafür benutzt, diesen armen Kerl zusammenzuschlagen. Siehst du das nicht ein? Die Welle ist wirklich gut für alle. Warum begreifst du das denn nicht? Es könnte ein ganz neues System daraus entstehen, und wir werden es in Gang bringen.“
Morton Rhue / Todd Strasser (New York, 5 mei 1950) Scene uit de Duitse remake van “The Wave” “(“Die Welle”) uit 1981
I'M glad our house is a little house, Not too tall nor too wide: I'm glad the hovering butterflies Feel free to come inside.
Our little house is a friendly house. It is not shy or vain; It gossips with the talking trees, And makes friends with the rain.
And quick leaves cast a shimmer of green Against our whited walls, And in the phlox, the dutious bees Are paying duty calls.
To You, Remembering The Past
When we were parted, sweet, and darkness came, I used to strike a match, and hold the flame Before your picture and rould breathless mark The answering glimmer of the tiny spark That brought to life the magic of your eyes, Their wistful tenderness, their glad surprise.
Holding that mimic torch before your shrine I used to light your eyes and make them mine; Watch them like stars set in a lonely sky, Whisper my heart out, yearning for reply; Summon your lips from far across the sea Bidding them live a twilight hour with me.
Then, when the match was shriveller into gloom, Lo-you were with me in the darkened room.
Christopher Morley (5 mei 1890 – 28 maart 1957) Haverford, Haverford Square
« Telle, et non point exagérée, bien qu'on puisse penser, l'impression que laisse en la rétine le premier regarder des œuvres étranges, intensives et fiévreuses de Vincent Van Gogh, ce compatriote et non indigne descendant des Vieux maîtres de Hollande. Oh ! combien loin nous sommes — n'est-ce pas ? — du beau grand art ancien, très sain et très pondéré, des Pays-Bas ! Combien loin des Gérard Dow, dés Albert Cuyp, des Terburg, des Metzu, des Peter de Hooghe, des Van der Meer, des Van der Heyden et de leurs toiles charmeuses, un peu bourgeoises, tant patiemment soignées ; tant flegmatiquement léchées, tant scrupuleusement minutieuses ! Combien loin des beaux paysages, si sobres, si pondérés, si enveloppés toujours de douces, et grises, et indécises vapeurs, des Van der Heyden, des Berghem, des Van Ostade, des Potter, des Van Goyen, des Ruysdaël, des Hobbema ! Combien loin de l'un peu froide élégance, des Wouwersmans, de l'éternelle chandelle de Schalken, de la timide myopie, des fins pinceaux et de la loupe du bon Pierre Slingelandt ! Combien loin des délicates couleurs toujours un peu nuageuses et brumeuses des Pays du Nord et des inlassables pignochements de ces bien portants artistes, de là-bas et d'autrefois, qui peignaient « dans leur poêle » l'esprit très calme, les pieds chauds et la panse pleine de bière, et combien loin de cet art très honnête, très consciencieux, très scrupuleux, très protestant, très républicain, très génialement banal de ces incomparables vieux maîtres qui avaient le seul tort - si ce fut un tort pour eux - d'être tous pères de famille et bourgmestres !... Et pourtant, qu'on ne s'y trompe pas, Vincent Van Gogh n'est point tant en dehors de sa race. Il a subi les inéluctables lois ataviques. Il est bien et dûment Hollandais, de la sublime lignée de Franz Halz. »
George Albert Aurier (5 mei 1865 – 5 oktober 1892) Vincent van Gogh, Roze perzikbomen ('Souvenir de Mauve'), 1888
“Ah, Heraklea! I knew at Heraklea a certain maiden from Colchis, for whom I would have given all the divorced women of this city, not excluding Poppæa. But these are old stories. Tell me now, rather, what is to be heard from the Parthian boundary. It is true that they weary me every Vologeses of them, and Tiridates and Tigranes,– those barbarians who, as young Arulenus insists, walk on all fours at home, and pretend to be human only when in our presence. But now people in Rome speak much of them, if only for the reason that it is dangerous to speak of aught else.” “The war is going badly, and but for Corbulo might be turned to defeat.” “Corbulo! by Bacchus! a real god of war, a genuine Mars, a great leader, at the same time quicktempered, honest, and dull. I love him, even for this,–that Nero is afraid of him.” “Corbulo is not a dull man.” “Perhaps thou art right, but for that matter it is all one. Dulness, as Pyrrho says, is in no way worse than wisdom, and differs from it in nothing.” Vinicius began to talk of the war; but when Petronius closed his eyes again, the young man, seeing his uncle’s tired and somewhat emaciated face, changed the conversation, and inquired with a certain interest about his health. Petronius opened his eyes again.Health! – No. He did not feel well. He had not gone so far yet, it is true, as young Sissena, who had lost sensation to such a degree that when he was brought to the bath in the morning he inquired, “Am I sitting?” But he was not well. Vinicius had just committed him to the care of Asklepios and Kypris. But he, Petronius, did not believe in Asklepios. It was not known even whose son that Asklepios was, the son of Arsinoe or Koronis; and if the mother was doubtful, what was to be said of the father? Who, in that time, could be sure who his own father was? Hereupon Petronius began to laugh; then he continued,–“Two years ago, it is true, I sent to Epidaurus three dozen live blackbirds and a goblet of gold; but dost thou know why? I said to myself, ‘Whether this helps or not, it will do me no harm.’ Though people make offerings to the gods yet, I believe that all think as I do,–all, with the exception, perhaps, of mule-drivers hired at the Porta Capena by travellers.”
Henryk Sienkiewicz (5 mei 1846 - 15 november 1916) Paweł Deląg als Marcus Vinicius en Magdalena Mielcarz als Lygie Callina in de film “Quo vadis?” uit 2001
For me, for me, two horses wait, Two horses stand before my gate: Their vast black plumes on high are cast, Their black manes swing in the midnight blast, Red sparkles from their eyes fly fast. But can they drag the hearse behind, Whose black plumes mystify the wind? What a thing for this heap of bones and hair! Despair, despair! Yet think of half the world's winged shapes Which have come to thee wondering: At thee the terrible idiot gapes, At thee the running devil japes, And angels stoop to thee and sing From the soft midnight that enwraps Their limbs, so gently, sadly fair;-- Thou seest the stars shine through their hair. The blast again, ho, ho, the blast! I go to a mansion that shall outlast; And the stoled priest who steps before Shall turn and welcome me at the door.
Richard Watson Dixon (5 mei 1833 - 23 januari 1900) Cover
Onafhankelijk van geboortedata:
De Romeinse dichter Gaius Valerius Catulluswerd geboren in 87 v. Chr, in Sirmione bij Verona Zie ook alle tags voor Catullus op dit blog.
Carmen III
Rouwt Lieflijkheden, rouwt Begeerlijkheden, rouwt menschen van beschaving en gevoel! Het sijsje van mijn meisje is gestorven, het sijsje waar mijn meisje meer van hield, meer zelfs misschien dan van haar eigen oogen. Zoo snoezig was het, en het kende haar, de vrouw, zoo goed als ieder kind zijn moeder. Het was niet weg te lokken van haar schoot; daar hippelde het aldoor heen en weer en tjilpte maar om haar, zijn lieve vrouw. Nu gaat het zieltje langs de duistre baan, vanwaar men zegt dat geen terugkeer is. Vervloekt, gij duisternissen van de hel, die alles opslokt wat bekoorlijk is! Zoo'n aardig sijsje hebt gij mij ontrukt. O wandaad! O arm sijsje! 't Is om jou, dat nu de oogjes van mijn zoetelief rood en gezwollen van de traantjes zijn.
Carmen VI
Flavius, tenzij ze geen allure heeft, zou je Catullus over je geliefde spreken willen, en niet zwijgen kunnen! Je bent vast op god weet wat voor hitsig ding gevallen: je schaamt je dat op te biechten ... Dat jij niet nacht aan nacht alleen ligt, daarvan getuigt toch heus je bed, ook al praat het niet, geurend van bloemenkransen en Syrisch parfum, getuigt ook het kussen, aan beide zijden platgedrukt, en dan het kraken en schokken van het wrakke bed, van zijn plaats gereden ... Het is zinloos hoogstandjes te verzwijgen, want jij zag er niet zo afgetrokken uit, als je niet een vrijage bij de hand had. Kom, zeg me maar wat je hebt, of ze leuk is of niet. Ik wil jou en dat liefje van je met een flitsend vers de sterren indichten.
Vertaald door A. Rutgers van der Loeff.
Catullus (87 v. Chr – 54 v. Chr.) Catullus leest zijn vrienden voor door Stefan Bakałowicz, 1885
Tags:Miklós Radnóti, Roni Margulies, Petra Else Jekel, Morton Rhue, Christopher Morley, George Albert Aurier, Henryk Sienkiewicz, Richard Watson Dixon, Catullus, Romenu
Achter de stad die je ziet elke dag, de zo kleurrijke, vrije, zo klatergouden, ligt altijd de grijze andere stad. In verglaasd zwartwit
beelden ervan op je netvlies als je maar kijken wil: schokkerig bewogen of stil, verbleekte foto of film. Je weet niet eens of ze uit jouw ziel,
ook genoemd herinnering, komen of uit iedereens angstdromen, vergaard in duizenden boeken, in museumzalen vol pijn, in hoeken van zolders die je liever mijdt
om hun geur van afwezige mensen, van kou en van as. Maar altijd zijn ze daar op de achtergrond, de beelden van de stad die dit was, dezelfde als nu en toch niet.
Zodat je soms middenin een lach in een zacht plantsoen, een hoerig lied op een gracht, ineens stilvallen moet omdat er een donkere stoet je gedachten binnen trekt, dwars door je lustige leven heen-
en ontelbare stemmen even hevig in je hoofd spreken tegen het groot vergeten.
Cola Debrot, Christiaan Weijts, Amos Oz, Monika van Paemel, Graham Swift, David Guterson, Jan Mulder, Werner Fritsch, Jacques Lanzmann
De Antilliaanse schrijver, dichter, arts, diplomaat, jurist, minister, filosoof en balletcriticus Cola Debrot werd geboren te Kralendijk (Bonaire) op 4 mei 1902. Zie ook alle tags voor Cola Debrot op dit blog.
Beauté mortelle
Marmeren glans, ik geef er niet meer om, De wellust van Uw hals viel ik ten prooi. Ik hield van amaryllen, half verstrooid, Voor ik mij op Uw lippenrood bezon.
De hitte van de Castiliaansche zon Wedijvert met Uw rossen harentooi. De schoonste lelie voelt zich soms berooid, Omdat Uw voorhoofd 't van haar blankheid won.
Maar voorhoofd, hals, lippen en haren blond, Eeuwige oorsprong mijner vreugd bevonden, Zij hooren aan Uw lijk toe, ijzig koud,
En 'k zit, mijn voorhoofd op Uw witte sponde, Vertwijfeld, daar ik evenmin doorgrond Uw starren blik, die naar den einder schouwt.
Uit: Kwatrijnen uit fort Amsterdam
De tuin
Vroeger bastion, werd het een luxe-tuin met tegels van grijs zandsteen en arduin. De troepiaal zingt van haar hef en leed. Het uitzicht is nog steeds een stad in puin.
For a soldier's album
Soldiers do not die, they fade away, Said a general in array or in disarray. It could not be otherwise, you can be assured. Also governors sometimes die and sometimes fade away.
“Hoewel Vermeer net wel onweer hoorde rommelen verderop, brandt de zon nog vol op het dak. Hij is echter te zeer van slag om uit te zoeken waar de schakelaar van de airco zit, of die van Philip Glass, of wie ook het brein is achter dit opgefokte gepiel. Bovendien moet hij die agent scherp in de gaten houden. Voorbij het Westeinde Ziekenhuis, waar het een drukte van belang is, chauffeert die de Prinsegracht op, waar ze alsnog in een opstopping belanden en mogen aansluiten in een karavaan die stapvoets naar het Spui en de Grote Markt schuifelt. Alweer zo’n kaarsrechte weg. God had net een liniaal gekregen toen hij Den Haag schiep. Rechts staan opnieuw twee agenten, al kunnen het ook parkeerwachters zijn. Overheidstoezicht in uniform moet ons een gevoel van bescherming geven, en doet dat doorgaans ook vrij behoorlijk, maar vanaf een bepaalde omvang bewerkstelligt het juist het tegendeel. Het omslagpunt is lastig te bepalen. Anne, zijn dochter van zes, vroeg zich eens af wanneer een mandarijn een sinaasappel werd, en hoe klein een kleine sinaasappel moest zijn om tot het mandarijnendom toe te treden. Was er een glijdende schaal met een schemerig overgangsgebied, zoals zij meende, of was er – en dat was zijn standpunt – juist een substantieel verschil, zodat een flink uitgevallen mandarijn best groter kon zijn dan een pietepeuterig sinaasappeltje? Hoe dichter hij het centrum nadert, hoe meer politie er op de been is. Eerst valt het niet op, en kan het nog voor toeval doorgaan. Maar al gauw staan ze op bijna elke straathoek, met z’n tweeën of drieën de chaos te dirigeren, in gele veiligheidshesjes en met donkere petjes. Wagens met zwaailichten staan aan de kant en vuren koude schijnsels en slagschaduwen af op de muren. ‘Achteruit!’ Een jongen in een dik donkerblauw vest stuurt een kleine menigte terug een zijstraat in, die hij afsluit met een rood-wit lint. ‘Allemaal naar achteren!’ Vermeers eerste gedachten neigen naar bouwwerkzaamheden, al staan er geen graafmachines, pishokken, keten en al die andere troep die nodig is bij het stollen van architectendromen. Daarna houdt hij het even op het optuigen van een zomerfestival, met alle onvermijdelijke veiligheidsmaatregelen. Je kunt tegenwoordig nog geen braderie organiseren of je moet een peloton me’ers paraat zetten.”
Christiaan Weijts (Leiden, 4 mei 1976)
De Israëlische schrijver Amos Oz, (eig. Amos Klausner) werd geboren in Jeruzalem op 4 mei 1939. Zie ook alle tags voor Amos Oz op dit blog.
Uit: A Tale of Love and Darkness
“Or perhaps such a Jerusalem, with its chandeliers and thés dansants, existed only in the dreams of the librarians, schoolteachers, clerks, and bookbinders who lived in Kerem Avraham. At any rate, it didn't exist where we were. Kerem Avraham, the area where we lived, belonged to Chekhov. Years later, when I read Chekhov (in Hebrew translation), I was convinced he was one of us: Uncle Vanya lived right upstairs from us, Doctor Samoylenko bent over me and examined me with his broad, strong hands when I had a fever and once diphtheria, Laevsky with his perpetual migraine was my mother's second cousin, and we used to go and listen to Trigorin at Saturday matinees in the Beit Ha'am Auditorium. We were surrounded by Russians of every sort. There were many Tolstoyans. Some of them even looked like Tolstoy. When I came across a brown photograph of Tolstoy on the back of a book, I was certain that I had seen him often in our neighborhood, strolling along Malachi Street or down Obadiah Street, bareheaded, his white beard ruffled by the breeze, as awesome as the Patriarch Abraham, his eyes flashing, using a branch as a walking stick, a Russian shirt worn outside the baggy trousers tied around his waist with a length of string. Our neighborhood Tolstoyans (whom my parents referred to as Tolstoyshchiks) were without exception devout vegetarians, world reformers with strong feelings for nature, seekers after the moral life, lovers of humankind, lovers of every single living creature, with a perpetual yearning for the rural life, for simple agricultural labor among fields and orchards. But they were not successful even in cultivating their own potted plants: perhaps they killed them by overwatering, or perhaps they forgot to water them, or else it was the fault of the nasty British administration that put chlorine in our water.”
“BSE, then foot-and-mouth. What would have been the odds? Those TV pictures had looked like scenes from hell. Flames leaping up into the night. Even so, cattle aren’t people. Just a few months later Jack had turned on the telly once again and called to Ellie to come and look, as people must have been calling out, all over the world, to whoever was in the next room, ‘Drop what you’re doing and come and look at this.’ More smoke. Not over familiar, remembered hills, and even on the far side of the world. Though Jack’s first thought—or perhaps his second—had been the somehow entirely necessary and appropriate one: Well, we should be all right here. Here at the bottom of the Isle of Wight. And while the TV had seemed to struggle with its own confusion and repeated again and again, as if they might not be true, the same astonishing sequences, he’d stepped outside to look down at the site, as if half expecting everything to have vanished. Thirty-two white units. All still there. And among them, on the grass, a few idle and perhaps still-ignorant human sprinkles. But inside each caravan was a television, and some of them must be switched on. The word must be spreading. In the Ship, in the Sands Cafe, it must be spreading. It was early September—late season—but the middle of a beautiful, clear, Indian-summer day, the sea a smooth, smiling blue. Until now at least, they would all have been congratulating themselves on having picked a perfect week. He’d felt a surge of helpless responsibility, of protec-tiveness. He was in charge. What should he do—go down and calm them? In case they were panicking. Tell them it was all right? Tell them it was all right just to carry on their holidays, that was what they’d come for and had paid for and they shouldn’t let this spoil things, they should carry on enjoying themselves. But his next thought—though perhaps it had really been his first and he’d pushed it aside, and it was less a thought maybe than a cold, clammy premonition—was: What might this mean for Tom?”
“De Hollander is een verwilderde variant van de beschaafde Nederlander. Gelukkig heb je er in Nederland weinig last van, omdat hij - uiteraard - met horden tegelijk naar het buitenland afreist. Lang voor de grote trek naar het zuiden jaarlijkse gewoonte werd begaf mijn grootmoeder zich tegen de stroom in naar het noorden. Naar Domburg, waar de glorie van het strandhotel familiaal bleef, het fatsoen met flinke lappen textiel werd bedekt, en toen nog overwegend Nederlands, en nauwelijks Duits werd gesproken. In tegenstelling met de wufte Belgische kust, waar koningen en demi-mondaines bij voorkeur in het Frans vreemdgingen. In 1914 was mijn grootmoeder voor de aanstormende ulanen (die de gewoonte hadden vrouwenborsten af te snijden), naar Nederland gevlucht, en had daar geleerd het nuttige aan het aangename te paren. Het enige dat haar verdriette, was het ontbreken van mirakeloorden zodat ze geen kerkkitsj kon kopen. In plaats daarvan wierp ze zich op Delftse tegels en porseleinen molens, en ik kreeg een klomp met een zeiltje. Zo wordt mythe werkelijkheid. Les Hollandais ventes tout, même l'eau,’ schreef Montesquieu, die niet eens aardgas kon vermoeden. Ik viel voor het water en de hemel die zich nergens zo weids in elkaar weerspiegelen, ik hield voorgoed van het schilderslicht over polders en rietkragen, en als ik op de radio een metalen jongensstem hoor zingen over: ‘...een klomp met een zeiltje, en hij de kapitein, dat jochie dat zo graag een zeeman wou zijn...’ dan heb ik, ja, heimwee naar Hollands glorie. ‘Doe maar gewoon, dan ben je al gek genoeg,’ zeggen de Nederlanders op hun hoede voor pathos, en zeer gevoelig voor gevoeligheden. Het leuke is dat dit hen nu net zo typisch anders maakt.”
“For the life of him, after all these years, he couldn't read the expression on her face. If Hisao wasn't present, he told himself, he'd ask her flat out what she was trying to say by looking at him with such detached severity and saying nothing at all. What, after all, had he done to her? What had she to be angry about? The anger, he thought, ought to be his own; yet years ago now the anger about her had finished gradually bleeding out of him and had slowly dried up and blown away. Nothing had replaced it, either. He had not found anything to take its place. When he saw her, as he sometimes did, in the aisles of Petersen's Grocery or on the street in Amity Harbor, he turned away from seeing her with just a little less hurry than she turned away from seeing him; they avoided one another rigorously. It had come to him one day three years before how immersed she was in her own existence. She'd knelt in front of Fisk's Hardware Center tying her daughter's shoelaces in bows, her purse on the sidewalk beside her. She hadn't known he was watching. He'd seen her kneeling and working on her daughter's shoes, and it had come to him what her life was. She was a married woman with children. She slept in the same bed every night with Kabuo Miyamoto. He had taught himself to forget as best he could. The only thing left was a vague sense of waiting for Hatsue--a fantasy--to return to him. How, exactly, this might be achieved he could not begin to imagine, but he could not keep himself from feeling that he was waiting and that these years were only an interim between other years he had passed and would pass again with Hatsue. She spoke now, from the backseat, having turned again to look out the window. "Your newspaper," she said. That was all. "Yes," answered Ishmael. "I'm listening." "The trial, Kabuo's trial, is unfair," said Hatsue. "You should talk about that in your newspaper." "What's unfair?" asked Ishmael. "What exactly is unfair? I'll be happy to write about it if you'll tell me." She was still staring out the window at the snow with strands of wet hair pasted against her cheek. "It's all unfair," she told him bitterly. "Kabuo didn't kill anyone. It isn't in his heart to kill anyone. They brought in that sergeant to say he's a killer--that was just prejudice.”
David Guterson (Seattle, 4 mei 1956) Scene uit een opvoering van het gelijknamige toneelstuk in Mountain View, 2011
De Nederlandse columnist, schrijver, ex-voetballer, en televisiepersoonlijkheid Jan Mulderwerd geboren in Bellingwolde op 4 mei 1945. Zie ook alle tags voor Jan Mulderop dit blog.
Uit: Strafschopgebieden & Reserves (Gevoel)
`Vooraleer we beginnen heb ik nog een aangename taak te vervullen. In het leven van de mensheid spelen cijfers en getallen soms een eigenaardige rol. Men spreekt van alle goeie dingen bestaan uit drie, het heilig getal zeven, en men heeft het in verschillende zin over het getal dertien. In de eerste plaats als ongeluksgetal, in het andere geval een geluksgetal. Voor ons, Metro, beschouw ik dertien als geluksgetal want wij hebben hier in ons midden twee personen die met dat getal zijn verbonden. De heer Kristiek is dertien jaar erevoorzitter van METRO-biljartclub. De heer Ceulemans is dertien maal wereldkampioen driebanden.' De voorzitter heeft gesproken en Ceulemans glimlacht onder het oorverdovend wordende applaus, neemt zijn geschenk, een atomium van biljartballen, in ontvangst en knipoogt naar Kobayashi, Komori en Dielis, drie andere biljartmatadoren, bijeengekomen te Gent in het café van oud-wereldkampioen Jos Vervest voor een paar demonstratiepartijen. Die knipoog vertelde twee dingen: de zoveelste ontvangst van een trofee ter gelegenheid van een sportavond zoals dat in België wordt genoemd en ten tweede het vaderlijke contact van de allerbeste biljarter ooit opgestaan, met zijn volgelingen. Raymond Ceulemans is vorige week in Oostende opnieuw wereldkampioen driebanden geworden in een fantastisch toernooi met het gemiddelde van 1.50o. Hij is een legende, door zijn ongelooflijke beheersing in een sport die ons allemaal een beetje in het bloed zit. Als in Stadskanaal de melkboer in zijn vrije uur een iets te gewaagde stoot probeert, wordt hem schamper 'hé Ceulemans' toegevoegd. In Wiesbaden en Cairo roepen ze woorden van gelijke strekking naar mensen die bezig zijn de drie magische ballen te laten caramboleren. Raymond zetelt in een imposant café aan de Grote Markt te Mechelen recht tegenover het etablissement van een andere sportman, de roemrijke `Torke' Lemberechts, ooit met Faas Wilkes in een FIFA-team uitverkoren. Wanneer ik zaterdag voor Pinksteren mijn auto in het centrum van Mechelen parkeer, knikken de beide cafés elkaar tevreden toe, want het is warm en de terrassen zijn vol. Achter in het café vertelt Ceulemans een bus Nederlanders nog iets van zijn geheimen en begint, eenmaal aan mijn tafeltje gezeten, met de opmerking 'Oei, dat is een mooie Jan'.
„Später las meine Mutter uns Kindern immer zum Einschlafen ein Grimm-Märchen vor, der Vater erzählte eine selbsterfundene Fuchs-und-Wolf-Geschichte, in die er alles hineinverwob, was sich an Mythen im engeren Umkreis des heimatlichen Einödhofes, der Mühle, des Sägewerks und im ferneren Umkreis des Dorfes und des Landstrichs längs der Grenze zu Böhmen, die zusammenfiel mit dem Ende der westlichen Welt, angesammelt hatte. Ein weiterer Erzähler, der die magische Sicht der Welt mit mir, dem vier- oder fünfjährigen Kind, teilte, war der Knecht Wenzel, der, aufgrund von Kinderlähmung gehbehindert, statt Holz zu hacken, lieber auf dem Hackstock saß und Geschichten von der Welterschaffung bis zum Weltuntergang erzählte. All dies, als Amalgam meines Kinderkopfes, diktierte ich anderntags meiner Großtante Johanna auf der Holzmühle unter dem irgendwie aufgeschnappten Titel Der Löwe ist los in die schwarze Erika-Naumann-Schreibmaschine, auf der ich später, weil sie, aus den Dreißigerjahren?, so wunderbar große Buchstaben hatte, immer die letzte Fassung meiner Texte schrieb und – dergestalt gestylt – zu Zeitschriften und Verlagen schickte.“
Marcher, c'est aller au bout de soi-même tout en allant au bout du monde. C'est redécouvrir l'homme qui prenait ses jambes à son cou lorsque le ciel lui tombait sur la tête. C'est geler en même temps que les pierres du chemin. Griller au feu du soleil. Partir à l'aube en pleine forme pour revenir sur les genoux en pleine nuit. Marcher, c'est rencontrer des créatures qu'on ne verrait nulle part ailleurs. Marcher, c'est aussi aller nulle part sans rencontrer personne. C'est se mettre en vacances de l'existence. C'est exister en dehors des vacances. Marcher, c'est réussir à dépasser son ombre. C'est pouvoir se doubler soi-même en s'envoyant un gentil salut au passage. Marcher, c'est caresser le sol, le flatter, l'amadouer. Une manière de se mettre la terre dans la poche avant qu'elle ne se referme à jamais. Marcher, c'est être dans le secret des dieux. C'est écouter à leurs oreilles et entendre avec eux des bruissements, des murmures qu'on croyait éteints. Marcher, c'est se mêler à la conversation des arbres, aux commérages des oiseaux, aux persiflages des reptiles. C'est se fondre dans la nature, se couler au fond du moule. Marcher, est-ce que cela ne serait pas, en définitive, tourner avec ses pieds, au pas à pas, page après page, le grand livre de la vie ?
Jacques Lanzmann (4 mei 1927 – 21 juni 2006) Cover
De Nederlandse dichter en schrijver Johan Willem Frederik Werumeus Buningwerd geboren in Velp op 4 mei 1891. Werumeus Buning studeerde voor notaris, maar brak die opleiding af om kunstredacteur te worden van De Telegraaf. Aangemoedigd door zijn vriend Adriaan Roland Holst ging hij gedichten schrijven. In 1921 verscheen zijn eerste dichtbundel “In memoriam”, over de dood van zijn geliefde. Daarop volgde “Hemel en Aarde” (1927) waarin Werumeus Buning de stijlvorm van de ballade uitprobeerde. In die vorm dichtte hij zijn grootste succes: “Mária Lécina” (1932), dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door Kees Stip werd geparodieerd als Dieuwertje Diekema, gevolgd door “Drie balladen” (1935), waarvan de Ballade van den boer de bekendste is ("Maar de boer, hij ploegde voort..."). Werumeus Buning was ook een enthousiast en deskundig schrijver over culinaria, zie b.v. zijn '100 avonturen met een pollepel; (1937). In de oorlog trad Werumeus Buning toe tot de Kultuurkamer, wat hem na de oorlog een publicatieverbod van één jaar opleverde. Hij werd daardoor minder populair. Na de bevrijding was hij behalve dichter ook redacteur van Elseviers Weekblad en vertaler van onder anderen Shakespeare, Cervantes en Herman Melville.
In memoriam
I. Zij zijn niet velen, Heer, die zoo te zamen wisten te dragen vlam van hun aardsch lijf. Zij zijn niet velen, Heer, herinner u de namen.
Zij wisten saam den weg tot uw beschenen hoven, daar zeide hun de stem, die gij aan d'ingang stelt: wee hun die niet beseffen dat de wijsheid welt uit aardsche lust tot alle lust daarboven.
II. Laat mij den weg niet eer betreden, Heer, voordat wij samen mogen gaan in duisternis; wij zijn vertrouwd, en in onze oogen is eendere kracht van licht, eendere liefde, Heer.
De druk van onze handen kende elkaar, wij sliepen saam in uw geheimen hof, en onze lijven waren uwen lof, die hebt gij nu verbannen van elkaar.
Laat, als het lijf en zijne eenzaamheid gebleven is, den tocht weer samengaan laat haar aan laagste grens van uwe scheemring staan, en laat ons wederkeeren tot gemeenzaamheid.
III. Ik zal den langen tijd in stilte beiden en de beproevingen uit uwe hand zullen mij zijn als eens uit hare hand; zoodat ik U in haar dien, haar in U, en beiden
een onverdeelde glans zijn dien ik dien. Door uwe hand heb ik om haar geleden en wat ik diepste in haar heb beleden was uwe glans, in hare smart gezien.
Heer, en ik vrees wel dat ik wankelen zal, want ik heb ook gewankeld voor haar oogen; want hare oogen waren sterk en zij bewogen mijn diepsten wil tot machteloozen val.
J.W.F. Werumeus Buning (4 mei 1891 - 16 november 1958)
Jubileum van een liefde. Een gezang uit de jaren veertig. De brieven als vlaggen wapperend in de wind of keurig in de kast in bundeltjes samengebonden.
“Ik woon tussen citrusgaarden,” schreef ze, “Ramatayim of Ramat Chaim, Ik woon bij de watertoren. Daaruit put ik veel kracht en liefde over jaren zul je dat begrijpen.”
De stengel geeft zijn geur af als je hem breekt de bladeren geuren als je ze heel dun fijnwrijft tussen je vingers. Zo zal onze liefde zijn over jaren zul je dat begrijpen.
Je zult grote afstanden afleggen maar in de afstand tussen mijn ogen ben je niet geweest en zul je ook niet komen. Dat zul je begrijpen. Je zult komen op plaatsen zonder citrusgaarden, je zult deze liefde vergeten zoals je de heldere kinderstem bent vergeten die je vroeger had. Over jaren zul je dat begrijpen.
1924
Ik ben geboren in 1924. Als ik een viool was van mijn leeftijd was ik niet een van de beste. Als wijn zou ik uitstekend zijn of helemaal zuur. Als hond was ik al dood. Als boek werd ik nu waardevol of zou ik al zijn weggegooid. Als bos zou ik jong zijn, als machine lachwekkend en als mens ben ik heel moe.
Ik ben geboren in 1924. Als ik denk aan de mensheid denk ik alleen aan hen die in hetzelfde jaar zijn geboren als ik, van wie de moeders tegelijk met mijn moeder in het kraambed lagen waar dan ook, in ziekenhuizen of in schemerige kamers.
Op deze dag, mijn geboortedag, wil ik een grote zegen over jullie uitspreken, over jullie van wie het leven al doorbuigt onder het gewicht van hoop en teleurstelling, van wie de daden steeds minder worden en de goden talrijker. Jullie zijn allen mijn broeders in hoop, mijn vrienden in wanhoop.
Mogen jullie elk de juiste rust vinden, de levenden in hun leven, de doden in hun dood.
En wie zich beter dan de anderen zijn jeugd herinnert is winnaar als er tenminste winnaars zijn.
Vertaald door Tamir Herzberg
Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000) Cover
“Hendrik kwam aanzetten op zijn zwarte Hollandse fiets, om zich heen blikkend alsof hij over de Oudezijds Voorburgwal reed. Ik zag onze gesprekken altijd nieuwsgierig tegemoet. Hij had Nederland allang verruild voor Kroatië en was als geen ander op de hoogte van de Kroatische ziel, die hij kritisch maar liefdevol in zijn handen woog. Onze eigen zielen gooiden we op een kroegtafel en besprenkelden we met bier. `Er is geen enkele stad op aarde', zei hij, 'die op Zagreb lijkt.' Op mijn vraag 'Wat nieuws?' brandde hij meteen los. `Is de categorie maffia oké?' Hij nam een slok babbelwater uit een Karlovaékoglas. 'Ik heb een verhaal voor je met een Hollandse en een Belgische connectie, dus het gaat ons allebei een beetje aan. Bovendien heeft het een hoog Hollywoodgehalte, dus als je het opschrijft, kun je er een fortuin mee verdienen.' Mijn fantasie sloeg al op hol. `Er was eens', zei Hendrik, 'een Belgische avonturier. Hij heette James Marty Cappiau en was in de burgeroorlog hierheen gekomen. Hij klaarde vuile klussen voor het ministerie van Defensie en diende in de Eerste Kroatische Wacht of de zogenaamde Pretorische Wacht van Franjo Tudman. Zo ging dat, een pot nat. Een van zijn missies was de moord op de maffiabaas Vjeko Sli§ko, bijgenaamd de koning der muntautomaten, omdat hij zijn fortuin had gemaakt met trekkasten. De afrekening gebeurde op een bedrijvig plein in het centrum. Alles verliep gesmeerd, maar toen Cappiau had geschoten, slaagde de muntenkoning erin te ontsnappen, hoewel hij zwaargewond was en beeldentaal merkwaardig genoeg soms gebruikt door tegengestelde politieke gezindten. Maar om wat voor kwaad ging het eigenlijk? Wat had hem geïnspireerd tot deze wrede voorstelling? Mijn tocht van Zagreb naar het oosten moest hieromtrent uitsluitsel geven. Het eerste doel was Jasenovac. Jasenovac is zo onooglijk dat het op sommige kaarten niet eens voorkomt. Het ligt langs de in de Joegoslavische tijd aangelegde snelweg van Ljubljana naar Belgrado, vlak voor je Slavonië binnenkomt, pal op de grens met Bosnië-Hercegovina, op de oever van de Sava. Vanaf hier verlaat de Sava het Kroatische binnenland en vormt zij de grens met Bosnië-Hercegovina. Er wonen ongeveer tweeduizend mensen.”
Men mag er niet aan denken dat het herbegint. Men is op versnelling uit. Men oefent in afwachting een uitspraak of men staart zo een detail aan dat het irritant wordt. Niemand ontsnapt aan gewenning. Zelfs voor wie er niet aan went, is hetzelfde nooit genoeg.
Ik dacht dat de tijd via via zou werken
Ik dacht dat de tijd via via zou werken, met een lichte erosie, een trage schimmel, dat hij, vanuit de schaduw, op een lauwe vogelpoot knabbelend, een laagopgeleide wind de klus zou laten klaren, desnoods iemand zou sturen om een spatie weg te pikken of discreet een paar tinten te innen.
Dat ik het zelf niet zag,
nat en verblind door de zon in de camera van jouw ogen kijkend, blij opnieuw vaste grond te voelen, tong over bovenlip, blij aan sommige spieren herinnerd te worden, alle aders weer open voor de zoute roes van de bloedgroep, de homerun,
dat ik niet zag hoe
de tijd zelf al het grootste werk had gedaan en blijkbaar beslist had op korte termijn, tussen de branding en mijn spullen, in een paar flitsen, eigenhandig, fors met de knuppel, en hop en
klop en nog één
erop.
Paul Bogaert (Brussel, 3 mei 1968)
De Franse schrijver en filmmaker Marc Dugain werd geboren op 3 mei 1957 in Senegal, waar zijn vader werkzaam was.Zie ook alle tags voor Marc Dugain op dit blog.
Uit: L'insomnie des étoiles
« Elle dormait dans un fauteuil à oreillettes où s'asseyait autrefois son arrière-grand-mère, une femme aux traits masculins. Sans ses cheveux gris ivoire tirés en chignon, rien ne la distinguait d'un homme, si ce n'est bien sûr sa robe noire épaisse qui traversait les saisons. De sa voix, Maria ne gardait aucun souvenir car la vieille femme prenait soin d'ordonner sans parler, d'un regard dur que percevaient même ceux qui lui tournaient le dos. Maria dormait assise et se rapprochait du poêle pendant la nuit à mesure que la chaleur s'atténuait. Au petit matin, quand un premier rayon de lumière perçait le ciel, elle le ranimait avec deux grosses bûches qui se consumaient au cours de la matinée. Elle chassait les engourdissements en se rendant près des chevaux, deux grands oldenburgs efflanqués. A l'aube, ils s'avançaient contre la bar-rière en quête d'une ration qui ne venait plus depuis des années. La force de l'habitude, même déçue, les rassurait. Si Maria s'approchait d'eux, ils fuyaient ses caresses et se retournaient dépités pour disparaître dans un voile gris lointain où ils vaquaient jusqu'au lendemain, sachant que personne ne viendrait les y chercher. Parfois, elle s'essayait à leur parler, pour s'assurer que sa propre voix ne s'était pas éteinte. Mais elle ne savait pas quoi leur dire et les quelques mots prononcés finissaient par mourir d'eux-mêmes. Dans son monde infini et clos, il ne restait que ces deux êtres vivants, deux égoïstes rassurants, deux crève-la-faim aux yeux exorbités. Elle ne leur gardait aucune rancune de l'avoir retirée du monde. "Il existe d'apparentes coïncidences, se disait-elle, qui ne sont que l'expression d'un ordre qui me dépasse." D'ordinaire, lorsqu'elle saluait les chevaux, ils restaient de l'autre côté de la clôture et se contentaient d'une tape sur le chanfrein. Mais, ce jour-là, elle se tenait entre les animaux car le plus âgé des deux souffrait au jarret d'un des posté-rieurs. Elle s'était baissée pour juger de la gravité de la blessure. Rassurée, elle s'était relevée alors qu'un roulement de tambour inhabituel montait dans le ciel. Les chevaux apeurés avaient fui en la bousculant. Ses grosses lunettes étaient tombées dans la boue, une boue qu'elle avait fouillée en vain. Peut-être ne voyait-elle pas assez pour les retrouver. Quelques minutes après le grand bruit, le ciel s'était embrasé au loin et de sourdes détonations résonnaient contre les murs de la ferme."
`Television presenter, television presenter, television presenter, television presenter, train driver.' Sergeant Hooper looked up. `Train driver?' 'I'm sorry, my mistake. Television presenter.' Chief Inspector Coleridge dumped the thick file of suspect profiles onto his desk and turned his attention once more to the big video screen that had been erected in the corner of the incident room. For the previous two hours he had been watching tapes at random. Garry lounged on the green couch. The pause button was down and Garry's image was frozen. Had the tape been running, the picture would have been much the same, for Garry was in his customary position, legs spread wide, muscles flexed, left hand idly fondling his testicles. A blurred blue eagle hovered above his right ankle. Coleridge hated that eagle. Just what the hell did this pointless lump of arrogance and ignorance think he had in common with an eagle? He pressed play and Garry spoke. `Your basic English Premier League team consists of ten idiots and one big gorilla hanging about up at the front, usually a black geezer.' Coleridge struggled to care. Already his mind was drifting. How much rubbish could these people talk? Everybody talked rubbish, of course, but with most people it just disappeared into the ether; with this lot it was there for ever. What was more, it was evidence. He had to listen to it. . . What the ten idiots have to do is keep kicking the ball up to the gorilla in the hope that he'll be unmarked and get a lucky shot in.' The world had heard these sparkling observations before: they had been chosen for broadcast, the people at Peeping Tom Productions having been thrilled with them. The words 'black' and 'gorilla' in the same sen-tence would make a terrific reality TV moment. —Bold, provocative and controversial",' Coleridge muttered under his breath.”
“Als ich die Augen aufschlage. ist es finster, und das ist gut so. Ein paar Wochen noch, denke ich, dann wird die Hauptsaison zu Ende sein. Es ist jetzt Mitte Februar, nie lieh. daß ich bei entsprechendem Wetter noch ein paar Tage, vielleicht sogar eine Woche werde dranhängen kön-nen. Sicher, es werden trübe Tage kommen, und die Umstellung auf die Sommerzeit wird mir noch einmal eine Stunde schenken, aber irgendwann wird auch in die. sem Jahr Schluß sein. Ich liege im Bett. es ist angenehm. ich drehe mich noch einmal zur Scitc, ziehe die Knie in Richtung des Brustkor-bes und die Decke über den Kopf. Ich versuche an Anna. Sophie zu denken, aber dann fällt mir das geheimnisvolle Fenster von gegenüber ein und ich schlage die Bettdecke entschlossen zurück, man hat ja seine Pflichten. Es ist kurz vor halb sieben, wie jeden Morgen komme ich dem Alarm zuvor und drücke die Taste, bevor der Wecker sein Klingeln beginnt. Im Dunkeln steige ich die Wendeltreppe hinunter. meine Finger gleiten übers Geländer und finden die vet.• traute Kerbe im Holz, eine kleine Unebenheit nur, die mir aber sofort Sicherheit gibt. Ich gehe durch die Wohnung, gelange, ohne irgendwo anzustoßen oder nach einer Tür-klinke tasten zu müssen, zum Bad, wo ich nun doch das Licht anschalte. Hier im Bad bin ich sicher, bereits zum Saisonbeginn vor fünf Monaten habe ich das Fenster mit großer Sorgfalt abgedichtet. Ich habe dabei nicht nur die Schullehrtafel, die ich auf einem Trödelmarkt erstanden habe und die das Periodensystem der Elemente zeigt, zum Rollo umfunktioniere, sondern die leicht ausgefransten Ränder des gummierten Leinengewebes mit klammheim-licher Freude so mit Klebeband am Fensterrahmen befe-stigt. daß kein Lichtstrahl nach außen dringen kann: man soll glauben. ich sei überhaupt nicht da. Das Licht ist grell und Wendet, dabei würde ich mir gerade hier und jetzt im Bad etwas Dunkelheit wünschen. ich bin nicht dick, nur etwas schwer, doch der Anblick die ses bleichen, in den letzten Jahren zunehmend schwam-mig gewordenen Fleisches ist nicht gerade das. womit man einen neuen Tag zu beginnen wünscht, zumal die Deckenleuchte mein Haar. ich halte es gewöhnlich noch immer für dicht. jetzt in ein Licht setn, das für die näch-sten Jahre Schlimmes befürchten läßt: im Spiegel sehe ich meine Kopfhaut glänzen.“
Jens Wonneberger (Großröhrsdorf, 3 mei 1960) Cover
„Im Garten und auf den Feldern des Hofs ist er jedem Baum und jedem Busch nah, sucht sie täglich auf, hilft ihrem Wachstum, düngt sie, verleiht ihnen Halt, beschneidet sie und gibt ihnen die Richtung, die dem Organismus angemessen scheint. Alles sieht so reich aus, so glücklich geordnet, und die Früchte reifen, samen sich aus, und die Bäume werden groß und zeigen ihren Eigenwillen, dem man nicht mehr helfen kann. So ist sein Garten ein in die Wirklichkeit gewachsenes, ein lebendig gewordenes Kunstwerk. Doch irgendwann erwacht man aus einem jahrelangen Traum, einem freiwilligen Dornröschenschlaf, und beginnt zu begreifen, dass man keine Insel der Harmonie und Schönheit geschaffen hat, sondern ein von Hecken und Zäunen, Mauern und Birkengittern umschlossenes Gefängnis. Wieder hört er das Flüstern. Wie tuschelnde Frauen. Doch jetzt weiß er, dass es Lerchen sind, deren Stimmen aus den Birken wie aufgelöst durch die tauende Luft schwimmen. Was sagen diese Stimmen? Dass noch nicht Tag ist, aber auch nicht mehr Nacht? Dichter wissen so etwas vielleicht und finden dann Worte dafür. Zeichnen lassen sich Stimmen aber so wenig wie der Nachtwind, der sacht durch den Garten streicht und wie auf Zehenspitzen ums Haus geht, so wenig auch, wie Musik sich zeichnen lässt. Das ist einer der Gründe, warum das große Bild, mit dem er sich jahrelang abgequält hat, so gründlich missglückt ist. Es zeigt Musizierende, aber es klingt nicht. Bleibt stumm. Und die Lauschenden hören nichts. Sind taub. Deshalb ist Konzert auch kein guter Titel. In der Festschrift zur Kunstausstellung, die morgen eröffnet wird, feiert ein sogenannter Fachmann das Bild - ein rauschender Hymnus auf den Abendfrieden sei es, höchst realistisch und ungekünstelt und voller Musik, voll zarter lyrischer Klänge, eine Feierstunde, in sich gekehrte, keusche Lebensfreude, weit- und zeitenfernes, naives Genießen. Dieser Experte sagt nicht, was er sieht, sondern was er sehen will; und wie er es sagt, so pathetisch hochgestimmt und lyrisch überdreht, klingt es wie eine schlechte Parodie auf den Dichter, der auf dem Bild fehlt. Er hätte zwischen Paula und Clara sitzen sollen, so wie er zwischen ihnen gesessen hat, als er damals auf dem Barkenhoff erschien, ein rätselhaftes, frühreifes Genie, unter dessen Worten und Blicken die Frauen schmolzen.“
« A propos de Chopin, je pense à un échange entre René Urtreger et Miles Davis. René et Miles jouaient au Club Saint-Germain. René empruntait parfois la trompette de Miles, il en jouait pour le faire marrer, et ça marchait. Et puis, à un moment , il s’est mis au piano pour interpréter la « fantaisie-Impromptue » de Chopin. Quand il a terminé, Miles pleurait. Il a dit: « Je me couperais un bras pour avoir écrit ça. » Deux musiques qui se regardent, et l’une qui dit « Moi je suis plus savante que toi », tandis que l’autre lui répond: « Peut-être, mais moi je suis plus libre. » Deux soeurs qui s’admirent et se jalousent, et s’aiment. (…)
La reconnaissance, ce colifichet qui fait rire la foule et passer les créateurs pour de grands enfants imbus d’eux-mêmes, avides de compliments, ne travaillant que pour la gloire, est un élément central et fondateur de l’art. Ce malentendu persistant autour de la consécration sème une confusion impossible à dissiper. La création, à cause de la fatigue terrible qu’elle engendre, à cause de la suspicion dont elle est en permanence l’objet (à quoi ça sert ? Pour qui se prend-on ?), exige de l’artiste qu’il développe une certaine forme de foi. Certains la trouvent dans la religion, d’autres dans la folie narcissique, d’autres encore (les plus chanceux) dans l’argent. Mais la plupart des artistes « font sans », traversés par une grâce intermittente, comptant sur leur propre inconscience, sur le désir de produire qui ruse l’égo."
Uit: Mein Jahr mit Mr Mac (Vertaald door Anke en Eberhard Kreutzer)
„Ich bin in dem kleinen Zimmer unterm Dach zur Welt gekommen, nicht in der Kammer mit dem Gaubenfenster, in dem ich jetzt schlafe, auch nicht in dem großen, dem für die Gäste, die im Sommer kommen und uns vorher schreiben, von wann bis wann sie bleiben wollen. Manchmal dürfen da auch Leute übernachten, wenn sie zu viel getrunken ha-ben. aber von denen holt Mutter sich das Geld im Voraus. Könnte ja jeder kommen und am nächsten Morgen behaupten, er hätte keine Ahnung, wie er in dieses wunderbare, breite Bett gekommen ist, da hätte ihn wohl jemand mitgenommen und -gegen seinen Willen, wenn auch schön bequem - einfach dabehalten. Aber das kommt nur zur Erntezeit vor, wenn die Männer und jungen die Weizenspreu, die ihnen in der Kehle kitzelt, herunterspülen oder wenn sie im Hochsommer der Hafer sticht. Aber ich bin im Wintergeboren, und die Brandung unten am Strand hat in jener Nacht lauter gebrüllt als meine Mutter bei ihrem neunten Kind. Mein Vater war draußen im Sogg's Fen auf Kaninchenjagd und brachte bei seiner Rückkehr die Nachricht mit, drei Fischer aus Dunwich würden auf See vermisst. In Dunwich läuteten sie die Kirchenglocken, und meine Mutter schwor. sie hätte es trotz des tosenden Sturms bis in ihr Zimmer gehört. Dann hat sie mich auf ihre Brust gelegt und geheult, als wollte sie mich mit ihren Tränen ersäufen. »Was hast du?. Meine Schwester Mary kümmerte sich um sie. »Will er nicht trinken?. Aber Mutter sagte nur, sie hätte gewusst. dass dese Nacht jemanden holen würde, und - der Herrgott möge ihr verzeihen - sie sei nur so unendlich froh, dass es nicht mich getroffen habe. Das Kaninchen dna:lege mein Vater zum Aasnehmen und Abziehen Mary in die Hand. dann kroch er zu Mutter ins Bett und schlief vom Branntwein, in dem er seine Angst ertränkt hatte, ein. »Wir können uns nicht beide auf die faule Haut legen.. sagte meine Mutter und stupste ihn, »wenn der Junge nicht umsonst überlebt haben soll.« Als er sich nicht rühne, ließ sie mich neben ihm liegen. standauf und stieg vorsichtig die Leiter hinunter. Für den Fall, dass noch ein Gast kam und etwas essen wollte, machte sie in der Schankstube Feuer. Mutter hatte das Dorf im Blut: Als Tochter eines Schweinehirten war sie nicht weit von der Dorfwiese geboren und aufgewachsen. Wäre sie nicht eines schönen Nachmittags genau in dem Moment auf die Straße getreten, als ein Mann an ihr vorbeiradelte und ihr zuzwinkerte. hätte sie im Leben nicht daran gedacht, von dort wegzugehen. »Messer zu schleifen., sang er über die Schulter, und sie lächelte ihm zu. Er war schon älter, nicht so alt wie ihr Vater, aber auch nicht weit davcn entfernt und ein wenig zerzaust als hätte er niemanden, der auf ihn achtgab. Docher lächelte auf seiner Runde vor. Haus zu Haus, und als sie nach ihrem Namen fragte. erbot er sich. die Messer der Familie zum halben Preis zu schleifen.“
‘Mag ik hem zien?’ had ik gevraagd, want plotseling wilde ik alleen dat nog maar. De vrouw schraapte haar keel. ‘U moet begrijpen dat de tijd –’ ik was al bezig om mijn jas te pakken, ‘de tijd dat Boy in het water heeft gelegen, dat zo’n tijd en ons klimaat, dat hij er niet meer is, niet meer zoals u hem gekend heeft.’ Dat hij geen huid meer had bedoelde ze, of niet meer zoals wij, geen huid, geen spieren en geen vet, dat zijn gezicht al van zijn schedel was gegleden. Het aangespoelde lichaam van mijn zoon werd gevonden door een toevallig passerende wandelaar met hond. Soms probeer ik me voor te stellen hoe dat is gegaan, of het een vrouw was die hem vond, en wat voor hond en hoe ze daar met z’n tweeën waren, wegzakten in het zand. Ik stel me een kleine, dikke vrouw voor met grijs haar en in een houtje-touwtjejas, want het was koud aan zee. In mijn fantasie was haar hond niet zo’n keffertje dat ervandoor gaat met een bot, maar een herder of iets dergelijks, een trouw dier dat naast Boy is blijven staan en blaffend zijn bazin waarschuwde, ik stel me voor dat ze haar brede shawl heeft afgedaan en daarmee Boy heeft toegedekt nog voor ze de politie belde. Ik hoop dat ze niet zomaar achteruitgedeinsd is zoals je misschien doet als je een lijk vindt. (Zo’n woord dat je niet uit wilt spreken, dat iedereen tot aan de begrafenisondernemer toe zorgvuldig vermijdt, tot je ziek wordt van de eufemismen en hoe omzichtig iedereen nu met je omgaat. Ook omdat je nu gitzwarte grappen maakt en ze dat niet kunnen begrijpen, niet snappen dat er geen andere manier is.) Op de dag dat Boy niet thuiskwam was ik niet ongerust. Ik had geen voorgevoel, geen intuïtie die me zei dat er iets mis was. Misschien floot ik nog toen hij al dood was, misschien dacht ik aan wat we dat weekend zouden doen, of de volgende week. Aan de afspraken die zich aaneenregen in keurig afgemeten blokken, aan de vakantie die eraan kwam.”
“De auto staat niet goed in het vak geparkeerd en heeft geen parkeerbonnetje. Mijn handcomputer hangt met een polskoord om mijn arm en met een slinger manoeuvreer ik hem in mijn rechterhand. Ik loop om de grijze Mercedes heen. Het is een dure jongen en op de achterkant heeft de eigenaar een vis geplakt. Er zitten mooie velgen op de wielen, het interieur is voorzien van leren bekleding. Ik tik het kenteken in, twee cijfers, twee letters, twee cijfers. De letters van het nummerbord zijn LP. Lekker Parkeren. Het systeem geeft aan dat de auto geen parkeervergunning heeft voor deze wijk. Ik noteer de verschillende overtredingen in het systeem, de codes weet ik uit mijn hoofd. Als ik op de groene BEVESTIG-knop wil drukken hoor ik een deur dichtslaan. Haastige voetstappen op de stoep, een man schreeuwt naar mij. `Ik ga al weg, ik ga al weg!' Ik zeg niets terug en houd mijn blik op de computer gericht. `Hallo!' zegt hij overdreven als hij voor mijn neus staat. 'Ik ga al weg, zei ik net.' De man kijkt nogal gestrest uit zijn ogen. Van mij hoeft u niet weg, hoor,' zeg ik, 'maar u mag hier niet staan.' Hij plant zijn handen in zijn zij. 'Man, ik sta hier net twee minuten. Even wat afgeven, dat is alles.' Hij wijst naar een pand. Eigenlijk zijn het twee gebouwen met daartussen een ruimte van een meter of twee breed. Een soort steeg, die is afgesloten met een stenen muur met in het midden een groene, houten deur. `Werkt u daar?' vraag ik. `Nee.' `Wat heeft u afgegeven?' De man wordt ongeduldig, zijn rechterwenkbrauw trilt als de bovenlip van meester Co. Als die boos was, dan trilde alles in zijn gezicht, maar zijn bovenlip nog het meest. 'Gewoon,' zegt hij. `Gewoon wat?' `Een pakketje.' `En is dat pakketje dermate belangrijk geweest dat het foutparkeren rechtvaardigt?' Ik wijs naar zijn auto. Ja, inderdaad ja, dat was een heel belangrijk pakketje.' `Wat was het dan?' Hij zegt even niets. In zijn gezicht zie ik veel emotie. 'Het ging om een vertrouwelijk document,' zegt hij dan. `Een belangrijk, vertrouwelijk document dus?' Hij knikt. `Ik weet het mooi gemaakt,' zeg ik. 'Ik houd het bij een waarschuwing, maar de volgende keer schrijf ik hem uit. Heeft u dat begrepen?'
„Du hättest mitkommen sollen", mich ärgerte dieser Satz, ich hörte, wie er ihn aussprach, wie er das „hättest" betonte, wie sich seine Augenbrauen nach unten wölbten, wie er mich danach anblickte, als ob er eine Antwort erwarte, die richtige Antwort natürlich: Ja, stimmt, Großvater, ich hätte mitkommen sollen, das war ein Fehler, du hast mal wieder Recht gehabt. Mein Großvater hatte gern Recht, mein Großvater hatte angeblich alles immer schon vorher gewusst, du hättest einen Schirm mitnehmen sollen, du hättest auf den Stadtplan schauen sollen, du hättest mehr Fremdsprachen lernen sollen, du hättest den Pullover separat waschen sollen, du hättest das Steak bestellen sollen. Mein Großvater war stets beleidigt, wenn man nicht auf ihn gehört hatte, dabei konnte man nie auf ihn hören, weil er einem immer erst im Nachhinein mitteilte, was man alles hätte anders machen sollen, aber ihn habe ja keiner gefragt, und schau, jetzt bist du nass, und schau, jetzt haben wir uns verfahren, und schau, jetzt bin ich tot. Ja, ich hätte mitkommen sollen, und nein, ich war nicht mitgekommen, nicht nach China und schon gar nicht in gottverlassene Käffer auf dem Weg dorthin, und ich wusste, es sah so aus, als hätte ich ihn im Stich gelassen, ich wusste, dass ich auch ihm irgendeine Erklärung schuldete, aber nun war das nicht mehr nötig, und ich wusste beim besten Willen nicht, ob es angemessen war, darüber erleichtert zu sein. Dass auch die letzte Postkarte nicht aus China kam, war leicht zu erkennen. Sie war mit einer deutschen Briefmarke frankiert, und das Bild des dicken goldenen Mannes war aus irgendeinem Reiseprospekt herausgerissen und notdürftig über eine Gratispostkarte geklebt worden, eine Ecke hatte sich bereits gelöst, ein Eisbär kam darunter zum Vorschein.“
Uit: A Long Night In Leatherland (Verschenen onder het pseudoniem Jacob Lowland)
“Until I realize it’s closing time. Where to go? Directly to the Anco, or first a quick stop at the Eagle? The Eagle it is, because I told Jan and Gerrit that I would be there later on. They seem to have gone home, together with an English kid…it must be the one of the poem. But the beer tastes excellent, the bar is full of its normal bizarre mixture of types, and Karl is horny again. He wants to be in the sling again. This time about fifteen guys watch and jack off while I explore his depths, first only with one hand, then with two, three, four fingers of the other one, later on with my manhood clutched in my hand. Volcanic eruptions. And the show is over. Satisfied we move to the front. Our beer has gone and the lights burn brightly. Quarter past four, time for the final act. Along the Oude Kerk, across the bridge and then ringing at the door of the Anco. Steve opens. The bar is rather full. A lot of men who I already noticed at Jaecques or in the Argos, but also types you never see in the Warmoesstraat. God knows where they come from. Even the barkeeper of ‘t Mandje. Almost all have one thing in common: too much booze to be capable to perform, but still horny.”
De vlag waait rood van den toren bij de nieuwe traktorenfabriek: de ronkende zang der motoren het drillend gesnor van de boren dat is onze Sowjet-lyriek.
Wie zal de weg ons versperren? Wie stuit onze stoet op haar baan? Ons lied geldt de toekomst, de verre en niet meer Pierrot bij de sterren in het bleeke licht van de maan.
Acht hoogovens in de steppe veertigduizend traktoren per jaar de razende raderen reppen geen handen genoeg om te scheppen: het plan moet in vier jaren klaar!
Staal, koper en goud uit de groeven Kolen uit Kusnetz en Donbas Een wereld van moeren en schroeven waar het spoor slechts van eenzame hoeven zich eenmaal verloor in het gras.
Rood waait de vlag van den toren waar het leger der arbeiders gaat. De nieuwe mensch is geboren: de stootbrigadier treedt naar voren en slaat met zijn hamer de maat.
Het tempo der bolsjewieken Het rijm op ‘bourgeois’ -: G.P. Oe. Het rythme van duizend fabrieken zoo gaat, over 't lijk der klassieken ons lied naar de dageraad toe.
Het schrijdt in de strijdende rijen van de komsomolzen vooraan als de daverende stap op de keien van de roodgardisten, de vrijen zal het over de aarde gaan.
Ons lied geldt de toekomst, de blijde en niet meer Pierrot bij de maan als de vijand ons uitdaagt ten strijde dan zal met zijn maats zij aan zijde de strijdende dichter staan!
Blüht nicht zu früh, ach blüht erst, wenn ich komme, dann sprüht erst euer Meer und euren Schaum, Mandeln, Forsythien, unzerspaltene Sonne – dem Tal den Schimmer und dem Ich den Traum.
Ich, kaum verzweigt, im Tiefen unverbunden, Ich, ohne Wesen, doch auch ohne Schein, meistens im Überfall von Trauerstunden, es hat schon seinen Namen überwunden, nur manchmal fällt er ihm noch flüchtig ein.
So hin und her – ach blüht erst, wenn ich komme, ich suche so und finde keinen Rat, daß einmal noch das Reich, das Glück, das fromme, der abgeschlossenen Erfüllung naht.
Letzter Frühling
Nimm die Forsythien tief in dich hinein und wenn der Flieder kommt, vermisch auch diesen mit deinem Blut und Glück und Elendsein, dem dunklen Grund, auf den du angewiesen.
Langsame Tage. Alles überwunden. Und fragst du nicht, ob Ende, ob Beginn, dann tragen dich vielleicht die Stunden noch bis zum Juni mit den Rosen hin.
Kommt
Kommt, reden wir zusammen wer redet, ist nicht tot, es züngeln doch die Flammen schon sehr um unsere Not.
Kommt, sagen wir: die Blauen, kommt, sagen wir: das Rot, wir hören, lauschen, schauen wer redet, ist nicht tot.
Allein in deiner Wüste, in deinem Gobigraun – du einsamst, keine Büste, kein Zwiespruch, keine Fraun,
und schon so nah den Klippen, du kennst dein schwaches Boot – kommt, öffnet doch die Lippen, wer redet, ist nicht tot.
Gottfried Benn (2 mei 1886 - 7 juli 1956) Benn op een illustratie van Angela Smets
De Duitse dichter en schrijver Novalis werd geboren in Oberwiederstedt op 2 mei 1772. Zie ook alle tags voor Novalis op dit blog.
Uit:Hymnen an die Nacht (Fragment)
4 Kannst du mir zeigen ein ewig treues Herz? hat deine Sonne freundliche Augen, die mich erkennen? fassen deine Sterne meine verlangende Hand? Geben mir wieder den zärtlichen Druck und das kosende Wort? Hast du mit Farben und leichtem Umriß Sie geziert - oder war Sie es, die deinem Schmuck höhere, liebere Bedeutung gab? Welche Wollust, welchen Genuß bietet dein Leben, die aufwögen des Todes Entzückungen? Trägt nicht alles, was uns begeistert, die Farbe der Nacht? Sie trägt dich mütterlich und ihr verdankst du all deine Herrlichkeit. Du verflögst in dir selbst - in endlosen Raum zergingst du, wenn sie dich nicht hielte, dich nicht bände, daß du warm würdest und flammend die Welt zeugtest. Warlich ich war, eh du warst - die Mutter schickte mit meinen Geschwistern mich, zu bewohnen deine Welt, sie zu heiligen mit Liebe, daß sie ein ewig angeschautes Denkmal werde - zu bepflanzen sie mit unverwelklichen Blumen. Noch reiften sie nicht diese göttlichen Gedanken - Noch sind der Spuren unserer Offenbarung wenig - Einst zeigt deine Uhr das Ende der Zeit, wenn du wirst wie unser einer, und voll Sehnsucht und Inbrunst auslöschest und stirbst. In mir fühl ich deiner Geschäftigkeit Ende - himmlische Freyheit, selige Rückkehr. In wilden Schmerzen erkenn ich deine Entfernung von unsrer Heymath, deinen Widerstand gegen den alten, herrlichen Himmel. Deine Wuth und dein Toben ist vergebens. Unverbrennlich steht das Kreutz - eine Siegesfahne unsers Geschlechts.
Transfiguration's light descends Upon the fleeting hour and age, – The seer's trance has been fulfilled, And mighty anguish comes to pass!
The freeman's Plow, and not the dull Yoke – slave of years now dead and gone, Has turned the dark glebe's slumbrous clods, – To heaven blooms the flower of earth.
The flame of life is unconfined! Another bound, another step, And the far distant Promised Land Will be revealed without a bourn.
Ascending to the realm of space, The strength of hands set free lifts up The sun's face in the sun – bright cup In shrine, whose light is circling stars.
Dispelled the gloom of life oppressed, She, crucified in days gone by, Rus', at this Easter Morning – song, Chants loud her universal psalm!
De Nederlandse dichter, letterkundige en uitgever Theodorus Alexander Leonardus Maria ("Theo") Sontropwerd geboren in Haarlem op 2 mei 1931. Hoewel hij studeerde aan de Rijksuniversiteit Utrecht was Theo Sontrop van 1 december 1956 tot 19 januari 1959 redacteur van het aan de Universiteit van Amsterdam gelieerde studentenweekblad Propria Cures. Hij werkte samen met redacteuren als Piet Borst, Hugo Brandt Corstius, Joop Goudsblom, Renate Rubinstein en Aad Nuis. Later werd Sontrop leraar en was hij betrokken bij uitgeverij J.M. Meulenhoff. Van 1972 tot 1991 was hij directeur van uitgeverij De Arbeiderspers. In deze jaren bracht Theo Sontrop samen met hoofdredacteur Martin Ros De Arbeiderspers van een sociaaldemocratische, op het grote publiek georiënteerde uitgeverij, tot een van de literair toonaangevende uitgeverijen van Nederland, met een breed fonds van Nederlandse, Vlaamse en internationale (vertaalde) auteurs. Tijdens zijn directeurschap werd de serie Privé-domein een begrip. Sontrop werd als directeur opgevolgd door Ronald Dietz. Theo Sontrop had in de jaren tachtig een column in het satirische VPRO-radioprogramma Borát.
Park
Papieren arken op een vijver van beton. Spreeuwen harken pieren in een grijs gazon. Bomen met roos: uit hun kruin vallen duiven als Noach seniel met de broodzak gaat wuiven.
De eikel spreekt
Waar mijn ontbladerde vader zijn harige takken laat ruisen, en de bast van mijn moeder met welgevallen beziet, wordt de mier op de grond door mijn val invalide. Wellicht word ik woudreus, en schud met de vuist naar mijn vader die kromgroeit.
Arsenic
Der barden modieuze plaatjeskijken, het herfstig zingen over blaadjeslijken of waar de gaatjes prijken bij een zwam of vrouw; Rochester zei het in een enkel vaers: When you have seen all this, then kiss mine arse.