Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
19-08-2018
Dolce far niente, Alfred Schaffer, Annie M.G. Schmidt, Ida Gerhardt, Jonathan Coe, Li-Young Lee, Frederik Lucien De Laere, Louis Th. Lehmann, Ogden Nash
Dolce far niente – Het poëziemuseum op het Museumplein
View of the Rijksmuseum Amsterdam by night II door Erik Renssen, 2015
Het feest kan beginnen
De zee is kalm maar wie belooft ons nog geborgenheid, wie blijft bij de les. Voortekens staren ons in het gezicht, de duisternis heeft ons uitgespuugd.
Alles is aan boord: zuurstof, specerijen, vrouwen, mannen, trage dieren, trotse dieren. Een kwestie slechts van overleven en het hoofd koel houden.
Al dagen is ons tijdperk van subtiele metaforen afgesloten: een paard in het ruim van het schip dat ons aan land zal brengen, het proestte, snoof, brak los, door demonen opgejaagd, dan stormde het naar het achterdek en struikelde overboord. Het gehinnik verzoop in het bruisen onder de schroeven, in luttele seconden raakte iedereen in rep en roer.
Voortekens staren ons in het gezicht, de duisternis heeft ons uitgespuugd.
We zullen bossen kappen, een lichtend voorbeeld vinden, geboortesteden construeren zonder voorgeschiedenis, geactiveerd door aromatisch sentiment.
Duisternis, voortekens. Er zullen vallen klappen als het stormt, zeezieke uren liggen voor de boeg maar onze droom bestaat. Nu alleen de timing nog.
Alfred Schaffer (Leidschendam, 16 september 1973)
Aan een klein meisje
Dit is een land waar grote mensen wonen. Je hoeft er nog niet in: het is er boos. Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen. En altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn alle avonturen. Hetzelfde, van een man en van een vrouw. En achter elke muur zijn andere muren. En nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten. En alle teddyberen zijn hier dood. En boze stukken staan in boze kranten. En dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen. En de soldaten zijn niet meer van tin. Dit is een land waar grote mensen wonen. Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)
Psyche
Ik las de Phaedo met mijn vijfde klas en in de tekst kwam het woord yuxh/ voor: ik legde, aan 't nog kinderlijk gehoor, uit waarom yuxh/ 'ziel' én 'vlinder' was.
Terwijl ik nóg eens de passage las was er ineens een ritseling, en een spoor van glanzen kwam, van 't raam, de ruimte door. Er zat een grote vlinder voor 't glas.
Het was een dagpauwoog. En ieder zag de purperen gloed, die op zijn vleugels lag; de ogen, waar het aetherblauw in brandt.
Ten laatste - hij zat rustig op de hand - bracht hem een jongen weg. Onaangerand, zei hij, was hij ontweken naar het blauw.
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997) Cover biografie
Uit: Expo 58 (Vertaald door Luud Dorresteijn en Otto Biersma)
“In een schrijven van 3 juni 1954 bracht de Belgische ambassadeur in Londen een uitnodiging over aan de regering van Hare Majes-teit, de koningin van het Verenigd Koninkrijk: een uitnodiging tot deelname aan een nieuwe wereldtentoonstelling die de Belgen 'de algemene wereldtentoonstelling te Brussel 1958' noemden. Vijf maanden later, op 24 november 1954, werd Hare Majesteits formele aanvaarding overgebracht aan de ambassadeur, tijdens een bezoek aan Londen van baron Moens de Fernig, de commis-saris-generaal die door de Belgische regering was aangesteld om de organisatie van de tentoonstelling op zich te nemen. Het zou de eerste keer sinds de Tweede Wereldoorlog zijn dat een dergelijk evenement werd georganiseerd, in een tijd waarin de Europese landen die bij die oorlog betrokken waren geweest, zochten naar vreedzame samenwerking en zelfs een verbond; en tegelijkertijd was het ook een periode waarin de politieke verhou-dingen tussen de NAVO en de Oostbloklanden zich op een diepte-punt bevonden. De tentoonstelling zou worden gehouden in een tijd van ongekend optimisme over de recente ontdekkingen op het gebied van de nucleaire wetenschap, en in een periode waar-in dat optimisme werd getemperd door een ongebreidelde angst voor wat er zou gebeuren als die ontdekkingen zouden worden ingezet voor destructieve in plaats van constructieve doeleinden. Het symbool van deze grote paradox zou een reusachtige metalen constructie precies in het midden van het expositieterrein wor-den, het Atomium genaamd, een creatie van de Belgische ingeni-eur André Waterkeyn. Het zou ruim honderd meter hoog worden en het was een weergave van een elementair ijzerkristal, 165 mil-jard keer uitvergroot. In de oorspronkelijke uitnodiging werd het doel van de ten-toonstelling als volgt omschreven: 'het bevorderen van een ver-gelijking van de uiteenlopende activiteiten van de diverse naties op het gebied van kunst, wetenschap, economische aangelegen-lieden en technologie.”
1 What’s The Word! she cries from her purchase on the iron finial of the front gate to my heart.
The radio in the kitchen is stuck in the year I was born. The capitals of the world are burning.
And this sparrow with a woman’s face roars in the burdened air — air crowded with voices, but no word, mobbed with talking, but no word, teeming with speech, but no word — this woman with the body of a bird is shrieking fierce buzzed volts in the swarming babble, What’s The Word!
This evening is the year of my birth. The country has just gained its independence. Social unrest grows rampant as the economy declines. Under a corrupt government of the army and the rich come years of mass poverty, decades of starving children and racially-fueled mayhem. Word is
armed squads raping women by the hundreds. Word is beheadings, public lynchings, and riots. Word is burning, looting, curfews, and shoot-to-kill orders. And word is more deadly days lie ahead.
Today, tomorrow, and yesterday, the forecast calls for more misery, more poverty, more starvation, more families fleeing their homes, more refugees streaming toward every border.
More horror is to come, that’s the word. More scapegoating is to come, that’s the word. More violence is to come on the roads, in the streets, in the homes, violence
in the churches, in the temples where they preach who to love and who to hate. How to get to heaven, and who to leave behind. How to don the fleece of the blameless and prosecute your neighbor.
Het lijkt onmetelijk het lijkt onmogelijk het water doorhouwen in crawl een donkere massa doorkomen met klasse tot bij de fakkel het waauwgevoel bij het licht de lichte zeden het eden tot plots het vuur dooft en hij dobbert stuurloos en total loss aanziet een muur van water aanvaardt de diepte de dip definitief de liefde verstoord zijn lief mee in zee gestort.
Kraambed
Het gaat erom spannen. Er gaat een kanteling vooraf aan het kermen, geen erbarmen maar smart komt haar toe. De pijn ligt in de lijn van de uitzetting van in den beginne.
Het kind wacht op een voorstelling. De poort opent zich na een lange ontsluiting en het verbreken van de zegels. Het ziet prachtige dingen: gouden beelden, blauwe tegels, vazen in albast en meesterlijk gesneden hout.
Neen, het is geen droom, geen nachtmerrie met klinisch wit en mensen met groene maskers.
Frederik Lucien De Laere (Brugge, 19 augustus 1971)
Ik ging naar Maastricht om Moniek Toebosch*) te zien.
Ik lees je hier, ik hoor je hier, ik zie je hier geprojecteerd op witte muren. En als pop zo groot als jij en in de juiste kleren.
Ik lees op een andere muur meer woorden over meer daden dan ik van je gezien heb.
Ik mis je grote plastic oor. Ik mis je antwoord. Ik besluit:
Moniek Toebosch is niet Moniek Toebosch zonder Moniek Toebosch.
Portret
Voor Chris van Geel jr.
Ik ben een ziener als een witte olifant, ik zie het vasteland al uitgestorven en zit aan zee met slechts de laatst verworven stenen en schelpen glijdend door mijn hand
Ik voel met mens noch ding een enkle band, omdat 'k geen hartstocht ooit ben nagezworven. Een ieder heeft het snel bij mij verkorven, ik wens mijn stil gebied onaangerand.
Maar ik vergeet en kan alleen verlangen gerespecteerd te blijven in mijn spel met kralen, veren of zelfs spoken, vrij
in waar 'k mijn eenzaamheid mee vol wil hangen. Een wraak is nu alreeds wat ik vertel, want als ik dood ben speelt men ook met mij.
Louis Th. Lehmann (19 augustus 1920 – 23 december 2012)
Be it a girl, or one of the boys, It is scarlet all over its avoirdupois, It is red, it is boiled; could the obstetrician Have possibly been a lobstertrician? His degrees and credentials were hunky-dory, But how's for an infantile inventory? Here's the prodigy, here's the miracle! Whether its head is oval or spherical, You rejoice to find it has only one, Having dreaded a two-headed daughter or son; Here's the phenomenon all complete, It's got two hands, it's got two feet, Only natural, but pleasing, because For months you have dreamed of flippers or claws. Furthermore, it is fully equipped: Fingers and toes with nails are tipped; It's even got eyes, and a mouth clear cut; When the mouth comes open the eyes go shut, When the eyes go shut, the breath is loosed And the presence of lungs can be deduced. Let the rockets flash and the cannon thunder, This child is a marvel, a matchless wonder. A staggering child, a child astounding, Dazzling, diaperless, dumbfounding, Stupendous, miraculous, unsurpassed, A child to stagger and flabbergast, Bright as a button, sharp as a thorn, And the only perfect one ever born.
SECOND
Arrived this evening at half-past nine. Everybody is doing fine. Is it a boy, or quite the reverse? You can call in the morning and ask the nurse.
The Romantic Age
This one is entering her teens, Ripe for sentimental scenes, Has picked a gangling unripe male, Sees herself in bridal veil, Presses lips and tosses head, Declares she's not too young to wed, Informs you pertly you forget Romeo and Juliet. Do not argue, do not shout; Remind her how that one turned out.
Tags:Dolce far niente, Ida Gerhardt, Alfred Schaffer, Annie M.G. Schmidt, Jonathan Coe, Li-Young Lee, Frederik Lucien De Laere, Louis Th. Lehmann, Ogden Nash, Romenu
The Sacrament of the Last Supper door Salvador Dali, 1955
The H. Communion
Not in rich furniture, or fine array, Nor in a wedge of gold, Thou, who from me wast sold, To me dost now thy self convey; For so thou should'st without me still have been, Leaving within me sin:
But by the way of nourishment and strength Thou creep'st into my breast; Making thy way my rest, And thy small quantities my length; Which spread their forces into every part, Meeting sin's force and art.
Yet can these not get over to my soul, Leaping the wall that parts Our souls, and fleshly hearts; But as th'outworks, they may control My rebel-flesh, and carrying thy name, Affright both sin and shame.
Only thy grace, which with these elements comes, Knoweth the ready way, And hath the privy key, Op'ning the soul's most subtle rooms; While those to spirits refin'd, at door attend Dispatches from their friend.
Give me my captive soul, or take My body also thither, Another lift like this will make Them both to be together.
Before that sin turn'd flesh into stone, And all our lump to leaven, A fervent sigh might well have blown Our innocent earth to heaven.
For sure when Adam did not know To sin, or sin to smother; He might to heav'n from Paradise go, As from one room t'another.
Thou hast restor'd to us this ease By this thy heav'nly blood; Which I can go to, when I please, And leave th'earth to their food.
George Herbert (3 april 1593 – 1 maart 1633) De ruïne van het kasteel van Montgomery in Wales, dat toebehoorde aan de familie van George Herbert
Mano Bouzamour, Marc Degens, Ulrich Woelk, Caroline Emcke, Nicole Krauss, Luciano de Crescenzo, Samar Yazbek, Idea Vilariño
Dolce far niente
De Amsteldijk, 1918 door Martin Monnickendam Vanuit het raam van zijn atelier aan de Lutmastraat schilderde Monnickendam de achtergevels van de huizen aan de Amsteldijk en de Tolstraat.
Uit: Bestsellerboy
“Opgroeien in zo’n buurt betekende dat je rond je twaalfde een bachelor in boeverij had. Je zag alles, hoorde de verhalen, leerde alles bij elkaar te liegen en vooral niemand te vertrouwen. Als je mij zou vragen of ik ooit iets heb geflikt, zou ik de politicistrategie aanhouden: glashard ontkennen en over een ander onderwerp beginnen. Maar meestal voetbalden wij tot de avond viel, de straatlantaarns gelijktijdig aangingen en onze moeders ons naar binnen schreeuwden. De grote jongens bewogen niet. Ze kaartten tot die in de nacht onder het bankje met het gele afdakje, waarin alle bijnamen van de jongens uit de buurt met vlindermessen waren gekerfd terwijl ze red Label met cola uit witte plastic bekers dronken en hun hoofden op de beat van der zwartste gangsterrappers bounceten. Op het afdakje werden vredelievende leuzen gekalkt als VERBODEN VOOR JODEN en JODEN-DOM, CHRISTEN-DOM, MO-SLIM.
De drie gebroeders zagen het allemaal gebeuren. Een hoge wind blies van boven naar beneden op alle bladerpracht, waarna de bomen welwillend over het plein bogen, het ruisende geluid golfde over de Lutmastraat zo mijn oren in. Ik stelde mij de sterke wortels van de gebroeders voor, die als reuzenhanden met wijdverspreide vingers diep in de natte grond staken. Net zo diep als mijn gevoelens voor hen, dit plein en alles wat er gebeurd was op dit stukje speelplaats – de tijd had verdomd veel haast. De prachtige populieren waren de trouwe bewakers van mijn fijne jeugdherinneringen – die door alle jaren heen vast alleen maar onverschillige blikken vingen. Dat stak mij iedere dag. Dus iedere keer als ik ze zag, begroette ik ze met een eerbiedige hoofdbuiging, als goden die ik liefhad.”
Mano Bouzamour (Amsterdam, 19 maart 1991) De Lutmastraat in Amsterdam
„ZURG: Hast du keine Probleme damit? NINO: Die Jungs haben eher ein Problem mit mir. ZURG: Wer komponiert eure Songs? R@: Wir alle zusammen. ZURG: Und wer schreibt eure Texte? R@: Ich. ZURG: Allein? R@: Ja klar. ZURG: Ich kannte bislang von euch nur Promi Shopping Queen, und das kennen ja auch die meisten. Ich finde den Text super, diese kranke Innensicht von diesem Mädchen. Wie bist du auf die Idee gekommen? Liest du viel? R@: Klar. Ich gucke aber auch fern oder bin im Internet. ZURG: Und was guckst du so? R@: Alles Mögliche. Serien, Dokus, Topmodel. ZURG: Warum singst du eigentlich auf Deutsch und nicht auf Englisch? Immerhin ist euer Bandname ja englisch. Ist das ein Statement? R@: Ja, dafür, dass ich nicht so gut Englisch kann. Nein, Quatsch, kein Statement. Ich kann mich einfach auf Deutsch viel besser ausdrücken. ZURG: Und damit habt ihr auch Riesenerfolg. Euer Video von Promi Shopping Queen wurde schon über 450.000-mal auf Youtube angeklickt.“
“Eigentlich würde Vincent bei einer Fahrt vom südlichen Stadtrand in die Innenstadt mehr verdienen, aber er mag das alte Tegeler Terminal mit seiner Siebzigerjahre-Architektur und den Schleiern aus verwaschenem Grau auf dem Beton. Das Aufheulen der Triebwerke einer startenden Maschine dringt gedämpft ins Wageninnere, als er an den nummerierten Eingängen zu den Gates vorbeifährt. Ursprünglich sollte der Flugbetrieb hier schon eingestellt sein, aber die Fertigstellung des neuen Berliner Flughafens in Schönefeld zieht sich aufgrund von Problemen, von denen es immer wieder heißt, man habe sie im Griff, seit Jahren hin. Offenbar ist es doch nicht so leicht, das Alte so mir nichts, dir nichts durch etwas Neues zu ersetzen. Zugegebenermaßen, auch wenn ihn das manchmal nachdenklich stimmt, weil er befürchtet, es könnte mit seinem eigenen Alter zusammenhängen – er wird in ein paar Monaten fünfzig –, freut ihn das in diesem Fall. Vincent lässt den Wagen am Taxistand an den Bordstein rollen und schaltet den Motor ab. Es ist acht Uhr morgens, seine übliche Zeit. Die Zahl der Reisenden, die aus dem Hauptgebäude kommen, schwankt im Rhythmus der landenden Maschinen. Als er einen Blick auf den nächstgelegenen Ausgang wirft, verlässt dort eine Frau das Gebäude. Ihre Augen brauchen ein paar Momente, um sich an die Helligkeit im Freien zu gewöhnen. In der kühlen und klaren Märzluft sind alle Farben sehr satt. Die Frau muss sich kurz orientieren, dann überquert sie die Straße und geht auf den Stand mit den wartenden Taxis zu. Dort verteilen sich die Ankommenden auf die Wagen, oder sie gehen weiter zu den privaten Parkplätzen im Zentrum des Terminals. Mit den Jahren entwickelt man ein Gespür dafür, ob jemand ein Fahrgast ist oder nicht, und schließlich weiß Vincent, dass die Frau, die auf seinen Wagen zukommt, bei ihm einsteigen wird, da die Reihe nun an ihm ist. Er öffnet die Tür und steigt aus, um den Kofferraum zu öffnen. Die Sonne schwebt knapp über dem Beton des Hauptgebäudes. Ihre Strahlen hinterlassen auf der Haut, der Stirn und den Händen den Eindruck einer ersten leichten Wärme, eine Spur von Frühling. Die Frau ist schlank und trägt eine sandfarbene, sehr gut geschnittene Wolljacke mit großem Kragen und großen marmorierten Knöpfen. Sie ist beruflich in Berlin, das weiß Vincent sofort. Sie zieht einen kleinen Trolley hinter sich her, und neben ihrer Handtasche hängt eine schmale schwarze Tasche im Format eines Netbooks von ihrer Schulter. Alssie ein paar Meter entfernt ist, nickt sie ihm zu.“
„Für eine Raucherecke, wie es sie später geben sollte, waren wir zu jung oder zu wenig verwegen. Vielleicht hatten wir auch einfach zu wenig Phantasie, wie sich die Lust an der Grenzüberschreitung ausdrücken sollte. Wir wollten nicht, weder Daniel noch ich. Etwas verstohlen schauten wir uns an. Wir kannten uns ja gar nicht. Von welcher Grundschule Daniel auf dieses Gymnasium gewechselt war, wusste ich nicht. Aber ich wusste, dass ich ihn noch nie zuvor gesehen hatte. Er hatte blonde Haare und weit auseinanderstehende grüne Augen. Er war ein bisschen größer als ich, aber nicht viel. Seine Schultern waren eckig. Die Arme etwas zu lang. Aber auch das ist mir damals bestimmt nicht aufgefallen. Schließlich war bei jedem von uns irgendetwas zu lang oder zu kurz, war jeder von uns irgendwie leicht daneben, und sei es nur, weil wir dachten, die anderen könnten das von uns denken. Daniel hatte eine angenehme Erscheinung. Es gab keinen Grund, warum er ausgewählt wurde in diesem Moment am ersten Schultag. Es war wahllos. Es traf einfach uns. Ich wusste nicht richtig, was das sollte, warum wir uns denn schlagen sollten. Daniel hatte mir nichts getan. Es gab kein Motiv. Ich hatte mich schon oft gerauft. Schon an meinem ersten Tag im Kindergarten. An meinem ersten Tag in der Grundschule auch. Grundsätzlich sprach also nichts gegen eine Prügelei am ersten Tag auf dem Gymnasium. Ich habe einen älteren Bruder. Raufen gehörte zum gewöhnlichen Repertoire des Überlebens. Aber ich musste wütend sein über etwas, das der andere getan hatte, was ich gemein fand.“
Caroline Emcke (Mülheim an der Ruhr, 18 augustus 1967)
“After Mrs. Freid on the fourth floor died, and it took three days before anyone found her, Bruno and I got into the habit of checking on each other. We'd make little excuses—I ran out of toilet paper, I'd say when Bruno opened the door. A day would pass. There would be a knock on my door. I lost my TV Guide, he'd explain, and I'd go and find him mine, even though I knew his was right there where it always was on his couch. Once he came down on a Sunday afternoon. I need a cup of flour, he said. It was clumsy, but I couldn't help myself. You don't know how to cook. There was a moment of silence. Bruno looked me in the eye. What do you know, he said, I'm baking a cake. When I came to America I knew hardly anyone, only a second cousin who was a locksmith, so I worked for him. If he had been a shoemaker I would have become a shoemaker; if he had shoveled s*** I, too, would have shoveled. But. He was a locksmith. He taught me the trade, and that's what I became. We had a little business together, and then one year he got TB, they had to cut his liver out and he got a 106 temperature and died, so I took it over. I sent his wife half the profits, even after she got married to a doctor and moved to Bay Side. I stayed in the business for over fifty years. It's not what I would have imagined for myself. And yet. The truth is I came to like it. I helped those in who were locked out, others I helped keep out what couldn't be let in, so that they could sleep without nightmares. Then one day I was looking out the window. Maybe I was contemplating the sky. Put even a fool in front of the window and you'll get a Spinoza. The afternoon passed, darkness sifted down. I reached for the chain on the bulb and suddenly it was as if an elephant had stepped on my heart. I fell to my knees. I thought: I didn't live forever. A minute passed. Another minute. Another. I clawed at the floor, pulling myself along toward the phone. Twenty-five percent of my heart muscle died. It took time to recover and I never went back to work. A year went by. I was aware of time passing for the sake of itself. I stared out the window. I watched fall turn into winter. Winter into spring. Some days Bruno came downstairs to sit with me. We've known each other since we were boys; we went to school together. He was one of my closest friends, with thick glasses, reddish hair that he hated, and a voice that cracked when he was emotional. I didn't know he was still alive and then one day I was walking down East Broadway and I heard his voice. I turned around. His back was to me, he was standing in front of the grocer's asking for the price of some fruit.”
Uit: Geschichte der griechischen Philosophie (Vertaald door Linde Birk)
»Von Lysias, dem Sohn des Kephalos, lieber Sokrates! Und ich mache mich auf zu einem Spaziergang außerhalb der Mauer; denn ich habe geraume Zeit dort verweilt – vom frühen Morgen an saß ich da. Ich folge dem Rat deines und meines Freundes Akumenos, wenn ich meine Spaziergänge an die frische Luft verlege; denn sie seien weniger ermüdend, sagt er, als in den Hallen der Gymnasien.« So nämlich beginnt einer der schönsten Dialoge Platons: der Phaidros. Tatsache ist, dass diese Athener nichts Produktives machten: Sie gingen spazieren, schwatzten über Gott und die Welt, aber dass sie einmal einen Finger gerührt und etwas Praktisches zum Verkaufen oder Gebrauchen hergestellt hätten, keine Rede davon! Aber vergessen wir nicht, dass Athen damals 20000 Bürger hatte, auf die die stolze Zahl von 200000 Individuen zweiter Klasse, nämlich Sklaven und Metöken2, kamen. Genug Leute also, die die Arbeit machten und das Ganze in Gang hielten. Andererseits waren die Athener ja auch noch unberührt vom Konsumzwang, sie lebten genügsam und widmeten sich ganz den Freuden des Geistes und des Gespräches. Aber zurück zur Philosophie und meinen Absichten. Die Philosophie ist eine lebenswichtige Praxis, auch im Alltag sehr nützlich, leider aber wurde ihr Studium nie zwangsweise eingeführt wie etwa die allgemeine Wehrpflicht. Wenn es nach mir ginge, würde ich sie in den Lehrplan jeder Schule aufnehmen; doch fürchte ich, man sieht sie heute als eine überholte Materie an und will sie durch die modernen ›Human- und Sozialwissenschaften‹ ersetzen – {12}was ungefähr auf das Gleiche herauskommt, wie wenn man das Studium der Arithmetik abschaffte, nachdem die Grünkramhändler ja jetzt mit dem Computer rechnen. Aber was ist das überhaupt, die Philosophie? Wenn das so schnell und einfach zu definieren wäre! Der Mensch hat die höchsten Gipfel der Kultur vor allem auf dem Weg über zwei Disziplinen erreicht: die Wissenschaft und die Religion. Während die Wissenschaft Naturerscheinungen mit Hilfe des Verstandes untersucht, forscht die Religion, um ein inneres Bedürfnis des Menschen zu befriedigen, nach etwas Absolutem, etwas, das über die rein sinnesmäßige und intellektuelle Erkenntnisfähigkeit hinausgeht.“
Uit: Schrei nach Freiheit. Bericht aus dem Inneren der syrischen Revolution (Vertaald door Larissa Bender)
„Bis zu jenem Augenblick glaubte ich noch, sie würden mich für lange Zeit ins Gefängnis stecken. Ich hatte begriffen, dass ihre Wut auf mich grenzenlos war. Ich vernahm das Geräusch seiner Schritte, spürte, wie er seine Hand ausstreckte und mich hochzog. Ich weiß nicht genau, wie er mich auf den Stuhl setzte, aber als ich aufrecht saß und meinen Kopf gerade halten konnte, hörte das Schaukeln in meinem Kopf auf. «Was für eine großartige Heldin!», lachte er. «Ein Schlag, und schon bist du hinüber!» Ich öffnete die Augen. Ich weinte nicht. Ich wollte weinen, weil der Schlag demütigend gewesen war, aber ich würde ihn meine Tränen nicht sehen lassen. Ich starrte ihn an. Nachdem er mit den Fingern über meine Wange gestrichen hatte, sagte er: «Ist das nicht eine Schande, wenn so ein Engelsgesichtchen geschlagen wird?» Er setzte sich wieder auf seinen Stuhl, dann hob er zu einem langen Vortrag über die Bande des Blutes und der Verwandtschaft an, über Familie, Verrat, Schande und die ganze Litanei, die ich seit Jahren zu hören bekomme. Als er fertig war, starrte ich immer noch auf seine Hand und seine Finger, die vermutlich ihre Spuren auf meiner Wange hinterlassen hatten, rote Spuren, die in den nächsten zwei Tagen blau anlaufen würden. «Hat die Katze deine Zunge gefressen?», fragte er. «Deine lange Zunge, die man dir rausreißen muss?» Er schlug mich ein zweites Mal, diesmal weniger heftig. Ich erhob mich, zückte mein Messer und hielt es ihm vors Gesicht. Wenn er nicht aufhöre, mich zu schlagen, würde ich mir dieses Messer ins Herz stoßen, sagte ich zu ihm. Ich würde weder ihm noch jemand anderem erlauben, meine Würde zu verletzen. Wie vom Donner gerührt sprang er auf und glotzte auf das schwarze Messer. Er wich einige Schritte zurück, ich hatte den Knopf des Messers schon gedrückt, die Klinge war ausgeklappt, und ich zielte damit direkt auf mein Herz, dessen Schläge ich nun hören konnte. Bleiernes Schweigen. Er war verblüfft, kam wieder auf mich zu, und ich trat einen Schritt zurück: «Nicht näher kommen!» Er blieb stehen, blickte mich erstaunt an, während ich ihm, ohne mit der Wimper zu zucken, in die Augen starrte. Ich schrie: «Was wollt ihr?» – «Wir haben Angst um dich. Du lässt dich von Salafisten verführen und du glaubst ihren Märchen.» – «Ich glaube niemandem. Ich bin immer wieder auf die Straßen gegangen und habe keine Salafisten gesehen. Aber ich habe gesehen, wie ihr die Leute schlagt und verhaftet und tötet.» – «Weil sie Salafisten sind.» – «Das stimmt nicht, ich weiß das, und ihr wisst das genauso.» –
Saying no Saying no tying me to the mast but wishing for the wind to knock it down for the siren to rise up and with her teeth cut the cords and drag me to the bottom saying no no no yet following her.
Love/El amor
A bird is singing to me and I sing back to him He twitters upon hearing me And I twitter back He injures me and I bleed on him He smashes me I break him He tears me apart I crush him He helps me I pick him up All filled up with peace with war with hate and love and once untied his voice whines and I whine back He laughs and I laugh back He looks at me and I look at him He talks to me and I talk to him He loves me and I love him - It's got nothing to do with love we produce life - and he asks me and I ask him and he defeats me and I defeat him and he completes me and I complete him.
Dolce far niente, Gerard den Brabander, Ted Hughes, V. S. Naipaul, Nis-Momme Stockmann, Jonathan Franzen, María Elena Cruz Varela, Jan Emmens, Hendrik de Vries
Dolce far niente
Waterlooplein vanaf de Amstel door Bob Buys, 1946
Waterlooplein
Al wat er mijn gevoelens zijn Ligt op dit ordeloze plein te koop als rommel en oud roest, als oud fornuis, finaal verwoest. Maar, als ik weer beginnen moest, zou ik opnieuw een dichter zijn, maar niet meer met zo'n trotse mond, meer een hyena of een hond... Het volk, als ik het goed bekijk, ligt aan mijn voeten als burger-lijk.
Gerard den Brabander (3 juli 1900 – 4 februari 1968) De markt in Den Haag, de geboorteplaats van Gerard den Brabander
De Engelse dichter en schrijver Ted Hugheswerd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughesop dit blog.
After Lorca
The clock says “When will it be morning?” The sun says “Noon hurt me.” The river cries with its mouthful of mud And the sea moves every way without moving.
Out of my ear grew a reed Never touched by mouth. Paper yellows, even without flame, But in words carbon has already become diamond.
A supple river of mirrors I run on Where great shadows rise to the glance, Flowing all forward and bringing The world through my reflection.
A voice like a ghost that is not Rustle that dead in passage Leaving the living chilled, Wipe clear the pure glass of stone.
Wipe clear the pure stone of flesh.
The Ancient Heroes and the Bomber Pilot
With nothing to brag about but the size of their hearts, Tearing boar-flesh and swilling ale, A fermenting of huge-chested braggarts.
Got nowhere by sitting still To hear some timorous poet enlarge heroisms, To suffer their veins stiffle and swell —
Soon, far easier, imagination all flames, In the white orbit of a sword, Their chariot-wheels tumbling the necks of screams,
In a glory of hair and beard, They thinned down their fat fulsome blood in war, Replenish both bed and board,
Making their own good news, restuffing their dear Fame with fresh sacks-full of heads, Roaring, burdened, back over the wet moor.
When archaeologists dig their remainder out — Bits of bone, rust — The grandeur of their wars humbles my thought.
Even though I can boast The enemy capital will jump to a fume At a turn of my wrist
And the huge earth be shaken in its frame — I am pale. When I imagine one of those warriors in the room
And hear his heart-beat burl The centuries are a stopped clock; my heart Is cold and small.
Theology
“No, the serpent did not Seduce Eve to the apple. All that’s simply Corruption of the facts.
Adam ate the apple. Eve ate Adam. The serpent ate Eve. This is the dark intestine.
The serpent, meanwhile, Sleeps his meal off in Paradise — Smiling to hear God’s querulous calling.”
Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998) Hier met dochter Frieda en zoon Nicholas, ca.1965
`I had done a little acting at the university — that had begun with a walk-on part in a little film somebody had made about a boy and girl walking in a park. I fell in with the remnants of that group in London and began to do a certain amount of acting. Not in any important way. London is full of little theatrical groups. They write their own plays, and they get grants from firms and local councils here and there. A lot of them live on the dole. Sometimes I played English parts, but usually they wrote parts for me, so that as an actor I found myself being the kind of person I didn't want to be in real life. I played an Indian doctor visiting a dying working-class mother; I did another Indian doctor who had been charged with rape; I was a bus conductor no one wanted to work with. And so on. Once I did Romeo. Another time there was an idea of rewriting The Merchant of Venice as The Mahndi Banker, so that I could play Shylock. But it became too complicated. `It was a Bohemian life, and it was attractive at first. Then it became depressing. People dropped out and took jobs and you understood that they had had pretty solid connections all along. That was always a let-down, and there were times during those two years when I felt lost and had to fight hard to hold on to that mood that had come to me beside the river. Among all those nice people I was the only real drop-out. And I didn't want to be a drop-out at all. I'm not running these people down. They did what they could to make room for me, and that is more than any outsider can say for us. It's a difference in civilization. `I was taken one Sunday to lunch at the house of a friend of a friend. There was nothing Bohemian about the house or the lunch, and I discovered that I had been invited for the sake of one of the other guests. He was an American and he was interested in Africa. He spoke about Africa in an unusual way. He spoke of Africa as though Africa was a sick child and he was the parent. I later became very close to this man, but at that lunch he irritated me and I was rough with him. This was because I had never met that kind of person before. He had all this money to spend on Africa, and he desperately wanted to do the right thing. I suppose the idea of all that money going to waste made me unhappy. But he also had the simplest big-power ideas about the regeneration of Africa. `I told him that Africa wasn't going to be saved or won by promoting the poems of Yevtushenko or by telling the people about the wickedness of the Berlin Wall. He didn't look too surprised. He wanted to hear more, and I realized I had been invited to the lunch to say the things I had been saying. And it was there that I began to understand that everything which I had thought had made me powerless in the world had also made me of value, and that to the American I was of interest precisely because I was what I was, a man without a side.”
V. S. Naipaul (17 augustus 1932 – 11 augustus 2018)
„Ich sah die Menschen auf den anderen Dächern in der Ferne fast unbeweglich verharren. Als hätten sie sich für ein prätentiöses Kunstprojekt mit dem Titel «Unbegreiflich» für einen extrem gut ausgestatteten chinesischen Fotokünstler aufgestellt. So standen wir, für einander nur Strichmännchen in der Ferne, alle zusammen auf unseren sauberen, stabilen Dächern. – Gerettet und verloren zugleich – Ich dachte an Katja (aber um sie machte ich mir keine Sorgen), ich dachte an Diego, an meinen Vater und am stärksten – was mich überraschte – an meinen Bruder. Ob er es wohl geschafft hatte? Reini hätte heute Morgen mit den paritätischen Werkstätten Kartoffeln ernten sollen. Er und die anderen Jungs «mit hohem Unterstützungsbedarf». Aber eigentlich war ich mir sicher, dass er okay war: Das Heim war das höchste Haus im Ort, und das Einzige, was Reini wirklich ausgezeichnet konnte, war schwimmen. Ich stellte mir vor, wie er prustend lange Bahnen zwischen den Häusern schwamm und den Leuten auf den Dächern sein käsiges «Reini grüüüßt» zurief. Das Bier aus Dogges Notfallkiste war schon fast leer. Jütte kochte uns Dosenravioli auf einem kleinen blauen Gaskocher. Dogge zog seine riesigen Stiefel aus und hängte seine schwarzen Füße ins Wasser. «Warum hast du eine Notfallkiste auf dem Dach?», fragte Jütte. «War doch klar», sagte er mit träger Zunge. «Was?» «Das Ganze.» Er griff in die Kiste und holte ein in einen erstaunlich soliden selbstgenähten Schoner eingeschlagenes Gewehr hervor. «Du hast eine Waffe in der Kiste!?», fragte Jütte empört. «Jep», sagte Dogge. «Was willst du denn mit einer Waffe, verdammte Axt!» «Schießen», sagte er, «und bei Gelegenheit angeben.» «Ich glaub es nicht: eine Waffe, er hat eine Waffe auf dem Dach!» Sie ging zur Kiste und wühlte eine Weile darin herum.“
“Renewable Solutions didn't make or build or even install things. Instead, depending on the regulatory weather (not climate but weather, for it changed seasonally and sometimes seemingly hourly), it "bundled," it "brokered," it "captured," it "surveyed," it "client-provided." In theory, this was all very worthy. America put too much carbon into the atmosphere, renewable energy could help with that, federal and state governments were forever devising new tax inducements, the utilities were indifferent-to-moderately-enthusiastic about greening their image, a gratifyingly non-negligible percentage of California households and businesses were willing to pay a premium for cleaner electricity, and this premium, multiplied by many thousands and added to the money flowing from Washington and Sacramento, minus the money that went to the companies that actually made or installed stuff, was enough to pay fifteen salaries at Renewable Solutions and placate its venture-capitalist backers. The buzzwords at the company were also good: collective, community, cooperative. And Pip wanted to do good, if only for lack of better ambitions. From her mother she'd learned the importance of leading a morally purposeful life, and from college she'd learned to feel worried and guilty about the country's unsustainable consumption patterns. Her problem at Renewable Solutions was that she could never quite figure out what she was selling, even when she was finding people to buy it, and no sooner had she finally begun to figure it out than she was asked to sell something else. At first, and in hindsight least confusingly, she'd sold power-purchase agreements to small and midsize businesses, until a new state regulation put an end to the outrageous little cut that Renewable Solutions took of those. Then it was signing up households in potential renewable energy districts; each household earned Renewable Solutions a bounty paid by some shadowy third party or parties that had created an allegedly lucrative futures market.”
Jonathan Franzen (Western Springs, 17 augustus 1959)
Ik slinger stenen tegen het dove oor. Het veranderlijke oor. Van beide werelden. Dit is de eenzaamheid met haar geknetter. Ik geef signalen naast de geduldige dwaas die op de heuvel ligt en met de arme gek die haar zorgen oplapt op een bank in het park. Door de afgepeigerde vingers. Van de gebroken weefster. Druppelen de flarden. De eindkroniek van de verlatenheid. Ik zeg haar dat zij op me moet wachten. Dit is niet het moment om te sterven in de verlepte schaduw van de populieren. Ik slinger stenen tegen het dove oor. Het bloedende oor. Van deze wereld. Deze bolle wereld die zijn rug toekeert. De plattegronden om uit het labyrint te ontsnappen, zijn weggeraakt. Ik slinger stenen: ik ben de gekke vrouw in het park. Ik ben de aftandse dwaas die op de heuvel ligt. Ik ben het fatale lied voor Eleanor Rigby. En ik ben de bloemlezing van allen die eenzaam sterven. Zonder door de tunnel te gaan. Ik blijf stenen slingeren. Ik ben moe en ga door. De gekke vrouw toont schaamteloos de tandenloze grijns van haar walging. Zij draait haar tas binnenste buiten. Zij strooit stuk voor stuk haar handvol vergeten dingen uit. Ik zeg haar dat zij op me moet wachten: Dit is niet het moment om te sterven in de verlepte schaduw van de populieren. Ik verdraag deze vrede als bij een drenkplaats niet. Noch de ronde schuld die aan de appelboom hangt. Noch de pijl die op mijn hoofd wordt gericht. Ik slinger stenen. Misschien vinden ze weerklank. Misschien worden ze opgeslokt door de bodem.
De bomen kregen een betekenis die zij nog zacht gebarend wilden weren, maar 't noodlot was niet meer te keren; een vogel streek klapwiekend in de wildernis van takken neer en nu hij roerloos zit (het licht wordt zo benauwend wit), denk ik aan dood, verrotte geur van blaren, hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats... Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren, en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?
Voor de kade
Voor de kade wisselt een wolk meeuwen als strooibiljetten op een sterke wind van aanblik als 't verloop van eeuwen. Het is windstil. De wind is een klein kind dat met geluidjes brood staat uit te strooien.
Zijn tijd aan denken of aan doen vergooien verschilt niet veel, 't is stenen toch voor brood.
Word liever kind: twee beentjes en wat rood; het doet soms eeuwen inderhaast ontdooien.
Jan Emmens (17 augustus 1924 – 12 december 1971) Jan Emmens in 1947, getekend door Acket
Augustustulpen geuren. 't Hemelruim is heet. De pleinen openen plaveisels, wit en breed, Met kroon-gebouwen. In de kamersfeer, door lampen Verweeld'rigd, krampt een pauweveer. Fonteinen dampen. De stralen waaieren en sneeuwen. Treinen razen. Verwijderd aarzelt meeuwgekrijsch. De strakke wazen Der vleugeldeuren spiegelen verkeersgedrangen.
De schal der wereldstad, van zonnekoorts bevangen, Verhevigt om het hart. Op zerk- en asphalt-vlakken Verfellen reeksen glas. De nevelen verzwakken.
De vijvers breken door 't kastanjepark als linten. De lanen ademen 't geluk der hyacinten.
Lief en vriendelijk toch van zon en maan
Lief en vriendelijk toch van zon en maan, Overal met ons mee te gaan, En dat bij deze winterkou;
Heel die lange lange stille laan En zooveel sterren er achteraan! Wij blijven staan - zij blijven staan.
Daar vallen vlinders, wit en blauw. Waar komen die vandaan?
Hendrik de Vries (17 augustus 1896 – 18 november 1989) Standbeeld door Norman Burkett naast de Martinikerk in Groningen
Tags:Dolce far niente, Gerard den Brabander, Ted Hughes, V. S. Naipaul, Nis-Momme Stockmann, Jonathan Franzen, María Elena Cruz Varela, Jan Emmens, Hendrik de Vries, Romenu
De Nederlandse dichter en journalist Wim Hijmanswerd geboren in Groningen op 27 augustus 1926 in die te Groningen geboren in een milieu waar grote belangstelling bestond voor schilderkunst, muziek en literatuur. Zijn vader wasbibliothecaris van de Buma Bibliotheek in Leeuwarden.Wim Hijmans werd in de jaren dat hij de middelbare school in Leeuwarden bezocht, vooral geboeid door het werk van de dichters Leopold, Nijhoff, Marsman en Aafjes. Ook de poëzie van Jan Engelman maakte een diepe indruk op hem; in het bijzonder diens cantilene ‘Vera Janacopoulos’ met de beroemde beginregel ‘Ambrosia, wat vloeit mij aan?’ verrukte hem. Hijmans, die ervan droomde later schrijver te worden, was omstreeks 1940 bevriend geraakt met de drie jaar jongere Marten Brouwer, die ook grote belangstelling voor literatuur had. Hijmans was in 1944 medeoprichter van het literaire blad Podium geweest, maar dwaalde daarna steeds verder af van zijn literaire aspiraties. Toch gaf hij nog kort voor zijn dood aan familie en vrienden een in eigen beheer gemaakte dichtbundel uit, getiteld “Mijzelf teveel”. De bundel bevat 23 titelloze gedichten, kort en navrant, want Hijmans had een moeilijk leven achter de rug. Hij was getrouwd geweest met twee door een verblijf in Duitse concentratiekampen getraumatiseerde vrouwen, en hij raakte ook zelf in psychische nood. Hij voelde zich schuldig omdat hij maar in beperkte mate aan het verzet had deelgenomen. Hijmans verwerkte in “Mijzelf teveel” zijn ervaringen in een algemeen ziekenhuis waar hij aan een ernstige leverkwaal – gevolg van alcoholisme – werd behandeld, en in de kliniek van de omstreden psychiater Jan Bastiaans. In 1980 maakte hij zelf een eind aan zijn leven.
Zij liep alleen en zingend door het park haar rode ochtendjas slordig gesloten, op blote voeten door het natte gras van deze vroege herfst – en geen die wist waarom zij door de ruit der waakzaal was gesprongen. Een zuster had het glas zorgvuldig weggeveegd, twee broeders fietsten zoekende de paden. Zij plukte paddenstoelen bij de bomen en steeds nog zingend, maar al haast verstild. Zij is vermoeid toen toch maar meegegaan, Vragend waarom zij nog moest blijven leven. Men had al hardboard voor het raam gedaan.
*
Er zullen weinigen dit huis verlaten zonder te weten dat hun eenzaamheid hun met het verder glijden van de jaren zal overwoekeren tot de eeuwigheid. Berustend of opstandig tot de dood zullen zij wellicht schreien, wrokken, haten – maar dan, terugziend op wat was, gelaten zeggen: ik was te veel voor mij, mijzelf te groot.
De Amerikaanse schrijfster Deborah Feldman werd geboren op 17 augustus 1986 in de chassidische gemeenschap van Satmar in Williamsburg, Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Deborah Feldman op dit blog.
Uit: Unorthodox
“Why would she marry a poor, ignorant man like Akiva in the first place? It couldn't be that he was good-looking, because then she wouldn't agree to his twelve-year trip. There has to be a reason, and if no one will tell me, then it's my job to find out. I purchased the Schottenstein translation of the Talmud last week at the Judaica store in Borough Park. The small shop was empty, lit only by the weak strands of sunlight filtering in through the grimy windows. The silver dust bunnies seemed suspended in the beams of light, floating slowly upward with the force of a weak draft from a heating vent. I hid in the shadows of the staggering bookshelves as I mumbled to the book-seller that the book was for my cousin, that I had been asked to purchase it. I wondered if my nervousness was evident; surely my deception was written on my forehead, just as Zeidy always warned me it would be. "Der ones shteit oif di shteren," Zeidy says. "No matter how convincingly you lie, your forehead gives you away." I imagine words etched into my skin, glowing like neon in the dark, my lanky brown bangs swept upward by a sudden breeze. There is only one man ever working in that tiny bookstore on New Utrecht Avenue, as I have gleaned from the many reconnaissance trips I have made. He is old, with shaky hands and eyes that blink unsteadily, and as he wrapped the large, ungainly book in brown paper, I couldn't quite believe I'd gotten away with it. Maybe this man couldn't read fore-heads, or I had succeeded in looking stupid, keeping my eyes flat and lifeless. He took my sixty dollars, most of it in singles and earned from babysitting jobs, counting it slowly before nodding his head. "It's gut," he said: I could go. I tried to exit the shop nonchalantly, and it was only once I was all the way down the block that I started skipping in uncontained joy. The illicit thrill of what I had just done made my knees tremble on the bus ride home to Williamsburg. Surely anyone could see the mischief I had been up to. The men sat in the front section of the bus, thankfully turned safely away from me, but the women with their kerchief-wrapped heads and thick stockings seemed to stare accusingly at me and the hefty parcel in my lap. Walking down Penn Street, I clutched the brown paper package to my chest, my legs jerky and electrified by a mixture of fear and triumph.”
Dolce far niente, Murat Isik, Charles Bukowski, Reiner Kunze, Moritz Rinke, Ferenc Juhász, Justus van Maurik
Dolce far niente
City Sphere Bijlmer: Overpass (man) door Baukje Spaltro, 2016
Uit: Wees onzichtbaar
“Het riante appartement in de Bijlmermeer met drie slaapkamers, een ruime woonkamer, centrale verwarming en een badkamer zo groot dat die mij deed denken aan de gemeenschappelijke badhuizen die ik uit Hamburg kende, stond symbool voor de duizelingwekkende vooruitgang. Hoe moeizaam de eerste jaren van hun huwelijk ook waren geweest, toen mijn ouders na elf jaar voor het eerst een huis hadden dat alleen hun toebehoorde, moet hen dat als mens veranderd hebben. Het gaf ze onmiskenbaar een stuk van hun waardigheid terug, het schonk ze een tot dusver ontbrekend stukje levensgeluk en de hoop dat hun leven er vanaf dat moment anders zou inzien, omdat ze een weg waren ingeslagen die hun nog meer voorspoed zou brengen, een degelijke Hollandse weg in poldergebied, met bewegwijzering, heldere verlichting en een vluchtstrook voor de moeilijke momenten die ieder leven kent. Misschien veranderden mijn ouders daardoor in die eerste jaren in de Bijlmer in de echtgenoten die ze nooit waren geweest, en leerden die twee zo wezenlijk van elkaar verschillende man en vrouw het iets beter met elkaar te vinden. Want niet langer werden ze alleen maar geconfronteerd met hun onoverbrugbare verschillen, niet langer was het gezin het enige wat hen bond; er was nu plotseling het nieuwe en gedeelde Hollandse geluk, dat net zo romig en vol was als de melk en kaas die we hier in overvloed leerden drinken en eten. Het moet dat onbekende geluksgevoel zijn geweest dat ik als kind in die eerste jaren zo fel zag schitteren. Het schonk mijn kleine wereld een heerlijke warme gloed. En hoe vanzelfsprekend en vertrouwd dat geluk op een gegeven moment ook aanvoelde, het was broos. Maar dat zagen we toen niet, en ik als kleine jongen al helemaal niet. We wisten niet dat we dat geluk moesten koesteren. We wisten niet dat het maar kort zou duren. “
Van Gogh writing his brother for paints Hemingway testing his shotgun Celine going broke as a doctor of medicine the impossibility of being human Villon expelled from Paris for being a thief Faulkner drunk in the gutters of his town the impossibility of being human Burroughs killing his wife with a gun Mailer stabbing his the impossibility of being human Maupassant going mad in a rowboat Dostoyevsky lined up against a wall to be shot Crane off the back of a boat into the propeller the impossibility Sylvia with her head in the oven like a baked potato Harry Crosby leaping into that Black Sun Lorca murdered in the road by Spanish troops the impossibility Artaud sitting on a madhouse bench Chatterton drinking rat poison Shakespeare a plagiarist Beethoven with a horn stuck into his head against deafness the impossibility the impossibility Nietzsche gone totally mad the impossibility of being human all too human this breathing in and out out and in these punks these cowards these champions these mad dogs of glory moving this little bit of light toward us impossibly.
Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994) Hier met de acteur Mickey Rourke (r) op de set van Barfly in 1987
“Es gab schon viele Momente, in denen ich zu einem Bewunderer von Franz Beckenbauer hätte werden können. 1974 zum Beispiel, während der WM, da war ich sechs. Mein Großvater, der eigentlich seit 1945 die Schnauze voll hatte von Lichtgestalten, sagte immer: »Ohne Franz und die Nacht von Malente hätten wir die Holländer nie geschlagen!« Die Nacht von Malente fand in der schleswig-holsteinischen Sportschule statt nach der 0:1-WM-Niederlage gegen die DDR durch das Tor von Sparwasser. In Malente gab es winzige Zimmer, Toiletten und Waschräume nur auf dem Gang. In irgendeinem dieser Waschräume soll Beckenbauer zur Lichtgestalt geworden sein. Mein Großvater war Maschinist bei der »Kaiserbrauerei Beck & Co« in Bremen. 1974 hielt auch mein Großvater im kleinen Aufenthaltsraum der Maschinisten, die ihre Arbeit niederlegen wollten, eine Rede im Geiste von Beckenbauer und Malente. Kurze Zeit später expandierte die Produktion vom Hemelinger (so eine Art Sparwasser) zum landesweiten Beck's als Fassbier. Als mein Großvater fünfundzwanzig Jahre nach sei-nem letzten Arbeitstag beerdigt wurde, habe ich auf dem Friedhof in Bremen von Malente gesprochen. Und vom Aufenthaltsraum der Maschinisten. Von Beck's-Bier war keiner da, vermutlich waren jene, die meinen Großvater noch kannten, schon tot. Eine Woche später habe ich dann Beckenbauer beim DFB-Pokalfinale im Berliner Olympiastadion kennengelernt, wir wurden uns sogar vorgestellt, vom Altbundeskanzler, ich glaube, der dachte, ich sei Brdarid von seinem Heimatklub Hanno-ver 96. Ich will ja nicht mit Namen um mich werfen, aber Karl-Heinz Rummenigge und Oliver Bierhoff standen auch daneben. Mensch BIER hoff, dachte ich, das ist doch ein Zeichen! »Mein Großvater hat Sie sehr verehrt, obwohl er Bremer war und Sie Bayer«, sagte ich zu Beckenbauer. »Mein Großvater sprach oft von der Nacht von Malente.« »Ach, Malente«, sagte Beckenbauer. Er schien gerührt. Der Altbundeskanzler sagte noch: »Ich habe so etwas mal auf dem Parteitag in Mannheim erlebt, wenn man plötzlich zusammenrückt!« Auch der Altbundeskanzler war nun gerührt, inmitten des Trubels in dieser Ehrenhalle der Selbstdarsteller. Beide schienen zurückzublicken, der eine nach Mannheim, wo er dicht an der Basis war; der andere nach Malente, wo ein großer Geist in einem winzigen Zimmer war. »Sie schreiben also Gedichte?«, fragte Beckenbauer, ich hatte ihm mittlerweile erklärt, dass ich nicht Brdaric von Hannover 96 bin, sondern Schriftsteller. »Nein, Herr Beckenbauer«, antwortete ich, »aber ein Kollege von mir aus München schreibt sogar Gedichte über Fußball. Kennen Sie die Ode an Kahn?« »Es gibt eine Ode an Kahn?«, fragte Beckenbauer begeistert und erkundigte sich bei Rummenigge, ob er diese Ode kenne, aber Rummenigge sagte nur: »Hm, nee, Ode??«, und sprach schon mit einem anderen.“
“- En nu krijg je dan je zin, hè? We gaan strakjes op den toren; bij me blijven, nergens aankomen en precies doen, wat ik zeg, begrepen? 'k Hoor nog den vriendelijk-stelligen toon, waarop mijn vader me dat zei. Ik was nog maar een klein ventje, hoe oud, weet ik niet juist meer, maar wel herinner ik me, dat ik destijds nog een grijs kieltje droeg met een zwart-lederen riem erom, waarvan de sluiting, een vergulde leeuwenkop, mijn bijzondere voorliefde had. Mijn lieve, zorgzame moeder trok mijn kieltje glad, streek even over mijn omgeslagen wit boordje, en strikte het gekleurde dasje wat netter er onder, terwijl ze min of meer angstig vroeg: - En beloof je me, dat je je goed zult vasthouden op die steile, donkere trappen! Zul je niet op de balustrade klimmen, of er te ver over gaan hangen? Kindlief, denk erom, er kwam geen stuk van je terecht, als je van zoo'n hoogte naar beneden viel! Heel bedaard blijven, geen haantje de voorste willen wezen en voorzichtig zijn, hoor, vent! Trappelend van ongeduld - vader stond al op de stoep - beloofde ik alles. Ik luisterde eigenlijk maar half naar hetgeen moeder me zoo bezorgd en vriendelijk zei; het denkbeeld: we gaan boven op den Oudekerkstoren, beheerschte mij volkomen. Ik had zoo dikwijls erom gevraagd, al zoo lang naar dat oogenblik gewenscht - en nu was het gekomen. Ik trilde van zenuwachtige haast en ontworstelde mij eensklaps aan moeders handen, die nog in moeilijkheid waren met de weerbarstige veters van mijn rijglaarsjes. Moeder keek ons na, toen we samen de straat opgingen en schudde langzaam, vriendelijk glimlachend het hoofd, als wilde zij zeggen: - er is geen zalf aan jou te strijken, kind! - Gaan we heelemaal naar boven, tot aan 't haantje toe. - Zien we den torenwachter ook? Mag ik zelf met hem spreken? Ik kreeg een kleur van opwinding, toen ik dat vroeg. Mijn vader lei onder 't gaan een paar malen zijn kalme hand op mijn petje en zei glimlachend: - Bedaard aan, ventje! vraag niet zoo alles door elkaar, je zult zoo aanstonds je adem wel noodig hebben op de steile trappen.”
Justus van Maurik (16 augustus 1846 – 18 november 1904) Portret door Johan Braakensiek, ca. 1900
De Vlaamse dichteres en slaviste Miriam Van hee werd geboren in Gent op 16 augustus 1952 en groeide op in Oostakker en Gent, waar ze slavistiek studeerde aan de Rijksuniversiteit Gent. Ze vertaalde poëzie van onder meer Anna Achmatova, Osip Mandelstam en Joseph Brodsky en doceert momenteel slavistiek aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen. In 1978 debuteerde ze met haar bundel Het karige maal, waarmee ze de Oost-Vlaamse prijs voor Letterkunde won. Haar poëzie is vertaald in tien talen en ze is lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Haar tiende bundel werd in 2017 bekroond met de Ultima voor Letteren.
Komt er een dag
komt er een dag waarop geen spijt meer klinkt geen treurigheid in onze stem in de woorden die we zeggen zoals: vroeger wij soms toch wanneer waartoe zoniet
komt er een dag waarop we lachen om de dagen die nog voor ons liggen sprankelend vol stadsgeluiden
dat we de dingen kunnen noemen bij hun namen en ze veranderen
Reis en bestemming
ik denk dat ik aanknopingspunten bedoel, een uitzicht bijvoorbeeld, contouren van bergen die opdoemen in de mist, cipressen, een linde, een halfopen kanten gordijn, druppels aan stoelen
op het terras, iets tastbaars en het is waar, in andere steden doen wij meer moeite, kijken naar peuken en stof op de weg, naar plantengroei op het voetpad, we voelen hoe tocht uit de roosters
komt, vragen ons af wie onder de golfplaten daken woont, willen iets zeggen over de vogels, iets wat ze recht doet, zoals ze nu op de draden overleggen en op een teken wachten, we willen iets zeggen
Reeën
ik vroeg of je nog van me hield en je zweeg lange tijd tot je ‘kijk’, zei, ‘beneden’
daar stonden in langzaam en laaghangend licht twee reeën een ogenblik stil, toen vluchtten zij snel en gewichtloos het struikgewas in
hier en daar werden bladeren geel dat was wat je daarna zou zeggen ‘september, de herfst komt er aan’
De Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselliwerd geboren in Mexico-Stad op 16 augustus 1983. Luiselli is de dochter van een diplomaat. Deze werd de eerste Mexicaanse ambassadeur in Zuid-Afrika. In die tijd leerde de opgroeiende Valeria Luiselli Nelson Mandela kennen. Na omzwervingen door Costa Rica, Zuid-Korea, Zuid-Afrika, India, Frankrijk en Spanje woont Luiselli sinds 2008 in New York, samen met haar man, de schrijver Álvaro Enrigue en haar dochter. Ze studeerde aan de Universidad Nacional Autónoma de México, UNAM (Nationale Autonome Universiteit van Mexico), en studeert inmiddels voor een doctoraat vergelijkende literatuurwetenschappen aan Columbia University. “Valse papieren” (2010) is een zoektocht in verhalen, essays en beschrijvingen. Geen roman, reisverhaal of essay op zich, maar alles tegelijk. Cees Nooteboom schreef het voorwoord voor de Nederlandse editie uit 2012. Het boek begint met de tocht naar het graf van de Russische dichter Joseph Brodsky. De roman “De gewichtlozen: verscheen in Nederland in 2014. “De geschiedenis van mijn tanden” verscheen in Nederland in 2015 en gaat over een veilingmeester met een verzamelwoede. De schrijfster zelf noemde De geschiedenis van mijn tanden een roman-essay. “Vertel me het einde” is een essay over de problematiek omtrent de Centraal-Amerikaanse (en in dit geval voornamelijk jonge) vluchtelingen die proberen de grens met de Verenigde Staten te bereiken en over te steken. Het verscheen in Nederland in 2017. Luiselli schrijft ook een maandelijkse column in de krant El País en een van haar libretto’s werd opgevoerd door het New York City Ballet. Haar boeken zijn in meerdere talen vertaald, waaronder Engels, Frans, Italiaans, Portugees en Nederlands.
Uit: De gewichtlozen(Vertaald door Merijn Verhulst)
“Alles begon in een andere stad, in een ander leven, een leven voor dat van nu maar na dat andere. Daarom kan ik dit verhaal niet opschrijven zoals ik dat zou willen – alsof ik nog altijd daar, en alleen maar die andere persoon was. Ik vind het moeilijk om over de straten en de gezichten te schrijven alsof ik ze nog elke dag voor me zie. Ik weet niet goed wat de werkwoordtijden zijn die ik moet gebruiken. Jong, dat was ik in ieder geval, en ik had sterke, smalle benen.
(Ik had dit verhaal graag willen beginnen zoals Hemingways A Moveable Feast eindigt.)
*
In die stad woonde ik helemaal alleen in een bijna leeg huis. Ik sliep weinig. Ik at slecht en zonder al te veel variatie. Ik leefde eenvoudig, routineus. Ik werkte als lector en vertaalster bij een kleine uitgeverij die zich tot doel had gesteld ‘buitenlandse pareltjes’ te redden die vervolgens niemand kocht – omdat we ze per slot van rekening in het diepe wierpen, midden in een eilandcultuur waar vertalingen als onrein worden gezien. Maar ik hield van mijn werk en geloof dat ik een tijd lang mijn best heb gedaan. Daarbij: op de uitgeverij mocht gerookt worden. Van maandag tot woensdag zat ik op kantoor; de donderdag en de vrijdag waren bestemd om research te doen in de bibliotheek. Elke maandag was ik vroeg ter plekke, met een kartonnen beker koffie en goede zin. Ik groette Minni, de secretaresse, en daarna mijn chief editor, de enige editor van de uitgeverij, maar wel mijn chief. Hij heette White. Ik ging aan mijn bureau zitten, rolde een sigaret van halfzware tabak en werkte tot het begon te schemeren.
*
In dit huis wonen twee volwassenen, een baby en het middelste kind. We zeggen dat hij de middelste is, want hoewel hij de oudste van de twee is, vindt hij het veel fijner als we hem ons middelste kind noemen. En hij heeft gelijk. Hij is de oudste, maar nog klein, dus noemen we hem onze middelste. Een paar dagen geleden stapte mijn echtgenoot op een dinosaurusskelet terwijl hij de trap afliep en daarop volgde een catastrofe. Kreten, gejammer, een aardbeving: de dinosaurus viel niet meer te repareren. Nu is de T-Rex niet meer te redden, zei het middelste kind tussen twee snikken door. Soms hebben we de indruk dat we twee paranoïde Gullivers zijn, dat we de hele tijd op onze tenen lopen om niemand wakker te maken, om niet op iets belangrijks, op iets breekbaars te stappen.”
Dolce far niente, Hélène Swarth, Louis Couperus, Jan Prins, August Graf von Platen, Guillaume van der Graft
Dolce far niente
Lisse is op een grijze augustusdag minder fleurig dan in de bollentijd. Dit is het gemeentehuis.
Bloemenlanden De landen bloeien, lichte lustwaranden Van luchteblauw en wolkenroze, of printen De prille hemel wilde op aard zijn tinten. En lilablauw versmelten lucht en landen.
De klare waatren, bleek-azuren linten, Die – slootje of beek – der velden vlak omranden, Zij vangen op de kleur der hemelwanden, Maar lijken blauw van louter hyacinthen.
Kil waait de Aprilwind en de stilgekomen Treurende schemer doet tot grauw versterven D’ extasejubel, ademende aromen,
Van bei die blijde lenteveldenverven. Nu bloeit alleen de hemel van mijn droomen. O zaalge Landen! zal ik u beërven?
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941) Lente in het Vondelpark, Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth
Narcis
Aan den boord eener beeke Zie ik leliën droomend staan, Wijl de golfjens om haar stengels Schuimend gaan.
Een rei als van nymphen, Die zich beuren uit de beek, Een rei als van sneeuwwitte bruidjens, Zoo kuisch, zoo bleek.
En in heur midden heft zich Een enkele narcis, Die kwijnt op zijn stengelken Van droevenis.
De leliën smachten van minne Voor die geluwde narcis; Zij geuren haar zoetste geuren, Zoo zwoel... zoo frisch.
En de goudgele bloeme nijgt zich Steeds verder naar den vliet, Tot hij in den zilveren spiegel Zijn beeldtnis ziet.
Zoo koud en zoo kil is het water... Zijn zoenen prangt De bloem op het beeld, waar minnend Hij over hangt.
En de leliën lisplen droeve, Dat nog steeds met des jongelings lust De bloem zijne beeldtnis Op 't water kust...
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923) Narcissen aan de Lange Vijverberg in Den Haag, de geboorteplaats van Louis Couperus
Tulpen
Gij die, op uw steel gestegen, schijnt te zijn uit zon gedegen, die met uw doorvlamd gewaad drachtig in de velden staat,
gij die, nog in ’t morgendoomen, tegen vroege–voorjaarsboomen ijl de verten bloeit en brandt,- in de verten van mijn land,
in de verten, waar de scholen witgedekte wolken dolen, waar de wereld in het rond uitligt aan den horizont,-
in de statige avonduren ligt gij met de wijde vuren uwer levensheerlijkheid voor mijne oogen uitgespreid,-
en nog diep in kalme nachten zien, herdenkend mijn gedachten en bij menigten geplant in de schoonheid van mijn land.
Jan Prins (5 februari 1876 – 9 februari 1948) Tulpen op het Grotekerkplein in Rotterdam, de geboorteplaats van Jan Prins
An die Tulpe
Andre mögen Andre loben, Mir behagt dein reich Gewand; Durch sein eigen Lied erhoben Pflückt dich eines Dichters Hand.
In des Regenbogens sieben Farben wardst du eingeweiht, Und wir sehen was wir lieben An dir zu derselben Zeit.
Als mit ihrem Zauberstabe Flora dich entstehen ließ, Einte sie des Duftes Gabe Deinem hellen bunten Vließ;
Doch die Blumen all’, die frohen Standen nun voll Kummer da, Als die Erde deinen hohen Doppelzauber werden sah.
Göttin! o zerstör’ uns wieder, Denn wer blickt uns nur noch an? Sprach die Rose, sprach der Flieder, Sprach der niedre Thymian.
Flora kam, um auszusaugen Deinen Blättern ihren Duft: Du erfreu’st, sie sagt’s, die Augen, Sie erfreu’n die trunkne Luft.
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835) Tulpen en narcissen bij de Markgraf Georg Brunnen in Ansbach, de geboorteplaats van August Graf von Platen
April - ik denk voortdurend aan mijn land. Unter den Linden denk ik aan de olmen zwaarmoedig langs een rinse waterkant, aan steden waar de eeuwen traag vermolmen.
Ik denk aan buitenplaatsen en patrijzen, de groene schaduw van het grachtenloof. Ik kan niet helpen dat er lome wijzen pianospelen in mijn achterhoofd.
Ik doe geen moeite om ze vast te houden, de kathedraal zal wel verdronken zijn. Er vloeit ergens achter de bronzen wouden uit wonden in den einder donk're wijn.
Schroefwater dat om wrakke steigers kolkt en in de brakke avondwind seringen, schakeringen der stilte, wie vertolkt in taal of atonaal uw aarzelingen?
Le cygne van Saint-Saëns
De zwanen blijven op zichzelf in koor buiten de perken van het park en drijven de maanschijf schakende de schelfzee door; de zwanen zijn hun wanen één zet voor, vandaar ook dat zij nimmer wenen maar op een langverbeide cantilene het hoofd opheffen nu ik zit te schrijven.
De kanarie
De vogel in de rieten kooi bezong het licht als goed en mooi. Het duister lag hem minder goed, hij had zo weinig bloed.
Veren had hij, niet van gewicht, een keel in plaats van een gezicht, een snavel en een eigeleider en op zijn rug een vleugelspreider.
De wereld is een wijzerplaat, zong hij, waarop het licht rondgaat. Een dag is maar een uur, zong hij. De spijlen hielpen hem daarbij.
Maar 's avonds als het donker wordt, valt er een schaduw in zijn strot. De stilte wordt voortdurend breder en zet zich dreigend naast hem neder.
Hij schrompelt in zoals de maan, straks kan hij zelfs de kooi uitgaan. Hij doet het niet. Hij steekt zijn lied diep in het dons van zijn verdriet.
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010) Portret door de beeldhouwer Dennis Coenraad