Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
13-06-2019
Fernando Pessoa, Thomas Heerma van Voss, Gerwin van der Werf, Willem Brakman, Virginie Despentes, William Butler Yeats, Tristane Banon, Marcel Theroux, Steven Membrecht
How many masks wear we, and undermasks, Upon our countenance of soul, and when, If for self-sport the soul itself unmasks, Knows it the last mask off and the face plain? The true mask feels no inside to the mask But looks out of the mask by co-masked eyes. Whatever consciousness begins the task The task's accepted use to sleepness ties. Like a child frighted by its mirrored faces, Our souls, that children are, being thought-losing, Foist otherness upon their seen grimaces And get a whole world on their forgot causing; And, when a thought would unmask our soul's masking, Itself goes not unmasked to the unmasking.
Sonnet IX
Oh to be idle loving idleness! But I am idle all in hate of me; Ever in action's dream, in the false stress Of purposed action never act to be. Like a fierce beast self-penned in a bait-lair, My will to act binds with excess my action, Not-acting coils the thought with raged despair, And acting rage doth paint despair distraction. Like someone sinking in a treacherous sand, Each gesture to deliver sinks the more; The struggle avails not, and to raise no hand, Though but more slowly useless, we've no power. Hence live I the dead life each day doth bring, Repurposed for next day's repurposing.
Sonnet X
As to a child, I talked my heart asleep With empty promise of the coming day, And it slept rather for my words made sleep Than from a thought of what their sense did say. For did it care for sense, would it not wake And question closer to the morrow's pleasure? Would it not edge nearer my words, to take The promise in the meting of its measure? So, if it slept, 'twas that it cared but for The present sleepy use of promised joy, Thanking the fruit but for the forecome flower Which the less active senses best enjoy. Thus with deceit do I detain the heart Of which deceit's self knows itself a part.
Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935) Portret door Antonio Guimaraes, 2009
“Als ik thuiskom van mijn werk, anderhalf uur later dan gebruikelijk, heeft Claire de tafel al gedekt. Ze zet twee koekenpannen neer en serveert spaghetti bolognese, en pas nadat ik mijn eerste hap heb genomen, zegt ze: ‘Ik moet je iets vertellen.’ Ik zag de bezorgdheid al in haar ogen toen ik binnenkwam, maar ik dacht: eerst eten, haar onrust verdwijnt vanzelf wel. ‘Natalja komt hierheen,’ zegt Claire. Aan de toonloze, helder gearticuleerde manier waarop ze spreekt hoor ik dat ze de woorden heeft ingestudeerd. ‘Ze belde net. Gisterochtend vroeg is ze gaan liften uit Moskou en iets na tienen wordt ze afgezet bij de Warschauer Straße. Ze wil het land in, naar een paar oude vriendinnen, maar vanavond komt ze niet verder dan Berlijn. Ik heb haar gezegd dat ze vannacht hier kan logeren.’ ‘Hier?’ vraag ik. ‘In ons appartement, bedoel je? Ik ken haar helemaal niet.’ ‘Je kent haar best.’ ‘Welnee, ik heb die vrouw nog nooit gezien. Kan ze geen hotel boeken?’ ‘Ze heeft nauwelijks geld, dat weet je toch?’ ‘Kennelijk wel genoeg om op vakantie te gaan.’ ‘Toe, ik heb je laatst toch gezegd dat ze huwelijksproblemen heeft? Ze wil Moskou even uit en kent verder niemand hier. Als jij mij zou vragen of een vriend hier kon blijven slapen, zou ik daar altijd mee instemmen.’ ‘Maar ik heb geen Russische vrienden. En ik ken niemand van boven de veertig die nog lift.’ Natalja. Kom nou, zo’n naam wens je niemand toe. Wat heeft ze hier te zoeken, in mijn woonplaats, mijn straat, mijn huis? Zij was degene die Claire, toen die als verlegen meisje uit de provincie begon met studeren, zomaar aansprak in een café. Een aangeschoten, zesentwintigjarige vrouw met Russische ouders en een vlotte babbel. Wil je wat drinken; hoe heet je; wat doe je hier in Berlijn? Ze bouwden een vriendschap op, intiemer dan veel relaties of familiebanden. Bijna elke dag waren ze samen. Natalja had geld vanwege een erfenis, en ze trakteerde Claire op diners, buitenlandse reizen en met alcohol doordrenkte nachten. Officieel werkte ze voor een Russisch telecombedrijf, in de praktijk hing ze voornamelijk aangeschoten rond in cafés. Ze schonk Claire cadeaus: bloemen en horloges, boeken en kettingen. Tijdens een van hun laatste gemeenschappelijke vakanties schreef ze Claire zelfs een uitvoerige brief – echt waar, een brief aan degene die naast haar zat, hoe verzin je het?”
“Ik ga het redden, verdomd, ik ga het redden, ik durf het niet alleen te denken maar nu ook te fluisteren. Nog een uur, hooguit, en dan ben ik alleen. Hoe lang ik hier al sta - verscholen achter het muffe gordijntje - ik heb er geen benul meer van, maar het kan me niet schelen, want het wachten zal niet tevergeefs zijn. Soms doe ik mijn ogen dicht, duw mijn wang tegen het kozijn, dan voel ik de hoofdpijn kloppen tegen mijn linkeroog. Ik probeer al een tijdje onverschilligheid bij mijzelf op te roepen, als een kind dat verstoppertje speelt -'rat maakt het uit, als ze je vinden, dan ben je erbij, nou en?' – maar ik slaag er niet meer in. Ik ben ten prooi gevallen aan dit heilig willen. Het moet lukken. Het moet. Twee stalen bedden en een tafeltje, dat is al het meubilair in deze kamer. Als ik het vaalrode gordijn opzij duw kan ik de westelijke zijde van het eiland overzien, tot de vuurtoren, die zo'n twee kilometer verderop staat. Bij het transformatorhuisje zijn werklui bezig, weldra zal er geen stroom meer zijn. Daarachter zie ik het begin van de lange betonnen trap die omlaag naar de pier leidt. Vanochtend heb ik die beklommen, traag, opzichtig om mij heen speurend, in een poging zo veel mogelijk te lijken op de andere vier of vijf toeristen die lucht hadden gekregen van deze laatste trip naar Lundines. Straks, als de veerboot uit zicht is, dan ga ik het eiland verkennen. Mijn eiland. Eerst heb ik een poos op bed gelegen, uitgeput maar niet in staat te slapen. liet is die eeuwige hoofdpijn die mij in staat stelt te geloven dat alles echt gebeurd is. 'Je bent er,' zegt de hoofdpijn, le bent er nog steeds.' Maar niet geklaagd, de pijn is draaglijk, zij wordt gewiegd in de armen van Ibuprofen, mijn lief, die zo goed voor mij zorgt. De hele tijd hoorde ik voetstappen langs het huis gaan, het piepen van karretjes en steekwagens. De geluiden maakten me zo nerveus dat het me beter leek gewoon toe te kijken, verscholen achter het gordijn, als een uitgerangeerde acteur die stiekem in de coulissen wacht tot het toneel leeg is en het publiek naar huis. Iets wat ik werkelijk niet verwacht had: ik heb een bed met een schoon laken. Wat is dat voor gerommel achter het huis? Gebonk op de muren, het hele huis trilt mee en versterkt het geluid, zodat ik niet kan bepalen waar het vandaan komt. Een klap, alsof er een deur dichtgesmeten wordt. Een scheut hoofdpijn jaagt door mijn kop, mijn ogen lopen vol met traanvocht, niet braken, diep ademen. De pijn zakt terug. Net als ik onder het bed wil kruipen is alles alweer voorbij. Niets aan de hand, niemand is binnengekomen. Rustig wacht ik tot de misselijkheid is weggezakt. Acht pakken Sultana's heb ik in mijn rugzak zitten, één daarvan maak ik open. Twee koeltjes, tegen het lege, misselijke gevoel. De kruimels klop ik van het bed, met de neus van mijn schoen duw ik ze tussen de kieren in de plankenvloer.”
“Eenmaal ben ik op zijn werkkamer geweest waar ik nog geen briefkaart had kunnen schrijven. Het was er donker, op zijn tafel lag alles netjes geordend, een klein raampje met breed kozijn was haast volgestapeld met stenen die hij had gevonden in zijn leven. In een kast verwonderlijk weinig boeken, veel Simenons. De trap, de leuningen en de deur naar deze kamer waren in een afschuwelijk geel geschilderd. Hij was zonder meer een slecht causeur, luisterde liever en als het kon naar roddel. Eenmaal heb ik hem gevraagd of hij beschikkend over afluisterapparatuur die verbinding gaf met alle slaapkamers van Doorn deze ook zou gebruiken, waarop hij antwoordde: "Wat wil je, ik ben schrijver." Nee, ik heb dat geel van de overloop naar zijn kamer nooit meer ergens aangetroffen, het was de idee geel in al haar verschrikkingen. Hij was een slecht causeur; wat hem ook werd aangedragen als mogelijke structuur of thema van zijn werk, zijn antwoord was steevast: "Neu zeg", en dat terecht: vraag geen schrijver naar zijn bedoelingen, dat is een zonde tegen de heilige geest der literatuur, tenminste toen. Toen ik tijdens mijn diensttijd in het militair hospitaal was opgenomen en om verschillende redenen op rantsoen moest wat het lezen betreft, kwam zijn boek De verminkte Apollo uit. Ik las in de ochtend twee bladzijden, 's middags dezelfde twee en's avonds idem. Dat was pas lezen en hij was me in die tijd een ware troost. Later, als arts, heb ik stad en land voor hem afgelopen en aan alle psychiaters gevraagd naar de laatste ontwikkelingen op het gebied van de endogene depressie. Zeer vele artsenmonsters zond ik zijn kant uit en dat heeft hem dankbaar gestemd. Een keer vroeg ik hem of een middel had geholpen. "Nee," zei hij, "maar ik heb er nu minder last van." Nog een echt Vestdijk-antwoord. Op Schiermonnikoog denk ik altijd aan Roland Holst en Vestdijk. Deze twee schimmen vergezellen mij daar overal. De laatste omdat ik er een huis ken dat precies het huis is van zijn geboorte. Soms, heel alleen ergens in de duinen en al fietsend, want dan kan er veel, vraag ik aan die hemel boven mij: "Simon, ben je daar?" en zijn antwoord is dan altijd: "Neu zeg."
Willem Brakman (13 juni 1922 – 8 mei 2008) V.l.n.r de schrijvers Henk Barnard, Hugo Claus, Willem Brakman en de dichter Roland Jooris
Uit: Bye Bye Blondie (Vertaald door Sian Reynolds)
“He’d announced, with that confidence possessed only by kids under twenty, that “it’s the most beautiful name in the world.” He was wearing a white Perfecto leather jacket. A dark-haired boy with broad shoulders, fleshy lips, and a piercing gaze. Possibly it wasn’t piercing at all, perhaps he was just nearsighted, but she had thought this was someone who could fathom the depths of your soul and caress its vice. Whatever, he’d blown her mind, and starting the next day she had told every new person she met: “Hi, I’m Gloria.” And the name had stuck. Because twenty years later, that’s still what peo- ple are calling her. Jérémy sweeps by grandly, carries off her glass and brings it back full. He’s humming, walking with shoulders a little bent, his low-slung, hyperbaggy jeans exposing a band of belly: smooth golden skin, young man’s skin. With one hand, Gloria hoicks up his trousers, scolding: “Hey kid, get your ass back inside your pants.” Jérémy wanders off, delighted that someone in this place has protested yet again about his trousers. Two men have just arrived, and now they’re hardwired to the counter. Difficult to put an age on the older one, he’s so destroyed by drink. A caricature of the wine-bibbing Frenchman: strawberry nose, puffy face, sepulchral voice, rotten yellow teeth. With him is a hulking, ruddy-faced youngster, head sunk into his shoulders, probably his son. The old man is yelling, he’s already plastered, and now he’s furious: “I don’t believe it! You got a brain or what? God should’ve given you another asshole, you’re so full of shit.” Gloria exchanges a quick glance with Jérémy. They both roll their eyes and turn away to hide a smile. Every day, these two come into the Royal, just to shout at each other all afternoon. Around aperitif time, off they go to the betting shop, the old one still yelling at the young one. Gloria predicts, as she watches them stagger away every night at about seven, that one day they won’t be back: the young one will have chucked the old one out the window. The young one blows his nose, making a hell of a noise. Gray-and-red tracksuit, picked up on sale, no doubt, and he has these enormous feet. Gloria can’t get used to how big young boys’ feet are, she wonders if there’s some plan up there in the cosmos for the human race. Should it be planning to go and live underwater, growing long flippers? The kid’s jaw drops when he sees her, he looks truly impressed.”
I GRANDFATHER sang it under the gallows: ' Hear, gentlemen, ladies, and all mankind: Money is good and a girl might be better. But good strong blows are delights to the mind.' There, standing on the catt, He sang it from his heart. Those fanatics all that we do would undo; Down the fanatic, down the clown; Down, down, hammer them down, Down to the tune of O'Donnell Abu. 'A girl I had, but she followed another, Money I had, and it went in the night, Strong drink I had, and it brought me to sorrow, But a good strong cause and blows are delight.' All there caught up the tune: 'On, on, my darling man'. Those fanatics all that we do would undo; Down the fanatic, down the clown; Down, down, hammer them down, Down to the tune of O'Donnell Abu. 'Money is good and a girl might be better, No matter what happens and who takes the fall, But a good strong cause' -- the rope gave a jerk there, No more sang he, for his throat was too small; But he kicked before he died, He did it out of pride. Those fanatics all that we do would undo; Down the fanatic, down the clown; Down, down, hammer them down, Down to the tune of O'Donnell Abu.
Veronica's Napkin
THE Heavenly Circuit; Berenice's Hair; Tent-pole of Eden; the tent's drapery; Symbolical glory of thc earth and air! The Father and His angelic hierarchy That made the magnitude and glory there Stood in the circuit of a needle's eye. Some found a different pole, and where it stood A pattern on a napkin dipped in blood.
William Butler Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939) Portret door Augustus John, 1907
« Vingt-cinq ans qu'elle a cessé de le chercher à la maison. Vingt ans à croire que c'était peut-être sa faute, dix ans à le poursuivre, le transposer, le déceler chez tous les hommes de sa vie, dix ans à espérer qu'il soit chercheur d'or et pas juste lâche... Vingt-sept ans sans père, sur vingt-sept, ça suggère beaucoup de désordre mental. Et pourtant, cinq ans peut-être, ou bien sept, pas plus, qu'elle devine que sa mort lui serait égal. Cinq ans qu'elle entend : «Tu dis ça, mais au fond...» Mais au fond, même très au fond, au sous-sol d'elle-même, elle en est persuadée. Qu'en savent-ils, du fond, les gens ? Sont-ils allés fouiller derrière ses entrailles, dans ses tripes, pour parler en son nom ? Qu'en coassent-ils de ce qu'elle a au fond, eux qui ont des pères a appeler quand ça ne va pas ? Elle balance «ça», comme ils disent, et elle le pense. Elle choque parfois, et elle assume Elle a toujours su que parler de la mort était quelque chose de tabou, elle découvre que s'y montrer indifférente est une preuve d'inhumanité difficile a défendre. Pire, ne pas souffrir par avance du décès, pourtant certain, à court ou moyen terme, de son géniteur serait proche du parricide mental. Pourtant, réalisatrice de ce finale programmé pour chacun d'entre nous elle voit bien la scène. Alors ne la forcez pas le jour venu, a participer aux au revoir. Elle sait sa réaction. Elle entre dans l'église parce qu'on l'y a obligée, elle s'avance jusqu'au corps parce qu'on la pousse, elle regarde son visage paisible et elle se dit : «Pour un lâche il a le sommeil profond.» Elle sort et on ne veut plus la voir. Ça ne la dérange pas, on ne l'a jamais vraiment vue jusqu'alors, et elle n'a véritablement manqué à personne. Elle ne sera pas là pour rappeler le souvenir de celui qu'elle ne connaît pas. »
“Nicky stepped out of the shadows. He looked much worse than when I’d last seen him: unshaven, tired, and badly dressed, but also more like his old self; he’d lost weight and his face had some of its shape back. He told me he needed a place to stay. I explained about the book group and warned him that Babette was waking a lot in the night, but he didn’t look like he had many other options. He sagged into the passenger seat like an old man. From Ludlow to Barbrook is a twenty-minute drive, assuming you don’t get stuck behind a tractor or a tourist. Nicky ignored my questions and didn’t seem in any mood to talk. I found myself filling the silence by chattering on about my day, but by the time we got to Cleehill I couldn’t pretend anymore. I pulled over just beyond the pub. The locals call it the Kremlin because they claim it’s the highest point between there and the Urals, and in the old days the jukebox used to pick up Radio Moscow. The rain had stopped. The moon was out and beyond the hills we could make out the vague orange glow of Birmingham. I turned to Nicky and asked him what was going on. “It’s a long story,” he said. “I was in the Maudsley for a while.” “Studying?” For some reason, I assumed it was a college. “Sectioned,” he said. And then by way of explanation: “It’s a loony bin outside Croydon.” Hailstones pounded on the roof of the car. We’d have to drive home the long way round, because the ford would be too dangerous to cross. “Does Leonora know you’re alive?” “The Nicky she knew is dead.” He said it matter-of-factly, with no real venom, but the hopelessness of it shocked me. And in the yellow rays of the Kremlin’s outside light, his teeth looked crooked and broken. Suddenly, it struck me that he was, after all, really a stranger, and I was seized by a panicky feeling.”
“De reden dat ik je schrijf, Abel, is dat ik gisteravond een opzienbarende ontdekking heb gedaan, die zo ingrijpend voor ons beiden is, dat ik je haar niet wilde onthouden. Het hele proces dat tegen jou gevoerd is en waartegen ik niet het minste kon inbrengen, krijgt er een heel andere betekenis door. Wat dat betreft kan ik kort zijn: het is onwaar, vol afschuwelijke misverstanden. Maar ook is het van het allergrootste belang voor ons. Gisteravond drong dat onmiddellijk na wat ik gezien had tot mij door. Hoewel ik je nog in deze brief zal verklaren wat ik heb ontdekt moeten mij eerst enkele opwellende gevoelens van het hart. Ik kreeg geen kans je nog te spreken nadat het levenslang over je was uitgesproken. Ik denk dat die malle rechters dat niet toestonden omdat ze maar al te goed gemerkt hebben dat wij tweelingen zijn, zelfs eeneiïge tweelingen en in hun domme kortzichtigheid verwisseling van veroordeelde wilden voorkomen. Hoewel het proces door mij even afschrikwekkend beleefd werd als door jou, gaf onze gelijkenis er in zekere zin een vrolijke noot aan. Het zal jou namelijk ook vast wel opgevallen zijn hoe de rechters, de officier van justitie en zelfs jouw advokaat vaak in de grootste verwarring hun blikken lieten afdwalen naar de publieke tribune, waar ik zat. Het was dan alsof zij dezelfde overtuiging toegedaan waren als ik: die beklaagde, die daar zojuist nog zat, kunnen wij nauwelijks naar eer en geweten ondervragen of beschuldigen, want hij is niet volledig. Er ontbreekt veel van hem waardoor wij tijdens het proces slagen in de lucht doen; een hagedis zonder staart trachten te vangen. (Dat ik juist dit beeld gebruik zal je spoedig duidelijk zijn). Hoe prijs ik mijzelf sinds gisteravond dat die overtuiging volkomen gerechtvaardigd was en geenszins alleen op grond van onze fabuleuse gelijkenis. Toch veracht ik mezelf ook dat ik hun de juistheid van hun weifelende gedachte niet al tijdens het proces heb kunnen toeschreeuwen, waardoor grote verwarring zou zijn ontstaan en jij wellicht heel anders beoordeeld zou zijn. Het was dan zelfs niet onmogelijk geweest dat ze je hadden vrijgesproken. Was dat een feit geworden, dan moet ik je echter teleurstellen door te zeggen dat ik toch nooit meer met jou onder één dak had kunnen leven.”
Steven Membrecht (13 juni 1937 – 17 december 2016) Cover achterkant
Tags:Fernando Pessoa, Thomas Heerma van Voss, Gerwin van der Werf, Willem Brakman, Virginie Despentes, William Butler Yeats, Tristane Banon, Marcel Theroux, Steven Membrecht, Romenu
Ich war der Blindenführer des Unbekannten, LEITBURSCH! riefen die Kinder im Hinterland. Herkunft und Namen des Alten weiß ich nicht. Wenn er laut redete, als ob er allein war kamen für meine Ohren fremde Wörter, mit denen ich nicht lebte, und kein andrer. Ich füllte den Wassersack, und wenn er scheißte, hielt ich ihm Gras, paar Stücke Papier hin.
Auf die Arbeit konnte ich nicht stolz sein, aber die Sorge für ihn war gute Arbeit, immer dieselbe. Leer waren die Augen nicht immer. Schwarz war das linke, das andre weiß, er hat gesehn, bevor er unsehend wurde. Was er gesehn hat, weiß ich nicht. Davon, wie von allem, hat er kein Wort gesagt.
Ich frage ihn hundertmal: Was hast du gesehn, bevor du fürs Leben nichts mehr siehst. Was ich gesehn hab, sagt er, ist vor mir gestorben, Ich hab es gesehn, jetzt hat es ein Grab, das lebt und läuft herum, blind, ohne Tod und Friedhof. Gesehn hab ich auch, was noch lebt, wenn ich tot bin. Wo das Eine bleibt, das Andre, das Halbe hinkommt, das Ganze. Du sollst nicht fragen, damit ich dir was erzähle, und für deine Ohren erfinde, was falsch ist.
Er hält das Gesicht in die Luft, als wenn von oben Vogel im Schwarm auf seine Augen stürzt. Tickelt er mit der Stockspitze auf die Steine, und was tief unten vor ihm auf der Piste herumliegt, tot, halbtot, lebendig, geprügelter Hund, Reste von Rädern und Krügen, zertrampelte Kröte, Abfall der Bordelle, verpisste Knochen, damit der Alte drüberrutscht und hinschlägt.
Seine Wut ist Gemurmel der brüchigen Stimme. Zeichen geben, verflucht! Er tickelt, tackelt mit der Stockspitze durch die Luft nach mir, Kopf oder Bauch egal, wo der Stecken reinhaut und steckt wie der Nagel in der Wand, der Dorn im Finger. Ich zieh ihn am Arm aus der Pfütze, in der er dreckig, bewusstlos, kalt, sekundenlang umkam, der Kniende trieft, der Stehende schlackert Schlamm und Wasser von sich, frierender Hund, und bellt nicht. Oft allein, ohne Zeugen, aus dem Dreckloch gekrochen.
“Verrückt sein heißt ja auch nur, dass man verrückt ist, und nicht bescheuert. Weil das viele Leute denken, dass die superkomplett be-scheuert sind, die Verrückten, nur weil sie komisch rum-laufen und schreien und auf den Gehweg kacken und was nicht alles. Und das ist ja auch so. Aber so fühlt es sich nicht an, jedenfalls nicht von innen, jedenfalls nicht immer. Es macht einem nur wahnsinnig Angst, wenn man merkt, dass man gerade auf den Gehweg kackt und weiß, dass das nicht üblich ist und dass so was nur Leute ma-chen, die verrückt sind, und diese Angst macht, dass es einem auch wieder ganz gleichgültig ist, was die anderen denken, ob die jetzt gucken oder nicht, weil man in dem Moment wirklich andere Probleme hat. Und mein Problem war eben, dass ich langsam wieder verrückt wurde. Es war nicht das erste Mal, deshalb wusste ich schon, wie das läuft und dass das in Schüben kommt. Für wer sich das nicht vorstellen kann: wie Hunger oder Durst, oder wenn man ficken will. Das kommt ja auch in Schüben. Und nicht immer, wenn's einem passt. Und da stehe ich jetzt im Garten, vier hohe ziegelsteinmauem um mich rum. Eltern sind weg, Ärzte und Pfleger auch gerade weg, und vor mir ein riesiges Tor aus riesigem Eisen. Die Blumen blühen. Die Blumen, die der Depri mir ge-zeigt hat mit seiner Depribegeisterung, was schlimm ist. Alle Depris versuchen immer sofort, dich in ihre Depri-scheiße reinzuziehen. Aber die Blumen sind okay und können nichts dafür, wer sie gut findet. Sie haben sich das nicht ausgesucht- Wenn sie es sich aussuchen könnten, würden sie vielleicht mich aussuchen. Und darüber denke ich seit zwei Stunden nach. Und am Himmel die Sonne, mein schöner Freund. Ich hebe also den Arm und zeige mit der Hand nach oben, sodass mein rechter Daumennagel genau den Rand der Sonne berührt, damit sie nicht mehr weiterwandert. Und da wandert die Sonne nicht mehr weiter, und die zeit steht still. Das ist leicht. Und auch das ist leicht: Mit sanf-tem Druck des Fingernagels schiebe ich die Sonne Millime-ter für Millimeter zurück, und da weiß ich: Am Anfang war die Kraft. Isabel, Herrscherin über das Universum, die Pla-neten und alles. Wenn ich will, dass die Sonne steht, steht die Sonne. Wenn ich will, dass das Eisentor aufgeht, dann geht das Eisentor auf. Und im selben Moment geht es auf Ein Lkw fährt durch, und ich hinter dem Lkw vorbeige-huscht und raus. So schnell kann keiner gucken. Aber es guckt eh keiner. Draußen ist dann auch alles gleich viel besser. Es ist nicht finster, sondern alles wieimmer. Und wie ich das sehe, dass alles wie immer ist, bin ich selbst gleich wieder wie immer.“
Wolfgang Herrndorf (12 juni 1965 – 26 augustus 2013) Cover
Uit: The Diary of a Young Girl (Vertaald door B. M. Mooyart-Doubleday)
“FRIDAY, 14 AUGUST 1942 Dear Kitty, I've deserted you for an entire month, but so little has happened that I can't find a newsworthy item to relate every single day. The van Daans arrived on 13 July. We thought they were coming on the fourteenth, but from the thirteenth to six-teenth the Germans were sending out call-up notices right and left and causing a lot of unrest, so they decided it would be safer to leave a day too early than a day too late. Peter van Daan arrived at nine-thirty in the morning (while we were still at breakfast). Peter's going on sixteen, a shy, awkward boy whose company won't amount to much. Mr and Mrs van Daan came half an hour later. Much to our amusement, Mrs van Daan was carrying a hatbox with a large chamber pot inside. 'I just don't feel at home without my chamber pot,' she exclaimed, and it was the first item to find a permanent place under the divan. Instead of a chamber pot, Mr van D. was lugging a collapsible tea table under his arm. From the first, we ate our meals together, and after three days it felt as if the seven of us had become one big family. Naturally, the van Daans had much to tell about the week we'd been away from civilization. We were especially interested in what had happened to our flat and to Mr Goldschmidt. Mr van Daan filled us in: 'Monday morning at nine, Mr Goldschmidt phoned and asked if I could come over. I went straight away and found a very distraught Mr Goldschmidt. He showed me a note that the Frank family had left behind. As instructed, he was planning to take the cat to the neighbours, which I agreed was a good idea. He was afraid the house was going to be searched, so we went through all the rooms, tidying up here and there and clearing the breakfast things off the table. Suddenly I saw a notepad on Mrs Frank's desk, with an address in Maastricht written on it.”
“Es war mir immer unverständlich, wie sich Menschen festlegen können. Festlegen auf einen Beruf zum Beispiel, oder auf einen Mann fürs Leben oder aber auch auf eine »Leitkultur« für alle. Wie soll das denn gehen?, frage ich. Kein Mensch besteht aus nur einer Erfahrung. Oder aus nur einer Begegnung. Keine Kultur aus nur einer Geschichte. Das Leben ist weder monothematisch noch monokausal. Ich selbst kann mich an keinen Tag erinnern, an dem ich von morgens bis abends immer derselbe Mensch gewesen wäre: Ich war abwechselnd und zuweilen auch gleichzeitig Tochter und Schülerin, Schwester und Freundin, Geliebte und Mutter, Türkin und Deutsche, Nachbarin, Angestellte und Kollegin. Dabei ist keines dieser Ichs eine Solistin, denn jede Erfahrung mit einem neuen Gegenüber geht »nahtlos und ohne unausgefüllte Zwischenräume« in die Erfahrung mit dem Nächsten über und »bewahrt gleichzeitig ihre Identität«, wie der Philosoph John Dewey in »Kunst als Erfahrung« schreibt. Das heißt, man hat nie nur ein Leben, sondern besteht aus verschiedenen Paralleluniversen. Wir sind gemacht aus dem Genpool unserer Ahnen und unseren eigenen Erfahrungen. Deshalb, so Dewey, »existiert kein Mensch ausschließlich innerhalb des Bereichs seiner eigenen Haut«. Wir sind vielmehr ein Echo all der Leben, die uns abverlangt werden, und versuchen im täglichen Dazwischen mühsam, ein selbstbestimmtes und einmaliges Ich zu kreieren. Und werden dabei nur zu einem neuen Echo, nämlich dem unserer eigenen Wunschvorstellungen. Je mehr ich versuchte, irgendeine Art kontinuierliche Identität in mir zu finden, je öfter ich fragte: Wer bin ich mit welchem Gegenüber? Und wie verhalte ich mich in dem jeweiligen Kontext?, desto mehr Erfahrungswelten fächerten sich in mir auf. Und ich sah, dass ich als Tochter meiner Mutter eine andere Tochter war als die Tochter meines Vaters. Ich war als Vertraute meiner Schwester eine andere als die Vertraute meiner Freundin Evelyn. Ich war bei meiner Klassenlehrerin eine andere Schülerin als bei der Mathelehrerin, bei meiner Sprechtechnikdozentin wurde ich automatisch eine andere Studentin als bei dem szenischen Lehrer. Jede dieser Veränderungen geschah ohne Druck oder Verstellung, denn jedes neue Gegenüber forderte mir ein anderes Verhalten und Denken ab. Ich merkte nur erst viel später, dass ich oft überfordert war und es nach wie vor immer wieder bin, wenn ich etwas völlig Neuem begegne. Aber ich möchte keine dieser Erfahrungen missen, denn ich habe nur dazugelernt.“
Renan Demirkan (Ankara, 12 juni 1955) Cover
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Djuna Barneswerd geboren in Cornwall-on-Hudson, Orange County in de staat New York op 12 juni 1892. Zie ook alle tags voor Djuna Barnesop dit blog.
In General
What altar cloth, what rag of worth Unpriced? What turn of card, what trick of game Undiced? And you we valued still a little More than Christ.
Seen From The 'L'
So she stands—nude—stretching dully Two amber combs loll through her hair A vague molested carpet pitches Down the dusty length of stair. She does not see, she does not care It's always there.
The frail mosaic on her window Facing starkly toward the street Is scribbled there by tipsy sparrows— Etched there with their rocking feet. Is fashioned too, by every beat Of shirt and sheet.
Sill her clothing is less risky Than her body in its prime, They are chain-stitched and so is she Chain-stitched to her soul for time. Ravelling grandly into vice Dropping crooked into rhyme. Slipping through the stitch of virtue, Into crime.
Though her lips are vague as fancy In her youth— They bloom vivid and repulsive As the truth. Even vases in the making Are uncouth.
Djuna Barnes (12 juni 1892 – 18 juni 1982) Cover biografie
Drowsy autumn arrives. Sparkling Behind shining glass two Shining eyes
Vertaald door Alexander Booth
Lady on a Streetcar
You’d like to kiss your boy who doesn’t want to: He’d like instead to look at life outside. You’re disappointed then, but still you smile: At least it doesn't ache like jealousy, Even though he already looks just like The other who “to look at life outside” Left you like this.
Vertaald door A.Z. Foreman
I have come down from the burning hill
I have come down from the burning hill to stand by the station's fresh urinal. The dust and sweat that coat my skin intoxicate me. In my eyes the sun still sings. Body and soul I now abandon to the lucid whiteness of the porcelain.
Vertaald door Jamie McKendrick.
Sandro Penna (12 juni 1906 – 21 januari 1977) In de jaren 1940 in Rome
„Als der Sebastian unten mit gewohnter Höflichkeit die Türe aufgemacht hatte, sagte er mit einem Bückling: »Wenn der Herr Doktor wollten so freundlich sein und dem Mamsellchen auch einen Gruß vom Sebastian bestellen.« »Ah, sieh da, Sebastian«, sagte der Herr Doktor freundlich; »so wissen Sie denn auch schon, daß ich reise?« Sebastian mußte ein wenig husten. »Ich bin... ich habe... ich weiß selbst nicht mehr recht... ach ja, jetzt erinnere ich mich: Ich bin eben zufällig durch das Eßzimmer gegangen, da habe ich den Namen des Mamsellchens aussprechen gehört, und wie es so geht, man hängt dann so einen Gedanken an den anderen an und so... und in der Weise...« »Jawohl, jawohl«, lächelte der Herr Doktor, »und je mehr Gedanken einer hat, je mehr wird er inne. Auf Wiedersehen, Sebastian, der Gruß wird bestellt.« Jetzt wollte der Herr Doktor gerade durch die offene Haustür enteilen, aber er traf auf ein Hindernis: Der starke Wind hatte Fräulein Rottenmeier verhindert, ihre Wanderung weiter fortzusetzen; eben war sie zurückgekehrt und wollte ihrerseits durch die offene Tür eintreten. Der Wind hatte ihr weites Tuch, in das sie sich gehüllt hatte, aber dergestalt aufgebläht, daß es gerade so anzusehen war, als habe sie die Segel aufgespannt. Der Herr Doktor wich augenblicklich zurück. Aber gegen diesen Mann hatte Fräulein Rottenmeier von jeher eine besondere Anerkennung und Zuvorkommenheit an den Tag gelegt. Auch sie wich mit ausgesuchter Höflichkeit zurück, und eine Weile standen die beiden mit rücksichtsvoller Gebärde da und machten einander gegenseitig Platz. Jetzt aber kam ein so starker Windstoß, daß Fräulein Rottenmeier auf einmal mit vollen Segeln gegen den Doktor heranflog. Er konnte eben noch ausweichen; die Dame aber wurde noch ein gutes Stück über ihn hinausgetrieben, so daß sie wieder zurückkehren mußte, um nun den Freund des Hauses mit Anstand zu begrüßen. Der gewalttätige Vorgang hatte sie ein wenig verstimmt, aber der Herr Doktor hatte eine Art und Weise, die ihr gekräuseltes Gemüt bald glättete und eine sanfte Stimmung darüber verbreitete. Er teilte ihr seinen Reiseplan mit und bat sie in der einnehmendsten Weise, ihm die Sendung an das Heidi so zu verpacken, wie nur sie zu packen verstehe. Dann empfahl sich der Herr Doktor.”
Uit: gedichte von der wollust des dichtens in worte gefaßt
cagliari:
die ameise deiner adern greift meine sehnsüchte wenn ich das beschreibe was ein mittag verschweigt: singt dich selbst caruso meine zeile wird besser im stein deines gesichts die natur ist sinnloser ein sehr blaues wasser setzt dir bögen cagliari
carnac:
viele verbrannte lebensläufe druiden der aschenbecher euch
ich aber ach bin noch student sperling der stadt der türme
auf einem vogelbein hocke ich ohne audiovisuelle erfahrung
durch den rockärmel der magie spähe ich nach uralten echos
“There was nothing to say. "Well, you was a success, all right. Up to a point. Mind you"—he jabbed a brown-stained finger at me—"up to a point. Because, Reverend, basically speaking and in the profoundest sense of the word you was a flat-assed failure—a total fiasco from beginning to end insofar as any real accomplishment is concerned. Right? Because, like you told me yesterday, all the big things that you expected to happen out of this just didn't happen. Right? Only the little things happened, and them little things when they was all added up didn't amount to a warm bottle of piss. Right?" I felt myself shivering as I gazed downward between my legs at the plank floor and at the links of cold cast iron sagging like a huge rusting timber chain in the chill dim light. Suddenly I felt the approach of my own death, and with a prickling at my scalp, considered that death with mingled dread and longing. My hands trembled, my bones ached, and I heard Gray's voice as if from a broad and wintry distance. "Item," he persisted. "By the U. S. census of last year there were eight thousand niggers in this county, all chattel, not counting around fifteen hundred niggers that were free. Of this grand total of ten thousand plus or minus whatever, you fully expected a good percentage of the male population, at least, to rise up and join you. Anyway, that's what you have said, and that's what the nigger Hark and that other nigger, Nelson, before we hung him, said you said. Let's figure that, oh, maybe a little less than half of the nigger population of the county lives along the route you traversed toward Jerusalem. Lives within earshot of your clarion call, so to speak. Counting on the bucks alone, that's one thousand black people who might be expected to follow your banner and live and die for Niggerdom, and this is only if we figure that a pathetic fifty per cent of the eligible males joined you. Not including pickaninnies and old uncles. One thousand niggers you should have collected, according to your plans. One thousand! And how in the forenoon of the second day when at some pillaged ruin of a manor house far up-county I watched a young Negro I had never seen before, outlandishly garbed in feathers and the uniform of an army colonel, so drunk that he could barely stand, laughing wildly, pissing into the hollow mouth of a dead, glassy-eyed white-haired old grandmother still clutching a child as they lay sprawled amid a bed of zinnias, and I said not a word to him, merely turned my horse about and thought: It was because of you, old woman, that we did not learn to fight nobly ... "Last but not least," Gray said, "item. And a durned important item it is, too, Reverend, also attested to by witnesses both black and white and by widespread evidence so unimpeachable as to make this here matter almost a foregone conclusion.”
William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006) Cover
“Het is nu bijna drie jaar geleden dat ik Paloma heb ontmoet. Ik had toen twee boeken op m’n naam staan; een biografisch boek en een tweede dat ergens de weg tussen fictie en non-fictie was kwijtgeraakt. Wat kan ik verder over toen zeggen? Ergens in huis lag een paspoort gevuld met stempels en andere souvenirs aan mijn verre reizen. In míjn huis; niet lang daarvoor had ik dankzij het succes van Meisje met negen pruiken een appartement aan de Lijnbaansgracht kunnen kopen, maar ik stond heel ergens anders: aan de voet van Montmartre en aan de voet van een nieuw project, boek nummer drie. Mijn eerste echte boek, een roman, want écht schrijven is toch veel meer dan een biografische overlevering. Al met al was het een ander leven en misschien was ik toen ook wel een andere ik. Alles zag er anders uit, of ik nou achterom keek of vooruit. Ik koos Parijs omdat ik me niet meer thuis voelde in mijn leventje in Amsterdam. Het was te routineus, te ontdekt, te gemakkelijk misschien ook. Parijs was het tegenovergestelde; ik sprak de taal niet en op mijn literaire agenten na – twee zes-talen-sprekende, drukke dames – kende ik er niemand. In Amsterdam was ik inmiddels een big fish in a small pond, in Parijs slechts een van de natgeregende jassen op straat die stilletjes in de metro verdwijnen. Ik wilde uit die vissenkom treden, uit mijn eigen ik. En dat lukte. Ik merkte dat de mensen me er ‘schoner’ bejegenden; zonder informatie is het moeilijk iemand te plaatsen. Uit je buitenlandse accent kunnen ze niet opmaken of je van de grachtengordel komt of uit Osdorp. Je bent onleesbaar, ongrijpbaar, onaantastbaar. Je bent de buitenlander. Dat maakt wat alleenig, maar ook universeler en uiteindelijk meer jezelf.”
O suiwer hart wat honger was in al jou lang deurwaakte nagte na lewe en versadiging van trane en lag en wilde klagte; wat so 'n hoë gang wou gaan en al Gods denke wou deurskou soos water in jou hand gekelk en in die witte son gehou; wat alle vreugde wou besit en àl wat die aarde aan skoonheid het of sonde of smart, soos silwer vis vang met die lyf se brose net; - o bloed wat brand, o trotse hart, nog roer om jou soos wind die smart, maar in jou donker en hoë wil word dit soos in 'n kamer stil nou dat die bitter trots gaan skuil in deernis soos 'n klippie sink deur die grys-wit water van 'n kuil en bewend daal deur kring nà kring van aldeur sterker skemering tot daardie stil en diep bestaan waaroor die sware waters gaan.
God, dat hul smaad
God, dat hul smaad my nog kan raak, my hart nog so verwondbaar is, waar U groot wind moes óm my waai vir hùl tot skriklike duisternis!
Ek sal nie twis en stry met hùl wat self so magteloos is, gevang in iedere dag se kleinlikheid van smaad en wedersmaad en dwang -
met U, met U is my geding, wat my geskei het van hul ras: dat U die skulp van stilte breek waarin ek so verborge was.
Was dit my woorde wat ek sê, was my begeerte dan in my daad dat U my nakend voor hul stel en voor hul dwase Goed en Kwaad?
U moes die nag wees rondom my omdat ek vir hul duister is; U moes my skulp wees, of die see waarin ek één vér spoeling is.
N. P. van Wyk Louw (11 juni 1906 – 18 juni 1970) Adriaan Roland Holst, Jan Greshoff en NP van Wyk Louw
De Britse dichteres en schrijfster Renée Vivien(eig. Pauline Mary Tarn) werd geboren op 11 juni 1877 in Londen. Zie ook alle tags voor Renée Vivien op dit blog.
Victory
Give me kisses bitter as your tears tonight, When birds pause in their flight to wait. Our long loveless unions have the charms Of plunder, and the feral lure of rape.
Your eyes reflect the splendor of the storm… Breathe out your scorn until you swoon away, My very dear!—Unclose your lips in wrath: I’ll slowly drink their poison and their rage.
Roused as a pirate before his precious spoils, Tonight when all your gaze’s glow has fled, The conqueror’s soul, savage and radiant, Sings in my triumph as I leave your bed!
Vertaald door Samantha Pious
You for whom I wrote
You for whom I wrote, oh lovely young women without names, You whom, alone, I loved, will you reread my verse On future mornings snowing coldly on the universe, By future quiet evenings of roses and flames?
Will you sit dreaming, amid the charming disarray Of dishevelled hair, open robes, of her you never discover Wherever you look: "Whether on day of mourning or festival day, This woman wore always her glance, her tips of a lover."
Pale, giving forth a fragrance to haunt my flesh and mind, In the magic evocation of the night when love should be rare and free Will you say: "This woman had the ardor I can never find. What a pity she is not living! She would have loved me!"
Renée Vivien (11 juni 1877 – 10 november 1909) Cover
« Là, on fait place à Maurice Candelaire, dit « le Clouque » (celui qui couve), cantonnier municipal, coiffeur le samedi soir et fossoyeur à l'occasion. Le Clouque se hisse, aidé par des bras complaisants, sur la charrette et se place derrière la rouquine. Il brandit glorieusement ses ciseaux, pas ses outils de coiffeur, non ! des « forces », ciseaux barbares qui ne sont utilisés que pour tondre les moutons. Il fait mine de s'attaquer à l'ouvrage mais se recule sans arrêt pour exciter la populace dont les vociférations s'élèvent dans l'aigu. Enfin le Clouque attrape à pleines mains la longue crinière rousse et la tire brutalement vers l'arrière, démasquant ainsi le visage de la prisonnière qu'il force à se tourner dans tous les sens pour que les spectateurs, de plus en plus montés, n'en perdent rien. La prisonnière est très pâle mais impassible. Sa figure est large, de proportions harmonieuses, le nez droit, les lèvres charnues. A peine quelques rides aux commissures et des pattes-d'oie au coin des yeux qu'elle ne baisse pas. Des yeux usés, d'un bleu pâli, ceux des bergers de transhumance, yeux étranges qui voient au loin avec ce regard qui semble pourtant tourné vers l'intérieur. Elle n'esquisse pas le moindre geste pour éviter les projectiles, débris de boîtes de cigares, emballages froissés, tout ce que les pillards du débit de tabac ont jeté par terre et que les plus montés ramassent à présent. Enfin, les forces attaquent la chevelure en prenant leur temps, avec, entre chaque mèche, de grands moulinets de ciseaux qui cliquettent dans le vide. A mesure qu'apparaît la peau blanche du crâne, les applaudissements crépitent et les gens commencent à rire. Ils se regardent rire les uns les autres, comme si chacun avait peur de rester le seul impassible, car alors toute tiédeur devient suspecte. Ainsi les rires se multiplient, se nourrissant les uns des autres à chaque boucle qui tombe, jusqu'à devenir un fracassant fou rire qui secoue Bouscassel, d'autant plus violent qu'il est né d'une longue peur. Le coiffeur jette les frisettes et les mèches aux mains qui se tendent. Le soleil une seconde, au passage, les transforme en lambeaux sanglants. Quand la tonte est terminée, le Clouque salue dans une révérence outrée désignant d'une main son oeuvre. Alors, suivant une voix surexcitée qui se met à brailler : « Allons enfants de la Patrie... », la populace entonne La Marseillaise. Assis sur le marchepied de la charrette, tourné vers la tondue, le Pétronille, un gros homme flasque, la main droite mutilée, n'arrive pas à retenir de gros sanglots d'enfant. Mais le Clouque trouve autre chose. Il enlève le panneau infamant. Il pose ses mains sur les épaules de la tondue et d'un coup il fait tomber le corsage. C'est d'abord deux robustes épaules, bien rondes, d'une chair délicate. »
Jean-Pierre Chabrol (11 juni 1925 – 1 december 2001) Cover
De Engelse dichter en schrijver Ben Jonson werd geboren rond 11 juni 1572 in Westminster, Londen. Zie ook alle tags voor Ben Jonsonop dit blog.
Third Charm from Masque of Queens
The owl is abroad, the bat, and the toad, And so is the cat-a-mountain, The ant and the mole sit both in a hole, And the frog peeps out o' the fountain; The dogs they do bay, and the timbrels play, The spindle is now a turning; The moon it is red, and the stars are fled, But all the sky is a-burning:
The ditch is made, and our nails the spade, With pictures full, of wax and of wool; Their livers I stick, with needles quick; There lacks but the blood, to make up the flood. Quickly, Dame, then bring your part in, Spur, spur upon little Martin, Merrily, merrily, make him fail, A worm in his mouth, and a thorn in his tail, Fire above, and fire below, With a whip in your hand, to make him go.
To Censorious Courtling
COURTLING, I rather thou should'st utterly Dispraise my work, than praise it frostily: When I am read, thou feign'st a weak applause, As if thou wert my friend, but lack'dst a cause. This but thy judgment fools: the other way Would both thy folly and thy spite betray.
Ben Jonson (ca. 11 juni 1572 – 6 augustus 1637) Anoniem portret in de Royal Shakespeare Theatrein Stratford-upon-Avon
Uit:The House of the Sleeping Beauties (Vertaald door Edward Seidensticker)
“As Eguchi looked away his eye fell to his wrist watch. "What time is it?" "A quarter to eleven." "I should think so. Old gentlemen like to go to bed early and get up early. So whenever you're ready." The woman got up and unlocked the door to the next room. She used her left hand. There was nothing remarkable about the act, but Eguchi held his breath as he watched her. She looked into the other room. She was no doubt used to looking through doorways, and there was nothing unusual about the back turned toward Eguchi. Yet it seemed strange. There was a large, strange bird on the knot of her obi. He did not know what species it might be. Why should such realistic eyes and feet have been put on a stylized bird? It was not that the bird was disquieting in itself, only that the design was bad. But if disquiet was to be tied to the woman's back, it was there in the bird. The ground was a pale yellow, almost white. The next room seemed to be dimly lighted. The woman closed the door without locking it, and put the key on the table before Eguchi. There was nothing in her manner to suggest that she had inspected a secret room, nor was there in the tone of her voice. Here is the key. I hope you sleep well. If you have trouble getting to sleep, you will find some sleeping medicine by the pillow. "Have you anything to drink?" "I don't keep spirits." "I can't even have a drink to put myself to sleep?" "No." "She's in the next room?" "She's asleep, waiting for you." "Oh!" Eguchi was a little surprised. When had the girl come into the next room? How long had she been asleep? Had the woman opened the door to make sure that she was asleep? Eguchi have heard by an old acquaintance who frequented the place that a girl would be waiting, asleep, and that she would not awake. But now that he was here he seemed unable to believe it.”
Yasunari Kawabata (11 juni 1899 — 16 april 1972) Poster voor de gelijknamige film van Vadim Glowna uit 2006
“GUY. You mean the hotel? That's the nearest I got to a job. They didn't need any musicians ... 'But we've got an opening for a kitchen boy' ... 'Opening', mind you! I should have told him, his opening was my back door. Another bloke gives me a pat on the back after I've blown three bars and says, ever so nicely: 'You boys is just born musicians ... born musicians I tell you. You got it in your soul.' So I says: 'But a job, Mister?' And he says: 'Nothing doing. Too many of you boys being born.' You know something, Reb? I should have settled down to book learning. That way you always eat. Like Willie. Now there's a smart Johnny. REBECCA. 'Willie's all right. GUY. All right! He's more than just right, he can't go wrong. REBECCA. He's just like any other fellow. GUY. I didn't mean it that way. I know Willie can go wrong, if he does some stupid thing. What I mean is, it's up to himself. But like me now ... I know I play well, everyone says so, even some of the top boys. But how does that help me? I still get buggered around. And the way I see it Willie won't make no mistakes. What's this latest thing he's up to? REBECCA. You mean the course? GUY. Yes, that's it. REBECCA. First year B.A....Correspondent. GUY. There, you see. Now who but Willie would think of that. [Pause.] Now ... actually ... where does that get him? REBECCA. if he passes, to his second year. GUY. Well, what do you know! [Pause.] And then? REBECCA. The third year. GUY. Doesn't it end sometime? REBECCA. If he passes that, he gets his degree. Bachelor of Arts.”
Athol Fugard (Middelburg (ZA), 11 juni 1932) Scene uit een opvoering in Johannesburg, 2014
De Nigeriaanse dichter, schrijver, architect, en milieuactivist Nnimmo Basseywerd geboren in Akwa Ibom op 11 juni 1958. Zie ook alle tags voor Nnimmo Basseyop dit blog.
Uit: Power of poetry for global transformation
“Poetry and song capture our understanding of life and provide us with platforms to express ideas that may otherwise be inexpressible. Poetry represents memory as well as vision. It is the chant as well as the wail. It could come as joyous and exuberant calls, it could also come as a dirge marking the crossing of the slim line between here and there, between life on this plane and life across the river. The poet could be a story teller, the griot, or the prophet. With eyes closed she sees worlds that open-eyed folks are unable to comprehend. In sum, poetry is an expression of life. Poetry played a central role in the precolonial African community. It still does. However, poetry in the form of song is the dominant format in contemporary society. Dreams are woven and conveyed through poetry. Defiance and censure equally find potent expression in the medium. In other words, poetry can be subversive and rallying cry for change. As a poet, I have noticed a progression in my relationship between my thoughts, experiences and words. As a young poet, I was drawn to the humour found in rhymes, limericks and the like. Poetry provided an escape route in my struggles to understand the murky terrain of life. It should be said that I grew up in at a time when my country and continent faced serious political struggles. In the mid 1960s my country was embroiled in the Nigeria-Biafra civil war. As a child I was witness to brutality and suffered displacement and the indignities of being a refugee in my own country. Thereafter, the struggle for independence in other parts of Africa utterly radicalised by sensibilities. As all these were going on, Nigeria suffered years of military dictatorship. Add to these, the economic violence visited on Africa by international financial institutions left deep questions. How do you say no in thunder? – to use a phrase from one of the poems the poet Christopher Okigbo (16 August 1932-1967). Okigbo died fighting for the Biafran cause.”
Tags:William Styron, Sophie van der Stap, N. P. van Wyk Louw, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Ben Jonson, Yasunari Kawabata, Athol Fugard, Nnimmo Bassey, Romenu
Not as a dove the Holy Spirit came to the disciples gathered in a room, but as a violent wind and tongues of flame.
A cyclone roared the ineffable name as fire on each blushing brow did bloom. Not as a dove the Holy Spirit came
to give sight to the blind and heal the lame and raise the dead and dispel error’s gloom, but as a violent wind and tongues of flame.
The Breath of God is anything but tame. Who dally with it dally with their doom. Not as a dove the Holy Spirit came, but as a violent wind and tongues of flame.
Mark DeBolt (Coldwater, 9 april 1968) First Presbyterian Church in Coldwater, Michigan, de geboorteplaats van Mark DeBolt
“Hij bracht haar in den salon: een donker vertrek; in het midden een tafel vol tijdschriften, gerangschikt in een regelmatigen, nog ongelezen cirkel; twee dames, klaarblijkelijk Engelsch, en van het esthetische genre - groezelige haren, lossige blouses, - zaten, in een hoek, in haar Baedekers te studeeren, vóor zij uit gingen. Cornélie boog even het hoofd, maar ontving geen groet terug; zij nam het niet kwalijk, al bekend met Albionsche reismanieren. Zij zette zich aan tafel en nam den Romeinschen ‘Herald’ op, het blad, dat om de veertien dagen verschijnt en waaruit men leert, alles wat er die weken te doen is in Rome, en nù vroeg een der dames haar, uit haar hoek, agressief: - I beg your pardon, maar zal u, als-u-blieft, den Herald, niet naar uw kamer meênemen? Cornélie richtte heel hoog en kwijnend haar hoofd in de richting op, waar de dames zaten, zag vaag over hare groezelige hoofden heen, zeide niets en blikte weêr terug in den Herald, en zij vond zich zeer bereisd en glimlachte inwendig, omdat zij wist hoe men deed tegen dit genre van Engelsche dames. De marchesa trad binnen, en verwelkomde Cornélie in het Italiaansch, in het Fransch. Zij was een groote dikke matrone, vulgair dik; haar ampelen boezem omspande een zijden kuras of spencer, dat glom op de naden en barstte onder de armen: haar grijze frizuur gaf haar iets van een leeuw; de groote geel en blauw gebistreerde oogen sperden een blik open, onnatuurlijk van bella-donna; in hare ooren regenboogden ontzaglijke kristallen, en naamlooze êelgesteenten waren aan hare dikke vette vingertjes gerist. Zij sprak heel vlug, en Cornélie vond hare frazen even gezellig huiselijk als de verwelkomst van den krukkenden portier op het stationplein. Zij liet zich door de marchesa geleiden naar den lift, en steeg met haar in: de hydraulische lift, een getraliede kooi, opgaande langs de trappen, steeg plechtig en bleef eensklaps roerloos, tusschen tweede en derde verdieping. - Derde verdieping! riep de marchesa naar omlaag. - Non c'è aqua! riep het knoopenjongetje kalm terug, daarmeê willende beweren, dat - hetgeen heel natuurlijk scheen, - er geen water genoeg was om den lift in beweging te stellen.”
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923) Cover
De Nederlands dichteres en schrijfster D. Hooijer(pseudoniem van Catharina Antonetta (Kitty) Ruys-Krijgers Janzen) werd geboren in Hilversum op 10 juni 1939. Zie alle tags voor D. Hooijer op dit blog.
Milly Wiers
wind die de rails nam rook naar ijzer
kinderen roven en grootbrengen daar had ik argumenten voor toen ik berustte wilde ik op reis, door blond gekust
aan het spoor stond boerenkool die rook naar wind uit steden treinen droegen jongens langs met gekmakend zelfstandige blik dan stilte en geklik in palen
nu gaan mijn liefdes lezend voorbij gras dat altijd voor konijnen was is opgegroeid en buigt bij treinen glas door onbekende aangeboden verstolen oberhand wijst op een rug halfrond de draaideur nabeeld als ik mijn ogen sluit van roze haar of kaal rood hoofd prins van mijn soorten: wel ver uiteen weggelegd voor elkaar besteed aan mij geen woningen
ligustergeur, te zoet te zuur door de windstille straat de jongen met het zwart haar ramen open, mes in de tafel dan ben ik zo goed als verhuisd eens zat hij in alle tuinen rechtop zo streng opgevoed mooi sloten zijn handen om namaak chinese theekommen later verdwenen zijn vodden in de straat bestaat verschil tussen rovers en zwervers als de pianostemmer speelt hoor je iets roodfluweels bloemen van bloemgordijnen gaan in vazen staan
gedenk mij, speelt hij ik ben de pianist, die pianostemmer wred ik trommel viooltjes op uit iedere oude kast mijn moeder is van adel bij haar verloor ik haren, wilde aanslag zij schrijft je rekeningen met bloedblauwe inkt
In 't meer, omkranst met wilgen en platanen, Wier top de bodem peilt, staart avond-gloed En spiegelt zich: de wind wiekt aan, en spoedt Zich naar de kim.... En met hem gaan de lange water-banen, De lauwe geuren.... Het rozen-blad op de gefronsde vloed, Het deinend dons der dommelende zwanen....
Op de top
Lig daar, mijn wandelstaf! Hier is de top, En met de blauwe wolkjes, die er krullen Rijst uit het dal de rust naar boven op, Waar zich het wolkloos ruim mee schijnt te vullen;
De bergen wijken, breed van rug en kop, Die ze in een waas van matte nevel hullen. - Uit d' afgrond lacht gezang en steengeklop... Of dan die mensen nimmer rusten zullen?
Daar zwoegen ossen voor hun zware vracht, Ginds lijmt de bij haar zoete raten dicht, En kraait een haan zijn liedje van victorie:
't Juicht alles in 't bestaan, en heeft de plicht Van vrolijk-zijn nog nooit zo blij betracht.... En 't ontevreden stadskind droomt van glorie?
Dorpsdans
De vedel zingt, waar roos en wingerd-ranken Verliefd omhelzen 't huis des akkermans, En gloeien in de avond-purper-glans, - En twintig menschen rijzen bij die klanken;
Het avond-maal heeft uit: van dis en banken Verdween der jonkheid blij geschaarde krans, - De vlugge voeten reien zich ten dans, En de arm buigt om de leesten heen, de slanken:
Daar tripplen zij en stampen naar de maat, Terwijl de kroezen op de dis rinkinken, - En naar de wangen stijgt het vrolijk bloed:
De oude, die daar op de dorpel staat, Ziet men de vreugd uit lachende ogen blinken, Tevreden, dat hij leeft, en leven doet.
Jacques Perk (10 juni 1859 – 1 november 1881) Dordrecht
“— We’ll have a good dinner, DeLereo had said happily, get on board and turn in. When we get up we’ll have passed the Gulf Stream. It began that way but ended differently. The sea was very rough. They never did cross the Gulf Stream—the captain was from Long Island and got lost. DeLereo paid him fifty dollars to turn over the wheel and go below. — Do you know anything about boats? the captain asked. — More than you do, DeLereo told him. He was under an ultimatum from Adele, who was lying, deathly pale, in their cabin. — Get us into port somewhere or get ready to sleep by yourself, she’d said. Philip Ardet heard the story and many others often. He was mannerly and elegant, his head held back a bit as he talked, as though you were a menu. He and Adele had met on the golf course when she was learning to play. It was a wet day and the course was nearly empty. Adele and a friend were teeing off when a balding figure carrying a cloth bag with a few clubs in it asked if he could join them. Adele hit a passable drive. Her friend bounced his across the road and teed up another, which he topped. Phil, rather shyly, took out an old three wood and hit one two hundred yards straight down the fairway. That was his persona, capable and calm. He’d gone to Princeton and been in the navy. He looked like someone who’d been in the navy, Adele said—his legs were strong. The first time she went out with him, he remarked it was a funny thing, some people liked him, some didn’t. — The ones that do, I tend to lose interest in. She wasn’t sure just what that meant but she liked his appearance, which was a bit worn, especially around the eyes. It made her feel he was a real man, though perhaps not the man he had been. Also he was smart, as she explained it, more or less the way professors were.”
“3 januari De zaal van Bellevue, waar het VPRO-programma Piet Ponskaart wordt uitgezonden, was opgeluisterd door slingers, lampjes, topless juffrouwen die taartjes en cider ronddeelden. Henk Spaan oogstte succes, naast Brandt Corstius en Wim T. Schippers. Ook zijn versje (onderwerp: met wie doe je het het liefst?) viel goed bij het publiek. Simon van Collem, Jan de Bont en Monique van de Ven werden geïnterviewd. Na afloop van het programma gingen we naar Américain. In een groot gezelschap zitten voelt altijd onwennig. ‘Ik kan niet meer werken,’ zegt Eva Biesheuvel. ‘Om Maarten. Ik moet thuisblijven.’ Maarten had de hele dag in bed gelegen, hij had liggen piekeren, was er moe van. Na het eten ging hij met een slaappil weer naar bed. Eva is altijd in zijn buurt. Ik zou gek worden als ik dagenlang een man om me heen zou hebben. Ondanks alles heeft Maarten het afgelopen jaar een aantal verhalen geschreven. Ik zeg hem dat ook herhaaldelijk en hoop dat het hem troost.
5 januari De assistente van Thomas Rap had me wat te vertellen, zei ze. En ze vertelde dat Rap zijn uitgeverij naar Baarn wil verhuizen en dat ze niet mee wil. Ze zou sowieso ontslag nemen, want ze had er genoeg van. Waarvan? ‘Streken,’ zei ze en legde met ‘ssst’ een vinger tegen haar lippen. Ze heeft ook haar buik vol van feministen, wil een eigen uitgeverijtje beginnen voor uitsluitend vrouwen, maar niet voor radicale vrouwen. Of ik dat geen goed idee vond? Ik raadde haar aan Boosaardige Boeken uit te geven in de z.g. BoBoreeks.”
“Blijkens een inscriptie is het in 2006 onthuld. Dan pas realiseer ik me dat op deze plek aan de kade de beruchte Kresty-gevangenis als gruwelvesting oprees en dat Achmatova hier dag in, dag uit in de sneeuw of in de vochtige wind stond te wachten, in de hoop nieuws over haar gearresteerde zoon te krijgen. Op de sokkel van het standbeeld staan de toepasselijke regels uit Requiem:
Ik bid niet louter voor mijzelf dit uur, Maar ook voor wie zich daar met mij bevonden, Voor hen die bij die rode blinde muur In barre kou en juli-hitte stonden.
De muur is nog altijd rood, de Kresty heeft nog altijd de vorm van een kruis (krest betekent ‘kruis’), maar in het gebouw zitten sinds kort geen gevangenen meer opgesloten. Het wordt verbouwd; borden geven aan dat de nieuwe bestemming een luxueus hotelcomplex zal zijn – wat de aanblik niet minder grimmig maakt. Het beeld van Achmatova steekt er scherp bij af; het is zeker drie meter hoog, het is rank, fier, trots, met een vrouwelijke maar bovenal aristocratische verfijndheid. Zelfs als ik er pal voor sta, houd ik het voor een uitvergroot Giacometti-beeld, door de extreem lange armen en de extreem dunne benen. Natuurlijk moet ik even later ook aan de tekeningen en portretten denken die Modigliani van haar maakte tijdens haar enige verblijf in het buitenland, in Parijs. Als een van de eersten werd Modigliani verliefd op haar langgerekte gezicht, haar smalle neus en haar dicht bij elkaar staande, onderzoekende ogen. Ik leg verkeerde verbanden; de maker van het beeld is een Russin, Galina Dodonova, en haar stond het Bijbels beeld voor ogen van Lots vrouw die het hoofd omdraait en in een zoutpilaar verandert.”
Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949) Sint–Petersburg
Saul Bellow, Ion Creanga, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Antun Mihanović, Tijl Nuyts
De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellowwerd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook alle tags voor Saul Bellow op dit blog.
Uit: Ravelstein
“Odd that mankind's benefactors should be amusing people. In America at least this is often the case. Anyone who wants to govern the country has to entertain it. During the Civil War people complained about Lincoln's funny stories. Perhaps he sensed that strict seriousness was far more dangerous than any joke. But critics said that he was frivolous and his own Secretary of War referred to him as an ape. Among the debunkers and spoofers who formed the tastes and minds of my generation H. L. Mencken was the most prominent. My high school friends, readers of the American Mercury, were up on the Scopes trial as Mencken reported it. Mencken was very hard on William Jennings Bryan and the Bible Belt and Boobus Americanus. Clarence Darrow, who defended Scopes, represented science, modernity, and progress. To Darrow and Mencken, Bryan the Special Creationist was a doomed Farm Belt absurdity. In the language of evolutionary theory Bryan was a dead branch of the life-tree. His Free Silver monetary standard was a joke. So was his old-style congressional oratory. So were the huge Nebraska farm dinners he devoured. His meals, Mencken said, were the death of him. His views on Special Creation were subjected to extreme ridicule at the trial, and Bryan went the way of the pterodactyl - the clumsy version of an idea which later succeeded - the gliding reptiles becoming warm-blooded birds that flew and sang. I filled up a scribbler with quotes from Mencken and later added notes from spoofers or self-spoofers like W. C. Fields or Charlie Chaplin, Mae West, Huey Long, and Senator Dirksen. There was even a page on Machiavelli's sense of humor. But I'm not about to involve you in my speculations on wit and self-irony in democratic societies. Not to worry. I'm glad my old scribbler has disappeared. I have no wish to see it again. It surfaces briefly as a sort of extended footnote.”
Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu en R.C. Johnston)
“Heigh ho! Once I heard of the priesthood and of our priest's little Smaranda, I gave up the flies completely and turned my thoughts to other things. I began to take to writing, to preparing the censer in church, to singing second, as if I were a respectable youngster. The priest put me down in his good books and little Smaranda flashed a glance at me now and then; Master Vasile entrusted the coaching of other boys to me, and, as the saying goes, a different kind of flour was now being ground in the old mill. Nică, Costache's son, loutish and bullying, with his grating voice, had no further hold over me. But man proposes and God disposes! One day, in actual fact it was St. Foca's Day, the mayor ordered the villagers out to repair the road. The rumour went that the Prince was going to ride that way to visit the monasteries. Master Vasile found nothing better to do than to say: "Come on, boys, let's help with that road, so that the Prince shan't say, as he passes through, that our village is lazier than the others." So we all set out from school together. Some of us dug with spades, some carried stones in wheel-barrows, some in carts, some in kneading-troughs; in short, the people worked with a will. The mayor Nică, son of Petrica, with the overseer, the deputy-mayor and a couple of tousle-headed clerks, were moving to and fro among the people, when, all of a sudden, what should we see but a scuffle on the gravel, a crowd of people in a confused heap and one of them yelling out loudly. "What can this mean?" people were saying, as they ran from all sides. Master Vasile had been caught with a lasso by the press-gang; they were now roping him tight and handcuffing him, preparatory to sending him off to the town of Piatra. So that's why the mayor had summoned the people to communal labour! This was the way with deceptions such as these, that young men were in those days press-ganged into military service... This was an evil sight indeed!”
Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889) Cover Roemeense uitgave
We walked on, crushing the reeds and arrived at the valley; smoking, we leant against the ancient rocks. We crouch on tbe earth - dear carth!- but they stand upright - chacun a son gout! They say tbey are descended from gods and their mansions have courtyards and fountains; They play poker to the death on their rigged tables, they stack the cards and throw their bone chips for results, They drink water from silver cups - blessed water! - we from the hollow of our hands. 'They have the fingers of cheats, ours are bony and workworn, They fall and bleed like rotten rowan trees and ache all night long. And we mount the oxcarts to move away. The mountain-path is easier at night. We wait for the sparsely-feathered farm-bird to sing; but from a distance the little bastard is silent on our tree.
They turned their fiery, sharp, savage weapons against us, with their long-shadowed cruel spears, murderous as guns and mortars, shells and bazookas! We pruned the tree-trunks, thinned the tobacco-seedlings, hoed the cotton automatically, how can we stop caring for them? Our wives like deer with young, humbled, sweaty, some with a hoe or a sickle, poppies on the plain bleeding inwardly.
It's evening, white as sheep's wool the Pole Star is born, a rustling tremor moves mountain and rock. When it says, 'Come!' you must up and leave, impossible not to leave! Rainbows between two ages, great absorbent waterspouts moving in darkness, gushing skywards with rocks and earth, And naked babies, village huts like leeches clinging to a barren mountainside, no windows, no tiles, made of poverty-stricken, sundried mudbricks.
“Mit vierzig. Im einundvierzigsten Lebensjahr. Als Gast, legal alsGast. Immer noch einen Tag. Schon der neunzehnte! Erst schonder neunzehnte, dann schon der zwanzigste! Die ganze ZeitMärz. Am ersten März eingezogen und jetzt auf einmal beeiltsich die Zeit, fängt zu rennen an. Und ich auch. Einen Regen-schirm mit und schnell-schnell alle Tage! Nutzt auch nix – wegdie Zeit und vergangen. Wie hat das geschehen können? Du hastsie aufgebraucht und das reut dich jetzt. Das hätte nicht seinmüssen. Vergangen die Zeit. Und bleibt vergangen. Schnell mitdem Schirm, große Schritte. Früher nie einen Regenschirm mitund jetzt nie mehr ohne. Durch die Trennung ein andererMensch: ein Mensch mit Regenschirm, mit Bedenken und Vor-behalten (die in seinem Kopf nach Dringlichkeitsstufen sortiertsind). Wie ging das denn zu? Im November einmal ein Regen-abend und zum Ersticken mein Leben. Gleich nach der Tren-nung. Die Wohnung wie unter der Erde. Und da hast du denalten Schirm, Karos, Streifen, Pünktchen, unregelmäßig verbli-chen ein Muster aus drei Sorten Grau, hast einen der beiden al-ten Regenschirme im Flur mitgenommen und schnell aus demHaus. Und seither mit diesem Schirm durch die Welt. Der Stoffeingerissen. Die Speichen verbogen. Der Griff wackelt. Ammeisten im Regen wackelt der Griff. Am Griff eine Schraube,die vorsteht. Nur schnell! Immer schneller! Im Geniesel, imRegen, besser noch schnell vor dem Regen her. Geduckt, einGespenst, ein eiliger Schatten. Und so durch den Spätherbst und Winter. Erst ein Regen- und dann ein Schneewinter. Mit Schirm. Ein Mensch, der sich selbst nicht mehr traut. Immer den Schirmmit und mich daran festhalten. Auf jedem Weg. Als könnte ichandernfalls nicht auf der Welt bleiben. Früher nie einen Schirm.Früher mit Zuversicht und verträumt, laß dir Zeit, und die Weltmir entgegen. Vielleicht noch aus Staufenberg, vielleicht sogarnoch von meiner Mutter der Schirm. Vielleicht hat Sibylle ihnvor Jahren einmal gefunden.”
in het beenzwarte licht van een stroboscoop staat een dwerg met gesprongen lippen naar me te wuiven ik wou dat hij mijn zoon was
ik kan het niet aanzien en ga op reis
halfweg september kom ik aan in de vossenstad in het gras tussen de rails van het station zitten sleutels verstopt, maar zelfs de simpele tover van een anagram ontgaat de luie lezer: azimut de stoter die slaand de verzen vouwt
rum met een reukje eraan in de bultenaarsschaduw van de radcliffe camera, de snijbloemgeur van kaneel en uraan
de jongens die op onze kleuterklasfoto’s staan kijken toe hoe ik de taal die mensen spreken naar mijn roofridderburcht sleep
kijk! onze silhouetten op slot tegen de akelmuur een superman-t-shirt als een vlag om haar gespierde lichaam in de nok voorbij de knik hikt ze soera’s in het schrift
We zijn weer buitengaats in een fluistercampagne van grijzen. Onze bewegingen, langzamer en royaler op de daagse golfslag, worden plichtplegingen op afstand.
Verder van elkaar houden we kontakt via radio Scheveningen. Ons wacht eender haven in schakeringen van zwart. Andere haven, eender nacht.
Ducunt volentem fata, nolentem trahunt (Seneca)
Niet alleen het oudje tegen de wind in langs de oever, ook de wielrenner die haar tegemoet snelt met stampende sokken en zelfs de minnaar aan het water die langzamer kust omdat de tijd zo schoksgewijs verstrijkt,
alsmede de roeier: rugwaarts glijdt hij voort en zijn blik beslaat onverschrokken waarnaar zijn zog wijst.
En wie zelf niet gaat wordt getrokken.
IJskristallen
Zo koud werd het in huis, zo koud was de winter dat we vastvroren aan elkaar.
Elke poging tot een gebaar ging verloren in splinters ijs op de huid. Elk geluid werd flinterdun.
Toen de dooi inviel smolt ook de glasheldere pijn die ons zo omzichtig had aangeraakt.
O, dat ijskoud liefhebben dat mijn samenzijn met jou mogelijk maakt, onmogelijk maakt.
Kom hier, dat ik je bijt, je als een appel eet, en - zoals dat gaat - van blijdschap niet meer weet waar ik mijn handen laat. Je bent een boomgaard, eigenlijk, waarvan ik graag de vruchten pluk, de bloesems ruik, zoals vandaag. Kijk maar: weer raak ik hier mijn handen kwijt, nu ik je in mijn armen bijt en als een appel eet, en weet hoe liefde smaakt.
Sterk
Ik dacht dat het niet kon: dat iets wat je niet ziet je alle dagen draagt en sterker maakt. Alsof je spieren krijgt van liefde. En kijk, het klopt: Het hart van oma slaat nog altijd over als ze opa ziet. Maar nu hij oud is en te bed, misschien nog net de hemel haalt, loopt oma sinds een poosje krommer en vraagt ze vaker om mijn arm. Zonder hem krijgt ze het huis niet warm en zelfs de hond zakt zuchtend naast de luie stoel. Dus is het waar dat liefde spieren geeft en op den duur ook vuur.
Dood
De kamer en het bed missen me niet, maar het boeket houdt het daar zonder mij misschien nog één dag uit, dan moet de engel die is aangeduid en mij heeft weggebracht de pijn verzachten en ook de bloemen onderspitten of, als iemand dat nog wil, ze tussen dikke boeken drogen met iets liefs erbij, ik denk aan: 'roos', of wat nog beter is: 'ter nagedachtenis'.
Uit: De verrader (Vertaald door Gerda Baardman en Bart Gravendaal)
“Veel vaders voeden die behoefte bij hun kinderen via moedwillige manipulatie die al in de prilste jeugd begint. Ze vinden het heerlijk hun kind op een vliegtochtje of op een ijsje op een koude dag te trakteren, of samen naar de Salton Sea en het natuurwetenschappelijk museum te gaan als het kind dat weekend bij hen is. De niet-aflatende goocheltrucs die dollars vanuit het niets lieten verschijnen en de psychologische manipulatie in de kijkwoning waardoor je dacht dat het uitzicht vanuit de tweede verdieping van het negentiendeeeuwse wonder in de heuvels, zo niet de hele wereld, binnenkort van jou zou zijn – het is allemaal bedacht om ons te laten denken dat ons leven zonder vaders en vaderlijke begeleiding een armzalig, Mickey Mouseloos ik-had-je-gewaarschuwd-bestaan zou zijn. Maar later, in je puberteit, na één toevallige straatbasketbalelleboog te veel, dronken middernachtsklappen op je harses, pufjes methamfetamine die in je gezicht worden geblazen, doormidden geknakte jalapeñopepers die over je lippen worden gewreven omdat je ‘fuck’ zei, terwijl je alleen maar net als papa wilde doen, kom je tot het besef dat de bevroren geneugten en de uitstapjes naar de wasstraat niets meer waren dan opvoeden onder valse voorwendselen. Listen en alibi’s voor hun eigen afgenomen geslachtsdrift, hun stagnerende nettosalaris en hun onvermogen te voldoen aan de verwachtingen van hun eigen vader. Het oedipale verlangen om de vader te behagen is zo machtig dat het alles regeert, zelfs in een buurt als de mijne, waar het vaderschap zich grotendeels in afwezigheid afspeelt, maar de kinderen toch plichtsgetrouw ’s avonds bij het raam zitten te wachten tot papa thuiskomt. Mijn probleem was natuurlijk dat papa altijd thuis was. Nadat alle foto’s van het bewijsmateriaal waren genomen, de getuigen waren ondervraagd en de macabere moordgrapjes waren gemaakt, tilde ik zonder mijn milkshake te laten vallen mijn vaders doorzeefde lichaam onder de oksels op en sleepte hem met zijn hielen over de gekrijte omlijning, over de gele genummerde markers bij de patroonhulzen, over de kruising, over het parkeerterrein en door de dubbele glazen deuren. Ik zette mijn vader aan zijn lievelingstafel neer, bestelde zijn ‘gebruikelijke recept’ – twee chocolademilkshakes met ijs en een groot glas melk – en zette alles voor hem neer. Aangezien hij vijfendertig minuten te laat was en bovendien dood, was de vergadering al begonnen, voorgezeten door Foy Cheshire, een in de vergetelheid rakende televisiepersoonlijkheid en voormalige vriend van mijn vader, die maar al te graag de leiderschapsvacature wilde opvullen. De situatie was even gênant. De sceptische Dum Dums die naar de zwaargebouwde Foy keken zoals de natie naar Andrew Johnson moet hebben gekeken nadat Lincoln was vermoord. Ik slurpte luidruchtig het restje van mijn milkshake naar binnen. Het teken om door te gaan, want zo zou mijn vader het hebben gewild.”
“Het is een grote schreeuwende, lachende, huilende bende, een bonkende teringzooi in mijn kop. Ik kan de man niet verstaan. Ik huil. ’Stil nou, alsjeblieft.’ Een knal voor mijn open ogen. Een vuist, zegelring, een fractie van een seconde, mijn vel scheurt open. ’Ik kijk je toch aan,’ hoor ik mijzelf jankend zeggen. De mensen lachen. Iedereen lacht. Zie mij staan! Minstens honderd mensen staan op dit podium, de Markt. Maarten de Buit speelt vandaag de hoofdrol. Hij staat, in al zij glorie, in het middelpunt van de belangstelling in het licht van de schijnwerper, de lantarenpaal. Langzaam, tergend langzaam laat hij zijn hoofd zakken en kijkt neer op zijn lichaam. Hij ziet zijn opengerukte hemd en de grote rode bloedvlek op zijn witte shirt. Zal hij weten, dat het bloed is dat van zijn gezicht naar beneden druppelt? Voelt hij de druppels donkerrood vocht aan zijn kin hangen? Smeltende rode ijspegel. Het in grote getale opgekomen publiek geniet, het staat in opperste verbazing. Het koor zingt een kort stuk van de Johannes Passion: Wer hat dich so geschlagen? Onze held hangt bloedend aan de schandpaal. Het is stil geworden. De wereld is heel even stilgezet. God geeft me een kort moment van rust. Ze slaan, schoppen niet meer. Alles gebeurt zo verschrikkelijk langzaam. Laat er iets gebeuren, laat er alsjeblieft iets gebeuren. Er wordt tegen me gepraat. ’Je blijft voortaan met je gore poten van m’n zus af.’ Ben ik gek geworden? Mijn ogen zijn nog maar half open. Ik kan alleen nog maar janken... Schreeuwend smeken. ’Alsjeblieft stop nou! ’ Geen genade. Zegelring. Bonken in mijn hoofd, vuisten voor mijn ogen, niijn neus, mijn lippen. Ik word weer overeind getrokken, tegelijkertijd twee stompen in mijn maag. Happen naar adem. Blijven ademen, alsmaar blijven ademen. De dikke plakken vocht in mijn mond doorslikken, anders krijg je geen adem meer. Mijn tong is opgezwollen, ik heb er te hard op gebeten. Het doet pijn. De smaak van bloed ligt op mijn tong. Een mengsel van janken en mompelen is mijn stem. ’Ik ken uw zus niet, alstublieft, laat me met rust.’ ’Vuile vieze klootzak! Jij teringlijer, ik venmoord je.’ Mijn handen grijpen naar de lantarenpaal om m’n lichaam te beletten opnieuw om te vallen. Geen nieuwe stompen meer in mijn maag. ’Het spijt me, ik smeek u...’ Ik hoor mijn eigen stem al bijna niet meer. Ik wankel en draai een halve slag, direct ligt er een hand op mijn schouder om mijn lichaam weer om te draaien. Een laatste vuist in mijn gezicht, alles klapt uit mekaar.”
“Die had toen een koe met uierontsteking en een zuigeling van zeven maanden, die hoestte. Treeborg zat toentertijd nog te krimpen in Diestel en hield er een eigen apotheekje op na. Zodra Vlimmen klaar was met de koe, legde Janus zijn vinger langs zijn neus en zei, dat meneer dokter toch 'ns efkens binnen moest komen om naar de kleine te kijken: ‘Gullie hebt er toch ook wel wà verstand af,’ meende hij, ‘meer as wij.’ Het kindje had 'n zware kou gevat en hoestte erg lelijk en dokter Treeborg had 'n fles gegeven, toen het hoesten al bijkans gedaan was. Maar toen het kijnd één lepeltje van het fleske had gehad, begon 't toch zo schrikkelijk lelijk te doen, dat dé vrouw en hij er bang van werden... Vlimmen ontkurkte een fles van 300 cc. en schrok. Zo'n slordig praeparaat had hij nooit aan een koe durven te geven. De terpentijn stonk de fles uit en de kamferschilfers dreven er duimdik bovenop. Hij keek eens in de wieg naar het kleine, iele bleekneusje en hier hielden alle vormen op. ‘Dit drankje is in 't algemeen heel goed,’ zei hij en nam zich voor zeer voorzichtig te zijn, ofschoon hij al w}arm werd. ‘Maar er zijn wel kinderen, die er niet tegen kunnen. Dat noemen we idiosyncrasie...’ Hier hield hij beschaamd op. Begon hij ook al voor charlatan te spelen? Toch moest je zo'n woord eigenlijk minstens drie keer gebruiken, vooral wanneer je er zeker van was, dat het niet verstaan werd... ‘Enfin, als ik jou was, hield ik op met dat flesje en zou ik eerst eens aan de dokter vragen, of het niet mogelijk is, dat dit kind er niet tegen kan. Zeg maar, dat je van mij gehoord hebt, dat zo iets wel meer voorkomt.’ Idiosyncrasie... goeie grut! Van zo'n drankje zou 'n olifant op z'n kop gaan staan... Hij vond, dat hij erg correct gebleven was, maar enkele dagen later kwam hij de koe nog eens bezoeken en de boer wist te vertellen, dat het manneke kwaad was geworden tegen de vrouw en heel nijdig had gezegd, dat ze door moest gaan tot de fles leeg was en dat ze zich niets van al die bakerpraatjes moest aantrekken... Janus Oerlemans was zo verstandig geweest om de fles in de pompsteen te gieten en het ‘kijnd’ leefde nog. Vlimmen heeft het onlangs nog gezien; het is nu een aardig kereltje van een jaar of vijf, net als Dop... Zal hij liever met Dop naar een matinee van het circus gaan, of beter vanavond met Truus? Als hij de wagen in de poort stuurt, komt Dop met een ontevreden gezicht op hem toe slenteren.”
Anton Roothaert (9 juni 1896 – 29 maart 1967) >Cover DVD
„Ab und zu wurde er gefeuert. Im Feuern waren die Briten Vorreiter. Zum Leben brauchten Flori und er, die sich so lange schon kannten, nicht viel. Einer wie er untersagte sich jedes Vorwärtskommenwollen. Bloß das Licht vermisste er immer unbändiger, aber weder in den Midlands noch in Berlin gab es einen Fleck, an dem ein Strahlen am Himmel stand wie früher auf der Feldmark, nicht mal draußen am Müggelsee, wohin sie in ihren Berliner Jahren zum Wandern, Paddeln und Schwimmen fuhren und wo sie später, als Flori schon gut verdiente, ein Sommerhaus mieteten. Unter dem Stahl-und-Glas-Dach des Hamburger Hauptbahnhofs stand das ersehnte Licht vielleicht an acht oder zehn Tagen im Monat, dann aber so, als hätte es sich des notorischen Schmuddelwetters wegen in die Halle zurückgezogen und würde nun dort aufbewahrt werden. Es schien zu warten, nicht bloß auf Reisende, die aus dem Zug stiegen und verblüfft waren von der Helligkeit, der Herrlichkeit, mit der die Hansestadt sie willkommen hieß; das Licht war eine Wohltat gerade für Einheimische wie ihn, die morgens vor dem Büro oder nach Feierabend über die Bahnsteige schlenderten, als wären sie Bahnangestellte in Zivil. Merz spürte in dem Licht, dass es für einen wie ihn anscheinend nur weniges gab, für das sich zu leben wirklich lohnte. Kinder, ja. Freundschaft, ja. Und vielleicht Liebe, und vielleicht Erinnerungen. In dem Leuchten lag eine rätselhafte, warme Zuneigung, und vieles, was er erlebt hatte, war ihm nur verständlich, weil es in diesem Licht geschehen war. Ein paar Tage, nachdem seine jüngere Tochter elf geworden war, fuhr er am Morgen mit ihr in die Innenstadt und brachte sie zum Zug. Lindas Klasse ging auf Klassenfahrt in den Schwarzwald, in ein Schullandheim im Kinzigtal. 23 Kinder und drei Lehrerinnen, dazu jede Menge aufgeregte Eltern, zumeist Mütter, warteten auf dem überfüllten Bahnsteig auf die Einfahrt des ICE, in dem für die Kids und ihre Aufpasser ein halber Waggon reserviert war. Es war ein Montagmorgen Anfang September, aber noch immer war das Ende des Hochsommers nicht in Sicht. Auf eine weitere drückend schwüle Woche sollten erneut lange Tage mit fast unerträglich heißen Temperaturen folgen.“
"Thank you." He walked back to the window. "What are you upset about," she said. "Some personal things." "Don't you want to talk about them?" "Well they wouldn't be of much interest to you, Mrs. Robinson." She nodded and sat quietly on the bed smoking her cigarette and dropping ashes into the wastebasket beside her. "Girl trouble?" she said. "What?" "Do you have girl trouble?" "Look," Benjamin said. "Now I'm sorry to be this way but I can't help it. I'm just sort of disturbed about things." "In general," she said. "That's right," Benjamin said. "So please." He shook his head and looked back out through the glass of the window. Mrs. Robinson picked up her drink to take a swallow from it, then set it down and sat quietly until she was finished with her cigarette. "Shall I put this out in the wastebasket?" Benjamin nodded. Mrs. Robinson ground it out on the inside of the wastebasket, then sat back up and folded her hands in her lap. It was quiet for several moments. "The bathroom's at the end of the hall," Benjamin said. "I know." She didn't move from the bed but sat watching him until finally Benjamin turned around and walked to the door. "Excuse me," he said. "I think I'll go on a walk."
Charles Webb (San Francisco, 9 juni 1939) Scene uit een uitvoering in Brighton, 2018
I Ich stieg auf Stufen zwischen Traum und Traum. Sie hingen links und rechts an meiner Hand Und blieben neben mir, wo ich still stand Und Atem holte: denn ich lebte kaum. Vor ihren Augen war ein Nebelflaum — Spinnwobner Duft, entsetzenvolles Band — Und Wand auf Wand vor ihren Händen schwand, Vor ihren blinden Augen Raum auf Raum:
Im Schwung der Türen standen ich und sie Vor einem Saal, der weit war wie ein Land, Leer wie der Tod, und wie der Himmel hoch: Am Boden lag zerrissen ein Gewand. Auf einem Bette saß Melancholie. Die Winde sangen und der Nebel flog.
II Ich sprach: „Du schläfst. Dein Blick ist starr und weit; Dein Haar, so schön es sei, ist wirr und schwer. Dein wundervoller Leib ist odemleer. Geh fort; steh auf; erwache; nimm dein Kleid." Sie schwieg; doch war ihr Mund vor Bitterkeit So grauenhaft zu sehn, daß ich nichts mehr Zu sprechen wagte, wie ich sprach vorher Und also bleich dastand endlose Zeit.
Dann sprach ich einen süßen Namen aus — Wie Kuß und Tränen lauteten die Laute — Das Weib saß eisern und sah bodenwärts Und lallte schlafend Gram und dumpfen Graus; Indes ich stumm in ihre Augen schaute, Vor Wut und Unglück schauderte mein Herz.
Rudolf Borchardt (9 juni 1877 – 10 januari 1945) In 1935
I Ich stieg auf Stufen zwischen Traum und Traum. Sie hingen links und rechts an meiner Hand Und blieben neben mir, wo ich still stand Und Atem holte: denn ich lebte kaum. Vor ihren Augen war ein Nebelflaum — Spinnwobner Duft, entsetzenvolles Band — Und Wand auf Wand vor ihren Händen schwand, Vor ihren blinden Augen Raum auf Raum:
Im Schwung der Türen standen ich und sie Vor einem Saal, der weit war wie ein Land, Leer wie der Tod, und wie der Himmel hoch: Am Boden lag zerrissen ein Gewand. Auf einem Bette saß Melancholie. Die Winde sangen und der Nebel flog.
II Ich sprach: „Du schläfst. Dein Blick ist starr und weit; Dein Haar, so schön es sei, ist wirr und schwer. Dein wundervoller Leib ist odemleer. Geh fort; steh auf; erwache; nimm dein Kleid." Sie schwieg; doch war ihr Mund vor Bitterkeit So grauenhaft zu sehn, daß ich nichts mehr Zu sprechen wagte, wie ich sprach vorher Und also bleich dastand endlose Zeit.
Dann sprach ich einen süßen Namen aus — Wie Kuß und Tränen lauteten die Laute — Das Weib saß eisern und sah bodenwärts Und lallte schlafend Gram und dumpfen Graus; Indes ich stumm in ihre Augen schaute, Vor Wut und Unglück schauderte mein Herz.
Tags:Maarten Doorman, Bart Moeyaert, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Mirko Bonné, Charles Webb, Rudolf Borchardt, Willy Roggeman, Romenu
Dolce far niente, James Whitcomb Riley, Marguerite Yourcenar, Nino Haratischwili, Jaroslav Rudi¨, Marie Howe, Frank Keizer
Dolce far niente
Een dag in juni door Isaac Levitan, ca. 1895
Knee-Deep In June
Tell you what I like the best -- 'Long about knee-deep in June, 'Bout the time strawberries melts On the vine, -- some afternoon Like to jes' git out and rest, And not work at nothin' else!
Orchard's where I'd ruther be -- Needn't fence it in fer me! -- Jes' the whole sky overhead, And the whole airth underneath -- Sort o' so's a man kin breathe Like he ort, and kind o' has Elbow-room to keerlessly Sprawl out len'thways on the grass Where the shadders thick and soft As the kivvers on the bed Mother fixes in the loft Allus, when they's company!
Jes' a-sort o' lazin there - S'lazy, 'at you peek and peer Through the wavin' leaves above, Like a feller 'ats in love And don't know it, ner don't keer! Ever'thing you hear and see Got some sort o' interest - Maybe find a bluebird's nest Tucked up there conveenently Fer the boy 'at's ap' to be Up some other apple tree! Watch the swallers skootin' past Bout as peert as you could ast; Er the Bob-white raise and whiz Where some other's whistle is.
Ketch a shadder down below, And look up to find the crow -- Er a hawk, - away up there, 'Pearantly froze in the air! -- Hear the old hen squawk, and squat Over ever' chick she's got, Suddent-like! - and she knows where That-air hawk is, well as you! -- You jes' bet yer life she do! -- Eyes a-glitterin' like glass, Waitin' till he makes a pass!
Pee-wees wingin', to express My opinion, 's second-class, Yit you'll hear 'em more er less; Sapsucks gittin' down to biz, Weedin' out the lonesomeness; Mr. Bluejay, full o' sass, In them baseball clothes o' his, Sportin' round the orchad jes' Like he owned the premises! Sun out in the fields kin sizz, But flat on yer back, I guess, In the shade's where glory is! That's jes' what I'd like to do Stiddy fer a year er two!
Plague! Ef they ain't somepin' in Work 'at kind o' goes ag'in' My convictions! - 'long about Here in June especially! -- Under some ole apple tree, Jes' a-restin through and through, I could git along without Nothin' else at all to do Only jes' a-wishin' you Wuz a-gittin' there like me, And June wuz eternity!
Lay out there and try to see Jes' how lazy you kin be! -- Tumble round and souse yer head In the clover-bloom, er pull Yer straw hat acrost yer eyes And peek through it at the skies, Thinkin' of old chums 'ats dead, Maybe, smilin' back at you In betwixt the beautiful Clouds o'gold and white and blue! -- Month a man kin railly love -- June, you know, I'm talkin' of!
March ain't never nothin' new! -- April's altogether too Brash fer me! and May -- I jes' 'Bominate its promises, -- Little hints o' sunshine and Green around the timber-land -- A few blossoms, and a few Chip-birds, and a sprout er two, -- Drap asleep, and it turns in Fore daylight and snows ag'in! -- But when June comes - Clear my th'oat With wild honey! -- Rench my hair In the dew! And hold my coat! Whoop out loud! And th'ow my hat! -- June wants me, and I'm to spare! Spread them shadders anywhere, I'll get down and waller there, And obleeged to you at that!
James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916) Greenfield, Indiana, de geboorteplaats van James Whitcomb Riley
Uit: Memoirs of Hadrian (Vertaald door Grace Frick, in samenwerking met de schrijfster)
“His mind, however, was not wholly uncultivated; after his death they found in his house a trunk full of mathematical instruments and books untouched by him for twenty years. He was learned in his way, with a knowledge half scientific, half peasant, that same mixture of narrow prejudice and ancient wisdom which characterized the elder Cato. But Cato was a man of the Roman Senate all his life, and of the war with- Carthage, a true representative of the stern Rome of the Republic. The almost impenetrable hardness of Marullinus came from farther back, and from more ancient times. He was a man of the tribe, the incarnation of a sacred and awe-inspiring world of which I have sometimes found vestiges among our Etruscan soothsayers. He always went bareheaded, as I was criticized for doing later on; his horny feet spurned all use of sandals, and his everyday clothing was hardly distinguishable from that of the aged beggars, or of the grave tenant farmers whom I used to see squatting in the sun. They said that he was a wizard, and the village folk tried to avoid his glance. But over animals he had singular powers. I have watched his grizzled head approaching cautiously, though in friendly wise, a nest of adders, and before a lizard have seen his gnarled fingers execute a kind of dance. On summer nights he took me with him to study the sky from the top of a barren hill. I used to fall asleep in a furrow, tired out from counting meteors. He would stay sitting, gazing upward and turning imperceptibly with the stars. He must have known the systems of Philolaus and of Hipparchus, and that of Aristarchus of Samos which was my choice in later years, but these speculations had ceased to interest him. For him the stars were fiery points in the heavens, objects akin to the stones and slow-moving insects from which he also drew portents, constituent parts of a magic universe in which were combined the will of the gods, the influence of daemons, and the lot apportioned to men. He had cast my horoscope. One night (I was eleven years old at the time) he came and shook me from my sleep and announced, with the same grumbling laconism that he would have employed to predict a good harvest to his tenants, that I should rule the world. Then, seized with mistrust, he went to fetch a brand from a small fire of root ends kept going to warm us through the colder hours, held it over my hand, and read in my solid, childish palm I know not what confirmation of lines written in the sky.”
Marguerite Yourcenar (8 juni 1903 – 17 december 1987) Tentoonstelling Marguerite Yourcenar en Hadrianus in Bavay, 2016
Uit: Het achtste leven (Vertaald door Elly Schippers en Jantsje Post)
“Op de avond dat Aman zei dat hij met mij 'normaal wilde worden; ging Brilka, de dochter van mijn dode zus en mijn enige nichtje, naar Wenen, naar een plaats die ze zich had voorgesteld als haar tweede thuis, als haar persoon-lijke utopie, en dat allemaal uit een gevoel van verbon-denheid met een dode vrouw. Van die dode vrouw, mijn oudtante en dus Brilkis overoudtante, had ze in haar fan-tasie haar heldin gemaakt. Ze wilde in Wenen de rechten op de liederen van haar overoudtante zien te krijgen. En door de sporen van die geest te volgen hoopte ze ver-lossing te vinden en een definitief antwoord op de gapen-de leegte in zichzelf. Maar daar had ik toen nog geen idee van. Nadat ik op de bank was gaan zitten en mijn gezicht in mijn handen had verborgen, nadat ik mijn ogen had uit-gewreven en Amans blik zo lang mogelijk had ontweken, wist ik dat ik weer zou moeten huilen, maar niet nu, niet op het moment dat Brilka door het raam van de trein het oude, nieuwe Europa voorbij zag glijden en voor het eerst sinds haar aankomst op het continent van de onverschil-ligheid glimlachte. Ik weet niet waar ze bij het verlaten van de stad met die kleine bruggetjes om moest glim-lachen, maar dat doet er niet meer toe. Het belangrijkste is dat ze glimlachte. Ik zou moeten huilen, dacht ik precies op dat moment. Om het niet te doen draaide ik me om, liep naar de slaap-kamer en ging op bed liggen. Lang hoefde ik niet op Aman te wachten; een verdriet als het zijne is heel snel te gene-zen als je ter genezing je lichaam aanbiedt — vooral als de zieke zevenentwintig is. Ik kuste mezelf wakker uit mijn doornroosjesslaap. En toen Aman zijn hoofd op mijn buik legde, verliet mijn twaalfjarige nichtje Nederland en passeerde ze in haar naar blikbier en eenzaamheid stinkende coupé de Duitse grens, terwijl haar nietsvermoedende tante hon-derden kilometers verderop liefde veinsde voor een zevenentwintigjarige schim. Ze doorkruiste Duitsland in de hoop verder te komen.”
Uit:Die Stille in Prag(Vertaald door Eva Profousová)
»Wie fühlt sich das an?« »Deine Brüste zu küssen?« »An meinem Herzen zu horchen!« »Lang.« »Wie: lang?« »Wie ein unendlich langer, fließender Song.« »Kein Techno?« »Genau die Art Song, die du haben willst.« »Ich will es auch mal hören.« Er streichelt sie. Oben. In der Mitte. Unten. Eine Weile lässt sie es zu. Sie stöhnt. Noch einmal. Als er nach ihrer Pobacke fasst, bewegt sie das Becken. Dann aber schiebt sie seine Hand auf die Bettdecke zurück. »Schluss.« »Woher weißt du, dass ich was wollte?« »Wir kennen das Spiel. Die Frau wird nur benutzt. Und ausgenutzt.« »Das musst ausgerechnet du sagen.« Vanda steht auf und geht zu dem beleuchteten Aquarium, das auf einem niedrigen Tisch steht, auf den in anderen Wohnungen eher der Fernseher gestellt wird. Sie klopft an die Glasscheibe, um den kleinen dicken Fisch zu begrüßen, der auf sie zugeschwommen kommt, und setzt sich auf den Parkettfußboden. Sie ist nackt, und die beleuchteten Pflanzen und Wasserbläschen im Aquarium werfen gelbe zitternde Lichtstreifen auf sie. Vanda sieht aus wie ein kleines Wasserzebra, das sich im tiefen, dunklen Ozean verlaufen hat. Sie ist nicht mehr die traurige, patzige junge Frau mit den schwarz gefärbten Haaren und der frischen Schultertätowierung, die Petr vor ein paar Stunden kennengelernt hat. Aus dem Nebenzimmer kommt Malmö und stupst sie gähnend mit der Schnauze an. Vanda krault sie zwischen den Ohren und Malmö streckt sich neben ihr aus.“
iedereen wil wel naar huis, zei je. er wordt gekookt voor activisten, seks is er lekker lui, je bent er vrij van de krachten van de markt en zo. ik weet wat je denkt, de revolutie heeft haar kinderen verminkt
en we praten er niet meer over. fluisterend misschien. over wat er de afgelopen tijd gebeurd is. de anderen, alles wat na het opsommen komt. niemand zou een enzovoort moeten zijn. daarom zijn we allemaal gebroken. ook het huis is ingestort, en dat noemen we nieuwbouw. zo verstild klinkt dit individualisme, dat de luidruchtigste band met de productieve wereld het innigste is. als je luistert, hoor je haar zingen, het is een parodie en gaat van huisje, boompje, weesje
ik dacht: er is een leer die taai geworden is. ik kauwde erop, vroeg me af wie het werkgezin vormden, wat we tegenover de familie zetten die aan tafel zat, de ethiek van de arbeid, het professionele knechtschap, de vaderpolitiek
zaten we niet scheef, jij en ik, in deze geschiedenis. wie gingen ons voor. en hoe konden we ze leren kennen door de waas van onze isolatie