Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
10-05-2011
J.C. Bloem, Herman Leenders, Didi de Paris, Petra Hammesfahr, Ralf Rothmann, Jeremy Gable
De korte liefde en 't lange lijden, Het wordt een ding, dat men vergeet. Herdenkt men 't nog, dan zegt men: 'k weet, Het was destijds niet te vermijden.
Benijdt men soms de niet-bevrijden Tot deze afwezigheid van leed? Toch, korte liefde en langer lijden, Het wordt een ding dat men vergeet.
's Verleden levens koud en heet Voelt men zich in de loop der tijden Vanzelf gelijk het uur ontglijden. O jeugd, was 't dit waarom men kreet? Men wordt een ding en men vergeet.
Herfst
Van 't najaar keren weer de schone dagen -
Van het hoeveelste? en hoeveel malen nog?
Tot het ontrijzen aan zijn nederlagen
Lokt den verslagene zijn zoet bedrog.
Dit is de tijd, dat men zou moeten lopen,
Gerooide velden langs of door een laan,
Aan 't eind waarvan een vergezicht gaat open
Op herfstland en een edeler bestaan.
En, thuisgekeerd, bij een vroeg vuur gezeten,
Den avond rekken met een schaarse kout,
Een enkel woord over de diepst-geweten
Bewogenheden, die het hart behoudt.
Of in de stad, voor licht-beslagen ruiten, Terwijl een dunne mist de grijze gracht
De vaas bleef bewaard sierlijk en versierd, honderden jaren, niet voor de bloemen of het water. De kast niet voor het hout noch voor de inhoud.
De schaal niet voor het fruit en het kasteel niet om in te wonen. Evenmin als er van jou iets overblijft in deze woorden.
De kikkerkoning
Gaat als een mes onder mijn vel. Vilt mij bevend. Blaast als een balg in mijn mond. Spartelt als een kikvors in mijn water: zijn schoolslag van de liefde, mijn prins die kwaakt.
Snakt als een drenkeling naar adem. Hapt als een vis. Slaat en ontglipt mij. Glijdt verzadigd tussen het lis. Valt er over zijn ogen een vlies
„Het verdronken jongetje… Zo sta jij in mijn geest gegrift. Het is de titel van één van je teksten - geen verhalen, gewoon korte en absurde teksten waarvoor het leven zelf model heeft gestaan. Je noemde het “Paraproza”. Waarvoor staat “para”? Voor “paranoia”? Burroughs omschreef de paranoïde als iemand die goed geïnformeerd was. Twee andere jeugdhelden van jou, Willem Frederik Hermans en Marquis de Sade, hadden het je ook al diets gemaakt: het universum ís sadistisch. Of een beschuldigde op het moment van de moord zich al dan niet op een totaal andere plaats bevindt is bijzaak. Freud had immers ook de mond vol over Real Nichtigkeiten. En die kreeg toch ook kanker aan zijn bek. Als dat geen bewijs is! In dit heelal kan men alles bewijzen (of ontkennen). Van alle wetenschappelijke wetmatigheden binnen de constant veranderende kosmos is logica nog het minst standvastig. Tractatus Logico-Philosophicus is een boek waar men vandaag graag zijn gat mee afveegt. Wittgenstein was een stom konijn. Ontsnapt uit Lewis Caroll. Het heelal is een sprookje van Grimm: zinloos en wreed. Het jongetje blijkt niet dood te zijn… Zelfs dat doet er niet toe! Laat ze maar eens bewijzen, slachtoffer en dader, dat ze geen jongetjes zijn met geheugenverlies, of waanzinnig, of zonder identiteit. Vergetelheid, gekte, persoonlijkheidsverlies, het zijn constanten in je werk. Heel je oeuvre draait om angst, zoals een kwaadaardige planeet rond zijn as.”
„Es war die Schuld seiner Mutter, einzig und allein ihre Schuld, daran gab es nichts zu rütteln. Sie hatte ihm schon früh diesen Abscheu eingeimpft, aus dem später Verachtung und irgendwann Hass geworden waren. Abgrundtiefer Hass auf alle Weiber, die so waren wie sie.
Wenn er aus der Schule kam, so mit elf, zwölf Jahren, hatte sie ihm oft im Morgenmantel die Haustür geöffnet. Manchmal trug sie gar nichts darunter, manchmal Unterwäsche, die diesen Ausdruck nicht verdiente. Das Makeup in ihrem Gesicht war zerlaufen, der Lippenstift verschmiert.
Und sie, ihr Bett, das ganze Schlafzimmer stank nach Kerl, war erfüllt von den Ausdünstungen zweier
Körper, die das miteinander getrieben hatten, was sie als «guten Sex» bezeichnete.
Mit seinem Vater hatte sie nie guten Sex gehabt, nur ehelichen Beischlaf. «Den Unterschied wirst du hoffentlich feststellen, wenn du älter bist, Schätzchen», sagte sie einmal zu ihm. Da war er dreizehn oder vierzehn und hasste es, wenn sie ihn Schätzchen nannte. Ihn schüttelte der Ekel, wenn sie ihm das Gesicht mit dem schweißfleckigen Make-up hinhielt, die verschmierten Lippen spitzte und fragte: «Was denn, kriege ich heute keinen Kuss?»
Sie küsste ihn grundsätzlich auf den Mund. Und mit dreizehn, vierzehn wusste er längst, dass sie kurz vorher den Schwanz von irgendeinem Kerl gelutscht hatte.“
„Carl winkte ab. Er hatte alles gesichert und stellte den Fernseher an. In Paris, und nicht nur dort, flogen Brocken durch die Luft, doch er lachte, klopfte mit der Hand auf das Sofapolster. Ich blieb stehen. Eine ganze Veranda schrammte über die Champs-Elysees, wie ein Schiff aus Plexiglas; kleine gelbe Aschenbecher rollten ihr voraus. Dann fiel eine Platane um, mitten auf die menschenleere Straße, alles splitterte, und die Äste ragten wie Arme durch die Fenster der Wagen.
Bei uns hatte es in der Nacht geschneit. Am Morgen war der Waldrand weiß gewesen, dann fegte Wind die Tannen frei, und von dem abschüssigen Feld vorm Haus stiegen Schneewirbel auf, immer wieder. Seltsame Formen oft, wie Menschen in langen Mänteln. Die Spanplatten, mit denen Carl den Wintergarten verkleidet hatte, rappelten gegen die Rahmen, ein knöchernes Geräusch, das nicht nur mir auf die Nerven ging. Fips, sein Jagdteckel, verkroch sich unter Angelas Bett, und ich sagte: »Vielleicht solltest du die Drähte fester ziehen?«
Doch Carl starrte auf die Trümmer im Fernsehen, trank einen Schnaps und antwortete nicht. Obwohl ich einen Pullover trug, zog ich noch eine Wolljacke an, ging von einem Fenster zum anderen und merkte zu spät, daß ich mir schon wieder die Nagelhaut blutig geknibbelt hatte. Ich versuchte gerade, mit dem Rauchen aufzuhören. Es wurde mir einfach zu teuer.“
Uit: FOR TWEET’S SAKE (Recensie door J. Cooper Robb van “The 15th Line”)
“Gable was inspired to create an online work after experiencing the Broadway musical Next To Normal’s inventive Twitter story.“I realized that Twitter is so simple in its design that you could follow multiple people all from one page, and it wouldn’t feel inauthentic,” says Gable.
Gable has penned six full-length works, but says the process of creating a social-network performance differs dramatically.“When writing for the stage, the audience makes the conscious choice to surrender a few hours of their time, and so they’re more patient with the story.With Twitter, the play is happening in the midst of the audience’s lives, so each day needs to be memorable.In 140 [Gable’s first Twitter play] I wasn’t mindful of how much time I was asking the audience to invest in the story.This time, I’ve learned to spread the action out more evenly.If I’m going to ask an audience to follow these characters for two months, it needs to be a compelling two months.”
Uit: Die Jahre aus Blei (Vertaald door Karin Krieger)
„Es war an einem Dienstag, ein paar Minuten vor neun Uhr abends. Am Dienstag, dem 4. Juli. Die Piazza Mattei in Rom lag verlassen da. Wegen der Fußballweltmeisterschaft strebten die wenigen Passanten alle schnell nach Hause: Italien spielte gegen Deutschland. Ich saß in einem Restaurant im
Freien, ohne daß mich die Kellner auch nur eines Blickes würdigten. Sie waren alle drinnen und schauten sich die Fernsehbilder aus dem Dortmunder Westfalenstadion an. Die Tische vor mir waren leer. Als ich so wartete, hçrte ich Schritte und eine Männerstimme, die sich erkundigte, ob man hier
essen kçnne. Widerwillig bejahte der Kellner dies. Eine Frau sprach leise und lachte. Man wies ihnen einen Tisch nur wenige Meter von meinem entfernt. Ich sah den Mann an und erkannte ihn sofort: Es war Cristiano Costantini, ein Exterrorist. Die Frau saß mit dem Rücken zu mir, doch obwohl ich ihr nicht ins Gesicht sehen konnte, war ich mir sicher, daß sie Giulia Moresco war. Ein Irrtum war ausgeschlossen, in meinem letzten Arbeitsjahr hatte ich Dutzende Photos von den beiden gesehen. Ich hatte unzählige Seiten gelesen, Briefe und alle mçglichen Unterlagen.
In dieser unwirklichen Stille mit der Reporterstimme aus dem Fernseher des Restaurants saßen mir zwei Spukgestalten gegenüber. Denn Giulia und Cristiano waren für alle, die sie kannten und suchten, am 21. April 2005 bei einem Verkehrsunfall auf der Strecke Rom-L’Aquila ums Leben gekommen. Das Auto war ausgebrannt, und auf Giulias Identität war man gekommen, weil der Wagen gemietet war. Was Cristiano anging, bestand für die Polizei kein Zweifel daran, daß es sich um ihn handelte, obwohl die Leichen nicht identifiziert werden konnten.“
„The young woman who hurried down Fifth Avenue was unaware of the stares as she plunged determinedly through the downpour as though oblivious to it. She was, in fact, too consumed by her thoughts to notice passersby.
They noticed her. They stared, nodded approvingly, or smiled with admiration. She drew attention for a number of reasons. She was rather exotic-looking, with high cheekbones, black eyebrows beautifully arched on her broad brow above large dark eyes. Her jet-black hair was pulled back into a sleek ponytail, which fell almost to her waist. Though not beautiful in the classical sense, she was arresting and had a unique look about her.
Tall, slender, lithe, she moved with grace and had an inbred elegance. Her clothes were simple; she was wearing a sleeveless black cotton shift and ballet slippers, her only jewelry large pearl earrings and a watch. She carried a battered old black Hermès Kelly bag, well polished, which had obviously seen better days but looked just right on her arm.
The rain was coming down in torrents and she was already drenched, but she no longer bothered to look for a cab. There was no point; they were all taken. She was heading home, and much to her relief she wasn’t very far now. Two blocks down, three avenues to cross and she would be at West Twenty-second Street and Ninth Avenue.
A month ago, through her only friend in New York, a young man called Dax, she had found the perfect place: a comfortable room with two good-size closets and its own bath in a brownstone on this rather lovely old street. Chelsea reminded her of London, gave her a sense of well-being, and she felt at home here.“
“When the down train No. 65—of what line it is unnecessary to say—stopped at the little station between kilometres 171 and 172, almost all the second-and third-class passengers remained in the cars, yawning or asleep, for the penetrating cold of the early morning did not invite to a walk on the unsheltered platform. The only first-class passenger on the train alighted quickly, and addressing a group of the employes asked them if this was the Villahorrenda station.
"We are in Villahorrenda," answered the conductor whose voice was drowned by the cackling of the hens which were at that moment being lifted into the freight car. "I forgot to call you, Senor de Rey. I think they are waiting for you at the station with the beasts."
"Why, how terribly cold it is here!" said the traveller, drawing his cloak more closely about him. "Is there no place in the station where I could rest for a while, and get warm, before undertaking a journey on horseback through this frozen country?"
Before he had finished speaking the conductor, called away by the urgent duties of his position, went off, leaving our unknown cavalier's question unanswered. The latter saw that another employe was coming toward him, holding a lantern in his right hand, that swung back and forth as he walked, casting the light on the platform of the station in a series of zigzags, like those described by the shower from a watering-pot.”
Benito Pérez Galdós (10 mei 1843 - 4 januari 1920)
‘s schwimmt menge Ma im Überfluß het Huus und Hof und Geld und wenig Freud und viel Verdruß und Sorgen in der Welt. Und het er viel, se gehrt er viel und neeft und grumset allewil. Und ‘s seig jo doch so schön im Tal, in Matte, Berg und Wald, und d’Vögeli pfifen überal und alles widerhallt, e rueihig Herz und frohe Mut isch ebe doch no ‘s fürnehmst Gut. So het’s Margretli gsunge, und o chönnti’s nonemol höre. Chönnti’s nonemol seh! Gott geb em Freuden und Gsundheit.
Trost
Bald denki, ‘s isch e bösi Zit, und weger ‘s End isch nümme wit; bald denki wieder: loß es goh, wenn’s gnug isch, wird’s schon anderst cho. Doch wenni näumen ane gang und ‘s tönt mer Lied und Vogelsang, so meini fast, i hör e Stimm: »Bis z’fride! ‘s isch jo nit so schlimm.«
Johann Peter Hebel (10 mei 1760 – 22 september 1826)
“J’ai peut-être ben la face nouère pis la peau craquée, ben j’ai les mains blanches, Monsieur ! J’ai les mains blanches parce que j’ai eu les mains dans l’eau toute ma vie. J’ai passé ma vie à forbir. Je suis pas moins guénillouse pour ça… j’ai forbi sus les autres. Je pouvons ben passer pour crasseux : je passons notre vie à décrasser les autres. Frotte, pis gratte, pis décolle des tchas d’encens… ils pouvont ben aouère leux maisons propres. Nous autres, parsoune s’en vient frotter chus nous. […]
Trop mal attifés pour aller à l’église, t’as qu’à ouère ! C’est pour aller à l’église que le monde met ses plus belles hardes. Pour aller à l’église le dimanche. Nous autres, j’avons pas de quoi nous gréyer pour une église de dimanche. CA fait que j’y allons des fois sus la semaine. Mais y en a qui voulont pus y retorner, parce que les prêtres leur avont dit que la messe en semaine, ça comptait pas. Ils faisiont rien qu’un péché de plusse d’aller communier le vendordi matin avec leu messe de dimanche sus la conscience. Quand c’est que Gapi a vu ça, il a arrêté d’y aller aussi ben le vendordi coume le dimanche et asteur j’y retornons pas souvent. […]
Ca c’est de quoique Gapi a jamais pu comprendre. Asteur pouvez-vous me dire, qu’i’ dit, quoi c’est qu’une persoune peut ben voulouère aller qu’ri’ au loin quand c’est qu’elle a toute chus eux ? […]”
„Einst lebte ein junger Kerl, der eine breite schwarze Schleife trug, auf die Art gebunden, wie damals Friseure und Künstler sie trugen. Er war begeistert ohne Maß und Rand, begeistert gleichsam aus barer Begeisterung. Er liebte die Heimat, dass er schon bei ihrer bloßen Erwähnung zu weinen begann; auf offener Straße bot er ihr sein Herzblut an und er litt schwer, weil in jener Zeit keine Gelegenheit für edles Heldentum war. Und um dennoch sich keine Untätigkeit und Lauheit vorwerfen zu können, stocherte er in den Schlupflöchern die Feiglinge, Schleicher und Egoisten auf, und wen er erwischte, den packte er am Kragen und schleifte ihn gnadenlos an den Pranger. Wenn er mit straffen Schritten unter den Leuten marschierte, die hohe Stirn mit hellen Locken gekrönt, zeigten sie hinter ihm her, flüsterten: »Seht hin, das ist jener, das ist er!« … und die Welt hielt ehrfürchtig inne, wich aus, um ihm Platz zu machen ...”
Draußen weht es bitterkalt, wer kommt da durch den Winterwald? Stippstapp, stippstapp und huckepack Knecht Ruprecht ist's mit seinem Sack. Was ist denn in dem Sacke drin? Äpfel, Mandeln und Rosin’ und schöne Zuckerrosen, auch Pfeffernüss’ fürs gute Kind; die andern, die nicht artig sind, klopft er auf die Hosen.
„We must not picture him as Gros painted him in 1796 – standard in one hand, drawn sword in the other, costume ornate with colored sash and official insignia, long chestnut hair wild in the wind, eyes, brow, and lips fixed in determination; this seems too ideal to be true. Two years younger than his twenty-seven-year-old hero, Gros is said to have seen him planting that standard on the bridge at Arcole, but the painting is probably the product of ardent idolatry – the man of art worshiping the men of deeds. And yet, two years later, Guerin portrayed Napoleon with essentially the same features: hair falling over forehead and shoulders, brows arched over eyes somber and resolute, nose going straight to the point like his will, lips closed tight as of a mind made up. This too is but one aspect of the man – the martial; there were many other moods that could relax those lineaments, as in his playful pulling of his secretary’s ears, or in his paternal ecstasy over the infant “King of Rome.” By 1802 he had discarded those long locks – all but one which dangled over a receding forehead. He put on weight after forty years, and sometimes used his paunch to support his hand. Frequently, especially when walking, he clasped his hands behind his back; this became so habitual that it almost always betrayed him at a masquerade. Throughout his life his hands attracted attention by the perfection of their skin and the tapering fingers; indeed, he was quite proud of all four of his extremities. However, Las Cases (Ed. note: a French historian who accompanied him to exile at St. Helena) who thought him a god, could not help smiling at those “ridiculously handsome hands.”
De Vlaamse schrijver Yves Petryheeft maandag de Libris Literatuur Prijs gewonnen met zijn roman “De maagd Marino”. Juryvoorzitter Philip Freriks, voormalig presentator van het NOS journaal, maakte dat bekend in het Amstel Hotel in Amsterdam. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden. Zie ook mijn blog van 26 juli 2009 en eveneens mijn blog van 26 juli 2010.
Uit: De maagd Marino
„Wat daarover ook allemaal gezegd is en wat niet, ik wil hier uitdrukkelijk stellen dat het aanvankelijk nog eerder Marino’s huis dan Marino zelf was dat me deed geloven mijn bestemming te hebben bereikt. Als hij me naar een locatie had gebracht van dezelfde kleurloosheid als zijn wagen of zijn kleren, was er niet veel gebeurd. Dan zou ik na die stupide doos in ontvangst te hebben genomen, meteen vertrokken zijn, vanbinnen onaangenaam leeg als een kind dat eigenlijk helemaal niet blij was met het speeltuig waar het zo lang om had gezeurd. Maar nu was er die grote rode beuk achteraan in de tuin, waarvan de blaadjes in de alsmaar verzadigder tinten van de avond stuk voor stuk opflakkerden als lekkende vlammetjes. Er was het machinale geraas van de ringweg in de verte, dat door de klimop werd beantwoord of tegengesproken met zacht geruis. Het zal ook wel gelegen hebben aan de funeraire stemming waarin de autorit me had gebracht, dat het leek of het rood van een bed papavers op het punt stond me in te wijden in de ultieme betekenis van zijn zinderende felheid, maar alleen op voorwaarde dat ik bereid was onmiddellijk daarna te sterven - en anders niet. De bakstenen achtermuur van het huis, waarlangs een oranje gloed omhoogkroop, oefende een zuigkracht op me uit, en wel in die mate dat ik me al met gespreide armen naar dit warme, ruwe, poreuze vlak zag toestappen terwijl ik erin slaagde elk verzet te laten varen, elk greintje weerstand dat het bezit van een lichaam me ingaf, om ten slotte als een spook, nee, niet door de muur heen te lopen, maar erin op te lossen, niets achterlatend dan een schaduw, een vochtvlek, een donkere afdruk met gestrekte vleugels...