Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
Uit: Beneden in het dal (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Dat had het teefje nog nooit een hond zien doen. Ze voelde een nieuw soort opwinding toen ze zag dat de grijze zijn kaken op elkaar geklemd hield en de keel van de spartelende herder niet losliet. Net zolang totdat ook zijn maten, die rusteloos om hen heen draaiden, zagen dat het lichaam van hun leider verslapte, dat er bloed uit zijn nek gutste en dat de grond ervan doordrenkt raakte. Nu leek ook hij op een oude autoband, en even later waren de twee in de velden verdwenen. Op de provinciale weg reed een tankwagen voorbij; op het dak lag een vingerdikke laag rijp die door een windvlaag werd weggeblazen. November. Het teefje sprong van de autostoel af en kwispelde naar de reu, die op haar toeliep. Zijn razernij van even tevoren was al geluwd, hij besnuffelde haar goedmoedig, liet zich besnuffelen. De geur die ze rook was die van bos, aarde, bladeren, van het bloed van de hond die hij zojuist had gedood. Ze kreeg zin om hem te likken, en likte hem. Daarna nam hij haar en zo kwam er voorgoed een einde aan haar jeugd. Ze volgden de rivier die dag stroomopwaarts, uitgelaten hollend omdat ze elkaar hadden ontmoet, over de grindbanken, de eilandjes en de verlaten stukken grond in de benedenloop van het dal. Op de bergkammen in de verte was maagdelijke sneeuw te zien, maar langs de rivier stonden cement- en meubelfabrieken, groothandels in landbouwmaterialen en bouwmarkten. Ze zagen ratten in de afvoerkanalen en kraaien op de stortplaatsen, roken de geur van over de velden uitgestrooide mest, en toen ze op mensen stuitten, in een bestelbusje op de oever, begreep zij, die niet bang was voor mensen, dat hij die juist uit de weg ging, want ze waadden de rivier door om hun weg aan de andere kant te vervolgen. Ze liepen langs een omheining en niet veel later eindigde hun tocht bij een engte waar de rivier was versperd en waar pijpleidingen begonnen. Ze konden het wegverkeer daarvandaan horen, ergens aan de andere kant van de hoge oever. Het begon te schemeren, maar hij wilde pas tevoorschijn komen als het helemaal donker was. Terwijl ze wachtten kreeg ze honger, ze had al urenlang niets gegeten en maakte het hem duidelijk zoals puppy’s dat doen, door hem te likken en zachtjes in zijn snuit te bijten, alsof hij haar vader was en haar van eten moest voorzien. Hij kon die kwelling ergens wel waarderen.’
Op mijn bureau liggen de rekeningen van de levenden en in mijn slaap liggen de rekeningen van de doden.
“Leegte is de moeder der uitvindingen,” zegt mijn gelukskoekje. 23 juli 2010. Brooklyn. Ik loop in de zachte regen, nog nooit zo voldaan, nog nooit zo gelukkig.
Waarom zou ik twijfelen aan de zin van de wereld als ik zelfs in mezelf mysterieuze doelen zie?
Een kraai daalt even neer, zwart, in rabbijnse kleding, en krast Kaddisj.
Uit: Der Mann hinter dem Nebel (Vertaald door Peter Groth)
„Prolog Ich hatte nicht gedacht, dass ich jemals so eine Angewohnheit entwickeln würde, doch vor ein paar Jahren, als das Apartment, in dem wir wohnten, von Grund auf renoviert wurde und wir mehr als einen Monat in einem anderen wohnen mussten, bemerkte ich, dass in der ganzen muffig riechenden Wohnung voller Kakerlaken die Badewanne der einzige Ort war, an dem ich mich halbwegs gut fiihl-te, und zwar deshalb, weil sie — aus einem dieser seltsamen Zufälle, die einen nachdenk-lich machten —, identisch mit jener war, die wir hatten, also in der alten Wohnung hatten, die nun renoviert wurde. Ohne mir groß be-wusst zu machen, was ich tat, verbrachte ich immer mehr Zeit in der Wanne. Wie in einem gusseisernen Sarkophag streckte ich mich darin aus, legte mir ein Handtuch unter den Kopf und begann zu lesen, ohne Wasser einlaufen zu lassen. Das Deckenlicht machte ich nie an; manchmal musste ich nicht einmal die Kerze anzünden, die ich mitbrachte, denn es genügte, das Fenster zu öffnen, sodass sich der Goldschimmer des Mondes über die Buchseiten ausbreitete, ein sanfter und schmaler Strahl, wie eine Laterne, die nur das beleuchtete, was beleuchtet werden musste, und die übrigen Dinge im Schatten ließ. So verbrachte ich während jener anderthalb Mo-nate fast jede Nacht, wie ein nachtaktives Tier, das seine Beute in den Büchern suchte und am Tage ruhte, um neue Kraft zu schöp-fen. Als wir dann in die alte, doch auf gewisse Weise auch neue Wohnung zurückkehrten, verzichtete ich zunächst auf diese Angewohn-heit, da ich nun keinen Grund mehr dazu hat-te, doch nach einer Weile, und ich weiß nicht warum, verspürte ich das Bedürfnis, wieder damit anzufangen. So kam es, dass ich in einer jener späten Nächte, als der Rest des Hauses schlief und ich diesmal im heißen Wasser in der Wanne lag und beim flackernden Kerzenlicht ein Buch las, in eine Art Traum sank. Ich hafte den Eindruck, nicht mehr in jenem Buch zu lesen, einem Roman, den ich bereits vor einer Weile angefangen hatte und nicht zu Ende be-kam, sondern mein eigenes Buch, ein Buch, das ich nicht einmal zu schreiben begonnen hatte.“
Toen ik ging vroeg ik ze om mee te komen Ik hield de deur open en mijn ogen neergeslagen zodat ze eruit konden, vrij werden In het nieuwe huis woonde zij bij het woonkamerraam Hij in de werkkamer bij de deur Ze zagen hoe ik worstelde En hun armen lagen om mijn schouders zonder gewicht of gevolg Mijn gedachten mijn hart en toen ik weggeroepen werd pakte ik alles, verscheepte, verzond nam afscheid en werd minder op deze plek en ik vergat ze te vragen mee te gaan naar mijn oude leven dat ze uit den treure kenden en volgens mij woonden ze nog steeds in het huis dat ik verliet Tegen een vriendin zeg ik: ben mijn geesten vergeten en zij weet te zeggen : die komen na
Vertaald door Elbert Besaris
Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)
“Lieve Jilles, Toen mijn moeder, Marie, jong was, legde je om de zoveel tijd scheepskaarten op de woonkamertafel om de veranderde vaargeulen van de rivieren bij te tekenen. Je legde de kaarten op een houten bord en ging te werk met een passer, een speciale liniaal en een potlood. Eb, vloed, de diepte van de rivier, stroming, de plaatsing van betonningen; de elementen veranderden constant, jij hield het precies bij. Je was loods, jij zorgde dat schepen goed van haven naar haven kwamen. Je had totale controle over wat er voor je lag. Jij wist de weg, als enige. De tientallen scheepskaarten lagen opgerold in je werkkamer, netjes opgeborgen. Zo kende ik je ook als kind: strikt en opgeruimd. Je verzamelde postzegels, munten en telefoonkaarten, je hield van mathematische spelletjes, sport, klaverjassen en schaken. Je was streng maar rechtvaardig. ‘Je moet zorgen dat je alles altijd op dezelfde plek neerlegt. Je moet blindelings alles kunnen vinden,’ zei je ooit tegen je dochter Anna, mijn tante. ‘Dat had hij van zijn marinetijd,’ vertelt ze me, ‘je moet weten waar alles ligt in je hut.’ Ik sta altijd wantrouwig tegenover totaal geordende ruimtes, opa, daar klopt iets niet, ik krijg er jeuk van. Wie al zijn bezittingen steriel en overzichtelijk neerlegt, heeft meestal ergens een kast of een kist of een doos waar allerlei onverwachte dingen uit kunnen donderen. Wie het oppervlak beheerst, verbergt het meest: stille wateren hebben diepe gronden. Opa, je lag al jaren in de totaal ongeordende la (sorry) van mijn kleine schrijfbureau te wachten. Je zat in een houten bakje vol zwart-wit, kleur en sepia kiekjes van onze familie. Altijd als ik door dat bakje ging om in een verhaal te duiken, hield ik twee zwart-witfoto’s van jou vaak wat langer in de lucht: een uit de winter van ’44 en een uit de zomer van ’43. Ik noemde ze ‘de Zweedse hout-hak-foto’s’. In de winter van ’44 sta je met je handen op je rug op een besneeuwd pad.”
Ik ben een kleine wereld, knap gemaakt Van elementen en een engelenhart, Maar eeuwige nacht brengt nu mijn zondezwart Aan mijn twee delen, en hun einde naakt. U, die voorbij de hoogste hemel raakt Aan nieuwe sterren, nieuw land, zeer apart, Giet zeeën in mijn oog, zodat mijn smart Tranen spoelt en berouw mijn wereld kraakt; Of was haar schoon, verdronken was zij al; Maar zij moet branden; neen, reeds woedde het vuur Van afgunst, en bracht haar tot verval En gorigheid; maak hun vlam kort van duur En brand in mij een vurigheid voor Uw beeld En voor Uw huis, Heer, die verterend heelt.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Portret van John Donne, gedateerd 1591, Engelse School. Frontispice van ‘The Poems of John Donne’, gepubliceerd in 1942 (detail)
De Winter heeft, hoe grijs van kin, Een kleur als melk en bloed! Hij tafelt lang; schenkt naarstig in; En ’t maal bekomt hem goed. Hij plant, hij delft, hij ploegt bij daag, Vermand door sneeuw noch buldervlaag; En trekt wel eens, in jagersdragt, Naar ’t glinstrend bosch, ter avendwacht.
Als ’t ijs den radden vloed houdt staan, Voelt hij zijn kracht gesterkt: Zijn schaatsen gonzen langs de baan, Zijn hielen zijn gevlerkt! Bevracht een aardig kind zijn sleê, Hij zwaait er als een veder meê, En ’t meisje tart, tot sneller vaart, Haar speelnoot achter ’t rinklend paard.
Zijn haardsteê lokt de jeugd bijeen; Zij wemelt om zijn stoel. Hij pleegt terwijl zijne oude leên, En schatert in ’t gejoel. Een sprong in ’t ronde mag hij wel, Doch voegt zich liefst bij zang en spel; Of kort den nacht met gul gejok, En heeft geene ooren voor de klok.
Omsingle ’t West, met slibbe en plas, Zijne ongenaakbre stulp, De Tijd gaat met geen trager pas; Dank zij der Muzen hulp! Gemis wordt in genot verkeerd, Als ’t Oosten op zijn beurt regeert; De vorst het grondloos pad bestraat, En vriendschap weêr uit buren gaat.
Wie dan den Winter lastren meugt, Kraait gij ons, na en voor, Van Lenteblijheid, zomervreugd, En Herfstvermaak aan ’t oor? Den Grijsaard zij, als eerbetoon, Een krans van palm bij ons geboôn; En klank van gouden snaren zweev’ Door ’t feestgeroep: ‘De Winter leev’!’
Meizang.
’t Is Lente! Lente! Het feestgeschal Van ‘Lente! Lente!’ Klinke overal!
Hoe geurt de wasem Der berkenspruit! Hoe zacht is de asem Van ’t vriendlijk zuid!
De bijtjes dragen Weêr honig aan; De tortels klagen; De wachtels slaan.
Op weide en akker – Langs vliet en poel – Is ’t leven wakker – Is blij gejoel.
Was ’t meerder weelde, Dan lentevreugd, Die Adam streelde, In Edens jeugd?
Of breidde de aarde, Toen de Eerste Bruid Haar bruidkrans gaarde, Zich schooner uit?
Anthony Staring (24 januari 1767 – 18 augustus 1840) Portret door Johannes Immerzeel, 1840
De Westindische dichter en schrijver Derek Walcottwerd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcottop dit blog.
GOD REST YE MERRY, GENTLEMEN
Elke straathoek is Kerstavond in het centrum van Newark. De Wijzen lopen in zwarte overjassen en koesteren een fles spiritus, en hoeren loeren vergeefs uit de donkere kribben van portieken. Een gekke koning breekt een fles ter ere van de bijstand, ‘Ik maak ‘m dood, de klootzak’, en voor zwarte woonblokken zonder werk is de lucht vol kristallen splinters.
Een bus breekt uit de zinsbegoocheling van water, een nijlpaard onder natte straatlantaarns, en knarst verder in rook; elke schaduw lijkt te wankelen onder het bijtend zuur van neon – haperend als pis, sommige l tt rs uit- gevallen, gedoofd – op twee witte verpleegsters na, hun roeping nog witter gemaakt door het donker. Over twee dagen zijn er verkiezingen.
Johannesburg is vol sterverlichte kroegen. Het is anti-Amerikaans zulke vergelijkingen te trekken. Denk aan Newark als aan Kerstavond, als alle mensen je broeders zijn, zelfs deze; geef ons vrede in pakketjes, laten er geen gebroken flessen meer zijn in de hemel boven Newark, laat het niet glanzen als spuug op een drempel, denk aan de denneboom- piek met de gouden ster erboven op de fluoriserende bumper-sticker van een passerende auto.
Dochter van je eigen Zoon, Moeder en Maagd, groot is de sprankeling van het wolkenkrabber-firmament in zure plassen, de gouden ster in etalages, en de gele ster op de door mot aangevreten mouw van de avond als de zwarte jas die Hij droeg door mesdunne ellebogen uit het ghetto de veewagen in van Warschau; nergens is Zijn komst meer immanent dan in het centrum van Newark, waar drie lichten de sterverlichte wieg en de evergreen kerstliederen geloven voor het musse-kind: een jochie met zwarte flapperende jas gevolgd door een witte ster terwijl er een politie-auto patrouilleert.
nog denk ik terug aan mijn huis, het kleine, een zomeravond en een zandbak, stekelbaarsjes in een weckfles, buurmans radijzen
en aan de doden die hier woonden, met hun zachte lippen en hun ogen vol onmacht: een jongen die de sloot inliep, een vrouw die viel het bloed vloeide zomaar door mijn kamer
het verleden dat over de drempel strompelde, zwaar bewapende soldaten, een veldheer die het oosten veroverde, bommen op een stad. of eerder nog: zonnestelsels die ontstonden (een vage herinnering), sterren die hun eerste licht smeten het vuur smeult nog na in mijn open haard
mijn huis: zou het nooit groter geweest zijn dan mijn hoofd en niet dikker dan het vlies van mijn huid?
hoe ik loop over smalle planken met het huis in mijn doorzichtige hand
De gave
ik liep nog één keer door de stad om alles weg te geven mijn benen liet ik aan een bedelaar die zijn hand ophield in een schemerig park mijn vingers gunde ik aan een vogel die er zijn jongen mee voerde mijn kleumend hart schonk ik aan jou een vreemde, bloederige gave! toen was ik niets meer dan een lang verlaten, een ongenaakbaarheid, maar ik werd ook het onstilbaar verlangen van de late bedelaar, het vogeljong dat reikhalzend uitvloog en jouw meisjesogen die dorstig dongen naar de broze blijdschap van een nieuwe dag
Mijn slotscène, bepaalt God; pelgrim ik Loopt hier zijn laatste mijl; bijna volbracht Is dit mijn laatste stap in de ijdele jacht; Nog even leef ik; nu de laatste tik, En gulzige dood ontleedt onmiddellijk Lichaam en ziel, en ik rust even zacht, Mijn wakend deel ziet zich nu al gebracht Voor het gezicht, dat mij verlamt van schrik; Mijn ziel vliegt tijdelijk ten hemelpoort, Mijn aardgebonden lijk zoekt aarden cel; Dus val, zonden, terug waar je behoort, Daar waar je mij wou hebben, broedplaats hel. Rechtvaardig mij, gezuiverd van het kwaad, Nu ik wereld, vlees en duivel achterlaat.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Cover
Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.
De neushoornjager is niet echt poëtisch Hij schrijft gedichten, dat wel Zijn het goede gedichten? Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.
Want toen ik ze las was ik gedrogeerd Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf Hij is vadsig, hebberig en rancuneus Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.
In haar tuin staan kruiden Die zonder sporen dodelijk zijn Toch zal ik mijn oom laten leven Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.
Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels
De zijne, de mijne, de hare In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.
De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’ Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.
Ik imiteer mijn varaan, ik echo zijn naam
Vorige maand heb ik een varaan gekregen van een achterlijke bakker Die twee dagen na de overhandiging van de magische hagedis is gestikt In een hoefijzervormige magneet waaraan een lege goederenwagon kleefde Het terrarium heb ik zelf moeten kopen De terrariumverkoper zei: ‘Succes met je varaan. Heeft hij al een naam?’
Ik heb de winkel verlaten zonder te antwoorden Omdat ik mij schaamde Eerst een terrarium kopen, en dan pas nadenken over een naam Dat is de verkeerde volgorde, weet zelfs de meest hardvochtige kleuter In de laatste telefooncel van mijn geboortestad vond ik de naam.
De naam van de varaan lag op de grond Tussen een jonge snijtand en een drievork Die een gemberwortel bleek te zijn Ik probeerde mijn muze te bellen Maar hij stond op een telefoonloze dijk zichzelf op te hemelen.
Terug naar vandaag dan maar De varaan met de telefooncelnaam is trots en vadsig Sinds hij mijn woning heeft ingepalmd met zijn fiere landerigheid Blijf ik vaker thuis om van hem te leren Ik imiteer zijn ontzagwekkende apathie, ik faal niet.
We worden stommer en breder Soms likt mijn varaan een ruit, tik ik terug dan glimlacht hij ondubbelzinnig In spiegelschrift schrijf ik onze namen naast elkaar Met een groot hart ertussen uiteraard Want zijn koudbloedigheid is altijd een fabel geweest.
Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)
De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolzop dit blog.
Huis in We.
Er zijn nog vragen: aan de bewakers van de grijstinten, die ’s avonds zachtjes tegen de ramen kloppen, nog vragen aan alle soorten weer waarvan de types een beetje scheef zijn, zoals het huis waar ze om vechten, vragen ook aan de dakgoot, die soms gelaten overbodig is, waardoor ik me zou kunnen afvragen waarmee de zon hierboven toch zijn geel verdient, waar zelfs de schapen spijbelen voordat ze in het zand bijten, verder zouden er vragen zijn aan de schare der geesten met hun klopsignalen: of ze zich vrijwillig zo laten meeslepen, als was het geen kunst, die onvergelijkbaar nutteloos is, zoals de holtes hier die alle vragen verplaatsen, als voedsel voor de spinnen misschien, die me vertellen: goed hout! is hier te krijgen – en dat ruikt heerlijk wanneer ik weer eens mijn hoofd gestoten heb.
For a Parent on the Death of a Child (John O’Donohue), Kristín Marja Baldursdóttir
Dolce far niente
Moeder en dochter door Bertha Wegmann, 1883
For a Parent on the Death of a Child
No one knows the wonder Your child awoke in you, Your heart a perfect cradle To hold its presence. Inside and outside became one As new waves of love kept surprising your soul.
Now you sit bereft Inside a nightmare, Your eyes numbed By the sight of a grave No parent should ever see.
You will wear this absence Like a secret locket, Always wondering why Such a new soul Was taken home so soon.
Let the silent tears flow And when your eyes clear Perhaps you will glimpse How your eternal child Has become the unseen angel Who parents your heart And persuades the moon To send new gifts ashore.
John O’Donohue (1 januari 1956 – 4 januari 2008) De Petrus en Paulus kathedraal in Ennis, County Clare, de geboorteplaats van John O’Donohue
Uit: Möwengelächter (Coletta Bürling und Renate Einarsson)
“Am Ostermorgen, als Agga mit der Aprilsonne im Nacken auf dem alten Steinpier stand und die Flundern im seichten Wasser am Ufer mit Steinen zu treffen versuchte, bekam sie dieses merkwürdige Prickeln im Bauch, das die Erwachsenen bekommen, wenn sie verliebt sind oder irgendein fürchterliches Gebräu getrunken haben. Allerdings hatte sie weder das eine noch das andere ausprobiert, und deshalb glaubte sie, das Gefühl sei ein Vorzeichen großer Ereignisse, denn genauso ging es Kidda in der Kellerwohnung immer, wenn Orkane oder Vulkanausbrüche im Anzug waren, und außerdem konnte diese plötzlich und unvermittelt Lemurengeruch wittern, was unweigerlich den Tod ankündigte. Agga schnupperte, konnte aber nichts anderes riechen als den penetranten Geruch von Seetang. Gelbe Strahlen erleuchteten die glatte, graue Meeresoberfläche im Hafenbecken, und im Ort herrschte Grabesstille. Nur der Rauch aus den Häusern, die zum Teil halb versteckt in den Lavamulden kauerten, deutete darauf hin, dass manche bereits auf den Beinen waren. Die Uhr am Kirchturm zeigte gut zehn, und bald würden sich die Männer mit Schlägermützen und in abgewetzten Sonntagsanzügen am Hafen einfinden und mit den Händen in den Hosentaschen die alte Leier über mageren Fischfang, Reaktionäre und die verdammten Kommunisten anstimmen. Die Möwen am Ufer kreischten laut an diesem Auferstehungstag des Gottessohnes, und Aggas Magen rumorte, als hätte sich dort ein Poltergeist eingenistet. Dass die Übelkeit von dem riesigen Schokoladenosterei herrühren könnte, das sie sich noch vor Sonnenaufgang einverleibt hatte, kam ihr nicht in den Sinn, sie glaubte eher an das Vorzeichen, spürte aber das Bedürfnis, aufzustoßen oder sich über einen Küchenhocker zu legen, um sich von Blähungen und Bauchschmerzen zu befreien. Sie trottete den alten Steinpier wieder zurück, über die Brücke, die über den Bach führte, und hielt sich bis nach Hause den Bauch. Unterwegs hörte sie aus einiger Entfernung das Klappern von hochhackigen Schuhen, war aber zu sehr mit ihren Bauchschmerzen beschäftigt, um es zu beachten. Es war ihr so egal, dass sie sich nicht einmal umdrehte, um zu sehen, wer schon so früh am Ostersonntag unterwegs war. Sie war bereits zu Hause am Gartentor angelangt, als ihr bewusst wurde, dass die Frau ihr die ganze Zeit auf den Fersen gewesen war. Da endlich drehte sie sich um.”
Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)
“Ik druk mijn duim in de noest boven mijn voorhoofd en sleep mijn huid langs de nerf, over het taaie eikenhout, tot een splinter mijn vel in sluipt en ik op mijn tong bijt om geluidloos te kermen. Omdat ik toch iets denken moet, denk ik: ’toog’ betekent zowel ‘priestergewaad’ als ‘bar: Ik stop mijn duim in mijn mond en zuig het ijzer uit mijn lijf. Als de wond is gestold, vouw ik mijn handen kruislings over mijn borst en wacht net als iedereen het einde af. De mouwen van mijn gasten ruisen als zij hun kruisen slaan. Het moet me meer zorgen baren Ik hoor hoe de priester opnieuw rond mijn lichaam klingelt. HIJ prevelt zoetgevooisde woorden die ik niet versta. Ingenesteld in eiken tel ik mijn grafrede af. Er zit een ruimte van twee vuisten tussen neus en deksel, maar ik heb in te veel kleine keukens gewerkt om nu nog claustrofobie te ontwikkelen. Ik lig zo stijf als ik kan. Zonder de priester te zien volg ik het geketende wierookvat in zijn handen, op en neer, heen en terug, als een pendule die de toeschouwer in hypnose leidt. Mijn ingetoomde adem stuit op de deksel en keert nog warm terug. Ik begrijp beat dat je soms wordt verrast door het leven – noem het overrompeld – maar dit is niet het einde dat ik me had voorgesteld. Ik ben hier niet heen gegaan om te sterven. De priester kucht Ik bijt me door de psalmen, hymnes, gebeden en klaagzangen. Een hoop gedoe om niets. Ik heb heel mijn leven gezegd dat ik niet gecremeerd en zeker niet begraven wilde worden. Stoof mijn lijf in een ketel met abdijbier en voer me aan het meest misbruikte dier ter wereld: het varken. Volgende keer beter. De priester neemt een slok water voor hij preekt. Hij vervloekt de globalisering, de eindeloze nood tot consumeren die zelfs is doorgedrongen tot zijn gemeente in het hoge noorden en het gebrek aan spiritualiteit die over de moderne mens is neergedaald. ‘Alex..? Hij pauzeert kort zodat alle aanwezigen mij voor zich zien, de Alex die zij zo kort kenden. te vroeg, veel te vroeg, teruggeroepen.’ Ik houd van mijn voornaam. Van mijn voornaam wel. Alex past me. Die naam heb ik te danken aan mijn vader, die mijn vader niet was. Hij gaf me bij een poldergemeente onder zeeniveau aan als Alex Petrescu. Tegen de zin van mama, zij stond erop om mij Codrin te noemen. Dat kon ze vergeten. Mijn voornaam was de naam die hij mij wilde geven om mijn vader te spelen. Het was een eenzijdig compromis. Al hield hij wel degelijk rekening met haar geboortegrond: het ging wat hem betrof tussen Daniel, Victor, Stefan, zonder komma onder de s, en Alex. Een Alex zou tenminste werk vinden in een kantoortoren. ‘Ik begraaf meer mensen dan ik doop: zegt de priester. Hij zucht – oprecht, geloof ik. ‘Dat kan ik accepteren, dat is mijn last. Maar dit…’ Hij wijst, vermoedelijk, naar mij. Ik druk mijn achterhoofd dieper in het hoofdkussen.”
Portret van broer en zus door Sergei Pavlenko, z.j.
Brother And Sister
The shorn moon trembling indistinct on her path, Frail as a scar upon the pale blue sky, Draws towards the downward slope: some sorrow hath Worn her down to the quick, so she faintly fares Along her foot-searched way without knowing why She creeps persistent down the sky’s long stairs.
Some day they see, though I have never seen, The dead moon heaped within the new moon’s arms; For surely the fragile, fine young thing had been Too heavily burdened to mount the heavens so. But my heart stands still, as a new, strong dread alarms Me; might a young girl be heaped with such shadow of woe?
Since Death from the mother moon has pared us down to the quick, And cast us forth like shorn, thin moons, to travel An uncharted way among the myriad thick Strewn stars of silent people, and luminous litter Of lives which sorrows like mischievous dark mice chavel To nought, diminishing each star’s glitter,
Since Death has delivered us utterly, naked and white, Since the month of childhood is over, and we stand alone, Since the beloved, faded moon that set us alight Is delivered from us and pays no heed though we moan In sorrow, since we stand in bewilderment, strange And fearful to sally forth down the sky’s long range.
We may not cry to her still to sustain us here, We may not hold her shadow back from the dark. Oh, let us here forget, let us take the sheer Unknown that lies before us, bearing the ark Of the covenant onwards where she cannot go. Let us rise and leave her now, she will never know.
D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930) St Mary’s Church in Eastwood, de geboorteplaats van D.H. Lawrence
Verdween mijn zusje onverwacht. En niemand die haar lopen zag. De zon sloop weg, de dag werd oud. De maan kwam op, de nacht was koud. We zochten haar aan strand en zee. Misschien nam Westenwind haar mee. We riepen hard en zongen zacht. We zochten sporen in de nacht. Maar alles gaat zoals het moet. En zij bleef weg, voorgoed, voorgoed. Nu zingt de wind een droevig lied. Vergeet mij niet, vergeet mij niet.
Zusje
Het zusje dat zo dwalen moest langs verre stranden, golven woest zij gaf de woorden toekomst mee en bracht ze naar de wijde zee nu is ze weg, haar stem werd stil maar als ik haar weer horen wil sluit ik mijn ogen om te zien of zij nog ergens is misschien.
Johanna Anna Kruit (Zoutelande, 14 december 1940) Sint Catharinakerk, Zoutelande
Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)
“We zijn alleen. Alleen zoals in de cel waar ze mijn nagels doorboorden en op me kwamen pissen. Mijn nagels doorboren, op me pissen. Drie jaar. Ik heb het nooit zo gezegd, vergeef me. Vanaf de zomer van 87, dag van onze terugkeer uit Parijs, tot de herfst van 90. We hadden onze twee zonen al en onze lieve Nazifé. Ze dwongen me regimegezinde dingen te schrijven, elke dag weer. Domme regimegezinde dingen. ‘Ik hou van onze president. In mijn ogen is hij de beste van allemaal. Ik heb nooit een president gezien die zo wijs is als president al-Assad. Ik heb van mijn leven nooit een leider gezien als hij. Ik heb nooit iemand gezien als hij. Hij is de vader van het volk. Hij helpt de armen. Hij is tegen onrecht, tegen corruptie, een ware Arabier. Telkens als we door een probleem worden bedreigd, kan alleen hij de natie op zijn schouders dragen enz.’ Ik ga weer onder water. Zien wat mijn geheugen niet heeft onthouden. De bomen. Op de bodem van het meer staan nog altijd bomen.* Maar je kunt ze onmogelijk herkennen. Sommige dragen nog altijd hun knoppen, arme paarse klokjes als kindertenen. Als ik mijn lamp richt en mijn hand naar ze uitsteek, ik wou dat je het zag, bewegen ze zachtjes, onmerkbaar. Als kleine knuistjes die vaarwel zwaaien. Dan moet ik aan onze kinderen denken. Blijf nog even, Almasji. Ga niet weg. Beneden, lager, op een diepte die ik niet kan bereiken, meen ik de ingebeukte deur te zien, de regenton, de blauwe gordijnen van het huis en, daarachter, achter de gordijnen en de gebroken ruiten, mama die naar me glimlacht en me wenkt om bij haar te komen, papa naast haar. Ik zwem snel nu.”
dezer dagen schiet het weer in je botten het nestelt zich in je gewrichten komt dichter bij je lang voor de ochtend dan lig je wakker weet je niet wat er met je gebeurt, waar het vandaan komt wat er overblijft alleen deze smalle kamer het verkeerd gefineerde meubilair het gekantelde raam een kier naar de straat het geruis in de populieren dreef me door de nachten je hoort daar niets meer en vraagt je in stilte af wanneer begon het dat ik niet meer dichterbij kon komen
Wantrouwen in grote woorden in kleine woorden, voegwoorden tussenwerpsels, in het laatste woord dat iedereen wil en niemand krijgt
Een totale gespreksstop met strenge straffen tong uitrukken wel het minste
Het paard langs de spoorbaan staart de sneltreinen na het gras wacht op de vallende nacht een steen koestert zich in het laatste licht.
Waarom hebt u mij verlaten? Wat een lachwekkende klacht.
Toekomstbeeld
Sommige dichters willen dat met hen ook het licht vergaat dat de wereld dan niet langer bestaat; blinde woede om de eigen dood (over die van anderen valt te praten).
Ik sta bij de rivier, u weet wel en zie hoe het licht mij majestueus links laat liggen; ik slik even en schik mij schrikkend in dit lege toekomstbeeld.
Het museum van de kindertijd
Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt in een naamloze straat, stuit meestal op een dichte deur waarachter stilte heerst
Of lijkt te heersen. De meesten lopen door terug naar het vertrouwde stratenplan en vergeten zijn bestaan.
Is het museum vloeibaar, opvouwbaar bestaat het uit prisma’s, electrische velden of valt het soms samen met wie eraan denkt?
Meestal is het verlaten, de wanden en uitstalkasten leeg op de jaartallen na die elkaar hun juistheid betwisten
Of het vult zich met mist, met daarin een aarzelende stem die beweert zich niets meer te herinneren, vrijwel niets.
Maar één gezicht, één geluid, één lichtval kan plotseling de toegang verschaffen tot de expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.
Zodra de zon verdreven is duiken de zwermen op ze cirkelen boven de daken, gaan een ogenblik lang op de stijve takken zitten vliegen plotseling weer weg, verdwijnen uit het zicht van onze nog onverlichte ramen breken door het dichte web van hogere vliegroutes laten ons achter met een schemerige hemel die we niet kunnen duiden.
“I used to be shocked when Virgil Thomson the composer—who wrote the opera Four Saints in Three Acts with Gertrude Stein, which received its premiere in 1934 with an all-black cast—used to be called to the telephone. I knew him in the 1970s when he was almost in his eighties; he’d come back to the table and say, “Well, Smitty is dead,” and just sit down and continue the conversation about something else. I was amazed that he could receive the news with such indifference about such a close friend. Now that I’m in my eighties, I realize his emotion was stoicism, not indifference; someone who outlives his contemporaries knows that he very likely will be next but that for the moment “he controls the narrative,” as pundits say. When you get to be old, everyone consults you about the biographies of your famous contemporaries. You get the last word, at least until the dead person’s Complete Letters come out. A life, a love. I always say that Jim Ruddy was the great love of my life. What does that mean now he’s just a faint neural scratch on my brain? It seems the hippocampus delegates short-term memories to various other neurons, where they are encoded forever. Does that mean an electrode stimulating the right neurons could make Jim, his conversation, his deep voice, his big curved penis, as real as it was fifty or sixty years ago, a hologram? The wondering way he’d greet any declaration with a tentative acceptance? His always saying “Is that right?” no matter how preposterous one’s remark had been. Maybe I’ve forgotten him because I wrote about him; I’ve always thought that writing about someone is the kiss-off. Nabokov, in Speak, Memory, was apprehensive about writing about his nanny since he liked revisiting her in his thoughts and he knew once he’d committed her to print, he’d lose her. Some people wonder why I’ve not written about them. If they’re a current part of my life, I need to keep them on life support; my husband is Michael Carroll, whom I’ve been with since 1995. I’ve never written about him; he’s too precious to me. My recent fiction is less autobiography and more thought experiment. I assemble my monsters from stolen body parts (his nape, her stutter). Often I want to lead the reader to a better (more compassionate, more forgiving, bolder, more loving) world by picturing it as if it already existed; George Meredith called that process “moral sculpture.” What did it feel like to be in love? Constant suspense. Does he love me yet? More? Less? Is he getting bored?”
Steeds dorst je – zoals dorst heeft naar de eerste regen het droge zomerweer – naar je gezegend huis, naar een verborgen leven, als de bede van een monnik, leven van loochening en liefde in een hoek.
Ook dorst je naar het schip dat prooi is van de zeeën, dat vogels, vissen volgend almaar verder trekt, welks leven rijk en vol is van de ganse aarde – maar beide, schip en huis, zij gaven ’t antwoord: ‘nee!’
Noch het geluk in afzondering en onbewogen, noch ook het leven dat zich steeds weer weet bezield door elke nieuwe haven, ieder volgend land –
alleen de siddering van de slaaf, van die moet zwoegen: sleep voort over de markt de naaktheid van je leden, vreemde voor vreemden en voor eigen mensen vreemd.
Vertaald door Hero Hokwerda
Kostís Palamás (13 januari 1859 – 27 februari 1943) De dichters (1919) door Georgios Roilos. Het schilderij toont verschillende dichters van de generatie van 1880; in het midden, met het hoofd rustend op zijn elleboog, Kostís Palamás.
Daarachter een gekringeld samenvloeien Van schuine lijnen, als de strengen van Een zijden koord, in ’t door een lichte bries Gerimpeld water. Zonlicht tooit de baai Met schittering van scherven dansend zilver. Die rimpeltjes en kopjes promeneren, Gehaast en schertsend, geen moment verveeld. Ils se promènent, als vrij welgestelde Gezinnen in het Bois, op zondag. Blij om Die zorgeloosheid en gefascineerd Door zonne-morsetekens in de haven, Ben ik, voor het moment, geheel genezen, Onthecht, en los van toekomst en verleden, Zelfs van de wetenschap dat deze Zee Van Hadria, des Doges gemalin, De koele, de gewijde, is afgeschuimd Door kooplui uit haast alle werelddelen, En al die kristallijnen breekbaarheid Waarvoor ze zweten aan de ovens lijkt Een wondere en breekbare triomf. De eerste ruwe bol van glas, gestold, Wordt aan de blaaspijp, gloeiend heet en zacht Als toffee nog, gedompeld in een mal, Die van metaal is en van binnen als Een ananas met stekels is bezet. Het glas krijgt voor de helft een regelmatig Patroon van kuiltjes zo, en als die eenmaal Bedekt zijn met een vloeibare glazuur, Ontstaan er belletjes gevangen lucht, Geëmailleerde, parelende leegtes.
„Als ich mit den Hunden nach Hause zum Dorf zurückging, fand ich auf dem Weg Spuren von Rehen, einem sehr kleinen Pony, anderen Hunden und Menschen, Waschbären, viel-leicht einer Katze und in unregelmäßigen Abständen ein Herz, kleiner oder größer, ver-mutlich mit einem Stöckchen in den Sand gezogen, wie unterwegs, aber deutlich zu er-kennen, und vielleicht ftbaf oder sechs die Länge des Weges, der sich aufs Dorf hin wohl einen knappen Kilometer zieht. Davor war ich auf den weiten Feldern zu den geborstenen Weiden hingelaufen, die ich von fern öfters mit meinem Vater gesehen hatte, breite, zerklüftete Stämme, kahl jetzt im Februar, und mein Vater hatte immer das Durchscheinende der winterlichen, laublosen Landschaft geliebt. Mit meinem alten besten Freund war ich den Weg nicht mehr gegangen, denn er war vor-her gestorben, und vor zwei Jahren war ich viele Male den Weg mit meiner sterbenskran-ken Freundin im Herzen gegangen und mit meiner besten Freundin, die nach einem Herz-infarkt noch schwach gewesen, war ich ihn gegangen und wieder, als sie bei Kräften war, und unzählige Male waren wir den Weg zu viert gegangen, und meine inzwischen heran-gewachsenen Töchter auch un7ählige Male zu zweit oder mit Freundinnen. Was ich auch sah, sah ich mit vielen Augen, nur die Herzen im sandigen Weg sah ich al-leine, ohne die Menschen, die ich liebte, und anderntags würden sie schon verwischt oder vertreten oder verregnet sein. Ich kann nicht sagen, dass ich traurig war, aber alle Traurigkeiten waren doch dabei, sehr hell und einige fröhlich, und viel Sehnsucht und auch ein zerdehntes Herz, das in die Ver-gangenheit wollte und noch etwas in die Zukunft. Deswegen habe ich dieses Buch geschrieben.“
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
Droste in een negligé, slapeloos. (Een wesp die haar zwellingen stak:) Geen liefdesvlek, niets uit een droom, gewoon een niet-vlek. Kijk: zwarte zwanen halverwege. Vanuit de erker, het gordijn als teken. Zijn het de dierbare familieleden die draden spinnen en opkijken van de boekhouding? Ach, al dat schrijven… Zo geschrokken, arm ding, zo bedrogen.
in je precieze jaren toen je zelden buitenkwam omdat je onder schot gehouden werd zagen maar weinig mensen hoe wit je haar was
als ik door de glazen deur naar buiten kijk zie ik een trillend been naast de begonia
we zouden kunnen gaan graven maar dat zal je rug niet rechten we kunnen door de tuin lopen en de plekken aanwijzen waar onkruid groeit we laten de thee onze tong vormen de inkt van deze lange dag op onze vingers
als we de jassen aantrekken zal de wereld gaan draaien zullen onze voeten bevriezen zodat we kunnen schaatsen tussen de hopeloos glijdende honden op zoek naar een lijn naar een bal naar een bot
we zullen weer naar school gaan om schapen te leren tellen we zullen naar de winkel gaan omdat het prettig is om iets te kopen voor het op is
Stem uitbrengen
een gevangene krijgt sleutel ven zijn cel sluit de deur en verdwijnt
je zegt me te gaan slapen nu je zelf nog wakker bent
de kampbewoners dIe zich de woestijn eigen maken omdat er geen gras is vullen de bulten van hun kamelen
*
een gevangene komt terug met de sleutel van rijn cel als een priem in zijn hand
ik denk aan alles in mij wat zijn nek niet uitsteekt en loop wat sneller
ik mis mijn manieren in mijn hoofd staan de torens recht maar ze komen nooit buiten
een gevangene legt de sleutel op de tafel in zijn cel
wil en stil zit een groep mensen in een treincoupé door het midden loopt een scheur
de rat het lieveheersbeestje de vermoeide man allemaal vormen vvan het kind dat de trap afloopt en zich uitvouwt
schijnwerpers glimlach lamplicht bloeiende mond het oog een waterige ster in de avond (22:30) hemel boven Servië waar bommenwerpers overgeven / vanuit afvalscherven en puin wijs je op het menselijke, op het daaronder be- graven lichaamsdeel / even snikken en dan verder
De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.
Uit: Voor de democratie
“De man die zijn naam aan de Griekse ‘gouden eeuw’ gaf, de Atheense staatsman Perikles, bevond zich vrijwel zijn hele leven in dat politieke spanningsveld. Hij was afkomstig uit een oud en voornaam geslacht, de Alkmaioniden, maar schaarde zich al vroeg aan de kant van het volk, wat hem het verwijt van populisme opleverde en veel conservatieve vijanden. Niettemin was hij zo’n dertig jaar een leidende politieke figuur in Athene, van ongeveer 461 v.Chr. tot aan zijn dood tijdens de pestepidemie in 429 v.Chr. Dat de naam Perikles verbonden raakte met een ‘gouden tijdperk’ is grotendeels te danken aan zijn aanhoudende populariteit als politiek leider. Ieder jaar werd hij opnieuw gekozen als strategos (een van de tien bevelhebbers). Hij breidde de Atheense democratie uit, zorgde voor een financiële compensatie wanneer gewone burgers democratische verplichtingen op zich namen. Hij nam het initiatief tot grootse bouwprojecten als het Parthenon, de Propyleeën, het Erechtheion, het Odeion. Hij voltooide de zogenaamde Lange Muren, een verdedigingswerk dat Atheners bescherming bood op de weg naar de haven van Piraeus. Ook gaf hij zijn persoonlijke vriend, de beeldhouwer Phidias, de opdracht tot het maken van het beeld van Athena Parthenos in het Parthenon, maar liefst 12 meter hoog, opgetrokken uit goud en ivoor. Onder Perikles werd de hegemonie van Athene ten opzichte van haar bondgenoten versterkt. Zij hadden zich verenigd in de zogenaamde Delische Bond en het was Perikles die hun gezamenlijke schatkist van het eiland Delos overbracht naar Athene, waarmee behalve de oppermachtige Atheense vloot ook de prestigieuze bouwprojecten werden bekostigd – wat Perikles het verwijt van praalzucht en imperialisme bezorgde. Athene fungeerde zo’n beetje zoals de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog ten opzichte van West-Europa, dominant, maar ook een waarborg voor veiligheid. Je moest betalen, je had weinig in te brengen, maar je kreeg er een redelijk zorgeloos bestaan voor terug. Iemand die de Atheense politiek zo lang domineerde, was vanzelfsprekend omstreden. Tijdens Perikles’ leven, maar ook in de eeuwen daarna, helemaal tot in onze tijd, is zijn reputatie en statuur onderwerp van discussie.”
Hoe ze haar vinger uitstrekt van de mokkalepel, mijn Sudeten-grootmoeder. Haar haar zwart van de gedroogde bieten. Buiten, de afdruk van haar handen in de wind, waar kinderen kastanjes doorheen gooien. De aardappelen heeft ze nooit vertrouwd en hurkte alleen in de rook van de stokerij. Zoals bij sommigen een bochel langs de rug omhoog groeit, groeit deze in haar krullen. Dit uiteenvallen elke avond, naakt voor de gordijnen is haar huid slechts een scheur in de stof.
„Unbegreiflich. Unbegreiflich, aus welchem Grund unser allergnädigster Kurfürst Friedrich, den man den Weisen nennt, uns diesen halbtoten Augustinermönch aufgehalst hat. Die Gedanken der Großen dieser Welt sind unerforschlich wie Wolken und Winde. Einen Mann, der wider den Ablasshandel wettert – dabei betreibt unser durchlauchtigster Herr den ja selbst in üppigem Maße. Er nennt eine Unzahl von heiligen Reliquien sein eigen, die gegen ein Entgelt zu betrachten oder gar zu berühren, wie man weiß, bereits viele Jahre Ablass vom Fegefeuer garantiert. Und vom wahren Glauben abzufallen, dazu zeigt der Fürst nicht die geringste Neigung. So wenig wie der ganze thüringische Landstrich. Aber gewiss steckt feinsinnigstes Kalkül dahinter, das kein schlichter Erdenbürger zu erraten ver-mag. Sc’ ist die Meinung jener, die halb verborgen hinter den Fensterbögen des Palas stehen und mit ansehen, wie die Begleiter den seltsamen Gast vom Pferd heben. Dabei geht er in die Knie, und sie müssen ihn beinah tragen, um ihn ins Neben-gebäude zu bringen. Der Mann, dessen Name in aller Mund war! Ein schmächtiges Mönchlein, das kantige Gesicht unter der Kappe, die seine Tonsur verdeckt, vor Erschöpfung wie erloschen. Sie zucken die Achseln, gehen zur Tagesordnung über – die ganze ritterliche Mannschaft, die diese Burg im Norden Thüringens bewacht und eigentlich nichts tut als saufen, fressen, spielen, zur Jagd reiten und dem Herrgott den Tag zu stehlen. Man hatte von diesem angekündigten »Besuche heute etwas Ab-wechslung erwartet. In welcher Weise, wüsste man allerdings nicht zu sagen. Irgendetwas gegen die tägliche Langeweile. Es war allerhöchster Befehl erteilt worden, diesen gebannten Erzketzer auf seiner Heimreise vom Reichstag abzufangen und hierher zu verbringen. Nicht etwa, so wurde ihnen eingeschärft, um die ansehnliche Belohnung zu kassieren, die Kaiser und Reich darauf ausgesetzt hatten, einen Vogelfreien zu greifen und Justitiam zu überliefern, sondern ihn zu verstecken und dabei zu behandeln, als sei er wie einer von Adel. All seine Wünsche seien zu erfüllen, außer, er verlange, sein Domizil oder gar die Burg zu verlassen.“
Leven is het verhaal van een lichaam, zeg jij: het gekuch in de concertzaal is het verhaal van een lichaam dat zichzelf niet kan bevatten, en de Waldstein het verhaal van een leven dat weigert zich te laten vangen in z’n eigen lichaam, het beschadigde oor dat z’n gaafheid terugkrijgt in een nageslacht van noten. Ik strek mijn verkrampte knieën. Naast elkaar deze hele reeks van jeukende benen! Zwoegend om het ritme uit de lucht aan het lichaam terug te geven en met de hak de grond steeds in te tikken. Een gevallen programma verhaalt van een in zichzelf verdwaald lichaam dat één en al oor werd – zo’n oor waarvan alleen de doven dromen, met z’n reusachtige boogkanalen en doolhoven, z’n slakkenhuisje van kraakbeen dat trilt en beeft en tot de rand gevuld is met het door de oorschelp doorgegeven verhaal waarin leven het verbreken is van nu gehoorde stiltes, het dagelijks herscheppen van een lichaam belichaamd met lucht.
Vertaald door Peter Nijmeijer
Alfred Charles Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)