Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
Uit: De ontregeling van de wereld (Vertaald door Eef Gratama)
“Na de val van de Berlijnse Muur waaide er een wind van hoop over de wereld. Doordat er een einde was gekomen aan de confrontatie tussen het Westen en de Sovjet-Unie, werden we niet langer bedreigd door de kernramp die ons al veertig jaar lang boven het hoofd hing; vanaf dat moment zou de democratie zich geleidelijk aan over de hele wereld gaan verspreiden, dachten we; de barrières tussen de verschillende regio’s op aarde zouden worden opgeheven en het vrije verkeer van mensen, goederen, beelden en ideeën zou ongehinderd op gang komen en een tijdperk van vooruitgang en welvaart inluiden. Op elk van deze fronten werden aanvankelijk enkele opmerkelijke stappen vooruit gezet. Maar hoe verder we kwamen, hoe meer we het spoor bijster raakten. De Europese Unie is in dit opzicht een schoolvoorbeeld. Voor de Unie was het uiteenvallen van het Sovjetblok een triomf. Van de twee wegen die voor de volken op het Europese continent waren opengesteld, bleek er een afgesloten te zijn, terwijl de andere zich uitstrekte zo ver het oog reikte. De voormalige Oostbloklanden kwamen allemaal bij de Europese Unie aankloppen; de landen die nog niet zijn toegelaten, hopen hier nog steeds op. Maar juist op het moment dat Europa zijn triomfen beleefde en zo veel volken er gefascineerd en verbluft op afkwamen alsof dit het paradijs op aarde was, is het zijn bakens kwijtgeraakt. Wie moest het nog onder zijn hoede nemen, en met welk doel? Wie moest het buitensluiten, en om welke reden? Meer nog dan in het verleden stelt Europa zich vandaag de dag vragen over zijn eigen identiteit, zijn grenzen, zijn toekomstige instellingen, zijn plaats in de wereld, zonder te weten wat het daarop moet antwoorden. Ook al weet Europa precies waar het vandaan komt, welke tragische gebeurtenissen de volken van dit continent hebben overtuigd van de noodzaak om zich te verenigen, het weet niet meer zo goed welke kant het op moet gaan. Moet het de vorm aannemen van een bondsstaat, vergelijkbaar met die van de Verenigde Staten van Amerika, bezield door een ‘continentaal patriottisme’ dat het patriottisme van de naties waaruit het bestaat zou overstijgen en zou opnemen, en dat behept zou zijn met de status van een wereldmacht, niet alleen in economisch en diplomatiek, maar ook in politiek en militair opzicht? Zou het bereid zijn om zo’n rol op zich te nemen, en de daarmee gepaard gaande offers en verantwoordelijkheden te aanvaarden? Of zou het zich eerder moeten beperken tot een soepel partnerschap tussen naties die angstvallig hun soevereiniteit bewaken, en op het overkoepelende vlak een ondersteunende kracht moeten blijven? Zolang het continent nog in twee vijandige kampen was verdeeld, waren deze dilemma’s niet aan de orde. Sindsdien doen ze zich op een hardnekkige manier voor. Nee, natuurlijk zullen we niet terugkeren naar de tijd van de grote oorlogen, noch naar die van het IJzeren Gordijn. Maar wie gelooft dat dit slechts gaat om geruzie tussen politici of tussen politicologen, vergist zich. De toekomst van het continent is in het geding.”
We vliegen door een nacht vol sterren Wiens afgelegen, bevroren tongen Een spiegeltaal spreken, mineraal Grieks Schitterend door de ruimte, de een tegen de ander – O Venus en Mars, jullie droom In een holle koepel van uitgestorven leven, ver ver ver Weg van onze oorlogen.
1 Onder hun naaktheid zijn ze nog steeds naakt. In de geest ontbloten mythen en sterren De kwetsbaarheid van hun schedels. Een nieuwe dageraad waait hutten en papyri van hun wil weg. Het heelal vult in centimeters, minuten Hun tongen en ogen, waar naam en afspiegeling zichtbaar zijn, Met woorden en beelden. Ster en berg weten Dat ze bestaan, in deze levens die het leven doodt. Draaiend met de rand van de aarde door de nacht, Verpakt in hun afzonderlijke huiden, met pulserende adem, Verdeeld in hun lot, maar toch verenigen ze zich allemaal Op die ene reis naar geen plaats of datum Waar, naakt onder naaktheid, onder Het leven, in één mensheid, zij wachten op De veelsoortige eenzaamheid van de dood.
Uit:Prins Peper (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)
“Papa Moupelo hield ons dus vanuit een ooghoek in de gaten en greep in zodra we over de schreef dreigden te gaan. In de buurt van de meisjes komen zat er bijvoorbeeld niet in, laat staan dat we ze bij hun middel konden grijpen en als een bloedzuiger aan hen vastklitten. Even onverbiddelijk was hij voor jongens met perverse neigingen, zoals Boumba Moutaka, Nguékena Sonivé en Diambou Dibouiri, die een scherf van een spiegel gebruikten om te zien welke kleur ondergoed de meisjes droegen en ze er dan mee plaagden. Papa Moupelo las ze meteen de les: ‘Pas op, kinderen! Dat wil ik hier niet! Grap en zonde gaan vaak hand in hand!’ Meer dan twee uur vergaten we wie en waar we waren. Ons geschater was tot buiten het weeshuis te horen als Papa Moupelo in trance raakte en een springende kikker nadeed om ons de beroemde dans te laten zien van de pygmeeën in zijn land van herkomst, Zaïre! Die dans zag er heel anders uit en was veel technischer dan de dans uit het noorden van ons land, want er was een katachtige lenigheid voor nodig, de snelheid van een eekhoorn die wordt nagezeten door een boa, en vooral dat speciale heupwiegen, waarna de priester door zijn knieën zakte, een kangoeroesprongetje maakte en ineens een meter verder weer op zijn voeten stond. Nog steeds heupwiegend ging hij weer rechtop staan, stak zijn armen hoog in de lucht, slaakte een kreet vanuit zijn keel en bleef ten slotte roerloos staan, met zijn rode ogen wijd open in onze richting. En toen we wilden juichen nam hij een minder komische houding aan en gingen we langzamerhand een voor een zitten op de bamboestoelen, die kraakten bij elke beweging die we maakten. We waren in de wolken, vervuld van een sfeer waar we de volgende dag niet over uitgepraat raakten in de kantine, in de bibliotheek, op het speelterrein, op het schoolplein, en vooral in de slaapzaal. Daar herhaalden we die passen totdat de zes gangsurveillanten, die Papa Moupelo zijn invloed benijdden, met hun zwepen zwaaiden zodat we tussen de lakens doken. We noemden ze ‘gangsurveillanten’ omdat ze zich in de gangen verscholen, ons bespiedden en informatie doorspeelden aan directeur Dieudonné Ngoulmoumako, op de eerste verdieping. De strengste surveillanten waren Mpassi, Moutété en Mvoumbi. Omdat ze van moederskant familie van de directeur waren, gedroegen ze zich als echte onderdirecteuren, zodat Dieudonné Ngoulmoumako hun soms moest vragen een toontje lager te zingen. De andere drie, Mfoumbou Ngoulmoumako, Bissoulou Ngoulmoumako en Dongo-Dongo Ngoulmoumako, gingen prat op hun familienaam, die ze hadden geërfd van vaderskant van de directeur. Dat drietal keek op iedereen neer, terwijl ze hun positie alleen aan hun oom te danken hadden. In het opvoeden van kinderen hadden ze geen ervaring. Ze zagen ons als vee en blaften ons af. Maar zodra ze de slaapzaal uitliepen maakte een van ons een grapje in het Lingala van Papa Moupelo en kwamen we uit bed.”
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)
Op een snelweg door het moerasgebied. Aan de ene kant de rook van verschillende vuren achter elkaar, verspreid als vingers en getrokken om uit te smeren. Het is de altijd brandende stortplaats.
Achter ons, de stad, als palen in de aarde gedreven. Een watervogel stijgt op boven dit moeras, een beweging zoals die van een schildpad aan de kust van de Galapagos.
We slaan een onverharde weg in, naderen de stortplaats. De hele lucht trilt in een goedkope spiegel. Er hangt een nevel over de hete zon.
Nu worden de verre gebouwen in de rook gemodelleerd. En we komen in een landschap gemaakt van blikjes, van auto’s als schedels, dat rolt in zijn zandduinvormen.
Tussen deze enorme grijze plastic platen van hitte schimmige figuren, die bezig lijken te zijn met het identificeren van de doden – zij zijn de bewakers, in overall en met veiligheidsbril,
snuffelend tussen het afval op de smeulende vuren. Een zure rook barst overal uit, dun, als touw. En er lopen nog anderen rond: aaseters.
Zoals duivels in de hel in onze ziel zouden rondporren naar restjes van verlangen, om er zich zelf mee op te hitsen,
zo lijken deze figuren moedeloos rond te dwalen, in een eeuwigheid, waarin zij een eigenaardige sensatie zouden kunnen ontdekken.
We stappen uit en lopen ook rond. De geur is krachtig, blaast onze mond droog: de tonnen verrotte kranten en grote balen gras of stof…
En waar ik sta, de luchtspiegeling van de stad voor mijn ogen, besef ik dat ik in de toekomst ben. Zo zal het ook zijn als er geen mensen zijn. Zij zal gemaakt zijn van dingen die werkten.
Een arbeider schept een niet-identificeerbare pulp op zijn vork, gooit hem in de vlammen: er fladdert iets zoals de lap, omhoog gehouden in ‘The Raft of Medusa’.
We naderen een ander, door de rook en even lijkt hij op de demon met de lange steel. Het is een man die zijn ogen afveegt. Iemand die hier werkt moet huilen,
en dus praten we. De randen onder zijn ogen zijn vochtig als een oester, en rood. Alles wetend wat hij over ons weet, hoe kan hij de mensen niet haten?
Terwijl ik verder loop, zie ik een oude radio, waar bungelende draden uithangen – en ik merk dat de stemmen die hij ontving nog steeds rondreizen,
wegglijdend, doorzeefd, rond de boog van het universum, en met hen het mechanische gelach en Chopin, die het geluid was of het optrekken van de gordijnen, ooit, tot een kust van licht.
Vertaald door Frans Roumen
Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945) Robert Gray in 1978 gefotografeerd door Christine Godden
In his youth, as he recalled, the Great Causeway of the Heavens and Earth trembled and the stars were spilled like dust, at the overthrow of a dynasty. It could seem that he was old from birth, who was always saying goodbye. During eighty years he wrote five thousand poems, in a rhyming prose or as songs for the lute. Otherwise, his life was uneventful, except for the always- remembered love that he had for a certain courtesan. His mother refused to let him marry this girl, who was called Scented Jade, and soon afterwards he was ordered as a minor clerk to the far province of Fukien. There he discovered, at times, the consolation of nature — its vividness, and its unthinkable reality. He writes of the wild mountains, that were as sharp and glittering as dogs’ teeth, and that could be seen from among the hanging flowers of the white lanes. The river there he also admired, which he says was like the great dragon of Ch’i that turned upon itself in all the twelve directions, while subduing the five elements. It was his dream from youth to take arms against the Golden Tartars, but the northern frontiers had been made safe; there was no fighting, but only an endless boredom there. At fifty-four, he went home to his native village, having never gained a preferment, distressed by what he heard of the luxury and incontinence of the court. He dreamed in his work of the “vast smoke” of chariots, as they raced upon the plains; he described his travels to far outposts, by night on a river that was held in the moon’s white stare. Though he styled himself the Hermit of the Mossy Grove, and said that he was wild, irascible and drunken, it seems he longed for the company of other poets. He had married a local girl, when she was fifteen, and spent most of his time quietly lost in his books. Pondering both the Taoist and Ch’an Buddhist teachings, he grew more and more enamored of nature, and found his companionship in mountains, rivers, and trees. In rainy weather he would put aside his studies and trudge to the inn, to drink with the farming hands. “Daily the town inn sells a thousand gallons of wine. The people are happy; why should I alone be sad?” He was utterly sincere in his love of beauty. The thing he has seen appears on the white paper. There is a sense of overbrimming life. A Chinese critic has said, “His poetry has the simplicity of daily speech; in its simplicity there is depth, and in its poignance there is tranquility.” When he was seventy-one, the Mongols arose once more, and began to attack the Celestial Horde; the armies of the Sung were continually defeated, and were even driven out of Szechuan. Again, he applied for enlistment, but amidst the turmoil in the corridors at the provincial capital he was pushed aside and ignored. Giving up all hope that before he died he would see himself in battle, he returned to his village in disgust. His songs were now being sung by the muleteers in far mountain passes, by girls bringing silk to be washed in the streams. In the capital, they were exclaimed over at wine parties, and were murmured beside the Imperial Lake. He was revered, if rarely seen, in his village, but finally one morning the word went around that he had fallen hopelessly ill. Everything was made ready — the thin coffin, the two thick quilts, and the payment for the monks; the earth was thrown out of his grave onto the hillside, and the incense was bought that would smoulder among the graveposts there. But then, the next day, he rose on his couch, and called for wine to be brought him from the marketplace; he had the blind rolled up on his view to the south, and he wrote some impeccable verses, in the tonally-regular, seven-syllable form.
EEN SCHAAL MET PEREN
Roetig als wasdoek en gezet als Sancho Panza voorzien van het steeltje van een baret vraagt de peer
zelf om een doortastende benadering het fijnste lemmet uit de messenlade hier
hem op te fleuren is een snee en dan nog een de noordwand de zuidwand gletsjerfacetten het zoet knerpen van zijn sneeuwschone sappen
Ik vind glad gevoegde dorpels en plinten van wit marmer waar het bolletje parfum langs drupt
een frisheid als de bries die je voelt wanneer de waaier van de dag zich opent
Enku verwoede beeldhouwer van dennestompen onthulde de tienduizend boeddha’s met kalligrafisch geweld
Gerationaliseerde vorm gevormd met verticale japen heb ik je weelderige bips tot bekken teruggebracht
Een zondag regen en als een tjokvolle gargouille die te lang had gezwegen ketst en kaatst de donder lenig
bazelt door een omgekeerde trechter de hele middag boven de daken zijn boodschap van burleske strijdlust
Losgeraakte regenveters bungelen langs de ramen nu scherpt
een slager het licht wettend zijn lievelingsmes snijdt flikkerende strepen in de tuin
En ik sneed het peervormige hoofd met dicht bijeenstaande ogen als pitten dat Picasso zag zijn arme
vriend die naar het front was opgeroepen een cubistische sneeuwpop de zoet- gevooisde gedoemde Apollinaire
De Nederlandse schrijver, dichter, literatuurcriticus en columnist Rob Schoutenwerd geboren in Hilversum op 22 februari 1954. Zie ook alle tags voor Rob Schoutenop dit blog.
Bemodderd dichter
Ziet u soms een met veel misbaar de stad doorstappen, Die, hondsgemuild, zijn muilen, luimig sleetsgeschopt, Verplaatst, de krop in een bevuilde das gestropt, Druk doend met heel het vrome volk zijn aars te lappen,
Uitheems behaard, – kolkt drek rond in zijn lichaamssappen, Gordt hem zonder een riem waardoor de romp zich propt, Een kniebroek, loopt hij steeds in voddegoed verpopt, Dat dag en nacht zijn naakte lijf blijft overlappen –
Een ieder op een woeste, louche blik onthalend, Middels zijn kakement obscene taal vermalend, ’t Der ving’ren hoorn tot bloedens toe verbeten.
Ziet u, zeg ik, er een met dergelijke trekken, Wees dan verzekerd: Dát is een der raspoëten. Meer informatie zal de kerk u graag verstrekken.
Doordeweeks
Over mijn autenticiteit gesproken, belangstelling was er vandaag niet voor en zelf lag ik half grieperig in bed. Slechts één keer werd ik naar de deur geroepen om aan auto-da-fe’s mede te werken, Getuigen van Jehova aan te steken.
Nietig gestemd bleef ik in kamerjas urbi et orbi maar het raam uit staren zonder veel wijzer van mezelf te worden of van contemporaine wandelaars. Nee, met de toekomst was het niks vandaag.
Avond werd het intussen wel natuurlijk; pal boven mij werd smakeloos geneukt. Om elf uur zei ik niemand welterusten maar vals alarm, tot vier uur lag ik wakker in knoedels laken en maar transpireren.
Ten slotte sliep ik mensen hatend in, mijzelf ontpoppend als een stralend god in een luchtig, niet te immens heelal dat ik ineens ook weer verlaten moest. Niets dat ik in de haast daar achterliet en ’s ochtends over was mijn griep ook niet.
Vooruitziende hond
Door deze wereld loopt de hond zijn kop omhoog – hij ziet de dingen al snuffelt hij soms aan de grond op zoek naar zijn herinneringen vindt hij ze niet. – Staat hij er op? En staat hij zelf dan op het spel? Hij schudt, en heft maar weer de kop, de poten, en bevindt zich wel.
Fijne lui zijn ’t – je zou er niet over peinzen om ooit Een contract van ze na te lopen met een Loep, of je brieven weg te sluiten – ook Lief en doelmatig – wat je hebben wil krijg je. Wat is er dan mis als je, tussen ze levend, Steeds maar getroffen wordt door het groot aantal Gelukkige huwelijken en ongelukkige mensen. Ze missen geen lezing over Problemen Van Na De Oorlog, Want raken doet het ze, hun hulpvaardigheid staat buiten kijf; toch, Als in hun ochtendbladen de aarde zich aan hen voordoet, Wat maken ze dan van haar verschrikking en dwaasheid, Zij die nooit – zoiets weet je – een spontaan verlangen Hebben gevoeld om de kat te martelen of in het openbaar Naakt te gaan lopen? Hadden ze ooit, zo vraagje je af, Zo dolgraag een eenhoorn gezien, al was ’t maar Een dooie? Mogelijk. Maar dat houden ze voor zich, Stilzwijgend eensgezind doof voor ons hongeren Naar eeuwig leven, dat bestraft stout kind van een vraag Dat soms uit de hoek mag, op barbecuefeestjes of bij Een academisch lustrum, en waarvoor alleen Het schuine verhaal, ironisch genoeg, een goed woord doet.
Vertaald door Peter Verstegen
W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973)
Sloten onder kroos, pointillisme van groen, stilliggend geril van begin, natuur die vijf miljard puntjes tegelijk op haar i’s zet.
Ik op mijn buik langs zo’n sloot. Geef me mijn bril eens. Puntjes op de i inspecteren is mijn beroep en vooral: daarbij op mijn buik liggen. Hoeveel puntjes heb je nodig voor groen?
Hoeveel zandkorrels, zandkorzels, voor strand? Hoeveel mensen voor mensheid? Twee. Iemand met sproeten, en iemand die ze telt.
Het liefste wat ik heb
Het liefste wat ik heb is elf geworden. Feestje. Daarna ging het liefste wat ik heb naar huis met het liefste wat ik had. Het kleine meisje met het grote. Ik met mezelf. Zo vrolijk.
Want het is goed om ooit iets te hebben gehad. Het is beter dan nooit iets te hebben gehad.
Envoi
Als ze het maar zien zou, zien wou – Wat is er nog te kort, vroeg God zich af, die zesde dag. Het was allemaal te hard, Adam, het had te snel moeten gaan. Er moest minder fel geheugen bij. En glimlach.
Of was dat hetzelfde ? En waarvan maak je dat ? Niet van lichtzinnigheid, maar van alles weten en het heel erg vinden, en daar rustig van zijn. En God vond mededogen
uit. En vervolgens twee armen om het in te doen, wat al niet, klaarkomen, huilen, onbenullig, overbodig zijn. Toen rustte Hij en dacht: wat heb ik nou nog nodig ? En toen schiep Hij twee ogen. – Opdat ze hem zou zien terwijl hij stierf. Opdat hij eindelijk zou mogen.
Herman de Coninck (21 februari 1944 – 22 mei 1997)
I Hij is verdwenen in het holst van de winter: De beken waren bevroren, de luchthavens welhaast verlaten, En de standbeelden van de stad waren door sneeuw mismaakt; In de mond van de stervende dag zakte het kwik. Het werd door alle meetinstrumenten bevestigd: De dag van zijn dood was een koude donkere dag.
Ver van zijn ziekte Renden de wolven voort door de wouden van naaldhout, Werd de boerse rivier niet bekoord door beschaafde kaden; Rouwende tongen Hielden de dood van de dichter voor zijn gedichten verborgen.
Maar voor hem was die middag de laatste dat hij zichzelf was, Een middag van verpleegsters en van geruchten; De provincies van zijn lichaam kwamen in opstand, Leeg waren de pleinen van zijn geest, De voorsteden in bezit genomen door stilte, De stroom van zijn gevoel viel uit; hij werd zijn bewonderaars.
Nu is hij over een honderdtal steden verstrooid En totaal uitgeleverd aan hem vreemde affecties, Om in een ander soort bos zijn geluk te vinden En te worden gestraft naar uitheemse gewetenscode. De woorden van een dode Wijzigen zich in het binnenste van wie leeft.
Vertaald door Peter Verstegen
W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973)
Mijn hart wou nergens tieren En nergens vond het vree Dan tussen uw rivieren Nabij uw grote zee, Mijns harten eigen groene land Dat voor mij dood en leven bant.
De wind zong door de bomen Tot in mijn stille huis De stemmen uwer stromen, Uw volle zeegeruis: Daar brak mijn hart in zangen uit, Daar werd de stem van ’t bloed geluid.
Wel hebt gij mij gegeven Al wat ik anderen bood. Ik zong van dood en leven, Van liefdes rijke nood: Des harten tederste ademhaal, Hij werd verstaanbaar in uw taal.
Al dieper zoeter wonder Fluistert uw stem mij voor… Laat mij niet sterven zonder Uw levenwekkend koor! De wind die in uw lover luwt, Is ’t afscheid dat mijn hart niet schuwt.
Buiten de tijd en zijn bestier, Een ledig nest Hoog in de top van de populier, Komt nooit mijn hart tot rust. En alle dingen zijn eenzaam, en Vloeien ineen – Ik wil slechts wezen wat ik ben: Alleen, alleen, alleen!
Rosengarten
Berlijn
Ik heb iets bijna schoons aanschouwd Hier waar de jacht der oppervlakkigheid Al schone dingen veil voor goud Bezitten wil, en dus ontwijdt– Ik heb iets bijna schoons aanschouwd: In het verkeerdoorgonsde park Terzij van zijn asfalten wegen, Als in een straat een ingebouwde kerk, Vond ik een rozentuin gelegen: Daar in doorzonde bloemenwolk Zweeg van het onbeschaafbaar volk Het ijl gezwets, het loos gegil Een spanne stil . . . Hier heersen roos en rozeknop! Zo dacht ik – middenin Stond van onnoozle keizerin De onnoozler pop.
Uit: Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe
Tiende strofe (Fragment)
Straks als zij met den witten morgen waakt en ziet de golf van levenleenend licht de wereld overvloeden tot elk ding gebaad staat in goudblonde kenlijkheid, dan gaat haar iets van zijn geheimnis op, en sidderend doorproeft haar heilge vrees de zoetheid van het onontkoombaar lot, het oordeel dat zij nimmer iets zal weten zoo na als hem van wien de allichte kunde dit smachten blijft van nooit vervuld gemis, verlangen dat het lief niet leeren mag, maar hem vermoedt met zulk een zuivren tast dat nooit éen schoone schijn, éen teêr bedrog met bittre schaduw van ontgoocheling de onnaakbaarheid van hare trouw beduistert. Zoo wordt haar korte zijn in dit vreemd land tot een onafgebroken zaalge jacht van telkens weêr opnieuw gevonden worden, gestâge ruil van schoon voor eeuwger schoon, armoê voor rijkdom, wisslende eb en vloed van liefde en wederliefde – en onverlet begroet haar glimlach als een nieuw revier de schemerdiepten van den jongen dood.
Pieter Cornelis Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943) Portret door Christian de Moor, 1943
Vandaag, op een dinsdag van onrust loop ik op de grens langs het hek elke twintig meter een schijnwerper elke twintig meter een bewakingscamera elke vijf minuten een jeep van de Guardia Civil ‘s middags roept de muezzin door de mazen zie ik schoolkinderen, de tenten van het Marokkaanse leger, daarachter rollen draad een hek, uitgegraven aarde, dezelfde in zijn kleur uitgegraven hemel
bij een doorgang dragen mannen bumpers langs, achterbanken, kunststof planken, ik zie rampzalige gebitten, armen waar de aderen uitpuilen als wilden ze de lichamen verlaten
“Het onderscheid tussen die twee is voor mij überhaupt ieder jaar lastiger te maken. De felrode lippenstift onder de capuchon, die zelfs van deze afstand waarneembaar is, als een merkteken, verraadt dat ze er belang aan hecht gehoord te worden. Ze draagt schoenen met hakken die de prijs per strekkende centimeter opstuwen, door sommige vakvrouwen bespeeld als een ritmisch instrument waarmee ze in kantoortuinen en hotellobby’s met valse status stiltes laten vallen. Het tasje dat ze draagt lijkt meer op een aangelijnde hamster en kan nooit meer bevatten dan een zwierig opgefleurde smartphone, ongetwijfeld van het laatste model. De hamster bungelt terwijl de meisjesvrouw haar capuchon afzet. Met een vergelijkbare beweging schudt ze haar haar wakker. Ze hoort daar niet te staan, omlijst door het natte beton. Ze hoort in een etalageruit of in een tijdschrift, niet voor de poort van mijn fort, de enige veilige plek buiten mijn appartement. Wat kan ik doen? Ik kan teruglopen. Ik kan mijn fiets hier laten staan en met een omtrekkende beweging de achterkant van de garage bereiken. Daar is de achteringang die niemand kent en waarvan ik alleen de sleutel heb. Maar ze steekt haar hand omhoog en dus is alles voorbij. Ze zwaait. Ze kijkt in mijn richting. Er staat niemand achter mij. Er staat niemand naast me. Ik ben de enige die zich op dit tijdstip op straat waagt. Ze roept iets. Ik word gedwongen mijn geïmproviseerde observatiepost te verlaten. Gewapend met mijn fiets loop ik op haar af. ‘Jij bent Lukas Sterreveld.’ Het is eerder een conclusie dan een vraag, dus weet ik niet hoe ik moet reageren. Ze steekt haar hand uit in de richting van mijn navel en houdt haar arm volledig gestrekt. ‘Liz, met een z. Komt van Alice, vandaar.’ ‘Vandaar?’ Met mijn eerste reactie kopieer ik een van haar woorden. Als ik al een kans had gehad me binnen dit gesprek fatsoenlijk te manifesteren, dan is die nu voorgoed verkeken. Ik schud de uitgestoken hand en zeg mijn naam, uit gewoonte, want als ik hem uitspreek besef ik dat ik hem zojuist al heb gehoord.”
We waren ver verwijderd van kapitaalstromen de kapsels waren verpest met de gelijkmoedigheid van een idioot schreef ik twintig regels, en schrapte ze weer, over twee dode katten, die in de sloot lagen dat is gelogen, terwijl de zee zich terugtrok, en de sneeuw in de verte op een bergrug een roedel huizen werd, erboven deze hemel, weelderig, scheen in dit displaylicht je nachtgezicht thuis groette, dat wisten we, televisie-duitsland de landschapskreupelen
“The animals decided to vote. They chose a location more convenient to some than others. It was a vast superyacht, grounded upon a cliff, high above the sea. A bulldog arrived first. He was grizzled, mostly grey, and arthritic. His undershot jaw, however, retained much of its fierce, stubborn strength. He was a determined-looking sort of dog. Limping into the shade of a smashed helicopter—fallen from its place on the yacht’s deck—he sniffed the wind for creatures. He smelled none and so lay down, snout upon paws, to wait. Anticipating the difficulty of the journey, he had left his pack before dawn and was, in fact, early. Next came a horse, trotting—idiotically, thought the dog—in zigzags, toward the yacht. His almond coat was glossy and his mane was streaked blond from sunshine. A brilliant white stripe ran down his muzzle. He slowed to a panting rest. Catching his breath, he nosed for some-thing to eat in the weeds beside the dog. “Good afternoon,” said the dog. “Where are the sugar cubes?” “Sugar cubes?” “Sometimes they have sugar cubes.” “None of them are here.” The horse appeared to think about this. “That’s the point,” added the dog. “Carrots?” Dog and horse regarded each other for a long moment. “No carrots either.” . . . You bloody fool, added the dog, internally. The horse continued nosing in the weeds. “The cat told me to tell you she’ll be late,” he said, through a mouthful of dandelions. Before the dog had time to complain about this, the horse snapped his head up in alarm and looked down the promontory. Though it had been agreed no animal should harm another for the duration of the meeting, he could not banish instinct. He smelled the bear before he saw her. The dog, too. Together they watched her pad along, ropey muscles rolling beneath her fur. “I thought it would be a snow bear,” whispered the horse. “Polar bear,” corrected the dog. This bear was a grizzly, and though certainly fear-some from afar she was not, really, a very strong or well-fed bear. She looked rather scruffy, in fact. Harried. “Good afternoon,” said the dog, as the bear joined them in the shade. “Have the others arrived?” asked the bear. “Not yet,” said the dog. “The cat told me to tell you she’ll be late,” repeated the horse. “No surprises there, eh?” said the dog, hoping to befriend the bear.”
Je hebt goede bloedlijnen, zegt de Koerd. Hij is groot en sterk hij heeft gevochten om de aarde.
Hij bedoelt aders.
Ik zou naar de sportschool moeten gaan, spieren kweken.
Hij haalt een sigaret van achter zijn oor, klopt er kort mee op tafel, steekt hem op, inhaleert, spreekt.
Als Saddam dood is, zijn Iraki’s en Koerden vrij. Twee vogels, één kogel.
Hij bedoelt twee vliegen, één klap maar Koerden denken groter.
Honds
Toen ik mij niet langer wilde schamen, werd ik een hond. Voortaan was ik vervuld van geluk en opwinding, en niet enkel op gepaste momenten, ik kende geen maat. At met smaak, warmde mij aan stenen tegels, tot de schaduw mij riep. Water, als ik wilde bewegen. Ik droeg niet langer een lichaam met mij mee, het lichaam droeg mij waar ik wilde. Ik verzamelde takjes en zand in mijn vacht. En als ik jou, mens, daarmee soms in verlegenheid bracht, liet ik mij wassen en borstelen, aan je voeten.
Vizier
De tong: een gebalde spier, een mosseldier omsloten door de kleppen van de mond.
De handen: lepelen water, zonlicht, vingers strijken tegen de haren, de nagels een pincet voor splinters.
De ogen: tentakels die zich vasthaken vangdraden die verslingerd raken aan waar ze naar grijpen, verdoven wat ze binnenslepen.
Lopend naar huis over de vlakte in het donker. En Linda die huilt. We zijn weer verzeild geraakt op een plek waar ik tier en zij lijdt en de maan komt niet op. We hebben alleen elkaar maar ik sta te schreeuwen in de regen en zij huilt als een gewond dier, wetend dat ze geen kant op kan. Het is moeilijk te begrijpen hoe we hier door liefde zijn beland.
Vertaald door Joep Stapel en Jur Koksma
Jack Gilbert (17 februari 1925 – 13 november 2012)
Voor de liefste onbekende Wie van ons twee heeft de ander bedacht? Paul Eluard
Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken. Ik dank de sterren en de maan dat iedereen die komt en gaat de diepste sporen achterlaat, behalve jij, dat jij mijn deuren, dicht of open, steeds voorbijgelopen bent.
Het is maar goed dat je me niet herkent. Kussen onder straatlantaarns en samen dwalen door de regen, wéér verliefd zijn, wéér verliezen, bijna sterven van verdriet – dat hoeft nu allemaal nog niet.
Ik ben nog niet aan ons gehecht. Ik kijk bepaald niet naar je uit. Neem de tijd, als je dat wilt. Wacht een maand, een jaar, de eeuwigheid en één seconde meer – maar kom, voor ik mijn ogen sluit.
Geheim gedicht
Vannacht heb ik een zoen begraven. Hij lag dertien maanden tussen ons in en jij had al een paar keer gevraagd: wat ligt daar nou toch steeds.
Toen je eindelijk sliep, drukte ik de zoen met mijn lippen in een doosje vol watten en liep naar de tuin. Daar groef ik een graf van twee monden diep
onder de beuk. De duizend zoenen die volgend jaar rood en zoet uit de takken komen waaien, zijn allemaal voor jou.
Tegenstemwijzer
Stem wie je wilt. Op de lieve mevrouw van de overkant, de jongen met de groene baard, het lekkerste hapje uit de krant, de salonsocialist, het sprekende weekdier, het grijze toppunt van onkreukbaarheid.
Stem een regent of opponent of dilettant, alles is goed, behalve Trots en Vrij – laat Vreeswijk liggen waar het hoort, ver onder ons niveau. Geef angst en haat geen stem. Wees trots op de stad, niet op Nederland.
Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)
De Duitse dichteres en schrijfster Elke Erbwerd geboren op 18 februari 1938 in Scherbach in de Eifel. Zie ook alle tags voor Elke Erb op dit blog. Elke Erb is op 22 januari jongstleden op 89-jarige leeftijd overleden.
AVONDROOD
De avond draagt het rood van het symbool, Draag het verder. In de vreemde.
(Ga naar de wind. Vraag de wind. Ga naar de maan. Vraag de maan. Ga naar de zon. Vraag haar.)
Wij dragen aan de verte, de vreemde het rood over van het overgeleverde symbool.
Wij staan op post, als het van eigenaar verandert. Zijn erfgenaam is het kind. Zijn plaats is de wieg.
O dit woord peetouders van het ondergeschoven kind.
– O wij, sprookjesachtig arme, in de vreemde gestuurde, verstoten moeders van het ondergeschoven kind!
Wij in het vagevuur van onze ridderlijkheid trouwe peetouders van het ondergeschoven kind verlossen onszelf, laten zien wie we zijn, gaan vreemd.