Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
And death shall have no dominion. Dead mean naked they shall be one With the man in the wind and the west moon; When their bones are picked clean and the clen bones gone, They shall have stars at elbow and foot; Though they go mad they shall be sane, Though they sink through the sea they shall rise again; Though lovers be lost love shall not; And death shall have no dominion.
And death shall have no dominion. Under the windings of the sea They lying long shall not die windily; Twisting on racks when sinews give way, Strapped to a wheel, yet they shall not break; Faith in their hands shall snap in two, And the unicorn evils run them through; Split all ends up they shan't crack; And death shall have no dominion.
And death shall have no dominion. No more may gulls cry at their ears Or waves break loud on the seashores; Where blew a flower may a flower no more Lift its head to the blows of the rain; Through they be mad and dead as nails, Heads of the characters hammer through daisies; Break in the sun till the sun breaks down, And death shall have no dominion.
Light breaks where no sun shines
Light breaks where no sun shines; Where no sea runs, the waters of the heart Push in their tides; And, broken ghosts with glowworms in their heads, The things of light File through the flesh where no flesh decks the bones.
A candle in the thighs Warms youth and seed and burns the seeds of age; Where no seed stirs, The fruit of man unwrinkles in the stars, Bright as a fig; Where no wax is, the candle shows its hairs.
Dawn breaks behind the eyes; From poles of skull and toe the windy blood Slides like a sea; Nor fenced, nor staked, the gushers of the sky Spout to the rod Divining in a smile the oil of tears.
Night in the sockets rounds, Like some pitch moon, the limit of the globes; Day lights the bone; Where no cold is, the skinning gales unpin The winter's robes; The film of spring is hanging from the lids.
Light breaks on secret lots, On tips of thought where thoughts smell in the rain; When logics die, The secret of the soil grows through the eye, And blood jumps in the sun; Above the waste allotments the dawn halts.
Poem In October
It was my thirtieth year to heaven Woke to my hearing from harbour and neighbour wood And the mussel pooled and the heron Priested shore The morning beckon With water praying and call of seagull and rook And the knock of sailing boats on the net webbed wall Myself to set foot That second In the still sleeping town and set forth.
My birthday began with the water- Birds and the birds of the winged trees flying my name Above the farms and the white horses And I rose In rainy autumn And walked abroad in a shower of all my days. High tide and the heron dived when I took the road Over the border And the gates Of the town closed as the town awoke.
A springful of larks in a rolling Cloud and the roadside bushes brimming with whistling Blackbirds and the sun of October Summery On the hill's shoulder, Here were fond climates and sweet singers suddenly Come in the morning where I wandered and listened To the rain wringing Wind blow cold In the wood faraway under me.
Pale rain over the dwindling harbour And over the sea wet church the size of a snail With its horns through mist and the castle Brown as owls But all the gardens Of spring and summer were blooming in the tall tales Beyond the border and under the lark full cloud. There could I marvel My birthday Away but the weather turned around.
It turned away from the blithe country And down the other air and the blue altered sky Streamed again a wonder of summer With apples Pears and red currants And I saw in the turning so clearly a child's Forgotten mornings when he walked with his mother Through the parables Of sun light
And the legends of the green chapels
And the twice told fields of infancy That his tears burned my cheeks and his heart moved in mine. These were the woods the river and sea Where a boy In the listening Summertime of the dead whispered the truth of his joy To the trees and the stones and the fish in the tide. And the mystery Sang alive Still in the water and singingbirds.
And there could I marvel my birthday Away but the weather turned around. And the true Joy of the long dead child sang burning In the sun. It was my thirtieth Year to heaven stood there then in the summer noon Though the town below lay leaved with October blood. O may my heart's truth Still be sung On this high hill in a year's turning.
Korsetten zijn het bladerdeeg van `nee, niet doen',
Het glas geheven tegen het verval.
De warmte van het vlees zet zelfs een schots in brand,
Fluweel is zachter dan een poes zijn vel.
Het duurt maar kort de omlooptijd op aarde,
Wolken van sepia verduisteren de blik,
Volgen de stramme loop van het papier.
Wie drukt mij in de cirkel der voleinding,
Een kraai krast dat het is volbracht.
Ik sluit mijn mond en geef geen kik,
Dit is de dood en dat ben ik.
Uit : Turks fruit
Toen kon ik niets anders doen dan haar wat voorlezen. Zomaar onzin uit de Libelle. Het gaf niet waar ik begon. Als ik even ophield zei ze soms iets. Het werd steeds onsamen- hangender, maar soms begreep ik dat ze iets over vroeger wilde zeggen. Als het tot haar doordrong wie ik was. ( ) Er overviel me zo n verstikkend troosteloosheid als ik bij haar binnenkwam dat ik wel als Oliver Hardy met schuchtere en lompe opgewektheid er binnen had willen stuiven terwijl ik keihard riep: Aloha babe! En dan door dat glas en dat horregaas had willen springen en met mijn rozen als parachute over de uitlopende kastanjes weg had willen zweven met haar. Als bij toverslag weer veranderd in het meisje van mijn dromen. Op een van de eerste voorjaarsdagen toen ik s middags kwam, was ze dood. Ze was de avond ervoor gestorven
De Engelse dichter, schrijver en biograafAndrew Motion werd geboren op 26 oktober 1952 in Braintree in Essex. Hij volgde een opleiding aan Radley College. Toen hij zeventien jaar was kreeg zijn moeder een autoongeluk. De volgende negen jaar bracht zij deels in coma door, totdat zij stierf. Motion studeerde vervolgens Engels in Oxford. In mei 1999 werd hij benoemd tot Poet Laureate.
SPRING WEDDING
I took your news outdoors, and strolled a while In silence on my square of garden-ground Where I could dim the roar of arguments, Ignore the scandal-flywheel whirring round,
And hear instead the green fuse in the flower Ignite, the breeze stretch out a shadow-hand To ruffle blossom on its sticking points, The blackbirds sing, and singing take their stand.
I took your news outdoors, and found the Spring Had honoured all its promises to start Disclosing how the principles of earth Can make a common purpose with the heart.
The heart which slips and sidles like a stream Weighed down by winter-wreckage near its source But given time, and come the clearing rain, Breaks loose to revel in its proper course.
Regime Change
Advancing down the road from Nineveh
Death paused a while and said 'Now listen here.
You see the names of places roundabout?
They're mine now, and I've turned them inside out.
Anne Tyler, Hélène Swarth, Peter Rühmkorf, Benjamin Henri Constant
Anne Tyler (Minneapolis, 25 oktober 1941)
De Amerikaanse schrijfster Anne Tyler werd geboren op 25 oktober 1941 in Minneapolis, Minnesota. Haar ouders waren activisten die zich voor meerdere progressieve doelen inzetten en Anne groeide op in meerdere communes verspreid over het zuiden en middenwesten van de Verenigde Staten. Toen ze elf was streken haar ouders neer in Raleigh, North Carolina, waar ze voor het eerst een normale school bezocht. Daarna studeerde ze Russische taal en letteren aan de Duke University in Durham. In 1963 trouwde ze met de Iraanse psychiater en schrijver Taghi Modarressi, met wie ze twee dochters heeft. Hij overleed in 1997. Het echtpaar woonde in Baltimore, Maryland. In 1985 kreeg ze de National Book Critics Circle Award voor haar roman The Accidental Tourist. In 1986 werd het boek genomineerd voor de Pulitzer Prize. Het verhaal beschrijft Macon Leary, een schrijver van reisgidsen die na de dood van zijn zoontje nog meer dan vroeger wordt beheerst door zijn dwangmatige gewoontes. De extravagante hondentrainster Muriel Pritchett probeert hem over het verdriet heen te helpen. Het tragikomische verhaal werd in 1988 verfilmd met William Hurt en Geena Davis in de hoofdrollen. In 1989 kreeg ze de Pulitzer Prize voor haar roman Breathing Lessons.
Uit: Digging to America
At eight o'clock in the evening, the Baltimore airport was nearly deserted. The wide gray corridors were empty, and the newsstands were dark, and the coffee shops were closed. Most of the gates had admitted their last flights. Their signboards were blank and their rows of vinyl chairs unoccupied and ghostly.
But you could hear a distant hum, a murmur of anticipation, at the far end of Pier D. You could see an overexcited child spinning herself into dizziness in the center of the corridor, and then a grownup popping forth to scoop her up and carry her, giggling and squirming, back into the waiting area. And a latecomer, a woman in a yellow dress, was rushing toward the gate with an armful of long-stemmed roses.
Step around the bend, then, and you'd come upon what looked like a gigantic baby shower. The entire waiting area for the flight from San Francisco was packed with people bearing pink- and blue-wrapped gifts, or hanging on to flotillas of silvery balloons printed with IT'S A GIRL! and trailing spirals of pink ribbon. A man gripped the wicker handle of a wheeled and skirted bassinet as if he planned to roll it onto the plane, and a woman stood ready with a stroller so chrome-trimmed and bristling with levers that it seemed capable of entering the Indy 500. At least half a dozen people held video cameras, and many more had regular cameras slung around their necks. A woman spoke into a tape recorder in an urgent, secretive way. The man next to her clasped an infant's velour-upholstered car seat close to his chest.
De schrijver, beeldhouwer en schilder Jan Wolkers werd vanmiddag om 15.30 uur op begraafplaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam gecremeerd. Bij dit afscheid hier een gedicht van hem zelf. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2007.
Was gibt dem Freund, was gibt dem Dichter seine Weihe? Daß ohne Rückhalt er sein ganzes Selbst verleihe: Erleuchten soll er klar der Seele tiefste Winkel, Ob auch ein Tadler ihn verlorner Würde zeihe; Ihr Halben hofft umsonst, mit enger Furcht im Herzen, Daß euer Lied man einst zu großen Liedern reihe: Stumpfsinnige, was wähnt ihr rein zu sein? Ich hörte, Daß keine Schuld so sehr, als solch ein Sinn, entweihe: Ich fühlte, daß die Schuld, die uns aus Eden bannte, Uns brünst'ge Fittige zu höhern Himmeln leihe. Noch bin ich nicht so bleich, daß ich der Schminke brauchte, Es kenne mich die Welt, auf daß sie mir verzeihe!
Venedig
Dem deutschen Freunde, den die Sterne lenken Zu dieser Inselstadt vom Meer beschäumet, Sei dieses kleine Buch ein Angedenken,
Wann er am Ufer der Lagune säumet, Wann Lieb' und Kunst ihm schöne Stunden schenken, Wann er, gestreckt in einer Gondel, träumet;
Und legt er's weg, so mag er leise sagen: Hier hat vor mir ein fühlend Herz geschlagen!
Mein Auge ließ das hohe Meer zurücke, Als aus der Flut Palladios Tempel stiegen, An deren Staffeln sich die Wellen schmiegen, Die uns getragen ohne Falsch und Tücke.
Wir landen an, wir danken es dem Glücke, Und die Lagune scheint zurück zu fliegen, Der Dogen alte Säulengänge liegen Vor uns gigantisch mit der Seufzerbrücke.
Venedigs Löwen, sonst Venedigs Wonne, Mit eh'rnen Flügeln sehen wir ihn ragen Auf seiner kolossalischen Kolonne.
Ich steig ans Land, nicht ohne Furcht und Zagen, Da glänzt der Markusplatz im Licht der Sonne: Soll ich ihn wirklich zu betreten wagen?
Erforsche mein Geheimnis nie
Erforsche mein Geheimnis nie, Du darfst es nicht ergründen, Es sagte dir's die Sympathie, Wenn wir uns ganz verstünden.
Nicht jeder ird'sche Geist erkennt Sein eignes Los hienieden: Nicht weiter frage, was uns trennt, Genug - wir sind geschieden!
Es spornt mich ja nicht eitle Kraft, Mich am Geschick zu proben: Wir alle geben Rechenschaft Für unsern Ruf von oben.
Was um mich ist, errät mich nicht Und drängt und drückt mich nieder; Doch, such ich Trost mir im Gedicht, Dann find ich ganz mich wieder!
Michel van der Plas tachtig jaar, Adelbert Stifter
Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)
De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas(pseudoniem voor Bernardus Gerardus Franciscus Brinke) werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Hij is vandaag dus tachtig jaar geworden. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006.
De Nederlandse dichter en schrijver Lévi Weemoedt, pseudoniem van Isaäck Jacobus van Wijk, werd geboren in Geldrop op 22 oktober 1948. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006.
Contactadvertentie
Vanmorgen sloeg de poes ineens aan 't zingen.
'k Zat aan 't ontbijt en staarde radeloos in de thee.
0! 't Was een treurig lied vol jeugdherinneringen:
van een geliefde en een wandeling aan zee.
Plots viel de hond in met een diep neerslachtig janken:
ach! van een setter stond zijn hartje zó in brand
maar zij was doodgereden; van die kranke
liefde rees hij nooit meer uit zijn mand ...
Vóór ik het wist begon m'n eigen keel te zwellen
en huilde ik mee met de beschuitbus in mijn hand.
Die was van Bolletje, de thee was van Van Nelle;
maar van rnijn tranen was Jeanett' de fabrikant.
0! 't Is geen leven meer voor deze vrijgezellen;
als dat zo doorgaat bung'len zij aan boord of band;
welk jong, knap meisje, dat kan koken en verstellen
stelpt nu hun leed, en schrijft een brief naar deze krant?
I know a green grass path that leaves the field And, like a running river, winds along Into a leafy wood, where is no throng Of birds at noon-day; and no soft throats yield Their music to the moon. The place is sealed, An unclaimed sovereignty of voiceless song, And all the unravished silences belong To some sweet singer lost, or unrevealed.
So is my soul become a silent place... Oh, may I wake from this uneasy night To find some voice of music manifold. Let it be shape of sorrow with wan face, Or love that swoons on sleep, or else delight That is as wide-eyed as a marigold.
'The point is,' said Anna, as her friend came back from the telephone on the landing, 'the point is, that as far as I can see, everything's cracking up.'
Molly was a woman much on the telephone. When it rang she had just inquired: 'Well, what's the gossip?' Now she said, 'That's Richard, and he's coming over. It seems today's his only free moment for the next month. Or so he insists.'
'Well I'm not leaving,' said Anna.
'No, you stay just where you are.'
Molly considered her own appearanceshe was wearing trousers and a sweater, both the worse for wear. 'He'll have to take me as I come,' she concluded, and sat down by the window. 'He wouldn't say what it's aboutanother crisis with Marion, I suppose.'
'Didn't he write to you?' asked Anna, cautious.
'Both he and Marion wroteever such bonhomous letters. Odd, isn't it?'
This odd, isn't it? was the characteristic note of the intimate conversations they designated gossip. But having struck the note, Molly swerved off with: 'It's no use talking now, because he's coming right over, he says.'
'He'll probably go when he sees me here,' said Anna, cheerfully, but slightly aggressive. Molly glanced at her, keenly, and said: 'Oh, but why?'
It had always been understood that Anna and Richard disliked each other; and before Anna had always left when Richard was expected. Now Molly said: 'Actually I think he rather likes you, in his heart of hearts. The point is, he's committed to liking me, onprinciplehe's such a fool he's always got to either like or dislike someone, so all the dislike he won't admit he has for me gets pushed off on to you.'
'It's a pleasure,' said Anna. 'But do you know something? I discovered while you were away that for a lot of people you and I are practically interchangeable.'
'You've only just understood that?' said Molly, triumphant as always when Anna came up withas far as she was concernedfacts that were self-evident.
In this relationship a balance had been struck early on: Molly was altogether more worldly-wise than Anna who, for her part, had a superiority of talent.
Doeschka Meijsing, Alphonse de Lamartine, Samuel Taylor Coleridge, Patrick Kavanagh
Doeschka Meijsing (Eindhoven, 21 oktober 1947)
De Nederlandse schrijfsterDoeschka Meijsingwerd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zij is de oudere zus van schrijver Geerten Meijsing. Toen ze drie jaar was verhuisde ze naar Haarlem. Ze studeerde Nederlands en literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1971 tot 1976 gaf ze daar les aan het St. Ignatiusgymnasium. Daarna was ze tot 1978 wetenschappelijk medewerker aan het instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. In 1978 werd ze redactrice voor de boekenbijlage van Vrij Nederland. In 1989 werd ze literatuur-redacteur van Elsevier.
In 1974 debuteerde Doeschka Meijsing met De hanen en andere verhalen. Meijsing behoort tot de stroming van de Revisor-auteurs. De gastcolleges die ze aan de Universiteit van Groningen gaf, zijn gebundeld in Hoe verliefd is de toeschouwer? (1988). Belangrijke thema's in Meijsings werk zijn verbeelding, fascinatie en de tijd. Meijsing schreef ook poëzie (Paard Heer Mantel, 1986
Hé, Kelly!
Het was zomer 1983. We waren met z'n zevenen en we bevonden ons in het zuiden. De nieuwe uitgeverij Tabula van Jeroen Koolbergen had een boekje uitgegeven en de zeven schrijvers ervan uitgenodigd voor een presentatie te Maastricht. Het boekje heette Over God.
Het werd een kolkende avond.
Frans Kellendonk had ik wel eens ontmoet. Hij behoorde immers tot de Revisor-schrijvers die dankzij een omslag van de HP tot een stroming waren gebombardeerd: Frans Kellendonk, Dirk Ayelt Kooiman, A.F.Th. van der Heijden (Canaponi), Nicolaas Matsier en ik. Kellendonk en ik hadden een vriendelijk contact, wat vooral neerkwam op een grijns en gegrinnik van Frans naar aanleiding van een van mijn vele boude uitspraken.
Ook hebben wij - bien étonnés de se retrouver ensemble - eens een treinreis gemaakt naar een literair doel in Keulen. Frans was verlegen en grijnsde. We spraken over het literaire leven. Ik denk dat we er beiden weinig van hebben onthouden.
Terug naar Maastricht en de zeven schrijvers. Het was een zomerdag zoals je hem maar kunt wensen: zonnig, warm, uitbundig. Bij de boekhandel op het Vrijthof werden we royaal onthaald. Al de voor ons bedoelde hotels op en rond het Vrijthof waren echter bezet door tandartsen (!) op congres. Wij zouden buiten de stad worden gehuisvest.
Maar eerst was er een copieus diner plús de eigenlijke presentatie in de vorm van een schrijversforum. De schouwburg was tot aan de nok toe gevuld met rumoerige mensen. Wij filosofeerden diepzinnig en vrolijk over God. De zaal filosofeerde luidruchtig mee en Adriaan van Dis probeerde zonder succes de verhitte gemoederen in de hand te houden. De zaal deinde.
Na afloop was er discobal.
Om een uur of twee werden we opgehaald om onze spullen op het Vrijthof te vergaren en per taxi naar een leegstaand hotel over de Belgische grens te worden gereden.
Wij vonden alles super de luxe. Wij waren super de luxe dronken.
Op het Vrijthof werden er in de tuin nog een paar flessen champagne ontkurkt. De eerste kurk knalde gelijk met de eerste donderslag en onmiddellijk viel er een tropische, loodrechte regen naar beneden. Wij vonden ook dat super de luxe na zo'n verhitte zomeravond.
11 september 1958 20 uur Dit is wel het jaar van de démasqués: ook Mohamed is gevallen. Nadat ik zijn koffers uiteindelijk naar Milaan had verzonden, hoorde ik niets meer van hem en uit het feit dat verder noch zijn broer Smaïn, noch Sidali Bensaha schrijven leid ik af dat hij hen op zijn gebruikelijke manier verboden heeft contact met mij te onderhouden.
Over mij is hij zijn macht kwijt. Hoezeer heb ik me in hem vergist. Jarenlang is hij mijn ideaal geweest. Als een troubadour zijn verre geliefde, zo heb ik hem bezongen. Het waren merendeels slechte verzen, maar toch. Pas toen ik hem verloren had, besefte ik dat ik hem had kunnen krijgen. Vanaf de eerste nacht in de Rue de la Huchette als ik het maar anders aangepakt had. Nu bleef het bij incidentele gelegenheden in Nanterre, Lozière, zelfs hier in Kloetinge ondanks de aanwezigheid van Badaoui. Dwaze idealist die ik was.
Ik wenste liefde, poëzie,genegenheid, niet enkel drift, ellende, dronkenschap.Ach, is het niet beter zo? Ik heb hem liefgehad, een prachtige schim, een niet bestaande die bestond.
Hij was tenslotte een avonturier, ook al wou ik dat niet zien. En hij was lauw, miste hartstocht, liet zich alles aanleunen. Hij weerde niet af, maar bleef onbewogen. Dat was al zo de allereerste nacht, het bleef zo alle nachten met hem doorgebracht.
Innerlijk ben ik nog niet helemaal van hem af. Ik heb hem niet meer lief maar kan hem ook niet vergeten.
Vroeger
Vroeger met de zuidenwind ontving ik soms een boodschap geur uit je straat, stof van je drempel.
Of met de noordenwind gaf ik een vogel mee die een woord voor woord geleerde lofzang floot.
Er waren veel wegen en schepen en de aarde draaide gewillig, hier jij, daar ik.
Toen je pas verloren was bleven er veel denksystemen en berekeningen om in te nemen als slaapmiddel.
Later het gevecht met de taal. Bezweren je leeft en ik heb je nog lief, want ik zeg het.
Weer later kwam je alleen in de windstilte van de slaap soms naast mij liggen.
Nu de wind van alle kanten komt ontvang ik vaak een boodschap geur uit je straat, stof van je drempel.
Weet je nog toen het niets was
Weet je nog toen het niets was, alles was: jij opende de deur, een lichte groet, even hield je mijn hand vast, en ik streelde even als bij vergissing langs je schouder. Toen lichtte je het deurkleed op en wij gleden in een verlicht aquarium van lach, pianospel en avondjurken. Aarzelend in dat ogenblik was lente dichterbij dan in viooltjes, werd liefde inniger beleden dan in al de verzen die ik sindsdien voor je schreef.
Je vis assis, tel qu'un ange aux mains d'un barbier, Empoignant une chope à fortes cannelures, L'hypogastre et le col cambrés, une Gambier Aux dents, sous l'air gonflé d'impalpables voilures.
Tels que les excréments chauds d'un vieux colombier, Mille rêves en moi font de douces brûlures : Puis par instants mon coeur triste est comme un aubier Qu'ensanglante l'or jeune et sombre des coulures.
Puis, quand j'ai ravalé mes rêves avec soin, Je me détourne, ayant bu trente ou quarante chopes, Et me recueille pour lâcher l'âcre besoin :
Doux comme le Seigneur du cèdre et des hysopes, Je pisse vers les cieux bruns très haut et très loin, Avec l'assentiment des grands héliotropes.
Le buffet
C'est un large buffet sculpté ; le chêne sombre, Très vieux, a pris cet air si bon des vieilles gens ; Le buffet est ouvert, et verse dans son ombre Comme un flot de vin vieux, des parfums engageants ;
Tout plein, c'est un fouillis de vieilles vieilleries, De linges odorants et jaunes, de chiffons De femmes ou d'enfants, de dentelles flétries, De fichus de grand'mère où sont peints des griffons ;
- C'est là qu'on trouverait les médaillons, les mèches De cheveux blancs ou blonds, les portraits, les fleurs sèches Dont le parfum se mêle à des parfums de fruits.
- O buffet du vieux temps, tu sais bien des histoires, Et tu voudrais conter tes contes, et tu bruis Quand s'ouvrent lentement tes grandes portes noires.
Sensation
Par les soirs bleus d'été, j'irai dans les sentiers, Picoté par les blés, fouler l'herbe menue : Rêveur, j'en sentirai la fraîcheur à mes pieds. Je laisserai le vent baigner ma tête nue.
Je ne parlerai pas, je ne penserai rien : Mais l'amour infini me montera dans l'âme, Et j'irai loin, bien loin, comme un bohémien, Par la nature, heureux comme avec une femme.
Death is a road our dearest friends have gone; Why with such leaders, fear to say, "Lead on?" Its gate repels, lest it too soon be tried, But turns in balm on the immortal side. Mothers have passed it: fathers, children; men Whose like we look not to behold again; Women that smiled away their loving breath; Soft is the travelling on the road to death! But guilt has passed it? men not fit to die? O, hush -- for He that made us all is by! Human we're all -- all men, all born of mothers; All our own selves in the worn-out shape of others; Our used, and oh, be sure, not to be ill-used brothers!
The Negro Boy
Paupertas onus visa est grave.
Cold blows the wind, and while the tear Bursts trembling from my swollen eyes, The rain's big drop, quick meets it there, And on my naked bosom flies! O pity, all ye sons of Joy, The little wand'ring Negro-boy.
These tatter'd clothes, this ice-cold breast By Winter harden'd into steel, These eyes, that know not soothing rest, But speak the half of what I feel! Long, long, I never new one joy, The little wand'ring Negro-boy!
Cannot the sigh of early grief Move but one charitable mind? Cannot one hand afford relief? One Christian pity, and be kind? Weep, weep, for thine was never joy, O little wand'ring Negro-boy!
Is there a good which men call Pleasure? O Ozmyn, would that it were thine! Give me this only precious treasure; How it would soften grief like mine! Then Ozmyn might be call'd, with joy, The little wand'ring Negro-boy!
My limbs these twelve long years have borne The rage of ev'ry angry wind: Yet still does Ozmyn weep and mourn, Yet still no ease, no rest can find! Then death, alas, must soon destroy The little wand'ring Negro-boy!
No sorrow e'er disturbs the rest, That dwells within the lonely grave; Thou best resource, the wo-wrung breast E'er ask'd of Heav'n, or Heav'n e'er gave! Ah then, farewell, vain world, with joy I die the happy Negro-boy!
(Nach einer wahren Begebenheit, deren Schauplatz vom Norden nach dem Süden verlegt worden)
In M..., einer bedeutenden Stadt im oberen Italien, ließ die verwitwete Marquise von O..., eine Dame von vortrefflichem Ruf, und Mutter von mehreren wohlerzogenen Kindern, durch die Zeitungen bekannt machen: daß sie, ohne ihr Wissen, in andre Umstände gekommen sei, daß der Vater zu dem Kinde, das sie gebären würde, sich melden solle; und daß sie, aus Familienrücksichten, entschlossen wäre, ihn zu heiraten. Die Dame, die einen so sonderbaren, den Spott der Welt reizenden Schritt, beim Drang unabänderlicher Umstände, mit solcher Sicherheit tat, war die Tochter des Herrn von G..., Kommandanten der Zitadelle bei M... Sie hatte, vor ungefähr drei Jahren, ihren Gemahl, den Marquis von O..., dem sie auf das innigste und zärtlichste zugetan war, auf einer Reise verloren, die er, in Geschäften der Familie, nach Paris gemacht hatte. Auf Frau von G...s, ihrer würdigen Mutter, Wunsch, hatte sie, nach seinem Tode, den Landsitz verlassen, den sie bisher bei V... bewohnt hatte, und war, mit ihren beiden Kindern, in das Kommandantenhaus, zu ihrem Vater, zurückgekehrt. Hier hatte sie die nächsten Jahre mit Kunst, Lektüre, mit Erziehung, und ihrer Eltern Pflege beschäftigt, in der größten Eingezogenheit zugebracht: bis der ... Krieg plötzlich die Gegend umher mit den Truppen fast aller Mächte und auch mit russischen erfüllte. Der Obrist von G..., welcher den Platz zu verteidigen Order hatte, forderte seine Gemahlin und seine Tochter auf, sich auf das Landgut, entweder der letzteren, oder seines Sohnes, das bei V... lag, zurückzuziehen. Doch ehe sich die Abschätzung noch, hier der Bedrängnisse, denen man in der Festung, dort der Greuel, denen man auf dem platten Lande ausgesetzt sein konnte, auf der Waage der weiblichen Überlegung entschieden hatte: war die Zitadelle von den russischen Truppen schon berennt, und aufgefordert, sich zu ergeben. Der Obrist erklärte gegen seine Familie, daß er sich nunmehr verhalten würde, als ob sie nicht vorhanden wäre; und antwortete mit Kugeln und Granaten. Der Feind, seinerseits, bombardierte die Zitadelle. Er steckte die Magazine in Brand, eroberte ein Außenwerk, und als der Kommandant, nach einer nochmaligen Aufforderung, mit der Übergabe zauderte, so ordnete er einen nächtlichen Überfall an, und eroberte die Festung mit Sturm.
Het was hun een'ge kans om te ontsnappen. Het labyrinth was kil, en 't heimwee groot. De vader wist: een wedstrijd met de dood... De zoon wist niets, en volgde alle stappen.
Met heel 't vertrouwen van de tochtgenoot Van een meesterlijk man: hij maakte grappen Over het vleugelpaar dat dicht kon klappen En dat men met was aan beider schouders sloot.
De vader wist: als ik hem waarschuw, stort Hij neer, omdat hij dan onzeker wordt; Daarom gezwegen van het doodsgevaar!
De zoon winst niets, bewoog het vleugelpaar In staat'ge rust, tot aan zijn val in zee. Was híj de ware meester van de twee.
De overlevende
Wanneer mijn vader sterft, laat mij dan staan Vereenzaamd als een treurboom in 'n plantsoen, Gesmukt met 't teerste, avondlijkste groen, Bijna bebloesemd, sneeuwwit aangedaan.
Bijna een bruid, boven de sponde waar Sinds kort mijn moeder ook een toevlucht vond; En ruischende hernieuw ik 't oud verbond Met mijn diepst neergebogen treurgebaar.
Zoo, treurend, zou ik willen sterven ook. Maar hoe te sterven, zoo ver boven hen? Erbarm u mijner, treurboom die ik ben, Gedoemd te bloeien onder de stadsrook,
In 't tweeslachtig plantsoen, geen stad, geen land, Dalend als sneeuw en stijgend als de bruid Boven mijn vaders doode handen uit In deze aarzellichte tusschenstand
Het Kind
Harten verflard, reeds heeft de hartenbinder Zijn eigen, teerder weefsel opgezet En van uw liefde 't looze eind gered, Opdat de glans in 't raamwerk niet verminder'.
Nog blijft het klein, een aardig vlindernet, Een kinderhemdje, klein zelf als een vlinder; Maar eerlang wordt het tot een tijdsverslinder, Die weeft en weeft, naar eigen levenswet.
Toch, hoe benard, uw draden blijven heel In 't kind en loopen door zijn leven heen Zooals de nerven door de jonge bladeren.
Alleen: gij kunt elkaar niet dicht meer naderen, Want waar het kind zich tot volwass'ne speelt Wast gíj ten dood, en die neemt éen voor éen.
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 23 maart 1971)
Foto: links: Simon Vestdijk sr. (1863 - 1944) rechts: Simon Vestdijk jr. (1898-1971) - genomen 16 december 1943 door Ans Koster
Günter Grass tachtig jaar! Oscar Wilde, Dimitri Verhulst
Günter Grass (Danzig, 16 okober 1927)
De Duitse schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk, Polen) op 16 oktober 1927. Hij is vandaag dus tachtig jaar geworden. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006.
Uit: Im Krebsgang
»Warum erst jetzt?« sagte jemand, der nicht ich bin. Weil Mutter mir immer wieder ... Weil ich wie damals, als der Schrei überm Wasser lag, schreien wollte, aber nicht konnte ... Weil die Wahrheit kaum mehr als drei Zeilen ... Weil jetzt erst ... Noch haben die Wörter Schwierigkeiten mit mir. Jemand, der keine Ausreden mag, nagelt mich auf meinen Beruf fest. Schon als junger Spund hätte ich, fix mit Worten, bei einer Springer-Zeitung volontiert, bald gekonnt die Kurve gekriegt, später für die »taz« Zeilen gegen Springer geschunden, mich dann als Söldner von Nachrichtenagenturen kurz gefaßt und lange Zeit freiberuflich all das zu Artikeln verknappt, was frisch vom Messer gesprungen sei: Täglich Neues. Neues vom Tage. Mag schon sein, sagte ich. Aber nichts anderes hat unsereins gelernt. Wenn ich jetzt beginnen muß, mich selber abzuwickeln, wird alles, was mir schiefgegangen ist, dem Untergang eines Schiffes eingeschrieben sein, weil nämlich, weil Mutter damals hochschwanger, weil ich überhaupt nur zufällig lebe. Und schon bin ich abermals jemand zu Diensten, darf aber vorerst von meinem bißchen Ich absehen, denn diese Geschichte fing lange vor mir, vor mehr als hundert Jahren an, und zwar in der mecklenburgischen Residenzstadt Schwerin, die sich zwischen sieben Seen erstreckt, mit der Schelfstadt und einem vieltürmigen Schloß auf Postkarten ausgewiesen ist und über die Kriege hinweg äußerlich heil blieb. Anfangs glaubte ich nicht, daß ein von der Geschichte längst abgehaktes Provinznest irgendwen, außer Touristen, anlocken könnte, doch dann wurde der Ausgangsort meiner Story plötzlich im Internet aktuell. Ein Namenloser gab mit Daten, Straßennamen und Schulzeugnissen personenbezogene Auskunft, wollte für einen Vergangenheitskrämer wie mich unbedingt eine Fundgrube aufdecken. Bereits als die Dinger auf den Markt kamen, habe ich mir einen Mac mit Modem angeschafft. Mein Beruf verlangt diesen Abruf weltweit vagabundierender Informationen. Lernte leidlich, mit meinem Computer umzugehen. Bald waren mir Wörter wie Browser und Hyperlink nicht mehr böhmisch. Holte Infos für den Gebrauch oder zum Wegschmeißen per Mausklick rein, begann aus Laune oder Langeweile von einem Chatroom zum anderen zu hüpfen und auf die blödeste Junk-Mail zu reagieren, war auch kurz auf zwei, drei Pornosites und stieß nach ziellosem Surfen schließlich auf Homepages, in denen sogenannte Vorgestrige, aber auch frischgebackene Jungnazis ihren Stumpfsinn auf Haßseiten abließen. Und plötzlich - mit einem Schiffsnamen als Suchwort - hatte ich die richtige Adresse angeklickt: »www.blutzeuge.de«. In gotischen Lettern klopfte eine »Kameradschaft Schwerin« markige Sprüche. Lauter nachträgliches Zeug. Mehr zum Lachen als zum Kotzen. Seitdem steht fest, wessen Blut zeugen soll. Aber noch weiß ich nicht, ob, wie gelernt, erst das eine, dann das andere und danach dieser oder jener Lebenslauf abgespult werden soll oder ob ich der Zeit eher schrägläufig in die Quere kommen muß, etwa nach Art der Krebse, die den Rückwärtsgang seitlich ausscherend vortäuschen, doch ziemlich schnell vorankommen. Nur soviel ist sicher: Die Natur oder genauer gesagt die Ostsee hat zu all dem, was hier zu berichten sein wird, schon vor länger als einem halben Jahrhundert ihr Ja und Amen gesagt.
Not that I love thy children, whose dull eyes See nothing save their own unlovely woe, Whose minds know nothing, nothing care to know, - But that the roar of thy Democracies, Thy reigns of Terror, thy great Anarchies, Mirror my wildest passions like the sea And give my rage a brother -! Liberty! For this sake only do thy dissonant cries Delight my discreet soul, else might all kings By bloody knout or treacherous cannonades Rob nations of their rights inviolate And I remain unmoved - and yet, and yet, These Christs that die upon the barricades, God knows it I am with them, in some things.
Holy Week At Genoa
I wandered through Scoglietto's far retreat, The oranges on each o'erhanging spray Burned as bright lamps of gold to shame the day; Some startled bird with fluttering wings and fleet Made snow of all the blossoms; at my feet Like silver moons the pale narcissi lay: And the curved waves that streaked the great green bay Laughed i' the sun, and life seemed very sweet. Outside the young boy-priest passed singing clear, 'Jesus the son of Mary has been slain, O come and fill His sepulchre with flowers.' Ah, God! Ah, God! those dear Hellenic hours Had drowned all memory of Thy bitter pain, The Cross, the Crown, the Soldiers and the Spear.
Wij zijn met elkaar gaan leven, in elkaar gaan beven. We trekken elk ons eigen voordeel uit de twijfel en blijven namen op dezelfde bel, bedriegers langs dezelfde brievenbus.
Ondanks mijn kortademige vreugde en mijn wreedste vrede, mijn synoniemen die elkander trachten schoon te spreken en mijn luidste leugens die ik molenwiekend heb geluid, ondanks mijn ondanksen, hoop ik dat jij me goed verteert.
Je leert me af nog terwijl je mij ontmantelt, mijn vragen bekampt met jouw Kempische stiltes.
We zijn begonnen ons verlangen te verlappen aan een ander. Wie is hij dat jij hem plechtig medeplichtig maakte aan je nagemaakte overgave in onze laatste lakens? Ik weet het, hij woont in Zemst, zwemt Olympische lengten in zijn geld en belt voortdurend op jouw gsm. Maar dat kind, is dat ook van hem?
Sterfelijkheid alom. Eindigheid de norm. Ik weet waar ik over praat. Als je door de duizenden jaren heen al die miljoenen geslachtsrijpe mannen en vrouwen telkens weer onvermoeibaar op elkaar hebt zien kruipen, moet je wel concluderen dat ze het doen vanuit de ijdele en wanhopige hoop ten minste één keer een wezen te verwekken dat niet voor de schroothoop bestemd is. Een onsterfelijke mens - een soort Eeuwige Gloeilamp, die aan de waakzaamheid van Philips' economische bloedhonden ontsnapt is, en door de millennia heen mag blijven branden. Ook 's nachts, zoals Movo eraan toegevoegd zou hebben. Met Jezus Christus dacht het dwepende gepeupel er dichtbij te zijn, maar het is een twijfelgevalletje gebleven. Een halfgod, half gestorven, half weer opgestaan... alles half werk... met een leer gebouwd op halfheden... Nee, dan zijn de joden eerlijker, die gaan gewoon over tot de orde van de dag, en zien wel of hij nog komt, hun verlossende gloeipeer... Ondertussen blijven ze baltsen, paren, dragen en werpen tot ze erbij neervallen, de mensen. Ze creperen, op de snijtafel of gewoon in bed, waar voor de zekerheid alvast een zeiltje ingelegd is... maar creperen zullen ze... en hun nageslacht staat ook op de nominatie om te creperen, net zo goed... tot de laatste telg. En toch... ooit moet het lukken iets duurzamers voort te brengen. Het is precies die tantaliserende drogreden die de menselijke soort in stand houdt, terwijl het sterven gewoon tot sint-juttemis doorgaat, als er zelfs geen kalveren meer zijn om op het ijs te dansen. Geniale inval van God (een volle, geen halve) om zijn onderdanen, dat crapuul, klein te houden. De Eeuwige Gloeipeer... die zit er niet in. Nooit. Al zou de hele wereldbevolking zich vierentwintig uur per dag met nauwelijks iets anders bezighouden dan het voltrekken van de bijslaap... Zelfs de grote lamp aan het firmament blijft niet tot in lengte van dagen op volle sterkte branden, en tegen dat het tijd wordt te reclameren, zijn zelfs de taaiste querulanten kassiewijle.
Haar steentje aan het eeuwige proces van eindigheid bijdragen, dat had de kleine Zora niet veel lichamelijke inspanning gekost. Een paar minuten op een man zitten, lekker nat en knus... een picknick van luie lijven onder een zilveren parasol... dat was het wel zo'n beetje, en nog betaald ook, exclusief de reiskostenvergoeding. De dracht zelf was voornamelijk een zaak geweest van de juiste kleren dragen. Niemand had haar hoeven beklagen in haar toestand, want die was door iedereen uitgelegd als tijdelijke puberale vetzucht, niets om je druk over te maken. Goed, ze was in de loop van een halfjaar uitgedijd tot een kwabbig ronde roomsoes, verpakt in vele kledinglagen bij wijze van bladerdeeg, maar dat had het knappe vriendje er niet van weerhouden haar trouw te blijven. Stethoscopen, bloeddrukmeters en in vaseline gedrenkte rubberhandschoenen waren er niet aan te pas gekomen... geen centje pijn...
ALTHOUGH Bertha Young was thirty she still had moments like this when she wanted to run instead of walk, to take dancing steps on and off the pavement, to bowl a hoop, to throw something up in the air and catch it again, or to stand still and laugh at--nothingat nothing, simply.
What can you do if you are thirty and, turning the corner of your own street, you are overcome, suddenly, by a feeling of bliss--absolute bliss!-- as though you'd suddenly swallowed a bright piece of that late afternoon sun and it burned in your bosom, sending out a little shower of sparks into every particle, into every finger and toe? . . .
Oh, is there no way you can express it without being "drunk and disorderly"? How idiotic civilization is! Why be given a body if you have to keep it shut up in a case like a rare, rare fiddle?
"No, that about the fiddle is not quite what I mean," she thought, running up the steps and feeling in her bag for the key--she'd forgotten it, as usual--and rattling the letter--box. "It's not what I mean, because----- Thank you, Mary"-- she went into the hall. "Is nurse back?"
Het zijn immers vooral vrouwen die de Nederlandse literatuur nog een beetje bijhouden. Zij zitten in leesclubs, zij bezoeken literaire avonden, zij kopen en krijgen de boeken. Vrouwen zijn de pijlers onder de literatuur. Mannen lezen haast geen romans meer, blijkbaar ook niet wanneer ze tot de intellectuele elite behoren, en dat proberen ze te rechtvaardigen door niet zichzelf maar de hedendaagse Nederlandse literatuur te diskwalificeren. Maar die testosterone zurigheid wijst volgens mij op nog iets heel anders. Mijn schrijversvooroordeel is dat vrouwen (nee, natuurlijk niet alle vrouwen) veel artistieker, emotioneler en poëtischer lezen dan mannen. Ze zijn meer bereid met personages mee te leven. Mannen lezen meer op het betoog, de redenering, de boodschap, de kennis. Zo moet je essays lezen maar romans niet. Mannen zijn, veel meer dan vrouwen, de behoefte aan eigentijdse literatuur kwijtgeraakt. Zij (nee, natuurlijk niet alle mannen) missen de emotionele honger naar kennis van hoe medemensen, hoe tijdgenoten de werkelijkheid beleven, hun leven betekenis geven, relaties aangaan, hun eigen universum scheppen, de geschiedenis bezien, zich staande houden in het tetterende duizendeilandenrijk dat de westerse samenleving tegenwoordig is. Mannen lezen, als ze al lezen, om cultureel bij te blijven, om mee te kunnen praten op recepties waar geld en roem verdeeld worden. Dan blader je Rosenboom eens door, je koopt de nieuwe Mulisch of een boek van die spraakmakende, God noch gebod kennende Grunberg. Je gaat niet gedreven op zoek naar schrijvers die je wat te zeggen hebben, je leest romans niet met een open hart en een open geest om medemensen, ja lotgenoten te ontmoeten, te begrijpen of juist niet te begrijpen. Vrouwen doen dat volgens mij wel. Vrouwen lijken meer ook dan mannen op zoek naar wat er buiten de dominante mediawerkelijkheid van belang is in het leven. Daarom zijn vrouwen betere lezers dan mannen, afgezien natuurlijk van de mannen die als vrouwen lezen. Die zijn er gelukkig ook.
Eugenio Montale (12 oktober 1896 - 12 september 1981)
De Italiaanse dichter Eugenio Montale werd geboren in Genua op 12 oktober 1896. Na WO I sloot hij in Genua vriendschappen met verscheidene auteurs, waarvan enkelen tot de literair anti-fascistische vleugel van de Torinees Piero Gobetti behoorden. Zij wilden een tegenwicht vormen voor het futurisme en het dannunzianisme. In 1925 kwam zijn eerste poëziebundel uit, Ossi di Seppia, en tekende hij het anti-fascistische manifest van Benedetto Croce. In datzelfde jaar verscheen in het Milanese tijdschrift L'esame zijn artikel Omaggio a Italo Svevo uit, waarmee hij een beslissende rol had in de ontdekking van deze schrijver, die vervolgens een vriend van hem werd. In 1926 leerde hij vervolgens Umberto Saba kennen en de Amerikaanse dichter Ezra Pound. In 1927 vond Montale een baan in Florence bij de uitgever Bemporad. In 1929 werd Montale benoemd tot directeur van het literair-wetenschappelijk bureau Vieusseux, waar hij in 1938 ontslagen werd vanwege zijn weigering zich bij de fascistische partij aan te sluiten. In die jaren werd hij een van de belangrijkste componenten van het plaatselijke intellectuele leven: hij leerde de belangrijkste Italiaanse schrijvers van zijn tijd kennen, en zijn interesse voor de Europese cultuur werd steeds groter.
In de jaren van de Duitse bezetting verdiende hij zijn geld met vertaalactiviteiten voor verscheidene tijdschriften. In 1939 kwam zijn tweede dichtbundel uit, Le occasioni. In 1943 kwam een dichtbundeltje uit, genaamd Finisterre, dat geschreven is tussen 1940 en 1942, en illegaal naar Zwitserland gesmokkeld was. Na de oorlog werd Montale lid van de Actiepartij krijgt hij een rol in het Nationaal Bevrijdingscomité (Comitato Nazionale di Liberazione) en richtte hij Il mondo op. Vanaf 1948 onderging het leven van Montale grote veranderingen. Hij verhuisde naar Milaan waar hij als journalist en literair criticus voor de Corriere della Sera werkte. Daar publiceerde hij zowel artikelen met betrekking tot kunst en cultuur, en politiek, als muziekrecensies (in 1981 verschenen in het werk Prime alla Scala),reisverhalen (gepubliceerd in 1969 onder de naam Fuori di Casa), en talrijke korte verhalen waarvan het grootste deel de kern vormde van de bundel Farfalle di Dinard. In 1956 kwam zijn derde dichtbundel uit, La bufera e l'altro. De gedichten zijn voor het grootste deel in de oorlogs- en de daarop volgende jaren geschreven. In de jaren '50 en '60 werd Montale als de belangrijkste Italiaanse dichter gezien die nog in leven was. In 1975 ontving hij dan ook de Nobelprijs voor de Literatuur.
Eis van jezelf geen woord
Eis van jezelf geen woord dat onze vormeloze ziel volkomen inlijst en in vuren letters haar verlicht en schittert als een crocus verloren in een grasveld grijs van stof.
De man te zijn die in zekerheid wandelt, bevriend met de anderen en met zichzelf, zijn schaduw is het een zorg wat de hondster stempelt op een bladderende muur.
Vraag niet om de spreuk die werelden opent maar om een lettergreep, knoestig en droog als een tak. Slechts dit kunnen wij je zeggen vandaag: dat wat wij niet zijn, dat wat wij niet willen.
Vertaald door Jan Emmens
Nee, vraag ons niet...
Nee, vraag ons niet om taal als een lijst met
een strakke rand
rond ons vormloos gevoelen, die dat helder maakt
met vuurrode letters en als een crocus naakt
en alleen staat te pralen op stoffig land.
Ach hij die de weg kent waar hij gaat,
met anderen en zichzelf op goede voet,
en zijn schaduw negeert, die door de zonnegloed
op een verveloze muur geschreven staat!
Vraag ons niet om de formule die je werelden
open kan leggen
wel wat krom gemompel, dor als oude schillen.
We kunnen je heden slechts dit nog zeggen,
dat we niet zijn, dat wat wij niet willen.
Vertaald door. K. van Eerd
Ik daalde met jou
Ik daalde met jou aan mijn arm een miljoen trappen af en nu je er niet bent, wacht een leegte na iedere tree. Goed, onze lange reis heeft kort geduurd, ik zet de mijne voort, onwennig zonder tabellen, plaats bespreken, valstrikken rondom en de hoon van wie gelooft dat werkelijkheid is wat je ziet. Miljoenen trappen ging ik af met jou aan mijn arm en niet omdat vier ogen zoveel meer zien dan twee. Ik liep daar met je om redenen van blindelings vertrouwen, één paar ziende pupillen hadden wij samen, mistig en wel. De jouwe.
Cette année, à Aix, la main de marbre du Commandeur nétreindra pas la main souillée de Don Juan. Cest que les affaires de ce monde vont moins mal et que LEnlèvement au sérail, Le Mariage secret conviennent mieux aux plaisirs dune société à qui Dieu accorde quelque rémission. Lan dernier, sous les platanes du cours Mirabeau, à la terrasse des Deux garçons, nous faisions les raisonneurs : le mauvais coup de la Corée signifiait que Staline était résolu à courir tous les risques ; il nétait pas si sot que de tirer ladversaire de son assoupissement, sil ne détenait les moyens de labattre. Nous nous trompions, parce que nous raisonnions. Nous nimaginions même pas que le maître du Kremlin pût croire que les réactions du jeune géant américain seraient aussi lentes quavaient été, du temps de Hitler, celles des vieilles démocraties sclérosées. Une année est passée. Des milliers dinnocents ont péri en Corée, dans les villages et sur les routes. La souffrance des enfants, qui fait défaillir la pensée devant le mystère du mal, a été multipliée à linfini. Peut-être la grâce va-t-elle être accordée à ceux qui ont survécu de revenir là où sélevait leur maison autrefois et de chercher parmi la poussière et la cendre quelques restes de leur modeste bonheur anéanti. Et des Français continuent de mourir en Indochine. Et nous, dans ces nuits radieuses, au château de Lourmarin ou au château du Tholonet nous sommes redevenus libres dadmirer que les grenouilles ne troublent en rien le chant de Scarlatti ni celui de Vivaldi et que leurs coassements sy unissent et sy fondenT. Autour du Collegium musicum italicum de Rome et de Renato Fasano, la nuit dété se recueille. Parfois les feuillages profonds des platanes sémeuvent et le souffle frais qui caresse nos visages soulève dangereusement les partitions sur les pupitres. Et puis tout sapaise et la lune elle-même écoute derrière les branches.
"Het scheen een eenheid wat daar luisterde, maar wie er omging met kritische blik zou ontwaren dat de gelijkgeklede menigte toch door het gelaat uiteenviel in individuen. De natuur, machtiger dan de wil der overheid, brak grillig speels de monotomie der samenkomst. Het dikke vernis van de staat kon de oorspronkelijke kleuren niet doven."
"En zij zagen dat wat ordelijk scheen hier en daar de kiemen van wanorde blootlegde. De vierkanten en rechthoeken waren van boven gezien niet alle onberispelijk als vroeger. Ook boven het, de eskaders te lucht, toonden oneffenheid. En wild, te wild somwijlen, was het spel op de stroom. Daar, in de verte, ontplooide zich een regiment in een boog, en een ander, heel ver weg, trachtte een cirkel te vormen."
"Als ik daar zonder kloppen ben binnengestapt zie ik iemand in een bed liggen, zonder twijfel Ilse - al is ze kaal - en zie ik vier ander personen op stoelen zitten. Wie zal ik eerst aanspreken? De kale? Dat lijkt me het beleefdst. Ik kus haar en zeg: 'Ilse... Je ziet er... Ik bedoel, hoe gaat het?' Ze zegt dat het goed gaat. Ik geloof haar niet, maar ben niet van plan om haar voor leugenaar te gaan uitschelden. Er is wel degelijke een reden waarom ik haar niet geloof: ze ziet er bijzonder slecht uit. Niet allen kaal maar ook, zoals Eva al zei, niet opgemaakt. Bovendien opgezwollen en blauw in het gezicht. Haar neusring is ze ook kwijt. Nee, met Ilse is niet alles in de haak."
Uit: Muggepuut
Ik heb maar weinig meegemaakt, dacht Danny. Er is nooit iets van grote betekenis voorgevallen. Ik heb geen enkele oorlog overleefd. Ik heb niet genoeg materiaal voor al was het maar één autobiografische roman. Ik ben een schrijver met alleen maar fantasie. Geen herinneringen, geen basis, geen waargebeurde bouwstenen. Is dat een ramp. Bij lange niet. Of je schrijft over een bestaande Danny Muggepuut of over een niet-bestaande Floris Buck, het is om het even. Het is toch allemaal gezever. Noem me één goed boek in de wereldliteratuur. Het bestaat niet. Rommel is het allemaal. Ik raad soms wel een iemand een boek aan, maar dat zou ik evengoed kunnen laten. Toch moet er zoveel mogelijk gelezen worden. Dan hebben mensen wat anders te doen dan elkaar kapot maken. Een man met een boekje in een hoekje, dat is mogelijk een ongevaarlijke man. Leve de literatuur.
De Servisch-Kroatische schrijver Ivo Andrić werd geboren op 9 oktober 1892 in het dorpje Dolac in de buurt van Travnik, Bosnië.
De Braziliaanse schrijver Mário de Andrade werd op 9 oktober 1931 in São Paulo geboren.
De Russische schrijfster Marína Tsvetájeva werd geboren op 9 oktober 1892 in Moskou.
De Duitse schrijver Christian Reuterwerd geboren op 9 oktober 1665 in Kütten bei Halle
De Deense schrijver Holger Drachmann werd geboren op 9 oktober 1846 in Kopenhagen.
De Noorse schrijver, schilder en essayist Jens Bjørneboe werd geboren op 9 oktober 1920 in Kristiansand.
De Senegalese schrijver Léopold Senghor werd geboren op 9 oktober 1906 in het plaatsje Joal aan de Atlantische kust, zo'n 70 kilometer van de Senegalese hoofdstad Dakar.
Jakob Arjouni, Martin van Amerongen, Nikolaus Becker
Jakob Arjouni (Frankfurt am Main, 8 oktober 1964)
De Duitse schrijver Jakob Arjouni (pseudoniem vanJakob Bothe) werd geboren op 8 oktober 1964 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 8 oktober 2006.
Uit: Idioten. Fünf Märchen
Als die Fee zu Max kam, saß er an einem warmen Frühlingsabend in Berlin vor "Ricos Sporteck", trank Bier und dachte: Das Problem mit Idioten ist, dass sie zu idiotisch sind, um ihre Idiotie einzusehen. In einer Stunde traf er Ronni zum Essen, und wenn nicht er Ronni endlich die Meinung sagte, wer dann? Die Meinung im Haus war einhellig: Ronni benahm sich gegenüber den meisten Angestellten nicht nur wie der letzte Arsch, er würde sie, wenn er die Agentur so weiterführte wie in den letzten Monaten, auch alle um ihren Job bringen. Erst heute morgen hatte er sich wieder zwei Dinger geleistet: Erst strich er Nina die schon gebuchten und bezahlten Ferien mit ihrem neuen Freund, weil er sie angeblich bei einer Kampagne nun doch unbedingt dabeihaben wollte, und ließ ihr als Alternative nur die Kündigung; danach schickte er der Presse die Meldung, die Werbeagentur Good Reasons habe den weltbekannten Fotografen Eliot Barnes als ständigen Mitarbeiter gewonnen, obwohl mit Barnes bisher nur ein par unverbindliche Gespräche geführt worden waren.
Uit: Magic Hoffmann
Die Tausendmarkscheine flatterten wie Schwalben am Himmel und drehten im Schwarm ein paar Kreise gegen die untergehende Abendsonne. Als Fred auf zwei Fingern pfiff, kamen sie und schlüpften zurück in seine Hosentasche...
"Ich find´s Schwachsinn!" sagte Nickel und riss Fred aus seinen Träumen.
Sie lagen im Gras, zwischen ihnen ein Kasten Apfelwein, die Sonne schien.
Mit geschlossenen Augen brummte Fred: "Wir könnten unsere Schulden zahlen und nach Kanada - das willst du doch die ganze Zeit." Er schlug die Augen auf und blinzelte gegen den blauen Himmel. "Und das alles für ´ne halbe Stunde..... Arbeit."
Nickel lag seitlich auf den Ellbogen gestützt und sah über Felder und Weiden aufs Dorf hinunter. Dreißig Meter weiter stand Annette am Zaun, streichelte ein Kalb und flößte ihm Apfelwein ein. Dem Kalb schien es zu schmecken. Die anderen Kühe verfolgten das geschehen neugierig.
Simon Carmiggelt, Wilhelm Müller, James Whitcomb Riley
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 30 november 1987)
De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Carmiggelt groeide op in zijn geboortestad Den Haag. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2006.
De groeten
Aan het eind van de middag kwam mijn vrouw met een tas vol boodschappen thuis en zei: Je moet de groeten hebben.
Van wie? vroeg ik.
Ofschoon het een redelijke vraag was, keek ze een beetje geïrriteerd. Ze begon haar mantel los te knopen en zei: Ja, van wie? Dat is het nou juist. Ik weet de naam bijna, maar toch net niet. Hij ligt in m'n mond, maar wil er niet uit. Dat heb ik steeds meer tegenwoordig.
Ik ook, zei ik.
Ze liep naar de gang om haar mantel op te hangen. Toen ze in de kamer terugkeerde, vroeg ik: Was 't een man of een vrouw?
Een man natuurlijk.
Wat is daar zo natuurlijk aan?
Ik heb 'm toch gezien.
Ja, maar ik niet, zei ik. Wat voor sóórt man? Wat doet-ie?
Acteur. Een hele leuke jongen. We hebben wat afgelachen met hem.
Is-ie in de twintig of in de dertig?
Ben je gek, hij is minstens vijftig, riep ze.
Vijftig is de ouderdom der jeugd en de jeugd der ouderdom, zei ik.
Heel goed. Zeker niet van jou.
Van Victor Hugo. Maar waarom noem jij een man van vijftig een jongen?
Omdat-ie nog een jongen was toen we zoveel met hem lachten. Maar dat was vijfentwintig jaar geleden. Toen we nog dag en nacht bij de weg waren. We vonden hem in elke kroeg. Acteur. Veel komisch werk. Erg bekend, maar géén Ko van Dijk. Toe nou. Hij had geen gewone naam. Hè, zeg nou eens wat.
Detlev Klaasvader? opperde ik.
Zo heet niemand, riep ze geërgerd. Hij is klein en dun en beweeglijk. Televisie doet-ie ook wel. Dat ik nou niet op die naam kan komen... Als ik 'm zei zou je meteen roepen: O, die. En ik heb 'm bijna. Een beetje vreemde naam.
Wiebe Worgdrager?
Hè, doe nou niet zo lollig.
Rustig, zei ik. Laten we methodisch te werk gaan. We kunnen hem misschien opbouwen uit bijpassende gegevens. Jij hebt vanmiddag met hem gesproken. Wat vertelde hij?
Niks.
Niks? Hoe kan dat nou?
Ik liep in de Leidsestraat, zei ze. En hij liep op de andere stoep in de tegenovergestelde richting. We wuifden naar elkaar. En hij riep: Doe de groeten. Meer niet. Op dat ogenblik wist ik hoe hij heette, maar het zakte meteen weg. En het wil niet terugkomen.
Ze schudde zorgelijk haar hoofd.
Ik word seniel, geloof ik, zei ze.
Zolang je mijn naam nog weet is er niets aan de hand. Laten we doorgaan. Vroeger hebben we hem vaak ontmoet. Weet je dáárover nog bijzonderheden die zouden kunnen leiden tot het vaststellen van zijn identiteit?
Nou, veel gelachen, hè...
Dat hebben we met alle acteurs gedaan.
Wacht eens, hij was met zo'n blond meisje. Een mooi meisje.
Naam? vroeg ik.
Weet ik niet. Maar haar vader was een soort schrijver, die ook altijd in de kroeg zat.
Hoe heette die dan?
Een heel gewone naam. Als Jansen, maar dan anders.
Zal ik je de ledenlijst van de Vereniging van Letterkundigen even voorlezen? vroeg ik.
O nee, daar is-ie vast geen lid van. Een veel te dwarse man. Eénling. En geschreven heeft-ie niks, want hij ging later pas schrijven, als er een betere wereld was.
Dat kan dus wel nog even een tijdje aanlopen, zei ik. Hoe zag hij eruit?
Een rond wit gezicht. Hij dronk altijd pils.
Laten we het opgeven, zei ik. Ze hebben allemaal ronde witte gezichten en ze drinken allemaal pils.
Zo eindigde het gesprek in de middag. Maar 's nachts werd ik met een schok wakker. Er brandde licht en mijn vrouw zat op de rand van het bed.
Wat doe je? vroeg ik.
Hè, ik had 'm bijna, die naam, riep ze. Nou is-ie weer weg.
Ik draaide me op mijn andere zij en sprak: Laten we gaan slapen. Hoofdzaak is dat ik de groeten heb.
Zoals ze daar 's morgens op de stoep tegen elkaar aan geleund warmte zoekend in hun plastic jassen staan te wachten, grijs, vormeloos, vol afgedankt leven, tegelijk broos en weerloos. Je zou ze weer naar binnen willen halen, je ouders wachtend op de bus
BEDRIJVIGHEID
Ik heb veel meegemaakt.
Vanaf mijn eerste dag
zocht ik mijn ouders
in mijn ouders tot hun
oogopslag vanmorgen.
Ook leefde ik veel levens
tussen vrouw en kinderen,
kreeg steeds kennis aan
de vrienden die ik had.
Onderwijl bereisde ik
de halve wereld in mijn
land, verhuisde aldoor in
mijn stad en zwierf door
de vier tuinen van mijn
tuin. Ik keek mijn ogen
uit naar het weekdier
in mijn dagelijkse bad,
herlas mijn twintig boeken
twintig maal, herschreef
mijn honderd verzen
onophoudelijk en had lief
alsof ik nooit had liefgehad.
Model
Laat mij hem uittekenen. Hij zet de ezel op, beveelt mij in de pose die hem lokt, zwijgend moet ik nijgen, de stilte voor de vorm.
Het duurt wel even voordat iets in hem beweegt. Kijk zijn mond kieren, zie zijn tong week en vol het lippenvlees toucheren.
Zijn adem rijst, uit zijn middel zwelt de zucht, zijn hand aan het penseel. Is hij met me klaar
geen veeg, geen fractie verf. Het doek is leeg op het gebroken wit na, dat ik uit hem heb geknepen.
Charlotte Link (Frankfurt am Main, 5 oktober 1963)
De Duitse schrijfster Charlotte Link werd geboren op 5 oktober1963 in Frankfurt am Main. Haar eerste roman Die schöne Helena schreef zij al toen zij zestien was. De trilogie die bestaat uit Sturmzeit, Wilde Lupinen en Die Stunde der Erben werd voor het ZDFverfilmd. Ook met Am Ende des Schweigens,Die Rosenzüchterin en Das Echo der Schuld was zij zeer succesvol. Link zet zich ook in als dierenbeschermster voor met bame straathonden in Spanje.
Uit: Das Echo der Schuld
Im Traum sah er den kleinen Jungen vor sich. Die blitzenden Augen. Das strahlende Lachen. Die Zahnlücken. Die Sommersprossen, die im Winter verblassten und im Frühjahr mit den ersten Sonnenstrahlen aufblühten. Die dichten dunklen Haare, die so gern eigenwillig in alle Himmelsrichtungen abstanden. Er konnte sogar seine Stimme hören. Sehr hell, sehr melodisch. Eine weiche, fröhliche Kinderstimme. Er konnte ihn riechen, Es war ein ganz besonderer Geruch, der nur zu dem Jungen gehörte. Es war ihm nie gelungen, diesen Geruch genau zu beschreiben, weil er so einzigartig war. Eine Mischung vielleicht aus dem Salz, das der Wind vom Meer her manchmal bis weit ins Landesinnere trug und das nur noch schwach, ganz zart wahrnehmbar war. Und aus dem würzigen Duft, den die Sonnenstrahlen der Baumrinde entlockten. Aus den Gräsern, die im Sommer am Wegrand wuchsen. Manchmal hatte er seine Nase in den Haaren des Jungen vergraben, um den Geruch tief einzuatmen. Im Traum nun tat er es wieder und empfand seine Liebe zu diesem Kind fast schmerzhaft. Dann begann das Bild des strahlenden Jungen zu verblassen, und andere Bilder schoben sich darüber. Der hellgraue Asphalt einer Straße. Ein lebloser Körper. Ein kalkweißes Gesicht. Sonne am blauen Himmel, blühende Narzissen, Frühling. Er setzte sich ruckartig im Bett auf, hellwach von einem Moment zum anderen, schweißnass. Sein Herz hämmerte laut und schnell. Es verwunderte ihn, dass die Frau, die neben ihm lag und schlief, nicht wach wurde von diesem Herzschlag. Aber es war in jeder Nacht so, in jeder Nacht seit dem Unglück: Er verstand nicht, dass sie schlafen konnte, während ihn die Bilder quälten und aus den Träumen rissen. Immer die gleichen Bilder von der Straße, dem Körper, dem blauen Himmel, den Narzissen. Irgendwie machte das alles noch schlimmer: Dass es Frühling war. Er hegte den völlig irrationalen Gedanken, er würde die Bilder eher ertragen, wären sie von schmutzigen Schneerändern am Straßenrand begleitet. Aber vermutlich stimmte das nicht. Er würde sie so oder so nicht ertragen. Er stand leise auf, schlich an den Schrank, zog ein frisches T-Shirt heraus. Das völlig verschwitzte, das er trug, streifte er über den Kopf, ließ es auf den Boden fallen. Er musste sein Hemd jede Nacht wechseln. Nicht einmal das bekam sie mit. Vor dem Schlafzimmerfenster gab es keine Läden, und der Mond schien, so dass er sie recht gut sehen konnte. Ihr schmales, kluges Gesicht, die langen blonden Haare, die sich über das Kopfkissen ausbreiteten. Sie atmete ruhig und gleichmäßig. Er betrachtete sie voller Zärtlichkeit und stellte sich gleich darauf die Frage, die er sich in jeder seiner schlaflosen Nächte stellte: Liebte er den Jungen so sehr, weil er ihre Liebe nicht gewinnen konnte? Hatte er seinen Geruch so begierig eingesogen, weil sie ungeduldig wurde, wenn er mit geschlossenen Augen an ihren Haaren, an ihrer Haut zu riechen versuchte? Hatte er sich vom Lächeln des Kindes verzaubern lassen, weil sie ihm kaum mehr ein Lächeln schenkte?
Oek de Jong, Cynthia Henri Mc Leod, George Cosbuc, Jurek Becker
Oek de Jong (Breda, oktober 1952)
De Nederlandse schrijver Oek de Jong werd geboren in Breda op 4 oktober 1952. Zijn jeugd bracht hij onder meer door in Dokkum en Goes, verhuizingen die hem het gehele land deden doorkruisen en een gevoel van vervreemding achterlieten. Hij studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam. Hij debuteerde in 1976 met De hemelvaart van Massimo, een verzameling korte verhalen waarvoor hij de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg. Destijds zat hij al in de redactie van De Revisor, een stroming waar hij lang deel van uitmaakte. In 1979 volgde zijn doorbraak met Opwaaiende zomerjurken, een roman die overwegend positief ontvangen werd en ook met de F. Bordewijkprijs beloond werd. Daarna volgden er zes jaren waarin De Jong geen boeken publiceerde, tot 1985 waarin Cirkel in het Gras uitkwam. Dit boek was in vergelijking met de Bildungsroman Opwaaiende zomerjurken van een heel ander slag, veeleer een Ideeënroman, dit boek werd desalniettemin ook goed ontvangen.
Daarna bleef het weer geruime tijd stil rond De Jong tot 1993, toen hij een bundel novellen publiceerde. Zijn productie bleef niet hoog, en het duurde ook tot 2002 totdat er weer een roman van zijn hand verscheen, namelijk Hokwerda's kind, een boek dat hem weer terug in de belangstelling bracht.
Uit: Hokwerdas kind
Toen had ze zich de vijgenboom herinnerd die ze in Spanje had gezien. Hij was in een holte van een rotswand gegroeid, half boven een ravijn. Een koude en ongunstige plek. Daar stond hij toch of liever, hing hij. Zijn wortels waren in de rots gedrongen. Ze had niet kunnen ontdekken waar ze een spleet gevonden hadden, zelfs niet toen ze haar vingertoppen er langs had laten glijden. Ergens moest hij toch een opening gevonden hebben. Marcus had er een foto van gemaakt: zij in die rotsholte bij de wortels van de vijgenboom, met haar vingertoppen op zoek naar de opening in de steen. Er waren meer bomen die indruk op haar hadden gemaakt, maar deze was haar het meest bijgebleven. Ze had zijn bladeren geteld, niet meer dan zestien waren het er, toch leefde hij.
De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006.
Uit: Perpetual War for Perpetual Peace
The telephone keeps ringing. In summer I live south of Naples, Italy. Italian newspapers, TV, radio want comment. So do I. I have written lately about Pearl Harbor. Now I get the same question over and over: Isn't this exactly like Sunday morning, December 7, 1941? No, it's not, I say. As far as we now know, we had no warning of Tuesday's attack. Of course, our government has many, many secrets that our enemies always seem to know about in advance but our people are not told of until years later, if at all. President Roosevelt provoked the Japanese to attack us at Pearl Harbor. I describe the various steps he took in a book, The Golden Age. We now know what was on his mind: coming to England's aid against Japan's ally, Hitler, a virtuous plot that ended triumphantly for the human race. But what wasison bin Laden's mind?
For several decades there has been an unrelenting demonization of the Muslim world in the American media. Since I am a loyal American, I am not supposed to tell you why this has taken place, but then it is not usual for us to examine why anything happens; we simply accuse others of motiveless malignity. "We are good," G.W. proclaims, "They are evil," which wraps that one up in a neat package. Later, Bush himself put, as it were, the bow on the package in an address to a joint session of Congress where he shared with themas well as with the rest of us somewhere over the Beltwayhis profound knowledge of Islam's wiles and ways: "They hate what they see right here in this Chamber." I suspect a million Americans nodded sadly in front of their TV sets. "Their leaders are self-appointed. They hate our freedoms, our freedom of religion, our freedom of speech, our freedom to vote and assemble and disagree with each other." At this plangent moment what American's gorge did not rise like a Florida chad to the bait?
Should the forty-four-year-old Saudi Arabian, bin Laden, prove to be the prime mover, we still know surprisingly little about him. The six-foot seven-inch Osama enters history in 1979 as a guerrilla warrior working alongside the CIA to defend Afghanistan against the invading Soviets. Was he anticommunist? Irrelevant question. He wants no infidels of any sort in the Islamic world. Described as fabulously wealthy, Osama is worth "only" a few million dollars, according to a relative. It was his father who created a fabulous fortune with a construction company that specialized in building palaces for the Saudi royal family. That company is now worth several billion dollars, presumably shared by Osama's fifty-four brothers and sisters. Although he speaks perfect English, he was educated entirely at Jiddah. He has never traveled outside the Arabian Peninsula. Several siblings lived in the Boston area and have given large sums to Harvard. We are told that much of his family appears to have disowned him and many of his assets in the Saudi kingdom have been frozen.
Mr Visconti was a good catholic, but he was very very anti-clerical, and yet in the end it was the priesthood which saved him. He went to a clerical store in Rome, when the Allies were coming close, and he paid a fortune to be fitted out like a monsignor even to the purple socks. He said that a friend of his had lost all his clothes in a bombing raid and they pretended to believe him. Then he went with a suitcase to the lavatory in the Excelsior Hotel, where we had given all those cocktail parties to the cardinals, and changed. He kept away from the reception-desk, but he was unwise enough to look in at the bar - the barman, he knew, was very old and short-sighted. Well, you know, in those days a lot of girls used to come to the bar to pick up German officers. One of the girls - I suppose it was the approach of the Allied troops that did it - was having a crise de conscience. She wouldn't go to her friend's bedroom, she regretted her lost purity, she would never sin again. The officer plied her with more and more cocktails, but with every drink she became more religious. Then she spied Mr Visconti, who was having a quick whisky in a shady corner. "Father," she cried to him, "hear my confession."
...
So off went Mr Visconti with the hysterical girl - he remembered just in time to put down his whisky. He had no choice, though he hadn't been to confession himself for thirty years and he had never learnt the priest's part. Luckily there was an air-conditioner in the room breathing heavily, and that obscured his whispers, and the girl was too much concerned with her role to pay much attention to his. She began right away; Mr Visconti had hardly time to sit on the bed, pushing aside a steel helmet and a bottle of schnapps, before she was getting down to details. He had wanted the whole thing finished as quickly as possible, but he told Mario that he couldn't help becoming a little interested now she had got started and wanting to know a bit more. After all he was a novice - though not in the ecclesiastical sense.
De Nederlandse dichter criticus, essayist en letterkundige Pieter Nicolaas van Eyk (naamsverandering omstreeks 1907 in Van Eyck) werd geboren op 1 oktober 1887 in Breukelen. Van Eyck studeerde rechten te Leiden en promoveerde in 1914. Hij was onder andere correspondent van de NRC te Rome en Londen. Na Verwey's aftreden in 1935 volgde hij deze op als hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Leiden, welke functie hij tot zijn dood heeft bekleed. Hij aanvaardde het ambt met een inaugurele rede Over leven en dood in de poëzie (1938) waarin hij zijn levensbeschouwelijke en poëticale standpunten verdedigde. Van mei 1912 tot de opheffing van De Beweging in 1919 werkte hij als kroniekschrijver aan dit blad mee. Kort, maar belangrijk, was zijn kritische arbeid bij De Gids (1924-1925). Met Gerretson en Geyl redigeerde hij Leiding, dat alleen in 1930 en 1931 verscheen en waarin hij o.a. Een halve eeuw Noord-Nederlandsche poëzie publiceerde. De gemeentelijke universiteit van Amsterdam verleende hem in 1947 een eredoctoraat. Den Haag kende hem in 1947 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele werk toe. Van Eyck behoort tot de generatie van J.C. Bloem, A. Roland Holst, Geerten Gossaert en J.I. de Haan.
DE TUINMAN EN DE DOOD
Een Perzisch edelman:
Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik, Mijn woning in: "Heer, Heer, één oogenblik!
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot, Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Ik schrok, en haastte mij langs de andre kant, Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan, Voor de avond nog bereik ik Ispahân!"-.
Van middag - lang reeds was hij heengespoed - Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.
"Waarom", zoo vraag ik, want hij wacht en zwijgt, "Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?"
Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't, Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,
Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan, Die 'k 's avonds halen moest in Ispahân".
"... so Grant just said to them come on along to a wonderful party, and, well it was as easy as that. Really, I think it was just genius to pick them up, God only knows they might resurrect us from the grave." The girl who was talking tapped her cigarette ash on the Persian throw rug and looked apologetically at her hostess.
The hostess straightened her trim, black dress and pursed her lips nervously. She was very young and small and perfect. Her face was pale and framed with sleek black hair, and her lipstick was a trifle too dark. It was after two and she was tired and wished they would all go, but it was no small task to rid yourself of some thirty people, particularly when the majority were full of her father's scotch. The elevator man had been up twice to complain about the noise; so she gave him a highball, which is all he is after anyway. And now the sailors. .. oh, the hell with it.
"It's all right, Mildred, really. What are a few sailors more or less? God, I hope they don't break anything. Would you go back in the kitchen and see about ice, please? I'll see what I can do with your new-found friends."
"Really, darling, I don't think it's at all necessary. From what I understand, they acclimate themselves very easily."
The hostess went toward her sudden guests. They were knotted together in one corner of the drawing-room, just staring and not looking very much at home.
The best looking of the sextet turned his cap nervously and said, "We didn't know it was any kind of party like this, Miss. I mean, you don't want us, do you?"
"Of course you're welcome. What on earth would you be doing here if I didn't want you?"
The sailor was embarrassed.
"That girl, that Mildred and her friend just picked us up in some bar or other and we didn't have any idea we was comin' to no house like this."
"How ridiculous, how utterly ridiculous," the hostess said. "You are from the South, aren't you?"
He tucked his cap under his arm and looked more at ease. "I'm from Mississippi. Don't suppose you've ever been there, have you, Miss?"
She looked away toward the window and ran her tongue across her lips. She was tired of this, terribly tired of it. "Oh, yes," she lied. "A beautiful state."
He grinned. "You must be mixed up with some other place, Miss. There sure's not a lot to catch the eye in Mississippi, 'cept maybe around Natchez way."
"Of course, Natchez. I went to school with a girl from Natchez. Elizabeth Kimberly, do you know her?"
"No, can't say as I do."
Suddenly she realized that she and the sailor were alone; all of his mates had wandered over to the piano where Les was playing Porter. Mildred was right about the acclimation.
"Come on," she said, "I'll fix you a drink. They can shift for themselves. My name's Louise, so please don't call me Miss."
Albert Vigoleis Thelen, Prosper Mérimée, Francis Palgrave, Rudolf Baumbach
Albert Vigoleis Thelen (28 september 1903 - 9 april 1989)
De Duitse schrijver Albert Vigoleis Thelen werd geboren in Süchteln op 28 september 1903. Hij werd, evenals zijn drie broers, streng katholiek opgevoed. In 1925 begon hij de studie germanistiek, filosofie en kunstgeschiedenis aan de Keulse universiteit. In het daarop volgende jaar zette hij zijn studie voort aan de universiteit van Münster, waar hij ook Nederlands studeerde. Bij zijn eerste pogingen literair werk te vervaardigen, koos hij als alter ego de tweede voornaam Vigoleis, naar eigen zeggen afkomstig uit het middeleeuwse epos Wigalois van Wirnt von Grafenberg. In 1928 werkte Thelen als assistent van professor Karl Dester in Keulen mee aan de Internationale Presseausstellung Pressa. Daar leerde hij zijn latere vrouw Beatrice Bruckner kennen. Tussen 1928 en 1931 voorzag hij in zijn levensonderhoud als arbeider op de boerderij van zijn oudere broer Joseph. Hij trachtte vele malen te debuteren, hetgeen hem uiteindelijk lukte met de tekst Versuch einer Deutung (een artikel over de schilder Hermann Schmitz in de Vereinigten Drei-Städte-Zeitung).
Van 1931 tot 1936 woonden Thelen en zijn echtgenote op Mallorca, waar hij o.a. de vertaling in het Duits voltooide van Het carnaval der burgers van de Nederlandse essayist Menno ter Braak, met een voorwoord van Thomas Mann; door het aan de macht komen van de nazi's in Duitsland, kon daarvoor echter geen uitgever meer worden gevonden. Om dezelfde reden leden zijn Duitse vertalingen van de Nederlandse schrijvers Van Vriesland en Slauerhoff schipbreuk. Thelen genoot in Nederland al voor de oorlog in kleine kring, voornamelijk onder schrijvers, een bijzondere reputatie vanwege zijn zeer bewogen leven; een selectie uit zijn brieven, die Ter Braak had willen uitgeven, had in 1940 al schipbreuk geleden door Ter Braaks vroege dood en het uitbreken van de oorlog, waarin de originelen verloren waren gegaan. Uitgever Geert van Oorschot moedigde hem nu aan, alsnog zijn herinneringen op schrift te stellen en publiceerde zo als eerste Thelens autobiografische roman die Insel des zweiten Gesichts, in het Duits. Die Insel des zweiten Gesichts verscheen in 1953, en werd door Thomas Mann geprezen als een van de grootste autobiografieën van de twintigste eeuw; zijn boek laat zich vergelijken met andere grote autobiografieën, zoals Het land van herkomst van Eduard du Perron en Jahrestage van Uwe Johnson. Het boek verscheen in 1953, en leverde Thelen o.a. de Theodor-Fontane-prijs op.
Uit: Die Insel des zweiten Gesichts
Es hieße diese Aufzeichnungen mit Erdichtetem beginnen, wollte ich mich anheischig machen, nach zwanzig Jahren noch an den Tag zu bringen, wer mich auf der nächtlichen Meerfahrt mit ärgerer Tücke gequält hat: der gemeine Menschenfloh in dem von einem Matrosen entliehenen Schlafsack oder der garstige Traumalb, der mich in die Nicolaas Beets Straat nach Amsterdam entführte, wo sich das Grab über einer jungen Frau geschlossen hatte, deren Todesursache ich, Doppelgänger ihres treulosen Geliebten, geworden war. Ein schichtig-schauerlicher Anfang für ein Buch, könnte man meinen. Nun, es bleibt wohl bei diesem in der Ferne verzuckenden Wetterleuchten, und soweit ich als Autor ein Wörtchen mitzureden habe, glaube ich vorhersagen zu dürfen, dass es auf die lange Dauer gar nicht makaber hier zugehen wird, sehen wir von dem noch unabsehbaren Ende ab, wo Bomben platzen und der Hass, die Nacht, die Angst, kurz die Schießgewehre des spanischen Bürgerkrieges in Anschlag gebracht werden lebt wohl, ihr Brüder, hier die Brust!
Uit: Die Literatur in der Fremde
Viel weiter zurück in die Vergangenheit muß man gehen, wenn man Alfred Döblin in seinem Roman Der blaue Tiger (Querido Verlag, Amsterdam) folgen will. Dieses Buch ist die Fortsetzung des hier früher bereits besprochenen Die Fahrt ins Land ohne Tod. Blicken wir zurück auf das Werk des jetzt 60-jährigen Autors, dann finden wir, daß seine historischen Romane eine ununterbrochene Abrechnung mit dem Problem des »Ich über der Natur« beinhalten. Geographisch gesprochen, ging die mythische Fahrt Döblins über China nach Indien, mit dem utopischen Intermezzo Berge, Meere und Giganten, das dem Leser von 1938 übrigens beweist, wieviel an Zukunftsphantasie das Buch bereits eingebüßt hat. Ist das ein Beweis für die prophetischen Qualitäten des Autors oder für die diagnostische Scharfsinnigkeit des Arztes Döblin? Es ist nicht immer leicht, Döblin auf seiner Fahrt ins Land ohne Tod zu begleiten. Bei diesem Autor wird alles ins Kosmische gezogen die Revue der Gestalten, historischen Namen, einzelnen Fakten (die oft nur zur Peripherie des Ganzen gehören) betäubt den Leser öfter, so daß er fürchtet, selbst in den Strom der Anhänger des Loyola gezogen zu werden, die den Völkern Südamerikas das Evangelium verkündigen. Ich fühle mich nicht kompetent, das historische Fundament des Romans auf seine Echtheit hin zu prüfen. Es scheint mir jedoch auch nicht von großer Wichtigkeit zu sein, ob der Mythos Döblins mit dem übereinstimmt, was in den Archiven als »geschichtswissenschaftliche Wirklichkeit« klassifiziert ist.
Es war laut, das fiel ihr als Erstes auf. Ungeheuer laut. Zu Beginn ihrer Reise hatten die anderen miteinander geschwatzt, bis ihre Stimmen in Dunkelheit, Erschöpfung und Angst versickerten. Die Nacht war immer noch nicht vorbei, aber mittlerweile hörten sie von allen Seiten Geräusche. Von Rädern, die kein Loch und keinen Stein auf der Straße ausließen. Von Fuhrwerk um Fuhrwerk, das hinter ihnen, vor ihnen oder neben ihnen von Rindern, Eseln oder Menschen gezogen wurde. Flüche, Knirschen und Scharren, das sie nicht einordnen konnten. In ihren Dörfern hatte es selbst an Erntetagen nicht so viel Lärm gegeben, und ganz gewiss nicht in der Nacht.
»Heb mich hoch!«, forderte Tertia, nachdem sie sich vergeblich auf die Zehenspitzen gestellt hatte, um durch die Spalten des Verschlags zu spähen, und berührte den Mann, der an ihrer Seite kauerte, mit dem Ellbogen. »Wir müssen in der Stadt sein. Ich will die Stadt sehen!«
Selbst sitzend war er noch größer als sie. »Warum?«, fragte er dumpf. »Hast du es so eilig, verkauft zu werden?«
»Ich werde nicht verkauft«, sagte Tertia scharf. »Ich werde gerettet.«
Er schnaubte verächtlich und beachtete sie nicht weiter. Dafür äußerte sich die einzige andere Person, die aus dem gleichen Dorf wie Tertia stammte. »Du hast Glück, dass deine Eltern dich nicht schon längst losgeworden sind«, sagte Fausta verächtlich.
»Das sind nicht meine Eltern«, erwiderte Tertia in einem hohen Singsang. »Sie haben mich als Kind gefunden, wie Romulus und Remus. In Wirklichkeit bin ich die Tochter eines griechischen Königs, und er wird in der Stadt sein, um mich zu retten.« Ihre Geschichte hatte zu Beginn der Reise einige der anderen zum Lachen gebracht, aber mittlerweile nicht mehr.
Ik heb in dienst gezeten. Bij de Koninklijke Luchtmacht, als dienstplichtig militair. Van 1974 tot 1976. In mei 76 ging ik, zoals dat heet, met Groot Verlof. Tot op de dag van vandaag ben ik oproepbaar. Als via de draadomroep een algehele mobilisatie wordt afgekondigd, dien ik mij terstond, dat wil zeggen: binnen vierentwintig uur, te melden bij mijn onderdeel, in afwachting van nadere instructies.
Mei 1999 kreeg ik een brief van kolonel Steggelweij. In verband met de veranderde veiligheidssituatie zou, naar het zich thans liet aanzien, van mijn kwaliteiten in de toekomst geen gebruik worden gemaakt, reden om mij, Eerste Luitenant der Koninklijke Luchtmacht, bij Hare Majesteit de Koningin voor te dragen voor vervroegd eervol ontslag. Ik schreef het volgende terug. (Dat dan wél, ja. Een dergelijk buitenkansje liet ik me niet ontglippen.)
Lieve kolonel, (Zoiets komt in die kringen als een mokerslag aan. Schrijf je die lieden aan als Geacht kolonelsregime of Geachte leden van de Bloedjunta, dat is geen punt, daar verblikken of verblozen ze niet van. Maar schrijf je Lieve kolonel, dan bezorg je de andere kant, de ontvangende partij, een hoog Brokeback Mountain-gevoel, iets wat in die specifieke kringen niet bijster populair is.) Ik deel uw inschatting niet.
Natuurlijk ben ik verheugd over de wat u noemt veranderde veiligheidssituatie. U doelt, naar ik aanneem, op het omvallen van het IJzeren Gordijn. Vergis ik mij echter of is de situatie sinds de val van de Berlijnse Muur in sommige opzichten niet veeleer verslechterd? We hoeven maar naar het voormalige Joegoslavië te kijken of naar de randhaarden in de ex-Sovjet-Unie, om in te zien dat te veel optimisme tot bittere teleurstelling kan leiden, ja, zelfs tot ontgoocheling.
Miss Nancy Ellicott Strode across the hills and broke them, Rode across the hills and broke them-- The barren New England hills-- Riding to hounds Over the cow-pasture.
Miss Nancy Ellicott smoked And danced all the modern dances; And her aunts were not quite sure how they felt about it, But they knew that it was modern.
Upon the glazen shelves kept watch Matthew and Waldo, guardians of the faith, The army of unalterable law.
MORNING AT THE WINDOW They are rattling breakfast plates in basement kitchens, And along the trampled edges of the street I am aware of the damp souls of housemaids Sprouting despondently at area gates.
The brown waves of fog toss up to me Twisted faces from the bottom of the street, And tear from a passer-by with muddy skirts An aimless smile that hovers in the air And vanishes along the level of the roofs.
mijn voetjes warmend hoog tussen je zachte dijen denk ik plots aan die kale man die vroeger de piano stemde en alleen maar melk en regenwater dronk. Hij geloofde aan reïncarnatie en - verstrooid de snaren toetsend - heeft hij op een dag verteld dat ik vroeger een prinses was of de dochter van een Indianenstamhoofd en Kiruka heette. Zelf zou hij terugkeren als bruingestreepte kater.
Uit: Der Friedhof der Vergessenen Bücher (Der Schatten des Windes,Vertaald door Peter Schwaar)
Ich erinnere mich noch genau an den Morgen, an dem mich mein Vater zum ersten Mal zum Friedhof der Vergessenen Bücher mitnahm. Die ersten Sommertage des Jahres 1945 rieselten dahin, und wir gingen durch die Straßen eines Barcelonas, auf dem ein aschener Himmel lastete und dunstiges Sonnenlicht auf die Rambla de Santa Mónica filterte. "Daniel, was du heute sehen wirst, darfst du niemandem erzählen", sagte mein Vater. "Nicht einmal deinem Freund Tomás. Niemandem." "Auch nicht Mama?" fragte ich mit gedämpfter Stimme. Mein Vater seufzte hinter seinem traurigen Lächeln, das ihn wie ein Schatten durchs Leben verfolgte. "Aber natürlich", antwortete er gedrückt. "Vor ihr haben wir keine Geheimnisse. Ihr darfst du alles erzählen." Kurz nach dem Bürgerkrieg hatte eine aufkeimende Cholera meine Mutter dahingerafft. An meinem vierten Geburtstag beerdigten wir sie auf dem Friedhof des Montjuïc. Ich weiß nur noch, daß es den ganzen Tag und die ganze Nacht regnete und daß meinem Vater, als ich ihn fragte, ob der Himmel weine, bei der Antwort die Stimme versagte. Sechs Jahre später war die Abwesenheit meiner Mutter für mich noch immer eine Sinnestäuschung, eine schreiende Stille, die ich noch nicht mit Worten zum Verstummen zu bringen gelernt hatte. Mein Vater und ich lebten in einer kleinen Wohnung in der Calle Santa Ana beim Kirchplatz. Die Wohnung lag direkt über der von meinem Großvater geerbten, auf Liebhaberausgaben und antiquarische Bücher spezialisierten Buchhandlung, einem verwunschenen Basar, der, wie mein Vater hoffte, eines Tages in meine Hände übergehen würde. Ich wuchs inmitten von Büchern auf und gewann auf zerbröselnden Seiten, deren Geruch mir noch immer an den Händen haftet, unsichtbare Freunde. Als Kind lernte ich damit einzuschlafen, daß ich meiner Mutter im dämmrigen Zimmer die Ereignisse zwischen Morgen und Abend, meine Abenteuer in der Schule erklärte und was ich an diesem Tag gelernt hatte. Ich konnte ihre Stimme nicht hören und ihre Berührung nicht fühlen, aber ihr Licht und ihre Wärme glühten in jedem Winkel der Wohnung, und mit der Zuversicht dessen, der seine Jahre noch an den Fingern abzählen kann, dachte ich, wenn ich nur die Augen schlösse und mit ihr spräche, könnte sie mich vernehmen, wo immer sie auch sein mochte. Manchmal hörte mir mein Vater im Eßzimmer zu und weinte verstohlen. Ich erinnere mich, daß ich in jener Junimorgendämmerung schreiend erwachte. Das Herz hämmerte mir in der Brust, als wollte sich die Seele einen Weg bahnen und treppab stürmen. Erschrocken stürzte mein Vater ins Zimmer und nahm mich in die Arme, um mich zu trösten.
Jewel and I come up from the field, following the path in single file. Although I am fifteen feet ahead of him, anyone watching us from the cottonhouse can see Jewel's frayed and broken straw hat a full head above my own.
The path runs straight as a plumb-line, worn smooth by feet and baked brick-hard by July, between the green rows of laidby cotton, to the cottonhouse in the center of the field, where it turns and circles the cottonhouse at four soft right angles and goes on across the field again, worn so by feet in fading precision.
The cottonhouse is of rough logs, from between which the chinking has long fallen. Square, with a broken roof set at a single pitch, it leans in empty and shimmering dilapidation in the sunlight, a single broad window in two opposite walls giving onto the approaches of the path. When we reach it I rum and follow the path which circles the house. jewel, fifteen feet behind me, looking straight ahead, steps in a single stride through the window. Still staring straight ahead, his pale eyes like wood set into his wooden face, he crosses the floor in four strides with the rigid gravity of a cigar store Indian dressed in patched overalls and endued with life from the hips down, and steps in a single stride through the opposite window and into the path again just as I come around the comer. In single file and five feet apart and jewel now in front, we go on up the path toward the foot of the bluff.
Tull's wagon stands beside the spring, hitched to the rail, the reins wrapped about the seat stanchion. In the wagon bed are two chairs. Jewel stops at the spring and takes the gourd from the willow branch and drinks. I pass him and mountthe path, beginning to bear Cash's saw.
In my younger and more vulnerable years my father gave me some advice that I've been turning over in my mind ever since.
"Whenever you feel like criticizing anyone," he told me, "just remember that all the people in this world haven't had the advantages that you've had."
He didn't say any more but we've always been unusually communicative in a reserved way and I understood that he meant a great deal more than that. In consequence I'm inclined to reserve all judgements, a habit that has opened up many curious natures to me and also made me the victim of not a few veteran bores. The abnormal mind is quick to detect and attach itself to this quality when it appears in a normal person, and so it came about that in college I was unjustly accused of being a politician, because I was privy to the secret griefs of wild, unknown men. Most of the confidences were unsought -- frequently I have feigned sleep, preoccupation or a hostile levity when I realized by some unmistakable sign that an intimate revelation was quivering on the horizon -- for the intimate revelations of young men or at least the terms in which they express them are usually plagiaristic and marred by obvious suppressions. Reserving judgements is a matter of infinite hope. I am still a little afraid of missing something if I forget that, as my father snobbishly suggested and I snobbishly repeat, a sense of the fundamental decencies is parcelled out unequally at birth.
And, after boasting this way of my tolerance, I come to the admission that it has a limit. Conduct may be founded on the hard rock or the wet marshes but after a certain point I don't care what it's founded on. When I came back from the East last autumn I felt that I wanted the world to be in uniform and at a sort of moral attention forever; I wanted no more riotous excursions with privileged glimpses into the human heart. Only Gatsby, the man who gives his name to this book, was exempt from my reaction -- Gatsby who represented everything for which I have an unaffected scorn. If personality is an unbroken series of successful gestures, then there was something gorgeous about him, some heightened sensitivity to the promises of life, as if he were related to one of those intricate machines that register earthquakes ten thousand miles away. This responsiveness had nothing to do with that flabby impressionability which is dignified under the name of the "creative temperament" -- it was an extraordinary gift for hope, a romantic readiness such as I have never found in any other person and which it is not likely I shall ever find again. No -- Gatsby turned out all right at the end; it is what preyed on Gatsby, what foul dust floated in the wake of his dreams that temporarily closed out my interest in the abortive sorrows and short-winded elations of men.
A dozen girls chemises drying on a line, floral lace at the breast like rose windows in a Gothic cathedral.
Lord, shield Thou me from all evil.
A dozen girls chemises, thats love, innocent girls games on a sunlit lawn, the thirteenth, a mans shirt, thats marriage, ending in adultery and a pistol shot.
The wind thats streaming through the chemises, thats love, our earth embraced by its sweet breezes: a dozen airy bodies.
Those dozen girls made of light air are dancing on the green lawn, gently the wind is modelling their bodies, breasts, hips, a dimple on the belly there -- open fast, oh my eyes.
Not wishing to disturb their dance I softly slipped under the chemises knees, and when any of them fell I greedily inhaled it through my teeth and bit its breast.
Love, which we inhale and feed on, disenchanted, love that our dreams are keyed on, love, that dogs our rise and fall: nothing yet the sum of all.
In our all-electric age nightclubs not christenings are the rage and love is pumped into our tyres. My sinful Magdalen, dont cry: Romantic love has spent its fires. Faith, motorbikes, and hope.
SOMETIMES WE ARE TIED DOWN. . .
Sometimes we are tied down by memories and there are no scissors that could cut through those tough threads. Or ropes!
You see the bridge there by the House of Artists? A few steps before that bridge gendarmes shot a worker dead who was walking in front of me.
I was only twenty at the time, but whenever I pass the spot the memory comes back to me. It takes me by the hand and together we walk to the little gate of the Jewish cemetery, through which I had been running from their rifles.
The years moved with unsure, tottering step and I with them. Years flying till time stood still.
Zie voor onderstaande schrijvers mijn blog van 23 september 2006.
De Griekse schrijver Euripides werd volgens de legende geboren op 23 september 484 voor Christus in Salamis.
De Duitse dichter en schrijver Theodor Körnerwerd geboren op23 september 1791 in Dresden.
- Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je koû. Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem vinden zoû.
Met éen sprongetje was Mathilde weêr bij haar vader, die meer achter in den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijne en de twee wandelden, te-rug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweën de menschen, die dien avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn dochter op haar hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de punten harer schoenen. Zij zeî niet veel.
- Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen zouden gaan.
- Nee, andwoordde Mathilde, dat was wel vreemd.
In-éens herinnerde de vader zich iets, dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen neêr, schalksch,:
- Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat ze'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graâg weêr trouwen woû?
- Nee, daar heb ik niet op gelet ...
- Van Wilden was weêr op zijn beau dire van-avond.
- Ja.
Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan, met gedachteloze blikken over zijn rug.
Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten, doorsiepeld van glacé-handschoenen- en punch-geurtjes. Door het éene groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden, links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over den vloer, wild wechgeschoven.
Frédéric Beigbeder (Neuilly-sur-Seine, 21 september 1965)
De Franse schrijver Frédéric Beigbeder werd geboren op 21 september 1965 in Neuilly-sur-Seine. Hij studeerde politieke wetenschappen en werkte tien jaar lang als tekstschrijver voor een reclamebureau. Tegenwoordig woont en werkt hij als criticus en schrijver in Parijs. Met de publicatie van zijn roman 99 francs werd hij ook buiten de grenzen van Frankrijk bekend. Andere romans volgden. In mei 2007 was hij in de VS om een film te maken over de zeer teruggetrokkken levende schrijver J.D. Salinger. Ook 99 francs werd verfilmd.
Uit : 99 Francs
« Quand, à force déconomies, vous réussirez à vous payer la bagnole de vos rêves, celle que jai shootée dans ma dernière campagne, je laurai déjà démodée. Jai trois vogue davance, et marrange toujours pour que vous soyez frustré. Le Glamour, cest le pays où lon narrive jamais. Je vous drogue à la nouveauté, et lavantage avec la nouveauté, cest quelle ne reste jamais neuve. Il y a toujours une nouvelle nouveauté pour faire vieillir la précédente. Vous faire baver, tel est mon sacerdoce. Dans ma profession, personne ne souhaite votre bonheur, parce que les gens heureux ne consomment pas.
Connaissez-vous la différence entre les riches et les pauvres ? Les pauvres vendent de la drogue pour sacheter des Nike alors que les riches vendent des Nike pour sacheter de la drogue.
Les hommes politiques ne contrôlent plus rien ; cest léconomie qui gouverne. Le marketing est une perversion de la démocratie : cest lorchestre qui gouverne le chef. Ce sont les sondages qui font la politique, les tests qui font la publicité, les panels qui choisissent les disques diffusés à la radio, les "sneak previews" qui déterminent la fin des films de cinéma, les audimats qui font la télévision. [...] Big Brother is not watching you, Big Brother is testing you. Mais le sondagisme est un conservatisme. Cest une abdication. On ne veut plus vous proposer quoi que ce soit qui puisse RISQUER de vous déplaire. Cest ainsi quon tue linnovation, loriginalité, la création, la rebellion. Tout le reste en découle. Nos existences clonées... Notre hébétude somnambule... Lisolement des êtres... La laideur universelle anesthésiée....
Picasso est un nom de bagnole Citroën, Steve Mc-Queen conduit une Ford, Audrey Hepburn porte des mocassins Tods ! Tu crois quils se retournent pas dans leur tombe, ces gens-là, dêtre transformés en VRP posthumes ? Cest la nuit des morts-vivants ! Cannibal Holocaust ! On bouffe du cadavre ! Les zombies font vendre !
Toutes ces marques sont rigoureusement inattaquables. Elles ont le droit de vous parler mais vous navez pas le droit de leur répondre. Dans la presse, vous pouvez dire des horreurs sur des personnes humaines mais essayez un peu de descendre un annonceur et vous risquez très vite de faire perdre à votre journal des millions de francs de rentrées publicitaires. A la télévision, cest encore plus retors : une loi interdit de citer des marques à lantenne pour éviter la publicité clandestine ; en réalité, cela empêche de les critiquer. Les marques ont le droit de sexprimer tant quelles le veulent (et paient ce droit très cher), mais on ne peut jamais leur répondre. »
De Vlaamse schrijver Cyriel Buysse werd geboren op 20 september 1859 in Nevele. Zie ook mijn blog van 20 september 2007.
Uit: 'n Leeuw van Vlaanderen
's Ochtends had zich nog schuchter een zonnestraaltje vertoond tusschen de wolken, maar met den dag was weer alles grijs geworden, eentonig grijs van kilvochtigen hemel, alsof 't de droefheid zelve van dien dag van rouw was, die zoo loomdrukkend over de aarde hing.
Allerzielendag! Die dag, waarvan de uiterlijke rouw zich in de groote steden slechts op de kerkhoven en hun onmiddellijke omgeving vertoont, verspreidde hier, over dat afgelegen plattelandsch dorp, zijn echt lugubere stemming van dood en nooit-meer-wederzien. In de straat het dof gegons der voorbijgaande dorpelingen, als kudden zich begevend naar de kerk; in de kille, grijze lucht het onophoudend, zwaarmoedig gelui der klokken, galmend als de klaagstemmen van lijdenden en stervenden...
De triestigheid van buiten binnendringend in de huizen met de vroeg invallende najaars-schemering; de geest der levenden gekweld door de obsessie van de overledenen, die als het ware nog eens weer over de aarde komen zweven, herinnerend aan de broosheid van 't bestaan...
Roerloos in zijn leunstoel uitgestrekt, de voeten vóór het vuur, het boek, waarin hij niet meer las, opengebladerd op zijn knieën, en de oogen naar het raam, waardoor hij de naakte boomenkruinen van den tuin ontwaarde, zat Robert in diepe mijmeringen verzonken.
Vage gepeinzen, bespiegelende terugblik in 't verleden, gemengde sensaties van zachtheid en van weemoed, grijs-treurig en zwaar-drukkend soms, als de triestige atmosfeer waaruit zij schenen op te wasemen.
Hij ook dacht aan zijn lieve dooden, aan zijn ouders, nu drie en vier jaren overleden. Hun bleeke, stille schimmen zweefden zacht-weemoedig vóór zijn geest, in loutere teederheid van goedheid en verzoening, voor altijd in zijn gedachtenis bevrijd van 't pijnlijk bittere der vroegere strijden. En in verbeelding leefde hij weer mede hun eentonig en geregeld buitenleven.
Het waren geen vroolijke jaren geweest. Het waren jaren geweest van zeer veel droefheid en ontstemming soms, omdat hij er niet toe besluiten kon, evenals zijn oudere broeder Alfred, in de aanzienlijke fabriek van zijn vader een betrekking te zoeken. Lang had het geduurd vóór mijnheer La Croix, moe van 't herhaald en vruchteloos aandringen, er in had toegestemd dat hij zijn onderbroken studiën weer hervatten zou. Maar 't was toch eindelijk gebeurd, en er was trots en vreugde geweest in huis, toen hij, vier jaar later, na schitterende examens, met de beide diploma's van dokter in de rechten en candidaat-notaris terugkwam. Wat dan...? Notaris! notaris! had zijn vader dringend geopperd. Maar Robert zelf was veel liever advocaat geworden in een groote stad dan notaris op een dorp.
William Golding (19 september 1911 19 juni 1993)
De Engelse schrijver Sir William Gerald Golding werd geboren in St. Columb Minor, Newquay, Cornwall op 19 september 1911. Golding studeerde aan de universiteit van Oxford. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende hij in de Britse Koninklijke Marine, en zat in dienst toen het Duitse oorlogsschip Bismarck tot zinken werd gebracht. Hij deed mee aan de invasie van Normandië op D-Day. Na de oorlog keerde hij terug naar Engeland, en werkte als leraar en schrijver.
In 1988 werd hij door koningin Elizabeth II geëerd met de titel Sir. Hij ligt begraven op de begraafplaats in Bowerchalke, Wiltshire, Engeland. Zijn bekendste werk is Lord of the Flies uit 1954. Het werd een onmiddellijk wereldwijd succes. Het boek weerspiegelde dan ook de ontgoocheling in de menselijke natuur in de na-oorlogse periode. Golding verklaarde zelf dat de roman voortgekomen was uit zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog. Van het boek zijn ook twee filmversies gemaakt: een in 1963 door Peter Brook, de andere in 1990 door Harry Hook. Golding won de Nobelprijs voor de Literatuur in 1983.
Uit: Lord of the flies
THE BOY WITH FAIR HAIR LOWERED HIMSELF down the last few feet of rock and began to pick his way toward the lagoon. Though he had taken off his school sweater and trailed it now from one hand, his grey shirt stuck to him and his hair was plastered to his forehead. All round him the long scar smashed into the jungle was a bath of heat. He was clambering heavily among the creepers and broken trunks when a bird, a vision of red and yellow, flashed upwards with a witchlike cry; and this cry was echoed by another.
"Hi!" it said. "Wait a minute!"
The undergrowth at the side of the scar was shaken and a multitude of raindrops fell pattering.
"Wait a minute," the voice said. "I got caught up."
The fair boy stopped and jerked his stockings with an automatic gesture that made the jungle seem for a moment like the Home Counties.
The voice spoke again.
"I can't hardly move with all these creeper things."
The owner of the voice came backing out of the undergrowth so that twigs scratched on a greasy wind-breaker. The naked crooks of his knees were plump, caught and scratched by thorns. He bent down, removed the thorns carefully, and turned around. He was shorter than the fair boy and very fat. He came forward, searching out safe lodgments for his feet, and then looked up through thick spectacles.
"Where's the man with the megaphone?"
The fair boy shook his head.
"This is an island. At least I think it's an island. That's a reef out in the sea. Perhaps there aren't any grownups anywhere."
The fat boy looked startled.
"There was that pilot. But he wasn't in the passenger cabin, he was up in front."
The fair boy was peering at the reef through screwed-up eyes.
"All them other kids," the fat boy went on. "Some of them must have got out. They must have, mustn't they?"
The fair boy began to pick his way as casually as possible toward the water. He tried to be offhand and not too obviously uninterested, but the fat boy hurried after him.
"Aren't there any grownups at all?"
"I don't think so."
The fair boy said this solemnly; but then the delight of a realized ambition overcame him. In the middle of the scar he stood on his head and grinned at the reversed fat boy.
De Nederlandse kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker Armando werd geboren als Herman Dirk van Dodeweerd in Amsterdam op 18 september 1929. Hij bracht zijn jeugd door in Amersfoort. Later studeerde hij een aantal jaren kunstgeschiedenis. Als beeldend kunstenaar maakte hij deel uit van de in1959 door Jan Henderikse opgerichte Nederlandse Informele Groep, die in 1960 opging in de Nederlandse Nul-beweging. Als dichter en kunstenaar was hij verder betrokken bij De Nieuwe Stijl en Gard Sivik. Naast de beeldende kunst en de literatuur was hij ook actief in de journalistiek, theater, televisie, muziek (als violist in het zigeunerorkest van Tata Mirando) en sport (bv. amateurboksen). Hij speelde gedurende vijfentwintig jaar met Cherry Duyns en Johnny van Doorn in Herenleed, eerst in de televisieserie en daarna in de theaterversie: absurde, traag verlopende taferelen uit een leven met meester-knechtverhoudingen. Armando was betrokken bij verschillende kunstenaarsgroepen zoals de Liga Nieuw Beelden, de Informele Groep en Nul. De leden van de Nul-groep brachten in hun werk een geheel nieuwe, verwondering wekkende visie op bekende dingen In 1957 was hij een van de leden van de Nederlandse Informele Groep (Informelen) samen met de Nederlandse kunstschilders Kees van Bohemen, Jan Henderikse, Henk Peeters, Jan Schoonhoven en andere. Vanaf 1979 woont hij in Berlijn, waar hij tot 1989 in het oude atelier van de nazi-beeldhouwer Arno Breker werkte.
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was
niemand weet wie ik zal zijn wie ik was u overschat mij ik ben radeloos ik was een ander
geef mij touwen bind mij vast dood mij niet ik ben onschuldig ik ben de vijand
Herenleed
Fragment
Man 1 staat te bewegen, hij kan geen moment stil staan, wat heeft hij toch.
Man 2: Meneer, staat u toch eens even stil, wilt u. Man 1: Ja, dat is het danseresje in me, dat doet me steeds bewegen, het danseresje. Man 2: Ach juist. Man 1: Want wat ik al niet in me heb, ik heb in me: het pelgrimmetje, het bloemenverkoopstertje, het roverhoofdmannetje, en het danseresje natuurlijk, dat zei ik al. Man 2: Dat is veel te weinig om prat op te gaan, wilt u. Man 1: Ik ga niet prat! Man 2: U ging heel erg prat. Man 1: Ja, soms ga ik wel es een beetje prat ja. Man 2: Zeg, had u nog een nummertje te berde? Man 1: O, zeker te berde ja, dat zeker, namelijk... Man 2: Ja? Man 1 onduidelijk: Declameren. Man 2: Wat? Man 1: Declameren. Man 2: Duidelijker voor de draad graag. Man 1: Declameren. Man 2 kucht: Declameren? Man 1: Ja, declameren. Man 2: En hoe gaat het dan toe tijdens het genoemde declameren? Man 1: Declameren, dat is praten met schone klanken, een beetje als een lakei, of als een schoolopziener, of als een mandenmaker. Man 2: Ach, op die manier. Ja, doet u maar
Go to sleep--though of course you will not-- to tideless waves thundering slantwise against strong embankments, rattle and swish of spray dashed thirty feet high, caught by the lake wind, scattered and strewn broadcast in over the steady car rails! Sleep, sleep! Gulls' cries in a wind-gust broken by the wind; calculating wings set above the field of waves breaking. Go to sleep to the lunge between foam-crests, refuse churned in the recoil. Food! Food! Offal! Offal! that holds them in the air, wave-white for the one purpose, feather upon feather, the wild chill in their eyes, the hoarseness in their voices-- sleep, sleep . . .
Gentlefooted crowds are treading out your lullaby. Their arms nudge, they brush shoulders, hitch this way then that, mass and surge at the crossings-- lullaby, lullaby! The wild-fowl police whistles, the enraged roar of the traffic, machine shrieks: it is all to put you to sleep, to soften your limbs in relaxed postures, and that your head slip sidewise, and your hair loosen and fall over your eyes and over your mouth, brushing your lips wistfully that you may dream, sleep and dream--
A black fungus springs out about the lonely church doors-- sleep, sleep. The Night, coming down upon the wet boulevard, would start you awake with his message, to have in at your window. Pay no heed to him. He storms at your sill with cooings, with gesticulations, curses! You will not let him in. He would keep you from sleeping. He would have you sit under your desk lamp brooding, pondering; he would have you slide out the drawer, take up the ornamented dagger and handle it. It is late, it is nineteen-nineteen-- go to sleep, his cries are a lullaby; his jabbering is a sleep-well-my-baby; he is a crackbrained messenger.
The maid waking you in the morning when you are up and dressing, the rustle of your clothes as you raise them-- it is the same tune. At table the cold, greeninsh, split grapefruit, its juice on the tongue, the clink of the spoon in your coffee, the toast odors say it over and over.
The open street-door lets in the breath of the morning wind from over the lake. The bus coming to a halt grinds from its sullen brakes-- lullaby, lullaby. The crackle of a newspaper, the movement of the troubled coat beside you-- sleep, sleep, sleep, sleep . . . It is the sting of snow, the burning liquor of the moonlight, the rush of rain in the gutters packed with dead leaves: go to sleep, go to sleep. And the night passes--and never passes
Allerliefste, ek stuur vir jou 'n rooiborsduif want niemand sal 'n boodskap wat rooi is skiet nie. Ek gooi my rooiborsduif hoof in die lug en ek weet al die jagters sal dink dis die son. Kyk, my duif kom op en my duif gaan onder en waar hy vlieg daar skitter oseane en bome word groen en hy kleur my boodskap so bruin op jou vel
Want my liefde reis met jou mee, my liefde moet soos 'n engel by jou bly, soos vlerke, wit soos 'n engel. Jy moet van my liefde bly weet soos van die vlerke waarmee jy nie kan vlieg nie
Wat uit de mond komt
wat uit de mond komt zijn alleen maar woorden vleermuizen botsend tegen het niets - de gedachtengang van een grot
naakt zal ik uit het duister treden en dan blind de zon omhelzen de gedachtensprong een schot - zo draait een mens de wond uit zicht
Tõnu Ãnnepalu, Nicolaas Beets, Roald Dahl, Anton Constandse
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)
De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Tot 1985 studeerde hij botanica en ecologie aan de universiteit van Tartu. Daarna doceerde hij scheikunde en biologie. Sinds 1988 is hij werkzaam als zelfstandig schrijver en vertaler en tevens als redacteur bij het culturele tijdschrift Vikerkaar. In 1993 kwam hij internationaal in de belangstelling met zijn roman Piiririik (Engels: "Border State") die verscheen onder zijn pseudoniem Emil Tode. Het boek werd in veertien talen vertaald en werd het meest vertaalde boek uit Estland gedurende de jaren negentig.
Uit: Practicing
I don't want any changes. In my life, that is. Nothing about it must change. Let it all stay the way it always has been. Everything around me can change, that's fascinating; it's thrilling to observe the reforms, catastrophes, revolutions and wars. But only from a distance. My greatest mistake has been to imagine I want changes in my life. Why should life change? It's disturbing enough without any changes. It's hard enough to make sense of it already. Routine is the greatest blessing, but in my ingratitude I have regarded it as the source of my despair. And yet by instinct I have never sought anything but stability. A means to make my life so routinely repetitive that it would fade away completely, allowing me an unobstructed view. //to observe unobstructed// Today, like every other working day, at about two o'clock I took a train to the Notre-Dame des Champs metro station. There's one change to make on the way, but it's still quick. I know all the stops by heart. I know which end of the train is more convenient and what comes after what: Rue du Bac, Sevres-Babylone, Rennes, Notre-Dame des Champs. There's a small sandwich bar there that I discovered last summer, when this exhibition was on in the jardin de Luxemburg. It's cheap, only 35 francs a meal. For that I get a toasted panini -- either chicken curry or turkey emmental -- an iced tea (there are't any hot drinks on the menu) and a flan -- a dull-looking, actually rather repulsive cake that I like because it reminds me of the custard cake or pie of my childhood. I always pretend to make my selection carefully, then with calculated pauses I inform the girl, the woman or the man -- whoever happens to be standing behind the counter at the time -- of my choice. This is my daily act of social intercourse, my gesture of communication with this city. I have no desire for any more intimate relationship with the people at the counter. I feel annoyed by the very fact that they recognize me and are accustomed to my daily appearance. If it were up to me I'd make them forget me every day, so I could just keep on dropping in for the first time, in passing. But what's more important than that is that the sandwich bar holds no surprises for me. The panini and the cake always taste the same. The flavour of the iced tea depends on whether I bother to specify citron, other wise they always give me peche, the peach. That makes no great difference. But today for some reason I decided to vary my menu and took apple tarte instead of the flan. This change bothered me right through the meal. I had to think about the apple tarte, I couldn't be sure it would prove satisfactory. And in fact, it was a bit too sweet.
De Amerikaanse schrijver James Frey werd geboren op 12 september 1969 in Cleveland. In 1993 werd hij in een kliniek opgenomen om van zijn verslaving aan alcohol en drugs af te komen. In 1996 trok hij naar Los Angeles om als draaiboek auteur zijn brood te verdienen. Ook begon hij toen aan zijn roman A Million Little Pieces. Als roman kon hij het echter niet gepubliceerd krijgen. IA Million Little Pieces verscheen toen in april 2003 als autobiografie en was een klein, maar geen overdonderend succes. Tot 26 oktober 2005. Op die dag werd James Frey als held ontvangen door Oprah Winfrey in een show getiteld The Man Who Kept Oprah Awake At Night. Oprah had zijn boek geselecteerd voor haar invloedrijke boekenclub, waarin ze eerder auteurs als Faulkner, Steinbeck en Tolstoj bejubelde. Een paar weken later was James Frey multimiljonair. Dankzij Oprah kochten twee miljoen Amerikanen het boek; een ongekend succes. Frey voerde vijftien weken lang de non-fictie bestsellerlijst van de New York Times aan. En er verscheen een vervolg: My Friend Leonard, dat begint waar A Million Little Pieces ophield. Frey heeft zijn straf uitgezeten en spoedt zich naar zijn vriendin Lily in Chicago. Als hij daar aankomt, blijkt dat zij zich net de vorige dag heeft opgehangen. In januari 2006 publiceerden de schrijvers van de internetsite The Smoking Gun een omvangrijk artikel onder de titel A Million Little Lies waarin aangetoond werd dat er voor de meeste belevenissen waar Frey over bericht geen bewijzen te vinden zijn. Inmidels heeft Frey toegegeven bepaalde dingen verzonnen te hebben vanwege de dramatiek.
Uit: A Million Little Pieces
I wake to the drone of an airplane engine and the feeling of something warm dripping down my chin. I lift my hand to feel my face. My front four teeth are gone, I have a hole in my cheek, my nose is broken and my eyes are swollen nearly shut. I open them and I look around and I'm in the back of a plane and there's no one near me. I look at my clothes and my clothes are covered with a colorful mixture of spit, snot, urine, vomit and blood. I reach for the call button and I find it and I push it and I wait and thirty seconds later an Attendant arrives. How can I help you? Where am I going? You don't know? No. You're going to Chicago, Sir. How did I get here? A Doctor and two men brought you on. They say anything? They talked to the Captain, Sir. We were told to let you sleep. How long till we land? About twenty minutes. Thank you. Although I never look up, I know she smiles and feels sorry for me. She shouldn't. A short while later we touch down. I look around for anything I might have with me, but there's nothing. No ticket, no bags, no clothes, no wallet. I sit and I wait and I try to figure out what happened. Nothing comes. Once the rest of the Passengers are gone I stand and start to make my way to the door. After about five steps I sit back down. Walking is out of the question. I see my Attendant friend and I raise a hand. Are you okay? No. What's wrong? I can't really walk. If you make it to the door I can get you a chair. How far is the door? Not far. I stand. I wobble. I sit back down. I stare at the floor and take a deep breath. You'll be all right. I look up and she's smiling. Here. She holds out her hand and I take it. I stand and I lean against her and she helps me down the Aisle. We get to the door. I'll be right back. I let go of her hand and I sit down on the steel bridge of the Jetway that connects the Plane to the Gate. I'm not going anywhere. She laughs and I watch her walk away and I close my eyes. My head hurts, my mouth hurts, my eyes hurt, my hands hurt. Things without names hurt. I rub my stomach. I can feel it coming. Fast and strong and burning. No way to stop it, just close your eyes and let it ride. It comes and I recoil from the stench and the pain. There's nothing I can do.
De Duitse schrijver Peter Hille werd geboren in Erwitzen bij Nieheim op 11 september 1854. Hille groeide op in Westfalen. Hij bezocht in Holzhausen de lagere school. Achtereenvolgens stroomde hij door naar het "Marianum" in Warburg en het gymnasium "Paulinum" in Münster. Hier was hij lid van een scholierengroep, waarin een reeks "verboden" auteurs werd gelezen: Marx, Bebel, Darwin, Proudhon etc. Uit deze periode stamt de jarenlange vriendschap van Hille met de gebroeders Heinrich en Julius Hart. Door zijn literaire belangstelling verwaarloosde Hille zijn verplichtingen op school, totdat hij in 1874 van school werd gewezen.
In 1874 begon Peter Hille als klerk bij de officier van Justitie in Höxter bij Nieheim, maar hij was volgens de officier geen succesnummer. Hille besloot daarop naar Leipzigte gaan, werkte er als corrector in een drukkerij en volgde college literatuur, filosofie en kunstgeschiedenis. In 1878 keerde Hille terug naar de oude woonplaats van zijn ouders, Holzhausen. Hij hield het er niet lang uit. In de winter van 1878/1879 verbleef Hille in Bremen bij de gebroeders Hart; hij kon er meewerken aan de "Deutsche Monatsblätter". In Bremen was hij eveneens werkzaam bij de sociaal-democratische krant "Bremer Tageblatt". Door het overlijden van zijn moeder in 1879 beschikte Hille over een erfenis. Onmiddellijk vertrok hij voor een lange tijd op reis. Hij belandde in Londen, waar hij - onder andere in de sloppenwijken van Whitechapel - kennis maakte met socialisten en anarchisten. Twee jaar zou hij er blijven. In ongeveer 1882 brak Hille op voor een verblijf in Nederland. Hier leerde hij een rondreizend theater kennen, waar Hille zijn laatste geld in zou stoppen. Nadat de erfenis op was, keerde Hille terug naar Duitsland. Hij vond er wederom aansluiting bij de broers Hart en raakte betrokken bij de Friedrichshagener Kreis. Detlev von Liliencron en Erich Mühsam behoorden tot zijn vriendenkring.
Uit: Ein fideler Abend
Heute war mal wieder das dauernde Versatzstück, die goldene Uhr, die in der Regel vierzig Mark trug, in ihres Eigentümers Händen. So gab er sie mir, da ich solche Gänge aus alter Gewohnheit am wenigsten scheute, sie zu verpfänden. »Vierzig Mark hat's das vorige Mal gegeben. Kannst sie aber auch für dreißig lassen!«
Glücklicherweise gab's vierzig.
So zogen wir denn, Stacho-Stanislaus Prczybiczewski, den man meist als den deutschpolnischen Sataniker auffaßt, seine norwegische Gemahlin Dagno, meist nach Stachos Kosewort von uns allen »Ducha« Seele genannt, Richard Dehmel, der Kunstschriftsteller Willy Pastor und Paul Scheerbart, den wir erst eben zum geölten König von Polen gewählt hatten, von Stachos Bude, wo wir durch einige Dutzend Flaschen Bier und Aufschnitt seine Monatsrechnung vermehrt und den Zigarettenvorrat entsprechend vermindert hatten, die paar Schritte vom Zirkus-Renz-Platz bis zum neuen Theater-Restaurant.
Hier entschieden wir uns nach eingehender Beratung für eine Platte Roastbeef und Burgunder. Das Übrigbleibende stand ad libitum: nur ward Vorsicht empfohlen, es seien nur einige Mark. Da zog denn der eine auf des Burgunders schwere Glut ein Löwenbräu vor, ein zweiter wählte Zigaretten, der dritte Aquavit. Später mußte man bei jedem einzelnen Wunsche fragen. Zögernd ward die letzte Einwilligung gegeben.
Mrs Bolton also kept a cherishing eye on Connie, feeling she must extend to her her female and professional protection. She was always urging her ladyship to walk out, to drive to Uthwaite, to be in the air. For Connie had got into the habit of sitting still by the fire, pretending to read; or to sew feebly, and hardly going out at all.
It was a blowy day soon after Hilda had gone, that Mrs Bolton said: Now why dont you go for a walk through the wood, and look at the daffs behind the keepers cottage? Theyre the prettiest sight youd see in a days march. And you could put some in your room; wild daffs are always so cheerful-looking, arent they?
Connie took it in good part, even daffs for daffodils. Wild daffodils! After all, one could not stew in ones own juice. The spring came back . . . Seasons return, but not to me returns Day, or the sweet approach of Evn or Morn.
And the keeper, his thin, white body, like a lonely pistil of an invisible flower! She had forgotten him in her unspeakable depression. But now something roused . . . Pale beyond porch and portal . . . the thing to do was to pass the porches and the portals.
She was stronger, she could walk better, and in the wood the wind would not be so tiring as it was across the bark, flatten against her. She wanted to forget, to forget the world, and all the dreadful, carrion-bodied people. Ye must be born again! I believe in the resurrection of the body! Except a grain of wheat fall into the earth and die, it shall by no means bring forth. When the crocus cometh forth I too will emerge and see the sun! In the wind of March endless phrases swept through her consciousness.
Franz Werfel (10 september 1890 26 augustus 1945)
De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Werfel werd op 10 september 1890 gebroen als zoon van een welgestelde koopmans en fabrikantenfamilie in Praag. Zie ook mijn blog van 10 september 2006.
Das Bleibende
Solang noch der Tatrawind leicht slowakische Blumen bestreicht, so lang wirken Mädchen sie ein in trauliche Buntstickerei'n.
Solang noch im bayrischen Wald die Axt im Morgengraun hallt, so lang auch der Einsame sitzt, der Gott und die Heiligen schnitzt.
Solang auf ligurischer Fahrt das Meer seine Fischer gewahrt, so lang wird am Strand es schaun die spitzenklöppelnden Fraun.
Ihr Völker der Erde, mich rührt das Bleibende, das ihr vollführt. Ich selbst, ohne Volk, ohne Land, stütz' nun meine Stirn in die Hand.
De Poolse schrijver Paweł Huelle werd geboren op 10 september 1957 in Gdańsk. Na zijn studie literatuurwetenschap daar werkte hij eerst als journalist. Ook was hij docent voor literatuur, filosofie en geschiedenis. Tot het verbod van Solidarność in 1981 werkte hij ook in het perscentrum van de vakbond. Als schrijver vestigde hij zijn naam met de roman Weiser Dawidek. Het boek werd door de Poolse kritiek meteen als meesterwerk gevierd. Het is in vele talen vertaald en werd in 2000 door Wojciech Marczewski verfilmd.
Uit: Castorp
Das erste war ein kleiner Streit mit dem Schaffner, auf der Plattform der Straßenbahn Linie 2. Diese schnurrbärtige, nach feuchtem Tuch und Tabak riechende Person fragte statt dem jungen Passagier, wie dieser es verlangte, eine Fahrkarte nach Langfuhr, das heißt, bis zur Haltestelle im Kastanienweg zu verkaufen statt dessen also verlangte der Schaffner von Castorp, er solle ihm sagen, in welche Zone er zu fahren gedenke. Das war eine so unerwartete, eine so dumme und unverschämte Forderung, daß der junge Mann mit erhobener Stimme verkündete, er sei nicht von hier und es werde wohl genügen, den Namen der Haltestelle zu nennen, zu der er wolle. Sind Sie sich da sicher? fragte der Schaffner und verkaufte seine Fahrkarten an die nächsten Passagiere, als sei nichts geschehen, gab das Restgeld heraus und lochte die kleinen rechteckigen Kärtchen den Wünschen entsprechend Olivaer Tor zweimal Polytechnikum einmal Endstation , was Hans Castorp noch mehr aufbrachte, da dieser demonstrativ unhöfliche Mensch in Uniform nur von ihm die Angabe der Zone verlangte, während er die anderen Fahrgäste freundlich und zuvorkommend behandelte. Die Straßenbahn hielt schon das zweite Mal an, Leute stiegen aus und ein, und Castorp stand unentschlossen mit einer Handvoll Kleingeld da, in dem Bewußtsein, daß er in dieser Situation lächerlich, ja erbärmlich aussah. Sie lehnen es also ab, mir eine Fahrkarte zu verkaufen? fragte er schließlich so laut, daß man ihn zumindest in den nächsten Reihen hören konnte, soll ich fahren, ohne zu zahlen?! Am Kastanienweg gibt es keine Haltestelle, erwiderte der Schaffner ebenso laut, woher soll ich wissen, wo Sie aussteigen wollen? Eine Hitzewelle stieg Castorp zu Kopf. Noch nie war er einer so unverblümten, öffentlich demonstrierten Arroganz zum Opfer gefallen, auf die er, was noch schlimmer war, nicht unmittelbar zu reagieren wußte. Konnte man mit diesem schrecklichen Menschen denn kultiviert umgehen? Das heißt, ihm zunächst mit aller Ehrerbietung erklären, sein Benehmen sei völlig unangemessen, um dann zu den Einzelheiten überzugehen, nämlich denen, die aus Frau Wibbes Brief resultierten, wo schwarz auf weiß geschrieben stand, daß es am Kastanienweg eine Haltestelle gebe?
De Deense dichter en schrijver Jeppe Aakjær werd geboren in Aakjær bij Skive op 10 september 1866. Veel van zijn werk ging over zijn geboortestreek Jutland. Hij stond bekend om zijn betrokkenheid bij armen en onderdrukten en beschreef hun bescheiden en eenvoudig landelijk bestaan. Op de leeftijd van 20 jaar werd hij naar de gevangenis gestuurd voor het vrijuit spreken over zijn zorgen, waar de lokale regeringsambtenaren niets van moesten hebben.
Aakjærs opmerkelijkste romans zijn onder andere Burgerzoon (1899) en Kinderen van Toorn (1904), die zijn sociale betrokkenheid aantonen. Zijn gedichten, waaronder Liederen van de Rogge (1906) en Heimdal's avonturen (1924) echter, openbaren zijn hartstocht voor de oogst, de weelderige graangebieden en het eenvoudige leven van burgers en landbouwers. Veel van deze werken werden gebruikt als basis voor liederen door vele Scandanavische componisten van de twintigste eeuw, waaronder Carl Nielsen. Tegenwoordig is het zijn poëzie waarvan hij voornamelijk bekend is.
Uit: Die Kinder des Zorns (Vertaald door Erich Holm)
Die Sonne stützte bereits ihr breites Kinn auf die Hügel im Westen und guckte müde und angestrengt zwischen das Laub im Garten des Sølsighofes hinein, wo der Gutsbesitzer Wollesen saß und Ratten fütterte.
Dies war die Lieblingsbeschäftigung des alten Wollesen, die er bei gutem Wetter nie verabsäumte. Er saß auf einem dreibeinigen Stuhl an der Spalierwand. Zwischen den morschen Zahnstümpfen hielt er eine fettige Holzpfeife, und auf den Knien der bläulich schimmernden, verschlissenen Hose ruhte eine schwarze irdene Schüssel.
Die Ratten kamen aus tiefen Löchern unter den grauen Grundsteinen hervor, dort, wo die Schweinekoben an das getünchte Hauptgebäude stießen; der üppige Klettenwald und die Dünste des Schweinestalls bildeten ein Paradies von Stank und Dunkelheit für diese Geschöpfe, und sie betrugen sich denn auch so ungeniert, als wären sie die eigentlichen Herren auf Sølsig und alle anderen Wesen nur ihre aufwartenden Diener. Dreist wagten sie sich bis unter Wollesens gesprungene Holzschuhschnäbel und schnappten mit frecher Schnauze die Brotkrumen auf, die er ihnen aus der irdenen Schüssel zuschleuderte. Mit komischen Kapriolen erhoben sie sich auf den Hinterbeinen und klappsten einander auf das Ohr; wo eine Brotrinde ins Gras niederfiel, entstand ein wahres Getümmel von kleinen, geschmeidigen Tierkörpern, die mit erhobenen Schwänzen sich unter teuflischem Pfeifen herumbalgten, so daß die letzten linden Strahlen der sinkenden Sonne bald quer über die Rücken, bald über die weißen Bäuche hinstreiften.
De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik, West-Vlaanderen, op 9 september 1928 als zevende zoon in een arbeidersgezin met elf kinderen. Na basisonderwijs in de St.-Martinusschool te Asse, Brabant, volgde hij twee jaar Praktische Handelsschool in Koekelberg. H!j was een jaar werkzaam als typist. Sinds 1 mei 1945 was hij journalist bij De Nieuwe Standaard (titel later veranderd in De Nieuwe Gids) t Vrije Volksblad Het Nieuws van den Dag. Vanaf 1 maart 1953 was hij redacteur bij De Standaard Het Nieuwsblad, waar hij o.m. redactiechef van Het Nieuwsblad, hoofd van de algemene nieuwsdienst en adjunct-rubriekleider Cultuur van De Standaard is geweest. Zijn loopbaan bij deze persgroep werd gedurende drie jaar onderbroken (1966-1969), waarin hij redacteur van de Nederlandse krantengroep Brabant Pers en van het Vlaamse dagblad Het Volk, tevens literair adviseur van uitgeverij Van In, is geweest. Daarna werd hij opnieuw redacteur bij De Standaard tot aan zijn pensionering in 1992. Hij bleef columnist voor dezelfde krant van 1992 tot 1999. Sinds 1999 is hij columnist van de weekbladen De Bond en Tertio. Hij was buitendien bedrijvig als tekstschrijver voor radiocabaret, als tv-medewerker (panellid voor taalspelletjes, literair interviewer) en filmscenarist (De Witte van Sichem).
Frederic Mistral ( 8 september 1830 25 maart 1914)
De Franse dichter en schrijver Frederic (Frédéric) Mistral werd geboren op 8 september 1830 in Maillane, een dorp gelegen ten noorden van de stad Arles in zuid-Frankrijk. Hij is misschien wel de bekendste auteur van de moderne Occitaanse letterkunde. Hij schreef zijn werk in het Provençaals, een Occitaans dialect. In 1854 behoorde hij tot de oprichters, van de "Félibrige", een vereniging van schrijvers en dichters met als doel de bevordering van de Provençaalse taal en culturele identiteit. Ook een van zijn vrienden, Alphonse Daudet, trad toe tot dit genootschap. In 1859 verschijnt het lange gedicht Mireio (Mireille) waar hij vele jaren aan heeft gewerkt. In 1904 ontving Mistral de Nobelprijs voor literatuur.
Coupe Sainte
Provençaux, voici la coupe Qui nous vient des Catalans Tour à tour buvons ensemble Le vin pur de notre cru.
Coupe sainte Et débordante Verse à pleins bords verse à flots Les enthousiasmes Et l'énergie des forts !
D'un ancien peuple fier et libre Nous sommes peut-être la fin ; Et, si les Félibres tombent Tombera notre nation.
D'une race qui regerme Peut-être somme nous les premiers jets ; De la patrie, peut-être, nous sommes Les piliers et les chefs.
Verse nous les espérances et les rêves de la jeunesse, Le souvenir du passé Et la foi dans l'an qui vient.
Verse nous la connaissance Du Vrai comme du Beau, Et les hautes jouissances Qui se rient de la tombe.
Verse nous la Poésie Pour chanter tout ce qui vit, Car c'est elle l'ambroisie Qui transforme l'homme en Dieu.
Pour la gloire du pays Vous enfin nos complices catalans, de loin, ô frères, Tous ensemble, communions !
Jenny Aloni (7 september 1917 30 september 1993)
De Duits Israëlische dichteres en schrijfster Jenny Aloni (eig. Jenny Rosenbaum werd geboren op 7 september 1917 in Paderborn. In november 1939 kwam zij met een uit joodse kinderen en jongeren bestaand transport via Triëst aan in Palestina. Daar studeerde zij aan de Hebreeuwse universiteit en verdiende ze haar brood met huishoudelijk werk. In 1942 meldde zij zich bij de joodse brigade van het Britse leger. In 1946 nezocht zij een school voor sociaal werk. Ook verbleef zij in dat jaar inMünchen en Parijs om Displaced Persons te helpen bij terugkeer naar hun vaderland of met hun emigratie naar Palestina. In 1948 trouwe Jenny Rosenbaum met Esra Aloni. Oas in 1955 bezocht Jenny Aloni weer voor het eerst sinds 1935 haar geboortestad. Sinds 1957 leefde de familie Aloni in Ganei Yehuda bij Tel Aviv. Aloni schreef ook na haar emigratie voornamelijk in het Duits. Haar werk bestaat uit gedichten, romans, verhalen en dagboeken. Het is sterk autobiografisch van inslag. Aan de ene kant beschrijft het de eerste jaren van het Derde Rijk, later in Palestina ontstannd teksten over het nieuwe vaderland en de joodse identiteit.
Oh, Jerusalem
Oh, Jerusalem in den Bergen, ruhende Karawane kamelhöckriger Hügel, heilige Stadt des Friedens, immer wieder entweiht, immer wieder umkämpft, mit Gassen der Bitt- und Bußgänger; gepflastert mit Patronenhülsen und Scherben zerbrochener Hoffnungen, mit Kirchen, Moscheen und Synagogen neben Spelunken der Haschisch- und Opiumraucher, neben Klöstern und Häusern der Freude, neben fensterlosen Läden, in denen sie Weihrauch und Blut gefärbte Teppiche verkaufen. Wollen Sie eine Kerze, reines Wachs? Wollen Sie Haschisch, beste Qualität? Wollen Sie Anteil am Jenseits, garantiert echt? Wollen Sie die Freude einer Nacht? Auch eine Stunde wäre möglich. Versichern Sie Ihr Seelenheil. Lassen Sie uns für Sie beten, preiswert, für nur dreißig Dollar. Priester mit Käppchen auf Tonsur, Rabbi mit Käppchen über Schläfenlocken, Mulla mit rotem Fez. Lastträger und Würdenträger. Kutten züchtiger Nonnen neben nacktem Fleisch entblößter Arme und entblößter Blicke. Kerzen krümmen sich und träufeln Wachs in offene Mäuler von Mosaiklöwen. Du hast sie zertreten, die wächsernen Bitten der alten Frauen mit den in schwarzes Tuch gebundenen Köpfen. Du hast die letzte Hoffnung aus den Gesichtern gewischt. Du hast die Zettel in den Ritzen der Klagemauer zerrissen. Bettler sammeln Tränen in verbeulten Tassen, versprechen Anteil an künftigem Leben, Auferstehung aus den Gräbern am Ölberg, Aufsteigen zum Himmel wie Elias, Jesus und Mohammed. Münzen fallen in blecherne Schalen aus jungen und alten Händen. Aber die Mädchen und Burschen mit den blinkenden Augen und gebräunten Füßen in Zehsandalen verweigern lachend erbetene Gabe. Was kümmern sie morgen und Jenseits? Vor vergitterter Luke über dem Kidrontal, über Oliven und Absaloms Grab, über Geröll und dem Garten Gethsemane weben Spinnen ihr Netz.
Zeg my wat is tijdvervelen Waar zoo menig over klaagt? Wel u die t onwetend vraagt! t Is een pijnlijk zelfonstelen, t Slimste spook dat iemand plaagt.
t Is een ziekte, niet te heelen By die ze eenmaal met zich draagt Zweep, die elk in t ronde jaagt, In gedurig zielverkwelen; Adder, die de rust verknaagt:
Vrucht van leêge bekkeneelen Nooit van t spinrach uitgeraagd, Als, voor t zelfgevoel vertsaagd, t Hart aan bloote schimtafreelen Welzijn en vertrouwen waagt:
Onbestemd verlangen-telen Als de ziel zich-zelv mishaagt, Van verholen lust belaagd, Wreevlig om zijn lotbedeelen; Nevel, waar geen licht by daagt.
t Is Verbeeldings woelig spelen, (Maar, door werkloosheid vertraagd,) Zonder dat haar poging slaagt, Als zy t leed wel zoekt te streelen, Maar geen kwelling van ons vaagt.
Zalig, god, in Uw gareelen, (Gy, die in ons lot voorzaagt!) Als Gy onze zwakheid schraagt, En naar t Edelst der Juweelen t Zich mistroostend hart vergraagt!
De Nederlandse schrijfster Jessica Durlacher werd geboren in Amsterdam op 6 september 1961. Durlacher is getrouwd met schrijver Leon de Winter. Jessica Durlacher was, voordat ze debuteerde als schrijfster, criticus en columniste. Zij stelde verschillende literaire bloemlezingen samen en maakte deel uit van de redactie van het tijdschrift De Held. Haar vader is de auteur G.L. Durlacher (1928-1996), die een indrukwekkend autobiografisch oeuvre schreef over zijn herinneringen aan de holocaust. Voor haar romandebuut kreeg Jessica Durlacher de Debutantenprijs en Het Gouden Ezelsoor, ook werd het genomineerd voor de NS Publieksprijs. Ook verscheen het boek in het Duits en werd genomineerd voor de Literatuurprijs Nordrhein/Westfalen. Haar tweede roman De dochter, waarvan in Nederland rond de 175.000 exemplaren zijn verkocht, werd vertaald in Duitsland, Zweden en Italië.
Uit: Emoticon(2004)
Gelijktijdig stonden ze op, alsof de verandering van licht een teken was geweest, en begonnen langzaam en voorzichtig, als om elkaar niet te laten schrikken, net zoals vroeger in de richting van de trap naar de bovenverdieping te lopen. Boven kwamen ze langs oude, moderne schilderijen. Ester, die voorop liep, hield als vanzelf stil bij een vuilwit doek waar praktisch niets opstond dan wat uitsteeksels en marginale kleurverschillen. Achter zich hoorde ze Lolas voetstappen eveneens tot stilstand komen. Ze hoorden elkaar ademen dat was even het enige wat er bestond. Ester draaide zich om naar Lola. We zijn slechte goede vrienden, Lo, zei ze. Ik wens je zoveel geluk als je maar dragen kan. Lola lachte niet. Dat is best veel, geloof ik, zei ze. Heel even kneep ze in Esters arm. Er was genoeg gepraat. Wat nu verzwegen was, zou altijd ongezegd blijven.
De Amerikaanse schrijfster Jennifer Egan werd geboren in Chicago op 6 september 1962.Ze studeerde af aan San Francisco University High School voordat ze naar de Universiteit van Pennsylvania en St John's College ging. Egan is auteur van drie romans, The Keep, The Invisible Circus en Look at Me, dat finalist van voor de National Book Award, en een collectie van korte verhalen, Emerald City. Haar meest recente boek, The Keep (2006), ontving gunstige recensies van The New York Times Book Review. Ze heeft ook fictie gepubliceerd in The New Yorker,Harper's Magazine, Zoetrope: All-Story en in Ploughshares.
Uit: Look at Me
After the accident, I became less visible. I don't mean in the obvious sense that I went to fewer parties and retreated from general view. Or not just that. I mean that after the accident, I became more difficult to see.
In my memory, the accident has acquired a harsh, dazzling beauty: white sunlight, a slow loop through space like being on the Tilt-A-Whirl (always a favorite of mine), feeling my body move faster than, and counter to, the vehicle containing it. Then a bright, splintering crack as I burst through the windshield into the open air, bloody and frightened and uncomprehending.
The truth is that I don't remember anything. The accident happened at night during an August downpour on a deserted stretch of highway through corn and soybean fields, a few miles outside Rockford, Illinois, my hometown. I hit the brakes and my face collided with the windshield, knocking me out instantly. Thus I was spared the adventure of my car veering off the tollway into a cornfield, rolling several times, bursting into flame and ultimately exploding. The air bags didn't inflate; I could sue, of course, but since I wasn't wearing my seatbelt, it's probably a good thing they didn't inflate, or I might have been decapitated, adding injury to insult, you might say. The shatterproof windshield did indeed hold fast upon its impact with my head, so although I broke virtually every bone in my face, I have almost no visible scars.
Christoph Wieland, Margaretha Ferguson, Heimito von Doderer, Peter Winnen, Jos Vandeloo
Christoph Wieland (5 september 1733 - 20 januari 1813)
De Duitse dichter en schrijver Christoph MartinWieland werd geboren in Oberholzheim op 5 september 1733. Wieland streng piëtistisch opgevoed; hij leerde Latijn en ging in 1747 op internaat in Magdeburg. In 1749 verbleef hij een jaar in Erfurt, maar hij keerde in 1750 naar Zwaben terug, alwaar hij zich met zijn nicht, Sophie Gutermann, verloofde. Dit zou hem er voor het eerst toe hebben aangezet, gedichten te schrijven. Vervolgens studeerde hij nog twee jaar recht in Tübingen: tijdens die periode begon hij een grote productiviteit aan de dag te leggen. Hij schreef epen en oden, veelal in hexameters, duidelijk door de Messias van Klopstock beïnvloed. Deze gedichten wekten de interesse van Johann Jakob Bodmer: in 1752 nodigde Bodmer Wieland bij hem in Zürich uit. Rond 1760 kwam een drastische ommekeer in de opvattingen van Wieland, niet in het minst doordat hij geïnteresseerd raakte in de roman en de 'lichte' kunstvormen van het Rococo. Vanaf 1762 begon hij de stukken van Shakespeare naar het Duits te vertalen. In 1774 publiceerde hij, in afleveringen, de satire Die Abderiten, eine sehr wahrscheinliche Geschichte, die pas in 1780 voltooid was en in 1781 compleet gepubliceerd werd. Het is een ironische schildering van de antieke stadsstaat Abder, een provinciaal, kleinburgerlijk en geborneerd staatje, dat bevolkt wordt door dwaze, lichtgelovige mensen die hun eigen domheid niet inzien. De receptie van Wieland is sinds de Romantiek zeer slecht geweest. Pas na de WO II is zijn ironische gave gerehabiliteerd; men begrijpt hem nu als een belangrijk, pan-Europees exponent van een stroming waartoe ook Sterne behoorde en als de enige Duitse Rococo-auteur van betekenis.
Uit: Das Hexameron von Rosenhain
Ein junger Mann, der, statt seines wahren Namens, einstweilen von Falkenberg heißen mag, wurde auf einer Reise nach W. durch einen Zufall in dem kleinen Marktflecken Erlebach aufgehalten. Glücklicherweise für ihn traf sich's, daß der jährliche Markt, der eben an diesem Tage gehalten wurde, dem unbedeutenden Orte eine ziemliche Lebhaftigkeit gab, zumal die schöne Jahreszeit und das günstigste Wetter eine Menge Personen allerlei Standes und Gewerbes aus der ganzen Gegend herbeigezogen hatte. Falkenberg liebte diese Art von Volksfesten, wo ihm, unter allen Rollen, so dabei gespielt werden, die des bloßen Zuschauers die unterhaltendste deuchte. Er befand sich gerade in der heitern Unbefangenheit und Leerheit, worin man bereit ist, sich, wie Tristram Shandy, sogar mit einem Esel in ein Gespräch einzulassen oder den Bewegungen einer Schnecke zuzusehen. In dieser Stimmung war er eine gute Weile von einer Bude zur andern herumgeschlendert und hatte die Bemerkungen, wozu ihm das Glücksrad, der Marktschreier, der Marmottenjunge und die um sie her schwärmenden Volksgruppen Gelegenheit gaben, ziemlich bald erschöpft, als er in der Tür eines Kramladens eine junge Frauensperson gewahr wurde, deren Gestalt und Gesichtsbildung einen so auffallenden Abstich von den Gestalten und Gesichtern des sich hinzudrängenden Gesindels machte, daß er dem Verlangen nicht widerstehen konnte, sich näher mit ihr bekannt zu machen. Ihrem sehr einfachen Anzug nach, und weil er sie mit vieler Munterkeit beschäftigt sah, allerlei Waren, die ihr in Päckchen und Schachteln herabgelangt wurden, auf den Ladentisch auszulegen, glaubte er nicht zu irren, wenn er sie, trotz ihrer vornehmen Miene und der Grazie, die alle ihre Bewegungen begleitete, für die Eigentümerin des Kramladens ansah. Er näherte sich dem Tisch, und nachdem er sie, ohne Zutun seines Willens, mit mehr Ehrerbietung gegrüßt hatte, als eine Person ihres Standes von seinesgleichen erwarten konnte, wollte er die Bekanntschaft damit anfangen, daß er sich durch Einkauf einiger ihm sehr überflüssiger Artikel in Gunst bei ihr setzte, und erkundigte sich, im Ton eines Käufers, der nicht lange zu feilschen gesonnen ist, nach dem Preise.
Richard Wright, Antonin Artaud, François René de Chateaubriand, Constantijn Huygens, Helga Ruebsamen
Richard Wright, (4 september 1908 28 november 1960)
De Amerikaanse schrijver Richard Nathaniel Wright werd geboren in Roxie, Mississippi op 4 september 1908. In 1937 ging hij naar New York, waar hij uitgever van het communistische blad Daily Workers werd. In 1938 verscheen zijn eerste boek Uncle Tom's Children, een bundel verhalen over rascisme in de zuidelijke staten. In 1939 trouwde Wright met de blanke danseres Dhimah Rose Meadman; in 1940 ging het paar echter weer uit elkaar. In dat jaar verscheen ook de roman Native Son in een verminkte versie. Scenes over de sexuele fantasie van de zwarte hoofdpersoon Bigger Thomas over blanke vrouwen werden pas in een nieuwe oplage in 1993 gedrukt. Het boek was wel de eerste bestseller van een afro-amerikaanse schrijver. Binnen drie weken werden er meer dan tweehonderdduizend exemplaren van gedrukt. In 1941 werd een toneelversie van Native Son uitgevoerd in de regie van Orson Welles.
Uit: Uncle Tom's Children
My first lesson in how to live as a Negro came when I was quite small. We were living in Arkansas. Our house stood behind the railroad tracks. Its skimpy yard was paved with black cinders. Nothing green ever grew in that yard. The only touch of green we could see was far away, beyond the tracks, over where the white folks lived. But cinders were good enough for me and I never missed the green growing things. And, anyhow, cinders were fine weapons. You could always have a nice hot war with huge black cinders. AH you had to do was crouch behind the brick pillars of a house with your hands full of gritty ammunition. And the first woolly black head you saw pop out from behind another row of pillars was your target. You triedyour very best to knock it off. It was great fun.
I never fully realized the appalling disadvantages of a cinder environment till one day the gang to which I belonged found itself engaged in a war with the white boys who lived beyond the tracks. As usual we laid down our cinder barrage, thinking that this would wipe the white boys out. But they replied with a steady bombardment of broken bottles. We doubled our cinder barrage, but they hid behind trees, hedges, and the sloping embankments of their lawns. Having no such fortifications, we retreated to the brick pillars of our homes. During the retreat a broken milk bottle caught me behind the ear, opening a deep gash which bled profusely. The sight of blood pouring over my face completely demoralized our ranks. My fellow-combatants left me standing paralyzed in the center of the yard, and scurried for their homes. A kind neighbor saw me and rushed me to a doctor, who took three stitches in my neck.
De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Alison Lurie werd geboren op 3 september 1926 in Chicago, Illinois. Haar jeugd bracht zij door in White Plains. Zij bezocht het Radcliffe College in Cambridge (Massachusetts) waar zij in 1947 een graad haalde in Engels en geschiedenis. In 1948 trouwde zij met Jonathan Peale Bisshop met wie ze drie zonen kreeg. In 1985 kwam het tot een scheiding. Al gedurende haar jaren als huisvrouw publiceerde zij haar eerste romans. Zij werkte van 1969 tot 1998 als docente, en later als hoogleraar en buitengewoon hoogleraar voor Amerikaanse literatuur aan de Cornell University in Ithaca (New York). Tegenwoordig is zij getrouwd met de schrijver Edward Hower. Voor Foreign Affairs kreeg zij in 1984 de Pulitzer prijs.
Uit: Foreign Affairs
As I walked by myself
And talked to myself,
Myself said unto me,
Look to thyself,
Take care of thyself,
For nobody cares for thee.
Old Song
On a cold blowy February day a woman is boarding the ten a.m. flight to London, followed by an invisible dog. The womans name is Virginia Miner: she is fifty-four years old, small, plain, and unmarriedthe sort of person that no one ever notices, though she is an Ivy League college professor who has published several books and has a well-established reputation in the expanding field of childrens literature.
The dog that is trailing Vinnie, visible only to her imagination, is her familiar demon or demon familiar, known to her privately as Fido and representing self-pity. She visualizes him as a medium-sized dirty-white long-haired mutt, mainly Welsh terrier: sometimes trailing her silently, at other times whining and panting and nipping at her heels; when bolder, dashing round in circles trying to trip her up, or at least get her to stoop down so that he may rush at her, knock her to the ground, and cover her with sloppy kisses. Vinnie knows very well that Fido wants to get onto the plane with her, but she hopes to leave him behind, as she has successfully done on other trips abroad. Recent events, however, and the projected length of her stay, make this unlikely.
Vinnie is leaving today for six months in England on a foundation grant. There, under her professional name of V. A. Miner, she will continue her study of the folk-rhymes of schoolchildren. She has made this journey a number of times, and through a process of trial and error reduced its expense and discomfort to a minimum. She always chooses a daytime charter flight, preferring those on which no films are shown. If she could afford it, she would pay the regular fare so as to avoid boarding delays (she has already stood in various lines for nearly an hour); but that would be foolishly extravagant. Her grant is small, and she will have to watch expenses carefully as it is.
The Eastern Jew in his homeland knows nothing of the social injustice of the West; nothing of the habitual bias that governs the actions, decisions, and opinions of the average Western European; nothing of the narrowness of the Western perspective, jagged with factory smokestacks and framed by power plants; nothing of the sheer hatred that, like a life-prolonging (though lethal) drug, is so powerful that it is tended like a sort of Eternal Flame, at which these selfish people and nations warm themselves. The Eastern Jew looks to the West with a longing that it really doesn't merit. To the Eastern Jew, the West signifies freedom, justice, civilization, and the possibility to work and develop his talents. The West exports engineers, automobiles, books, and poems to the East. It sends propaganda soaps and hygiene, useful and elevating things, all of them beguiling and come-hitherish to the East. To the Eastern Jew, Germany, for example, remains the land of Goethe and Schiller, of the German poets, with whom every keen Jewish youth is far more conversant than our own swastika'd secondary school pupils. In the course of the War the Eastern Jew was lucky enough to come across the general who issued a high-sounding proclamation to the Polish Yidsdrafted for him by his press departmentnot that other general who never read a single work of literature but managed to lose the war, just the same.
De Deense schrijver Peter Adolphsen werd geboren op 1 september 1972 in Århus en groeide op in Aalborg, Wenen en Greenbay, Wisconsin. In Århus bezocht ij de toneelschool en in Kopenhagen de schrijversschool. Hij woonde enkele jaren in Spanje en studeerde daar filologie. Adolphsen debuteerde in 1991 als dichter in een door Poul Borum uitgegeven bloemlezing. Bekend werd hij door twee bundels verhalen (Små Historier), die in 1996 en 2000 verschenen. Van invloed op zijn werk zijn Kafka en de filmer Lars von Trier.
Uit: Brummstein (Vertaald door Hanns Grössel)
Josef ließ sich mit einem dumpfen Geräusch auf den schlammigen Boden fallen, das er nur spürte, nicht hörte. Während seine mit den Gehörorganen verbundenen Neuronen in ihren Ausgangszustand zurückfanden, versuchte er, sich die Töne einzuprägen, die sich in seinem Kopf im Kreise drehten. Er versuchte mitzusingen, obwohl er nicht hören konnte, dass er es tat. Als die Heultöne allmählich verebbten und sein Gehör zurückkehrte, beschloss er, niemand von dem wummernden Felsen zu erzählen. Vorläufig. Mit dem Geologenhammer schlug er ein Stück von dem Felsen ab. Ein Echo rikoschettierte ins Dunkel hinaus. Vorsichtig hielt er das Felsstück ans Ohr; es brummte nicht, zitterte aber ganz leicht, wie er im gleichen Moment bemerkte. Er steckte das rätselhafte Ding in die Tasche."
"Das wurde aber Zeit", war Betscharts einziger Kommentar, als Josef kurz darauf zurückkehrte. "Ich habe gesehen, was ich wollte", sagte Josef, und ohne noch groß miteinander zu sprechen, legten sie den langen Weg aus dem Hölloch hinaus zurück, rechneten die vereinbarten acht Schweizerfranken ab und gingen jeder seines Weges. Zurück im Hôtel des Grottes, legte Josef das walnussgroße grauschwarze Felsstück auf den Nachttisch und schlief ein. Etwas später kam Andrea von einem Spaziergang im Bödmerenwald zurück, sank auf den Bettrand nieder, bemerkte den Stein auf dem Nachttisch, nahm ihn in die Hand und spürte ein seltsames Kitzeln in den Fingerspitzen.
Blaise Cendrars (1 september 1887 21 januari 1961)
De Franstalige, Zwitserse dichter en schrijverBlaise Cendrars werd geboren op 1 september 1887 in La Chaux-de-Fonds, Neuchâtel.Hij maakte vele reizen, de hele wereld over en bezocht o.a. Rusland en China. Hij leidde het leven van een avonturier totdat hij in Bern medicijnen en filosofie ging studeren. In 1910 ging hij voor het eerst naar Parijs waar hij kennis maakte met mensen als met Guillaume Apollinaire, Marc Chagall, Robert en Sonia Delaunay, Fernand Léger, Amedeo Modigliani. Vanaf 1950 woonde Cendrars permanent in Parijs. Zijn gehele werk omvat zon veertig delen.
Trouées
Echappées sur la mer Chutes d'eau Arbres chevelus moussus Lourdes feuilles caoutchoutées luisantes Un vernis de soleil Une chaleur bien astiquée Reluisance Je n'écoute plus la conversation animée de mes amis qui se partagent les nouvelles que j'ai apportées de Paris Des deux côtés du train toute proche ou alors de l'autre côté de la vallée lointaine La forêt est là et me regarde et m'inquiète et m'attire comme le masque d'une momie Je regarde Pas l'ombre d'un il
Couchers de soleil
Tout le monde parle des couchers de soleil Tous les voyageurs sont d'accord pour parler des cou- chers de soleil dans les parages Il y a plein de bouquins où l'on ne décrit que les couchers de soleil Les couchers de soleil des tropiques Oui c'est vrai c'est splendide Mais je préfère de beaucoup les levers de soleil L'aube Je n'en rate pas une Je suis toujours sur le pont A poils Et je suis toujours le seul à les admirer Mais je ne vais pas décrire les aubes Je vais les garder pour moi seul
Een van de oorzaken waardoor de meeste leesboeken altijd over dezelfde dingen handelen, is de bezorgdheid van de auteurs dat iedereen zal kunnen begrijpen waar het over gaat. Vaktermen zijn uit den boze. Hele categorieën van bezigheden en beroepen zijn nooit in een roman beschreven, omdat het zonder vaktermen onmogelijk zou zijn de werkelijkheid te benaderen. Van andere beroepen: politie, dokters, cowboys, zeelui, spionnen, bestaan alleen de karikaturen die corresponderen met de waanvoorstellingen van de leken voor wie de lectuur is bestemd.
( )
Al vind ik dan geen meteoorkrater, ik kan niet beweren dat ik helemaal niets vind, al heeft wat ik vind met geologie niets te maken, al is het helemaal niet onder te brengen in de wetenschappen van aarde of kosmos. In geen enkele wetenschap voorlopig. Hier is sprake van een geval door Wittgenstein beschreven, waarin de manier waarop iemand ertoe gekomen is iets te begrijpen, verdwijnt in datgene dat hij begrepen heeft. Alsof je zou zeggen: dat heb ik begrepen nadat ik sterke koffie had gedronken. Maar de koffie heeft niets te maken met wat ik begrepen heb.
Ik dacht aan het jodenmopje met de langste baard dat ik ken... Schrik maar niet, het wordt geen parabel... Het mopje over Mozes die er zijn vrouw van verdenkt hem met Sam te bedriegen. Let op de originele keuze van de namen. Zijn buurman, een slimme goj, geeft hem de raad ongemerkt de twee te volgen. Nee, zoals beloofd maak ik er geen verhaaltje van, het is te stom... Enfin, het komt hierop neer dat hij zijn mooie Rachel in een stil laantje van het Stadspark in Samuels armen ziet vallen, hen volgt tot bij hun geheime pied à terre, op zijn tenen in het donker mee de trap op sluipt, hen door het sleutelgat beloert terwijl zij zich uitkleden...
De arme stakker, zei Miranda, en verder...?
Inderdaad, de arme stakker! Hij is zijn ganse leven met zijn twijfel blijven zitten. Op dat moment deed Sam het licht uit.
De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Hilbig werd geboren in Meuselwitz op 31 augustus 1941. Hilbig woonde en werkte jarenlang in Oost-Duitsland, alvorens hij zich in West-Duitsland vestigde. Tijdens zijn Oost-Duitse periode was hij in eerste instantie in verscheidene technische banen werkzaam, onder meer als stoker. Eind jaren zeventig gaf hij daar de brui aan en besloot zich geheel toe te leggen op het schrijven, in eerste instantie voornamelijk van gedichten. Uitgebracht werk in West-Duitsland deed hem een paar weken in voorarrest belanden en leverde hem een geldboete op omdat hij zich hiermee aan een deviezenmisdrijf zou hebben schuldig gemaakt. In 1985 wist hij een visum voor West-Duitsland te bemachtigen en verkaste naar dat land. In 1989 debuteerde Hilbig met zijn eerste roman, Eine Übertragung, die lovende kritieken ontving. In 1993 kwam Ich uit, een roman waarin vanuit het perspectief van een informant van de Stasi de laatste periode van de DDR wordt beschreven en waarmee hij de meeste bekendheid verwierf. Daarna verschenen nog een aantal andere werken, waaronder Das Provisorium (2000) dat autobiografisch is getint. Centraal in zijn boeken staat het dubbelleven als arbeider en schrijver in de DDR en de zoektocht naar individualiteit. Hij ontving tijdens zijn leven een heel scala aan prijzen, waaronder op het laatst - in 2002 - ook de gerenommeerde Georg-Büchner-Preis, de hoogste literatuurprijs van Duitsland. Wolfgang Hilbig overleed op 2 juni jongstleden aan kanker.
Blätter und Schatten
Nicht neu kann sein was du beginnst
denn immer nimmst du was dir längst gegeben
und gibst es hin:
wie in der Liebe da es mir gebricht
an jeder Kenntnis: rot wie die Buchen Laub verstreun
maßlos am Wegrand wo ich schon sehr frühe ging
und kannte nicht den Weg
und kenn ihn jetzt noch nicht
und kenne nicht das Kind des Schatten mir vorausläuft
und weiß nichts von der Sonne die ihr rotes Gold
dem Blattwerk einbrennt.
Und weiß nicht mehr den Herbst
der ernst in meinem Rücken ging und dem ich Schatten
war: stets neu entworfner Schatten ungezählter Herbste.
Berlin. Sublunar
Die Zeit ist wieder eingekehrt in Berlin
und die Hochstapler defilieren in der Oranienburger Straße
um Mitternacht gen Himmel deutend: die Zeit
ist retour aus dem Exil.
Die ganze Stadt in den Fesseln silbergrauer Magie
der Vollmond rollt: und wir die Marionetten seines Lichts
Unwirklichkeiten die uns glänzend informieren.
Wir und die Toten
über Schattengräben wandelnd
wir sprechen uns ein letztes Mal die Unsterblichkeit zu.
O dieser stark leuchtende Staub zwischen den Investruinen
und welcher April noch so kurz vor dem dritten Jahrtausend!
Wir wollen nicht mehr weiterzählen
die grünen Wasser in den alten Häusern brennen langsam ab.
Lîle Méditérranée
Wenn Weißdorn ausbricht in der Nacht die mein
Erleuchten ist dann träum ich plötzlich dort zu sein
auf jener Insel: doch der Traum ist dein
Auch mein Herz will die Insel deines Traums bewahren
dein Traum in meinem Traum: wie eine Insel in der Nacht
dein Tag in meiner Nacht des Weißdorns Düfte sind erwacht
mit einem Mal
und es ist Zeit für dich dorthin zu fahren
wo stärker noch die Düfte sind und helle Quellen im Gestein.
I believed from the beginning of remembered experience that I was somebody with an incalculable potential for enlargement, somebody who both knew and could find out, upon whom demands could be made with the expectation of having them fulfilled.
I felt at the same time, and pretty much constantly, that I was nothing in relation to Enormity, the Unknown, and the Unknowable. I was too vulnerable, too lacking in power, a thing of subtle reality, liable to be blown away without a moment's warning, a migrant with no meaning, no guide, no counsel, an entity in continuous transition, a growing thing whose stages of growth always went unnoticed, a fluid and flawed thing. Thus, there could be no extreme vanity in my recognition of myself, if in fact there could be any at all. I did frequently rejoice in the recognition, but I may have gotten that from some of the Protestant hyms I had heard, and knew, and had sung, such as Joy to the World. The simple fact was that if the song wasn't about me, I couldn't see how it could possibly be about anybody else, including the one I knew it was supposed to be about, and good luck to him, too.
Elizabethvon Arnim (31 augustus 1866 9 februari 1941)
De Engelse schrijfster Elizabeth von Arnim, nicht van Katherine Mansfield, werd op 31 augustus 1866 geboren in Kirribilli Point in de buurt van Sydney, Australië. Ze trouwde eerst met graaf von Arnim, met wie ze vijf kinderen had, en later met graaf Russell, broer van Bertrand. Haar eerste en meest succesvolle roman, Elizabeth en haar Duitse tuin (1898), is een sfeervol portret van de jaren die ze met haar eerste echtgenoot doorbracht op het landgoed van de familie in Pommeren. Daar creëerde en vereeuwigde ze de plek die haar zo na aan het hart stond haar tuin.
Uit: Elizabeth and Her German Garden
"'I enjoyed the winter immensely,' I persisted when they were a little quieter; 'I sleighed and skated, and then there were the children, and shelves and shelves full of---' I was going to say books, but stopped. Reading is an occupation for men; for women it is a reprehensible waste of time. And how could I talk to them of the happiness I felt when the sun shone on the snow, or of the deep delight of hoar-frost days?'"
Allons, ange déchu, ferme ton aile rose ; Ôte ta robe blanche et tes beaux rayons d'or ; Il faut, du haut des cieux où tendait ton essor, Filer comme une étoile, et tomber dans la prose.
Il faut que sur le sol ton pied d'oiseau se pose. Marche au lieu de voler : il n'est pas temps encor ; Renferme dans ton coeur l'harmonieux trésor ; Que ta harpe un moment se détende et repose.
Ô pauvre enfant du ciel, tu chanterais en vain Ils ne comprendraient pas ton langage divin ; À tes plus doux accords leur oreille est fermée !
Mais, avant de partir, mon bel ange à l'oeil bleu, Va trouver de ma part ma pâle bien-aimée, Et pose sur son front un long baiser d'adieu !
Sérénade
Sur le balcon où tu te penches Je veux monter... efforts perdus ! Il est trop haut, et tes mains blanches N'atteignent pas mes bras tendus.
Pour déjouer ta duègne avare, Jette un collier, un ruban d'or ; Ou des cordes de ta guitare Tresse une échelle, ou bien encor...
Ôte tes fleurs, défais ton peigne, Penche sur moi tes cheveux longs, Torrent de jais dont le flot baigne Ta jambe ronde et tes talons.
Aidé par cette échelle étrange, Légèrement je gravirai, Et jusqu'au ciel, sans être un ange, Dans les parfums je monterai !
Libue Moníková (30 augustus 1945 12 januari 1998)
De Duitstalige, Tsjechische schrijfster Libue Moníková werd geboren op 30 augustus 1945 in Praag. Daar studeerde zij tot 1968 germanistiek. Om politieke redenen emigreerde zij in 1971 naar de BRD. Daar werkte zij op verschillende plaatsen als docente. Vanaf 1981 woonde zij als zelfstandig schrijfster in Berlijn. Tot de schrijvers die van invloed waren op haar werk behoren Kafka, Borges en Arno Schmidt.
Uit: Lebendiges Feuer
Das einzige, was die Tochter nach dem Tod ihrer Mutter aus dem Konzentrationslager bekam, war ein Zahn. "Ich wollte dir eine Freude machen", sagte die Frau aus Ravensbrück, die ihn brachte, zu der sechzehnjährigen Jana. Dazu kamen Berichte, Zeugnisse von Mitgefangenen, die überlebt hatten, die Zeichnung einer Polin aus dem Lager. Aber erst der Zahn, "das Bruchstück ihres Lächelns", brachte der Tochter den unumstößlichen Beweis, daß ihre Mutter, Milena Jesenská, tot war.
Das letzte Mal, als Jana Cerná ihre Mutter gesehen hatte, war auf dem Flur der Gestapo in Prag im Sommer 1940. Mager, das Haar hing bis auf die Schultern, vorspringende Backenknochen und riesige blaue Augen. Sie erkannte sie erst an ihrem Hinken. Die Berichte der Frauen aus Ravensbrück verbanden sich mit früheren Erinnerungen von Freunden, Feinden, von Mitarbeiterinnen aus der Redaktion, mit eigenen Erfahrungen der Tochter. Aber ein klares Bild wollte sich nicht einstellen.
Ende der sechziger Jahre sollte ein mühsam erstellter Erinnerungsband von Jesenskás Freundin Jaroslava Vondrácková auf Umwegen in Kafkas deutschem Verlag publiziert werden. Nach Jahren Bedenkzeit hat der Verlag noch ein Gutachten eingeholt, das dem umfangreichen Manuskript attestierte: "Keine nennenswerte Bedeutung in bezug auf Kafka."
To Mrs. Saville, England St. Petersburgh, Dec. 11th, 17--
You will rejoice to hear that no disaster has accompanied the commencement of an enterprise which you have regarded with such evil forebodings. I arrived here yesterday; and my first task is to assure my dear sister of my welfare, and increasing confidence in the success of my undertaking.
I am already far north of London; and as I walk in the streets of Petersburgh, I feel a cold northern breeze play upon my cheeks, which braces my nerves, and fills me with delight. Do you understand this feeling? This breeze, which has travelled from the regions towards which I am advancing, gives me a foretaste of those icy climes. Inspirited by this wind of promise, my day dreams become more fervent and vivid. I try in vain to be persuaded that the pole is the seat of frost and desolation; it ever presents itself to my imagination as the region of beauty and delight. There, Margaret, the sun is for ever visible, its broad disk just skirting the horizon, and diffusing a perpetual splendour. There--for with your leave, my sister, I will put some trust in preceding navigators--there snow and frost are banished; and, sailing over a calm sea, we may be wafted to a land surpassing in wonders and in beauty every region hitherto discovered on the habitable globe. Its productions and features may be without example, as the phenomena of the heavenly bodies undoubtedly are in those undiscovered solitudes. What may not be expected in a country of eternal light? I may there discover the wondrous power which attracts the needle; and may regulate a thousand celestial observations, that require only this voyage to render their seeming eccentricities consistent for ever. I shall satiate my ardent curiosity with the sight of a part of the world never before visited, and may tread a land never before imprinted by the foot of man. These are my enticements, and they are sufficient to conquer all fear of danger or death, and to induce me to commence this laborious voyage with the joy a child feels when he embarks in a little boat, with his holiday mates, on an expedition of discovery up his native river. But, supposing all these conjectures to be false, you cannot contest the inestimable benefit which I shall confer on all mankind to the last generation, by discovering a passage near the pole to those countries, to reach which at present so many months are requisite; or by ascertaining the secret of the magnet, which, if at all possible, can only be effected by an undertaking such as mine.
De Tsjechische dichter Jiří Orten (eig.Jiří Ohrenstein) werd geboren op 30 augustus 1919 bij Kutná Hora. Hij studeerde vreemde talen en bezocht ook het conservatorium in Praag. Dat laatste was geen succes.In 1939 en 1940 werd hij wegens zijn joodse afkomt uitgesloten. Daarna publiceerde hij onder de namen Karel Jílek en Jiří Jakub. Hij nam deel aan dichtersavonden en aan het studententheater, waarbij hij ook als acteur optrad. Op zijn 22e verjaardag werd hij door een Duitse ziekenauto aangereden. Hij stierf twee dagen later.
At Night
The bread of prayer is begged bread.
And the night wind of humiliation wildy squeals.
You shine at each other only,
lights.
Requiem, pain-quieting,
the rain plays darkly on brows.
And one tone deeper, hunger,
cannot grasp the sacrifice, the vain, the most vain,
Hugo Brandt Corstius (Eindhoven, 29 augustus 1935)
De Nederlandse schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Zowel in de alfa- als in de bètawetenschappen heeft hij zijn sporen verdiend. Hij is onder andere, als columnist, bekend geworden onder zijn pseudoniemen Piet Grijs, Stoker en Battus. Brandt Corstius studeerde wiskunde te Amsterdam waar zijn interesse voor het nieuwe vakgebied informatica gewekt werd. Hij promoveerde in 1970 op een proefschrift over computertaalkunde en werkte aanvankelijk bij het Mathematisch Centrum in Amsterdam. Bij het grote publiek is hij vooral bekend vanwege zijn letterkundige kant, te weten: als columnist voor met name Vrij Nederland en de Volkskrant en als taalkundige en literatuurcriticus.
Uit: Eetgeenvlees
Als ik zeg dat ik zeker weet dat u van dieren houdt, dan bedoel ik helemaal niet alleen maar zon individuele huisgenoot met een eigen naam, een eigen verjaardag en een enkele slechte eigen gewoonte, zoals sterven vóórdat u het doet. Ik heb het niet over uw lapjeskat of uw langweiler, zelfs niet over uw parkietjes in hun vrolijke vogelkooitje, of uw konijntje of haasje of marmotje in zijn gezellig getraliede hokje. Nee, u houdt ook hartstochtelijk van olifanten en giraffen, die zo lekker groot zijn met hun neuzen en nekken. U kijkt graag naar zebras en vlinders met hun fantasierijke beschilderingen. U geniet van het gewaggel der pinguïns en het gefladder der zwaluwen. Misschien koopt u zelfs een onderwaterbril om octopus en schildpad naar elkaar te zien happen. Misschien staat u zondags vroeg op om met vrienden door verrekijkers meeuwen en leeuweriken te bewonderen, die zelf hoog in de lucht, en zonder verrekijkers, naar de grond kijken of daar misschien een lekkere vette worm of een mals muisje valt te vinden. [...] U geeft graag geld aan de dierenbescherming. U huivert als er in Groningen met een geweer een mus wordt doodgeschoten. U vindt het heel erg om te horen dat nog geen eeuw geleden melkboeren een trekhond onder hun melkkar vastbonden en dat arme beest de hele dag afbeulden. Die melkboeren hadden zichzelf moeten afbeulen. U vindt het heerlijk om met uw automobiel over een zesbaansweg te rijden waaronder een eenbaanstunneltje is gegraven voor das, eekhoorn en hermelijn.
De Engelse dichter Thomson (Thom) William Gunn werd geboren op 29 augustus 1929 in Gravesend, Kent. Beide ouders waren journalisten. Toen Gunn negen jaar was lieten zij zich scheiden. Zes jaar later pleegde zijn moeder zelfmoord. Tot 1953 studeerde Gunn literatuur in Cambridge. Sinds 1954 woonde hij in de VS en doceerde daar van 1958 tot 1966 en van 1973 tot 1990 aan de University of California (Berkeley). Samen met Philip Larkin en Kinsley Amis was hij mede-oprichter van The Movement. Hij was een van de belangrijkste Britse dichters uit de vorige eeuw. Gunn schreef meer dan dertig dichtbundels en andere boeken.
A Map of the City
I stand upon a hill and see A luminous country under me, Through which at two the drunk sailor must weave; The transient's pause, the sailor's leave.
I notice, looking down the hill, Arms braced upon a window sill; And on the web of fire escapes Move the potential, the grey shapes.
I hold the city here, complete; And every shape defined by light Is mine, or corresponds to mine, Some flickering or some steady shine.
This map is ground of my delight. Between the limits, night by night, I watch a malady's advance, I recognize my love of chance.
By the recurrent lights I see Endless potentiality, The crowded, broken, and unfinished! I would not have the risk diminished.
The Man with Night Sweats
I wake up cold, I who Prospered through dreams of heat Wake to their residue, Sweat, and a clinging sheet.
My flesh was its own shield: Where it was gashed, it healed.
I grew as I explored The body I could trust Even while I adored The risk that made robust,
A world of wonders in Each challenge to the skin.
I cannot but be sorry The given shield was cracked, My mind reduced to hurry, My flesh reduced and wrecked.
I have to change the bed, But catch myself instead
Stopped upright where I am Hugging my body to me As if to shield it from The pains that will go through me,
De Zwitserse schrijver Lukas Hartmann (eig. Hans-Rudolf Lehmann) werd geboren op 29 augustus 1944 in Bern. Hij studeerde muziek, germanistiek en psychologie. Hartmann schrijft voor zowel volwassenen en kinderen verhalen en romans.
Uit: Die Deutsche im Dorf
Vor vielen Jahren, als ich noch ein halbes Kind war, haben wir zu dritt einen Menschen in den Tod getrieben. Das hat mein Leben überschattet, ohne dass ich es wusste; geahnt habe ich es freilich schon lange. Erst im vergangenen November wurde mir klar, was damals, 1967, wirklich geschah. Die volle Wahrheit lässt sich nicht ergründen; wir setzen unsere Erinnerungen ohnehin aus Bruchstücken zusammen. Aber was ich inzwischen herausgefunden habe, verändert den Blick auf mich und meine damaligen Freunde in verstörender Weise.
Das Dorf, aus dem ich stamme, liegt im Hügelgebiet, am Rande des Emmentals, dort, wo die schrundige Landschaft allmählich sanfter wird. Der Dorfkern besteht aus wenigen Häusern, die sich auf einem Plateau zusammendrängen. An der Straßengabelung stehen die beiden größten Gebäude einander schräg gegenüber: das Schulhaus mit dem Türmchen und die Wirtschaft mit dem Ochsen auf dem Schild. Folgt man der Straße nach rechts bis zur Kurve, steht man vor dem kleinen, von einer Thujahecke eingefassten Friedhof, der beinahe ans Schulhaus grenzt; folgt man der Straße nach links, gelangt man zur Poststelle, danach zum Lebensmittelladen und zur Käserei, die zwischen Häusern mit Riegelfronten steht. Es war so, als ich ein Kind war, es ist noch heute so. Das jüngste Gebäude, jenseits des Friedhofs und zwei Steinwürfe vom Schulhaus entfernt, ist die kleine Villa am Eingang des Dorfs. Sie wurde ein paar Jahre vor meiner Geburt erbaut und galt als protzig. Ein Arzt aus dem nahe gelegenen Landstädtchen hatte geplant, darin den Ruhestand zu verbringen. Er starb kurz nach dem Einzug, und von da an wohnte in der Villa allein seine Witwe, Frau Stucki, eine gebürtige Deutsche.
Some people I know were telling me of a curious experience which they had recently; they put a collection of old and rejected household articles in their car and drove to a dump to dispose of them. While busy at the dump, they were accosted by a strange figure, a woman of tall and stately presence, wearing a paper crown and carrying a staff in her hand, who strode majestically through the avenues of ashes, tin cans, dishonoured wash-boilers and superannuated bathtubs, attended by a rabble of admiring children. This apparition hailed my friends in a strange, incoherent, but musical language, and her breath was richly perfumed with bay-rum, or it may have been lilac lotion; she was in fact as high as a kite and as mimsy as a borogrove. Having said her say, she strode off in queenly style, and she and her raffish crew were soon lost in the mazes of the dump... My theory is that this was Titania, the fairy queen, fallen upon evil days, but magnificent in ruin; or it may simply have been some rumdumb old bag with a sense of humour. In either case the matter is worth investigating.
De Nederlandse schrijver Arie Wilhelmus Pieter Moonen, beter bekend als A. Moonen (spreek uit: 'a-punt-moonen') werd geboren in Rotterdam op 28 augustus 1937.Na allerlei kortdurende werkkringen te hebben gehad, leefde hij lange tijd van een uitkering in Den Haag en later in Amsterdam. Moonen schreef voor het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures.
"Zalf voor de dood" was het boek waarmee Moonen had willen debuteren maar hij kon het pas in 1980 uitgebracht krijgen. Daarom was "Stadsgerechten" uit 1977 zijn eigenlijke debuut. Het betreft een autobiografische en verwarde weergave in de vorm van een dagboek van zijn kleinschalige leven waarin met name zijn aparte seksuele voorkeuren worden beschreven. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.
Uit: Waakvlamseks
Ik kon op een klapstoeltje aan een tafel plaatsnemen en kreeg aldra een glas cola te drinken. Eerst meende ik een lange smalle doos met kapotjes overhandigd te krijgen, doch bij inspectie bleek het een keurig verpakt gastendoekje met Safe Sex erop geborduurd te zijn. Verder werd ik nog een anuscondoom rijker gemaakt. Volgens een woordvoerder hadden de rondlopende personen drempelvrees om zich bij ons te voegen. Het begon te schemeren. Er werd een kleine dildo op tafel geplaatst om mij aan te leren hoe ook in het donker een kapotje over een stijve indringer gestroopt moest worden. Ik vertelde nog een vaste partner te hebben en dat wij nooit condooms gebruikten. Nadat ik de waakvlamafgezanten had verlaten, genoot ik in de ondertussen donkere koelte van wijds uitzicht over de kralingse plas. Thuis wachtten de vijf katten mij op. Precies als de rotterdamse pikonttreksters kon ik weer eens ongeneukt naar bed.
Langzaamaan kom ik dan eindelijk weer terug in mijn vakgebied op zondagavond de zevende september binnen tuinkamer. Een dag eerder was de vaste partner eindelijk verschenen. Ik werd platgeneukt, gebeten en gelikt. Onze samenvoeging speelde zich af terwijl bekant de ganse wereldbevolking via de buis gelegenheid geboden kreeg de begrafenis van hun mediamadonna te overkiekelen, om maar niet met hun eigen al of niet dagschotelachtige besognes geconfronteerd te hoeven worden.
De Amerikaanse schrijfster en dichteres Rita Frances Dove werd geboren op 28 augustus 1952 in Akron, Ohio. In 1987 ontving zij de Pulitzer prijs voor haar gedichtencyclus Thomas and Beulah. De inspiratie ervoor vond zij in het levensverhaal van haar grootouders. Die hadden in de eerste helft van de 20e eeuw de zuidelijke staten verlaten om in het noorden naar werk te zoeken. Van 1993 tot 1995 was Rita Dover Poet Laureate van de VS. Zij was zowel de jongste persoon aan wie die eer te beurt viel als ook de eerste persoon van afro-amerikaanse afkomst.
History
Everything's a metaphor, some wise guy said, and his woman nodded, wisely.
Why was this such a discovery to him? Why did history happen only on the outside?
She'd watched an embryo track an arc across her swollen belly from the inside and knew she'd best think knee, not tumor or burrowing mole, lest it emerge a monster.
Each craving marks the soul: splashed white upon a temple the dish of ice cream, coveted, broken in a wink, or the pickle duplicated just behind the ear.
Every wish will find its symbol, the woman thinks.
Adolescence II
Although it is night, I sit in the bathroom, waiting. Sweat prickles behind my knees, the baby-breasts are alert. Venetian blinds slice up the moon; the tiles quiver in pale strips.
Then they come, the three seal men with eyes as round As dinner plates and eyelashes like sharpened tines. They bring the scent of licorice. One sits in the washbowl,
One on the bathtub edge; one leans against the door. "Can you feel it yet?" they whisper. I don't know what to say, again. They chuckle,
Patting their sleek bodies with their hands. "Well, maybe next time." And they rise, Glittering like pools of ink under moonlight,
And vanish. I clutch at the ragged holes They leave behind, here at the edge of darkness.
Wie froh bin ich, daß ich weg bin! Bester Freund, was ist das Herz des Menschen! Dich zu verlassen, den ich so liebe, von dem ich unzertrennlich war, und froh zu sein! Ich weiß, du verzeihst mir's. Waren nicht meine übrigen Verbindungen recht ausgesucht vom Schicksal, um ein Herz wie das meine zu ängstigen? Die arme Leonore! Und doch war ich unschuldig. Konnt' ich dafür, daß, während die eigensinnigen Reize ihrer Schwester mir eine angenehme Unterhaltung verschafften, daß eine Leidenschaft in dem armen Herzen sich bildete? Und doch bin ich ganz unschuldig? Hab' ich nicht ihre Empfindungen genährt? Hab' ich mich nicht an den ganz wahren Ausdrücken der Natur, die uns so oft zu lachen machten, so wenig lächerlich sie waren, selbst ergetzt? Hab' ich nicht o was ist der Mensch, daß er über sich klagen darf! Ich will, lieber Freund, ich verspreche dir's, ich will mich bessern, will nicht mehr ein bißchen Übel, das uns das Schicksal vorlegt, wiederkäuen, wie ich's immer getan habe; ich will das Gegenwärtige genießen, und das Vergangene soll mir vergangen sein. Gewiß, du hast recht, Bester, der Schmerzen wären minder unter den Menschen, wenn sie nicht Gott weiß, warum sie so gemacht sind! mit so viel Emsigkeit der Einbildungskraft sich beschäftigten, die Erinnerungen des vergangenen Übels zurückzurufen, eher als eine gleichgültige Gegenwart zu ertragen.
Du bist so gut, meiner Mutter zu sagen, daß ich ihr Geschäft bestens betreiben und ihr ehstens Nachricht davon geben werde. Ich habe meine Tante gesprochen und bei weitem das böse Weib nicht gefunden, das man bei uns aus ihr macht. Sie ist eine muntere, heftige Frau von dem besten Herzen. Ich erklärte ihr meiner Mutter Beschwerden über den zurückgehaltenen Erbschaftsanteil; sie sagte mir ihre Gründe, Ursachen und die Bedingungen, unter welchen sie bereit wäre, alles herauszugeben, und mehr als wir verlangten kurz, ich mag jetzt nichts davon schreiben, sage meiner Mutter, es werde alles gut gehen. Und ich habe, mein Lieber, wieder bei diesem kleinen Geschäft gefunden, daß Mißverständnisse und Trägheit vielleicht mehr Irrungen in der Welt machen als List und Bosheit. Wenigstens sind die beiden letzteren gewiß seltener.
De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955.
Hemmerechts studeerde Germaanse filologie in Brussel en Leuven. In 1986 promoveerde zij op het proefschrift A Plausible Story and a Plausible Way of Telling It: A structuralist analysis of Jean Rhys's novels. Zij debuteerde in 1986 als schrijfster van fictie, met drie Engelstalige verhalen in de bundel First fictions, Introduction 9. Haar eerste novelle was Een zuil van zout uit 1987, waarvoor zij meteen de Prijs van de provincie Brabant ontving. In 1990 kreeg zij de Vlaamse driejaarlijkse Staatsprijs voor proza; vanuit Nederland volgden in 1993 een nominatie voor de AKO Literatuurprijs voor Kerst en andere liefdesverhalen en de eerste Frans Kellendonkprijs voor haar gehele oeuvre. In 1998 verscheen Taal zonder mij, een autobiografisch essay over Hemmerechts' overleden echtgenoot, de bekende Vlaamse dichter Herman de Coninck.
Hemmerechts schrijft romans, verhalen, reisverhalen en essays. Ook heeft zij een aantal scenario's geschreven voor korte films.
Uit: In mijn hoofd
Hij is mijn hoer. Ik bewaar hem in een doosje. Als ik zin heb, mag hij eruit. Ik wil zijn lichaam niet zien. Ik wil het zo min mogelijk voelen. Ik wil het niet laten genieten. Begrijp me niet verkeerd. Als het toevallig zou genieten, heb ik daartegen geen bezwaar, ik ben geen onmens. Integendeel. Ik zoen hem zelfs, niet omdat ik daartoe behoefte voel maar omdat hij dat lijkt te willen. Men zegt: hoeren zoenen niet. Ik zeg: waarom zouden ze niet zoenen, als ze beffen, afzuigen, neuken? De vraag is eerder: waarom zou je een hoer zoenen? Je streelt toch ook geen hoer. Een hoer bestaat om plezier te geven, niet te ontvangen. Daarvoor heeft een hoer alweer andere hoeren. Wil je een hoer zoenen, zoen hem/haar dan. Wil hij/zij jou zoenen en het stoort je niet, laat hem/haar begaan. Zo denk ik daarover. Mijn hoer vertelt zelfs veel. Hij spreekt over een vrouw die hij kent. Ik laat hem spreken, maar stel geen vragen. Ik wil zo weinig mogelijk vernemen over deze vrouw van wie hij zegt dat hij met haar hoopt te trouwen zodra dat mogelijk wordt, ze is nog altijd getrouwd met een man, een oudere, ziekelijke man. Vreemd toch hoe hij denkt dat dit me interesseert. Toch snoer ik hem niet de mond, met een kus bijvoorbeeld.Je kan heel goed mensen de mond snoeren met een kus, het is een veel efficiëntere methode dan met een prop of met een halsdoek. Je brengt je gezicht dicht bij dat van de andere, fluistert: ik hou van jou als je boos bent / als je geanimeerd praat / als je je opwindt, en plaatst vervolgens je lippen op die van de andere. Zo en niet anders wordt iemand de mond gesnoerd. (Nee, ook kan iemands mond worden gesnoerd door de persoon vast te binden op een stoel, benen aan een stoelpoot, armen achter de leuning, en door vervolgens de neus van de vastgebondene dicht te knijpen zodat hij/zij gedwongen wordt zijn/haar mond te openen. Allerlei voorwerpen en/of lichaamsdelen kunnen dan naar binnen worden geschoven. Er zou dringend een lijst moeten worden opgesteld van alles wat een lichaam in en uit kan.
Cecil Scott Forester (27 augustus 1899 2 april 1966)
De Engelse schrijver Cecil Scott Forester (pseudoniem van Cecil Lewis Troughton Smith) werd geboren in Cairo, Egypte, op 27 augustus 1899. Hij verwierf faam met zijn serie boeken rond Horatio Hornblower en met zijn roman The African Queen. Forester was de zoon van een in Egypte voor het ministerie van onderwijs werkzame ambtenaar. In 1901 vertrok zijn moeder met de vijf kinderen naar Engeland, waar hij zijn scholing ontving. Een medische studie brak hij af om zich geheel aan het schrijverschap te kunnen wijden. Zijn carrière kwam slechts langzaam op gang. Aanvankelijk schreef hij enkele romans en biografieën. Voor de roman Payment Deferred uit 1926 kreeg hij goede kritieken. Het werd bewerkt voor toneel in 1931 en verfilmd in 1932, met in de hoofdrol Charles Laughton.
Zijn reputatie nam toe met de publicatie van Death to the French in 1932 en The Gun in 1933. In 1935 verscheen de klassiek geworden roman The African Queen, in 1951 succesvol verfilmd door John Huston, met hoofdrollen voor Humphrey Bogart en Katherine Hepburn.
In 1937 verscheen The Happy Return, het eerste boek uit de serie rond Horatio Hornblower. De verhalen over Hornblowers carrière en over het leven op zee tijdens de Napoleontische oorlogen bezorgden Forester grote faam, die tot op de dag van vandaag voortduurt. In de jaren 90 werd een televisieserie gemaakt op basis van de boeken.
Uit: The African Queen
The damp heat of the African forest seemed to be intensified with the coming of the night, which closed in upon them while they prayed. The hands which Rose clasped together were wet as though dipped in water, and she could feel the streams of sweat running down beneath her clothes as she knelt, and forming two little pools at the backs of her bent knees. It was this sensation which helped most to reconcile RoseÌs conscience to the absence, in this her approaching middle age, of her corset Ûa garment without which, so she had always been taught, no woman of the age of fourteen and upwards ever appeared in public. A corset, in fact, was quite an impossibility in Central Africa, although Rose had resolutely put aside, as promptings of the evil one, all the thoughts she had occasionally found forming in her mind of wearing no underclothing at all beneath her white drill frock.
Under the stress of this wet heat that notion even returned at this solemn moment of prayer, but Rose spurned it and bent her mind once more with anguished intensity to the prayer which Samuel was offering in his feeble voice and with his halting utterance. Samuel prayed for heavenly guidance in the ordering of their lives, and for the forgiveness of their sins. Then, as he began to utter his customary petition for the blessing of God upon the mission, his voice faltered more and more.
De Kathedraal antwoordt (a capella, door La Esterella)
allez - wie dat er daar is hallo - zegt dat 't niet waar is
na jaren & jaren & jaren & jaren & jaren dat ik hier wind en sneeuw en zon heb staan vergaren dat ik met vlag en pluim en wimpel heb staan zwaaien met mijn kantelen en mijn klokken heb staan draaien al jaren & jaren & jaren & jaren & jaren uw attentie & verlangen heb proberen vangen mijn repertoir' en mijne nikkel heb af staan draaien met concêrs van beiaard & gezangen & fanfaren na jaren & jaren & jaren & jaren & jaren
amaai - nu komt er 1 gedichtje amaai - nu zie ik uw gezichtje
maar ik zên zo blâ zo blâ zo blâ zo blâ zo blâ ik zên van â en gâ van mâ van mâ van mâ van mâ van mâ
(mijn jeugdig onbezonnen tjsoepke) (mijn stevig geformeerd betonnen poepke) (mijn ferm geblokt en opgeschoten sjoeke) (mijn uit de kluiten goed gewassen piezeloeke)
en toch:
ochââârm - het zal niet mogen zijn ochââârm - het is alleen maar schijn
want tussen u en mij? daar ligt dus wel 1 plein en een paar eeuwen tussen nooit zullen gij en ik mekaar zelfs kunnen kussen wij moeten ons met één gedachte leren sussen: ooit zal de wereld wel vergaan ooit zullen wij niet langer staan ooit vallen gij en ik op onze sjokkedeizen en kunnen wij malkander met vermengend stof & gruis voor eeuwig onze liefde carrément en kuis bewijzen
tot zo lang kan er mij geen andere bekeren of bekoren al zijn we dan geboren en gezworen alletwee een toren al zijn we dan van steen en staan we ver uiteen ik wacht op u ik smacht naar u per saecula saeculorum: vaneen en toch bijeen nog jaren & jaren & jaren & jaren & jaren vaneen en toch bijeen vaneen en toch bijeen vaneen en toch bijeen (herhalen en wegfaden)
Uit: Goodbye to Berlin (Vertaald door Willem van Toorn)
Vandaag was ik vroeg in de avond in de Bülowstrasse. Er was een grote nazi-bijeenkomst geweest in het Sportpalast en er kwamen net groepen jongens en mannen naar buiten met hun bruine en zwarte uniformen aan. Voor me op het trottoir liepen drie SA-mannen. Ze droegen alle drie een nazivlag over hun schouder als een geweer, het doek stijf om de stok gerold - de vlaggenstokken hadden scherpe metalen spitsen, als pijlpunten. Plotseling stonden de drie mannen tegenover een jongen van een jaar of zeventien, achttien met burgerkleren aan, die zich in tegengestelde richting voorthaastte. Ik hoorde een van de nazi's schreeuwen: "Dat is hem!" en meteen wierpen ze zich alledrie op de jongen. Hij slaakte een kreet en probeerde weg te komen, maar ze waren hem te vlug af. In minder dan geen tijd hadden ze hem in de schaduw van een huisingang gedrongen en stonden ze over hem heen gebogen; ze trapten en staken op hem in met de scherpe metalen spitsen van hun vlaggen. Dat gebeurde allemaal zo ongelooflijk snel dat ik mijn ogen nauwelijks kon geloven - de SA-mannen hadden hun slachtoffer al laten liggen en baanden zich een weg door de menigte; ze renden naar de trap van de luchtspoorweg. Inmiddels stonden er tientallen mensen te kijken. Ze leken verrast, maar niet bijzonder geschokt - dat soort dingen gebeurde tegenwoordig te vaak. "Allerhand ..", mompelden ze. Een meter of twintig verderop, op de hoek van de Potsdamer Strasse, stond een groep zwaarbewapende politieagenten. Met hun borst vooruit en hun handen aan hun knuppels waren ze veel te groot om aandacht aan het voorval te schenken "
Joachim Zelter (Freiburg im Breisgau, 26 augustus 1962)
De Duitse schrijver Joachim Zelter werd geboren in Freiburg im Breisgau op 26 augustus 1962. Hij studeerde Engels en politieke wetenschappen in Tübingen. Na zijn promotie in 1993 doceerde hij o.a. aan de Yale University en aan de universiteit van Tübingen. Toen hij vierendertig was besloot hij schrijver te worden. Na verschillende afwijzingen verschenen zijn eerste boeken "Briefe aus Amerika" en "Die Würde des Lügens" bij de kleine uitgeverij Ithaka. Sinds 1997 is hij zelfstandig schrijver. Zijn verhalend proza wordt gekenmerkt door een neiging naar de satire en het tragikomische.
Uit: Schule der Arbeitslosen"
»Graben Sie!« Auf einer Schubkarre liegen Spaten und Spitzhacken. Trainer Fest ließ sie
aus einem Container holen. »Graben Sie weiter!« Die erste Schulstunde des ersten Schultags
hatte kaum begonnen, da ist ihr Trainer aufgestanden und hat APOLLO aus dem Klassenzimmer
geführt. »Schnell. Schneller.« Sie gelangten über den Schulhof zum Haupttor, das sich wie von selbst öffnete, hinaus auf die Düsseldorfer Straße, auf der sie in Zweierreihen gingen. Sie wurden von hupenden Autos überholt. So als wäre ihre Anwesenheit auf dieser Straße ganz verfehlt. Es erinnerte an das Bild eines unmotivierten Schulausflugs.
Und wie bei einem Schulausflug fühlten sie sich auch, ein Schulausflug zu Beginn eines langen Schuljahrs: ein letztes Durchatmen und Vertreten der Beine vor langen, arbeitsreichen Monaten. Selbst das Wetter fügte sich in dieses Bild, an einem der letzten warmen Tage des Jahres. Sie liefen fast ausgelassen in kleinen Unterhaltungen Unterhaltungen über die Schulzeit, über Schulausflüge, über Lehrer und erste Berufe, über die sie sprachen wie über die erste Liebe ...
Am Ende der Düsseldorfer Straße kamen sie zu einem Stück Wiese, auf der ein Container
steht, den Fest öffnete, um eine schwer beladene Schubkarre in ihre Mitte zu schieben. Er bedeutete jedem, sich Spaten oder Spitzhacke zu nehmen. Mit einer Schnur legte er einen Umriss über die Wiese. »Graben Sie!«
Die Trainees stehen unbeholfen, wissen kaum, wie Spaten und Spitzhacke zu handhaben
sind. Fest zeigt es ihnen. »Graben Sie! Graben Sie weiter! Graben Sie tiefer!« Sie
stehen gebückt, können Spaten und Hacken kaum heben, lassen ihr Werkzeug mehr auf
den Boden fallen als damit ernsthaft Erde zu lösen. Nur Fest ist es, der wirklich in die
Tiefe hackt. Jede seiner Bewegungen ist eine Demonstration: Wie man hackt.
Joachim Zelter (Freiburg im Breisgau, 26 augustus 1962)
De Duitse dichter en schrijver Jürgen Kross werd geboren op 26 augustus 1937 in Hirschberg. Hij woont tegenwoordig in Mainz waar hij een boekhandel bezit. Het leeuwendeel van zijn literaire werk bestaat uit gedichten, maar hij schrijft ook verhalen, korte toneelstukken en hoorspelen.
Werk o.a.: Höllenglut (2002), fremdgut (2004), schneelicht (2005), zufluchten (2007)
der sonne wo. stehst du für licht
ein. daß es die fernen beleuchte. endlich auch über dich hin.
De Duitse schrijver Ludwig Aurbacher werd geboren op 26 augustus 1784 in Türkheim, Schwaben. Zijn bekendste werk is de verzameling verhalen die in 1827 1829 anoniem verschenen onder de titel Ein Volksbüchlein. Vooral de verhalen over de Sieben Schwaben werden populair.
Uit: Wie die sieben Schwaben nach Augsburg kommen und sich allda Waffen holen
Als man zählte nach Christi Geburt eintausend und etliche hundert Jahr, da begab sich's, daß die sieben Schwaben in die weltberühmte Stadt Augsburg einzogen; und sie gingen sogleich zu dem geschicktesten Meister allda, um sich Waffen machen zu lassen; denn sie gedachten das Ungeheuer zu erlegen, welches zur selbigen Zeit in der Gegend des Bodensees übel hauste und das ganze Schwabenland in Furcht und Schrecken setzte. Der Meister führte sie in seine Waffenkammer, wo sich jeder einen Spieß oder sonst was auswählen konnte, was ihm anstand. »Bygost!« sagte der Allgäuer, »sind das auch Spieße? So einer wär mir just recht zu einem Zahnstürer. Meister, nehmt für mich nur gleich einen Wiesbaum von sieben Mannslängen.« »Potz Blitz,« sagte der Blitzschwab, »Allgäuer, progle prahle. dich nicht allzusehr.« Der Allgäuer sah den mit grimmigen Augen an, als wollte er ihn damit durchbohren. »Eigentlich hast du recht, Männle!« sagte der Blitzschwab und streichelte ihm den Kautzen; und ich merke deine Meinung,« sagte er: » Wie alle Sieben für Einen, so für alle Sieben nur Einen.« Der Allgäuer verstand ihn nicht, sagte aber: »Ja!« und den andern war's auch recht. Und so ward denn ein Spieß von sieben Mannslängen bestellt, und in einer Stunde war er fertig. Ehe sie aber die Werkstatt verließen, kaufte sich jeder noch etwas Apartes, der Knöpfleschwab einen Bratspieß, der Allgäuer einen Sturmhut mit einer Feder darauf, der Gelbfüßler Sporen für seine Stiefel sie seien nicht nur gut zum Reiten, sagte er, sondern auch zum Hintenausschlagen.
De Duitse schrijver Walter Helmut Fritz werd geboren op 26 augustus 1929 in Karlsruhe, maar groeide op in Waldprechtsweier (Schwarzwald), Rastatt en Karlsruhe. Tot 1954 studeerde hij literatuurwetenschap, filosofie en moderne talen in Heidelberg. Daarna werd hij docent. Sinds 1964 is hij zelfstandig schrijver. Hij schrijft romans, essays, maar toch vooral poëzie. Hij ontving er o.a. de Georg Trakl prijs voor.
Ich nehme dich wahr
Ich nehme dich wahr in der brennenden Frühe, die sich niederläßt in der Stadt und da und dort zu Gladiolen wird.
Ich nehme dich wahr in den Bewegungen des Raums, der sich neu zu stufen beginnt, sobald das Licht der Nacht zuwiderhandelt.
Ich nehme dich wahr in den Ferien von Linien, die dabei entstehen, unsichtbar, zwischen den Dingen.
Ich nehme dich deutlich wahr
Weil du die Tage
Weil du die Tage zu Schiffen machst, die ihre Richtung kennen.
Weil dein Körper lachen kann.
Weil dein Schweigen Stufen hat.
Weil ein Jahr die Form deines Gesichts annimmt.
Weil ich durch dich verstehe, daß es Anwesenheit gibt,
De Sloveense schrijverBoris Pahor werd geboren in Triëst op 26 augustus 1913. Pahor ging school aan het gymnasium in Koper en aan het seminarie in Gorica, waar hij twee jaar lang theologie studeerde. In 1940 werd hij gemobiliseerd en nam deel aan de veldtocht in Libië. Korte tijd later was hij werkzaam als tolk voor de Italianen, ingezet bij de verhoren van gevangen Joegoslavische partizanen in Bogliaco. Na de ineenstorting van het Italiaanse fascisme sloot hij zich bij het Sloveense Bevrijdingsfront (Sloveens: Osvobodilna fronta) aan. In januari 1944 werd hij opgepakt, waarna zijn lijdensweg begon in het Italiaanse concentratiekamp Risiera di San Saba en zijn weg vervolgde via het Franse kamp Natzweiler-Struthof naar de Duitse concentratiekampen Bergen-Belsen en Dachau. Pahor overleefde en keerde terug naar Triëst. Hij liet ook het naoorlogse Joegoslavië niet ongemoeid; in zijn lijftijdschrift Zaliv verschenen keer op keer kritische opstellen. Boris Pahor verwerkt zijn ervaringen in heel zijn werk. Zijn boek Nekropola droeg bij aan de oprichting van het Europese centrum voor gedeporteerde verzetsstrijders (bij Natzweiler-Struthof in Frankrijk).
Uit een recensie over Nekropolis in DIE ZEIT, 34/2001:
Eine der ersten Szenen, die Pahor sich vergegenwärtigt, gilt einer abendlichen Prozedur im Lager. Einer nach dem anderen steigen die Häftlinge in der Schlafbaracke auf eine Pritsche. Sie schieben die Hose hinunter, das Hemd bis zum Nabel hinauf und lassen im Schein einer Glühbirne das rasierte Geschlecht daraufhin inspizieren, ob in den Spitzen der nachwachsenden Haare Lausnissen kleben. Im Zentrum des Bildes und seiner Beschreibung befindet sich "der beleuchtete Penis", wie alle anderen Körperteile und Organe gezeichnet vom Verfall.
Der Autor nähert sich der Szene von außen, in einer Art Kamerabewegung. Er zeigt das Gruppenbild, geht dann immer näher an den Unterleib eines Untersuchten heran. Er bedient sich, nicht nur an dieser, sondern an dutzend anderen Stellen seines Buches, der Sichtweise jenes Mediums, des Films, das in der Fähigkeit zu schockieren und zu dokumentieren ein besonderes Prestige besitzt. Zugleich aber bezweifelt Pahor den Zusammenhang von Abbildungsdirektheit und Erinnerungswahrheit: "Es ist fast besser, dass es keinen solchen Film gibt, weil die dürren Wesen mit dem nackten Schritt heute manch einem wie eine Schar dressierter Hunde erscheinen könnten, die der Herr leicht dazu abrichten konnte, einander - aufrecht mit den Hinterbeinen auf der Pritsche stehend - das Schambein zu beriechen." Gerade das direkte Bild kann die Entwürdigung vertiefen. Denn es folgt der Fantasie der Täter, die dieses Bild gleichsam "erfunden" haben. Ebenjene Abhängigkeit der Abbildung sprengt Boris Pahor im Verlauf der folgenden Textseiten. Er stellt dem Dokumentationsprinzip und seinem verstrickten Naturalismus ein anderes, das lyrische Prinzip der Metaphernkette gegenüber.
De Duitse schrijver Joachim Helfer werd geboren in Bonn op 26 augustus 1964. Hij groeide op in het Hessische Schwalbach. Helfer studeerde Engels in Hamburg. Na reizen door Europa, Afrika en de VS vestigde hij zich als zelfstandig schrijver in 1990 in Hamburg. Hij ontving diverse prijzen, waaronder in 2000 de Irmgard-Heilmann-Preis.
Werk o.a: Du Idiot (1994), Cohn & König (1998), Nicht Himmel, nicht Meer (2002), Nicht zu zweit. Drei Novellen (2005)
Uit: Nicht Himmel, nicht Meer
An der Sonne schien es mir für März zu warm zu sein, und Silvio hatte auf dem Heimweg von der Schule außer Schneeglöckchen und den Scheinwerfern eines ohne Kennzeichen an den Straßenrand gestellten Wartburgs auch ein Gewächs zertreten, das sonst bis zum Wochenende die Osterferien eingeläutet hätte. Daß mich mein Vater aber mit der Ankündigung bei den Garagen abfing, er wolle mit mir zum Baden fahren, war trotz allem übertrieben. Bei Tagesanbruch hatte er sein Rad hervorgeholt und es zwischen den neuen Autos der Nachbarn auf den Sattel gestellt; jetzt waren Kette, Ritzel, Naben geölt und die Speichen der alten Mühle blitzblank geschmirgelt, und wenn er das Hinterrad sirrend auf Hochtouren brachte, tanzten die Frühlingsstrahlen darin. Mir wurde kalt ums Herz, als ich ihn so sah: in der hellblauen Jacke, in der er früher morgens als erster aus dem Haus gegangen und oft erst spätabends vom Dienst heimgekommen war, die nun aber verschmiert und ausgebeult an ihm herabhing. Eine Kindheit lang hätte ich es genossen, ihm beim Werkeln zuzusehen, wenn er einmal Zeit für mich gehabt hätte, die ewige Sonntagsgemütlichkeit jedoch, die er seit Monaten Tag für Tag zelebrierte, fand ich längst nicht mehr lustig. Also maulte ich etwas von "Mathe lernen" und setzte, da meine Laune schon die nächste Wende nahm, fröhlich hinzu: "Falls du inzwischen den Überblick verloren hast, heute ist Montag!" Und übernächstes Jahr um diese Zeit mache ich Abi!' konnte ich mir gerade noch verkneifen - aber zu spät: Mein armer Vater richtete sich auf und schlug mir, was er noch nie getan hatte, mit der Hand ins Gesicht, daß mein Kopf nur so davonflog und gegen ein Garagentor krachte und dann brauste und rauschte, als kreisten einander speisende Wasserfälle darin.
Guy Manod decided to wake up when Ronald and Etienne agreed to listen to Jelly Roll Morton; opening one eye he decided that the back outlined in the light of the green candles must belong to Gregorovious. He shuddered, the green candles seen from a bed made a bad impression on him, the rain on the skylight was strangely mixed with the remnants of his dream-images, he had been dreaming about an absurdly sunny place, where Gaby was walking around nude and feeding crumbs to a group of stupid pigeons the size of ducks. "I have a headache," Guy said to himself. He was not in the least interested in Jelly Roll Morton although it was amusing to hear the rain on the skylight as Jelly Roll sang: "Stood on a corner, an' she was soakin' wet..." Wong would certainly have come up with a theory about real and poetic time, but was it true that Wong had mentioned making coffee? Gaby feeding the pigeons crumbs and Wong, the voice of Wong going in between Gaby's nude legs in a garden with brightly colored flowers, saying: "A secret I learned in the casino at Menton." Quite possible, after all, that Wong would appear with a pot full of coffee.
Jelly Roll was at the piano beating the time softly with his foot for lack of a better rhythm section. Jelly Roll could sing "Mamie's Blues" rocking a little, staring up at some decoration on the ceiling, or it was a fly that came and went or a spot that came and went in Jelly Roll's eyes. "Eleven twenty-four took my baby away-ay..." That's what life had been, trains bringing people and taking them away while you stood on the corner with wet feet, listening to a nickleodeon and laughing and cussing out the yellow windows of the saloon where you didn't always have enough money to go in.
Le poète Le Christ n'est donc venu qu'en vain parmi les hommes Si des fleuves de sang limitent les royaumes Et même de l'Amour on sait la cruauté C'est pourquoi faut au moins penser à la Beauté Seule chose ici-bas qui jamais n'est mauvaise Elle porte cent noms dans la langue française Grâce Vertu Courage Honneur et ce n'est là Que la même Beauté
Paris
J'ai vu Paris dans l'ombre Hypogée où l'on riait trop Paris une grande améthyste Ces soldats belges en troupe Vieilles femmes habillées en Perrette Après le pot-au-lait L'officier-pilote raconte ses exploits J'ai entendu la berloque
Mais quel sourire celui de celui qui eut sursis d'appel illimité Ombre de la statue de Shakespeare sur le Boulevard Haussmann Laideur des costumes civils des hommes qui ne sont pas partis Les peintres travaillaient Mon cur t'adore
De Engelse schrijver Martin Amis werd geboren op 25 augustus 1949 in Cardiff, South Wales. Hij is de zoon van de schrijver Kingsley Amis. Martin Amis werd vooral bekend door zijn tweede roman Dead Babies uit 1975. De titel van het boek veroorzaakte zoveel opschudding en afkeer dat de uitgeverij de titel veranderde voor de paperback versie in Dark Secrets. Zijn werk wordt dan ook gekenmerkt door moreel en mentaal geweld. Dit heeft hij gemeen met de schrijversgeneratie uit de jaren vijftig, the Angry Young Men. Amis experimenteert graag: met vorm, stijl, maar ook inhoud. Hij gebruikt Amerikaans Engels, straat-Engels en dialecten van verschillende minderheidsgroepen in zijn romans.
Uit: Yellow Dog
The couple stood embracing in a high-ceilinged hallway. Now the husband with a movement of the arm caused his keys to sound in their pocket. His half-conscious intention was to signal an ?.impatience to be out. Xan would not publicly agree, but women naturally like to prolong routine departures. It is the obverse of their fondness for keeping people waiting. Men shouldn't mind this. Being kept waiting is a moderate reparation for their five million years in power . . . Now Xan sighed softly as the stairs above him softly creaked. A complex figure was descending, normal up to the waist, but two-headed and four-armed: Meo's baby daughter, Sophie, cleaving to the side of her Brazilian nanny, Imaculada. Behind them, at a distance both dreamy and self-sufficient, loomed the four-year-old: Billie. Russia took the baby and said, 'Would you like a lovely yoghurt for your tea?' 'No!' said the baby. 'Would you like a bath with all your floaty toys?' 'No!' said the baby, and yawned: the first lower teeth like twin grains of rice. 'Billie. Do the monkeys for Daddy.' 'There were too many monkeys jumping on the bed. One fell down and broke his head. They took him to the doctor and the doctor said: No more monkeys jumping on the BED.' Xan Meo gave his elder daughter due praise. Daddy'll read to you when he comes back,' said Russia.
De Duitse schrijver Maxim Biller werd geboren op 25 augustus 1960 in Praag. Biller is kind van joods-Russische ouders die in 1970 naar Duitsland emigreerden. Hij studeerde in Hamburg en München literatuur en journalistiek en schreef o.a. voor Der Spiegel en Die Zeit. Zijn romans en verhalen werden in verschillende talen vertaald. Biller debuteerde in 1990 met de verhalenbundel Wenn ich einmal reich und tot bin.
Uit: Sieben Versuche zu lieben
Das erste Mal saßen sie im Kindergarten in der Slavíkova nebeneinander beim Essen und zeigten sich unter dem Tisch ihre kleinen Geheimnisse. Sie mußte nur ein bisschen ihre Beine öffnen, er knöpfte seine Hose auf. Im Kindergarten war es immer ziemlich dunkel, und sie sahen nicht viel. Nach dem Mittagessen zogen alle Kinder in den großen Schlafraum. Jirka ging langsam hinter Alena her und war traurig, daß sein Bett nicht neben ihrem stand. Danach spielten sie zusammen, daran konnte er sich noch erinnern, aber er wusste nicht mehr, was sie spielten. Als sie von ihren Eltern abgeholt wurden, sagten sie sich nicht auf Wiedersehen. Sie schauten weg, und am nächsten Tag redeten sie nicht miteinander. Ein paar Tage später kniff Alena sich selbst so lange in den Unterarm, bis er feuerrot war. Sie schrie vor Schmerz, und als sie in den Armen der Kindergärtnerin lag, sagte sie weinend, das sei Jirka gewesen.
Alena und Jirka waren Kinder von Vinohrady. Es war ihnen damals egal, aber später dachten sie beide oft daran. Er wohnte mit seinen Eltern in der Mánesova, oben am Platz, wo die große viereckige Kirche mit der durchsichtigen Uhr stand. Wenn das Fenster in seinem Zimmer offen war, hörte er die Straßenbahnen, die auf der Vinohradská fuhren. Sie wohnte in der Chopinova. Sie musste nur die Chopinova überqueren, schon war sie im Park. Dort sahen sie sich oft, und kurz bevor seine und ihre Familie 68 in den Westen flüchteten, traf er sie auf der Seite des Parks, von der man auf die Stadt heruntersehen konnte.
Jeder Abschied ist betäubend. Man denkt und empfindet weniger, als man glaubte: die Thätigkeit in die unsre Seele sich auf ihre eigne weitere Laufbahn wirft, überwindet die Empfindbarkeit über das, was man verläßt, und wenn insonderheit der Abschied lange dauret: so wird er so ermüdend, als im Kaufmann zu London. Nur denn aber erstlich siehet man, wie man Situationen hätte nutzen können, die man nicht genutzt hat: und so hatte ich mir jetzt schön sagen: ei! wenn du die Bibliothek beßer genutzt hättest? wenn du in jedem, das dir oblag, dir zum Vergnügen, ein System entworfen hättest? in der Geschichte einzelner Reiche Gott! wie nutzbar, wenn es Hauptbeschäftigung gewesen wäre! in der Mathematik wie unendlich fruchtbar, von da aus, aus jedem Theile derselben, gründlich übersehen, und mit den reellsten Kän[n]tnißen begründet, auf die Wißenschaften hinauszusehen! in der Physik und Naturgeschichte wie, wenn das Studium mit Büchern, Kupferstichen und Beispielen, so aufgeklärt wäre, als ich sie hätte haben können und die Französische Sprache mit alle diesem verbunden und zum Hauptzwecke gemacht! und von da aus also die Henaults, die Vellys, die Montesquieu, die Voltaire, die St. Marcs, die La Combe, die Coyers, die St. Reals, die Duclos, die Linguets und selbst die Hume's französisch studirt: von da aus, die Buffons, die D'Alemberts, die Maupertuis, die La Caille, die Eulers, die Kästners, die Newtone, die Keile, die Mariette, die Toricelli, die Nollets studirt; und endlich die Originalgeister des Ausdrucks, die Crebillons, die Sevigne, die Moliere; die Ninons, die Voltaire, Beaumelle u. s. w. hinzu gethan das wäre seine Laufbahn, seine Situation genutzt, und ihrer würdig geworden!
De Nederlands-Zwitserse schrijver, tekstschrijver, componist, zanger en pianist Drs. P (eig. Heinz Hermann Polzer werd geboren in het Zwitserse Thun op24 augustus 1919 als zoon van een Nederlandse moeder en een Oostenrijkse vader. In zijn derde levensjaar, na de scheiding van zijn ouders, verhuisde hij met zijn moeder naar Nederland. Hoewel hij vrijwel zijn hele leven in Nederland heeft gewoond, en hij 'tot in de haarvaten' verweven is met de Nederlandse taal, heeft Polzer altijd zijn Zwitserse nationaliteit aangehouden. De artiestennaam Drs. P, bedacht door Willem Duys, verwijst naar de academische graad van doctorandus (afgekort: drs.) in de economie, die Polzer aan de Nederlandse Economische Hogeschool (nu Erasmus Universiteit) behaalde. Drs. P publiceerde talrijke dichtbundels en boeken over het 'dichten', over reclame en over reizen. Hij introduceerde de versvorm ollekebolleke in Nederland, een licht aangepaste variant van de Amerikaanse higgledy piggledy.
Ware juweeltjes van Liefhebberijtoneel Voor het geachte Romeinse publiek!
Ank
Eens kende ik een meisje, en haar voornaam luidde Ank Ze woonde heel gerieflijk, ze werkte op een bank Haar uiterlijk was goed verzorgd, haar silhouet was rank Haar tierenheid was goeder en haar moedigheid was lank Toen kwam ze in contact met de gewoontedrinker Hank Nu is ze uitgezakt en ze verspreidt een scherpe stank Geen doel meer in het leven en geen brood meer op de plank En mensen, dat komt alles ongetwijfeld van de drank
Horloges lopen achter en athleten lopen mank En Groenevelt is rood maar het Oranjehuis is blank Mijn buur houdt honden uit de slaap met klagelijk gejank Een Duitser wordt malade en een Fransman voelt zich krank Gazellen worden moddervet en varkens worden slank Een vlieg lijdt soms aan kanker maar een vlieger heeft geen kank Een panter is vaak pienter maar een pienk is nooit eens pank En mensen, dat komt alles ongetwijfeld door de drank
Ik drink niet voor de aardigheid, dat zeg ik vrij en frank Ik drink wel voor het middaguur, en tegen wil en dank Ik wiegel en ik waggel en ik zwijmel en ik zwank Van havenkroeg naar dorpscafe, van Brest naar Wildervank De tranen stromen langs mijn wang en daarna langs mijn flank Ik zie geen sprankje hoop meer, ja niet eens een hoopje sprank En uit mijn geelkat komt nog slechts een kloeierige brank En dat komt ongedrankeld van de twijf
De Engelse komiek, schrijver, acteur en presentator Stephen John Fry werd geboren in Londen op 24 augustus 1957. Fry studeerde aan het Queens College in Cambridge. Hij woont tegenwoordig in Norfolk en New York City. Hij heeft veel samengewerkt met Hugh Laurie.
In 2006 maakte Stephen Fry de tweedelige BBC-documentaire "Stephen Fry - The Secret Life of the Manic Depressive", waarin hij uit de kast komt als lijder aan een bipolaire stoornis, ook wel manisch-depressieve stoornis genoemd. Hij interviewt bekende en minder bekende mensen die dezelfde ziekte hebben en vertelt over zijn extreme stemmingen aan de hand van voorbeelden uit zijn eigen leven. Hoe het begon toen hij een jaar of zeventien was met een manische periode en hoe hij pas op zijn zevenendertigste, naar aanleiding van een zware depressie, uiteindelijk bij de juiste arts terechtkwam waar hij te horen kreeg wat de diagnose was.
Uit: Revenge
Anyway, a couple of hours after this "distressing scene," Pete knocked on my door with a cup of tea. Precision, Portia, precision-he knocked on my door with his knuckles, but you know what I mean. I thought he was going to give me grief, but in fact-well no in fact he did give me grief. That is exactly and literally what he gave me. He had just had a phone call from America. Apparently Pete's brother, my uncle Leo, had a heart attack in New York last night and was dead by the time an ambulance arrived. Too grim. Uncle Leo's wife Rose died of ovarian cancer in January and now he's gone, too. He was forty-eight. Forty-eight and dead from a heart attack. So my poor cousin Gordon is coming over to England to stay with us. He was the one who had to call the ambulance and everything. Imagine seeing your own father die in front of you. He's the only child, too. He must be in a terrible state, poor thing. I hope he'll like it with us. I think he was brought up quite orthodox, so what he'll make of family life here, I can't imagine. Our idea of kosher is a bacon bagel. I've never met him. I've always pictured him as having a black beard, which is insane of course, since he's about our age. Seventeen going on eighteen, that kind of thing.
Luister, Peter Hajo, zei de schipper. Als je moeder geen bezwaren heeft, meld je dan morgen bij schipper Blok in de Jeroensteeg en zeg hem dat je overmorgen met de Hoornse Zon meegaat naar Texel, waar de Nieuw-Hoorn op goede wind wacht.
Jawel, schipper...!! Het klonk als een juichkreet. En met zijn roetknuisten veegde Hajo haastig over het gezicht, dat straalde van onmetelijk geluk... en blonk van tranenvocht.
Doe dat niet, raadde Bontekoe. Je zult er helemaal als een Moriaan gaan uitzien.
Hajo trok snel zijn vuisten weg. Schipper ik zal altijd...
Daar twijfel ik niet aan, Peter Hajo. Kwajongens zijn goed voor de wal; op een Oostinjevaarder hebben we mannen nodig. Als je moeder geen bezwaren maakt, sta je van morgen af op mijn monsterrol. Denk er om dat van de bemanning van de Nieuw-Hoorn geen kwaad woord gezegd mag kunnen worden, en dat in de grote mast een vlag wappert die we tegenover de hele wereld moeten hooghouden. Verstaan?
Verstaan, schipper... Verdikkoppe, dat kwam er kranig uit!
En toen een groot ogenblik: schipper Bontekoe, gezagvoerder van de Nieuw-Hoorn, stak de scheepsjongen Peter Hajo de hand toe. Hajo voelde het door al zijn leden trillen. De hand van zijn schipper!
Bij de voordeur, in de gang, wachtte hem de jongen die vanmiddag in zijn bijt had gevist. Ik heet Rolf, zei die. We moeten maar goeie vrienden worden, want aan boord is mijn oom niet mijn oom, maar de schipper, en ik scheepsjongen, dat snap je!
Ben je dan niet nijdig op me? stamelde Hajo.
Nijdig?? vroeg Rolf. En zijn gezicht stond ernstig als altijd toen hij er op liet volgen: Dacht je dan dat ik er jou in had laten vissen als 't mijn bijt was geweest?
In the early nineteenth century (the period that interests us) the vast cotton plantations on the riverbanks were worked from sunup to sundown by Negro slaves. They slept in wooden cabins on dirt floors. Apart from the mother-child relationship, kinship was conventional and murky; the slaves had given names, but not always surname. They did not know how to read. Their soft falsetto voices sang an English of drawn-out vowels, They worked in rows, stooped under the overseer's lash. They would try to escape, and men with full beards would leap astride beautiful horses to hunt them down with baying dogs.
Onto an alluvium of beastlike hopefulness and African fear there had sifted the words of the Scripture; their faith, therefore, was Christian. Go down, Moses, they would sing, low and in unison. The Mississippi served them as a magnificent image of the sordid Jordan.
The owners of that hard-worked land and those bands of Negroes were idlers, greedy gentlemen with long hair who lived in wide-fronted mansions that looked out upon the river--their porches always pseudo-Greek with columns made of soft white pine. Good slaves cost a thousand dollars, but they didn't last long. Some were so ungrateful as to sicken and die. A man had to get the most he could out of such uncertain investments. That was why the slaves were in the fields from sunup to sundown; that was why the fields were made to yield up their cotton or tobacco or sugarcane every year. The female soil, worn and haggard from bearing that impatient culture's get, was left barren within a few years, and a formless, clayey desert crept into the plantations.
Wart's ab. Insgesamt schickte ich Kunstetter etwa zwanzig Lobeshymnen. Ich philosophierte in seine banale Zeilenschinderei alle möglichen Tiefsinnigkeiten hinein, ich pries seine albernen Kalauer als stilistische Finessen, ich zitierte wörtlich seine Formulierungen, mit Vorliebe die dümmsten. Als ich ganz sicher war, daß meine täglichen Begeisterungsausbrüche zu einem festen, unentbehrlichen Bestandteil seines Lebens geworden waren, bekam er den ersten, leise enttäuschten Brief: "Sie wissen, wie sehr ich die Meisterwerke Ihrer Feder bewundere", schrieb ich. "Aber gerade das Ausmaß meiner Bewunderung berechtigt - nein, verpflichtet mich, Ihnen zu sagen, daß Ihre letzten Artikel nicht ganz auf dem gewohnten Niveau waren. Ich bitte Sie inständig: nehmen Sie sich zusammen!" Eine Woche später kam der nächste, schon etwas deutlichere Aufschrei: "Um Himmels willen, was ist geschehen? Sind Sie ein andrer geworden? Sind Sie krank und lassen Sie einen Ersatzmann unter Ihrem Namen schreiben? Was ist los mit Ihnen?!" Kunstetters Feuilletons wurden um diese Zeit immer länger, immer blumiger, immer ausgefeilter. Er machte übermenschliche Anstrengungen, um sich wieder in meine Gunst zu schreiben. Vergebens. Gestern bekam er den Abschiedsbrief: "Kunstetter! Es tut mir leid, aber nach Ihrem heutigen Artikel ist es aus zwischen uns. Auch der beste Wille des verehrungsvollsten Lesers hat seine Grenzen. Mit gleicher Post bestelle ich mein Abonnement ab. Leben Sie wohl..." Und das war das Ende.? Jossele zündete sich eine Zigarette an, wobei ein diabolisches Grinsen ganz kurz über sein Gesicht huschte. Mich schauderte. Kleine, kalte Schweißperlen traten mir auf die Stirn. Ich muß gestehen, daß ich mich vor Jossele zu fürchten begann. Und ich frage mich, warum ich ihn eigentlich erfunden habe.
De Duitse dichter Theobald Hock werd geboren op 23 augustus 1573 in Limbach/Pfalz-Zweibrücken. Hij heeft slechts een enkel literair werk nagelaten, de in 1601 gedrukte gedichtenverzameling Schönes Blumenfeld. De literatuurwetnschap plaatste hem doorgaans tussen humanisme en barok. Belangrijker is echter dat hij temidden van al het neolatijn dat in zijn tijd geschreven werd de poging ondernam om gedichten in het Duits te schrijven.
Von Art der Deutschen Poeterey (fragment)
Die Deutschen haben ein b'sonder Art und Weise Dass sie der fremden Völker Sprach mit Fleisse Lernen und wöllen erfahrn Kein Müh nicht spar'n In ihren Jahren.
Wie solches den ist an ihm selbs' hoch z'loben Drauss man ihr Geschicklichkeit gar wol kan proben Wenn sie nur auch ihr eigene Sprachen Nit unwerth machen Durch solche Sachen.
Den ander Nationen also b'scheide Ihr Sprach vor ändern loben und preisen weidte Manch Reimen drin dichten So künstlich schlichten Und z'sammen richten.
De Roemeense essayist, filosoof, kunsthistoricus en politicus Andrei Gabriel Pleşu werd geboren op 23 augustus 1948 in Boekarest. Na zijn promotie werd hij eerst docent aan de Academie voor Schone Kunsten in Boekarest. In 1982 moest hij Roemenië om politieke redenen verlaten. Na zijn terugkeer in 1989 werd hij verbannen naar het dorp Tescani vanwege zijn contacten met de dichter Mircea Dinescu. Na de revolutie was hij tot 1991 minister van cultuur. Daarna werd hij hoogleraar godsdienstfilosofie. Van 1997 tot 1999 was hij de partijloze minister van Buitenlandse Zaken, waarbij hij toenadering tot het westen zocht. Voor zijn literaire en politieke activiteiten ontving Pleşu tal van onderscheidingen.
Uit: Deutsche, bekennt Euch zu Eurer Sprache!
Der Anspruch auf eine gute Verwendung der Sprache richtet sich vor allem an die Menschen und Institutionen, für die das Sprechen ein Beruf ist: an die Presse in allen ihren Varianten, die Schule auf all ihren Ebenen, an die Schriftsteller und Politiker. Aus dieser Ecke werden gültige und taugliche Kriterien für einen Lebensstil und ein menschenwürdiges Zusammenleben erwartet. Der Parlamentarier, der eine Rede hält, übermittelt nicht nur eine politische Botschaft, konterkariert nicht nur die Meinung eines Gegners - er bietet seiner Zuhörerschaft eine "manière d'être" an, ein gewisses Verhaltens-Design, ein globales Gefühl der öffentlichen Ordnung und Werte.
"Was würdest du als erstes tun,wenn man dich mit den Regierungsgeschäften beauftragen würde?", wurde einmal Konfuzius gefragt. Die Antwort lautete folgendermaßen: "Das Wesentliche ist, die Dinge korrekt zu benennen. Wenn die Bezeichnungen nicht korrekt sind, passen die Wörter nicht mehr. Wenn die Wörter nicht mehr passen, gehen die Staatsgeschäfte schlecht. Wenn die Staatsgeschäfte schlecht gehen, können auch Rituale und Musik nicht gedeihen. Wenn Rituale und Musik nicht gedeihen können, sind Urteile und Strafen nicht länger gerecht. Wenn Urteile nicht mehr gerecht sind, weiß das Volk nicht mehr, wie es sich verhalten soll."...
De Engelse dichter en schrijver William Ernest Henley werd geboren op 23 augustus 1849 in Gloucester. Als kind kreeg hij tbc en moest er een van zijn voeten geamputeerd worden. Wegens zijn verblijf in het sanatorium dat twintig maanden duurde begon hij gedichten te schrijven. In 1874 leerde hij Robert Louis Stevenson. Zij raakten bevriend en samen schreven ze vier theaterstukken die tegenwoordig bijna vergeten zijn. Ook publiceerde Henley verschillende dichtbundels: A Book of Verses (1888), The Song of the Sword (1892), London Voluntaries (1893), Collected Poems (1898), Hawthorn and Lavender (1901) en In Hospital (1903). Zijn gedicht Pro rege nostro was met name tijdens WO I zeer geliefd.
Pro rege nostro
WHAT have I done for you, England, my England? What is there I would not do, England, my own? With your glorious eyes austere, As the Lord were walking near, Whispering terrible things and dear As the Song on your bugles blown, England-- Round the world on your bugles blown!
Where shall the watchful sun, England, my England, Match the master-work you've done, England, my own? When shall he rejoice agen Such a breed of mighty men As come forward, one to ten, To the Song on your bugles blown, England-- Down the years on your bugles blown?
Ever the faith endures, England, my England:-- 'Take and break us: we are yours, England, my own! Life is good, and joy runs high Between English earth and sky: Death is death; but we shall die To the Song on your bugles blown, England-- To the stars on your bugles blown!'
They call you proud and hard, England, my England: You with worlds to watch and ward, England, my own! You whose mail'd hand keeps the keys Of such teeming destinies, You could know nor dread nor ease Were the Song on your bugles blown, England, Round the Pit on your bugles blown!
Mother of Ships whose might, England, my England, Is the fierce old Sea's delight, England, my own, Chosen daughter of the Lord, Spouse-in-Chief of the ancient Sword, There 's the menace of the Word In the Song on your bugles blown, England-- Out of heaven on your bugles blown!
Edgar Lee Masters (23 augustus 1868 5 maart 1950)
De Amerikaanse dichter Edgar Lee Masters werd geboren op 23 augustus 1868 in Garnett, Kansas. Hij werd advocaat, waarbij hij vaak als verdediger van de armen optrad. Vanaf 1914 kreeg hij steeds meer bekendheid als dichter, toen hij onder het pseudoniem Webster Ford begon te publiceren. Zijn gedichten verschenen aanvankelijk in Reedy's Mirror en werden in 1915 verzameld in Spoon River Anthology. Hierin brengen de doden vanop 'het kerkhof op de heuvel' details uit hun leven naar voor. De fictieve stad Spoon River werd genaamd naar de rivier die dichtbij zijn huis stroomde. Deze vernieuwende aanpak werd gekleurd door Masters' herinneringen uit zijn kinderjaren aan voormalige inwoners van Lewistown en Petersburg, Illinois.
Nicholas Bindle
Were you not ashamed, fellow citizens, When my estate was probated and everyone knew How small a fortune I left?-- You who hounded me in life, To give, give, give to the churches, to the poor, To the village!--me who had already given much. And think you not I did not know That the pipe-organ, which I gave to the church, Played its christening songs when Deacon Rhodes, Who broke and all but ruined me, Worshipped for the first time after his acquittal?
Alfonso Churchill
They laughed at me as "Prof. Moon," As a boy in Spoon River, born with the thirst Of knowing about the stars. They jeered when I spoke of the lunar mountains, And the thrilling heat and cold, And the ebon valleys by silver peaks, And Spica quadrillions of miles away, And the littleness of man. But now that my grave is honored, friends, Let it not be because I taught The lore of the stars in Knox College, But rather for this: that through the stars I preached the greatness of man, Who is none the less a part of the scheme of things For the distance of Spica or the Spiral Nebulae; Nor any the less a part of the question Of what the drama means.
Hij sloeg het portier achter zich dicht. Hij liep van de weg af het bos in. Hij moest even zoeken, voor hij het pad gevonden had. Toen liep hij vlugger door. Hij zag in het donker de stammen van de bomen, die langs het pad stonden. Hij liep maar door. Het werd lichter en hij liep maar door en toen het steeds lichter werd, zag hij, dat de bomen met hem mee liepen. ( ... ) hij zag, dat het bos in de verte ophield. Hij zag het omgeploegde roggeveld van Albert. Ineens bleef hij stilstaan. De bomen stonden om hem heen. Aart zei: Zo is het. Hij riep: Zo is het! Hij schreeuwde: Zo is het! Jullie allemaal! Zo is het! de bomen bewogen zachtjes. Zo is het, hè? vroeg Aart.
De Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar Willem Arondéus werd op 22 augustus 1894 in Naarden geboren.Hij groeide op in Amsterdam. Op dertienjarige leeftijd werd hij toegelaten tot de Quellinusschool, de latere Rietveld Academie, waar hij zich toelegde op het decoratief schilderen. Hij kwam met andere kunstenaars in aanraking en raakte goed bevriend met de dichter Adriaan Roland Holst. In 1923 kreeg hij de opdracht een wandschildering te maken in het stadhuis van Rotterdam. Dat betekende een doorbraak als beeldend kunstenaar. Algemeen wordt in dit werk de invloed gezien van de beeldend kunstenaar Richard Roland Holst, een man die hij bewonderde en die hem beïnvloedde.Voor het gedicht 'De Stervende' van zijn andere steun en inspiratiebron Adriaan Roland Holst maakt hij een gravure.
Omstreeks 1935 wendde hij zich af van de beeldende kunst en wijdde hij zich aan het schrijven. In 1938 debuteerde hij met de roman Het uilenhuis. Zijn volgende roman In de Bloeiende Ramenas kreeg evenals de eerste een redelijk goede ontvangst, al waren er kritische geluiden over zijn stijl. In 1939 verscheen zijn eerste kunsthistorische boek, een biografie van Matthijs Maris. Arondéus was een bijzondere en eigenzinnige Noord-Hollander die dwars tegen de tijdgeest in al rond 1914, op twintigjarige leeftijd, openlijk voor zijn homoseksualiteit uitkwam. Toen in de loop van 1941 Arondéus boek over de monumentale schilderkunst in Nederland werd gepubliceerd, bevond hij zich al midden in het verzetswerk. Hij falsificeerde met Willem Sandberg en Gerrit van der Veen persoonsbewijzen en schreef de Brandarisbrieven. In deze brieven signaleerde hij gevallen van culturele collaboratie en riep hij op tot verzet als de bezetter het vrije kunstleven bedreigde zoals met de oprichting van de Kultuurkamer. Hij werd opgepakt en met een aantal vrienden uit het verzet na een schijnproces ter dood veroordeeld. In de gevangenis schreef in zijn afscheidsbrief:
Het is zoo licht om heen te gaan; er is geen enkele droefheid meer of angst; als je eenmaal zóó dicht bij den dood gekomen bent als wij nu zijn, dan verliest het alle verschrikking. Er is alleen nog maar verwondering omdat het zoo licht is om in liefde van het leven te scheiden, zoo blij is om wat je achterlaat zonder bitterheid te kunnen gedenken. Ik heb veel verbittering gekend, maar dat is alles voorbij. Het is goed en mooi geweest.
Georges de Scudéry (22 augustus 1601 14 mei 1667)
De Franse dichter en schrijverGeorges de Scudéry werd geboren op 22 augustus 1601 in Le Havre. Hij diende een tijd in het leger, maar rond zijn dertigste vatte hij liefde op voor de literatuur en rond het midden van de zeventiende eeuw was hij een prominente figuur in Parijs. Zijn verzet tegen Corneille leverde hem de gunst op van Richelieu. Van de verschillende tragikomedies en pastorelen is alleen L'Amour tyrannique aan de vergetelheid ontsnapt.Toch kan een zeker poëtisch talent hem niet ontzegd worden.
L'automne
Ô Saison bienfaisante, aimable et douce Automne, Toi que le Soleil voit d'un regard tempéré ; Toi qui par les présents, que ta faveur nous donne, Fais arriver un bien, qu'on a tant espéré.
Ce riche amas de fruits, dont ton front se couronne, Rend par tous nos Hameaux, ton Autel révéré ; L'Abondance te suit ; le Plaisir t'environne ; Mais un plaisir tranquille, aussi bien qu'assuré.
Bacchus te suit partout ; et Cérès t'accompagne ; Les Côteaux élevés, et la vaste Campagne, Leurs raisins et leurs blés, te montrent tour à tour :
Chacun dans l'Univers, a le fruit de ses peines ; Moi seul, hélas moi seul, abusé par l'Amour, N'ai qu'un espoir trompeur, et des promesses vaines.
Mit einem Schlage war es Frühling. Auf der abgestorbenen Ulme im Hof sang eine frühe Drossel, die Spatzen verschwanden mit ellenlangen Strohhalmen hinter der Dachrinne, und in den Schaufenstern der Papierhandlungen waren rotgelbe Triesel und stumpf glänzende Murmeln zu sehen. Vater stand jetzt wieder früher auf, und wir gingen morgens immer in den Tiergarten, wo wir uns auf eine Bank in der Sonne setzten und dösten oder uns Geschichten erzählten, in denen Leute vorkamen, die Arbeit hatten und jeden Tag satt wurden. War die Sonne mal weg, oder es regnete, gingen wir in den Zoo. Wir kamen umsonst rein; Vater war mit dem Mann an der Kasse befreundet. Am häufigsten gingen wir zu den Affen; wir nahmen ihnen meist, wenn niemand hinsah, die Erdnüsse weg; die Affen hatten genug zu essen, sie hatten bestimmt viel mehr als wir. Manche Affen kannten uns schon; ein Gibbon war da, der reichte uns jedesmal alles, was er an Eßbarem hatte, durch das Gitter. Nahmen wir es ihm ab, klatschte er über dem Kopf in seine langen Hände, fletschte die Zähne und torkelte wie betrunken im Käfig umher. Wir dachten zuerst, er machte sich über uns lustig; aber allmählich kamen wir dahinter, er verstellte sich nur, er wollte uns der Peinlichkeit des Almosenempfanges entheben.
De Duitse schrijfster Irmtraud Morgner werd geboren op 22 augustus 1933 in Chemnitz. Na wat prozawerk in de stijl van het socialistische realisme kwam in 1968 voor haar de doorbraak bij het lezerspubliek van de DDR met de roman Hochzeit in Konstantinopel. De mix van fantasie en realistische beschrijving van het alledaagse leven vanuit feministisch perspectief zou haar handelsmerk worden. Met de romans die er op volgden zoals Leben und Abenteuer der Trobadora Beatriz en Amanda vierde zij vanaf 1974 ook grote successen in de BRD.
Uit: Die wundersamen Reisen Gustavs des Weltfahrers (1972)
Mein Vater starb, als ich noch ein Kind war. Er hinterließ mir weder Besitz noch Geld, sondern Talent. Damit bewarb ich mich, als ich das vierzehnte Lebensjahr vollendet hatte, repräsentiert durch meinen Rechtsvertreter Emil Hädler, bei der Königlich-Sächsischen Staatseisenbahn. Ich wurde als Schlosserlehrling eingestellt, lernte aus, wurde Geselle, später Hilfsheizer, Heizer, Reservelokomotivführer und erreichte im Mannesalter, wozu ich berufen war. Ich zeugte vierzehn Kinder und fuhr große Lokomotiven, in meinen besten Jahren nur D-Zug-Lokomotiven. Alle Haupt- und viele Nebenstrecken meiner Reichsbahndirektion kannte ich. Wenn ich vom Dienst kam und die Küche betrat, wo man sein Wort schlechter verstand als auf steifachsigen Lokomotiven, begaben sich die großen Kinder auf die großen Bänke, die um den großen Tisch standen, und die kleinen auf die kleinen Bänke, die um den kleinen Tisch standen. In unserer Küche standen damals nur Tische und Bänke und ein gemauerter Herd. Auf dem kochte meine Frau Klara Kartoffelsuppe, Kaffee und Windeln in großen Töpfen. Über dem Herd hing ein Wandbord. Dort standen ein Dutzend zwiebelgemusterte Gewürzdosen, die nicht enthielten, was ihre Aufschriften besagten, sondern: Thymian, Estragon, Basilikum, Sellerie, Liebstöckel, Kümmel, Majoran, Beifuß, Dill, Pfeffer, Leberwurstgewürz, Blutwurstgewürz.
Gustaf Fröding (22 augustus 1860 8 februari 1911)
De Zweedse dichter Gustaf Fröding werd geboren op 22 augustus 1860 in Alsters gård bij Karlstad. Na zijn eindexamen gymnasium begon hij met studies aan de universiteit van Uppsala, maar die maakte hij niet af. Wel kwam hij tijdens zijn studie in aanraking met radicaal liberale kringen die invloed hadden op zijn politieke overtuigingen. Hij werkte een tijd bij de radicale krant Karlstads-Tidningen totdat een erfenis hem in staat stelde zich aan het schrijven te wijden. In 1889/90 moest hij echter voor het eerst opgenomen worden in een psychiatrische inrichting wegens een psychische aandoening. Daar voltooide hij zijn eerste bundel Guitarr och dragharmonika (Guitaar en trekharmonica) die in 1891 werd gepubliceerd. Het boek had meteen succes, maar Fröding maakte het niet mee, omdat hij zich ten tijde van de publicatie in een Noors verpleegtehuis bevond om zich tegen alcoholisme te laten behandelen. Tegelijkertijd werkte hij aan zijn tweede bundel Nya dikter (nieuwe gedichten) die in 1894 verscheen. Deze bundel had nog meer succes. Ook daarvan kon de dichter zelf niet genieten omdat hij aan een psychose leed. De rest van zijn leven zou hij in diverse instellingen opgenomen worden. Toch bleef hij schrijven.
Jean Regnault de Segrais (22 augustus 1624 15 maart 1701)
De Franse dichter, schrijver en vertalerJean Regnault de Segrais werd geboren op 22 augustus 1624 in Caen. Vanwege zijn knappe kop werd hij bij Anne Marie Louise d'Orléans aanbevolen als geheime secretaris. Hij had als taak haar geschriften te corrigeren en te publiceren. Een soortgelijke functie kreeg hij ook bij de schrijfster Marie-Madeleine de La Fayette zodat Zaïde (1669) en La princesse de Clèves (1678) onder zijn naam verschenen. Sinds 1662 was hij lid van de Académie française. Grote roem verwierf hij met zijn eclogen en pastoralen.
Stances
Doux ruisseaux coulez sans violence, Rossignols modérez votre voix ; Taisez-vous, Zéphyrs, faites silence, C'est Iris qui chante dans ces bois.
Je l'entends et mon cur qu'elle attire La connaît à ses divins accents, Aux transports que sa douceur m'inspire, Mais bien mieux aux peines que je sens.
Que ses yeux ont d'attraits et de charmes ! Que mon cur a pour eux de tourment ! J'ai payé mille fois de mes larmes Le plaisir de les voir un moment.
This, no song of an ingénue, This, no ballad of innocence; This, the rhyme of a lady who Followed ever her natural bents. This, a solo of sapience, This, a chantey of sophistry, This, the sum of experiments, -- I loved them until they loved me.
Decked in garments of sable hue, Daubed with ashes of myriad Lents, Wearing shower bouquets of rue, Walk I ever in penitence. Oft I roam, as my heart repents, Through God's acre of memory, Marking stones, in my reverence, "I loved them until they loved me."
Pictures pass me in long review,-- Marching columns of dead events. I was tender, and, often, true; Ever a prey to coincidence. Always knew I the consequence; Always saw what the end would be. We're as Nature has made us -- hence I loved them until they loved me.
De Amerikaanse schrijfster en journaliste Annie Proulx werd geboren op 22 augustus 1935 in Norwich, Connecticut. Haar tweede roman, The Shipping News uit 1993 (Scheepsberichten) won de Pulitzer Prize for Fiction en de National Book Award voor fictie in 1994. Verder won ze de PEN/Faulkner Award for Fiction voor haar eerste roman, Postcards (Ansichten). Annie Proulx begon na haar studie haar carrière als journaliste, en ging pas op latere leeftijd romans schrijven. Haar verhalen gaan vaak over het harde leven op het platteland, en worden gekenmerkt door een compact, maar buitengewoon beeldend en vaak komisch spraakgebruik. In 2005 verfilmde Ang Lee haar verhaal Brokeback Mountain dat voor het eerst in 1997 in The New Yorker verscheen. In 1998 ontving zij er de O. Henry Award en de National Magazine Award voor.
Uit The Old Ace in The Hole
In late March Bob Dollar, a young, curly-headed man of twenty-five with the broad face of a cat, pale innocent eyes fringed with sooty lashes, drove east along Texas State Highway 15 in the panhandle, down from Denver the day before, over the Raton Pass and through the dead volcano country of northeast New Mexico to the Oklahoma pistol barrel, then a wrong turn north and wasted hours before he regained the way. It was a roaring spring morning with green in the sky, the air spiced with sand sagebrush and aromatic sumac. NPR faded from the radio in a string of announcements of corporate supporters, replaced by a Christian station that alternated pabulum preaching and punchy music. He switched to shit-kicker airwaves and listened to songs about staying home, going home, being home and the errors of leaving home.
The road ran along a railroad track. He thought the bend of the rails unutterably sad, those cold and gleaming strips of metal turning away into the distance made him think of the morning he was left on Uncle Tam's doorstep listening for the inside clatter of coffee pot and cups although there had been no train nor tracks there. He did not know how the rails had gotten into his head as symbols of sadness.
Gradually the ancient thrill of moving against the horizon into the great yellow distance heated him, for even fenced and cut with roads the overwhelming presence of grassland persisted, though nothing of the original prairie remained. It was all flat expanse and wide sky. Two coyotes looking for afterbirths trotted through a pasture to the east, moving through fluid grass, the sun backlighting their fur in such a way that they appeared to have silver linings.
De Zwitserse schrijver, dramaturg en redacteur Lukas Holliger werd geboren op 21 augustus 1971 in Basel. Daar studeerde hij ook germanistiek, kunstgeschiedenis en geschiedenis. Van 1999 tot 2003 was hij medeleider van Raum 33 in Basel. En tot 2007 ook medeleidinggevende van de schrijverswerkplaats van het Theater Basel.Hij werkte als cultuurredacteur voor de Zwitserse televisie. Sinds 2004 is hij dramaturg bij de Theatertagen Basel. Holliger schreef diverse theaterstukken alsmede enkele libretti, waaronder dat van de opera Der schwarze Mozart van Andreas Pflüger
Uit: DER SCHWARZE MOZART
POLIZIST: Das ist zum Brüllen.
Alle veranstalten Maskeraden,
wenn sie unerkannt bleiben wollen.
Ich machs umgekehrt.
Ich zieh mein Polizistenkostüm aus.
Und schon bin ich irgendwer.
Dasitzen wie ein Durchschnittsmensch aber heimlich in der Hosentasche:
Dienstwaffe, Handschellen, Funkgerät.
Das beruhigt dich, hm?
PATRICK: Ja, danke, Herr Polizist.
POLIZIST: Jetzt erzähl mir Witze!
Auftritt Glatzkopf mit Mullbinden um den Kopf und Anglerausrüstung.
GLATZKOPF: Hoppla!
Dachte nicht, dass der Affe noch mal aufkreuzt.
POLIZIST: Lange nicht gesehen.
PATRICK: Ihr kennt euch?
GLATZKOPF: Ich hatte Gehirnerschütterungen.
Zwei Tage vergessen, wo ich wohne.
Welche Staatsbürgerschaft?
Jetzt hab ichs wieder.
POLIZIST: Das ist mein Glas!
GLATZKOPF: zu Patrick: Einen Doppelten, du schwarzer Bumerang.
Zum Polizisten:
Dachte wirklich, den Kerl siehst du nicht mehr.
Der versteckt sich bei den Affen im Zoo.
Wo er hingehört.
Aber so ist das. Er braucht mich.
PATRICK: Ich brauche den Job.
POLIZIST: Studiert Nationalökonomie.
PATRICK: Studieren ist teuer.
GLATZKOPF: Warum studieren, bist du nicht wichtig genug?
De Amerikaanse schrijver Robert Stone wed geboren op 21 augustus 1937 in New York. Hij publiceerde zijn eerste roman A Hall of Mirrors in 1967 en kreeg er gelijk de William Faulkner Foundation Award voor. Het succes van de roman leidde tot een Guggenheim Fellowship waardoor Stones loopbaan als schrijver en leraar echt van de grond kon komen. Zijn tweede roman Dog Soldiers verscheen in 1974. Hij ontving er in 1975 de National Book Award voor en het boek werd in 1978 verfilmd onder de titel Who'll Stop the Rain door Karel Reisz, met Nick Nolte in een hoofdrol.
Uit: Bay of Souls
"By gad, sir, Michael Ahearn said to his son, Paul, you present a distressing spectacle.
A few nights earlier they had watched The Maltese Falcon together. Paul, who had never seen it before, was delighted by his fathers rendering of Sydney Greenstreet. Sometimes he would even try doing Greenstreet himself.
By gad, sir!
Pauls attempts at movie voices were not subtle but commanded inflections normally beyond the comic repertory of a twelve-year-old boy from a small town on the northern plains. His voice and manner were coming to resemble his fathers.
The boy was lying in bed with a copy of The Hobbit open across his counterpane. This time he was not amused at Michaels old-movie impressions. He looked up with resentment, his beautiful long-lashed eyes angry. Michael easily met the reproach there. He took any opportunity to look at his son. There was something new every day, a different ray, an unexpected facet reflected in the aspects of this creature enduring his twelvedness.
I want to go, Dad, Paul said evenly, attempting to exercise his powers of persuasion to best effect.
He had been literally praying to go. Michael knew that because he had been spying on Paul while the boy knelt beside the bed to say his evening prayers. He had lurked in the hallway outside the boys room, watching and listening to his careful recitation of the Our Father and the Hail Mary and the Gloria rote prayers, courtesy of the Catholic school to which the Ahearns, with misgivings, regularly dispatched him. Michael and his wife had been raised in religion and they were warily trying it on again as parents.
De Franse schrijver, scenarioschrijver, documentairemaker en filmer Frédéric Mitterrand werd geboren op 21 augustus 1947 in Parijs. Hij is een neef van de voormalige Franse president François Mitterrand. Hij studeerde o.a. in Nanterre en aan het Institut d'études politiques de Paris. Daarna doceerde hij drie jaar economie, geschiedenis en aardrijkskunde aan de lÉcole active bilingue de Paris. Hij maakte talrijke documentaires voor de televisie en verschillende bioscoopfilms. Daarnaast schreef hij diverse boeken.
Uit: La Mauvaise vie (2005)
J'aimais la méchante, beaucoup moins que ma mère idéale, mais je l'aimais quand même. Elle occupait toute la place, elle faisait écran entre moi et le reste du monde, et elle m'avait brisé depuis le début. Elle était jeune, presque belle, avec de gros seins ronds qui collaient à son corsage quand elle était en nage. Elle était souvent en nage puisqu'elle était presque tout le temps en colère contre moi. Il m'arrivait de la voir nue dans la salle de bains, elle se déshabillait sous mes yeux, sans gêne et sans me regarder ; je ne comptais pas pour elle ou peut-être que je comptais beaucoup ; elle avait un corps ferme de sportive ; je n'avais pas le choix pour me détourner : c'était elle toute nue à ses ablutions sous le lavabo ou bien la sinistre baignoire où je passerai tôt ou tard.
De Russische dichter Gennadi Ajgi werd geboren op 21 augustus 1934 in het dorpje Sjajmoerzjino in de Tsjoewasjische republiek, aan de Wolga, 400 km ten oosten van Moskou. Ajgi studeerde aan het Gorki instituut van Literatuur en werkte in het Majakowski museum in Moskou. Zijn eerste gedicht publiceerde hij in 1949 in het Tsjoewasjisch. Pas in 1960 begon hij, op aanraden van zijn vriend Boris Pasternak, in het Russisch te schrijven. Zijn gedichten verschenen in verschillende talen en werden meermaals bekroond. Hij wordt ook regelmatig op internationale poëziefestivals geïnviteerd. Zo was hij te gast op Poetry International in Rotterdam. Ajgi vertaalt ook poëzie uit het Frans in het Tsjoewasjisch en in het Russisch.
OCHTEND IN AUGUSTUS
we houden de dag voor ons verscholen
ontwaren ongewild
zoals in de kamer de bladeren in de tuin
en de dag houdt zich vredig schuil
ergens hier in dit huis waar kinderen spelen - ongeacht ons
wij hebben er niets mee te maken
dat dit licht jou mag creëren en uitvoerig tonen
en dat zij die voor altijd voor altijd heengaan
ondertussen de afdruk ontvangen:
alle ramen en deuren staan overal voortdurend open
takjes verslinden het licht
van de deining van het integrale tussenlicht
van het lijden in ons
en van wat boven ons is verheven
waar achter reeds lang
de weerkaatsing van de beschroomde verschijningsvorm werd
Aubrey Beardsley (21 augustus 1872 - 16 maart 1898)
De Engelse schrijver en illustrator Aubrey Vincent Beardsley werd geboren op 21 augustus 1872, Brighton. Zijn werk wordt gerekend tot de stroming van de jugendstil of art nouveau.
Hij werkte mee aan het belangrijke literaire tijdschrift de 'Yellow Book' dat verscheen tussen 1894 en 1897, was er de eerste art director van en publiceerde vele illustraties in het blad. Hij maakte zijn platen gewoonlijk met inkt, waarbij grote donkere vlakken contrasteren met witte of lege vlakken. Beardsley illustreerde Oscar Wildes Salomé en een luxe uitgave van Sir Thomas Malory's Morte d'Arthur. Hij schreef Under the Hill, een onvoltooide erotische vertelling, losjes gebaseerd op de legende Tannhäuser. Beardsley stierf op 25-jarige leeftijd aan tuberculose.
The Ballad of a Barber
Here is the tale of Carrousel, The barber of Meridian Street. He cut, and coiffed, and shaved so well, That all the world was at his feet.
The King, the Queen, and all the Court, To no one else would trust their hair, And reigning belles of every sort Owed their successes to his care.
With carriage and with cabriolet Daily Meridian Street was blocked, Like bees about a bright bouquet The beaux about his doorway flocked.
Such was his art he could with ease Curl wit into the dullest face; Or to a goddess of old Greece Add a new wonder and a grace.
All powders, paints, and subtle dyes, And costliest scents that men distil, And rare pomades, forgot their price And marvelled at his splendid skill.
The curling irons in his hand Almost grew quick enough to speak, The razor was a magic wand That understood the softest cheek.
Yet with no pride his heart was moved; He was so modest in his ways! His daily task was all he loved, And now and then a little praise.
An equal care he would bestow On problems simple or complex; And nobody had seen him show A preference for either sex.
How came it then one summer day, Coiffing the daughter of the King, He lengthened out the least delay And loitered in his hairdressing?
The Princess was a pretty child, Thirteen years old, or thereabout. She was as joyous and as wild As spring flowers when the sun is out.
Her gold hair fell down to her feet And hung about her pretty eyes; She was as lyrical and sweet As one of Schuberts melodies.
Three times the barber curled a lock, And thrice he straightened it again; And twice the irons scorched her frock, And twice he stumbled in her train.
His fingers lost their cunning quite, His ivory combs obeyed no more; Something or other dimmed his sight, And moved mysteriously the floor.
He leant upon the toilet table, His fingers fumbled in his breast; He felt as foolish as a fable, And feeble as a pointless jest.
He snatched a bottle of Cologne, And broke the neck between his hands; He felt as if he was alone, And mighty as a kings commands.
The Princess gave a little scream, Carrousels cut was sharp and deep; He left her softly as a dream That leaves a sleeper to his sleep.
He left the room on pointed feet; Smiling that things had gone so well. They hanged him in Meridian Street. You pray in vain for Carrousel.
De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedywerd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929.Kennedy studeerde aan de Cokombia universiteit, Na een periode in de marine studeerde hij in de periode 1955 1956 ook nog aan de Sorbonne in Parijs en behaalde daarna zijn graad in Engels aan de universiteit van Michigan. Het bekendst is X.J. Kennedy (hij zette de X voor zijn naam om niet met Joseph Kennedy verward te worden) vanwege zijn light verse. Voor zijn eerste bundel Nude Descending A Staircase kreeg hij in 1961 al meteen de Lamont Poetry Prize van de Academy of American Poets.
First Confession
Blood thudded in my ears. I scuffed, Steps stubborn, to the telltale booth Beyond whose curtained portal coughed The robed repositor of truth.
The slat shot back. The universe Bowed down his cratered dome to hear Enumerated my each curse, The sip snitched from my old man's beer,
My sloth pride envy lechery, The dime heId back from Peter's Pence with which I'd bribed my girl to pee That I might spy her instruments.
Hovering scale-pans when I'd done Settled their balance slow as silt While in the restless dark I burned Bright as a brimstone in my guilt
Until as one feeds birds he doled Seven our Fathers and a Hail Which I to double-scrub my soul Intoned twice at the altar rail
Where Sunday in seraphic light I knelt, as full of grace as most, And stuck my tongue out at the priest: A fresh roost for the Holy Ghost.
Nude Descending a Staircase
Toe upon toe, a snowing flesh, A gold of lemon, root and rind, She sifts in sunlight down the stairs With nothing on. Nor on her mind.
We spy beneath the banister A constant thresh of thigh on thigh --- Her lips imprint the swinging air That parts to let her parts go by.
One-woman waterfall, she wears Her slow descent like a long cape And pausing, on the final stair Collects her motions into shape.
Little Elegy for a child who skipped rope
Here lies resting, out of breath, Out of turns, Elizabeth Whose quicksilver toes not quite Cleared the whirring edge of night.
Earth whose circles round us skim Till they catch the lightest limb, Shelter now Elizabeth And for her sake trip up death.
DROOM Er waren een tafel, wat kaarsen en een brood. Mijn ouders liepen nader, herrezen uit de dood.
Er waren twee gezichten, heel dicht bij elkaar. Zij lagen op een bed gemaakt van mensenhaar.
Er sprong iets op, ik weet niet wat het was. Ik hoorde hoe mijn vader een novelle las.
800 jaar
God hebbe mijn ziel, als God mijn ziel maar niet heeft.
Laat mij 800 jaar leven, al zegt men mij: Is dat een leven, een oude man die men geen vrouw kan geven?
Nee, laat mij daarom doodgaan, juist op tijd, als de mens moe naar het werk gaat, als God mijn ziel ooit hebben wil en voor mij zingen kan: I Say A Little Prayer.
Het laatste maanlicht Doodgaan is een vak. Ik heb geen vak geleerd. In het laatste maanlicht bezing ik mijzelf als ware ik onvervangbaar groot. Verkeerd is niet het lijf te zien als gewelf
van de ziel, maar de ziel is slechts as, aarde, waaroverheen het late maanlicht vaarde alsof het een dodenschip was, geen romantiek; mijn hartencellen delen zich tot nieuw ziek
hersenweefsel. Het schip maakt water, zakt schuin de aarde in. Kapitein zijn is een mooi beroep als je niet weerkeert in een wrakke sloep,
met daarin lachende, kaartende wormen. Ook kaarten is een vak, rode hartenaas is de kaart die mij ontbreekt, zwart is de baas.
De Tsjechische dichter en schrijver Jakub Deml werd geboren op 20 augustus 1878 in Tassau. Zijn zijn priesterwijding in 1902 werkte hij in het kerkelijke bestuur. Hij verspreidde zijn eigen opvattingen van de Christelijke leer en werd in 1909, na diverse overplaatsingen naar kleine gemeenten, op nonactief gezet. In 1912 kwam het tot nog meer conflicten met de leiding en werd hij met pensioen gestuurd. Hij vertrok naar Praag waar hij de schrijver en literatuurwetenschapper Frantiek Xaver alda leerde kennen. Tijdens WO II was het hem verboden te schrijven. Na de oorlog kwam het tot processen wegens antisemitisme en aanvallen op president Edvard Bene, maar hij werd vrij gesproken. Toch kon zijn werk tot 1960 niet meer gepubliceerd worden.
Uit: Pilger des Tages und der Nacht (Vertaald door Christa Rothmeier)
O Großvater, warum muß man sterben! Als Großvater starb, hatten wir schon das Gebet hinter uns, es war frühmorgens, wir saßen alle um den Tisch, aßen Erdäpfel mit Schale und löffelten Sauersuppe dazu. Großvaters Bett stand direkt neben dem Tisch, und als ich sah, wie Großvater den Mund bewegte und wie bleich er war, die Augen geschlossen hatte und nicht sprach, erschrak ich, so hatte ich ihn noch nie gesehen, noch niemanden hatte ich so gesehen es ist ganz wie etwas Mechanisches, man weiß nichts davon, und es ist arg anzuschauen, so als würde man einem großen Fisch mit einem Hammer auf den Kopf schlagen und dann ein Messer in ihn stoßen, seine Augen sind trüb und reglos, der ganze Körper ist reglos, schwer, bedauernswert nur der bleiche Mund öffnet sich noch, schließt sich nicht, und es ist, als würde man von einem unabsehbaren Grund Wasser schöpfen und könnte nicht mehr und käme nicht mehr herauf! O Großvater, woher sind wir gekommen, und wohin kehren wir zurück! Und wenn ich schon nichts mehr tun kann, da Ihr nicht einmal mehr hier seid, nehme ich Euch wahr und kann Euch höchstens mit einem Gebet und mit der Liebe zu allen Menschen und Tieren und Bäumen und Blumen und zum Himmel dafür danken, daß Ihr mich behütet, gelehrt und in die Träume eingelullt habt."
De Poolse schrijver Bolesław Prus (eig. Aleksander Glowacki) werd geboren in Hrubieszów, Lublin, op 20 augustus 1847. Zijn ervaringen als opstandeling en gevangene verwerkte hij in zijn werk. Tussen 1886 en 1895 publiceerde hij vier grote romans (waaronder De Pop en Farao) die de sociale en maatschappelijke verhoudingen in zijn tijd weerspiegelen.
Uit: Shades
At that moment, on the streets of Warsaw that are falling desert, there appears the curious figure of a man with a small flame over his head. He dashes down the sidewalk as if pursued by the darkness, stops for an instant at each lamp, then having kindled a merry light, vanishes like a shade.
And so it is every day of the year. Whether, in the fields, spring breathes out a fragrance of blossoms, or a July storm rages; whether, in the streets, unbridled autumn gales hurl clouds of dust, or winter snows billow through the air always, as soon as evening comes, he runs down the city's sidewalks with his little flame, kindles light, then disappears like a shade.
Where do you come from, man, and where do you keep yourself, that we know not your features nor hear your voice? Have you wife or mother who awaits your return? Or children who, having set your lantern in the corner, climb to your lap and embrace your neck? Have you friends to whom you tell your joys and sorrows, or acquaintances with whom you might speak of everyday events?
Have you, indeed, a home where you may be found? a name by which you may be called? needs and feelings that would make you a man like us? Or are you truly a formless, silent and intangible being that appears only at twilight, kindles light, then disappears like a shade?
De Duitse schrijver Arno Surminski werd geboren op 20 augustus 1934 in Jäglack in Oostpruisen. Bekend werd hij met talrijke verhalen en romans die veelal gaan over zijn geboortestreek en het lot van de mensen die daaruit verdreven werden.
Uit: Vaterland ohne Väter
So geht es den Soldaten: Sie sind Könige, wenn sie nach Hause kommen. Schwester Dorchen zog ihm die Stiefel aus, brachte ihm warme Puschen und machte sich daran, die verstaubten Knobelbecher zu putzen. Opa Wilhelm kam mit der Flasche, Mutter Bertha deckte den Tisch; noch bevor sie Platz nehmen konnten, geschah die Merkwürdigkeit, daß der Heimkehrer morgens um halb sieben im Stubensessel einschlief. So vergingen die ersten fünf Stunden seines Urlaubs im Schlaf. Als er aufwachte, fand er den Tisch festlich geschmückt. Seine Mutter trug Klopse auf und Kartoffelflinsen, zum Nachtisch brachte Dorchen eine Terrine kalter Brotsuppe, in der wie Kaulquappen süße Rosinen schwammen. Sie tafelten stundenlang, gerade so, als sei ein großes Fest, sagen wir mal eine Hochzeit, zu feiern. Auch den kleinen Franzosen holten sie an die gedeckte Tafel; Gerhard erklärte ihm, sein Bruder habe Frankreich besiegt. »Ob es Krieg gibt?« fragte die Mutter in die Brotsuppe hinein. »Ach, was du immer denkst, es ist ja längst Krieg!« Gerhard erzählte, die vielen Soldaten marschierten nach Indien, wo der Pfeffer wächst. Das hatte ihnen der Jungzugführer beim HJ-Unterricht gesagt. Klaren Schnaps für die Männer, die Frauen mußten sich mit Johannisbeerwein begnügen, der im vorigen Sommer gezogen worden war. 1940 war ein guter Weinsommer, wie überhaupt sich jenes Jahr gut anließ. Es wird wieder gute Jahre geben und Wein für kommende Feste. »Noch haben wir von allem genug«, beteuerte die Mutter. Opa Wilhelm nahm den Urlauber beiseite, um ihm zu sagen, die Russen seien gutmütige Menschen, nur wenn sie Wodka bekämen, neigten sie zur Wildheit.
How much grit do you think you've got? Can you quit a thing that you like a lot? You may talk of pluck; it's an easy word, And where'er you go it is often heard; But can you tell to a jot or guess Just how much courage you now possess? You may stand to trouble and keep your grin, But have you tackled self-discipline? Have you ever issued commands to you To quit the things that you like to do, And then, when tempted and sorely swayed, Those rigid orders have you obeyed?
Don't boast of your grit till you've tried it out, Nor prate to men of your courage stout, For it's easy enough to retain a grin In the face of a fight there's a chance to win, But the sort of grit that is good to own Is the stuff you need when you're all alone. How much grit do you think you've got? Can you turn from joys that you like a lot? Have you ever tested yourself to know How far with yourself your will can go? If you want to know if you have grit, Just pick out a joy that you like, and quit.
It's bully sport and it's open fight; It will keep you busy both day and night; For the toughest kind of a game you'll find Is to make your body obey your mind. And you never will know what is meant by grit Unless there's something you've tried to quit.
Howard Phillips Lovecraft (20 augustus 189015 maart 1937)
De Amerikaanse schrijver Howard Phillips Lovecraft werd geboren op 20 augustus 1890 in Providence, Rhode Island.Hij staat erom bekend dat hij zijn horrorverhalen in een sciencefictionachtig kader plaatste. Tijdens zijn leven werd hij niet veel gelezen, maar zijn werk bleek zeer invloedrijk bij schrijvers en fans van horrorverhalen. Veel van Lovecrafts werk is geïnspireerd door zijn eigen nachtmerries. Zijn vader werd, toen Lovecraft drie jaar oud was, gedurende 5 jaar in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen, waarschijnlijk had hij syfilis. Lovecraft werd opgevoed door zijn moeder, die overleed in 1921, door twee tantes en door zijn grootvader, Whipple Van Buren Phillips, die hem aanmoedigde veel te lezen, en die hem ook griezelverhalen vertelde. Ondanks zijn pogingen om veel te schrijven, leefde Lovecraft zeer armoedig. In 1936 bleek hij darmkanker te hebben, maar hij leed ook aan ondervoeding, tot zijn overlijden in 1937.
Uit: The Shadow Out of Time
After twenty-two years of nightmare and terror, saved only by a desperate conviction of the mythical source of certain impressions, I am unwilling to vouch for the truth of that which I think I found in Western Australia on the night of July 1718, 1935. There is reason to hope that my experience was wholly or partly an hallucinationfor which, indeed, abundant causes existed. And yet, its realism was so hideous that I sometimes find hope impossible.
If the thing did happen, then man must be prepared to accept notions of the cosmos, and of his own place in the seething vortex of time, whose merest mention is paralyzing. He must, too, be placed on guard against a specific, lurking peril which, though it will never engulf the whole race, may impose monstrous and unguessable horrors upon certain venturesome members of it.
De Tsjechische schrijfster Sylvie Richterová werd geboren op 20 augustus 1945 in Brno. Na haar eindexamen gymnasium studeerde zij talen en volgde een opleiding tot tolk Frans en Russisch. In 1971 emigreerde zij naar Italië. Zij werkt aan de universiteit van Padua.
Uit: Abc-Buch der Vatersprache
Susanna verließ mit ihrer Familie die Tschechoslowakei im August 1981. Ale fuhr als erster mit einem Lkw, den sie sich inklusive Fahrer gemietet hatten, um Familienmobiliar und verschiedene nützliche Gegenstände, einen Eimer zum Fußbodenwischen, Töpfe, Besteck, Handtücher und auch Bücher, von Brünn nach Wien zu transportieren. Es war nicht viel, aber der kleine Lkw war voll.
In Wien kletterte Ale abgemagert und bleich aus der Fahrerkabine, weil er bis unmittelbar vor der Abfahrt der Großmutter den Umzug in die neue Wohnung in Brünn hatte machen müssen, den Familienbesitz teilen, den Familienbesitz einpacken, schätzen, verzollen, Verzeichnisse über seinen und den Familienbesitz schreiben, die Ausfuhrgenehmigung besorgen für Patenteinweckgläser, leer, einen getäfelten antiken Sekretär, beschädigt, chinesische Porzellanschüsseln, 2 Stück, Kinderschuhe, 6 Paar, etc. Er vollendete auch den Umbau des Einfamilienhauses, das ihm nicht mehr gehörte und in der Zukunft niemals außer in den Erinnerungen gehören sollte, in dem auch ein neues Bad nicht fehlte er hatte es selbst installiert und gekachelt. Und er verabschiedete sich, von der Großmutter, von der anderen Großmutter, von der Großmutter, die er bestimmt noch sehen würde, von der Großmutter, die er
bestimmt nicht mehr wiedersehen würde, vom Großvater und so weiter.
Vergeet niet dat je leeft te midden van dieren paarden, katten, ratten uit de riolen, donker als de vrouw van Salomo, ontzaglijk slagveld met zwaaiende banieren, vergeet niet de hond, met tong en staart in de harmonie met het irreële, noch de groene hagedis, de merel nachtegaal, adder, hommel. Of denk je soms dat je leeft tussen reine mannen en deugdzame vrouwen die niet weten van de kreet van de verliefde kikker, groen als de groenste tak van het bloed. De vogels kijken je aan uit de bomen, en de bladeren weten best dat de Geest dood is, voorgoed het overschot ervan ruikt naar verbrand kraakbeen en uitgebeten plastic; vergeet niet dat je een vaardig en soepel dier bent dat bruuskweg geweld aandoet en alles wil hebben hier op aarde, voor de laatste schreeuw, als het lichaam verval is van verdorde herinnering en de geest naar het eeuwige einde dringt : denk erom dat je het hoogste wezen kunt zijn als liefde je maar goed in hart en nieren treft.
De Duitse schrijver, dichter, vertaler en muziekwetenschapper Ernst-Jürgen Dreyer werd geboren op 20 augustus 1934 in Oschatz in Saksen. Hij studeerde muziekwetenschap, filosofie en kunstgeschiedenis in Weimar, Jena en Leipzig. In 1959 vluchtte hij uit de DDR naar Frankfurt am Main. Van 1961 tot 1972 werkte hij voor het Goethe instituut. Tot 1986 was hij ook alsjournalist werkzaam, o.a. voor de FAZ, de Hessischer Rundfunk en de Bayerischer Rundfunk. In 1993 verhuisde hij naar Kaarst in Nordrhein-Westfalen. De uitgever Klaus Piper verzocht hem in 1959 een roman over de Duitse deling te schrijven. Het boek kwam echter pas in 1974 klaar en de toezegging om te publiceren was al lang ingetrokken. Dreyer gaf het toen in eigen beheer uit. In 1980 kreeg hij er de Hermann Hesse prijs voor. Daarna vond hij er wel een uitgever voor en kreeg het boek deels uitstekende jritieken.
Verkaarstung
Der Herrgott führte sie ins Paradies. »Pfui Teufel!« schrien sie. »Widerlicher Schatten, wo Kröten brüten, Ratten sich begatten, Mikroben, Molche, Kobras, Kolibris!
Die Kronen runter! Licht in das Verlies! Die Schreddermasse kommt auf die Rabatten! Weg das Gehölz! Und rechts und links der Platten wird eingekürzt bis unterhalb des Knies!«
Den siebten Tag verbrachten sie zufrieden in ihrem mit Insektoherbiziden desinfizierten Eden dernier cri! ,
umzirkt von Plastik-Lego-Eisenbahnen, von Lego-Moulin-rouges und Plastikplanen, im Liegestuhl auf ihrer Deponie.
Kurhaus Klassik Open Air
Wie einst zu John, Paul, George und Ringo, so strömt trotz Hexenschuß und Fango, trotz Fußball, Tagesschau und »Django« zu Hundertausenden der Gringo
zur Show von Placido Domingo. Domingo pinselt, singt, tanzt Tango - doch ob Zarzuela, ob Fandango: ich bleibe einsam wie ein Dingo.
Der Dingo wittert, spitzt die Öhrchen - doch was an seine Sinne dringt von Monitoren und Membranen,
hat nichts zu tun mit dem Tenörchen, das fern und winzig, kaum zu ahnen, da vorn womöglich wirklich singt.
De Belgische schrijver Charles de Coster werd geboren in München op 20 augustus 1827. Hij had een Vlaamse vader en een Waalse moeder en studeerde aan de Université Libre de Bruxelles waar hij zich aansloot bij de democratische en anti-clerikale opvattingen. Hij werd eerst journalist en later leraar aan de Koninklijke Militaire School in Brussel. Zijn voornaamste werk La Légende et les Aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs viel niet in de smaak in Belgische conformistische kringen. Het was gekend in de hele wereld en vertaald in alle Europese talen, maar in eigen land genegeerd. In de jaren 70 werd het verfilmd in het Russisch, tegen de achtergrond van de Tachtigjarige Oorlog.
Uit: La légende d'Ulenspiegel
A Damme, en Flandre, quand mai ouvrait leurs fleurs aux aubépines, naquit Ulenspiegel, fils de Claes.
Une commère sage-femme & nommée Katheline l'enveloppa de langes chauds &, lui ayant regardé la tête, y montra une peau.
- Coiffé, né sous une bonne étoile! dit-elle joyeusement.
Mais bientôt se lamentant & désignant un petit point noir sur l'épaule de l'enfant:
- Hélas! pleura-t-elle, c'est la noire marque du doigt du diable.
- Monsieur Satan, reprit Claes, s'est donc levé de bien bonne heure qu'il a déjà eu le temps de marquer mon fils?
- Il n'était pas couché, dit Katheline, car voici seulement Chanteclair qui éveille les poules.
Et elle sortit, mettant l'enfant aux mains de Claes.
Puis l'aube creva les nuages nocturnes, les hirondelles rasèrent en criant les prairies, & le soleil montra pourpre à l'horizon sa face éblouissante.
Claes ouvrit la fenêtre, & parlant à Ulenspiegel:
- Fils coiffé, dit-il, voici monseigneur du Soleil qui vient saluer la terre de Flandre. Regarde-le quand tu le pourras, &, quand plus tard tu serasempêtré en quelque doute, ne sachant ce qu'il faut faire pour agir bien, demande-lui conseil; il est clair & chaud: sois sincère comme il est clair, & bon comme il est chaud.
- Claes, mon homme, dit Soetkin, tu prêches un sourd; viens boire, mon fils.
Et la mère offrit au nouveau-né ses beaux flacons de nature.
De Duitse schrijfster Maren Winter werd geboren op 20 augustus 1961 in Lübeck. Zij volgde een opleiding tot poppenspeelster aan het marionettentheater. In 1996 verhuisde zij met haar man naar de Finse eilandengroep Åland. Samen richtten zij een theater op en gaven voorstellingen in Scandinavië en Duitsland. In Finland begon zij ook aan haar eerste historische roman, waarin zij het verleden van haar beroepsgroep beschrijft. In 2003 verscheen Das Erbe des Puppenspielers. In 2006 verscheen een roman overde uitvinder van het zakhorloge Peter Henlein, Der Stundensammler.
Uit:Der Stundensammler
Severin wurde zur Unzeit geboren. Das Jahr hatte sich soeben vollendet und das nächste noch nicht begonnen. Genau zwischen Tag und Nacht, im Wechsel der Sternbilder, als die Erde für einen Augenblick stillstehen wollte, krümmte sich eine kleine Bettelmaid verborgen im Röhricht und biss auf ein Bündel Segge, damit man ihren Wehenschrei nicht hörte. In jenem Moment glitt Severin aus dem Mutterleib und fiel zwischen die jungen Spitzen des Rohrkolbens, die wie Lanzen aus dem Uferschlamm staken. Das Wasser des Dutzenteiches begann gerade zu gefrieren. Myriaden von winzigen Eissplittern schaukelten auf den kleinen Wellen, rieben sich aneinander und rieben die Schilfhalme wund, sodass sich ein feines Sirren über dem ganzen Ufer erhob.
Lais kippte vornüber auf die Knie. Sie stützte sich in den Morast und tastete nach Messer und Faden in ihrer Manteltasche. Mit steifen Fingern band sie die Nabelschnur ab. Wie sie es bei Nachbarinnen gesehen hatte, versuchte sie dann die Fessel zu durchtrennen. Sie brauchte mehrere Schnitte dazu. Ihre Haut war nass von Schweiß und Tränen, und der schneidende Wind machte ihren Körper fast empfindungslos. Mit einer mechanischen Bewegung strich sie sich Unterrock und Wollkleid über die Schenkel und zog den abgewetzten Mantel fest um ihre Schultern. Befremdet starrte sie auf das dampfende Häuflein Leben unter sich.
Iñigo López de Mendoza (19 augustus 1398 25 maart 1458)
De Spaanse dichter Iñigo López de Mendoza werd geboren op 19 augustus 1398 in Carrión de los Condes, Palencia. Mendoza was van adelijke afkomst en diende aan het hof van Johan II van Kastilië en onderscheidde zich in militaire dienst. In zijn laatste levensjaren wijdde hij zich aan de literatuur. Zijn gedichten ontstonden onder invloed van de Italiaanse Renaissance.
SERRANILLA
From Calatrava as I took my way
At holy Mary's shrine to kneel and pray,
And sleep upon my eyelids heavy lay,
There where the ground was very rough and wild,
I lost my path and met a peasant child:
From Finojosa, with the herds around her,
There in the fields I found her.
Upon a meadow green with tender grass,
With other rustic cowherds, lad and lass,
So sweet a thing to see I watched her pass:
My eyes could scarce believe her what they found her,
There with the herds around her.
I do not think that roses in the Spring
Are half so lovely in their fashioning:
My heart must needs avow this secret thing,
That had I known her first as then I found her,
From Finojosa, with the herds around her,
I had not strayed so far her face to see
That it might rob me of my liberty.
I questioned her, to know what she might say:
"Has she of Finojosa passed this way?"
She smiled and answered me: "In vain you sue,
Full well my heart discerns the hope in you:
But she of whom you speak, and have not found her.
Her heart is free, no thought of love has bound her,
Samuel Richardson (19 augustus 1689 4 juli 1761)
De Britse drukker en schrijver Samuel Richardson werd geboren op 19 augustus 1689 inMackworth, Derbyshire. Richardson was de zoon van een meubelmaker en begon rond 1720 een drukkerij. Zijn vrienden vroegen hem een brievenboek samen te stellen voor ongeletterden. Hieruit kwam de eerste Engelse karakterroman voort, getiteld Pamela, or Virtue Rewarded (1740-1741). Richardson legde hiermee de basis voor de briefroman. Het boek werd een onmiddellijk succes en de opvolger, Clarissa, or the history of a young lady (1747-1748) was nog succesvoller.
Uit: Pamela
I am very easy that I have so little to say to them. Not but they are civil to me in the main, for Mrs. Jervis's sake, who they see loves me; and they stand in awe of her, knowing her to be a gentlewoman born, though she has had misfortunes. I am going on again with a long letter; for I love writing, and shall tire you. But, when I began, I only intended to say, that I am quite fearless of any danger now: and, indeed, cannot but wonder at myself, (though your caution to me was your watchful love,) that I should be so foolish as to be so uneasy as I have been: for I am sure my master would not demean himself, so as to think upon such a poor girl as I, for my harm. For such a thing would ruin his credit, as well as mine, you know: who, to be sure, may expect one of the best ladies in the land. So no more at present, but that I am Your ever dutiful DAUGHTER.
Als 'k dood ben zijn mijn kleren rare dingen. De overhemden, nieuw of dragensbroos, de pakken hangend waar ze altijd hingen, steeds wijzend naar omlaag, besluiteloos.
Ik was ze, ik alleen droeg hen altoos. En omdat ze mij vaak vervingen, of omdat ik hen uit hun winkel koos; zij tonen iets van mijn herinneringen.
Oh, vrienden, enigszins van mijn formaat, ik roep U als de dood te wachten staat, (maak ik het sterven bij bewustzijn mee) 'k Geef U of leen, 't zou niet de eerste keer zijn mijn pakken, vormt met hen die mij niet meer zijn dan langs mijn kist een onzwart defilé.
Jerzy Andrzejewski (19 augustus 1909 19 april 1983)
De Poolse schrijver Jerzy Andrzejewski werd geboren op 19 augustus 1909 in Warschau. Zijn eerste verhalenbundel verscheen in 1936 onder de titel Drogi Nieuniknione (De onvermijdelijke wegen). Twee jaar later verscheen de roman Ład serca (Orde van het hart). Tijdens WO II werkte Andrzejewsk voor het Poolse verzet en streed hij voor het behoud van de Poolse cultuur. Zijn ontwikkeling van katholiek tot communistisch schrijver maakte zijn in 1946 verschenen werk Popiół i diament (Duits, Asche und Diamant) duidelijk. In 1976 was Andrzejewski mede-oprichter van de intellectuele oppositiegroep KOR (Komitee ter verdediging van de arbeiders).
Uit: Asche und Diamant(Vertaald door Henryk Bereska)
"Weiter, weiter!" drängte Szczuka. "Wir haben keine Zeit." Podgórski bedeutete dem Posten durch eine Handbewegung seine Eile. Bald war er mit dem Wagen aus dem größten Gedränge heraus und bog in die erste Querstraße ein. "Haben Sie die Gesichter der Leute beobachtet, als sie die Nachrichten hörten?" Szczuka nickte. "Keine Spur von Freude, haben Sie bemerkt?" "Sie haben zu lange darauf warten müssen." "Meinen Sie, es ist nur das?" "Nicht allein", entgegnete Szczuka, auf den Weg starrend. Podgórski drehte am Lenkrad. "Ich weiß, woran Sie denken. Auch ich mache mir oft darüber Gedanken." "Mir Recht." "Aber haben wir schließlich nicht gesiegt?" "Illusionen", brummte Szczuka. "Das ist erst der Anfang. Machen wir uns nichts vor."
Foreigners are people somewhere else, Natives are people at home; If the place youre at Is your habitat, Youre a foreigner, say in Rome. But the scales of Justice balance true, And tit leads into tat, So the man whos at home When he stays in Rome Is abroad when hes where youre at.
When we leave the limits of the land in which Our birth certificates sat us, It does not mean Just a change of scene, But also a change of status. The Frenchman with his fetching beard, The Scot with his kilt and sporran, One moment he May a native be, And the next may find him foreign.
Theres many a difference quickly found Between the different races, But the only essential Differential Is living different places. Yet such is the pride of prideful man, From Austrians to Australians, That wherever he is, He regards as his, And the natives there, as aliens.
Oh, Ill be friends if youll be friends, The foreigner tells the native, And well work together for our common ends Like a preposition and a dative. If our common ends seem mostly mine, Why not, you ignorant foreigner? And the native replies Contrariwise; And hence, my dears, the coroner.
So mind your manners when a native, please, And doubly when you visit And between us all A rapport may fall Ecstatically exquisite. One simple thought, if you have it pat, Will eliminate the coroner: You may be a native in your habitat, But to foreigners youre just a foreigner.
De Iers-Amerikaanse schrijver Frank McCourt werd geboren op 19 augustus 1930 in New York als zoon van een immigrantenfamilie. Toen hij vier jaar was keerde zijn familie naar Ierland terug. Daar groeide hij in armoedige omstandigheden op in het katholieke Limerick. Zijn vader was werkloos en gaf het meeste van zijn uitkering aan drank uit. In 1949 had McCourt genoeg geld om een ticket naar New York te kunnen betalen. Daar werkte hij in hotels en ging hij in het leger. Na zijn diensttijd verdiende hij het geld om een studie te betalen in pakhuizen en op doks. Hij werd leraar en doceerde tenslotte op de gerenommeerde Stuyvesant High School in New York. Na zijn oensionering verwerkte McCourt zijn moeilijke jeugd in de autobiografische roman Angela's Ashes. Het werd met zes miljoen verkochte exemplaren een internationale bestseller en leverde hem in 1997 de Pulitzer prijs op. Ook werd het boek in 1999 door Alan Parker verfilmd. Zie ook mijn blog van 19 augustus 2006.
Uit: Angela's Ashes
First Communion day is the happiest day of your life because of The Collection and James Cagney at the Lyric Cinema. The night before I was so excited I couldn't sleep till dawn. I'd still be sleeping if my grandmother hadn't come banging at the door.
Get up! Get up! Get that child outa the bed. Happiest day of his life an' him snorin' above in the bed.
I ran to the kitchen. Take off that shirt, she said. I took off the shirt and she pushed me into a tin tub of icy cold water. My mother scrubbed me, my grandmother scrubbed me. I was raw, I was red.
They dried me. They dressed me in my black velvet First Communion suit with the white frilly shirt, the short pants, the white stockings, the black patent leather shoes. Around my arm they tied a white satin bow and on my lapel they pinned the Sacred Heart of Jesus, a picture with blood dripping from it, flames erupting all around it and on top a nasty-looking crown of thorns.
Come here till I comb your hair, said Grandma. Look at that mop, it won't lie down. You didn't get that hair from my side of the family. That's that North of Ireland hair you got from your father. That's the kind of hair you see on Presbyterians. If your mother had married a proper decent Limerick man you wouldn't have this standing up, North of Ireland, Presbyterian hair.
James Gould Cozzens (19 augustus 1903 9 augustus 1978)
De Amerikaanse schrijver James Gould Cozzens werd geboren op 19 augustus 1903 in Chicago. Hij studeerde twee jaar aan de universiteit van Harvard, waar hij in 1924 zijn eerste roman Confusion publiceerde. Een paar maanden later, ziek en geplaagd door schulden, verliet hij Harvard, ging naar New Brunswick in Canada en schreef zijn tweede roman Michael Scarlett. Geen van de boeken verkocht goed. Cozzens vertrok naar Cuba om les te geven aan kinderen van Amerikanen. Hij begon korte verhalen te schrijven en verzamelde materiaal voor Cock Pit (1928) en The Son of Perdition (1929). Tijdens WO II diende hij bij de Amerikaanse luchtmacht. Zijn ervaringen daar vormden de basis voor Guard of Honor, zijn romaqn uit 1948 die hem in 1949 de Pulitzer prijs opleverde. Verrassenderwijs werd By Love Possessed in 1957 een enorm succes. Het boek stond vierendertig weken op de The New York Times Best Seller list.
Uit: Snow Falling on Cedars
At the intersection of Center Valley Road and South Beach Drive Ishmael spied, ahead of him in the bend, a car that had failed to negotiate the grade as it coiled around a grove of snow-hung cedars. Ishmael recognized it as the Willys station wagon that belonged to Fujiko and Hisao Imada; in fact, Hisao was working with a shovel at its rear right wheel, which had dropped into the roadside drainage ditch. Hisao Imada was small enough most of the time, but he looked even smaller bundled up in his winter clothes, his hat pulled low and his scarf across his chin so that only his mouth, nose, and eyes showed. Ishmael knew he would not ask for help, in part because San Piedro people never did, in part because such was his character. Ishmael decided to park at the bottom of the grade beside Gordon Ostrom's mailbox and walk the fifty yards up South Beach Drive, keeping his DeSoto well out of the road while he convinced Hisao Imada to accept a ride from him. Ishmael had known Hisao a long time. When he was eight years old he'd seen the Japanese man trudging along behind his swaybacked white plow horse: a Japanese man who carried a machete at his belt in order to cut down vine maples. His family lived in two canvas tents while they cleared their newly purchased property. They drew water from a feeder creek and warmed themselves at a slash pile kept burning by his children--girls in rubber boots, including Hatsue--who dragged branches and brought armfuls of brush to it.
De Amerikaanse dichter Li-Young Lee werd geboren op 19 augustus 1957 in Jakarta, Indonesië. Hij stamt uit een Chinese familie. In 1959 ontvluchtte zijn familie het land vanwege de anti Chinese stemming en kwam via Hongkong, Macau en Japan uiteindelijk in 1964 in de VS terecht. Lee bezocht o.a. de universiteit van Oittsburgh, waar hij zijn liefde voor het schrijven ontwikkelde. Daarna doceerde hij zelf aan verschillende universiteiten, waaronder Northwestern en de University of Iowa. Terukerende themas in zijn poëzie zijn ballingschap en de moed om te rebelleren.
The Gift
To pull the metal splinter from my palm my father recited a story in a low voice. I watched his lovely face and not the blade. Before the story ended, he'd removed the iron sliver I thought I'd die from.
I can't remember the tale, but hear his voice still, a well of dark water, a prayer. And I recall his hands, two measures of tenderness he laid against my face, the flames of discipline he raised above my head.
Had you entered that afternoon you would have thought you saw a man planting something in a boy's palm, a silver tear, a tiny flame. Had you followed that boy you would have arrived here, where I bend over my wife's right hand.
Look how I shave her thumbnail down so carefully she feels no pain. Watch as I lift the splinter out. I was seven when my father took my hand like this, and I did not hold that shard between my fingers and think, Metal that will bury me, christen it Little Assassin, Ore Going Deep for My Heart. And I did not lift up my wound and cry, Death visited here! I did what a child does when he's given something to keep. I kissed my father.
De Engelse schrijver Jonathan Coe werd geboren op 19 augustus 1961 in Birmingham. Coe studeerde aan de King Edward's School en aan Trinity College, Cambridge. Zijn romans, waarin hij vaak sociale en politike themas aansnijdt,kenmerken zich door humor en satire. Zijn roman The Rotter´s Club uit 2001 is autobiografisch getint. Het boek werd zowel voor de radio als voor de televisie bewerkt.
Werk o.a: The Accidental Woman (1987), A Touch of Love (1989), What a Carve Up! (1994), The Closed Circle (2004)
Uit: The House of Sleep (1997)
It was their final quarrel, that much was clear. But although he had been anticipating it for days, perhaps even for weeks, nothing could quell the tide of anger and resentment which now rose up inside him. She had been in the wrong, and had refused to admit it. Every argument he had attempted to put forward, every attempt to be conciliatory and sensible, had been distorted, twisted around and turned back against him. How dare she bring up that perfectly innocent evening he had spent in The Half Moon with Jennifer? How dare she call his gift 'pathetic', and claim that he was looking 'shifty' when he gave it to her? And how dare she bring up his mother--his mother, of all people--and accuse him of seeing her too often? As if that were some sort of comment on his maturity; on his masculinity, even...
He stared blindly ahead, unconscious of his surroundings or of his fellow pedestrians. 'Bitch,' he thought to himself, as her words came back to him. And then out loud, through clenched teeth, he shouted, 'BITCH!'
After that, he felt slightly better.
Huge, grey and imposing, Ashdown stood on a headland, some twenty yards from the sheer face of the cliff, where it had stood for more than a hundred years. All day, the gulls wheeled around its spires and tourelles, keening themselves hoarse. All day and all night, the waves threw themselves dementedly against their rocky barricade, sending an endless roar like heavy traffic through the glacial rooms and mazy, echoing corridors of the old house. Even the emptiest parts of Ashdown--and most of it was now empty--were never silent. The most habitable rooms huddled together on the first and second floors, overlooking the sea, and during the day were flooded with chill sunlight. The kitchen, on the ground floor, was long and L-shaped, with a low ceiling; it had only three tiny windows, and was swathed in permanent shadow. Ashdown's bleak, element-defying beauty masked the fact that it was, essentially, unfit for human occupation. Its oldest and nearest neighbours could remember, but scarcely believe, that it had once been a private residence, home to a family of only eight or nine. But two decades ago it had been acquired by the new university, and it now housed about two dozen students: a shifting population, as changeful as the ocean which lay at its feet, stretched towards the horizon, sickly green and heaving with endless disquiet.
Václav Bolemír Nebeský (18 augustus 1818 17 augustus 1882)
De Tsjechische dichter en vertaler Václav Bolemír Nebeský werd geboren op 18 augustus 1818 in Nový Dvůr. Hij studeerde filosofie, Griekse geschiedenis en Tsjechische literatuur aan de Karelsuniversiteit in Praag. In 1850 werd hij redacteur van het tijdschrift Muzejník, dat hij tot 1861 leidde. Daarnaast was hij secretaris van het Tsjechische museum. In 1874 werd hij ernstig ziek en ging hij met vervroegd pensioen. Zijn grootste liefde was de poëzie. Ook vertaalde hij dramatisch werk van Griekse dichters.
Es war Täuschung und süße Träumerei ...
Es war Täuschung und süße Träumerei, nie verwinde ich diese Zeit; die Erinnerung an meine Liebe macht wie Efeu auf Gräbern sich breit.
Die Erinnerung überglänzt bei weitem meiner Wehmut Abendrot am Horizont, in meinem Herzen will es tönen wie es abends vom Kirchturm kommt.
Für meine Seele wird deine Liebe ein Lied sein wie Nachtigallen, denen im nahen, verwilderten Hain zu spät es ist eingefallen.
De Oostenrijkse schrijver en journalist Hugo Bettauerwerd geboren op 18 augustus 1872 in Baden bij Wenen. In 1899 trok hij naar New York waar hij als correspondent en redacteur bij verschillende kranten werkte. Na zijn terugkeer naar Oostenrijk in 1910 was de Amerikaanse staatsburger redacteur bij de Neue Freien Presse en in 1924 richtte hij het tijdschrift Er und Sie op, Wochenschrift für Lebenskultur und Erotik, dat echter na vijf afleveringen moest stoppen. Zijn roman Die Stadt ohne Juden" uit 1922 werd verfilmd en was bij de première in 1924 aanleiding voor hevige demonstraties. Een half jaar later werd Bettauer in Wenen door een nationaalsocialistische fanaticus doodgeschoten. Ook zijn roman "Die freudlose Gasse" werd verfilmd, en wel met niemand minder dan Greta Garbo.
Uit: Die Stadt ohne Juden
Von der Universität bis zur Bellaria umlagerte das schöne, ruhige und vornehme Parlamentsgebäude eine einzige Menschenmauer. Ganz Wien schien sich an diesem Junitag um die zehnte Vormittagsstunde versammelt zu haben, um dort zu sein, wo sich ein historisches Ereignis von unabsehbarer Tragweite abspielen sollte. Bürger und Arbeiter, Damen und Frauen aus dem Volke, halbwüchsige Burschen und Greise, junge Mädchen, kleine Kinder, Kranke im Rollwagen, alles quoll durcheinander, schrie, politisierte und schwitzte. Und immer wieder fand sich ein Begeisterter, der plötzlich an den Kreis um ihn herum eine Ansprache hielt und immer wieder brauste der Ruf auf:
»Hinaus mit den Juden!«
Sonst pflegten bei ähnlichen Demonstrationen hier und dort Leute mit gebogener Nase oder besonders schwarzem Haar weidlich verprügelt zu werden; diesmal kam es zu keinem solchen Zwischenfall, denn Jüdisches war weit und breit nicht zu sehen, und zudem hatten die Kaffeehäuser und Bankgeschäfte am Franzens- und Schottenring, in weiser Erkenntnis aller Möglichkeiten, ihre Pforten geschlossen und die Rollbalken herabgezogen.
De Perzische dichter Moulana Nuruddin Abdorrahman Jami werd geboren op 18 augustus 1414 in een dorpje bij Jam, in het huidige Afghanistan. Zijn familie verhuisde naar Heart, waar hij wiskunde, natuurkunde, Arabische literatuur en islamitische filosofie kon studeren. Hij voltooide zijn studies in Samarkand. Zijn nalatenschap bestaat uit 81 werken, waaronder gedichtbundels, geschiedkundige, filosofische, taalkundige werken en commentaren.
One who travell'd in the Desert Saw MAJNUN where he was sitting All alone like a Magician Tracing Letters in the Sand. 'Oh distracted Lover! writing What the Sword-wind of the Desert Undeciphers so that no one After you shall understand'. MAJNUN answer'd --- 'I am writing Only for myself, and only "LAILA" ---if for ever "LAILA" Writing, in that Word a Volume, Over which for ever poring, From her very Name I sip In fancy, till I drink, her Lip'.
*
God said to the Prophet David-- 'David, whom I have exalted From the sheep to be my People's Shepherd, by your Justice my Revelation justify. Lest the misbelieving---yea, The Fire-adoring Princes rather Be my Prophets, who fulfill, Knowing not my WORD, my WILL'.
De Duitse schrijver Ulrich Woelk werd geboren op 18 augustus 1960 in Beuel bij Bonn. Tot 1987 studeerde hij natuurkunde in Tübingen, in 1991 promoveerde hij aan de Technische Universiteit in Berlijn. Tot 1994 was hij daar werkzaam als astrofysicus. Sinds 1995 leeft hij als zelfstandig schrijver in Berlijn. In 1990 ontving hij de Aspekte-Literaturpreis.
Werk o.a:Tod, Liebe, Verklärung (1992),Amerikanische Reise (1996), Die letzte Vorstellung (2002), Die Einsamkeit des Astronomen (2005)
Uit: Liebespaare (2001)
Ein Mann und eine Frau in einem Hotelzimmer auf einem Bett, dessen Decke dabei auf den Boden gerutscht ist. Haut und Nacht. Es ist zwei, halb drei vielleicht, draußen regnet es, der Schein der Straßenlaternen dringt von dort herein, und ein weiches Ineinander von Licht und Dunkelheit füllt den Raum. Neben ihr, auf dem Nachttisch, glimmen die roten Ziffern des Radioweckers, starr wie die Augen eines Tieres, das einen verschlingen wird. Zeit. Drei Uhr sieben, mit nutzloser Genauigkeit. Es ist kühl jetzt, so ohne Decke. Auf dem Boden liegen ihre Sachen, seine. Wirre Häuflein aus Dunkelheit. Einander ausziehen: Schultern, Arme, Nervosität. Jetzt liegt sein Körper reglos auf dem Laken, das Gelände seines Rückens weiß und flach wie der Mond. So nah und so fern. Mit den Händen seine Haut berühren, noch einmal darüberstreichen ... Als sie aufsteht vom Bett, behält das kurz aufraschelnde Laken ihre Warme zurück, einen unsichtbaren Abdruck ihres Körpers, der sich auflösen und bis zum Morgen verwehen wird. Der Flor des Teppichbodens schluckt das Geräusch ihrer Schritte, als wäre sie schon jetzt nicht mehr da. Sie geht zum Fenster und sieht hinaus auf den Platz, es ist der Gendarmenmarkt, kein Mensch dort unten jetzt, das Pflaster eine weite wäßrige Leere heute nacht, über den Türmen der beiden Dome vermischt sich der Regen mit den Lichtern der Stadt zum kuppelförmigen Glitzern eines riesigen Schüttelglases. Eine Puppenstadt. Ist alles nur ein Spiel, die Liebe.
De Duitse schrijver Marc Degens werd geboren op 18 augustus 1971 in Essen. Hij studeerde germanistiek en sociologie in Bochum. Sinds 1999 leeft hij als zelfstandig schrijver in Berlijn. Hij is lid van de band Superschiff en uitgever van het online magazine satt.org en van de serie Schöner Lesen die wordt uitgegeven door de Berlijnse uitgeverij SuKuLTuR en die, opvallend genoeg, sinds 2004 in Duitsland wordt verspreid via snoepautomaten. Uit 1997 stamt zijn roman vanity love. In 2006 verscheen het verhaal RÜCKBAU, geïllustreerd met eigen tekeningen.
Uit: unsere popmoderne
"vor uns, hinter uns, links, rechts, überall: polizei! sie knüppelten auf alles und jeden. auf frauen und männer, auf burschen und mädchen, jung und alt! wir waren eingekesselt. marijke schluchzte und schrie. ich hatte eine volle ladung tränengas abbekommen. ich konnte nicht mehr atmen, schien zu ersticken, sackte zu boden, sah nur noch schwarz. marijke nahm meine hand, zerrte mich in eine seitenstraße. blind stolperte ich hinterher. es war eine sackgasse. ich lehnte mich an die hauswand und übergab mich. marijke heulte vor wut. das können die doch nicht tun! das können die doch nicht tun! doch. wir alle waren friedlich gewesen. der protestzug hielt vor der absperrung, wir skandierten sprechchöre, keine gewalt, reckten transparente in die höhe, assediarne 8 per liberare tutti, niemand war vermummt, der schwarze block war ganz woanders."
De Nederlandse cabaretier, musicalster en schrijver Jos Brink is vanmiddag overleden. Jos Brink werd op 19 juni 1942 in Heiloo geboren. Hij verwierf ook grote bekendheid als predikant, hoorspelacteur en tv-presentator. Als dichter denkt men niet zo gauw aan hem, maar hij schreef ook wel poëzie.
De Franse dichter en schrijver Robert Sabatier werd geboren op 17 augustus 1923 in Parijs. Sinds 1971 is hij lid van de l'Académie Goncourt. Hij schrijft gedichten die de invloed verrraden van het surrealisme. In zijn proza draait het vaak om outsiders Sabatier schreef eveneens een Histoire de la Poésie française.
LES FEUILLES VOLANTES
Adieu mon livre, adieu ma page écrite, Se détachant de moi comme une feuille, Me laissant nu comme un cliché d'automne.
Je vous dédie une arche de parole Pour naviguer, mes amis, naviguer Dans ma mémoire où se taisent les loups.
Vole ma feuille au-dessus de la ville, Franchis le fleuve et détruis la frontière. Amour, amour, ô ma géographie!
Et si tu cours au fil de londe, un songe Recueillera mes images mouillées Que dans un pré le soleil séchera.
Poète ici, poète comme un arbre Offrant sa feuille à la terre gourmande Et dans lhumus herbe ressuscitant.
Un autre livre, une parole neuve, Les mêmes mots dans dautres mariages Et toujours lhomme et son tapis volant.
Roger Peyrefitte (17 augustus 1907 5 november 2000)
De Franse schrijver en diplomaat Roger Peyrefitte werd geboren op 17 augustus 1907 inCastres. Na zijn afstuderen ving hij een diplomatieke carrière aan als ambassadesecretaris in Athene van 1933 tot 1938. Zijn openbaar homoseksueel gedrag werd een tijdje gedoogd tot hij gedwongen werd ontslag te nemen om familiale redenen. Terug op de Quai dOrsay, het hoofdkwartier van de Franse diplomaten, gaf hij na enige tijd ontslag om persoonlijke redenen, maar werd in volle oorlogstijd in 1943 gereïntegreerd in de carrière. In februari 1945 zag hij zich verplicht, nu om politieke redenen, zich volledig uit de diplomatieke wereld terug te trekken. Ondertussen was hij een literaire loopbaan begonnen met de publicatie van de Amitiés, dat een overweldigend succes kende en meteen bekroond werd met de Renaudot-prijs. In 1964 werd het boek Les Amitiés particuliéres verfilmd.
Uit: Roy
« En un tournemain, il ôta sa robe de chambre pour se présenter sans voiles dans toute sa gloire. Puis, avec délices, il défit la ceinture de Bob, lui enleva le T-shirt de la strict éducation, son slip, son short, le contempla nu, avec ses chaussettes, ses baskets et son sexe, aussi raide que le sien. Cest Roy qui agissait avec lautorité de lacte final quil sapprêtait à accomplir. Un de ses doigts gagna lorifice dans lequel Jim avait joui ici, lautomne dernier. Bob, à son tour, le caressait au même endroit. « Ah ! ce cul toujours sans poils », dit-il. Roy continuait à tâter la place, si tendrement velue, qui avait encore la moiteur de la course. »
Jonathan Franzen (Western Springs, 17 augustus 1959)
De Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen werd geboren op 17 augustus 1959 in Western Springs, Illinois. Hij groeide op in St. Louis en studeerde in het begin van de jaren tachtig in Berlijn. In 1988 verscheen zijn debuutroman The Twenty-Seventh City. In 1992 volgde Strong Motion en in 2001 kreeg hij voor zijn derde boek The Corrections de National Book Award. In 2002 verscheen de bundel essays How to be alone.
Uit: The Corrections
The madness of an autumn prairie cold front coming through. You could feel it: something terrible was going to happen. The sun low in the sky, a minor light, a cooling star. Gust after gust of disorder. Trees restless, temperatures falling, the whole northern religion of things coming to an end. No children in the yards here. Shadows lengthened on yellowing zoysia. Red oaks and pin oaks and swamp white oaks rained acorns on houses with no mortgage. Storm windows shuddered in the empty bedrooms. And the drone and hiccup of a clothes dryer, the nasal contention of a leaf blower, the ripening of local apples in a paper bag, the smell of the gasoline with which Alfred Lambert had cleaned the paintbrush from his morning painting of the wicker love seat.
Three in the afternoon was a time of danger in these gerontocratic suburbs of St. Jude. Alfred had awakened in the great blue chair in which he'd been sleeping since lunch. He'd had his nap and there would be no local news until five o'clock. Two empty hours were a sinus in which infections, bred. He struggled to his feet and stood by the Ping-Pong table, listening in vain for Enid.
De Russische dichter Anton Delvig werd geboren op 17 augustus 1798 in Moskou. Hij studeerde samen met Aleksandr Poesjkin aan het lyceum Zarskoje Selo en raakte met hem bevriend. Samen gaven ze de Literaturnaya Gazeta uit (1830-1831). Delvig stond in de traditie van het Russische neoclassicisme.
Russisches Lied
Sang wohl, sang das Vögelein, Und verstummte. Ward dem Herzen Freude kund, Und Vergessen.
Vöglein, das so gerne singt, Warum schweigt es? Herz, was ist mit dir geschehn, Daß du traurig?
Ach, das Vöglein tötete Rauher Schneesturm, Und das Herz des Burschen brach Böses Reden.
Wär' das Vöglein gern geflogen Fort zum Meere, Wär' der Bursche gern entflohen In die Wälder.
In dem Meere treibt die Flut, Doch kein Schneesturm - Wilde Tiere birgt der Wald, Doch nicht Menschen.
1825
Vertaald door Friedrich Bodenstedt
Der Dichter
Lang verbirgt er im Herzen die tiefen Gefühl' und Gedanken: Scheint mit den Menschen, mit uns, nicht sie zu teilen bereit! Selten nur so - nach demWillen des Himmels? - beginnt er zu singen, Götter! dann bringt uns sein Lied Leben und Liebe und Glück, Ganz wie in uraltem Wein, dem teuren Gaste kredenzet, Schmeicheln den Sinnen zugleich: Farbe und Duft und Geschmack!
Theodor Däubler (17 augustus 1876 13 juni 1934) Portret door Otto Dix
De Duitse dichter en schrijver Theodor Däubler werd geboren op 17 augustus 1876 in Triëst. Daar, en in Venetië, groeide hij op. Däubler werd tweetalig (Duits en Italiaans) opgevoed. Na zijn eindexamen gymnasium trok hij met zijn ouders naar Wenen. Daarna begon voor hem een leven van voortdurend reizen, o.a. naar Napels, Berlijn, Parijs en Florence. Tijdens WO I woonde hij in Berlijn en in Wenen. Vanaf 1910 verschenen zijn eerste werken die door de dichters van het opkomende expressionisme enthousiast onthaald werden. Dat gold ook voor Das Nordlicht, een groots opgezet versepos in drie delen, waaraan Däubler al in 1898 begonnen was.
"Roger said one day, "My editor is coming to London soon. You know I do him a weekly letter about books and plays. I also drop the odd word about cultural personalities. He pays me ten pounds a week. I suppose he's coming to check on me. He says he wants to meet my friends. I've promised him an intellectual London dinner party, and you must come, Willie. It will be the first party in the Marble Arch house. I'll present you as a literary star to be. In Proust there's a social figure called Swann. He likes sometimes for his own pleasure to bring together dissimilar people, to create a social nosegay, as he says. I am hoping to do something like that for the editor. There'll be a Negro I met in West Africa when I did my National Service. He is the son of a West Indian who went to live in West Africa as part of the Back to Africa movement. His name is Marcus, after the black crook who founded the movement. You'll like him. He's very charming, very urbane. He is dedicated to inter-racial sex and is quite insatiable. When we first met in West Africa his talk was almost all about sex. To keep my end up I said that African women were attractive. He said, 'If you like the animal thing.' He is now training to be a diplomat for when his country becomes independent, and to him London is paradise. He has two ambitions. The first is to have a grandchild who will be pure white in appearance. He is half-way there. He has five mulatto children, by five white women, and he feels that all he has to do now is to keep an eye on the children and make sure they don't let him down. He wants when he is old to walk down the King's Road with this white grand child. People will stare and the child will say, loudly, 'What are they staring at, Grandfather?' His second ambition is to be the first black man to have an account at Coutts. That's the Queen's bank."
Tsegaye Gabre-Medhin (17 augustus 1936 25 februari 2006)
De Ethiopische schrijver Tsegaye Gabre-Medhin werd geboren op 17 augustus 1936 in Boda bij Ambo. Hij studeerde experimenteel theater in Londen en Parijs. Van 1961 tot 1971 was hij directeur van het Ethiopische Nationale Theater. Hij schreef gedichten, toneelstukken en essays. Zijn moedertaal was het Afaan Oromo, maar hij schreef in het Amhaars. Zijn landgenoten vergeleken hem met Shakespeare. Van hem vertaalde Gabre-Medhin ook werk, evenals van Brecht en Molière.
Prologue to African Conscience
Tamed to bend Into the model chairs Carpentered for it By the friendly pharos of its time The black conscience flutters Yet is taken in.
it looks right It looks left It forgets to look into its own self: The broken yoke threatens to return Only, this time In the luring shape Of luxury and golden chains That frees the body And enslaves the mind.
Into its head The old dragon sun Now breathes hot civilization And the wise brains Of the strong sons of the tribes Pant With an even more strange suffocation.
Its new self awareness (In spite of its tribal ills) Wishes to patch its torn spirits together: Its past and present masters (With their army of ghosts That remained to haunt the earth) Hook its innermost soul And tear it apart: And the african conscience Still moans molested Still remains drifting uprooted.
He loved her and she loved him. His kisses sucked out her whole past and future or tried to He had no other appetite She bit him she gnawed him she sucked She wanted him complete inside her Safe and sure forever and ever Their little cries fluttered into the curtains
Her eyes wanted nothing to get away Her looks nailed down his hands his wrists his elbows He gripped her hard so that life Should not drag her from that moment He wanted all future to cease He wanted to topple with his arms round her Off that moment's brink and into nothing Or everlasting or whatever there was
Her embrace was an immense press To print him into her bones His smiles were the garrets of a fairy palace Where the real world would never come Her smiles were spider bites So he would lie still till she felt hungry His words were occupying armies Her laughs were an assassin's attempts His looks were bullets daggers of revenge His glances were ghosts in the corner with horrible secrets His whispers were whips and jackboots Her kisses were lawyers steadily writing His caresses were the last hooks of a castaway Her love-tricks were the grinding of locks And their deep cries crawled over the floors Like an animal dragging a great trap His promises were the surgeon's gag Her promises took the top off his skull She would get a brooch made of it His vows pulled out all her sinews He showed her how to make a love-knot Her vows put his eyes in formalin At the back of her secret drawer Their screams stuck in the wall
Their heads fell apart into sleep like the two halves Of a lopped melon, but love is hard to stop
In their entwined sleep they exchanged arms and legs In their dreams their brains took each other hostage
De Duitse schrijfster Herta Müller werd geboren op 17 augustus 1953 in Nitzkydorf, Roemenië. Zij studeerde germanistiek en Roemeense literatuur aan de universiteit van het westen in Timişoara. Vanaf 1976 werkte zij als vertaalster in een machinefabriek, maar toen ze in 1979 niet wilde samenwerken met de Securitate werd zij ontslagen. Zij werkte tijdelijk als docente en privélerares. In 1982 kon haar eerste roman slechts in een gecensureerde versie verschijnen. In 1987 emigreerde zij met haar man naar de BRD. Ze kreeg in de volgende jaren verschillende leeropdrachten als writer in residence.
Uit: Der König verneigt sich und tötet
In der Dorfsprache so schien es mir als Kind lagen bei allen Leuten um mich herum die Worte direkt auf den Dingen, die sie bezeichneten. Die Dinge hießen genauso, wie sie waren, und sie waren genauso, wie sie hießen. Ein für immer geschlossenes Einverständnis. Es gab für die meisten Leute keine Lücken, durch die man zwischen Wort und Gegenstand hindurch schauen und ins Nichts starren mußte, als rutsche man aus seiner Haut ins Leere. Die alltäglichen Handgriffe waren instinktiv, wortlos eingeübte Arbeit, der Kopf ging den Weg der Handgriffe nicht mit und hatte auch nicht seine eigenen, abweichenden Wege. Der Kopf war da, um die Augen und Ohren zu tragen, die man beim Arbeiten brauchte. Die Redewendung: »Der hat seinen Kopf auf den Schultern, damit es ihm nicht in den Hals regnet,« dieser Spruch konnte auf den Alltag aller angewendet werden. Oder doch nicht? Warum riet meine Großmutter meiner Mutter, wenn es Winter und draußen nichts zu tun, wenn mein Vater ohne Unterlaß Tage hintereinander sturzbesoffen war: »Wenn du meinst, daß du nicht durchhältst, dann räum den Schrank auf.« Den Kopf still stellen durchs Hin- und Herräumen von Wäsche. Die Mutter sollte ihre Blusen und seine Hemden, ihre Strümpfe und seine Socken, ihre Röcke und seine Hosen neu falten und stapeln oder nebeneinander hängen. Frisch beieinander sollten die Kleider der Beiden verhindern, daß er sich aus dieser Ehe heraus säuft.
De Duitse schrijfster Susanne Fischer werd geboren op 16 augustus 1960 in Hamburg. Zij studeerde germanistiek en politicologie en werkte van 1980 tot 1988 als freelance journaliste en hoorspellector. Van 1989 tot 2001 was zij wetenschappelijk medewerkster van de Arno Schmidt Stiftung, Bargfeld, daarna zakelijk leidster van dezelfde stichting. Vanaf 1995 was zij columniste bij de tageszeiung. Zij publiceerde in talrijke bloemlezingen.
Uit: Die Platzanweiserin
»Es war ein Schlag, wissen Sie, er ist beim Frühstück vom Küchenstuhl gefallen.« Kummer und Erregung tanzten in den Waagschalen, mal leicht, mal schwer, sie wußte selbst nicht, welcher Empfindung sie zum Sieg verhelfen würde. Max war in den Keller verschwunden, ohne daß sie es bemerkt hatte. In der Küche, in der wir standen, trug der Vorhang dasselbe Muster wie die Tapete, und es hätte mich nicht gewundert, wenn auch die alte Frau ein Kleid aus jenem Stoff besessen hatte, doch jetzt war sie schwarz überlackiert von den Schultern bis zum Knie, in ein Witwcnfutteral gesteckt, traurig schon, aber eben auch nagelneu, ungewohnt, glänzend und knarzig. Der Abfluß roch, ein Haus mit Mundgeruch, die Witwe war unschlüssig, ob sie es bemerken sollte oder ihr Haus liebevoll vorstellen wie einen alten Pullover, den andere immer so vergammelt finden, während man selbst weiß, wie einzigartig er paßt. Aber die Witwe schrumpfte schon, das Reihenhaus schlotterte um ihren Bauch, es warf Falten und hatte Halsentzündung. Nicht mehr lange, und es würde sie ausgespien haben.
Max Schuchart (16 augustus 1920 - 25 februari 2005)
De Nederlandse dichter, journalist en vertaler Max Schuchart werd geboren in Rotterdam op 16 augustus 1920. Hij was redacteur van het tijdschrift Proloog en het Handelsblad. Max Schuchart was vooral bekend dankzij zijn vertaling In de ban van de Ring van The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien. Deze vertaling, die in 1957 voor het eerst verscheen, was de allereerste vertaling ter wereld van dit boek. Voor deze vertaling kreeg hij de Martinus Nijhoffprijs en de M.B.E., een Britse ridderorde. Hij vertaalde ook werk van Richard Adams, Daniel Defoe, D.H. Lawrence, Salman Rushdie, J.D. Salinger, Dylan Thomas en Oscar Wilde.
Het Chinese theekopje - (een studie)
Het porselein, het dunne, is aan de binnenkant wit, gelijk aangedunde melk zonder een roomrand. Beschilderd met figuurtjes - een klein teer vrouwspostuurtje met twee mannen als buurtjes - is 't aan de buitenkant.
Ovaal is 't vrouwenkopje en 't opgestoken haar, zwart als knoopjesdropje houdt een spang bij elkaar. 't Pruimenmondje coquetjes, als gevouwen servetjes driehoekig, vroom en netjes 't amandelogenpaar.
Kaal zijn de mannenhoofdjes, rosig op 't schedelvlak, en boven de spleetoogjes wenkbrauwen dik, gitzwart. Langs het mondje, chagrijnig, bungelt verveeld, diklijnig, mealncholiek, venijnig, een snor als pruimtabak.
Drie gouden cirkellijntjes stralen de hoofdjes om. Grillige tierlantijntjes op 't donkerglanzend fond: Chinese bloemmotieven, de Lotus der gelieven, figuren naar believen en goudvlakjes van zon.
Jules Laforgue (16 augustus 1860 - 20 augustus 1887)
De Franse dichter Jules Laforgue werd geboren in Montevideo op 16 augustus 1860. In 1875 remigreerde zijn familie vanuit Uruguay naar het Franse Tarbes. Eind 1876 vertrok Jules Laforgue naar Parijs om er filosofie te studeren. Nauwelijks een jaar later overleed zijn moeder als gevolg van een moeilijke bevalling. In 1879 verschenen de eerste gedichten van Laforgue in het literaire tijdschrift "L'Enfer". In Parijs sluit hij zich daarop aan bij de literaire kring van de Hydropathes, waar hij kennis maakte met de symbolisten. In 1880 verschenen al zijn eerste gedichten in "La Vie Moderne" van Paul Bourget.
Fragment
J'ai passé l'âge timide Dans un stagnant pays Où pèse un ciel torride Sur rien que des champs de maïs
Tuiles, choux, commères du voisinage, C'est là que j'ai passé mon bel âge Et lan lan la - C'est là ! Les beaux ramiers de l'incurie Chaque soir vers toi j'irai aussi fidèle Que chaque soir le soleil vers l'occident
Puis-je me plaindre de n'être pas heureux Quand il est des femmes à jamais laides
Encore cet astre
Espèce de soleil! tu songes : - Voyez-les, Ces pantins morphinés, buveurs de lait d'ânesse Et de café; sans trêve, en vain, je leur caresse L'échine de mes feux, ils vont étiolés! -
- Eh! c'est toi, qui n'as plus que des rayons gelés! Nous, nous, mais nous crevons de santé, de jeunesse! C'est vrai, la Terre n'est qu'une vaste kermesse, Nos hourrahs de gaîté courbent au loin les blés.
Toi seul claques des dents, car tes taches accrues, Te mangent, ô Soleil, ainsi que des verrues Un vaste citron d'or, et bientôt, blond moqueur,
Après tant de couchants dans la pourpre et la gloire, Tu seras en risée aux étoiles sans cur, Astre jaune et grêlé, flamboyante écumoire!
Pierre Henri Ritter jr. (16 augustus 1882 13 april 1962)
De Nederlandse journalist, letterkundige, criticus en publicist Pierre Henri Ritter jr. werd geboren in Utrecht op 16 augustus 1882. Tussen 1903 en 1910 verscheen proza van hem in de stijl van Van Deyssel in De XXe Eeuw; dit vroege werk is gebundeld in zijn, onder het pseudoniem Rudolf Atele verschenen, Kleine Prozastukken (1911). Later publiceerde hij dit werk onder eigen naam, maar ter onderscheiding van zijn vader plaatste hij er 'jr.' achter. Zo ontstond de naam waaronder hij jarenlang grote bekendheid genoot: dr. P.H. Ritter Jr. Na zijn promotie in 1909 was Ritter werkzaam bij de overheid. Ware pioniersarbeid verrichtte Ritter sinds 1925 met zijn wekelijkse boekenrubriek voor de AVRO en in die zin is hij van grote betekenis geweest voor de popularisering van de literatuur.
Uit:Anneke Wijdom (Anke Servaes)
Anke Servaes behoort tot de letterkundigen, die zich tot een speciaal gebied hebben beperkt, maar die ons op dat gebied uitmuntend werk hebben geschonken. Zij was de beschrijfster en doorgrondster van het lot van invalide en verdrukte kinderen, haar sfeer is die van het Kinderziekenhuis. Niemand, die zich met deze aangrijpende zijde van het leven bemoeit, kan haar boeken ongelezen laten.
De gang van haar leven en de aard van haar karakter vormen een overeenkomst met de belangstelling, die dat leven heeft gestuwd. Haar kunst kwam rechtstreeks voort uit haar zelfverloochenende, aan anderen toegewijde en opgewekte natuur. Daarom is een schets van haar levensloop niet een bijkomstige oriëntering, maar is zij verbonden aan het begrip van haar werk. Wij bezitten het voorrecht te beschikken over een eerbiedige en gevoelige levensbeschrijving van Anke Servaes, van de hand van haar echtgenoot, de Heer R. Valkhoff. Haar figuur rijst uit dit te harer Nagedachtenis gesteld geschrift duidelijk omhoog.
De Duitse (toneel)schrijver Moritz Rinke werd geboren op 16 augustus 1967 in Worpswede bij Bremen. Hij studeerde toegepaste theaterwetenschappen en werkte vervolgens voor kranten als de Süddeutsche Zeitung, Frankfurter Allgemeine Zeitung, Die Zeit en Theater heute. Als redacteur bij de Berlijnse Der Tagesspiegel ontving hij tweemaal de Axel-Springer-Preis. Eenmaal voor zijn verslag van de Love Parade in 1997 en een keer voor zijn reportage Ein Tag mit Marlene. Sinds 1999 schrijft hij theaterstukken. Hij actualiseerde Die Nibelungen voor de Nibelungenfestspiele in Worms in 2002 en 2003.
Uit:Das große Stolpern
Kürzlich war ich gebucht auf Lufthansa von Stuttgart nach Berlin. Dieser Flug war so ungefähr das Schlimmste, was ich an Personenbeförderung je erlebt habe. Ich saß neben Dolly Buster. Ich hatte sie gerade auf ihren schönen Talisman angesprochen, da ging es los. Sie konnte gerade noch sagen, dass das ein tibetischer Buddha sei, da gerieten wir in große Turbulenzen, die Stewardessen mussten ihren Service einstellen und alle schrien. Ich selbst wurde von einer Turbulenz auf die Seite von Dolly Buster hinübergeworfen und lag auf ihrer riesigen linken Brust. Sie sagte immer wieder in ihrem wunderbaren Akzent: 'Wir stürzzzen ab, wir stürzzzzen ab', und ich überlegte mir, wie groß die Chance zu überleben sei, wenn ich jetzt einfach zwischen den beiden Brüsten von Dolly Buster wäre, als mir Busters Buddha hart ans Brustbein drückte. Ich sagte noch 'Pardon', sie entgegnete 'Ist doch jetzt egal' - aber wir überlebten. Im Bus flüsterte sie: 'Kommen Sie doch auf die Cebit- Fachmesse in Hannover, da bin ich auch!' Auf einer ICE-Reise Tage später las ich: 'Die FDP ist sexy - Stimmen Sie mit Dolly Buster für die Liberalen!' Ich stieg sofort in Hannover aus, aber ich habe sie nicht gefunden auf der Fachmesse.
"Back with our camels, we dumped the loads, and sent the animals to safe pasture near some undercut rocks from which the Arabs scraped salt. The freedmen carried down the Stokes gun with its shells; the Lewis guns; and the gelatine with its insulated wire, magneto and tools to the chosen place. The sergeants set up their toys on a terrace, while we went down to the bridge to dig a bed between the ends of two steel sleepers, wherein to hide my fifty pounds of gelatine. We had stripped off the paper wrapping of the individual explosive plugs and kneaded them together by help of the sun heat into a shaking jelly in a sandbag.
The burying of it was not easy. The embankment was steep, and in the sheltered pocket between it and the hill-side was a windlaid bank of sand. No one crossed this but myself, stepping carefully; yet I left unavoidable great prints over its smoothness. The ballast dug out from the track I had to gather in my cloak for carriage in repeated journeys to the culvert, whence it could be tipped naturally over the shingle bed of the water-course."
drunk on the dark streets of some city, it's night, you're lost, where's your room? you enter a bar to find yourself, order scotch and water. damned bar's sloppy wet, it soaks part of one of your shirt sleeves. It's a clip joint-the scotch is weak. you order a bottle of beer. Madame Death walks up to you wearing a dress. she sits down, you buy her a beer, she stinks of swamps, presses a leg against you. the bar tender sneers. you've got him worried, he doesn't know if you're a cop, a killer, a madman or an Idiot. you ask for a vodka. you pour the vodka into the top of the beer bottle. It's one a.m. In a dead cow world. you ask her how much for head, drink everything down, it tastes like machine oil.
you leave Madame Death there, you leave the sneering bartender there.
you have remembered where your room is. the room with the full bottle of wine on the dresser. the room with the dance of the roaches. Perfection in the Star Turd where love died laughing.
Consummation Of Grief
I even hear the mountains the way they laugh up and down their blue sides and down in the water the fish cry and the water is their tears. I listen to the water on nights I drink away and the sadness becomes so great I hear it in my clock it becomes knobs upon my dresser it becomes paper on the floor it becomes a shoehorn a laundry ticket it becomes cigarette smoke climbing a chapel of dark vines. . . it matters little very little love is not so bad or very little life what counts is waiting on walls I was born for this I was born to hustle roses down the avenues of the dead.
Thomas de Quincey (15 augustus 1785 - 8 december 1859)
De Engelse schrijver, essayist en journalist Thomas De Quincey werd geboren op 15 augustus 1785 in Manchester. De Quincey maakte deel uit van de literaire stroming in het begin van de 19de eeuw waartoe ook Wordsworth en Coleridge hoorden, de Romantici. Met Coleridge had De Quincey twee belangrijke zaken gemeen: de opiumverslaving en de grote interesse in dromen. Deze interesse paste ook bij de Romantische fascinatie met verschillende bewustzijnstoestanden, met extatische belevingen en met doorvoelde persoonlijke ervaringen. Zijn bekendste boek heette dan ook Confessions of an English Opium-Eater.
Uit: Confessions of an English Opium Eater"It is so long since I first took opium, that if it had been a trifling incident in my life, I might have forgotten its date: but cardinal events are not to be forgotten; and from circumstances connected with it, I remember that it must be referred to the autumn of 1804. During that season I was in London, having come thither for the first time since my entrance at college. And my introduction to opium arose in the following way. From an early age I had been accustomed to wash my head in cold water at least once a day: being suddenly seized with toothache, I attributed it to some relaxation caused by an accidental intermission of that practice; jumped out of bed; plunged my head into a basin of cold water; and with hair thus wetted went to sleep. The next morning, as I need hardly say, I awoke with excruciating rheumatic pains of the head and face, from which I had hardly any respite for about twenty days. On the twenty-first day, I think it was, and on a Sunday, that I went out into the streets; rather to run away, if possible, from my torments, than with any distinct purpose. By accident I met a college acquaintance who recommended opium. Opium!"
Matthias Claudius (15 augustus 1740 - 21 januari 1815)
De Duitse dichter Matthias Claudius werd op 15 augustus 1740 geboren in het Duitse stadje Reinfeld in de buurt van Lübeck. Hij studeerde theologie en rechten, maar beide studies voltooide hij niet. Hij was werkzaam als journalist en bevriend met de Duitse dichters Klopstock en Herder. Hij stierf in 1815 in Hamburg.
Der Mond ist aufgegangen
Der Mond ist aufgegangen, die goldnen Sternlein prangen am Himmel hell und klar; der Wald steht schwarz und schweiget, und aus den Wiesen steiget der weiße Nebel wunderbar.
Wie ist die Welt so stille und in der Dämmrung Hülle so traulich und so holt als eine stille Kammer, wo ihr des Tages Jammer verschlafen und vergessen sollt.
Seht ihr den Mond dort stehen? Er ist nur halb zu sehen und ist doch rund und schön. So sind wohl manche Sachen, die wir getrost belachen, weil unsre Augen sie nicht sehn.
Wir stolze Menschenkinder sind eitel arme Sünder und wissen gar nicht viel; wir spinnen Luftgespinste und suchen viele Künste und kommen weiter von dem Ziel.
Gott, laß dein Heil uns schauen, auf nichts Vergänglichs bauen, nicht Eitelkeit uns freun; laß uns einfältig werden und vor dir hier auf Erden wie Kinder fromm und fröhlich sein.
Wollst endlich sonder Grämen aus dieser Welt uns nehmen durch einen sanften Tod; und wenn du uns genommen, laß uns in Himmel kommen, du unser Herr und unser Gott.
So legt euch denn, ihr Brüder, in Gottes Namen nieder; kalt ist der Abendhauch. Verschon uns, Gott, mit Strafen und laß uns ruhig schlafen und unsern kranken Nachbar auch.
De Nederlandse schrijfster en dichteres Marga Kool werd geboren in Beekbergen op 15 augustus 1949. Zij is vooral bekend vanwege haar werk in het Drents maar publiceert ook in het Nederlands. Kool groeide op in een boerengezin. Ze woonde op verschillende plaatsen in het oosten van het land en vanaf haar elfde jaar in het Drentse Zuidwolde. Ze werkte in het onderwijs, onder andere dertien jaar als lerares Nederlands. Daarnaast was ze bestuurder: voor D66 zat ze tien jaar in de gemeenteraad van Zuidwolde en daarna in de Provinciale Staten van Drenthe. Tussen 1991 en 1999 was ze in Drenthe gedeputeerde van Milieu en Cultuur. Sinds 2000 is ze dijkgraaf van het waterschap Reest en Wieden.Marga Kool zette zich naast haar werk vooral actief in voor de Nedersaksische streektaal.Zij won op negentienjarige leeftijd met haar televisiespel Niemandsland een schrijfwedstrijd van de AVRO. De eenakter werd uitgezonden met Cox Habbema in de hoofdrol. Daarna publiceerde ze met tussenpozen verhalen, gedichten, toneelstukken en liedteksten, zowel in het Drents als in het Nederlands
Uit: Een kleine wereld
"Vroeger kleurde de essen 's zomers in alle tinten groen: het blauwgroen van de rogge, het geelgroen van de haver, het grijsgroen van de gerst. Waar de rogge dun stond, op het magere zand, straalde aan de voet van het koren de geelwitte kamille, hogerop het blauw en het wit van korenbloemen en margrieten, de felle hartstocht van de klaprozen. Er trilden sluiers van stuifmeel boven de akker. Leeuweriken jubelden zich kleiner en kleiner tegen de strakke hemel, tot ze volledig opgingen in lucht en zang"
Heinrich Eichen (15 augustus 1905 - 30 mei 1986) Beeld van Georg Kolbe (geen portret beschikbaar)
De Duitse dichter en schrijver Heinrich Eichen werd geboren op 15 augustus 1905 in Bonn. Hij groeide op in Elbig in het toenmalige Polen. Aanvankelijk werkte hij voor de gemeente, later werd hij boekhandelaar. Al jong publiceerde hij gedichten. Nadat de Duitse bevolking uit Elbig verdreven was leefde Eichen vanaf 1945 tot aan zijn dood in Berlijn, waar hij opnieuw als boekhandelaar, maar ook als journalist werkte. Hij stond dicht bij de jeugdbeweging en steunde die ook in zijn geschriften. Als homosexueel werd Eichen in het Derde Rijk geconfronteerd met politieverhoren en andere intimidaties. Na WO II schreef hij onder diverse pseudoniemen ook voor tijdschriften voor homo's. Zijn laatste dichtbundel heette Gesang der Plastik, een sonnettencyclus bij het werk van de beeldhouwer Georg Kolbe.
Knaben am See
Hell sang zum Himmel ihrer Jugend Lust. Sie stürmten auf dem Grün der Erde unbändig und voll Kraft wie junge Pferde; und ihre Anmut war nur unbewußt.
Die Flut des Sees umspülte ihre Brust. Sie teilten ihn mit jauchzender Gebärde, sie glitten, trunken schwebend, ohn' Beschwerde, und ihre Anmut war nur unbewußt.
Sie wuchsen leuchtend an des Wassers Rand. Der Atem ihrer Leiber ging im Takt. Der Rhytmus ihres Stehens schon war Tanz.
Der Sonne Licht hing jubelnd überm Land, da schlanke Knaben, blühend braun und nackt, verharrten singend in des Tages Glanz.
Guillaume van der Graft (Rotterdam, 15 augustus 1920)
De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Hij studeerde korte tijd letteren in Leiden (1938-1939). Daarna ging hij in militaire dienst, om vervolgens theologie te gaan studeren in Utrecht. Omdat hij weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen, werd hij in 1943 in het kader van de Arbeitseinsatz te werk gesteld in Berlijn. Na de oorlog wordt hij eerst hulppredikant, later Nederlands Hervormd predikant in Hardenberg (1946). In 1950 werd hij predikant in Nijmegen. Van 1954-1959 was hij in Amsterdam studiesecretaris van de dr. G van der Leeuwstichting en zette hij samen met de musicus Frits Mehrtens en de theoloog ds. W.G. Overbosch in de Maranathakerk de Nocturnen op. In 1959 werd Barnard door tuberculose een aantal jaren uitgeschakeld. Daarna bleef hij studiesecretaris, maar werd hij bijstand in het pastoraat van de gemeente Rozendaal in Gelderland (1961). Hier bleef hij tot 1971, waarna hij naar Ellecom verhuisde. In 1973 kreeg hij een nieuwe fysieke en psychische inzinking die resulteren in zijn emeritaat in 1975. In 1978 vestigt hij zich in Utrecht. Later ging hij over tot de Oud-katholieke Kerk.Van der Graf voelde zich altijd meer dichter-theoloog dan predikant. Er staan talloze dichtbundels op zijn naam, en hij is een van de belangrijkste dichters in het Liedboek voor de Kerken, waaraan hij jaren heeft gewerkt.
Onder de wolk 2
Blind is het buiten die nipte lichtkring waar ik in verkeer, wel verkeren moet, wereld noem ik het maar, aarde en nog wat,
je luistert toch niet. Niets ben jij, alles misschien, maar niets voor mij. Wat ik geloof (of dat is weer te veel gezegd), waar ik
aan hecht is die toverlantaarn van verhalen, over een wolk die meeschoof
en als het donker werd, nestelde in die wolk een zwerm daglicht, dat was dan genoeg.
Gymnasiumcultuur
Lichaamsbeweging, zeggen ze, anders word je te vadsig, log de gestalte en sponzig. Dus ik moet lopen,
zwemmen liefst, volleybal spelen, gewichtheffen, paardrijden, trimmen en flink zijn.
Maar ik loop toch? Ik schrijf tegenspraak in de lucht, laat mijn oog wandelen over het water,
draag op mijn oren de last van de herrie, het dood gewicht van de haat, ik draaf door op mijn nachtmerrie
en ik kaats woorden over het net tussen twee betekenissen.
R.J. Peskens (15 augustus 1909 - 18 december 1987)
De Nederlandse schrijver R.J. Peskens (auteursnaam van uitgever Geert van Oorschot) werd geboren in Vlissingen op 15 augustus 1909.Van Oorschot debuteerde als dichter onder eigen naam in Links Richten met socialistische verzen. Zijn poëzie werd gebundeld in De turfgravers (1930) en Gevangenis (1932). Hij was als dienstweigeraar geruime tijd gedetineerd.Als R.J. Peskens debuteerde hij in 1964 in de reeks De Witte Olifant van zijn eigen uitgeverij met proza getiteld Uitgestelde vragen. Er volgden onder dit pseudoniem nog vijf verhalenbundels en een roman. De naam Peskens had hij ontleend aan een beruchte anarchist uit Vlissingen en de initialen stonden voor de voornamen van twee van zijn meest geliefde dichters: de 'R.' van Richard Minne en de 'J.' van Jan van Nijlen.
Er was een tijd dat ik mij dichter vond, om welke reden wou ik dat toch wezen? want elke regel die in mij ontstond kon men veel mooier bij een ander lezen.
Uit:Brieven van een uitgever (aan Ant ter Braak, 5 november 1986)
"Je zult ondertussen al wel de uitnodiging voor het 'ere-doctoraat-feest' ontvangen hebben. Het is eigenlijk allemaal een beetje overdreven vind ik. Een arbeider behoort zijn werk goed te doen en dat heb ik geprobeerd. Het is natuurlijk wel plezierig als je waardering voor je werk ondervindt, maar moet dat extra 'beloond of geprezen' worden? Het is ook een beetje een vreemd huis waarin ik nu terecht ben gekomen, maar een katholieke universiteit die een atheïst, een sociaal democraat met anarchistische afwijkingen, een dwarsligger met zo'n doctoraat 'eert' is eigenlijk niet katholiek meer."
Daan Zonderland (15 augustus 1909 5 augustus 1977)
De Nederlandse dichter Daan Zonderland (pseudoniem van Dr. Daniel Gerhard (Daan) van der Vat) werd geboren in Groningen op 15 augustus 1909. Zie ook mijn blog van 15 augustus 2006.
In de grote stad van Londen
Wonen honderdduizend honden
Die op sanitaire gronden
Telken dage vele malen
Stil staan bij lantarenpalen
Londen nam tot onze stichting
Dan ook op zich de verplichting
Voor een goede straatverlichting
Iets dat, volgens vele honden,
Elders zelden wordt gevonden.
Op vrijdagavond 10 mei 1940, de eerste avond van de oorlog, schetst Jan Campert de sfeer in de stad: Nooit was Amsterdam zoo mooi en zoo rustig als op deze eersten oorlogsavond. En zóó stil. Maar het was een stilte die van een onheilspellende geheimzinnigheid was vervuld. Want voor het eerst was Nederlands grootste stad verduisterd.
Erwin Strittmatter (14 augustus 1912 - 31 januari 1994)
De Duitse schrijver Erwin Strittmatter werd geboren op 14 augustus 1912 in Spremberg. Hij behoorde tot de bekendste schrijvers uit de DDR. Hij liet aan de stad Spremberg en het dorp Bohsdorf een indrukwekkend literair monument na: de sterk autobiografisch getinte romantrilogie Der Laden.
Uit:Geschichten ohne Heimat
"Sie hatte sich ein Karrband um die Schulter und um die Brust gelegt, eine grobe Schärpe, mit der sie einen großen Handwagen, einen Hundewagen, zog. An die linke Deichselseite war ein Hund gespannt. Der hellgelbe Kettenhund zerrte mit heraushängender Zunge; er hatte es eilig, aufs Feld und aus dem Geschirr zu kommen, um nach Hasen und Mäusen jagen zu können. Die Frau lehnte sich zurück und bremste den Eifer des Hundes mit der Deichsel ab. Sie wollte den Marin betrachten, der vor dem Dorfgasthaus aus einem modernen Auto stieg. Der Mann, der aus dem Auto stieg, erkannte die Frau und entsann sich ihres Namens: Grete Nothnick. Sie war ein paar Jahre älter als er, doch sie schien alterlos zu sein, denn ihr Haar war in der Kindheit hellblond gewesen, und jetzt mochte es grau sein, aber auf die Entfernung sah es immer noch aus wie hellblond. Der Mann hatte ein gutes Gedächtnis für Menschengesichter; schon in der Kindheit waren sie ihm wie Bücher gewesen, in denen er mit den Jahren besser und besser lesen gelernt hatte. Er erinnerte sich, daß vor Jahrzehnten die Mutter der Frau mit dem Hundewagen auf der Chaussee entlang gefahren war. Das Mädchen Grete hatte damals den Wagen von hinten geschoben, um ihrer Mutter und dem Hunde die Last zu erleichtern. Vielleicht ists noch derselbe Hundewagen, dachte er, und es war ihm, als ob die Zeit fünfzig Jahre still gestanden hätte" .
Johannes Trojan (14 augustus 1837 - 23 november 1915)
De Duitse schrijver Johannes Trojan werd geboren op 14 augustus 1837 in Danzig. Hij studeerde medicijnen in Göttingen, en toen germanistiek in Berlijn en Bonn. In 1862 werd hij assistentredacteur van de Berliner Morgenzeitung, in 1868 redacteur van het politiek-satirische Kladderadatsch en van 1886 tot 1909 de hoofdredacteur ervan. In 1898 moest hij twee maanden de gevangenis in wegens majesteitsschennis.
Uit: Mein Leben
"Meine Mutter starb, als ich noch klein war. Unter den Augen meines Vaters, eines so klugen wie gütigen Mannes, bin ich aufgewachsen, zusammen mit lieben Geschwistern, von denen eines mein Zwillingsschwesterchen war. Ich habe das Danziger Gymnasium von der Septima an besucht, um Ostern 1856 das Abiturientenexamen bestanden und dann in Göttingen, Bonn und Berlin studiert. Medizin zuerst, dann deutsche Philologie. Im Januar 1862 bin ich zur Schriftstellerei und Dichtkunst übergegangen und habe es versucht, bei der Presse etwas zu verdienen. Zuerst wurde es mir sehr sauer durchzukommen, und so manches Mal gab es bei mir nichts zu Mittag. Doch bald wurde es besser. Noch im Jahre 1862 erlangte ich eine feste Anstellung bei einem Humoristisch-satirischen Blatt, das sich damals im 14. Jahr seines Bestehens befand. Diesem Blatt habe ich jetzt 44 Jahre angehört, zuerst als Mitarbeiter, dann als Redakteur. Für viele andere Blätter noch habe ich nebenbei geschrieben. Ich kann sagen, daß ich bemüht gewesen bin, in alles, was ich schrieb - und war es die kleinste Gelegenheitssache - von meinem Eigenen, was ich zu geben hatte, hineinzutun und allen Fleiß daran zu wenden."
Ernest Thayer (14 augustus 1863 - 21 augustus 1940)
De Amerikaanse dichter en schrijver Ernest Lawrence Thayer werd geboren op 14 augustus 1863 in Lawrence, Massachusetts. Hij studeerde magna cum laude af in filosofie aan de universiteit van Harvard in 1885, waar hij uitgever was van de Harvard Lampoon. William Randolph Hearst huurde Thayer in als humoristisch columnist voor San Francisco Examiner 1886-88. Hij is bekend gebleven dankzij zijn ballade Casey at the Bat.
Casey at the Bat (fragment)
The outlook wasn't brilliant for the Mudville nine that day; The score stood four to two, with but one inning more to play, And then when Cooney died at first, and Barrows did the same, A pall-like silence fell upon the patrons of the game.
A straggling few got up to go in deep despair. The rest Clung to that hope which springs eternal in the human breast; They thought, "If only Casey could but get a whack at that-- We'd put up even money now, with Casey at the bat."
But Flynn preceded Casey, as did also Jimmy Blake, And the former was a hoodoo, while the latter was a cake; So upon that stricken multitude grim melancholy sat, For there seemed but little chance of Casey getting to the bat.
But Flynn let drive a single, to the wonderment of all, And Blake, the much despisèd, tore the cover off the ball; And when the dust had lifted, and men saw what had occurred, There was Jimmy safe at second and Flynn a-hugging third.
De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt en groeide op in Karlsruhe. Hij studeerde literatuur, filosofie en sociologie in Heidelberg, Göttingen en Frankfurt am Main. In 1968 won hij de Leonce-und-Lena-Preis van Darmstadt. Het jaar daarop verscheen zijn eerste verhalenbundel Früher begann der Tag mit einer Schußwunde met het beroemde Mittagspause. Hij bleef proza en gedichten schrijven, ook toen hij gedurende de jaren tachtig langere tijd in de VS en Mexici verbleef. Na zijn terugkeer vestigde hij zich eerst in München, later in Wenen. Wondratschek schrijft ook hoorspelen en draaiboeken.
In den Autos
Wir waren ruhig, hockten in den alten Autos, drehten am Radio und suchten die Straße nach Süden.
Einige schrieben uns Postkarten aus der Einsamkeit, um uns zu endgültigen Entschlüssen aufzufordern.
Einige saßen auf dem Berg, um die Sonne auch nachts zu sehen.
Einige verliebten sich, wo doch feststeht, daß ein Leben keine Privatsache darstellt.
Einige träumten von einem Erwachen, das radikaler sein sollte als jede Revolution.
Einige saßen da wie tote Filmstars und warteten auf den richtigen Augenblick, um zu leben.
Einige starben, ohne für ihre Sache gestorben zu sein.
Wir waren ruhig, hockten in den alten Autos, drehten am Radio und suchten die Straße nach Süden.
Am Quai von Siracusa
Die Möven lassen sich durch Winde fallen, die Schiffe liegen wie auf Grund. Das Meer steht still zu dieser Stund, der dunkelsten von allen.
Kein Gast bewohnt im Grand-Hotel die Räume. Verlassen stehn die Kaufmannshäuser da. Hier ist die Schönheit ganz dem Ende nah und ohne Trost selbst deine Träume.
Den Löwen sitzt schon Moder im Gebiß. Die Katzen gebären in leeren Palästen. Und durch das Lächeln der Madonna geht ein Riß.
Eroberer sind hier an Land gegangen. Die Fischer halten ihren Fang. Die Stadt, Vergangenheiten überhangen, von Anfang an.
Sir Walter Scott (14 augustus 1771 - 21 september 1832)
De Schotse dichter en schrijver Sir Walter Scott werd geboren in Edinburgh op 14 augustus 1771. De grondlegger van de historische roman behoort tot de invloedrijkste schrijvers uit de wereldliteratuur. Nadat hij naam had gemaakt als romantisch dichter (en verzamelaar) van historische balladen, publiceerde Walter Scott in 1814 - onder pseudoniem - Waverley, de eerste van een reeks romans over het Schotse verleden waarin een hoofdpersoon moet kiezen tussen verschillende (politieke) loyaliteiten. De beroemdste zijn Rob Roy (1817), waarin de bedreigde erfgenaam van een landgoed anno 1715 de hulp inroept van een nationalistische bandiet, The Heart of Midlothian (1818), over een 18de-eeuwse vrouw die verdacht wordt van moord op haar kind, en The Bride of Lammermoor (1819), een liefdestragedie die door Donizetti tot een opera werd bewerkt. Vanaf Ivanhoe (1819, een kruisridder helpt een dame in nood) verlegde Scott zijn aandacht naar andere landen en vroegere tijden, om in Redgauntlet (1824, een 18de-eeuwse opstand tegen de Engelse koning) weer terug te keren naar Schotland.
Uit: Ivanhoe
"I know not whether the fair Rowena would have been altogether satisfied with the species of emotion with which her devoted knight had hitherto gazed on the beautiful features, and fair form, and lustrous eyes, of the lovely Rebecca; eyes whosebrilliancy was shaded, and, as it were, mellowed, by the fringe of her long silken eyelashes, and which a minstrel would have compared to the evening star darting its rays through a bower of jessamine. But Ivanhoe was too good a Catholic to retain the same class of feelings towards a Jewess. This Rebecca had foreseen, and for this very purpose she had hastened to mention her father's name and lineage; yet---for the fair and wise daughter of Isaac was not without a touch of female weakness---she could not but sigh internally when the glance of respectful admiration, not altogether unmixed with tenderness, with which Ivanhoe had hitherto regarded his unknown benefactress, was exchanged at once for a manner cold, composed, and collected, and fraught with no deeper feeling than that which expressed a grateful sense of courtesy received from an unexpected quarter, and from one of an inferior race. It was not that Ivanhoe's former carriage expressed more than that general devotional homage which youth always pays to beauty; yet it was mortifying that one word should operate as a spell to remove poor Rebecca, who could not be supposed altogether ignorant of her title to such homage, into a degraded class, to whom it could not be honourably rendered."
John Galsworthy (14 augustus 1867 - 31 januari 1933)
De Britse schrijver John Galsworthy werd geboren op 14 augustus 1867 in Kingston Hill in Surrey. Galsworthy schreef romans, verhalen en toneelstukken, waarin hij zich kritisch met het Engelse maatschappelijke leven bezighield. Zijn bekendste werk is de romancyclus The Forsyte Saga (1922). In 1932 won hij de Nobelprijs voor de Literatuur. Galsworthy is ook een van de oprichters en de eerste voorzitter van International PEN, een internationale organisatie die zich inzet voor de vrijheid van meningsuiting.
Uit: The Forsyte Saga
"Those privileged to be present at a family festival of the Forsytes have seen that charming and instructive sight-an upper middle-class family in full plumage. But whosoever of these favoured persons has possessed the gift of psychological analysis (a talent without monetary value and properly ignored by the Forsytes), has witnessed a spectacle, not only delightful in itself, but illustrative of an obscure human problem. In plainer words, he has gleaned from a gathering of this family-no branch of which had a liking for the other, between no three members of whom existed anything worthy of the name of sympathy-evidence of that mysterious concrete tenacity which renders a family so formidable a unit of society, so clear a reproduction of society in miniature. He has been admitted to a vision of the dim roads of social progress, has understood something of patriarchal life, of the swarmings of savage hordes, of the rise and fall of nations. He is like one who, having watched a tree grow from its planting-a paragon of tenacity, insulation, and success, amidst the deaths of a hundred other plants less fibrous, sappy, and persistent-one day will see it flourishing with bland, full foliage, in an almost repugnant prosperity, at the summit of its efflorescence."
Julia Mann - da Silva-Bruhns (14 augustus 1851 - 11 maart 1923)
Julia Mann-da Silva-Bruhns was de moeder van (o.a.) de Duitse schrijvers Heinrich en Thomas Mann. Zij werd geboren op 14 augustus 1851 in Paraty, Brazilië. Haar vader Johann Ludwig Hermann Bruhns was vanuit Lübeck naar Brazilië geëmigreerd en daar getrouwd met Maria Luiza da Silva, dochter van een grootgrondbezitter. Zelf bezat hij enkele suikerrietplatages tussen Santos en Rio de Janeiro. Toen zij vijf was stierf haar moeder en een jaar later besloot haar vader haar terug te sturen naar Duitsland. In 1869 trouwde zij met de veertien jaar oudere senator Thomas Johann Heinrich Mann. Julia Mann schreef in 1903 haar herinneringen aan haar jeugd in Brazilië neer. Haar jongste zoon Viktor bereidde de uitgave voor, maar het boek verscheen pas in 1958 onder de titel Dodos Kindheit. (In familiekring werd zij Dodo genoemd). Haar beroemde zonen hebben romanfiguren geschapen waarvoor zij model stond. In Buddenbrooks-Verfall einer Familie was zij een voorbeeld voor Gerda Arnoldsen en Tony Buddenbrook. In Doktor Faustus is de figuur van Frau Senatorin Rodde op haar gebaseerd.
Uit: Doktor Faustus
" er wohnte in der Rambergstrasse , nahe der Akademie , als Untermieter einer Senatorwitwe aus Bremen , namens Rodde , die dort in einem noch neuen Hause mit ihren beiden Töchtern eine Wohnung zu ebener Erde innehatte " ( ) " es war künstlerische oder halbkünstlerische Welt, die sich da zusammenfand , eine sozusagen stubenreine Boheme , gesittet und dabei frei , locker , amüsant genug , um die Erwartungen zu erfüllen , die Frau Senator Rodde bestimmt hatten , ihren Wohnsitz von Bremen nach der süddeutschen Hauptstadt zu verlegen "
Marie Delle Grazie (14 augustus 1864 - 19 februari 1931)
De Oostenrijkse schrijfster Marie Eugenie Delle Grazie werd geboren op 14 augustus 1864 in Bela Crkva. Samen met Marie von Ebner-Eschenbach was zij een van de vooraanstaande schrijfsters in het Oostenrijk van rond 1900. Behalve populaire boeken schreef ze ook maatschappijkritisch werk waarin zij opkwam voor de vrijheid en de waardigheid van de mens.
Vergessen
In meiner Großmutter Garten, Auf der alten Rasenbank, Wollt' ich die Gespielen erwarten - Vor dem Beet mit den dunklen Violen - Sie sollten mich dort holen Zu einem Maiengang!
Die Stunden kamen und gingen, Weiß nicht, wie mir geschah - Da hört' ich die Freunde singen Und wußt', daß sie mich vergessen, Dieweil ich in Träumen gesessen - So einsam stand ich da!
Wie war das nur geschehen? Ich sann das Herz mir schwer Und mocht' doch von hinnen nicht gehen - Denn der süße Duft der Violen Stieg auf, so heiß und verstohlen - Wie ein Zauber wars um mich her...
Vergangen sind und verklungen Darüber viel Jahr' und Wort' - Was das Glück auch den andern gesungen: In meiner Großmutter Garten, zwischen Träumen und scheuem Erwarten - ich sitz' noch immer dort!
De Amerikaanse schrijfster Danielle Steel werd geboren in New York op 14 augustus 1947. Steel heeft meer dan 60 romans geschreven, waarvan verschillende verfilmd zijn. Naast haar werk voor volwassenen heeft Steel ook een serie kinderboeken geschreven, de Max en Martha-serie. Ook schreef ze vier 'Freddie'-boeken, over gebeurtenissen in het leven van kinderen, zoals een doktersbezoek en een nacht uit logeren. Ook heeft zij een poëziebundel gepubliceerd. Steel is zeer geïnteresseerd in het welzijn van kinderen. Zelf heeft zij negen kinderen grootgebracht. Ze is vijf keer getrouwd geweest, met Claude-Eric Lazard, Danny Zugelder, William Toth, John Traina en Tom Perkins. Haar zoon Nicholas Traina pleegde op 19-jarige leeftijd zelfmoord. Steel schreef twee non-fictieboeken over Nicholas' leven en dood, Having a Baby en His Bright Light.
Uit: Toxic Bachelors
"The sun was brilliant and hot, shining down on the deck of the motor yacht Blue Moon. She was 240 feet, eighty meters, of sleek, exquisite powerboat, remarkably designed. Pool, helipad, six elegant, luxurious guest cabins, a master suite right out of a movie and an impeccably trained crew of sixteen. The Blue Moon--and her owner--had appeared in every yachting magazine around the world. Charles Sumner Harrington had bought her from a Saudi prince six years before. He had bought his first yacht, a seventy-five-foot sailboat, when he was twenty-two. She had been called the Dream. Twenty-four years later, he enjoyed life on his boat as much as he had then. At forty-six, Charles Harrington knew that he was a lucky man. In many ways, seemingly, life had been easy for him. At twenty-one, he had inherited an enormous fortune and had handled it responsibly in the twenty-five years since. He had made a career of managing his own investments and running his family's foundation. Charlie was well aware that few people on earth were as blessed as he, and he had done much to improve the lot of those less fortunate, both through the foundation and privately."
De Duitse schrijfster Carola Herbst werd geboren op 14 augustus 1960 in Rostock. Zij studeerde veeartsenijkunde. Sinds 2002 heeft zij schrijven als hoofdberoep. Zij werkt daarnaast als lector en schrijft artikelen voor regionale media. Eind 2004 verscheen haar romandebuut "Weiße Geheimnisse", het eerste deel van een trilogie over een familie.
Uit: Weiße Geheimnisse
Großherzogtum Mecklenburg-Schwerin, Juli 1816 Die Silhouette des Reiters war im schwindenden Licht der Dämmerung gerade noch zu erkennen. Das Pferd war müde. Hals und Flanken überdeckte eine mehlartige Schicht angetrockneten Schweißes, die einen süßlichen Geruch verströmte. Unwillig gab das Tier durch dauerndes Kopfnicken seinem Reiter zu verstehen, dass eine Rast längst überfällig war. Dem Reiter fiel dies jedoch kaum auf. Immer wieder gab seine Nackenmuskulatur nach und sein Kopf sank ihm im Sekundenschlaf auf die Brust. Er trug eine Uniform, die ihn als Offizier auswies. Die Qualität seiner Kleidung war unbestritten hochwertig, weil aus gutem Tuch gefertigt, doch Entbehrungen einer langen Reise hatten Spuren hinterlassen. Staub und Schlammspritzer hatten den Eindruck der vor Reiseantritt sicherlich tadellosen Uniform mächtig ruiniert. Als das Pferd kurz einknickte, weil es mit dem rechten Huf der Vorderhand in eine Unebenheit geraten war, wachte der junge Mann ruckartig auf. "Hast ja Recht, mein Guter", murmelte er schlaftrunken, "wir sind schon wieder viel zu lange auf der Straße, aber wirst sehen, heute wird unsere Mühe belohnt. Wenn wir den nächsten Hügel genommen haben, müssten wir es sehen können." Aufmunternd tätschelte er seinem Wallach den muskulösen Hals. In diesem Moment musste das Pferd Witterung von Artgenossen aufgenommen haben, denn es beschleunigte seine Schritte, ohne dass es der Aufforderung des Reiters bedurft hätte."
De Zwitserse schrijfster Alice Rivaz werd geboren op 14 augustus 1901 in Rovray, in het Franstalige deel van Zwiserland. Zij studeerde muziek en sloot haar studie af als pianiste en muzieklerares. Zij publiceerde talrijke romans en verhalenbundels. De belangrijkste werken van Alice Rivaz zijn: "Nuages dans la main" (1940), "Sans alcool" (1961), "L'Alphabet du matin" (1969), "De mémoire et d'oubli" (1973), "Jette ton pain" (1979) and "Traces de vie" (1983).
Uit: Wolken in der Hand (Nuages dans la main)
"Für Madame Lorenzo begann der Tag immer wie folgt: Auf dem Trottoir gegenüber wurden laut scheppernd zehn Milchkannen abgeladen. Dies kam einem wirklichen Zeichen gleich, denn jeden Morgen, wenn der Milchmann zu hantieren begann, hörte Fernands Schnarchen jenseits der Wand unvermittelt auf. Sie hörte, wie er sich schwerfällig im Bett umdrehte, wobei das Gestell wie ein alter Kinderwagen knarrte. Dann schlief er ruhig wieder ein. Da sie aber sozusagen nicht geschlafen hatte - größtenteils wegen seines Schnarchens -, bedeutete das grelle Blechgeklirr der Kannen immer den Gnadenstoß, der ihrer kurzen, vertanen Nacht ein Ende setzte. Außerdem war von der Nacht jetzt nur mehr sehr wenig übrig, bloß ein paar graue, malvenfarbene, bereits zu verschwommene und durchsichtige Streifen, außerdem Schattenfetzen, die ziemlich genau die Form der Möbel und des Raumes zwischen den Möbeln annahmen. Sie wußte, diese dunklen, an den Rändern bereits angeknabberten Fetzen würden noch mehr schrumpfen, kleiner werden, allmählich aus dem Zimmer wegfließen wie Wasser, das aus einer Badewanne abläuft. Wie gerne sie diese Fetzen zurückgehalten hätte! Doch wie sollten ihre Hände das schaffen?"
Sibilla Aleramo (14 augustus 1876 13 januari 1960)
De Italiaanse schrijfster Sibilla Aleramo (eig. Rina Faccio) werd geboren in Alessandria op14 augustus 1876. Faccio bracht haar jeugd door in Milaan tot haar twaalfde, waarna de familie naar een klein dorpje verhuisde waar Ambrogio Faccio een glasfabriek leidde. Faccio's jeugd was niet gelukkig en onbezorgd. Het huwelijk van haar ouders was een mislukking. De jonge Faccio begon op haar 16de als bibliothecaresse te werken in de fabriek van haar vader. Ze was erg ongelukkig, belandde in een crisis en probeerde zelfmoord te plegen door van een balkon te springen. Op deze leeftijd trouwde ze met de boekhouder Ulderico Pierangeli. Hij was een oudere en starre man die totaal verschillend was van zijn gevoelige tienerbruid. Het was een ongelukkig huwelijk, waaruit in 1895 de zoon Walter voortkwam. De komst van het kind maakte het huwelijk waarin Faccio zich gevangen voelde, niet beter. Ze begon verhalen en artikelen te schrijven en werkte voor het feministische tijdschrift Vita Moderna. In 1901 verliet ze haar man en zoon en begon een nieuw leven. Ze had verschillende relaties, onder anderen met de schrijver Giovanni Cena, directeur van het literaire tijdschrift Nuova Antologia. In 1906 publiceerde ze haar eerste boek Una donna, in hoge mate biografisch. Met dit werk nam de schrijfster de naam Sibilla Aleramo aan. In 1919 publiceerde Aleramo Il passaggio (De Wandeling) en in 1920 haar eerste dichtenbundel Momenti (Ogenblikken).
Uit: A Woman (Una donna, vertaald door Rosalind Delmar)
Did this man own me? I have only a vague and depressed memory of my indescribable confusion in the days that followed, but I know that gradually I came to believe that he did. My life, already shaken by my father's desertion,was now suddenly turned upside down, tragically altered. What had I become? What would happen to me? My childhood was certainly at an end. I had taken such pride in being independent and thinking for myself that I now suffered agonies; but this same pride prevented me from indulging in tears. . . . Never for one moment did I imagine that I might be the victim of a cold-blooded strategy.
Unbegreiflich erschien es mir jetzt, als ich nach Lowestoft hineinging, wie es in einer verhältnismäßig so kurzen Zeit so weit hatte herunterkommen können.(...) Gleich einem unterirdischen Brand und dann wie ein Lauffeuer hatte der Schaden sich fortgefressen, Bootswerften und Fabriken waren geschlossen worden, eine um die andere, bis für Lowestoft als einziges nur noch die Tatsache sprach, daß es den östlichsten Punkt markierte auf der Karte der britischen Inseln. Heute steht in manchen Straßen der Stadt fast jedes zweite Haus zum Verkauf, Unternehmer, Geschäftsleute und Privatpersonen versinken immer weiter in ihren Schulden, Woche für Woche hängt irgendein Arbeitsloser oder Bankrotteur sich auf, der Analphabetismus hat bereits ein Viertel der Bevölkerung erfaßt, und ein Ende der stetig fortschreitenden Verelendung ist nirgends abzusehen. Obgleich mir dies alles bekannt war, bin ich nicht vorbereitet gewesen auf die Trostlosigkeit, die einen in Lowestoft sogleich erfaßt, denn es ist eine Sache, in den Zeitungen Berichte über sogenannte unemployment blackspots zu lesen, und eine andere, an einem lichtlosen Abend durch Zeilen der Reihenhäuser mit ihren verschandelten Fassaden und grotesken Vorgärtchen zu gehen und, wenn man endlich angelangt ist in der Mitte der Stadt, nichts vorzufinden als Spielsalons, Bingohallen, Betting Shops, Videoläden, Pubs, aus deren dunklen Türöffnungen es nach saurem Bier riecht, Billigmärkte und zweifelhafte Bed&Breakfest Etablissements mit Namen wie Ocean Dawn, Beachcomber, Balmoral Albion und Layla Lorraine.
W.G. Sebald (18 mei 1944 - 14 december 2001)
De Zuidkoreaanse schrijver Yi Mun-yolwerd geboren op 18 mei 1948 in Yongyang. Als kind van een naar het communistische Noorden gevluchte vader groeide hij in Zuid-Korea als sociale paria op. Zijn oeuvre weerspiegelt dit duidelijk. In het Nederlands verscheen van hem de roman De dichter, handelend over een 19e eeuwse rebel die tegen de verdrukking in zijn roeping tot dichter wil verwezenlijken. Andere belangrijke boeken zijn De verwrongen held en Voor de keizer.In 1992 ontving hij de Hyundae literatuurprijs en ook de Franse Orde van verdienste voor literatuur en cultuur.
Uit: Der entstellte Held(Übersetzt von Kim Hiyoul en Heidi Kang)
Es muß Anfang Juni gewesen sein, denn die Akazien am Dammweg zu unserer Schule blühten. Yun Byongjo von der Wäscherei hatte etwas Besonderes mit in die Schule gebracht und prahlte in der Klasse damit. Es war ein teures vergoldetes Feuerzeug, eins von denen, die wir "runde Feuerzeuge" nannten. Es ging von Hand zu Hand und verursachte etwas Unruhe. Sokdae, der einen Moment draußen gewesen war, sah es, sobald er zurückkam. Er kam näher, streckte seine Hand aus und sagte:
"Zeig mal her!"
Die Schüler, die bis dahin lachend ihre Bewunderung gezeigt hatten, verstummten, und das Feuerzeug gelangte in Sokdaes Hände. Er drehte und wendete es eine Weile.
"Wem gehört es?" fragte er Byongjo ausdruckslos.
"Meinem Vater", antwortete dieser mit plötzlich erstickter Stimme.
"Hat er es dir geschenkt?"
"Nein, ich hab es nur mitgebracht."
"Wer weiß, daß du es genommen hast?"
"Nur mein Bruder."
Ein leichtes Lächeln umspielte Sokdaes Mund. Er begann, das Feuerzeug mit neuem Interesse zu untersuchen.
"Toll", sagte Sokdae schließlich, noch immer das Feuerzeug haltend, und blickte Byongjo fest an.
Ich hatte Sokdae von Anfang an beobachtet und war plötzlich gespannt. Aus meiner Erfahrung wußte ich, daß er mit seinen Worten etwas anderes meinte, als man allgemein darunter verstand.
Wenn er etwas haben wollte, das einem anderen gehörte, bedeutete sein Toll!, daß er es verlangte. Im allgemeinen reichte das aus, damit man es ihm gab, aber manchmal zögerte ein Schüler. Dann pflegte Sokdae zu sagen: "Leih es mir!" Natürlich wollte er damit sagen: "So gib schon her!" Niemand konnte sich dem widersetzen. Nie nahm er also den Jungen direkt etwas weg, es wurde ihm tatsächlich gegeben. Ich hatte damals noch keinen Begriff für indirekte Erpressung und hatte diese "Geschenke" immer in Ordnung gefunden, aber an diesem Tag erkannte ich, daß nicht einmal mehr ein Minimum an Schein gewahrt wurde.
De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Hij studeerde natuurkunde en wiskunde in Aken. Hij promoveerde in de theoretische natuurkunde aan het Max-Planck-Institut in Potsdam. Breidenich publiceerde in tijdschriften (o.a. Krautgarten, Poetenladen (Magazin), lauter niemand, außer.dem, macondo) en in bloemlezingen. In 2009 verscheen zijn bundel "Das Pochen der Echolote. Hij woont en werkt in München.
GRAND CHATEAU
Aus Koffern leben. Ein Nicht-zu-Hause war das Schloß. Ein nicht geknackter Code von Krustentieren. Wer immer wir auch sind, wir brechen auf. Ein Unterhemd herauszunehmen, ein Stück Seife, eine Creme.
Wir waren da. Und hingen nach. An rostigen Nägeln Sternenbildern. An der Tür. Dem Schiff der Argonauten. Auf den Bäderspiegeln noch, im Wellengang: den eigenen Reflexionen.
Abends, zwischen den Gängen. Im Flügel des Hauses der Wind. Ein weiteres Mal nach dem Angelus die Auferstehung der Gäste.
Confronté à la maladie de Parkinson, j'ai donc choisi de l'attaquer à bras-le corps. Avec, toutefois, une limite exaspérante : mon intention, mon rêve, étaient de mener l'investigation et la description de la maladie jusqu'à son terme. Or c'est impossible, personne ne peut mener une telle entreprise jusqu'au bout - et c'est bien dommage. Donc je me suis mis à écrire sur "miss P.", cette compagne de chaque instant de ma vie. Elle apparaît déjà dans les précédents livres, où elle n'occupe encore que certaines zones de mon territoire. Entre-temps, elle a gagné du terrain. Et le livre que je publie maintenant décrit notamment sa progression au cours des deux ou trois dernières années.
François Nourissier (Parijs, 18 mei 1927)
De IJslandse dichter en schrijver Gunnar Gunnarsson werd geboren op 18 mei 1889 in Fljótsdalur. Hij groeide op op een boerderij. In 1897 stierf zijn moeder. Hij bezocht twee jaar lang de Volkshogeschool in Jutland, waar hij ook zijn latere vrouw leerde kennen. In 1912 verscheen het eerste deel van zijn roman De mensen op Borg die hem beroemd zou maken. Gunarsson schreef in het Deens. In 1926 ging hij terug naar IJsland. In 1948 trok hij naar Reykjavik waar hij zijn werk in het Ijslands begon te vertalen.
Uit: FORTUNE AT MR. SNÓKSDAL'S DOOR (Vertaald door Cris Norlund)
Perhaps Mr.Snóksdal thought that the beautiful girl in the shop did not serve him with enough respect; perhaps it was the two above-mentioned names which decided the matterat any rate, the devil took possession of him:with careless dignity lie leaned against the wall and, in elegant flourishes, added his name, "J. J. Snóksdal," to the list. After which he nonchalantly paid with two ten-kroner notes and, without check-ing the kroner and 90 ore he receivedin change, left the shop. Out in the street he couldn't help feeling a little dizzy. The light from the setting sun shone so strangely, so vaguely. The houses stood out. one byone, as clearly as if he were seeing them for the first time. The people he met appeared far away and alien, and yet so near and familiar. Everything seemed as if it had been lifted up into a higher sphere. He felt like a man who all of a sudden has got a long-needed new suit of clothes and in overweening lordliness has thrown the old one out of the window. In other words, he tasted a bit of the joy of sinning. But simultaneously he had a very unpleasant feeling of not standing quite firmly on his legs. Well, it was done and could not be altered. For a moment, however, the thought ran through his mind that he ought to go back to the shop and explain his action as a misunderstanding. But that would be much too humiliating. There is a limit to the moral courage of even an honest man. So Mr. Snóksdal went on. As he was walking like this, a sensible thought suddenly emerged out of the chaos in his brain: What was he to wear for the dinner tomorrow night! He felt he had to go in dinner clothes; but he had noneand where could he borrow some? His mind ran over onewell-dressed friend after anotherthat one and that one had dinner clothes, he knew. Butcould J. J. Snóksdal borrow a dinner suit? Instinctively he answered his question with an emphatic no! Ought he to go there in borrowed feathors? No, absolutely not He had, then, to buy a dinner suit. He could, he imagined, get one cheap from the tailor who usually made! his annual suit at the price of 60 kroner. Mr. Snóksdaï distractedly turned down the street where the tailor lived. But then it occurred to him that he would be late for supper, so that he took the road to the eating place which, by some miracle, was able to supply him with breakfast, lunch, and supper for 30 kroner a month.
Gunnar Gunnarsson (18 mei 1889 21 november 1975)
Zie voor nog meer schrijvers van de 18e mei ook mijn vorige blog van vandaag.
Sie traten auf die Schonungen. Der Hochwald blieb zurück, ein Heer von glatten Schäften mit abendlichem Glanz. Einsam hob der Weg sich zur Höhe. Dort reckte aus Busch und Gesträuch eine Schirmkiefer ihren geraden, gewaltigen Stamm in den Himmel hinauf, einen zerrissenen Wipfel wie Fahnentuch um den Schaft und darüber einen grauen, trockenen Ast wie eine harte Eisenspitze, dienach dem Leib der Wolken drohte. Da stand sie gleich der letzten Lanze über nieder gebrochenem Heer, und in ihrer Krone hing der Abendwind mit auf- und nieder gleitenden Tönen.
"Hier ist es, Harro."
Sie blickten über den Wald. Kein Laut zerriß mit lohendem Glanz das breite Bild. Nur Schonungen, grau und grün und blau bis an das ferne Ufer, wo des Hochwalds Masten im gelben Abendlicht die schweren Segel trugen. Kein Sturm ging über das Meer, kein Leuchten brach aus Wolkentoren, nur ein leises Weben war auf allen Seiten, in großem Rhythmus, wie schwankender Orgel-Ton unter verdämmernden Bogen: "Ich bin ... der Wald ... der Wald... der weite... weite... Wald..." Kein Vogel rief, kein Wild trat heimlich aus unbewegtem Gebüsch. Schwere Wolken zogen, seltsam groß und klar, über das schweigende Rund und versanken wie sich bäumende Schiffe hinter dem Wald.Da klang von ferne ein klagender Schrei, sechsmal, siebenmal sich hebend im Schlag der Flügel, und hingezogen ersterbend.
"Simplizius!" Er griff nach seinem Arm.
"Rühre dich nicht!"
Noch einmal schrie es über den Wäldern, näher rufend. Dann kam ein jagender, klingender Flügelschlag, und auf der Spitze der Kiefer schwang sich der Wanderfalke ein und wandte seinen kühnen Kopf über das Meer zu seinen Füßen. Hoch im leeren Grau saß er einsam, und seine Augen blickten königlich über die Wälder. Und noch einmal kam der klagende Schrei, der zwischen Wolken und Wald schmerzlich und jäh den Abend zerriß.
Geen, die op om te keeren zich bezon, sints hij verdween achter den horizon; verzuim, vergeet niets in dit doorgangshuis, voort gaat de tocht, als eens de reis begon.
ich bin seit Dienstag jeden Tag zur Post gestürzt, aber noch immer nichts von Dir, so gebe ich denn heute die Hoffnung auf, will Dir aber doch nicht Gleiches mit Gleichem vergelten.
Ich habe gestern einen furchtbaren Reinfall zustande gebracht und sitze nun morgens um halb sieben hier bei schönstem Frühlingswetter mit dumpfem Jammer, um Dir zu beichten.
Also, wie Du wohl von Catty gehört hast, war gestern Mienes Jubiläum. Sie hatten sich ca. 10 Leute eingeladen, einer eine Harmonika mitgebracht, und tanzten nach dem Fraß. Ich hatte bis halb elf gearbeitet, war dann unten, wo auch Pastor Bernhardt war, sagte gute Nacht und verschwand, ging aber nicht zu Bett, sondern in die Küche, und tanzte mit Juchhe mit. Es war eigentlich brillant, in unserer ziemlich engen Küche mit lauter schlichten Handwerkern und deren Gattinnen. Alles sang und johlte beim Tanzen, es wurde mächtig Punsch getrunken, Hochs ausgebracht etc. Als das Tanzen zu Ende war, wollte ich ab, aber sie baten mich, dazubleiben. Nun wurde noch gesungen, unsere deklamierte, Mine dito. Du glaubst gar nicht, wie famos die ganze Orgie war. Da auf einmal erscheint Papa in der Küche - dies war nebenan - und ruft Fanny. Weiß Gott, wie er es gemerkt hat, ich kriege einen elementaren Schrecken, krieche unter den Tisch, muß aber heraus und mit ab. Stell Dir vor, es war einfach erschütternd; er fragte mich ca. fünf mal, ob ich verrückt sei, worauf ich laut und kräftig Nein sagte; ob ich betrunken sei, Nein ! Was ich mir gedacht hätte ? Ich wußte es wirklich nicht, ich hatte nur eine Heidenangst gehabt. Es war halb eins, alles zu Bett, folgte eine halbstündige gräßliche Unterredung mit Papa.
Franziska zu Reventlow (18 mei 1871 25 juli 1918)
Like most of my generation, I was brought up on the saying: 'Satan finds some mischief for idle hands to do.' Being a highly virtuous child, I believed all that I was told, and acquired a conscience which has kept me working hard down to the present moment. But although my conscience has controlled my actions, my opinions have undergone a revolution. I think that there is far too much work done in the world, that immense harm is caused by the belief that work is virtuous, and that what needs to be preached in modern industrial countries is quite different from what always has been preached. Everyone knows the story of the traveller in Naples who saw twelve beggars lying in the sun (it was before the days of Mussolini), and offered a lira to the laziest of them. Eleven of them jumped up to claim it, so he gave it to the twelfth. this traveller was on the right lines. But in countries which do not enjoy Mediterranean sunshine idleness is more difficult, and a great public propaganda will be required to inaugurate it. I hope that, after reading the following pages, the leaders of the YMCA will start a campaign to induce good young men to do nothing. If so, I shall not have lived in vain.
Agreat square in the city.--A multitude of miserable men and women crowding round a person of a wild and savage appearance, dressed in a fantastical garb, with an hour-glass in his hand.
Astrologer. The sun is going down, and when he sets,
You know my accursed gift of prophecy Departeth from me, and I then become Blind as my wretched brethren. Then the Plague Riots in darkness 'mid his unknown victims, Nor can I read the names within his roll Now register'd in characters of blood. Come to me all ye wearied who would rest, Who would exchange the fever's burning pillow For the refreshing coolness of the grave! Come hither all ye orphans of a day, And I will tell you when your heads shall rest Upon your parents' bosoms. Yearn ye not To clasp their shroudless bodies, and to lie In the dark pit by love made beautiful! Where are ye veiled widows? in the tomb The marriage-lamp doth burn unquenchably. Dry up your tears, fair virgins! to the grave Betrothed in your pure simplicity! Still is one countenance beautiful in death, And it will lean to-night upon a breast White with the snows of perfect innocence. --I Call upon the wicked! let him shew His face among the crowd, and I will tell him His dreams of horror and his works of sin.
John Wilson (18 mei 1785 - 3 april 1854)
Portret door Sir John Watson-Gordon
Onafhankelijk van geboortedata:
De Vlaamse dichter, schrijver en regisseur David Troch werd geboren in Bonheiden in 1977. Troch publiceerde in tijdschriften als De Brakke Hond, Deus ex Machina, Poëziekrant en Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. Hij bracht in 2002 bij de toenmalige uitgeverij Zuid & Noord de verhalenbundel 'tot de sterren gericht' uit. Een jaar later volgde bij dezelfde uitgever het poëziedebuut 'liefde is een stinkdier maar de geur went wel'. Eind 2006 kwam bij de éénmansuitgeverij Het Zinkend Schip het bundeltje 'ontkroond' uit. Troch is redactielid van het literaire e-zine Meander en van Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Hij won diverse literaire prijzen in Vlaanderen en Nederland zoals de Jules Van Campenhoutprijs voor Poëzie in 2008. Verder nam hij deel aan diverse poetry slams en haalde hij in 2006 de finale van het Nederlanse Kampioenschap poetry slam.
luisterrijk
deze kamer is gemaakt voor kousenvoeten, voor het horen vallen van een naald. blind herkennen we elk geluid, het schuifelen en
het stilstaan, het wegschuiven van het laken en het voorzichtig neervlijen naast het naakte lichaam dat het onze is. we protesteren eerst
half binnensmonds, maar stemmen al snel het ademen tot één ritme af, tot er geen naald meer tussen past. zo wordt alles, alles zacht.
De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire als enige kind van een bankmanager. Hollinghurst studeerde Engels aan Magdalen College, Oxford. In Oxford deelde hij een woning met dichter en schrijver Andrew Motion. In die tijd werd hem de Newdigate Prize toegekend voor poëzie. In de late jaren zeventig werd Hollinghurts lector, eerst aan Magdalen, vervolgens aan Somerville College en tenslotte aan Christi College. In 1981 ging hij werken aan de universiteit van Londen en voor de Times Literary Supplement.
Werk o.a.: Isherwood is at Santa Monica (1975), The Swimming Pool Library, (1988), The Folding Star, (1994), The Spell, (1998)
Uit: The Line of Beauty (2004)
PETER CROWTHER'S BOOK on the election was already in the shops. It was called Landslide!, and the witty assistant at Dillon's had arranged the window in a scaled-down version of that natural disaster. The pale-gilt image of the triumphant Prime Minister rushed towards the customer in a gleaming slippage. Nick stopped in the street, and then went in to look at a copy. He had met Peter Crowther once, and heard him described as a hack and also as a "mordant analyst": his faint smile, as he flicked through the pages, concealed his uncertainty as to which account was nearer the truth. There was clearly something hacklike in the speed of publication, only two months after the event; and in the actual writing, of course. The book's mordancy seemed to be reserved for the efforts of the Opposition. Nick looked carefully at the photographs, but only one of them had Gerald in it: a group picture of "The 101 New Tory MPs", in which he'd been clever enough, or quick enough, to get into the front row. He sat there smiling and staring as if in his own mind it was already the front bench. The smile, the white collar worn with a dark shirt, the floppy breast-pocket handkerchief would surely be famous when the chaps in the rows behind were mere forgotten grins and frowns. Even so, he was mentioned only twice in the text - as a "bon viveur", and as one of the "dwindling minority" of Conservative MPs who had passed, ''as Gerald Fedden, the new Member for Barwick, so obviously has", through public school and Oxbridge. Nick left the shop with a shrug; but out in the street he felt delayed pride at this sighting of a person he knew in a published book.
Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)
De Belgische schrijver Hugo Raes werd geboren in Antwerpen op 26 mei 1929. Raes was leraar en debuteerde met experimentele gedichten: Jagen en gejaagd worden (1954) . Hij trok de aandacht met korte verhalen en vestigde pas zijn naam als romancier met De vadsige koningen (1961). Daarop volgden enkele experimentele romans, zoals Een faun met kille horentjes, 1966.
Uit: Bankroet van een charmeur
Er zijn vrouwen voor het huishouden en er zijn er om te minnen, spreekt het zegwoord. De vrouwen zijn gemakkelijk, zeggen de vrienden. Je kan er zoveel hebben als je maar wilt, zeggen mijn vrienden de Don Juans.
Een zegwoord of zegger, een verkondiger der waarheden is de vriend Johan:
Peter, het is weeral te lang geleden dat je nog eens duchtig een glas hebt gedronken met me.
Vóór drie dagen zeg ik.
Wat ik zeg: te lang geleden.
Sonoor de diep ingehaalde rook van zijn zware sigaretten uitblazend over zijn kin, kijkt hij met hautain opgetrokken wenkbrauwen naar mij, naar buiten, terug naar mij, en hij krijgt een spottend glimlachje op zijn gezicht. Hij speelt even met zijn pakje Gauloises dat altijd vóór hem blijft liggen met de lucifers of de aansteker. Zijn grote dikke handen vormen een tegenstelling met de rest van hem. Hij is dus een loper, een vliegenpikker. Aandachtig heb ik hem gadegeslagen, steeds opnieuw, de jaren dat ik hem van nabij volgde, dat ik met hem op schok was. Hij dronk graag. We drinken, we dronken, en de lust, de gulzigheid nam maar toe en het leven werd voller en beter, en de levers, wij die leven, onoverwinnelijker, mannelijker en de ogen driester.
Jawel, de volgende deur open. Welk bier hebben ze hier? Tik op de tafel, in grote teugen peil zien zakken. Twee schuifjes open. Een waarheid met effect lanceren tegen de sterk gemaquilleerde waardin, een durvende geestigheid tegen de barmeiden, het steile muurvaste gelaat beheerst.
Er zijn soorten donjuans. Er zijn de harde jongens: de mannen met de dunne streeplippen, de brede kaken. De koele volkse bijlopers met ringen aan de hand. Zij die een limonade drinken, altijd uitgerust en fris sportief zijn, de straatvechters in petto. Er zijn de gulzige erotische typen met de sensuele lippen, de enigszins vrouwelijke trekken, weelderig haar, liefst donker, de zelfbewuste blik, liefst donker, de zacht lijkende huid, liefst donker, en de onmisbare lange gestalte, de trage bewegingen. De zoete woorden.
Hugo Raes(Antwerpen, 26 mei 1929)
De Belgisch Franstalige schrijver en essayist Ivan O. Godfroid werd geboren in Boussu op 26 mei 1971. Godfoids werk is een poging om wetenschap en kunst met elkaar te verenigen als twee aspcten van een onderliggende realiteit. Als gevolg daarvan bevatten zijn boeken theoretische discussies als poëzie. Omdat Godfroid's visie op de mensheid nogal somer en wreed is zien sommigen in hem een gothic filosoof.
Werk o.a.: La psychiatrie de la femme (1999), Larmes de venin. Essai sur le pouvoir. (L'ombre close des portes celtiques, Livre III) (2004), Pacte de contrition. Essai sur la folie. (L'ombre close des portes celtiques, Livre IV) (2005)
Uit: Larmes de venin
« Qui ? Qui donc choisirez-vous pour vous guider là où toujours vous vous êtes perdu ? Lequel d'entre-vous ? Et pour combien de temps ? - avant le retour du mal. La perfection est inhumaine. Mais de l'humain - comme un miracle, et si rarement - de l'humain naît parfois la perfection. Et en dernier recours, dans une dernière aurore, tel un imperator ex machina, mordant la peau de sa clarté, éblouissant à faire pleurer : DESPOT.EXE »
Hugo von Hofmannsthal, Günter Eich, F. B. Hotz, Langston Hughes, Jevgeni Zamjatin
De Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal werd geboren op 1 februari 1874 in Wenen. Von Hofmannsthal was de zoon van een bankdirecteur in Wenen. Tijdens zijn jeugd kreeg hij privéles als voorbereiding op het Akademisches Gymnasium van Wenen, dat hij tussen 1884 en 1892 bezocht. Hij leerde er onder andere Frans, Engels en Italiaans. Hij ontmoette Arthur Schnitzler in 1890, en in 1891 Stefan George en Henrik Ibsen. Reeds als scholier publiceerde hij gedichten, wat toentertijd verboden was; deswege gebruikte hij het pseudoniem Loris. Hij oogstte zeer snel succes en werd op zijn zeventiende in de schrijverskring van Griensteidl opgenomen; daarmee werd hij een van de vertegenwoordigers van het zogenaamde Jonge Wenen. hij publiceerde tevens in Georges Blätter für die Kunst. Met George had hij een ambigue relatie — in feite heeft hij George afgewezen —, en hij werd door hem tot een duel uitgedaagd, dat evenwel nooit plaatsgreep. In zijn vroege periode was Hofmannsthal nog, zoals George, een estheticist, die niets dan de schoonheid en de harmonie wenste te cultiveren, zonder zich om de maatschappij te bekommeren. Von Hofmannsthal was sterk aangedaan door het verval van de Habsburgse monarchie. Tijdens WO Ikreeg hij van het Ministerie van Cultuur de opdracht voor cultuur te zorgen: het resultaat was de oprichting van de Salzburger Festspiele, samen met Max Reinhardt en Richard Strauss. Met Strauss werkte hij in de daaropvolgende jaren nog vaker samen: hij leverde libretti voor onder andere Der Rosenkavalier en Ariadne auf Naxos. Hofmannsthal begon ook komedies te schrijven en oefende geleidelijk aan een steeds sterkere invloed uit op het Oostenrijkse culturele leven. Hij bewerkte, zoals Grillparzer, La vida es sueño van Calderón de la Barca: dit werd bij hem Das Salzburger Große Welttheater. Op deze manier speelde hij in op de gevestigde traditie van het Baroktheater, dat in Oostenrijk nog levendig was. Ook zijn bewerking van het middeleeuwse Jedermann is een klassieker geworden.
Die beiden
Sie trug den Becher in der Hand - Ihr Kinn und Mund glich seinem Rand -, So leicht und sicher war ihr Gang, Kein Tropfen aus dem Becher sprang. So leicht und fest war seine Hand: Er ritt auf einem jungen Pferde, Und mit nachlässiger Gebärde Erzwang er, daß es zitternd stand. Jedoch, wenn er aus ihrer Hand Den leichten Becher nehmen sollte, So war es beiden allzu schwer: Denn beide bebten sie so sehr, Daß keine Hand die andre fand Und dunkler Wein am Boden rollte.
Ballade des äußeren Lebens
Und Kinder wachsen auf mit tiefen Augen, die von nichts wissen, wachsen auf und sterben, und alle Menschen gehen ihre Wege.
Und süße Früchte werden aus den herben und fallen nachts wie tote Vögel nieder und liegen wenig Tage und verderben.
Und immer weht der Wind, und immer wieder vernehmen wir und reden viele Worte und spüren Lust und Müdigkeit der Glieder.
Und Straßen laufen durch das Gras, und Orte sind da und dort, voll Fackeln, Bäumen, Teichen, und drohende, und totenhaft verdorrte...
Wozu sind diese aufgebaut? Und gleichen einander nie ? Und sind unzählig viele ? Was wechselt Lachen, Weinen und Erbleichen?
Was frommt das alles uns und diese Spiele, die wir doch groß und ewig einsam sind und wandernd nimmer suchen irgend Ziele ?
Was frommt's, dergleichen viel gesehen haben? Und dennoch sagt der viel, der "Abend sagt, ein Wort, daraus Tiefsinn und Trauer rinnt
wie schwerer Honig aus den hohlen Waben.
Über Vergänglichkeit I
Noch spür ich ihren Atem auf den Wangen: Wie kann das sein, dass diese nahen Tage Fort sind, für immer fort, und ganz vergangen?
Dies ist ein Ding, das keiner voll aussinnt, Und viel zu grauenvoll, als dass man klage: Dass alles gleitet und vorüberrinnt.
Und dass mein eignes Ich, durch nichts gehemmt, Herüberglitt aus einem kleinen Kind Mir wie ein Hund unheimlich stumm und fremd.
Dann: dass ich auch vor hundert Jahren war Und meine Ahnen, die im Totenhemd, Mit mir verwandt sind wie mein eignes Haar,
So eins mit mir als wie mein eignes Haar.
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)
De Duitse dichter en schrijver Günter Eich werd geboren op 1 februari 1907 in Lebus an der Oder. Eich studeerde na zijn Brandenburgse schoolperiode rechten en Oosterse talen in Parijs, Berlijn en Leipzig. Al vroeg begon hij als zelfstandig auteur. In de oorlog werd hij als soldaat ingezet in de Duitse troepenmacht, en kwam zo als Krijgsgevangene in Engelse handen. In 47 richtte hij met enkele andere auteurs (o.a.Wolfdietrich Schnurre, und Ilse Aichinger, waarmee hij later zou trouwen) een literaire club; 'Gruppe 47' op.
Erster Januar
Nur ein Kalender spricht morgens vom neuen Jahre, die Wände wissen, daß nichts Neues beginnt. Draussen die Wolken flattern wie immer so leicht wie Haare, und an die Fenster greift mit denselben Händen der Wind.
März und April wird kommen, und später füllt dich ein Tag mit ewigen Stunden aus, fällt mit Himmel und mit geblähter Wolke in deine Hände und in dein Haus.
Manchmal erblickst du dich nachts in einem Spiegel, das Gesicht undeutlich von Altern erfüllt, wie ein verblichener Brief mit nie geöffnetem Siegel, der immer die gleiche Schrift verhüllt.
Alle Tage sind neu und sind Jubiläen, aber der Schmerz ist fern, und du hast von den ewigen Trophäen nur noch den Abendstern.
Günter Eich (1 februari 1907 - 20 december 1972)
De Nederlandse schrijver Frits Bernard Hotz werd geboren op 1 februari 1922 in Leiden. Hotz wilde als jongen al schrijver worden en schreef vanaf de jaren vijftig verhalen, geïnspireerd door Van Oudshoorn, maar hij stuurde die pas in 1974 naar een uitgever. Nog datzelfde jaar debuteerde hij in Maatstaf met het verhaal 'De tramrace'. Zijn debuutbundel Dood weermiddel werd enthousiast ontvangen, en voor de tweede bundel - Ernstvuurwerk - kreeg hij in 1978 de Ferdinand Bordewijkprijs. In 1998 werd hem de P.C. Hooftprijs toegekend voor zijn totale oeuvre.
Uit: De vertegenwoordigers (Verhalen en beschouwingen)
'Theodicee' ``We hebben Gods best mogelijke van alle werelden teruggehaald, riep men. En het was feest. (. . .) De stad kreeg zijn vereiste aantal invaliden (. . .). In een park werd de eerste exhibitionist gesignaleerd en opgepakt. Een vrouw adverteerde met haar lijf in een regionaal dagblad. Kunst, zo lang voor overbodig gehouden, ontstond in een schuur, in het geniep, waar een man een pijpje houtskool vond en een vergeeld maar nog bijna leeg schetsboek. God glimlachte en zag dat het goed was.''
F. B. Hotz(1 februari 1922 – 5 december 2000)
De Amerikaanse schrijver van romans, korte verhalen, gedichten en toneelstukken (James Mercer) Langston Hughes werd geboren op 1 februari 1902 in Joplin, Missouri. Zijn moeder was lerares en zijn vader verdiende de kost als magazijnbediende. Na zijn eindexamen van de middelbare school maakte Langston Hughes een reis naar Mexico. Na terugkomst studeerde hij een jaar aan de Columbia Universiteit. Na zijn studietijd had Langston Hughes allerlei baantjes. Zo was hij matroos op de vaart naar Europa, werkte hij in een nachtclub in Parijs en een hotel in Washington. Hij was een belangrijk figuur in de beweging, die men de "Harlem Renaissance" is gaan noemen. Vanaf de jaren dertig gebruikte hij zijn dichtkunst om sociale misstanden aan de kaak te stellen.
Cross
My old man's a white old man And my old mother's black. If ever I cursed my white old man I take my curses back. If ever I cursed my black old mother And wished she were in hell,
I'm sorry for that evil wish And now I wish her well My old man died in a fine big house. My ma died in a shack. I wonder were I'm going to die, Being neither white nor black?
Harlem
What happens to a dream deferred?
Does it dry up like a raisin in the sun? Or fester like a sore— And then run? Does it stink like rotten meat? Or crust and sugar over— like a syrupy sweet?
Maybe it just sags like a heavy load.
Or does it explode?
Langston Hughes (1 februari 1902 – 22 mei 1967)
De Russische revolutionair en schrijver Jevgeni Zamjatin werd geboren op 1 februari 1884 in Lebedjan. Hij schreef vele boeken met novellen en korte verhalen (deze laatste vaak in sprookjesvorm), waaronder Wij.'Wij' heeft bekendheid gekregen, met name door de invloed die dit boek heeft gehad op Orwell's Nineteen Eighty-Four (dat bijna 25 jaar later werd geschreven) en Huxley's Brave New World. Terugkerend thema in Zamjatins werk is de ontsnapping van over-ontwikkelde steden naar de vrijheid van de niet-stedelijke gebieden en de natuur. Zamjatin werd gearresteerd tijdens de revolutie van 1905 en kreeg in 1931, omdat hij verdacht werd van betrokkenheid bij de revolutie in 1917 (o.a. door zijn politieke schrijfwerk), toestemming om Rusland te verlaten. Van 1931 tot 1937 leefde hij in Parijs, waar hij stierf.
Uit:Wir
EINTRAGUNG NR. 1 Übersicht: Eine Zeitungsnotiz. Die weiseste aller Linien. Ein Poem. „Ich schreibe hier genau ab, was ich in der heutigen Staatszeitung lese: »In hundertzwanzig Tagen ist unser erstes Raketenflugzeug Integral vollendet. Es naht die große historische Stunde, da sich der Integral in den Weltraum aufschwingen wird. Vor einem Jahrtausend haben eure heroischen Vorfahren diesen Planeten dem Einzigen Staat Untertan gemacht. Ihr seid es, deren gläserner, elektrischer, Feuer speiender Integral die unendliche Gleichung des Alls integrieren wird. Eure Aufgabe ist es, jene unbekannten Wesen, die auf anderen Planeten — vielleicht noch in dem unzivilisierten Zustand der Freiheit — leben, unter das segensreiche Joch der Vernunft zu beugen. Sollten sie nicht begreifen, dass wir ihnen ein mathematisch-fehlerfreies Glück bringen, haben wir die Pflicht, sie zu einem glücklichen Leben zu zwingen. Doch bevor wir zu den Waffen greifen, wollen wir es mit dem Wort versuchen. Im Namen des Wohltäters wird sämtlichen Nummern des Einzigen Staates bekannt gegeben: jeder, der sich dazu befähigt glaubt, ist verpflichtet, Traktate, Poeme, Manifeste, Oden und andere die Schönheit und erhabene Größe des Einzigen Staates preisende Werke zu verfassen. Diese Werke werden die erste Botschaft sein, die der Integral in den Weltraum trägt. Heil dem Einzigen Staat! Heil dem Wohltäter! Heil den Nummern!« Mit glühenden Wangen schreibe ich diese Worte nieder. Ja, wir werden diese herrliche, das ganze Weltall um- fassende Gleichung integrieren! Wir werden die wilde, krumme Linie geradebiegen, sie zur Tangente, zur Asymptote machen. Denn die Linie des Einzigen Staates ist die Gerade. Die große, göttliche, weise Gerade, die weiseste aller Linien.“
Jevgeni Zamjatin (1 februari 1884 – 10 maart 1937)
De Amerikaanse schrijver Ernest Hemingwaywerd geboren op 21 juli 1899 in Oak Park, Illinois. Hij won met het boek The old man and the sea in 1953 de prestigieuze Pulitzer Prize en in 1954 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn laatste levensjaren, waarin hij aan zware depressies leed, bracht hij hoofdzakelijk op Cuba door. Op 2 juli1961 benam hij zich met twee schoten uit zijn favoriete geweer het leven. Hij was niet de enige zijn familie die zelfmoord pleegde. Zijn vader, broer en zuster en zijn kleindochter kwamen op dezelfde manier aan hun eind.
Uit: The old man and the sea
“He hasn’t much faith.” “No,” the old man said. “But we have. Haven’t we?” “Yes,” the boy said. “Can I offer you a beer on the Terrace and then we’ll take the stuff home.” “Why not?” the old man said. “Between fishermen.” They sat on the Terrace and many of the fishermen made fun of the old man and he was not angry. Others, of the older fishermen, looked at him and were sad. But they did not show it and they spoke politely about the current and the depths they had drifted their lines at and the steady good weather and of what they had seen. The successful fishermen of that day were already in and had butchered their marlin out and carried them laid full length across two planks, with two men staggering at the end of each plank, to the fish house where they waited for the ice truck to carry them to the market in Havana. Those who had caught sharks had taken them to the shark factory on the other side of the cove where they were hoisted on a block and tackle, their livers removed, their fins cut off and their hides skinned out and their flesh cut into strips for salting. When the wind was in the east a smell came across the harbour from the shark factory; but today there was only the faint edge of the odour because the wind had backed into the north and then dropped off and it was pleasant and sunny on the Terrace. “Santiago,” the boy said. “Yes,” the old man said. He was holding his glass and thinking of many years ago. “Can I go out to get sardines for you for tomorrow?” “No. Go and play baseball. I can still row and Rogelio will throw the net.” “I would like to go. If I cannot fish with you. I would like to serve in some way.” “You bought me a beer,” the old man said. “You are already a man.” “How old was I when you first took me in a boat?” “Five and you nearly were killed when I brought the fish in too green and he nearly tore the boat to pieces. Can you remember?” “I can remember the tail slapping and banging and the thwart breaking and the noise of the clubbing. I can remember you throwing me into the bow where the wet coiled lines were and feeling the whole boat shiver and the noise of you clubbing him like chopping a tree down and the sweet blood smell all over me.” “Can you really remember that or did I just tell it to you?” “I remember everything from when we first went together.” The old man looked at him with his sun-burned, confident loving eyes. “If you were my boy I’d take you out and gamble,” he said. “But you are your father’s and your mother’s and you are in a lucky boat.” “May I get the sardines? I know where I can get four baits too.” “I have mine left from today. I put them in salt in the box.”
Uit:De redding van de Saragossazee(Vertaald door J.F. Vogelaar)
"Het waren een groene en een rode walvis, beide zwommen in zee. Zullen we elkaar iets over de wereld vertellen, zei de een, ik stel voor het over plankton te hebben. Je bedoelt dat je het over jezelf wil hebben, zei de ander, het is je lievelingsvoedsel, ook ik moet het dus over jou hebben. Denk je er wel aan dat het hier de ijszee is, zei de groene walvis, soms ben ik bang dat we te groot zijn. Omdat we groot zijn blijven we op temperatuur, zei de ander. Laten we een duik nemen en ervaringen opdoen. De Saragossazee bestaat of bestaat niet, in elk geval voer er een zeilschip, aan dek een jongeman, zijn haar woei in de wind. Er zijn eenvoudige handelingen, zei de jonge man, die zeker zijn, ík wil ze zeker noemen. Een zeil hijsen, op het dek staan, de koers wijzigen of de koers houden. De zon is een natuurverschijnsel, maar ook die heeft een betekenis, ze gaat op en onder, ik zeil, zulke dingen vormen samen het geluk. En ook staat vast dat de Balearen eilanden zijn en in de oceaan liggen. Je vergeet de afstand, zei een stem. De jongeman schrok want er was niemand aan dek. Hij zei: ik word nog eens een filosoof want ik praat in mezelf. Hij hield zich met de linkerhand vast en beschermde met de rechter zijn ogen tegen de zon. Er zwom naast het schip iets blinkends snel door de golven. Dolfijnen, zei de jongeman. Hij hoorde lachen. Wil je zeggen dat ik mij vergis, zei de jongeman, geloof maar niet dat ik nooit iets over hallucinaties heb gehoord, een reis naar de Balearen duurt lang, zo kom je tenminste je tijd door. Ik ben een heks, zei de stem. Zij kwam naderbij, hij zag haar rug en rossig haar. Zij zwom even snel als het schip, zonder de armen te bewegen. Het leven is interessant, zei de jongeman, ik maak voortdurend wel iets mee. O ja, zei de heks en hij meende een spottende toon in haar stem te horen. Ik vergelijk nieuwsgierigheid met het varen op schoeners, zei de jongeman, toch stoort mij iets in je manier van praten. Je bent jong en zwemt behendig, wanneer je zoals nu op je zij ligt laat je linkerborst een eigen smal kielzog achter. Heb je een staartvin?"
Op vrijdag 19 mei 2006 werd in het Letterkundig Museum de P.C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Bergevoor zijn gehele oeuvre.. H. C. ten Berge(Eigenlijk: Johannes Cornelis) werd geboren in Alkmaar op 24 december 1938. Zie ook alle tags voor H. C. ten Berge op dit blog.
De P.C. Hooftprijs is een jaarlijkse oeuvreprijs die afwisselend bestemd is voor een dichter, een prozaschrijver of een essayist. In 2005 was de belangrijke literaire prijs voor Frédéric Bastet, onder meer biograaf van Louis Couperus. De laatste dichter die de prijs in de wacht sleepte, was H.H. ter Balkt (2003).
Dorp in lentestemming
Nu de wijven Schutteldoeken uit het telraam Van hun mager a b c Hoe innemend de haat kraait, de vliesdunne wrevel
Bij donker alleen met de rook Het gebaar voor de spiegel De baltsende vogel vergaat In het vuur van haar bloot
Ah de muis in haar hand de beminde Die klautert en klimt In haar adem
Het lichaam staat groot Voor zijn beeld, en alleen Het wordt oud, tot schrikbeeld verkild Tegen glas aangedrukt
Gekooid in verbeten geween.
De laatste modernist
Hij wilde bij maanlicht vulkanen bestijgen maar dronk een glas wijn bij het vuur.
Hij dacht zich op jacht in het schemerige noorden maar stond in een sneeuwbui van meeuwen op pas geploegd land.
Hij moest nog een meesterwerk scheppen maar viel in slaap bij muziek van Ooitweer en Voorheen.
Hij droomde een mes in de strot van de poolvos maar priemde een balpen door kringlooppapier.
Hij tartte het weer en de wereld, verachtte de god van de vader maar zag dat ook zijn naam stilaan verdween.
Hij strooide ze rond, explosies van kleuren, vermetele beelden, maar hoorde blasfemische echo's vol spot.
Hij wist zich op weg naar de hemel maar stuitte op plaksterren aan het plafond.
Hij dacht aan een lichaam volleerd in de liefde maar lag naast een lijf dat niks wou.
Hij schiep zich een ijstijd, massale sterfte, beelden van leegte en bijtende kou op de rand van haast niets,
Maar onbegrensd, in zoiets als een ruimte die iedereen huiverend mijdt.
Hij zocht wat hij vond: het kleinste detail en het grote gebaar, een zin die versmolt, een beeld dat bevroor -
Elk woord lag volmaakt in de mond maar verkleumd zocht een hand naar de hand van een vrouw.
O, dat er een eind aan kwam!
De laatste modernist te zijn die z'n ziel aan een ijzige demon verpandt.
Slechtzittend gedicht
Achter brillen met geschilderde pupillen worden doordeweekse daden uitgedacht.
'Hoe eensgezind spannen zij samen.'
Blank gebolsterd, ruw van pit weet men zich op zondag voor de heer verschoond en opgewit; de eigen lijven achter eigen borrels, bijbels en bloedeigen boerenwijven.
'Sla neer de kracht van wie afvallig rebelleert'
Beter dwalen ten hele dan weer ten halve gekeerd.
Jij blijft zitten waar je zit en herinnert je de coca- coladoppen in de ogen van Egyptische kamelen.