Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
25-02-2025
Marijke Schermer, Friedrich von Spee, Jane Goodwin Austin
“Nemen we jouw auto?’ ‘We zijn veel te laat.’ Haar man komt uit de keuken. Hij is lang, mager en zijn gezicht is uitgesproken knap. Hij heeft een zwierig pak aan. De pan in zijn handen en de theedoek over zijn schouder verraden toewijding. Hij zet de pan op tafel, werpt de lap terug in de richting van het aanrecht dat hij net niet haalt. Leo lacht met een hoog en helder stemmetje. Alicia, het buurmeisje dat oppast, knoopt Osip een slabbetje om. Ze is in een paar weken tijd van een androgyn kind in een kermisattractie veranderd. Haar wangen en lippen zijn rood geverfd, ze draagt idiote, veel te blote kleren. Emilia moet zich bedwingen haar niet ook over haar bol te aaien. Ze kussen de kinderen gedag. ‘Jij rijdt. We gaan het halen.’ Ze scheurt de oprijlaan af en draait de weg op. Het eerste deel van de rit voert over de dijk, door de glooiende rivierdelta, over een smalle tweebaansweg tussen de populieren. Er is een zakkend zomers zonnetje met weinig kracht en er staat een flinke wind. In de weilanden rechts van hen staan schapen. Even later, op de snelweg, kan ze echt hard rijden, iets wat ze graag doet. Ze praten niet veel. Door het raam waait een herinnering binnen aan lange tochten naar het zuiden, blote benen uit het raam, zingend. Vlak voor Amsterdam voeren ze een korte discussie over de beste route naar het Leidseplein. ‘Waarschijnlijk heb jij gelijk,’ zegt ze terwijl ze haar eigen idee ten uitvoer brengt. Ze gokt op een vrije plek, gokt goed en parkeert vlak bij het theater. Ze besluiten dat betalen precies de tijd kost die ze niet meer hebben. Ze rennen, steken over, worden rakelings gepasseerd door een fietser. Bruch roept dat ze de volgende keer een hotel moeten nemen; even worden ze gegrepen door de wens te worden opgeslokt door het leven in de stad, in plaats van straks en ongetwijfeld weer met haast, terug te moeten keren naar de stilte.Ze rennen de schouwburg in, de trap op naar de zaal, waar zij als laatsten arriveren voor de deuren rondom sluiten. Hij vouwt hun jassen in elkaar onder zijn stoel en knijpt haar in haar zij.”
“As she spoke, the merry gleam died out of the captain’s eyes, and grasping his beard in the left hand, as was his wont in perplexity, he said gravely,— “These are large matters for a woman’s handling, Priscilla, and it may chance that Barbara’s silence is the better part of your valor. But still,—what do you mean?” “I mean that Master Oldhame and Master Lyford as the head, and their followers and creatures as the tail, are maturing into a very pretty monster here in our midst, which if let alone will some fine morning swallow the colony for its breakfast, and if only it would be content with the men I would say grace for it, but, unfortunately, the women and children are the tender bits, and will serve as a relish to the coarser meat.” “Come, now, Priscilla, a truce to your quips and jibes, and tell me what there is to tell. I cry you pardon for noting your forwardness in what concerned you not”— “Nay, Myles, you’ve said it now,” interposed Barbara, with a little laugh, while Priscilla, gathering her work in her apron, and looking very pretty with her flaming cheeks and sparkling eyes, jumped up saying,— “At all events, John Alden’s dinner concerns both him and me, and I will go and make it ready; a nod is as good as a wink to a blind horse, and a penny pipe as well as a trumpet to warn a deaf man that the enemy is upon him. Put your nose in the air, Captain Standish, and march stoutly on into the pitfall dug for your feet.” “Come, come, Mistress Alden! These are no words for a gentlewoman,” began the captain angrily, but on the threshold Priscilla turned, a saucy laugh flashing through the anger of her face, and reminding the captain in his own despite of a sudden sunbeam glinting across dark Manomet in the midst of a thunder-storm. “Here’s the governor coming up the hill, Myles,” whispered she, “and you may finish the rest of your scolding to him. I’m frighted as much as is safe for me a’ready.” And light as a bird she ran down the hill just as Bradford reached the door and, glancing in, said in his sonorous and benevolent voice, “Good-morrow to you, Mistress Standish. I am sorry to have frighted away your merry gossip, but I am seeking the goodman— Ah, there you are, Captain! I would have a word with you at your leisure.” “Shall I run after Priscilla, Myles?” asked Barbara, cordially returning the governor’s greeting.”
Jane Goodwin Austin (25 februari 1831 – 30 maart 1894)
Uit:Prins Peper (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)
“We vormden een kleine kring en herhaalden onze choreografie, die ons zou achtervolgen tot in onze dromen. En we keken niet verbaasd op als we midden in de nacht ineens geneurie hoorden van onrustig slapende jongens met in hun hoofd die oude melodieën in de gedateerde taal van Papa Moupelo, die rechtschapen man die ons Hoop verkocht voor de schappelijkste prijs omdat hij het als zijn taak zag om de zielen, alle zielen van de instelling, te redden. Papa Moupelo had me nooit opgebiecht dat hij verantwoordelijk was voor die kilometerslange naam, de langste van het weeshuis van Loango, en zeker van de stad, ja zelfs van het land. Misschien kwam het omdat zijn Zaïrese landgenoten de gewoonte hadden om eindeloze, onuitspreekbare namen te geven. Kijk maar naar die van hun president, Mobutu Sese Seko Kuku Ngbendu Wa Za Banga, wat zoveel betekent als ‘de krijger die van overwinning naar overwinning gaat en niet te stuiten is’. Als ik klaagde dat de een of ander mijn naam had afgekort of niet goed uitgesproken, drukte Papa Moupelo me op het hart niet boos te worden en ’s avonds voor het slapengaan te bidden om de Almachtige te bedanken. Volgens hem lag het lot van een mens verborgen in zijn naam. Om me te overtuigen nam hij zichzelf als voorbeeld: ‘Moupelo’ betekent ‘priester’ in het Kikongo, en dus was het geen toeval dat hij een boodschapper van God was geworden, net als zijn vader. Hij vond het mooi dat de jongens die me treiterden me alleen maar ‘Mozes’ noemden. Mozes was niet zomaar een profeet, betoogde hij vleiend: geen mens kon tippen aan Mozes, ook niet de oudtestamentische profeten met een baard die langer en peper-en-zoutkleuriger was dan de zijne; God had hem uitverkoren om de kinderen van Israël uit Egypte weg te voeren naar het Beloofde Land. Mozes was diep verontwaardigd over het treurige dagelijks leven van zijn volk en toen hij veertig was sloeg hij een Egyptische opzichter dood die een Israëliet strafte. Daarna vluchtte hij noodgedwongen de woestijn in, waar hij herder werd en trouwde met een van de dochters van de priester die hem onderdak had geboden.”
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)
We zitten buiten, luisteren naar het zingen van de vogels, dat lijkt op zwervende lijnen en spatten natte verf, op een abstracte expressionist aan het werk – zijn zwierige streken, en dan de lichtere toetsen, nauwelijks zichtbaar – en dat zich afspeelt op het hele doek van de hemel. Als ik iets voorlees uit de krant valt ze meteen in slaap. Ik strijk over haar gezicht en ze wordt wakker, kijkt me strak aan en zegt iets als: ‘Dat was een mooie stok.’ Een andere keer, toen we zo bij elkaar zaten, zei ze, uit het niets: ‘De woestijn is een tong.’ ‘Een rode tong?’ ‘Precies, het is een een soort je weet wel – het is, het is een lange auto.’ Toen ik haar vertelde dat ik misschien een tijdje naar Cambridge zou gaan, zei ze: ‘Cambridge is een oeroude zetel van de wetenschap. Zorg dat je…’ maar het werd te veel – ‘Zorg voor de korte kerstbloemen.’ Ik word duizelig, misselijk, wanneer ik probeer te bedenken wat er in haar hoofd gebeurt. Ik blijf urenlang buiten met haar, haar overeind sjorrend als ze doezelt, en wakker begint te worden; weg van de stank en het geschreeuw van de afdeling. Het ergste van dit alles is, voor mij, dat ze nu, ondanks haar gemompel, vrediger is dan ik haar ooit heb gekend. Even leeft haar geheugen op, en ze denkt dat ik een lang geleden gestorven broer van haar ben.‘’t Was wel mooi op die paarden, hè, toen we klein waren!’ zegt ze, terwijl ze haar krachteloze hand op haar dij laat vallen. Alzheimer is nirvana, in haar geval. Ze heeft het nooit over de kwellingen van haar volwassen jaren – God, de boze passages in de bijbel, de lange, zware dood van haar moeder, en mijn vader. Niets, helemaal niets over mijn vader, en niets over haar obsessie: het geloof waartoe hij haar dreef. Ze zegt dat het lied van de ekster, dat altijd maar doorgaat, als een vrolijk in zichzelf pratende Ier, en waar ik haar rolstoel naartoe heb gekeerd, haar herinnert aan een kopje. Een gebroken kopje. Ik denk dat de chaos in haar hoofd voor haar alleen draaglijk is omdat hij zich wentelt, langzaam, heel langzaam, als stofjes in een lege kamer. De ziel? De ziel is allang verslagen, al bijna verdwenen. Ze brengt nu slechts stoppels voort op haar kin, en een geur van oude kranten op een vochtige betonnen vloer, verward gestamel, een paar versplinterde herinneringen en een soort warmte (die er altijd al was, de buideldierlijke toewijding) een warmte die nu alleen in haar ogen zit, vooral als ik haar vasthoud en een tijdje wieg, als ik haar in bed til – een opgevouwen pakje, zoals – dat heb ik op foto’s gezien – de ‘IJsman’ gevonden werd. Ze zegt: ‘Ik vind het fijn als je – als als je…’ My brown-eyed girl, zeg ik tegen haar. Hoewel ze zich het nummer niet herinnert, of hoe ik die keer thuiskwam, zing ik het haar voor: ‘Ta ta-dum, ta-dum…’ En zij kijkt op: ‘Jij bent het, jij bent het’ – en glimlacht me toe – ‘jij bent my brown-eyed girl.’
In one of the side streets of a small hot town off the highway
we saw the garage, its white boards peeling among fronds and palings.
The sun had cut a blaze off the day. The petrol pump was from the sixties—
of human scale and humanoid appearance it had a presence,
seemed the attendant of our adventures on the road, the doorman of our chances.
We pulled in, for nostalgia, onto concrete. From where did that thing’s almost
avoidable sense of sacrifice, or remorse, arise? One felt it
as though a line in the hand, drifted far off somewhere, unweighted.
Who was this, in faded cream outfit, with badge, expressionless small head,
and rubbery hose laid on the breast, dutifully or out of diffidence?
Were arms being shown, and in servitude or consent? The stoic discomforts,
suggests a rebellion. Elusively, such feelings are wafted through us, but how
interpret them? A person relied upon and yet dangerous. Was this
another, or oneself? Were we familiars of something never to be known? I looked
down a blank street, of pines, lightpoles, old houses in shady yards, where it made
a genuflection, in approaching the gentian-coloured hills; then at the long workshop, a dim
barn, or empty corridor, in the galaxy, with somewhere far along it one star
crackling and bursting. Then at the greasy dog, in its narrow shade;
and at the old bowser— a sense still proclaimed but ungrasped, though everything
lay open. Someone shouted acknowledgement, so we sat quietly. The light
had become an interest of this place, pronounced in contrast with the peculiar
matt blackness of sump-oil that was soaked widely on earth, gravel, and cement—
an obscurity as opaque as the heart’s, which was keeping on with its tunnelling there.
IN STRIJKEND LICHT (Fragment)
Mijn moeder, negentig al, moet aan haar rolstoel worden vastgegespt, en leunt toch nog vervaarlijk opzij; ze steekt uit, als gebroken, en kan iemand die dichtbij komt met haar aanblik doorklieven. Ze hangt scheef als haar scheve mond, in haar wazige waardigheid, en zegt dat ze het prima maakt. Het is onmogelijk haar een verwijt te ontlokken of haar aandacht langer dan een seconde op iets te vestigen. Vergeleken bij haar ziet Stephen Hawking er nog gezond uit. Het is of ze zijwaarts door een patrijspoort uit het leven wordt gezogen en wij haar vasthouden bij haar voeten. Ze is erg kalm. Als je lang genoeg leeft ben je niet bang voor de dood maar voor wat het leven nog vermag. En ergens schijnt ze dat te weten, ook al is er geen hoop dat ze het uit zou kunnen spreken. Toch is ze zo kalm dat je aan onsterfelijken denkt – een voor eeuwig aan de rand van het leven verschrompelende Tithonus, zij het zonder één klacht. Als je haar mee naar buiten neemt lijkt mijn moeder bezig aan een motorrace, zij de zijspanrijder die de machine op de weg houdt door zo ver mogelijk naast het wiel te hangen. Ernstig, geconcentreerd tuurt ze naar de finishlijn terwijl we in cirkels voortkruipen door de taaie stroop van een tuin achter het tehuis. Haar mond is vol chaos. Mijn moeder maalt de helften van haar gebit als knikkers knarsend op elkaar of laat ze losjes kletteren, beschadigd, gebarsten. Omdat ze niet op haar tandvlees blijven zitten spuugt ze ze uit, met een bruuske stotende kuch, die haar laatste adem uit haar lijkt te persen. Haar tanden trekken de speekseltrossen los en belanden op haar schoot of in het gras. Wat we in zulke ouderdom zien, is voor ons de voortijdige ontbinding van een lichaam, terwijl het van de botten glijdt, terug naar protoplasma, voordat het fatsoenlijk kan worden verborgen. Het is of haast alle synapsen tussen haar hersencellen kapot zijn en nog zwakjes natrillen op de tocht van mijn stem, lukrake en verkeerde verbindingen leggend: ze werd een surrealistische dichteres. ‘Is het lekker, de zon op je rug?’ vraag ik. ‘De zon is mechanisch,’ deelt ze me mee op zakelijke toon. Wacht even, denk ik, wordt ze nu diepzinnig? (Want zonder aanleiding zegt ze: ‘Het meer wordt stoffig.’ Er is geen meer, hier noch in het verleden. ‘Je moet het meer afstoffen.’) Het zou kunnen, ‘Die jongen in de sterren is eten;’ of misschien: ‘De jongen is de ster in het eten’ en je denkt: nee, dit appelleert gewoon aan mijn soort bijgeloof. Het is een en al verwarring, en interpretaties en misverstanden, alleen maar de verraderlijke gladheid van haar neergang.
“Mijn vader handelde in postzegels, in ieder geval dat dachten mijn moeder en ik. Mijn moeder had me verteld dat zijn vader een drogisterij had. Dat was een drogisterij op een karretje. Die man liep de hele dag door Berlijn met dat karretje. ‘Op een dag troffen ze hem dood boven zijn karretje aan,’ zei ze, ‘maar dat kwam niet door de SA, dat kwam door de neunundneunziger.’ Even later zei ze: ‘Maar mijn ouders hadden een meubelzaak, en later zelfs twee, en daar hebben we geen cent voor gekregen, geen cent.’ Wij woonden in Düsseldorf in een hotel, waar aan de muur een soort gedenksteen was bevestigd: ‘Hier heeft de jonge dichter Heine gelukkige jaren doorgebracht’. Daarvan moesten we natuurlijk een foto maken, met mij ervoor. Ik werd gek van de jonge dichter Heine. Toen ik nog op de lagere school zat, ging ik weleens met mijn vader mee op reis. Hij bleef nooit lang weg, een of twee dagen. In de trein aren we broodjes met koosjere worst, die hij zelf had klaargemaakt. Maar we aten ook wel niet-koosjere worst, en veel poffertjes en gebak. Dat was net zo goed als warm eten, volgens hem. Hij ontmoette mensen in cafés. Het was warm. Ik droeg mijn korte broek. Mijn vader was kaal. Ze dachten dat hij mijn opa was. Ze vroegen: ‘Lekker op stap met opa?’ We gingen een café binnen, en daar zat dan de man met wie hij had afgesproken. Ook oud en ook kaal. Ze dronken een paar wodkaatjes. Ik kreeg ijs, altijd ijs. Ze praatten urenlang met elkaar. Mijn vader wilde nooit zeggen wat hij met die kale mannen had besproken. Als we klaar waren in het café, gingen we naar de kermis. We aten braadworstjes. Hij zei dat God niet op een braadworstje meer of minder keek. God misschien niet, maar mijn moeder wel. ’s Avonds gingen we weer naar een café, daar ontmoetten we nog zo’n grijze man. Zo’n man die voor God zou kunnen spelen in een slechte film. Er werden weer wodkaatjes gedronken. Mijn vader wond zich op. Zijn haren leken op stro. Hij had ze namelijk heel lang laten groeien om de kale plek op zijn hoofd te bedekken, maar als hij zich opwond vielen ze voor zijn ogen. ‘Auf bessere Zeiten,’ riepen ze. Mijn vader sloeg op tafel. Niemand lette op hem. Ze sloegen daar allemaal op tafel. Het ging over het Majdanek-proces. Of misschien wel weer over de jonge dichter Heine. Allemaal één pot nat. Mijn moeder dacht dat ik met hem mee was gegaan om postzegels te verkopen, maar ik had geen postzegel gezien. Ik vroeg of hij ze verkocht had. Hij wilde niets zeggen. Ook regen mijn moeder niet. Als je verder vroeg, zei hij alleen maar ‘Iedereen heeft zijn verhaal, ook de dommen en de onwetenden.”
de tijd heelt alle wonden? leugenaar! mij maak je dat soort dingen niet meer wijs, ik mis hem op het strand en op het ijs, ik mis hem onder nul en zonneklaar.
de tijd stuurt oude bladeren op reis en goochelt met de sneeuw van vorig jaar, en kan veel doen verkeren weliswaar, maar mijn verdriet ontsnapte aan zijn zeis.
er zijn wel honderd oorden die ‘k vermijd, alleen maar omdat hij ze indertijd gewijd heeft met zijn voetstap en zijn stem.
op onbekend terrein zoek ik respijt, en denk: hier ben ik al mijn heimwee kwijt, en sta aldus weer oog in oog met hem.
Vertaald door Willem Wilmink
Edna St. Vincent Millay (22 februari 1892 – 19 oktober 1950)
Een dag om je prettig te voelen, om de 1000 meter te lopen, Hemingway te lezen en van je te houden
De zon is een gulle welgedane man, de directeur van de sunkistfabrieken bij voorbeeld, hij kan alles gedaan krijgen.
O.a. dat jij in de laatste strofe van dit gedicht staat, in nog enkel een broekje zo dun als het ogenblik voor je het uittrekt.
Zomeravond
Zomeravond. We hebben woorden en tijd. Behaaglijk is het om van mening en geslacht te verschillen, waarna alleen nog van geslacht, een verschil van dag en nacht, waarna nacht.
Laat je strelen, kom. Ik hou ervan je lichaam te verdelen in van alles twee, zoals ik deze zomer de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.
Even
Geluk is ineens, zaterdagmiddag in de trein naar Amsterdam, weten dat het niet voor jou is weggelegd. En daar hoe dan ook erg rustig van zijn. Goed, dat weten we dan, dat hoeft niet meer gezegd.
Er vallen tenslotte nog andere dingen te beleven. We gaan naar Amsterdam kijken, en niet naar elkaar. En er is een voorzichtig-zijn met wat je even mag hebben, hooguit voor een paar jaar.
Zoiets als elke dag opnieuw weer honger krijgen, zoiets als elke keer met jou weer hijgen en hijgen en hijgen. En dan is het voorbij. En wie weet, nooit gebeurd. Dan blijven ik en jij.
Geluk is vandaag nog dingen willen schrijven als ‘jouw ogen en hun sterrelingse pracht’. Godgod, nee zeg. Maar het is koud. En ik wil blijven bij jou. Omwille van de nacht.
Herman de Coninck (21 februari 1944 – 22 mei 1997)
Meestal is handlezen, net als een handschrift, en ook gezichten lezen Een soort vertaalwerk, want er is menig verleider geweest Die een heer leek te wezen, Dat fronsende schoolmeisje snakt misschien wel naar Een invitatie; maar 't Fysiek van deze oude dame geeft een scherp beeld van haar geest. Ook zonder Rorschach of Binet ziet zelfs een dwaas aan haar Dat het goed met haar gaat, dat ze leeft; Want als je tachtig jaar En ook al is het nog zo'n beetje hebberig bent, Ben je zwaar patiënt, Iemand aan wie één dag van wanhoop al meteen de doodklap geeft: Of de stad ooit schuimwijn dronk uit haar schoentjes of dat Ze gouvernante was, goed aangeschreven In christelijke kring, of ze een man heeft gehad Die haar verwende, of een zoon die niet meer leeft, Dat is nu alles één. Zij heeft Wat er ook is gebeurd overleefd; ze wérd; ze heeft vergeven. Dus de schilder kan doen wat hij wil, haar een Engels park geven, Rijstvelden in China, of een afbraakpand, Een lichte of donkere lucht, dat is om het even, Groen pluche als achtergrond of een rode baksteenmuur. Zij geeft de dingen eenheid en duur, Door haar zie je hun wezenlijke, menselijke kant.
Vertaald door Peter Verstegen
W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973) Portret door Andrea Ventura, 2023
Uit: Gesprekken met vrienden (Vertaald door Gerda Baardman)
“Bobbi en ik ontmoetten Melissa voor het eerst in de stad op een poëzieavond waar we samen hadden opgetreden. Melissa maakte buiten een foto van ons waarop Bobbi stond te roken en ik schutterig met mijn rechterhand mijn linker pols vasthield alsof ik bang was dat hij zou weglopen. Melissa had een grote professionele camera en een speciaal tasje met allemaal verschillende lenzen. ze praatte en rookte onder het fotograferen. Zij had het over om optreden en wij hadden het over haar werk, dat we op internet waren tegengekomen. Rond middernacht ging de bar dicht. Het begon te regenen en Melissa nodigde ons uit om bij haar thuis nog iets te drinken. We stapten alle drie achter in een taxi en deden onze gordel om. Bobbi zat in het midden met haar hoofd opzij om met Melissa te praten, dus ik zag alleen haar nek en haar lepelvormige oortje. Melissa gaf de chauffeur een adres in Monkstown en ik keek uit het raam. Op de radio zei een stem de woorden eighties… pop… klassiekers. Toen kwam er een jingle. Ik was opgewonden, klaar voor de uitdaging van het bezoek aan het huis van een vreemde, en bedacht al complimenten en bepaalde gezichtsuitdrukkingen om leuk over te komen. Het huis was de helft van een twee-onder-een-kapwoning van rode baksteen met een plataan ervoor. In de straatverlichting leek het alsof de bladeren van oranje kunststof waren. Ik keek graag naar interieurs van andere mensen, vooral als die een beetje beroemd waren, zoals Melisse. Ik nam me voor alles in haar huis te onthouden, zodat ik het voor andere vrienden kon beschrijven en Bobbi het kon bevestigen. Toen Melissa om binnenliet, stoof er een kleine rode spaniël de gang in en begon tegen om te blaffen. Het was warm in de gang en het licht was aan. Naast de deur stond een laag tafeltje, waarop iemand een stapeltje muntgeld, een haarborstel en een lippenstift zonder dop had achtergelaten. Er hing een prent van Modigliani boven de trap, een liggende naakte vrouw. Ik dacht: een heel huis. Hier zou een gezin kunnen wonen. We hebben bezoek, riep Melissa. Er kwam niemand, dus volgden we haar naar de keuken. Ik herinner rne een donkere houten schaal met rijp fruit, een glazen serre. Rijkelui, dacht ik. Ik dacht in die tijd voortdurend aan rijke mensen. De hond was meegelopen naar de keuken en snuffelde aan onze voeten, maar Melissa zei niets over de hond, dm wij ook Met. WIM? vroeg Melissa. Wit of rood?”
“Na het ontbijt moeten ree aan het werk. Iedere patiënt heeft een werkplek. De Regenboog heeft een professionele houtwerkplaats, er is een metaalwerkplaats en er wordt verf gemengd. Sommige bewoners hebben schoonmaakdienst, volgen een opleiding, werken in do keuken of in de tuin. Ik werk in de tuin en samen met Grover wandel ik zo langzaam mogelijk naar onze werkschuur. De tuin is niet zomaar een tuin. We hebben een grote binnentuin in de zomer als een gezellig, doldwaas speelparadijs fungeert. Compleet met vijver, twee grasheuvels en een tafeltennisgebied prijkt hij als een paradepaardje op de homepage van de website van de kliniek. Center Parel schijnt jaloers te zijn. We onderhouden de sierruin, maar we verbouwen ook groente en Wit. Met onze kas zijn we bijna een zelfvoorzienende gekkenbiotoop. Ongeveer dertig rasidioten beginnen elke ochtend met het verdelen van de taken. Grover en ik bieden aan om het grasveld van de binnentuin in orde te maken. ‘Opkomen voor je groepsgenoten’ heet dat officieel; ‘lummelen met een hark en een sigaretje’ heet dat officieus. Langzaam strompelen we mm een kruiwagen en wat interessant uitziend tuingereedschap door de sneeuw naar het verbrande stukje gras. Grover is een poezelig, oud, tandeloos koekiemonster. Zijn bijnaam is uitstekend gekozen, want hij ie absoluut een bepaalde combinatie van die twee Sesamstraatfiguren en daar lijkt hij ook trots op te zijn. Hij was dertig jaar lang de directeur van een van de grootste koeriersdiensten van Nederland. Het was zijn eigen bedrijf rel hij had het van de grond af opgebouwd. Hij bestuurde bet eerste busje, en uiteindelijk bestuurde hij de bestuurders van ruim vijftig vrachtwagens. Hij hield van hard werken. Nu houdt hij van koffiekoeken en shag. Grover werkte ongeveer negentig uur per week tot er op een dag iets knapte in zijn hoofd. Hij begreep niet meer dat zijn werknemers hun eigen gedachten hadden, of een ander idee van werken, en toen hij op een nacht, tijdens zijn zesenveertigste welverdiende en pikzwarte koffie, geconfronteerd werd met een veeleisende chauffeur, ontstond er een tijdelijke kortsluiting in zijn hersenen. Met eenzelfde soort schop als die hij nu in zijn handen heeft, rende hij op de chauffeur af. Die verdedigde zich en sloeg nog flink wat tanden van Grover aan gruzelementen, maar kon niet voorkomen dat de schop uiteindelijk in zijn maag belandde.”
“But the bear only grunted. Perhaps it would be a long wait. She pawed her way into the broken helicopter’s cockpit. Rummaging about, she was pleased to discover a spiral-bound flight manual. She hooked it with a claw and carried it out to the grass. The bear looked at helicopter diagrams, the horse ate, and soon the dog dozed off. He hadn’t been asleep long when a striped cat arrived. Purring, she rubbed along the horse’s great hooves, then nodded respectfully at the bear and found herself a perch in the crashed helicopter, upon one of its soft, upholstered seats. The cat had just begun grooming a leg when, with a sharp caaw!, a crow announced himself. He descended in spirals and landed on one of the propeller blades. “Bird blessings on you,” said the crow, by way of greeting. And then, almost as soon as the crow had landed, the ringing of a bell cut the seaside air. As one, the animals looked up to the source of the sound. It was a yellow-eyed baboon, peering at them from a hatch in the yacht’s deck, high above. In one pink hand this baboon held a brass bell, which he shook again with great vigor before stowing it in a small bag he wore over his shoulder. “Order!” shouted the baboon. “We’ll begin! For victory!” The bear closed the flight manual and the horse stopped chewing dandelions. This baboon seemed very excited. He clambered down the deck and landed neatly beside the dog. “I’m up, I’m up,” insisted the dog, though he’d been fast asleep. “But, baboon,” said the bear, “we can’t begin. We’re not all here.” “Yes, the cats are late as usual,” added the dog. “Very disrespectful.” “This dog must still be sleeping,” said the cat in the cockpit, and the horse whinnied with laughter. A look of great frustration darkened the dog’s square face. “I was just… thinking!” “We are all here—” said the baboon. “Bird blessings,” interrupted the crow, “on all creatures!” “Bird Gods are important! Very important,” agreed the baboon, before turning to the bear. “All of us are here. Anyone who is not here is not us. That’s we. So we can begin.” “But if the others aren’t here,” said the bear, slowly, focusing on one bit of the problem, “how will they decide how to vote?” “They vote as we tell them,” said the baboon. “Animals like that.”
Nick McDonell (New York, 18 februari 1984)
De Duitse dichteres en schrijfster Elke Erbwerd geboren op 18 februari 1938 in Scherbach in de Eifel. Zie ook alle tags voor Elke Erb op dit blog.
Korenbloem, moederkoren, klaproos
Lief, je hoorde, je hoort hen, je broers, gebroeders, de zeven zwanen, je hoorde, hoort de veren – stemmen aan de hemel – Handwortels gonsden gezegend de herderin. Lief, ik dacht, voor mij groeien er geen broers in de akker, broers in de akker. Waarom groette ik niet het koren naar behoren? Stokstijf. Stenen, opgewekt, ogen, ridders, gezondgehekst, spelen nog viool op de gebroken eden.
heb je ook wel eens plotseling de aandrang om iets niet iets van persoonlijke waarde bedoel ik een boek of een foto van een dierbare maar iets onpersoonlijks zoals een prullenbak een bureaulamp een boekenplank zomaar ineens kapot te maken gewoon omdat het je anders misschien zou kunnen overleven?
Vlucht daar klapwiekt een kind het kan kijken met ogen groot als van een jonge nestvogel
het kind houdt iets in de holte van zijn smalle vuist
een onzichtbaar insect met stippen en een breekbaar schild
schoksgewijs beweegt het kind zijn hoofd verscholen in de capuchon van een gele regenjas
het klapwiekt boven bergen versgemaaid gras en rivieren natgeregend asfalt
strijkt neer en schikt zijn kleren
Huis te Vraag
Er is onderhoud gepleegd: een berg dode bladeren en takken bijeengeharkt, gesprokkeld. Een bouwwerk taps toelopend als een piramide een brandstapel op de verbreding van het pad tussen bomen en stenen.
De begraafplaats blaakt van eeuwenoud groen. Een man kijkt toe hoe een kist in de grond verdwijnt. Een keizer die zijn rijk ziet slinken.
Ik dacht nooit dat Michiko zou terugkomen na haar dood. Maar ik wist dat als ze kwam, dan als dame in een lange witte jurk. Het is apart dat ze is teruggekeerd als iemands dalmatiër. Ik zie de man die haar uitlaat bijna iedere week. Hij zegt goedemorgen en ik buk om haar te kalmeren. Zo doet ze bij anderen nooit, zei hij een keer. Soms loop ik langs en ligt ze aan de lijn op hun gazon. Als er niemand is ga ik op het gras zitten. Wanneer ze eindelijk bedaart, legt ze haar kop op mijn schoot en kijken we in elkaars ogen, terwijl ik in haar zachte oren fluister. Het mysterie laat haar koud. Het fijnst vindt ze het als ik haar kop streel en keuvel over mijn dagen en onze vrienden. Daar wordt ze vrolijk van, net als vroeger.
Vertaald door Jur Koksma en Joep Stapel
Jack Gilbert (17 februari 1925 – 13 november 2012)
Voordat ik me terugtrek bij een vrouw van rubber of papier, voordat ik niets meer klaarmaak dan mezelf, wil ik bij jou zijn.
Voordat de laatste ronde ingaat en mijn ziel is weggezwommen in het glas, mijn zinnen opgelost in drank, wil ik bij jou zijn.
Voordat mijn gedichten zijn verjaard tot voorbeeld van het een of ander, mijn talenten zijn vervallen tot verzameld werk, wil ik bij jou zijn.
Voordat het licht uit mijn ogen sijpelt, mijn huid verdort tot vel, voordat ik al mijn goud veranderd heb in lood, wil ik bij jou zijn tot de dood.
SONNET 152
Wij varen met zijn vieren door de tijd, wij en twee mensen die wij vroeger waren. De koers is goed. Ik maak je geen verwijt. Uit liefde kan men heel wat slechter varen. Ooit vielen wij in bijna alles samen; jij hield van mij, en ik, ik hield je vast. Nu dragen onbekenden onze namen op oude foto’s achter in een kast. Vanuit de spiegels zien zij alle dagen in het voorbijgaan, met verschrikte ogen, hoe vaak wij nog maar net kunnen verdragen dat wij ons met onszelf hebben bedrogen. Wat zijn we mooi. Tenminste, voor een kwart. Ik heb je lief met half mijn dubbel hart.
Wie ik ken en wat ik weet en wat er is
Ik ken een vrouw die eigenlijk een perzik is, met een zoete mond. Het zijn heerlijke nachten.
Ik weet een manier om de aandacht te vragen door ergens te gaan staan en doen of je onzichtbaar bent. Dat kan ik je wel leren, als je wilt.
Er is ook een meerval die misschien een zanger is, maar dat gaat mis, ben ik bang, want de winter komt eraan en ik heb nog geen noot van hem gehoord,
maar boven dat alles ken ik een vrouw die eigenlijk een perzik is, met een zoete mond, fluwelen handen en ogen als meren vol sterren, wimpers als vlinders en oren als hondjes of poezen in mandjes, ronde trappenhuizen, ammonieten, tedere wervelstormen. Het zijn heerlijke nachten.
Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)
De Duitse dichteres en schrijfster Elke Erb werd geboren op 18 februari 1938 in Scherbach in de Eifel. Zie ook alle tags voor Elke Erb op dit blog.
Vlakte bij Leipzig
De vlakte bij Leipzig is kaal, alsof de strenge middag haar platdrukken wil. Heggen en greppels, kreupelhout, een boom wegwijzers, geel als een brievenbus, stoffig of bijgevolg als tabak die een oude man in kruimels valt op zijn knie… Ik was een keer in Tüschen, daar keek een gans mij zwijgend aan, ze liep mee in een rij, wit langs een vochtige schuur. Links, keek me aan, links, en jullie weten het: het oog staat strak, groen geringd. Maar wat had ze te melden, uit verre steentijden komend, het genus, altijd opgewonden, uurwerk, steeds hetzelfde, eenzelvige uurwerk aan vergankelijke muren, maar wat, wanneer er geen muren meer staan, er geen gebouwd worden, wanneer de reusachtige aardwind alleen in het stof stort en huilt? Uurwerken, jullie uurwerken, wie zorgt dat jullie niet doordraaien aan het eind, wie zorgt? Ik was een keer in Tüschen, daar keek een gans mij zwijgend aan, ze liep mee in een rij, wit.
for M.G. Word is praise for Marina, up past 3: 00 a.m. the night before her flight, preparing and packing the platos tradicionales she’s now heating up in the oven while the tortillas steam like full moons on the stovetop. Dish by dish she tries to recreate Mexico in her son’s New England kitchen, taste-testing el mole from the pot, stirring everything: el chorizo-con-papas, el picadillo, el guacamole. The spirals of her stirs match the spirals in her eyes, the scented steam coils around her like incense, suffusing the air with her folklore. She loves Alfredo, as she loves all her sons, as she loves all things: seashells, cacti, plumes, artichokes. Her hand waves us to circle around the kitchen island, where she demonstrates how to fold tacos for the gringo guests, explaining what is hot and what is not, trying to describe tastes with English words she cannot savor. As we eat, she apologizes: not as good as at home, pero bueno… It is the best she can do in this strange kitchen which Sele has tried to disguise with papel picado banners of colored tissue paper displaying our names in piñata pink, maíz yellow, and Guadalupe green- strung across the lintels of the patio filled with talk of an early spring and do you remembers that leave an after-taste even the flan and café negro don’t cleanse. Marina has finished. She sleeps in the guest room while Alfredo’s paintings confess in the living room, while the papier-mâché skeletons giggle on the shelves, and shadows lean on the porch with rain about to fall. Tomorrow our names will be taken down and Marina will leave with her empty clay pots, feeling as she feels all things: velvet, branches, honey, stones. Feeling what we all feel: home is a forgotten recipe, a spice we can find nowhere, a taste we can never reproduce, exactly.
We’Re Not Going To Malta
because the winds are too strong, our Captain announces, his voice like an oracle coming through the loudspeakers of every lounge and hall, as if the ship itself were speaking. We’re not going to Malta- an enchanting island country fifty miles from Sicily, according to the brochure of the tour we’re not taking. But what if we did go to Malta? What if, as we are escorted on foot through the walled ‘Silent City’ of Mdina, the walls begin speaking to me; and after we stop a few minutes to admire the impressive architecture, I feel Malta could be the place for me. What if, as we stroll the bastions to admire the panoramic harbor and stunning countryside, I dream of buying a little Maltese farm, raising Maltese horses in the green Maltese hills. What if, after we see the cathedral in Mosta saved by a miracle, I believe that Malta itself is a miracle; and before I’m transported back to the pier with a complimentary beverage, I’m struck with Malta fever, discover I am very Maltese indeed, and decide I must return to Malta, learn to speak Maltese with an English (or Spanish) accent, work as a Maltese professor of English at the University of Malta, and teach a course on The Maltese Falcon. Or, what if when we stop at a factory to shop for famous Malteseware, I discover that making Maltese crosses is my true passion. Yes, I’d get a Maltese cat and a Maltese dog, make Maltese friends, drink Malted milk, join the Knights of Malta, and be happy for the rest of my Maltesian life. But we’re not going to Malta. Malta is drifting past us, or we are drifting past it- an amorphous hump of green and brown bobbing in the portholes with the horizon as the ship heaves over whitecaps wisping into rainbows for a moment, then dissolving back into the sea.
Het is net voordat je wegrijdt: onze ledematen nog warm van de slaap, koffie die pruttelt, de noordenwind, je heupen die me hard tegen de tafel drukken. Ik vind hard leuk omdat ik dit moet onthouden. Ik wil harder zeggen. Hoe we moeten kijken naar de weg die verdwenen is, naar de uitgespreide ochtend van koude boter en onverbeterlijke hebzucht. Licht komt en gaat in het veld. Sinaasappels in een kom, knoflook, radio. In het verhaal van ons wint niemand. Isolatie is een nieuw thema zegt iemand. Inmiddels heb ik je uitgevonden. De meeste mensen houden er niet van dode dingen aan te raken. Dat is wat mijn vriend me vertelt als ik mijn vis op de grond vind. Hij moet eruit hebben gewild. Soms maakt mijn verlangen me bang. Soms kijk ik naar voetbal en denk: vier kansen is genoeg om er te komen. Maar we hebben geen helmen. Ik wil harder zeggen, ik kan er tegen, maar er is geen bewijs dat ik het kan.
i carry your heart with me(i carry it in (E. E. Cummings), Richard Blanco
Bij Valentijnsdag
Reflexión door Dani Torrent, 2024
[i carry your heart with me(i carry it in]
i carry your heart with me(i carry it in my heart)i am never without it(anywhere i go you go, my dear; and whatever is done by only me is your doing, my darling) i fear no fate(for you are my fate, my sweet)i want no world(for beautiful you are my world, my true) and it’s you are whatever a moon has always meant and whatever a sun will always sing is you
here is the deepest secret nobody knows (here is the root of the root and the bud of the bud and the sky of the sky of a tree called life; which grows higher than soul can hope or mind can hide) and this is the wonder that’s keeping the stars apart
i carry your heart(i carry it in my heart)
E. E. Cummings (14 oktober 1894 – 3 september 1962) De City Hall in Cambridge, Massachusetts, de geboorteplaats van E. E. Cummings
Weer en nog een keer ben ik zoals ik mezelf herinner. Dertig jaar later kan ik nog steeds genieten van het wuiven van deze palmen die dezelfde wind in lettergrepen waaien die goedemorgen fluisteren in mijn ogen, en deze dagen van vandaag bewaren waarop ik niet langer kan horen hoe ik deze passie moet overleven om mezelf aldus in gedichten te breken, zoals deze golven die ooit weer mijn trouwe liefdes zullen zijn die nog steeds mijn voeten kussen terwijl ik over deze kust wandel en achterom kijk naar mijn voetafdrukken, opnieuw weggespoeld. De zoute balsem van deze briesjes adem ik in, opnieuw levend met al mijn vreugdevolle spijt om alles wat ik goed of fout heb gedaan, om alles wat ik nu ben, dat is genoeg, maar niet genoeg, voor wie ik ooit wilde zijn, nog steeds deze zee afzoekend, nog steeds kijkend naar dezelfde stille horizon, vraag ik opnieuw: Wie ben ik? Wat moet ik doen? Het antwoord, zoals altijd: Alles.
De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ookalle tags voor M. Vasalisop dit blog.
Het ezeltje
In de korte, blauwe schemering deed ik een kleine wandeling. De grond was rood, gebarsten-droog. De lucht was dun en vreeslijk hoog, en blauwe distels stijf en grillig ritselden driftig en onwillig. Stil grazend naast een grijze rots zag ik opeens op hooge beenen een jongen ezel; zijn ooren schenen doorzichtig, zijn gelaat was trotsch. Zijn lange, ambren oogen blonken als water, ernstig en bezonken en onpartijdig was zijn blik. En na een korte, felle schrik verstarde ik in verwondering. Of kan het eerbied zijn geweest voor dit schoon, ongeschonden beest, waarmee ik langzaam verder ging? Een pijnlijke herinnering: zoo ben ik vroeger ook geweest. Die gaafheid en zachtzinnigheid, onzware ernst en droomrigheid, o kon ik dat nog ééns herwinnen, kon ik nog ééns opnieuw beginnen.
Klein. ’s Avonds
In het hart van de storm zit ik stil. Door groote veeren bruist de wind wild, frisch, maar ik zit warm en klein. Door natte haren kijkt een engel binnen, de wind strijkt al de grijze veeren op zijn rug terug, en hij zucht ongeduldig aan het raam. Zijn lange, grijze oogen speuren rond…. Maar ik zit stil. Ik wil niet. Dan leunt hij met zijn volle hand nog even dringend aan de ruit, die buigt, en schudt zijn haren uit en bruisend vliegt hij weg van hier ver – waar ik hem niet volgen kan. Ik wou niet. Waarom huil ik dan?
Paard gezien bij circus Straszburg
voor Hans en Floortje
Paard, dat bereden door een droom zonder teugel, zonder toom gestort kwam als een voorjaarswind, de eerste, door de kale lanen, regen en duister uit zijn manen, warm van zichzelf, koud van de nacht. Zwart paard, op bliksemende benen, ogen gebald, neusvleugels open, – o, waarvandaan, waarheen gelopen – de hoeven kloppend als een hart, tot barstens toe, zo rap, zo zwart, en dat zich plots omhoog verhief met hoeven die de hemel raakten, verblindend in zijn duisternis….. en even plotseling verdwenen als hartstocht en zijn luister is.
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
De Duitse dichteres en schrijfster Elke Erb werd geboren op 18 februari 1938 in Scherbach in de Eifel. Zie ook alle tags voor Elke Erb op dit blog.
Een ommetje
Alweer is degene die ik zoek er niet. De trappen zijn zacht bekleed: tot boven aan toe. Mors niet met de champagne, moeder, zegt iemand streng. Ze hadden het huis niet hoeven op te schilderen, Denk ik, het is niet mooier geworden dan het was.- Zijn ouders niet overvleugelen zal Dit kind hier beneden dat drie jaren telt. Het tuinhek dwars door de bloemperken, maar ze zeggen steeds Dat iemand hem wel in orde komt maken. Dezelfde weg die ik gekomen ben neem ik ook als ik wegga.
“In maart 1952 rouwde ons hele kerkgenootschap, want Schilder* was overleden. Het doodsbericht was belangrijk genoeg voor de radionieuwsdienst en in het Gereformeerd Gezinsblad las ik dat het zelfs in Amerika in de krant had gestaan: ‘Noted Dutch scholar dies’. Mijn moeder huilde en mijn vader bladerde zwijgend in het jongste nummer van De Reformatie waarin nog een stukje stond met de vermaarde ondertekening ks. Ik had nog geen letter van hem gelezen, maar sinds die eerste zondag na zijn dood kende ik zes dichtregels van hem. De dominee eindigde er zijn preek mee: ‘Zoals onze geliefde en betreurde hoogleraar K. Schilder het zei aan het einde van zijn boek Wat is de hemel? Ga naar eind.:
Op aarde was als ijdel glas uw blijdschap licht te schenden. Maar eenmaal kan de vreugde van de bruiloft nimmer enden.’
Daarna hoorde ik het versje zo vaak in preken dat ik het op den duur kon voelen aankomen, als een klassieke afsluiting: gemeente, kies dan, voor of tegen Christus; hemel of hel; ‘ga weg van Mij, ik heb u niet gekend’ of ‘gij goede en getrouwe dienstknecht, ga in tot het feest van uw Heer’. ‘Zoals onze geliefde en betreurde professor doctor K. Schilder het zei’: ‘Op aarde was…’ enzovoort. Ik las de zes regels boven rouwadvertenties, ik zag ze in gereformeerde huiskamers gecalligrafeerd aan de wand hangen, en moeders, grootmoeders en tantes schreven het versje in poëzie-albums van kleine gereformeerde schoolmeisjes, met onder de laatste regel de letters ks. Jaren later pas hoorde ik dat het versje niet van Schilder maar van Gezelle was. Het stelde me eerst teleur, de grootheid van ks kromp in, hij was dus geen dichter geweest, hij had als student wat modieuze melancholische verzen geschreven en later alleen nog het Kampense corpslied Fides quadrat intellectum. Maar toen ik ontdekte dat de regels afkomstig waren uit een zielgedichtje, vond ik het wel grappig dat zoveel orthodoxe protestanten onwetend een versje van een oerrooms bidprentje aan hun borst hadden gekoesterd. Mijn literaire vertrouwen in ks is inmiddels hersteld en zelfs aanmerkelijk gegroeid. Schilder bleek vooral in zijn domineesjaren een prachtige stilist geweest te zijn. Hij schold op de beschimmelde kanseltaal van zijn collega’s, hij streek de gereformeerde dominees tegen de haren in met een mooi essay over het toneel, hij vocht voor een moderne psalmberijming, hij citeerde in zijn artikelen uit Kierkegaard en uit Strindberg, hij bestreed Dèr Mouw en Nijhoff, en in zijn preken zei hij uit het hoofd gedichten op van Vondel en… Gezelle, altijd weer Gezelle.” ———————— Nederlandse theoloog en hoogleraar in de Gereformeerde Kerken in Nederland
„Nun, auf diesem 18. Geburtstag waren nicht nur ihre Freunde und Freundinnen, sondern auch wir, Menschen, die sie ihr gesamtes Leben begleitet haben. Verwandte, Großeltern, überall liefen Kinder rum. Auch hier war es laut, aber angenehm laut. Die Sonne schien, ein plötzlicher Platzregen machte alle nass, und ich dachte mir, huh, so war meine Kindheit. Gefühlt jedes Wochenende war Besuch da oder wir waren irgendwo zu Besuch. Geburtstage, Hochzeiten, Beerdigungen, alles wurde gefeiert. Auch Geburtstage von Verstorbenen. Und die Hochzeitstage! Und das hatten meine Kinder gerade zwei Jahre lang verpasst! Es war der Sommer 2022. Eine große Familie zu haben, bedeutet nicht nur, viele Geschwister zu haben. Cousinen und Cousins, nennen wir sie Kusengs, der Einfachheit halber, waren immer gegenwärtig. Man war irgendwie verwandt und war daher ein Kuseng oder auch eine Tante oder ein Onkel. Wir waren viele, und wir waren da. Die besten Freunde meiner Eltern? Tante und Onkel. Das Gefühl von Gemeinschaft, von Verbundenheit war stark, wir sprachen auch von “unseren Leuten”. Dabei blieb man im Umgang formvollendet. Erwachsene mit ihrem Vornamen anzusprechen etwa, vielleicht sogar die eigenen Eltern, das geschah höchstens in der Welt da draußen, bei den anderen, nicht aber in unserem Kokon, der durch Fernsehen und Zucker zusammengehalten wurde. “Klein zu heiraten”, bedeutete für mich, nur den engsten Verwandtenkreis einzuladen: knapp über 50 Leute. Mein Mann hatte genau drei Verwandte, die er zur Hochzeit einlud. Ich glaube tatsächlich, dass das nicht mal ein extremes Beispiel ist.“
Ik zoek in alle landen naar een stad Waar voor de poort een engel staat. Zijn grote vleugel draag ik zwaar Gebroken aan mijn schouderblad En op mijn voorhoofd als een zegel staat zijn ster.
Altijd beland ik in de nacht… Ik heb liefde de wereld in gebracht – Opdat blauw bloeien kan elk hart, Een leven lang heb ik mij moe gewacht, In God gehuld mijn donkere ademklacht.
O God, maak om mij heen uw mantel vast; Ik weet, ik ben het restje in het bolle glas En wordt de wereld door de laatste mens vergoten, Laat Gij mij niet weer uit uw almacht vallen En wordt een nieuwe aardbol om mij heen gesloten.
Vertaald door Kees Kok
Else Lasker-Schüler (11 februari 1869 – 22 januari 1945) Monument in Wuppertal
aber diese toten in der familie, man weiß es, werden manchmal lebendiger als wir, die mit mehr aufmerksamIceit von ihnen erzählen.
unter diesen toten, die, man weiß es, sich in einem zimmer zeigen können und nach dem essen uns helfen zu verdauen, finde ich auch einen, dessen kopf noch blond ist, der mit dem fahrrad von hinten fotografiert werden will, damit man die erste schultasche so besser sehen könne.
einen, der als kind in der schule allmählich gelernt hat, zu sterben wie die anderen und dem erst nachher gelang, das leben ein wenig zu ändern.
KALENDERBLATT MIT WEIHWASSER
„wiederum einen tag näher der ewigkeit” sie hält das kalenderblatt wie einen bußzettel in der einen den weihwasserbesen zum inneren reinemachen in der anderen hand (die geistliche schwester vor mir) wie habe ich mich denn mit scharlach angesteckt (wahrscheinlich war’s doch in Bozen) daß ich hier im Brixner ex-GIL-gebäude in klotziger Mussolini-architektur als einziger daliege 40 tage in der wüste (so lange kasernieren sie einen wegen scharlach noch im fahr 1959) „wiederum einen tag näher der ewigkeit” sagt sie jeden tag und hat recht und tut falsch daran.
ÜBERWINTERN
kindlich noch gestern in blauen himmeln denkend erschreckt mich heute aus den kahlen ästen das lärmen der vögel vor ihrem abflug. und es ist keine metapher und nur etwas ähnliches, wenn ich ein paar flaschen wein in den koffer lege zum überwintern gegen den strom im norden.
Gerhard Kofler (11 februari 1949 – 2 november 2005)
“In een overdadige villa ergens halverwege de plekken waar de twee mannen zich bevonden, in een wijk waar ze zich geen van beiden een huis konden veroorloven en waar ze waarschijnlijk nog nooit een voet hadden gezet: de mooie vrouw liet haar negligé vallen en zweefde bijna de inloopkast binnen waar ze langzaam een geschikt badpak uitkoos en daar in glipte. Nonchalant pakte ze een Flirtini mee van de salontafel en slenterde naar het zwembad en de ligstoelen.29 Ze liet zich in een ervan vallen en nipte van haar cocktail, terwijl ze haar blik op het water liet rusten. Ze moest weggedoezeld zijn, want ze had de detective in zijn regenjas, die opeens in de ligstoel naast haar zat, niet zien aankomen. De vrouw dook ineen. ‘Godallemachtig, wie ben jij?’ gilde ze. Heterdaad stond op en keek uit over de tuin. ‘Ik denk dat je dat wel weet,’ zei hij met zijn rug naar haar toe. Ze knikte. Dat zag hij. Hij had ogen in zijn nek.” Heterdaad pakte haar glas op en bestudeerde het. ‘Een Flirtini, neem ik aan?’;’ ‘Is er ook iets wat je niet weet?’ ‘Alleen dit,’ antwoordde hij terwijl hij haar recht aankeek.’Waarom lig je op dit uur van de dag te zonnebaden?’ De vrouw keek hem verbijsterd aan. Ze was niet de eerste die dat deed. ‘Bij mijn weten is het niet verboden om in je eigen tuin te zonnebaden,’ zei ze sarcastisch. Heterdaad knikte. ‘Maar er zijn niet veel mensen die dat om drie uur ’s nachts doen,’ zei hij bedaard terwijl hij een slokje van haar cocktail nam. Shit. Ze was mooi, dat zou nog weleens een probleem kunnen worden. ‘Ik kreeg een telefoontje,’ ging hij verder. ‘Een bezorgd telefoontje. Een buurman heeft geschreeuw en schoten op jouw terrein gehoord: ‘Daar weet ik niks van.’ ‘Nee?’ ‘Noppes, nada.’ Heterdaad pakte haar arm beet, dat deed blijkbaar een beetje pijn. Ze kreunde.” ‘En dat dan?’ zei hij terwijl hij naar het lijk wees, dat met zijn gezicht naar beneden in het zwembad ronddobberde. De koele wind duwde de overledene in langzame, rode cirkels rond. ‘Hè?’ Ze deed alsof ze niet goed begreep wat hij bedoelde. ‘Je weet heel goed waarover ik het heb. Heb jij hem vermoord?’ De vrouw stond op en dronk het laatste restje Flirtini in één teug op. Ze likte haar lippen af. ‘0, die daar? Tja, die lag er al toen ik kwam: 33 Nu pakte zij Heterdaads arm beet. ‘Waarom kom je niet even mee naar binnen, ik heb behoefte aan een…’ ‘Flirtini?’ ‘Onder andere.”
Over het burgerlijk treurspel ‘Der hofmeister’ van Lenz
Hier hebt ge Figaro rechts van de Rijn! Bij ’t plebs gaat de noblesse in de leer dat ginds de macht verwerft en hier de eer: wat daar een blijspel wordt zal ’t hier niet zijn.
Wie arm is zoekt geen literaire hulp, maar zal naar ’t keursje der élève snakken; nooit, als lakei, de Grote Knoop doorhakken: hem springen slechts de knopen van de gulp.
Wel, hij ontdekt, dat, als zijn pik wil palen, hij tegelijk de buikriem aan moet halen. Hij heeft te kiezen, kiest voor eieren geld.
Met lege maag herstelt dan zijn verstand zich. Hij grient en grimt, hij vloekt en hij ontmant zich. Z’n stem trilt als de dichter het vertelt.
Vertaald door C. O. Jellema
Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)
De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheulwerd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Zie ook alle tags voor Kees Verheul op dit blog.
Uit: Sandro Penna
“Wezenlijk is voor Penna’s visie ook dat het leven dat zich in de erotiek manifesteert voor hem amoreel is, zich niet aan onze taboes stoort. Schaamte zou een verraad en een belediging van het leven zijn. Ziehier een kort gedicht over huiskamerseks, dat misschien niet meer lijkt dan een stout anekdotisch grapje, maar dat in feite diepzinnig is en waarin het gegeven, zonder iets van zijn grappigheid in te boelen, kosmische proporties krijgt:
De maan die weggesuft was in de hemel komt zo springlevend mijn kamer binnen dat mijn geslacht schrikt en wegkruipt. Het jongetje lacht, laat zich stralend zien en zegt tegen me: ‘je schamen voor een maan!’
Ondanks de geringe omvang van zijn oeuvre, de kortheid van zijn gedichten en het uiterst selectieve van zijn thematiek is Penna’s poëzie een zeldzaam complete. Er spreekt zowel somberheid uit als levensvreugde, er heerst een uitzonderlijk evenwicht van gedachte, waarneming en gevoel en de opgeroepen wereld is gevarieerd: grote stad, platteland, zee, wind en sterren. En misschien ter geruststelling: er staan in zijn bundels ook niet-erotische verzen, waaronder heel treffende, over literatuur, over honden, over de plaatsen waar Penna heeft gewoond. Er zijn kunstenaars die na hun dood voor hun bewonderaars een genius loci worden: een onzichtbare maar permanente prettige aanwezigheid in een met hun biografie verweven deel van de ruimte. Dat Penna zo’n kunstenaar is, heb ik gemerkt aan mijn eigen reflexen in Rome en aan de uitlatingen van anderen, in publikaties en op het ‘concert’ van 26 januari. Penna verdient het ook om internationaal een goede genius te worden van de homocultuur. Dat Penna een plaats verdient in de wereldliteratuur – de literatuur die niet aan een bepaald land, een bepaalde tijd, ideologie of seksuele gezindte is gebonden – heb ik geprobeerd aannemelijk te maken. Op het ‘concert’ was iedere spreker van Penna’s blijvende grootheid overtuigd. Een jonge dichter bestempelde hem zelfs, met iets provocerends, als ‘waarschijnlijk groter dan Montale’ – de Nobelprijswinnaar, die in Italië algemeen geldt als de beste moderne dichter van zijn land. Onlangs las ik een boek van een Romeinse essayist die Penna internationaal onder de sterkste sterren uit de poëzie van de twintigste eeuw rekent. Ik weet dat Italianen geneigd zijn tot overdrijven. Maar zelfs als sceptische noorderling ben ik geneigd deze twee Italianen met hun taxatie gelijk te geven.”
Een koude lente: over het grasveld een vreemde paarse gloed. Twee weken minstens aarzelden de bomen; de blaadjes wachtten af, maar lieten goed zien hoe ze zouden worden. Ten slotte daalde plechtig groen stof over je uitgestrekte, lukraak verspreide heuvels. Op een dag, in een kille witte guts zonlicht, werd op een daarvan een kalfje geboren. De moeder hield op met loeien en was lang bezig met de nageboorte, een armzalige vlag, maar het kalfje krabbelde prompt overeind en leek geneigd tot vrolijk gedrag.
De volgende dag was een stuk warmer. Groenig witte kornoelje drong door in het bos, ieder bloemblad geschroeid, zo leek het, door een sigarettenpeuk; en de wazige judasboom stond ernaast, bewegingloos, maar bijna meer in beweging dan welke omlijnde kleur dan ook. Vier herten sprongen al oefenend over je hekken. De jonge eikenblaadjes deinden door de bedaarde eik. Zanggorsen waren opgelierd voor de zomer en in de esdoorn liet de complementaire kardinaalvogel een zweep knallen en de slaper ontwaakte en strekte vanuit het zuiden zijn mijlenlange groene leden. Op zijn muts werden de seringen wit, later dwarrelden ze neer als sneeuw. Nu de avond valt komt een nieuwe maan op. De heuvels vervagen. Plukken hoog opgeschoten gras verraden waar een koeienvlaai ligt. De brulkikkers laten zich horen, slappe snaren door dikke duimen beroerd. Onder de buitenlamp, tegen je witte voordeur plakken de allerkleinste nachtvlinders, als Chinese waaiers, zilver en zilvergerand over bleekgeel, oranje of grijs heen geplooid. Nu, vanuit het dichte gras, beginnen de vuurvliegjes op te stijgen: omhoog, omlaag, dan weer omhoog: oplichtend als ze klimmen, gezamenlijk drijvend naar dezelfde hoogte, – net als de belletjes in champagne. – Later stijgen ze veel hoger. En je schaduwrijke weiden zullen nu elke avond deze bijzondere, lumineuze huldeblijken aan kunnen bieden, de ganse zomer lang.
Vertaald door J. Bernlef
Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)
Uit: De tweede plaats (Vertaald door Marijke Versluys)
“Ik heb je weleens verteld, Jeffers, dat ik uit Parijs vertrok en in de trein de duivel ontmoette, en dat na die ontmoeting het kwaad dat gewoonlijk rustig onder de oppervlakte ligt, opwelde en zich uitstortte over alle aspecten van het leven. Het deed denken aan een besmetting, Jeffers: alles raakte ervan doortrokken en werd erdoor bedorven. Ik geloof niet dat ik besefte hoeveel aspecten het leven heeft, tot ze stuk voor stuk toonden hoeveel ellende ze kunnen veroorzaken. Ik weet dat jij zulke dingen allang wist en erover hebt geschreven, zelfs toen anderen er niet van wilden horen en het maar vervelend vonden om stil te staan bij wat fout en slecht was. Toch hield je vol en bouwde je een schuilplaats waar de mensen hun toevlucht konden zoeken als het ook voor hen misging. En het gaat nu eenmaal altijd mis! Angst is een gewoonte als alle andere, en gewoonten zijn dodelijk voor het wezenlijke in ons. Aan al die jaren van angst heb ik een soort leegte overgehouden. Ik verwachtte aldoor dat ik besprongen zou worden — ik verwachtte aldoor dezelfde lach van die duivel te horen als die waarmee hij me door de trein achtervolgde. Het was halverwege de middag en erg warm, en omdat het aardig druk was in de rijtuigen dacht ik eenvoudigweg aan hem te kunnen ontsnappen door ergens anders te gaan zitten. Maar elke keer dat ik verhuisde zat hij een paar minuten later alweer breeduit en lachend tegenover me. Wat wilde hij van me, Jeffers? Hij zag er afschuwelijk uit, gelig en pafferig, zijn groenige ogen waren bloeddoorlopen en als hij lachte zag je zijn gore gebit met pal in het midden een volkomen zwarte tand. Hij droeg oorringen en modieuze kleren die vlekkerig zagen van het zweet dat van hem af gutste. Hoe meer hij zweette, hoe harder hij lachte! En hij brabbelde aan één stuk door in een taal die ik niet kon thuisbrengen, maar luid en zo te horen doorspekt met verwensingen. Eigenlijk kon je het niet negeren, maar toch deden alle passagiers dat juist wel. Hij had een meisje bij zich, Jeffers, een bizar klein ding, niet meer dan een beschilderd kind dat schaars gekleed was; ze zat bij hem op schoot, met haar lippen een beetje vaneen en de zachte blik van een onnozel dier, terwijl hij haar liefkoosde, en niemand zei of deed iets om hem daarvan te weerhouden. Lag het voor de hand dat ik van alle mensen in die trein degene was die dat waarschijnlijk zou proberen? Misschien was hij me van coupé naar coupé gevolgd om me daartoe te verleiden. Maar ik was niet in mijn eigen land, ik was maar op doorreis, weer op weg naar huis, waar ik als een berg tegen opzag, en het leek me niet mijn taak hem te laten ophouden. Juist op het moment dat je individuele morele plicht zo duidelijk naar voren springt, is het heel gemakkelijk te denken dat je er niet zoveel toe doet. Als ik hem ter verantwoording had geroepen waren alle daaropvolgende gebeurtenissen misschien uitgebleven. Maar bij wijze van uitzondering dacht ik: laat iemand anders het maar doen! En op die manier verliezen we de zeggenschap over ons lot.”
Land ligt in water; geschaduwd in groen. Schaduwen, of zijn het zandbanken, aan de randen afgebiesd met lange zeewierige banden waar wieren vanuit groen overhangen naar eenvoudig blauw. Of helt het land om haar van onderen op te tillen, de zee en trekt haar kreukloos om zich heen? Rukt langs de delicaat gebruinde rand van steen het land van onderen aan de zee?
De schaduw van Newfoundland ligt plat en stil. Die van Labrador is geel, waar de dromerige Eskimo haar heeft geolied. Wij kunnen deze lieflijke baaien aaien, onder een kijkglas alsof zij zo zouden ontbloeien, of als om onzichtbare vissen aan een heldere kooi te helpen. De namen van plaatsen aan zee lopen in zee uit, de namen van steden lopen dwars door de nabije bergen – de drukker ervaart hier dezelfde opwinding als wanneer gevoel te ver buiten zijn oevers treedt. Deze schiereilanden nemen het water tussen duim en wijsvinger als vrouwen die de zachtheid van textiel beproeven.
In kaart gebrachte wateren zijn kalmer dan het land, verlenen het land hun eigen golfstructuur: vol vuur ijlt de Noorse haas naar het zuiden, waar land is, onderzoeken profielen de zee. Worden ze toegewezen, of kiezen landen hun eigen kleuren? – Wat het karakter of de inheemse wateren ’t meest bekoort. Topografie toont geen voorkeuren: west is even ver als noord. Fijnzinniger dan die van de historici zijn de cartografenkleuren.
Vertaald door J. Bernlef
Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)
“The proprietor of this charming retreat, and owner of the ragged head before mentioned — for he wore an old tie-wig as bare and frowzy as a stunted hearth-broom — had by this time joined them; and stood a little apart, rubbing his hands, wagging his hoary bristled chin, and smiling in silence. His eyes were closed; but had they been wide open, it would have been easy to tell, from the attentive expression of the face he turned towards them — pale and unwholesome as might be expected in one of his underground existence — and from a certain anxious raising and quivering of the lids, that he was blind. ‘Even Stagg hath been asleep,’ said the long comrade, nodding towards this person. ‘Sound, captain, sound!’ cried the blind man; ‘what does my noble captain drink — is it brandy, rum, usquebaugh? Is it soaked gunpowder, or blazing oil? Give it a name, heart of oak, and we’d get it for you, if it was wine from a bishop’s cellar, or melted gold from King George’s mint.’ ‘See,’ said Mr Tappertit haughtily, ’that it’s something strong, and comes quick; and so long as you take care of that, you may bring it from the devil’s cellar, if you like.’ ‘Boldly said, noble captain!’ rejoined the blind man. ‘Spoken like the ‘Prentices’ Glory. Ha, ha! From the devil’s cellar! A brave joke! The captain joketh. Ha, ha, ha!’ ‘I’ll tell you what, my fine feller,’ said Mr Tappertit, eyeing the host over as he walked to a closet, and took out a bottle and glass as carelessly as if he had been in full possession of his sight, ‘if you make that row, you’ll find that the captain’s very far from joking, and so I tell you.’ ‘He’s got his eyes on me!’ cried Stagg, stopping short on his way back, and affecting to screen his face with the bottle. ‘I feel ‘em though I can’t see ‘em. Take ‘em off, noble captain. Remove ‘em, for they pierce like gimlets.’ Mr Tappertit smiled grimly at his comrade; and twisting out one more look — a kind of ocular screw — under the influence of which the blind man feigned to undergo great anguish and torture, bade him, in a softened tone, approach, and hold his peace. ‘I obey you, captain,’ cried Stagg, drawing close to him and filling out a bumper without spilling a drop, by reason that he held his little finger at the brim of the glass, and stopped at the instant the liquor touched it, ‘drink, noble governor. Death to all masters, life to all ‘prentices, and love to all fair damsels.”
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)
De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happelwerd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happel op dit blog.
en trekt haar vinger omhoog tevergeefs bevochtigt het puntje van haar tong dan
met haar heel speciale sap in een uitbundigheid van iets
dat vergeten is nu echter haar hersenen binnen golft als een
bloedige zwarte rivier uitgegoten kort voor de
uitdoving van overtollige energieën in haar hersenstam
„Ein paar Meter entfernt von meiner Fundstelle befand sich der kleine Teich, der im Lauf der Jahre immer weiter ausgetrocknet und inzwischen nicht viel mehr als ein Tümpel war. Das knöchelseichte Wasser am Ufer schwappte auf und ab. Perlen aus Luft stiegen zur Oberfläche. Am trüben Grund wurde gewühlt. Die Amphibien gruben sich in den Schlamm, auf der Suche nach einem sicheren Platz für ihre Erstarrung. Ich hoffte, wenn ich mein Gesicht wusch, würde es mir besser gehen, was nicht der Fall war. In der Vergangenheit war ich öfter ins Visier eines Raubtieres geraten, so dass ich auch jetzt merkte, dass mich etwas aus dem Unterholz fixierte. Ich weiß nicht, wie lange ich reglos verharrte, wie oft ich mir in diesen Momenten Vorwürfe machte, viel zu leichtsinnig gewesen zu sein und nicht das verdammte Gewehr mitgenommen zu haben. Irgendwann, so langsam wie bei meinen kaputten Gelenken und den Schmerzen möglich, ging ich in die Hocke und griff nach dem Ast zu meinen Füßen. Er war weder besonders dick noch spitz. Doch vielleicht konnte er als Abschreckung dienen. Ein paar Meter vor mir, hinter einer aus dem Boden gewachsenen Wurzel, knackste es. Ich glaubte, kurz einen hellen Fellrücken ausgemacht zu haben. Nun war ich im Vorteil. Ich wusste, wo sich das Tier versteckt hielt, das wahrscheinlich darauf lauerte, dass ich unvorsichtig wurde. So kraftvoll wie möglich schleuderte ich den Prügel. Weil Stille eintrat, machte ich einen Schritt auf die Wurzel zu. Hinter ihr tauchten ein Paar Ohren auf, eines hing herab. Eine graue Katze schlüpfte hervor. Sie hatte einen auffallend weißen Hals, als trüge sie ein Band. Das Laufen bereitete ihr Probleme. Ihre Hinterbeine lahmten. Sie hoppelte. Ein paar Meter vor mir setzte sie sich auf die Hinterbeine und rückte sich immer wieder mit den Vorderpfoten zurecht, wie um die Balance zu halten. Ich war zu erstaunt, um etwas zu unternehmen. Aus dem verdreckten Fell standen die Rippen hervor. Ihre Augen schimmerten milchig. Sie besaß keine Pupillen. Die Katze war nicht nur alt, sie war auch blind. Was machte eine Hauskatze hier, mitten in der Wildnis? Wie hatte sie überhaupt von dem einzigen zivilisierten Ort weit und breit, der Wetterstation, bis zu dieser Stelle des Waldes gelangen können, noch dazu in ihrem Zustand? Seit ich hier lebte, war mir nie ein entlaufenes Haustier begegnet. Ich konnte mich auch nicht erinnern, bei meinen früheren Besuchen bei der Station eine Katze gesehen zu haben. Die Natur in dieser Gegend duldete nichts Zahmes.“
Thomas von Steinaecker (Traunstein, 6 februari 1977)
Laten we niet uit elkaar gaan als mensen, die een slechte deal gemaakt hebben. Zo innig zijn we slechts geworden omdat wij ons anders niet konden herkennen. Als je van bedrog wilt spreken, spreek dan van zelfbedrog. Als we iets verloren hebben, zijn het illusies. Wat we gewonnen hebben zijn ervaringen. Teleurgesteld zijn we slechts in onszelf. Dat wij uit elkaar gaan ligt daaraan dat we eerlijk waren. Laten we niet uit elkaar gaan, alsof wij een slechte deal gemaakt hadden.