Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
Wantrouwen in grote woorden in kleine woorden, voegwoorden tussenwerpsels, in het laatste woord dat iedereen wil en niemand krijgt
Een totale gespreksstop met strenge straffen tong uitrukken wel het minste
Het paard langs de spoorbaan staart de sneltreinen na het gras wacht op de vallende nacht een steen koestert zich in het laatste licht.
Waarom hebt u mij verlaten? Wat een lachwekkende klacht.
Toekomstbeeld
Sommige dichters willen dat met hen ook het licht vergaat dat de wereld dan niet langer bestaat; blinde woede om de eigen dood (over die van anderen valt te praten).
Ik sta bij de rivier, u weet wel en zie hoe het licht mij majestueus links laat liggen; ik slik even en schik mij schrikkend in dit lege toekomstbeeld.
Het museum van de kindertijd
Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt in een naamloze straat, stuit meestal op een dichte deur waarachter stilte heerst
Of lijkt te heersen. De meesten lopen door terug naar het vertrouwde stratenplan en vergeten zijn bestaan.
Is het museum vloeibaar, opvouwbaar bestaat het uit prisma’s, electrische velden of valt het soms samen met wie eraan denkt?
Meestal is het verlaten, de wanden en uitstalkasten leeg op de jaartallen na die elkaar hun juistheid betwisten
Of het vult zich met mist, met daarin een aarzelende stem die beweert zich niets meer te herinneren, vrijwel niets.
Maar één gezicht, één geluid, één lichtval kan plotseling de toegang verschaffen tot de expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.
Zodra de zon verdreven is duiken de zwermen op ze cirkelen boven de daken, gaan een ogenblik lang op de stijve takken zitten vliegen plotseling weer weg, verdwijnen uit het zicht van onze nog onverlichte ramen breken door het dichte web van hogere vliegroutes laten ons achter met een schemerige hemel die we niet kunnen duiden.
“I used to be shocked when Virgil Thomson the composer—who wrote the opera Four Saints in Three Acts with Gertrude Stein, which received its premiere in 1934 with an all-black cast—used to be called to the telephone. I knew him in the 1970s when he was almost in his eighties; he’d come back to the table and say, “Well, Smitty is dead,” and just sit down and continue the conversation about something else. I was amazed that he could receive the news with such indifference about such a close friend. Now that I’m in my eighties, I realize his emotion was stoicism, not indifference; someone who outlives his contemporaries knows that he very likely will be next but that for the moment “he controls the narrative,” as pundits say. When you get to be old, everyone consults you about the biographies of your famous contemporaries. You get the last word, at least until the dead person’s Complete Letters come out. A life, a love. I always say that Jim Ruddy was the great love of my life. What does that mean now he’s just a faint neural scratch on my brain? It seems the hippocampus delegates short-term memories to various other neurons, where they are encoded forever. Does that mean an electrode stimulating the right neurons could make Jim, his conversation, his deep voice, his big curved penis, as real as it was fifty or sixty years ago, a hologram? The wondering way he’d greet any declaration with a tentative acceptance? His always saying “Is that right?” no matter how preposterous one’s remark had been. Maybe I’ve forgotten him because I wrote about him; I’ve always thought that writing about someone is the kiss-off. Nabokov, in Speak, Memory, was apprehensive about writing about his nanny since he liked revisiting her in his thoughts and he knew once he’d committed her to print, he’d lose her. Some people wonder why I’ve not written about them. If they’re a current part of my life, I need to keep them on life support; my husband is Michael Carroll, whom I’ve been with since 1995. I’ve never written about him; he’s too precious to me. My recent fiction is less autobiography and more thought experiment. I assemble my monsters from stolen body parts (his nape, her stutter). Often I want to lead the reader to a better (more compassionate, more forgiving, bolder, more loving) world by picturing it as if it already existed; George Meredith called that process “moral sculpture.” What did it feel like to be in love? Constant suspense. Does he love me yet? More? Less? Is he getting bored?”
Steeds dorst je – zoals dorst heeft naar de eerste regen het droge zomerweer – naar je gezegend huis, naar een verborgen leven, als de bede van een monnik, leven van loochening en liefde in een hoek.
Ook dorst je naar het schip dat prooi is van de zeeën, dat vogels, vissen volgend almaar verder trekt, welks leven rijk en vol is van de ganse aarde – maar beide, schip en huis, zij gaven ’t antwoord: ‘nee!’
Noch het geluk in afzondering en onbewogen, noch ook het leven dat zich steeds weer weet bezield door elke nieuwe haven, ieder volgend land –
alleen de siddering van de slaaf, van die moet zwoegen: sleep voort over de markt de naaktheid van je leden, vreemde voor vreemden en voor eigen mensen vreemd.
Vertaald door Hero Hokwerda
Kostís Palamás (13 januari 1859 – 27 februari 1943) De dichters (1919) door Georgios Roilos. Het schilderij toont verschillende dichters van de generatie van 1880; in het midden, met het hoofd rustend op zijn elleboog, Kostís Palamás.
Daarachter een gekringeld samenvloeien Van schuine lijnen, als de strengen van Een zijden koord, in ’t door een lichte bries Gerimpeld water. Zonlicht tooit de baai Met schittering van scherven dansend zilver. Die rimpeltjes en kopjes promeneren, Gehaast en schertsend, geen moment verveeld. Ils se promènent, als vrij welgestelde Gezinnen in het Bois, op zondag. Blij om Die zorgeloosheid en gefascineerd Door zonne-morsetekens in de haven, Ben ik, voor het moment, geheel genezen, Onthecht, en los van toekomst en verleden, Zelfs van de wetenschap dat deze Zee Van Hadria, des Doges gemalin, De koele, de gewijde, is afgeschuimd Door kooplui uit haast alle werelddelen, En al die kristallijnen breekbaarheid Waarvoor ze zweten aan de ovens lijkt Een wondere en breekbare triomf. De eerste ruwe bol van glas, gestold, Wordt aan de blaaspijp, gloeiend heet en zacht Als toffee nog, gedompeld in een mal, Die van metaal is en van binnen als Een ananas met stekels is bezet. Het glas krijgt voor de helft een regelmatig Patroon van kuiltjes zo, en als die eenmaal Bedekt zijn met een vloeibare glazuur, Ontstaan er belletjes gevangen lucht, Geëmailleerde, parelende leegtes.
„Als ich mit den Hunden nach Hause zum Dorf zurückging, fand ich auf dem Weg Spuren von Rehen, einem sehr kleinen Pony, anderen Hunden und Menschen, Waschbären, viel-leicht einer Katze und in unregelmäßigen Abständen ein Herz, kleiner oder größer, ver-mutlich mit einem Stöckchen in den Sand gezogen, wie unterwegs, aber deutlich zu er-kennen, und vielleicht ftbaf oder sechs die Länge des Weges, der sich aufs Dorf hin wohl einen knappen Kilometer zieht. Davor war ich auf den weiten Feldern zu den geborstenen Weiden hingelaufen, die ich von fern öfters mit meinem Vater gesehen hatte, breite, zerklüftete Stämme, kahl jetzt im Februar, und mein Vater hatte immer das Durchscheinende der winterlichen, laublosen Landschaft geliebt. Mit meinem alten besten Freund war ich den Weg nicht mehr gegangen, denn er war vor-her gestorben, und vor zwei Jahren war ich viele Male den Weg mit meiner sterbenskran-ken Freundin im Herzen gegangen und mit meiner besten Freundin, die nach einem Herz-infarkt noch schwach gewesen, war ich ihn gegangen und wieder, als sie bei Kräften war, und unzählige Male waren wir den Weg zu viert gegangen, und meine inzwischen heran-gewachsenen Töchter auch un7ählige Male zu zweit oder mit Freundinnen. Was ich auch sah, sah ich mit vielen Augen, nur die Herzen im sandigen Weg sah ich al-leine, ohne die Menschen, die ich liebte, und anderntags würden sie schon verwischt oder vertreten oder verregnet sein. Ich kann nicht sagen, dass ich traurig war, aber alle Traurigkeiten waren doch dabei, sehr hell und einige fröhlich, und viel Sehnsucht und auch ein zerdehntes Herz, das in die Ver-gangenheit wollte und noch etwas in die Zukunft. Deswegen habe ich dieses Buch geschrieben.“
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
Droste in een negligé, slapeloos. (Een wesp die haar zwellingen stak:) Geen liefdesvlek, niets uit een droom, gewoon een niet-vlek. Kijk: zwarte zwanen halverwege. Vanuit de erker, het gordijn als teken. Zijn het de dierbare familieleden die draden spinnen en opkijken van de boekhouding? Ach, al dat schrijven… Zo geschrokken, arm ding, zo bedrogen.
in je precieze jaren toen je zelden buitenkwam omdat je onder schot gehouden werd zagen maar weinig mensen hoe wit je haar was
als ik door de glazen deur naar buiten kijk zie ik een trillend been naast de begonia
we zouden kunnen gaan graven maar dat zal je rug niet rechten we kunnen door de tuin lopen en de plekken aanwijzen waar onkruid groeit we laten de thee onze tong vormen de inkt van deze lange dag op onze vingers
als we de jassen aantrekken zal de wereld gaan draaien zullen onze voeten bevriezen zodat we kunnen schaatsen tussen de hopeloos glijdende honden op zoek naar een lijn naar een bal naar een bot
we zullen weer naar school gaan om schapen te leren tellen we zullen naar de winkel gaan omdat het prettig is om iets te kopen voor het op is
Stem uitbrengen
een gevangene krijgt sleutel ven zijn cel sluit de deur en verdwijnt
je zegt me te gaan slapen nu je zelf nog wakker bent
de kampbewoners dIe zich de woestijn eigen maken omdat er geen gras is vullen de bulten van hun kamelen
*
een gevangene komt terug met de sleutel van rijn cel als een priem in zijn hand
ik denk aan alles in mij wat zijn nek niet uitsteekt en loop wat sneller
ik mis mijn manieren in mijn hoofd staan de torens recht maar ze komen nooit buiten
een gevangene legt de sleutel op de tafel in zijn cel
wil en stil zit een groep mensen in een treincoupé door het midden loopt een scheur
de rat het lieveheersbeestje de vermoeide man allemaal vormen vvan het kind dat de trap afloopt en zich uitvouwt
schijnwerpers glimlach lamplicht bloeiende mond het oog een waterige ster in de avond (22:30) hemel boven Servië waar bommenwerpers overgeven / vanuit afvalscherven en puin wijs je op het menselijke, op het daaronder be- graven lichaamsdeel / even snikken en dan verder
De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.
Uit: Voor de democratie
“De man die zijn naam aan de Griekse ‘gouden eeuw’ gaf, de Atheense staatsman Perikles, bevond zich vrijwel zijn hele leven in dat politieke spanningsveld. Hij was afkomstig uit een oud en voornaam geslacht, de Alkmaioniden, maar schaarde zich al vroeg aan de kant van het volk, wat hem het verwijt van populisme opleverde en veel conservatieve vijanden. Niettemin was hij zo’n dertig jaar een leidende politieke figuur in Athene, van ongeveer 461 v.Chr. tot aan zijn dood tijdens de pestepidemie in 429 v.Chr. Dat de naam Perikles verbonden raakte met een ‘gouden tijdperk’ is grotendeels te danken aan zijn aanhoudende populariteit als politiek leider. Ieder jaar werd hij opnieuw gekozen als strategos (een van de tien bevelhebbers). Hij breidde de Atheense democratie uit, zorgde voor een financiële compensatie wanneer gewone burgers democratische verplichtingen op zich namen. Hij nam het initiatief tot grootse bouwprojecten als het Parthenon, de Propyleeën, het Erechtheion, het Odeion. Hij voltooide de zogenaamde Lange Muren, een verdedigingswerk dat Atheners bescherming bood op de weg naar de haven van Piraeus. Ook gaf hij zijn persoonlijke vriend, de beeldhouwer Phidias, de opdracht tot het maken van het beeld van Athena Parthenos in het Parthenon, maar liefst 12 meter hoog, opgetrokken uit goud en ivoor. Onder Perikles werd de hegemonie van Athene ten opzichte van haar bondgenoten versterkt. Zij hadden zich verenigd in de zogenaamde Delische Bond en het was Perikles die hun gezamenlijke schatkist van het eiland Delos overbracht naar Athene, waarmee behalve de oppermachtige Atheense vloot ook de prestigieuze bouwprojecten werden bekostigd – wat Perikles het verwijt van praalzucht en imperialisme bezorgde. Athene fungeerde zo’n beetje zoals de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog ten opzichte van West-Europa, dominant, maar ook een waarborg voor veiligheid. Je moest betalen, je had weinig in te brengen, maar je kreeg er een redelijk zorgeloos bestaan voor terug. Iemand die de Atheense politiek zo lang domineerde, was vanzelfsprekend omstreden. Tijdens Perikles’ leven, maar ook in de eeuwen daarna, helemaal tot in onze tijd, is zijn reputatie en statuur onderwerp van discussie.”
Hoe ze haar vinger uitstrekt van de mokkalepel, mijn Sudeten-grootmoeder. Haar haar zwart van de gedroogde bieten. Buiten, de afdruk van haar handen in de wind, waar kinderen kastanjes doorheen gooien. De aardappelen heeft ze nooit vertrouwd en hurkte alleen in de rook van de stokerij. Zoals bij sommigen een bochel langs de rug omhoog groeit, groeit deze in haar krullen. Dit uiteenvallen elke avond, naakt voor de gordijnen is haar huid slechts een scheur in de stof.
„Unbegreiflich. Unbegreiflich, aus welchem Grund unser allergnädigster Kurfürst Friedrich, den man den Weisen nennt, uns diesen halbtoten Augustinermönch aufgehalst hat. Die Gedanken der Großen dieser Welt sind unerforschlich wie Wolken und Winde. Einen Mann, der wider den Ablasshandel wettert – dabei betreibt unser durchlauchtigster Herr den ja selbst in üppigem Maße. Er nennt eine Unzahl von heiligen Reliquien sein eigen, die gegen ein Entgelt zu betrachten oder gar zu berühren, wie man weiß, bereits viele Jahre Ablass vom Fegefeuer garantiert. Und vom wahren Glauben abzufallen, dazu zeigt der Fürst nicht die geringste Neigung. So wenig wie der ganze thüringische Landstrich. Aber gewiss steckt feinsinnigstes Kalkül dahinter, das kein schlichter Erdenbürger zu erraten ver-mag. Sc’ ist die Meinung jener, die halb verborgen hinter den Fensterbögen des Palas stehen und mit ansehen, wie die Begleiter den seltsamen Gast vom Pferd heben. Dabei geht er in die Knie, und sie müssen ihn beinah tragen, um ihn ins Neben-gebäude zu bringen. Der Mann, dessen Name in aller Mund war! Ein schmächtiges Mönchlein, das kantige Gesicht unter der Kappe, die seine Tonsur verdeckt, vor Erschöpfung wie erloschen. Sie zucken die Achseln, gehen zur Tagesordnung über – die ganze ritterliche Mannschaft, die diese Burg im Norden Thüringens bewacht und eigentlich nichts tut als saufen, fressen, spielen, zur Jagd reiten und dem Herrgott den Tag zu stehlen. Man hatte von diesem angekündigten »Besuche heute etwas Ab-wechslung erwartet. In welcher Weise, wüsste man allerdings nicht zu sagen. Irgendetwas gegen die tägliche Langeweile. Es war allerhöchster Befehl erteilt worden, diesen gebannten Erzketzer auf seiner Heimreise vom Reichstag abzufangen und hierher zu verbringen. Nicht etwa, so wurde ihnen eingeschärft, um die ansehnliche Belohnung zu kassieren, die Kaiser und Reich darauf ausgesetzt hatten, einen Vogelfreien zu greifen und Justitiam zu überliefern, sondern ihn zu verstecken und dabei zu behandeln, als sei er wie einer von Adel. All seine Wünsche seien zu erfüllen, außer, er verlange, sein Domizil oder gar die Burg zu verlassen.“
Leven is het verhaal van een lichaam, zeg jij: het gekuch in de concertzaal is het verhaal van een lichaam dat zichzelf niet kan bevatten, en de Waldstein het verhaal van een leven dat weigert zich te laten vangen in z’n eigen lichaam, het beschadigde oor dat z’n gaafheid terugkrijgt in een nageslacht van noten. Ik strek mijn verkrampte knieën. Naast elkaar deze hele reeks van jeukende benen! Zwoegend om het ritme uit de lucht aan het lichaam terug te geven en met de hak de grond steeds in te tikken. Een gevallen programma verhaalt van een in zichzelf verdwaald lichaam dat één en al oor werd – zo’n oor waarvan alleen de doven dromen, met z’n reusachtige boogkanalen en doolhoven, z’n slakkenhuisje van kraakbeen dat trilt en beeft en tot de rand gevuld is met het door de oorschelp doorgegeven verhaal waarin leven het verbreken is van nu gehoorde stiltes, het dagelijks herscheppen van een lichaam belichaamd met lucht.
Vertaald door Peter Nijmeijer
Alfred Charles Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)
Versteend sta ik op deze aarde met lange rok en omslagdoek die hij strak rond mijn borsten speelde, omdat dat van de wereld moet. Zo ben ik opgevoed.
Mijn ogen hebben iris noch pupil. Dus kijk ik maar naar binnen, wil al wat buiten voorvalt binnen horen.
Van wat ik waarneem ligt rondom mijn mond een lach bevroren, die daar maar vriezen blijft. Ontdooi me, tooi me met een hoed van bloemen en lange stengels in m’n lijf.
Endymion
je komt in al mijn dromen om wat bij te praten, in mijn tuin te zwijgen, ruggespraak te houden over een feest dat je tezijnertijd zult geven
wat ik destijds verzweeg, vertel ik je: blij dat je er bent, ik regel alle dag en geef je heel mijn schijn van licht in wisselende vorm; donker slibt achter ons dicht
maar lang al voor de zon opkomt, word je doorschijnend, blauw als ijs, verdwijnt het beeld perfect als jou vermomd je komt in al mijn dromen om
Tuin met uitzicht
Ik heb mij hoger gesetteld dan doorgaans, ben stapel op wolken lucht en zo meer. Nee, nee ik kijk
niet op u neer, heb nog te veel weet van gemodder, moeizaam gewroet daarbeneden. Maar ik
hecht nu eenmaal sterk aan het weidse, een buigzame wuivende blik op het leven, wil een lusthof zijn
voor wie mij betreden en een dak voor degenen die bijna als mollen onder mijn wortels schuilen
voor het extreme. Hierboven en tussen de huizen ontvang ik blijmoedig
eenieder met uitzicht, een zetel om genietend te zitten te kijken te lezen.
Ik geef niet de pauken de schuld – ze hebben honger. En de snaredrums – ik weet wat ze willen – die zijn ook leeg. En de dreunende basdrums – die hebben het meeste honger van allemaal… De huilende speren van het noordwesten verstommen. De wiegeliedjes van het zuidwesten krijgen een kans, een moederlied. Een wiegemaan komt tevoorschijn uit een gescheurd gat in de voddenhemel.
Vertaald door Frans Roumen
Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967) Portret door William Arthur Smith, 1961
“Eva Koning ligt in de bosjes. Tegenover de apotheek aan de Bilderdijkstraat in Amsterdam. Het is droog, niemand kan haar zien. Haar dagboek heeft ze bij zich, zoals altijd. Dinsdag 3 september 1996, kwart voor twaalf ’s avonds. Met ballpoint noteert ze dat het nog niet rustig is op straat. `Veel fietsers en voetgangers? Ze schrikt van een passerende politiewagen. Eva Koning heeft een prettig handschrift. Meisjesachtig, de letters bol en rond. Regelmatig vind ik verdroogde plukjes shag tussen haar bladzijden. Soms ook een blaadje, grasspriet of geplet insect. Gisternacht heeft ze een voorverkenning gedaan. Met hond Banjer, die ditmaal thuis is gebleven. Vermoedelijk slaapt hij. Net als Henk, haar man, die op een kantoor werkt en vroeg op moet. Hij weet niets van haar nachtelijke escapades. Ze constateerde gisteren dat de apotheek geen rolluik heeft. ‘Met een glassnijder en een brok steen moet het lukken! Inmiddels is het halfdrie en veel rustiger, ze komt in beweging. De volgende dag is het dagboek in beslag genomen, ze schrijft met potlood op een stukje papier dat later is ingeplakt. Ze bevindt zich in een psychiatrisch centrum. ‘Het plan is mislukt, de glassnijder was bot? Met de steen ramde ze op het raam. Omwonenden hoorden het en belden de politie. Moeder Marleen is teleurgesteld, dat viel te verwachten. Het is niet haar echte moeder. Haar echte moeder bestaat wat Eva Koning betreft niet meer. Marleen Spaargaren is een fictief personage uit de boeken van Jan Mens, ooit de best verkopende schrijver van Nederland. In haar jeugd begon Eva Koning de Kleine Waarheid-trilogie van Jan Mens te lezen. Op de boerderij in Hoofddorp, waar haar drankzuchtige vader en sadistische broer Rolf tekeergingen terwijl haar moeder, Helleveeg noemt ze haar, goedkeurend toekeek. Helleveeg deed zelf geregeld ook een duit in het zakje. Door haar af te ranselen met de pollepel. Door de deur dicht te gooien als haar vingers ertussen zaten. ‘Daar word je hard van; riep ze dan.”
The Masque of the Magi (James Elroy Flecker), Andreas Altmann
Bij de viering van Driekoningen
De aanbidding der koningen door Hendrick De Clerck, ca. 1610
The Masque of the Magi
Three Kings have come to Bethlehem With a trailing star in front of them. MARY What would you in this little place, You three bright kings? KINGS Mother, we tracked the trailing star Which brought us here from lands afar, And we would look on his dear face Round whom the Seraphs fold their wings. MARY But who are you, bright kings? CASPAR Caspar am I: the rocky North From storm and silence drave me forth Down to the blue and tideless sea. I do not fear the tinkling sword, For I am a great battle-lord, And love the horns of chivalry. And I have brought thee splendid gold, The strong man’s joy, refined and cold. All hail, thou Prince of Galilee! BALTHAZAR I am Balthazar, Lord of Ind, Where blows a soft and scented wind From Taprobane towards Cathay. My children, who are tall and wise, Stand by a tree with shutten eyes And seem to meditate or pray. And these red drops of frankincense Betoken man’s intelligence. Hail, Lord of Wisdom, Prince of Day! MELCHIOR I am the dark man, Melchior, And I shall live but little more Since I am old and feebly move. My kingdom is a burnt-up land Half buried by the drifting sand, So hot Apollo shines above. What could I bring but simple myrrh White blossom of the cordial fire? Hail, Prince of Souls, and Lord of Love! CHORUS OF ANGELS O Prince of souls and Lord of Love, O’er thee the purple-breasted dove Shall watch with open silver wings, Thou King of Kings. Suaviole o flos Virginum, Apparuit Rex Gentium. … “Who art thou, little King of Kings?” His wondering mother sings.
James Elroy Flecker (5 november 1884 – 3 januari 1915) De St Stephen church in Lewisham, de geboorteplaats van James Elroy Flecker
betraliede bunkerwanden liggen op de kop van het eiland geworpen, de zee kabbelt zachtjes voort vergane handen hebben enkele veren aan vinger sterke draden gebonden in de steen
na de zomer zullen ze vliegen hier zie je delen van de wortels van onderaf zonder te sterven, steil schilfert de kust af een roestige klok steekt uit het zand
zij is nat, voor haar vergaat deze tijd later heb ik de zwaan voor de veren gevonden zijn kop ontbrak, alleen op zijn lichaam viel het beeld van zijn schaduw te veranderen