Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
Begin jaren negentig probeerde ik de band te overtuigen van de verschrikkelijke uitwerking van de technologische vooruitgang, maar onze drummer zei: ‘Ik geloof jouw onheilsvoorspellingen niet. De eindtijd is al zo vaak aangekondigd. We zullen het wel weer overleven.’ Hij was een weldenkend mens, maar hij vergat dat het voortleven niet per se voor alle soorten zou gelden. ‘Kijk naar de dinosauriërs,’ riep ik, ‘die zijn mooi van de aardbodem verdwenen.’ Maar spoedig bleek mijn ongelijk. Alles kwam terug. De dino’s kwamen terug, zelfs mijn vader stond ineens weer voor onze deur. Hij ging zitten aan de keukentafel en begon te vertellen. Nog steeds dezelfde zwetsverhalen.
Twente
Ik was in slaap gevallen in de laadbak van een pick-up truck. Ik weet niet hoeveel later ik wakker werd. Het was donker geworden. Het voelde alsof ik ergens in Mexico was, maar aan de gevel van een boerderij zag ik dat ik me in Twente bevond. Achter mij schenen felle koplampen op een houten wand. Verderop stond een groepje mannen: donkere silhouetten met hooivorken in hun hand. Ik staarde naar hen en een sterke angst bekroop mij, een oude angst, tot ik blijkbaar bewoog en een klomp van een van de mannen mijn aandacht trok. Het ding schoof met de punt door het zand. En daarmee draaide alles om, het hele universum. Ik keek niet naar hen. Zij keken naar mij.
Anne en Arie
Vannacht in een droom ben ik het strand opgegaan
Vannacht eindelijk een voet buiten dat stille tehuis
Achter de gladde textuur Van mijn ogen, diep in mij, Is een deel van mij gestorven: Ik beweeg mijn bebloede vingernagels Er overheen, hard als een schoolbord, Laat mijn vingers erlangs glijden, De krijtwitte littekens Die zeggen: IK BEN BANG, Bang voor wat er zou kunnen gebeuren Met mij, de echte ik, Achter deze gevangenismuren.
Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!
Wintergezicht bij Hillegersberg door Herman Bieling, 1933
Een nieuw jaar
Het is bijna zover en een man dacht dat er iets ging beginnen, iets wat niet kon beginnen, niet mocht beginnen, iets met lente. met water, met vrijheid . en een engel sloeg hem neer en zei: er is geen beginnen, er is nooit een begin geweest . en vrijheid werd aan een stuk hout gebonden en losgelaten, zodat iedereen haar kon zien, ze hing hoog in de lucht tussen de wolken, dreef langzaam weg . en de man kroop over de grond, stilstand klemde zich aan hem vast, en hij kromp ineen tot hij een stofje was en met zijn stoffigheid pronkte, lonkte . en het werd zomer, water werd vuur.
Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)
Onafhankelijk van geboortedata
Januari-droogte
Het hoeft geen vuurmaker te zijn, in deze tijd van het jaar, een sigaret waarmee je twijfelt tussen auto en struiken.
Het perkament van het bos barst bij de eerste windvlaag al open.
Gisteren kwam een grote plataan over First Street en Hawthorne Street en staat er nog steeds.
De kranten zeggen dat het moet gebeuren, al is het maar in kleine beetjes op de asbestgevel. Maar vanavond zijn het emmers vol sterren, zo hard en droog als dubbeltjes.
De voorraad etenswaren voor een maand stapelt zich op in de gootsteen. Thee wordt gezet met water uit een volgelopen bad, en elke dorst die ik heb opgebouwd, wordt gelest met de gedachte aan jou, stukje voor stukje, een kerstcadeau dat verstopt ligt en weken later wordt gevonden: het lint, de doos.
Ik heb een reservoir aan wensen, genoeg om vele nachten in de vrieskou door te brengen.
Vertaald door Frans Roumen
Conor O’Callaghan (Newry, 20 september 1968) Newry
Das alte Jahr vergangen ist (Hoffmann von Fallersleben), Maria Luise Weissmann
Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling ……………………………………………………en een gelukkig Nieuwjaar!
Wintergezicht op Veere door Lucie van Dam van Isselt, ca. 1920 – 1925
Das alte Jahr vergangen ist
Das alte Jahr vergangen ist, Das neue Jahr beginnt. Wir danken Gott zu dieser Frist, Wohl uns, daß wir noch sind! Wir sehn auf’s alte Jahr zurück, Und haben neuen Mut: Ein neues Jahr, ein neues Glück! Die Zeit ist immer gut.
Ja, keine Zeit war jemals schlecht: In jeder lebet fort Gefühl für Wahrheit, Ehr’ und Recht Und für ein freies Wort. Hinweg mit allem Weh und Ach! Hinweg mit allem Leid! Wir selbst sind Glück und Ungemach, Wir selber sind die Zeit.
Und machen wir uns froh und gut, Ist froh und gut die Zeit, Und gibt uns Kraft und frohen Mut Bei jedem neuen Leid. Und was einmal die Zeit gebracht, Das nimmt sie wieder hin – Drum haben wir bei Tag und Nacht Auch immer frohen Sinn.
Und weil die Zeit nur vorwärts will, So schreiten vorwärts wir; Die Zeit gebeut, nie stehn wir still, Wir schreiten fort mit ihr. Ein neues Jahr, ein neues Glück! Wir ziehen froh hinein, Denn vorwärts! vorwärts! nie zurück! Soll unsre Losung sein.
Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874) Schloss Fallersleben, met op de benedenverdieping het Hoffmann-von-Fallersleben-Museum.
Jij oud geworden jaar: zo op ’t eind belust, Haast je snel en sneller. Je verlangt naar rust In een diepe, grenzeloze dood. Maar zie: ik haast me sneller, naar het rood Van de nieuwe ochtend, voor jou uit. O kom! Ga over! Wis uit, wis uit! Wat getekend is, belast, bevlekt met grote moeheid, met pijn bedekt — Verga— ik word. Sterf—en ik vermag Op te staan: O nieuwe, reinste dag!
Vertaald door Frans Roumen
Maria Luise Weissmann (20 augustus 1899 – 7 november 1929) Vuurwerk boven het oude stadhuis in Schweinfurt, de geboorteplaats van Maria Luise Weissmann
“Naar bed. Eindelijk. Zoals meestal stelt Barbara voor naar boven te gaan, ook dat geduld heeft hij weten op te brengen. Ze klapt haar boek dicht; hij laat het zijne zakken. Al een paar uur lukt het hem heel behoorlijk zijn gewone zelf te spelen, de kalme, tevreden echtgenoot die ondanks een lange werkdag de rust en concentratie vindt om dertig, veertig bladzijden te lezen in een honderd jaar oude roman. Met dank aan de spierverslappers. Zonder had hij het niet volbracht, in zijn hoek van de bank, een kuil die zich tijdens hun Sakhalinse regime gevormd heeft naar zijn inerte kont. Hij zou om de halve alinea hebben opgekeken of zelfs zijn opgestaan om door de kamer te ijsberen, Barbara afschepend met smoesjes over zijn werk. Maar nee, hij heeft zijn blik onverstoorbaar op The Secret Agent gehouden, in de gewoonlijke stilte, onderworpen aan ramp- en contrascenario’s, ramp en contra, ramp en contra, de hele tijd, Barbara’s sterke, nietsvermoedende voeten op zijn schoot, soms onder zijn knieholten. Ze heeft de neiging ze gestadig tegen elkaar aan te wrijven, de hoge wreef van de ene tegen de zool van de andere, onbewust, zegt ze, wat een huiselijk maar hinderlijk geschuur teweegbrengt. Zo kan hij niet lezen. Net als op gewone avonden greep hij er eentje bij de bal vast, spartelende tenen in haar brandschone sok, en adviseerde de voet zoals je een peuter zou toespreken zijn krachten te sparen voor wanneer er weer gelopen moest worden, zijn stem gewoon genoeg om haar flauw te laten glimlachen. ‘The Reef,’ zegt ze proevend. ‘Mja. Goeie Wharton, onderschat, zegt mijn gevoel. In zekere opzichten beter dan Mirth en Innocence.’ ‘Want?’ ‘Vertel ik boven, ik ben heel moe. Ben jij niet moe?’ ‘Valt mee,’ zegt hij. Ook weer om normaal over te komen, pakt hij het boek uit haar hand, krabbelt over het linnen, en bladert er wat in. Reef, denkt hij, is dat geen klip? Iets waaraan een schip zijn romp kan openrijten? Nu hem zijn publieke steniging is aangezegd, kan zijn betrekkingswaan ermee uit de voeten. Wat met The House of Mirth en The Secret Agent overigens ook geen probleem is. Hij streelt het leeslint. Maar hij zal zich niet laten stenigen, heeft hij zichzelf tijdens de urenlange stilte bezworen, niet vanwege een oude koe, en zeker niet door Orthel. Niet nu nog.”
de vlieg schiet over mijn vingertoppen ik heb je naast me horen ademen weerlichten, dan een eerste bliksem ik heb tot vierentwintig geteld dan heet het dat er een dode door de kamer is gegaan, ik heb de koude luchtstroom bemerkt .. hoe kan het zijn, is mijn bloed dan zo zoet dat die mug, die ik ergens vaag vermoedde, de hele nacht mijn lichaam niet meer losliet
„Niemand weiß, wo Adelinas Unglück seinen Anfang nahm, aber vielleicht begann es lange vor ihrer Geburt, fünfundvierzig Jahre vorher, um genau zu sein, an der Universität in Graz. Dort hatte ihr Großvater, ein Mann namens Angelo Mazzerini, während seines Studiums der Rechtswissenschaften die verbotenen Schriften von Cesare Battisti gelesen, und von da an verehrte er die Karstlandschaft Istriens als heiligen Boden, hasste er das Imperium, den österreichischen Kaiser und seine Henker. Für den Studenten aus Triest fand jede Frage ihre Antwort in der Geschichte, und mit Barzini sah er seine Heimatstadt als Bollwerk der römischen Zivilisation. Ohne den Abwehrkampf an der Adria hätten die Slawen längst das Abendland überrannt. Die Habsburger, deren Untertan er war, stützten diese Horden mit ihrem Geld, ihren Waffen und ihren Gerichten. Italiener wie er, Abkömmlinge eines Weltreichs, hatten im Himmel einen Verbündeten, auf Erden standen sie seit fünfzehnhundert Jahren alleine im Kampf gegen die Vernichtung. Ungeheure Mächte hatten sich verschworen, um die Latinität auszurotten, wie es in Dalmatien geschehen war, und wenn viele in Triest ihn für verrückt hielten, dann nur, weil sie sich von Wien hatten kaufen lassen. Als Italien im Mai 1915 Österreich den Krieg erklärte, befand sich Angelo auf Urlaub in seiner Heimatstadt, und nach einer schlaflosen Nacht, in der er sich betend an Fortunatus wandte, den Patriarchen von Grado, der sich im achten Jahrhundert ebenfalls gegen ein Imperium, gegen Byzanz, gestellt hatte, zerriss er den Einberufungsbefehl des Kaisers und verließ im Morgengrauen, ohne von seinen Eltern Abschied zu nehmen, die Wohnung an der Via dell’Istria. Über Udine, Padua, Ferrara und Bologna kam er bis nach Rom. Dort schloss er sich als Freiwilliger den Granatieri di Sardegna an und wurde nach einer dreiwöchigen Ausbildung an die Front bei Monfalcone verlegt. Beim Sturm auf die österreichischen Stellungen erlitt er eine Beinverletzung, und die Monate darauf, bis zu seiner Genesung, saß er als Leutnant der Territorialmiliz in den Bergen bei Garda ab, bevor man Angelo in ein Regiment versetzte, das im Mai 1916 auf der Hochebene bei Asiago fast vollständig aufgerieben wurde. Mit einer Tapferkeitsmedaille in Gold nahm er unter dem Herzog von Aosta an der Schlacht von Caporetto teil und kehrte nach dem Waffenstillstand von Villa Giusti im November 1918 in seine Heimatstadt zurück.“
“Kort nadat mijn vrouw en ik begin april 2014 in ons huis waren getrokken, probeerde een paartje boerenzwaluwen een nest te bouwen op het terras. Hun pogingen mislukten echter keer op keer doordat de modder niet bleef plakken aan de houten balken van het dak. Inderhaast hing ik een kunstnest op dat ik uit België had meegenomen en al binnen een dag begon het paartje de binnenkant ervan met strootjes en veertjes te bekleden. Een week later had het vrouwtje haar eerste ei gelegd. In mijn verbeelding hoorde ik haar een zucht van verlichting slaken. In de volgende jaren kwam er een tweede en een derde paartje bij, hun – soms zelfgemaakte – nesten keurig verspreid over de breedte van het terras, één aan de linkerkant, één in het midden en één aan de rechterkant, telkens een meter of drie ertussen. De paartjes keerden jaar na jaar terug (met 14 februari als vroegste datum) of werden na wat schermutselingen door een ander paartje afgelost. De nesten telden telkens twee legsels met vier tot vijf jongen. Cijfers heb ik nooit bijgehouden, maar alles bij elkaar moeten hier in acht jaar meer dan honderd jongen zijn geboren en uitgevlogen. En als dank weerklonk de hele lente en zomer vrolijk gekwetter op het terras. Toen mijn moeder in januari 2021 ernstig ziek werd, was ik voor het eerst een langere periode onafgebroken in België. Het huis bleef ruim een maand leeg achter, het terras was al die tijd verlaten. Twee paartjes boerenzwaluwen waren al teruggekeerd voor ik half april vertrok, het derde nest was een jaar eerder leeg gebleven. Ik hoopte bij mijn terugkeer een nieuw paartje te mogen verwelkomen. Mijn moeder stierf op 7 mei 2021. Ze zwaaide nog een laatste keer naar ons en vertrok voorgoed. In de dagen tussen haar dood en haar crematie maakte ik lange wandelingen in natuurreservaat De Maten in Genk, aan de rand waarvan ik enkele jaren gewoond heb. Een zwarte specht toonde me van dichtbij haar rouwkleed. Een roerdomp liet zijn weemoedigste roep horen. Vanaf een duin staarde ik naar het water van een ven dat de hemel weerspiegelde.”
op deze dag was het stil in berlijn jij was al enkele uren geleden uit het huis vertrokken ik voelde me enigszins ontspoord en had verhoging en een tijdje met de benen omhoog liggen ik hield de hoorn vast en kreeg verbinding en hoorde in het haperen van de tijd de klokken luiden verderop in het westen luid en duidelijk alsof ze naast me hingen. ik zakte langzaam in elkaar en dacht ik ruik de rijn weer en hoorde het water om me heen klotsen en wou nog niet geboren zijn en wat van de andere kant kwam klonk als gedempte radiostemmen achter een groot en donker membraam .. ik hield de hoorn vast en liet niets merken en hoorde hoe jij met de sleutel kwam en slikte nog iets en wil niet sterven toen was de opwinding weer voorbij het was een vrije dag begin oktober aan het gesprek waren geen kosten verbonden.
„Montag, 14. Februar 2022. Die Mutter sitzt in ihrem Sessel, den Rücken zum Fens-ter. Sie trägt keine Maske, und sie wird keine aufsetzen; die Pandemie hat sie von Anfang an nicht verstanden. Seine eigene Maske hat Morjan schon abgenommen. Ein Besuch damit ist völlig undenkbar. Jetzt muss er es sagen, und er tut es: »Hallo, Mama!« Der Text könnte kaum simpler sein, aber er muss den richtigen Ton treffen. Es muss klingen, als käme er gerade von der Schule nach Hause. Ein freundlicher Gruß, aber eigentlich die Aufforderung, heiter zu sein, von Sorgen nicht zu reden und nicht danach zu fragen. »Hallo«, antwortet die Mutter. Es fehlt der Name. Kein Richard, das ist ein schlechtes Zeichen. Womöglich hält sie ihn heute wieder für ihren Vater oder ihren Ehemann oder ihren Bruder, alle tot seit vielen Jahren. Morjan setzt sich ihr gegenüber. Zwischen ihnen steht der runde Tisch, der noch aus dem Elternhaus stammt. Soffy legt sich darunter, den Blick zur Tür gerichtet. Sie meidet die Mutter; vielleicht weiß sie auf ihre Art, dass etwas mit der alten Frau nicht stimmt. Die Mutter ihrerseits nimmt niemals Notiz von der Hündin. Sie meidet Themen, in denen sie sich nicht auskennt, und die gibt es wahrlich zur Genüge. Morjan trägt Anzug mit Hemd und Krawatte, weil er gleich noch einen offiziellen Termin hat. Jeans, kariertes Hemd und Parka wie damals zu Schulzeiten wären besser. Manchmal helfen sie der Mutter, ihn als den zu erkennen, der er ist: ihr einziges Kind. Doch wichtiger ist sein Gesichtsausdruck. Der muss unbedingt zum Tonfall der Begrüßung passen: ein unironisches, entspanntes Lächeln. Die Mutter missversteht die ganze Welt, aber Gesichter kann sie noch lesen, natürlich nur ohne Maske. Morjan beherrscht dieses Lächeln, aber es fühlt sich falsch an. »Ach«, sagt die Mutter. »Gut, dass du kommst« Das sagt sie immer. Was dahintersteckt, hört Morjan an der Melodie. Sie kann es sagen, als käme jemand, von dem sie einen guten Rat erhofft. Heute sagt sie es so, als hätte man sie in der Wildnis ausgesetzt. »Was gibt es denn?«, sagt Morjan durch sein Lächeln hindurch. »Die«, sagt die Mutter. Aber schon ist da eine Lücke. Man hat ihr etwas angetan, aber sie weiß nicht mehr, wer das war. »Die haben mich —« Weiter kommt sie nicht. Sie hat die Täter vergessen und die Tat Aber dass man sie verletzt oder missachtet oder beleidigt hat, das weiß sie, und davon wird sie sich nicht abbringen lassen, erst recht nicht durch Sätze wie den, etwas könne nicht schlimm sein, wenn man es so schnell vergessen habe.“
Burkhard Spinnen (Mönchengladbach, 28 december 1956)
“J’ai trente-trois ans. Tous les hommes meurent à trente-trois ans, tous les hommes de trente-trois ans ressuscitent. D’abord la mort. Qu’est-ce qui est mort en moi ? Tant de choses… Il faut bien accepter que les choses meurent en vous à votre place, sinon c’est le colt sur la tempe. La multiplication des petits suicides, ça me connaît. J’en aurai tué des Moi haïssables, et même des Moi adorables ! A cet âge, je n’ai plus que trois obsessions : l’art, l’amour et la religion, dans le désordre. Il y a toujours quelque chose de vrai dans ce qu’on me reproche. Ça ne m’aide pas à mieux me connaître, ça m’aide à ne plus avoir envie de me connaître. Je gâche ce que je veux, je me suicide quand je veux, à chaque livre je me suicide. Il est trop tôt pour réfléchir. J’ai envie de foncer. Michel-Ange, en sculptant, disait : “Je hais ce marbre qui me sépare de ma statue.” D’après ce que je crois comprendre, si j’étais moins exalté, méprisant, malin, fanfaron, religieux, froid, excessif, organisé, injuste, ma littérature serait acceptable. Ça me dégoute, les gens qui se recherchent eux-mêmes. Il n’y a rien à trouver au bout de soi-même. J’aimerais bien m’intéresser à moi, mais je me tombe des mains. Souvent, je m’imagine sous la forme d’un instrument de musique : un saxophone, un trombone. Quand je mourrai, on me remettra dans ma boîte, dans mon étui. Au départ, on nous offre une mélodie, il faut l’harmoniser. Ça sonne ou ça ne sonne pas. Autour de moi, je ne rencontre que des êtres en chantier ou en ruine. Je ne vois pas l’intérêt de passer ma vie à me demander pourquoi c’est moi qui la vis. Je ne suis pas le premier homme à avoir trente-trois ans, mais j’ai le droit d’être effaré de constater que la plupart des trentenaires passent de trente-deux à trente-trois ans sans se poser de questions. Ils franchissent le cap à la légère. Ils ne ressentent pas combien ce chiffre fatidique, à la fois christique (33) et diabolique (2*33=66), desquame l’homme de sa jeunesse comme un serpent se débarrasse de sa vieille peau.”
Christmas Tree (James Merrill), Rainer Maria Rilke
Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Kerstfeest!
Kinderen bij de kerstboom door Leopold Graf von Kalckreuth, ca. 1912
Christmas Tree
To be Brought down at last From the cold sighing mountain Where I and the others Had been fed, looked after, kept still, Meant, I knew—of course I knew— That it would be only a matter of weeks, That there was nothing more to do. Warmly they took me in, made much of me, The point from the start was to keep my spirits up. I could assent to that. For honestly, It did help to be wound in jewels, to send Their colors flashing forth from vents in the deep Fragrant sables that cloaked me head to foot. Over me then they wove a spell of shining— Purple and silver chains, eavesdropping tinsel, Amulets, milagros: software of silver, A heart, a little girl, a Model T, Two staring eyes. Then angles, trumpets, BUD and BEA (The children’s names) in clownlike capitals, Somewhere a music box whose tiny song Played and replayed I ended before long By loving. And in shadow behind me, a primitive IV To keep the show going. Yes, yes, what lay ahead Was clear: the stripping, the cold street, my chemicals Plowed back into the Earth for lives to come— No doubt a blessing, a harvest, but one that doesn’t bear, Now or ever, dwelling upon. To have grown so thin. Needles and bone. The little boy’s hands meeting About my spine. The mother’s voice: Holding up wonderfully! No dread. No bitterness. The end beginning. Today’s Dusk room aglow For the last time With candlelight. Faces love-lit Gifts underfoot. Still to be so poised, so Receptive. Still to recall, praise.
James Merrill (3 maart 1926 – 6 februari 1995) Kerstmis in New York, de geboorteplaats van James Merrill
Onafhankelijk van geboortedata
Kerstmis
Ja, Kerstmis is de stilste dag van ’t jaar. Dan hoor je alle harten vurig slaan als klokken die de avond doen verstaan dat Kerstmis is de stilste dag van ’t jaar.
Dan worden alle kinderogen groot, alsof de dingen groeiden die ze zien, en moederlijker worden alle vrouwen en alle kinderogen worden groot.
Dan moet je buiten in het wijde land, wil je de kerstnacht zien, de onbezeerde, alsof je zinnen nooit de stad begeerden, zo moet je buiten in het wijde land.
Daar schemert menig hemel boven jou die op de verre witte bossen staat. Onder de schoen de weg die groeien gaat waar menig hemel schemert boven jou.
En in de grote luchten staat een ster die opbloeit als een felle gentiaan. De verten rollen als een golfslag aan en in de grote luchten staat een ster.
Vertaald door Piet Thomas
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) Kerstmis in Praag, de geboorteplaats van Rainer Maria Rilke
Es riecht nach Schnee und Pfefferkuchen, Nach Bienenwachs und Nadelduft. Schon denkt man an das Herbergssuchen, Den Christbaum, wenn das Glöcklein ruft.
In Gassen flimmern Weihnachtssterne, Die Straße säumt ein Lampenband. Auf Plätzen plaudern Leute gerne, Erwärmt vom Trunk am Glühweinstand.
Man muss nicht Kind sein, sich zu freuen, Nicht fromm und gläubig, auch nicht Christ, Es reicht, Gedanken einzustreuen, Was Frieden heißt und Hoffnung ist.
Vorweihnachtliche Ecke
Den Esstisch in der Stubenecke versieht man mit der Weihnachtsdecke, die Tannenbaum und Waldgetier am Saume trägt zu froher Zier.
Ein Kranz aus dichten Nadelzweigen bringt Flackerlicht ins Abendschweigen. Er weist dem Kinderblick als Ziel ein Wachsquartett mit Flammenspiel.
Da liegen Äpfel Aphrodites, die Glanzerheller des Gemütes. Ein Schmunzelengel trägt sein Haar als flachsgeflochtnes Zöpfepaar.
Der süße Seim des Bienenfleißes verbirgt sich, doch ein jeder weiß es, im Döschen aus gebranntem Ton, er kommt nicht unbenascht davon.
Adventlich steht nach alter Sitte ein Teller Backwerk in der Mitte, der leert sich schnell bis Mitternacht, wenn niemand diese Pracht bewacht.
Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015)
Onafhankelijk van geboortedata
Geboorte van Christus
Was er je eenvoud niet, hoe kon jou dan gebeuren wat nu de nacht verlicht? Zie, God hield volken toornend in zijn ban, maar Hij wordt mild, nu jij Hem baart: een wicht.
Verscheen Hij groter in je droomgedicht?
Wat is dat, grootheid? Dwars en uitermate recht is deze weg die ’t lot Hem bood. Zelfs voor een ster is zo geen baan gelaten, want, zie je, deze koningen zijn groot
en slepen schatten aan tot voor je schoot,
de schatten waar ze ’t meest van houden; dat die bestonden had je nooit gedacht – maar zie toch hoe Hij in je doek met vouwen ligt en nu al alles overtreft in kracht.
Van ver al d’amber over zee gebracht
en al het goud, de strelende en pure kruiden, bedwelmend in hun wazigheid: maar dit zijn alles dingen die niet duren, en aan het einde wacht je rouw en spijt.
Maar Hij (dat merk je nog wel), Hij verblijdt
Vertaald door Piet Thomas
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) Cover