Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
17-12-2025
Yvonne Keuls, Rafael Alberti
De Nederlandse schrijfster Yvonne Keuls werd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keuls op dit blog. Yvonne Keuls overleed op 16 november jongstleden op 93-jarige leeftijd..
Uit: Koningin van de nacht
“Toen Daan klein was, dacht hij dat er binnen in zijn hoofd plaatjes zaten, die hij in zijn droom verzamelde. Als hij zijn ogen sloot, kon hij naar binnen kijken en navertellen wat hij zag. Dat noemden de mensen fantaseren. ‘Daan is een kleine fantast,’ zei Isabel, die voor hem en zijn vijf jaar oudere zusje Roos zorgde, en ze lachte erbij, dus vond ze het leuk. Later, toen hij al op school zat en ‘groot’ was, begreep hij dat hij die plaatjes in zijn hoofd zelf maakte. Van alle gebeurtenissen in zijn leven hield hij zo’n plaatje over. ‘Gebeurtenis’ was ook niet zomaar een woord, het betekende: er gebeurt iets wat belangrijk genoeg is om in een nis te bewaren. Want niets mag vergeten worden. Wat gezien wordt of gevoeld, heeft betekenis en kan het leven een andere wending geven. En als je doodging, zei Isabel, zag je die plaatjes nog één keer langskomen, dan wist je wat je op de wereld gedaan had. Er was natuurlijk niet één wereld. Er waren er twee. In de ene gebeurde er van alles met Daan en kon hij alleen maar verwonderd toekijken, en in de andere kon hij fantaseren, kon hij zélf alles laten gebeuren. Als hij dat wilde, kon hij zelfs zijn moeder laten bestaan in álle dingen. Dan was ze overal in huis. In haar boeken, haar muziekboeken, die ze met rond appeltjeshandschrift in de kantlijn van aantekeningen had voorzien. In de foto’s, waarin ze de tijd doorliep. In haar toneelkijker, die ze meenam naar de opera. In haar verzameling vingerhoedjes, die hij op al zijn vingers zette, waarna hij net zolang op het tafelblad trommelde tot Isabel riep: ‘Daan, schei ermee uit en leg ze terug!’ En in de slaapkamerspiegel, waarin hij ieder ogenblik haar beeld verwachtte. In al die kleine dingen, de parfumkaartjes tussen haar zakdoeken, de gedroogde rozen, de poederdons met de onvergelijkelijke geur, maar vooral in haar klerenkast, die zo groot was dat hij erin kon lopen, haar luchtje opsnuivend – alweer die geur. Hij bevoelde de glanzende stof van haar jurken, die zij droeg wanneer ze een concert gaf. Ze waren versierd met borduursel en glitters, en terwijl hij zich er een weg doorheen baande, was het alsof zijzelf langs zijn gezicht gleed. Zie je wel, ze bestond! Omdat híj het wilde!”
Yvonne Keuls (17 december 1931 – 16 november 2025)
De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Disop dit blog.
Uit: Indische duinen
“De meisjes wilden de kust zien. Ze hoorden opgewonden stemmen op de gang en een luidspreker galmde over alle dekken: Nederland in zicht. De stoomfluit loeide, voetstappen bonkten op de trap, meeuwen krijsten. De meisjes klommen uit hun kooi en schoven de hutkoffer voor de patrijspoort. De kleinste mocht eerst, haar twee zusters tilden haar op. Ze drukte haar neus tegen het glas en zei: ‘Alleen maar golven.’ De ruit besloeg. In de hoek van de hut, naast de deur, waste de moeder zich boven het fonteintje, het water spatte op de plankenvloer, ze nam haar handdoek van de haak en keek in de spiegel. Ze zuchtte, elke morgen stond ze bekaf op en het was een troost dat het dampende water ook de spiegel besloeg, zodat ze onder het afdrogen niet de diepe lijnen in haar gezicht hoefde te zien. Het was benauwd in de hut, ze liep naar de patrijspoort en draaide de vleugelmoeren los. Een zilte koude lucht stroomde de kamer binnen, de meisjes rilden en trokken een trui over hun pyjama aan. Een meeuw vloog langs, vadsiger dan het soort dat hun schip gewoonlijk volgde; dit moest een landmeeuw zijn. ‘Nu ik,’ zei het middelste meisje, ze duwde haar moeder opzij en stak haar hoofd door de patrijspoort. Ze trok een vies gezicht. Geen land te bekennen. ‘Je moet naar omlaag kijken,’ zei de oudste, ‘Nederland ligt onder de zeespiegel.’ Ze ging wijdbeens op de koffer staan, duwde haar billen naar achter en maakte een verrekijker van haar handen. Iemand klopte op de deur. Een kale man kwam binnen, hij was al aangekleed en hield een korte militaire jas in zijn hand. De kleinste rende op hem toe en sprong in zijn armen. Ze klemde haar benen om zijn middel en liet zich met uitgestoken armen achterover vallen: ‘Justin, Justin,’ riep ze, ‘ik heb de Hollandse zee gezien!’ Hij legde het kind voorzichtig op bed en knuffelde haar bruine buik. ‘Dat is de Noordzee,’ zei hij, ‘nog een paar uur en we zijn in Amsterdam.’ Hij kuste de moeder en bukte zich naar het middelste meisje. Ze dook opzij. ‘Ada,’ zei de moeder, ‘zeg dag als Justin je groet.’ ‘Dag,’ snauwde Ada. Ze liep naar het fonteintje en begon haar tanden te poetsen. De kale man haalde lachend zijn schouders op en liep naar het raam: ‘Kom Jana, je vat kou’, hij sloeg zijn arm om haar heupen en drukte haar tegen zich aan, ‘je kijkt de verkeerde kant op, de kust ligt aan stuurboord.’ De moeder zag in het tegenlicht hoe mager Jana’s benen door haar pyjamabroek schenen.”
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)
Mensen op de straathoeken van steden en landen die op geen kaait staan bespraken het: – Die man is gestorven En hij weet het niet. Hij wil de banken bestormen, wolken, sterren, gouden kometen stelen, het allermoeilijkste kopen: de hemel.
En die man is gestorven. Onderaardse schokken schudden zijn slapen. dolzinnige echo’s, verwarde klank van schoppen en houwelen treffen zijn oren; en zijn ogen acyteleenlampen, klamme, goudglanzende gaanderijen, en zijn hart explosies van stenen, gejuich, dynamiet. Hij droomt van mijnen.
Vertaald door G. J. Geers
Rafael Alberti (16 december 1902 – 27 oktober 1999)
Uit: Zu Gast im Westen: Aufzeichnungen aus dem Ruhrgebiet
„Prolog: Neu in Mülheim-Broich Sonnenschein, Herbstlaub, Ende Oktober ist es hier noch einmal so warm geworden wie sonst nur in südlichen Gefilden. Lange werden die Farben nicht mehr da sein. Ich mache mich auf die Suche nach einem Supermarkt in der Nähe. »Haben Sie denn kein Auto? Auch kein Fahrrad?« Meine Nachbarn, mit denen ich von Garten zu Garten spreche, sind überrascht und bieten mir Hilfe an. Was ich Garten nenne, ist in meinem Fall von der Anmutung her ein Park im Bonsai-Format mit Brückchen und Schalen und einer Bank, es fehlen eigentlich nur Goldfische. Stattdessen steht ein riesiger Buddha auf dem Weg und lächelt durch mich hindurch. Eine stattliche Doppelhaushälfte steht mir vom Keller bis unters Dach zur Verfügung. Die Einfamilienhäuser des Broicher Waldwegs, an denen entlang ich der abfallenden Straße folge, ließen sich als »schmuck« bezeichnen, alles tipptopp. Neben alten Straßennamen (Brandenberg, Liehberg) lauten die neuen Uranusbogen oder Jupiterweg, es gibt eine Ferienwohnung namens »Saturn«. Ein Mehrfamilienhaus ist im Bau, davor steht ein alter roter Rolls-Royce, der erst beim näheren Hinsehen auffällt, weil seine Karosse nicht wie die der anderen Wagen glänzt. Es folgen ein paar dörflich anmutende Häuser, bevor sich der Weg zu einer Grünfläche öffnet, die vielleicht einmal der Dorfanger gewesen ist. Am Ende quert eine große Straße, deren Namen, Saarner Straße, ich mir einprägen will. Jenseits davon ein breiter Häuserriegel von acht oder neun Stockwerken, darunter eine Tankstelle, Busstationen auf beiden Straßenseiten, eine Apotheke an der Ecke. Der »Lindenhof« nimmt sich zwischen den anderen Häusern aus wie eine Ansichtskarte, deren Farben schon leicht verblichen sind. Der Supermarkt, so bin ich überzeugt, kann nicht mehr weit sein. Als ich einen Mann meines Alters danach frage, antwortet er grimmig und ohne aufzusehen: »Fahr ich jetzt nach Herne wegen dem Scharnier?!« Er telefoniert. Ich entschuldige mich gestenreich und will mich abwenden, da sieht er auf und weist, seinen freien Arm heftig schwenkend, als sollte ich mich beeilen, weiter in Richtung meines bisherigen Weges.“
“Neudorf im Advent (Erzgebirge)” door Dieter Jacob, 2009
Advent
Offenb. 3, 20. Siehe, ich stehe vor der Tür und klopfe an.
Ich klopfe an zum heiligen Advent Und stehe vor der Tür! O selig, wer des Hirten Stimme kennt, Und eilt und öffnet mir. Ich werde Nachtmahl mit ihm halten, Ihm Gnade spenden, Licht entfalten, Der ganze Himmel wird ihm aufgetan, Ich klopfe an.
Ich klopfe an, da draußen ists so kalt In dieser Winterszeit; Von Eise starrt der finstre Tannenwald, Die Welt ist eingeschneit, Auch Menschenherzen sind gefroren, Ich stehe vor der verschlossnen Toren, Wo ist ein Herz, den Heiland zu empfahn? Ich klopfe an.
Ich klopfe an, sähst du mir nur einmal Ins treue Angesicht, Den Dornenkranz, der Nägel blutig Mahl, — O du verwärst mich nicht! Ich trug um dich so heiß Verlangen, Ich bin so lang dich suchen gangen, Vom Kreuze her komm ich die blut’ge Bahn: Ich klopfe an.
Ich klopfe an, der Abend ist so traut, So stille nah und fern, Die Erde schläft, vom klaren Himmel schaut Der lichte Abendstern; In solchen heilgen Dämmerstunden Hat manches Herz mich schon gefunden; O denk, wie Nikodemus einst getan: Ich klopfe an!
Ich klopfe an und bringe nichts als Heil Und Segen für und für, Zachäus ‘ Glück, Marias gutes Teil Bescheert‘ ich gern auch dir, Wie ich den Jüngern einst beschieden In finstrer Nacht den süßen Frieden, So möchte‘ ich dir mit holdem Gruße nahn; Ich klopfe an.
Ich klopfe an, bist, Seele du, zu Haus, Wenn dein Geliebter pocht? Blüht mir im Krug ein frischer Blumenstrauß, Brennt deines Glaubens Docht? Weißt du, wie man den Freund bewirtet? Bist du geschürzet und gegürtet? Bist du bereit mich bräutlich zu umsahn? Ich klopfe an.
Ich klopfe an, klopft dir dein Herze mit Bei meiner Stimme Ton? Schreckt dich der treusten Mutterliebe Tritt Wie fernen Donners Drohn? O hör‘ auch deines Herzens Pochen, In deiner Brust hat Gott gesprochen: Wach‘ auf, der Morgen graut, bald kräht der Hahn, Ich klopfe an.
Ich klopfe an; spricht nicht: es ist der Wind, Er rauscht im dürren Laub; — Dein Heiland ists, dein Herr, dein Gott, mein Kind, O stelle dich nicht taub; Jetzt komm‘ ich noch im sanften Sausen, Doch bald vielleicht im Sturmesbrausen, O glaub‘, es ist kein eitler Kinderwahn: Ich klopfe an.
Ich klopfe an, jetzt bin ich noch dein Gast Und steh vor deiner Tür, Einst, Seele, wenn du hier kein Haus mehr hast, Dann klopfest du bei mir; Wer hier getan nach meinem Worte, Denn öffn‘ ich dort die Friedenspforte, Wer mich verstieß, dem wird nicht aufgetan; Ich klopfe an.
Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890) Advent in Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok
“Berlijn-Zehlendorf, Paaszondag 1962. Naarmate de trein de grens van Oost-Duitsland – waar men, zoals bekend, doorheen moet reizen om West-Berlijn te bereiken – nadert, groeit er, met mijn nieuwsgierigheid over wat ik te zien zal krijgen, ook een zonderlinge hoop: de hoop, dat alles zich veel betrekkelijker en veel minder ernstig zal laten aanzien, en dat de voorstelling die ik uit de berichtgeving van vele jaren heb opgebouwd, veel meer een projektie van mijn eigen, dikwijls zeer absoluut gestelde problematiek zal blijken te zijn, dan een met de werkelijkheid vergelijkbaar beeld. Men kent de voorstelling van de Duitse Bondsrepubliek zoals die wordt gekoesterd door de mensen voor wie de in de bezetting ondergane verschrikking een levenvullende tijdloosheid heeft gekregen; een voorstelling waaraan ook, vooral uit gemakzucht, wordt vastgehouden door mensen die politiek nooit volwassen willen worden; een voorstelling die haar voortbestaan in veel grotere mate aan de communistiese propaganda dankt dan men in het algemeen wel vermoedt. Volgens deze voorstelling is de Westduitse democratie een schijndemocratie, waarin de nazi’s en het grootkapitaal bezig zijn een nieuwe autoritaire Duitse staat naar een nieuwe veroveringsoorlog te voeren. De kracht van deze voorstelling berust in niet geringe mate op het ontbreken van een redelijke hoeveelheid feitelijk bewijsmateriaal: materiaal dat er niet is, kan men immers niet aanvechten. In werkelijkheid wordt slechts een handvol voorvallen gebruikt om de al van te voren axiomaties aangenomen agressiviteit van West-Duitsland te illustreren. Feiten zoals de nog nooit in de Duitse geschiedenis vertoonde impopulariteit van de Westduitse dienstplicht – waarvoor iedereen zich probeert te drukken – en de verbijsterend geringe percentages stemmen, die neo-, semi-nazistiese of andere ultra-rechtse groeperingen, voordat ze bij de wet werden verboden, bij verkiezingen behaalden zelfs in die deelstaten, die indertijd de typiese voedingsbodem waren van het nationaal-socialisme – die feiten zeggen de politieke dommelaar niets. Voor het handhaven van zijn op onvruchtbare moffenhaat steunende visie heeft hij slechts een paar berichten per jaar over geschonden Joodse begraafplaatsen, op muren geschilderde hakenkruisen of over de ontmaskering van een op een verantwoordelijke post gekomen oorlogsmisdadiger nodig.”
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006) Reve met Woelrat en kat op schoot
Ik houd van je om alle vrouwen Die ik niet heb gekend Ik houd van je om alle tijden Dat ik niet heb geleefd Om de geur van het ruime sop En de geur van warm brood Om de sneeuw die smelt Om de eerste bloemen Om de zuivere dieren Die de mens niet verschrikt Ik houd van je om lief te hebben Ik houd van je om alle vrouwen Die ik niet liefheb
Wie anders spiegelt mij dan jij zelf Ik zie ik mij amper Zonder jou zie ik enkel Een verlaten vlakte Tussen vroeger en vandaag Waren al die doden Waar ik doorheen Loop op stro Ik kon geen gat boren In de muur van mijn spiegel Ik moest het leven leren Woord voor woord Zoals men vergeet
Ik houd van je om jouw wijsheid Die niet van mij is Om de gezondheid houd ik Van je ondanks alles dat enkel illusie is Om het onsterfelijke hart Dat ik niet beheer Je meent twijfel te zijn En je bent slechts rede Je bent de grote zon Die mij naar het hoofd stijgt Als ik zeker ben van mezelf Als ik zeker ben van mezelf.
“Die nacht droomde Lídia over de zee. Een diepe, doorzichtige zee vol trage wezens die gemaakt leken van hetzelfde weemoedige licht als je hebt in de schemering. Lídia wist niet waar ze was, maar ze wist wel dat die wezens kwallen waren. Terwijl ze wakker werd zag ze ze nog door de muren van haar kamer heen glippen, en toen moest ze denken aan haar oma, dona Josephine do Carmo Ferreira, alias nga[1] Fina Diá Makulussu, beroemd droomduidster. Volgens de oude vrouw stond dromen over de zee gelijk aan dromen over de dood. Het eerste wat ze zag toen ze haar ogen opende was de tijd op de grote wandklok: twintig over twaalf. Angola was dus al twintig minuten onafhankelijk, dacht ze, en ze verbaasde zich over het feit dat ze in dat bed lag, in het oude huis in Ingombotas[2]. Wat deed ze hier, in het centrum van Luanda, wat deed ze in dit land? Een zinloze vraag die haar dag in dag uit kwelde. Maar op dat moment had de vraag wat ze daar deed een andere betekenis. Haar hoofd was helder en ze voelde niets, noch de verbittering van een verliezer, noch de euforie van een overwinnaar (die nacht was ze het allebei). Het is de nacht van de sprinkhaan, dacht ze, en ze zag zichzelf als pasgeboren baby met een grote bidsprinkhaan op haar borst. Toen ze klein was, had de oude Jacinto haar dat verteld: ‘Vlak na je geboorte zag je moeder toen ze naar je keek een enorme bidsprinkhaan op je borst zitten.’ Lang daarna herinnerde oma Fina haar aan het voorval en zei: ‘Het leven zal jou verslinden.’ Oma Fina was die maand honderdvijf geworden, maar ze was nog even fris en fit als altijd. Lídia geloofde alles wat ze zei, ook haar voorspellingen. Heel even dacht ze erover haar te wekken en haar droom te vertellen, maar ze deed het niet, had er de kracht niet voor. Ze ademde diep de met kikombo-parfum[3] doordrenkte lucht in en voelde zich lichter. Een ver en vet rumoer drong haar oren binnen; ze kon de geluiden niet van elkaar onderscheiden maar wist dat het ging om geweerschoten, ontploffingen en kreten van pijn, woede en euforie. Eén en al razernij, maar er moest ook liefdesgekreun tussen zitten, geblaf van honden en het bonzen van harten. Lídia dacht aan Viriato da Cruz, dacht aan de dood, dacht aan het leven, dat buiten de dichte ramen van haar slaapkamer doorging. Ze ging rechtop zitten, stak haar hand uit naar het nachtkastje en pakte een langwerpig zwart notitieboekje, zo een waarin kruideniers met potlood hun dagomzet noteren.”
[1] Nga: afkorting van nganga, ‘mevrouw’. [2] Ingombotas: wijk in Luanda. [3] Kikombo: hout waarvan bedden werden gemaakt omdat men geloofde dat de sterke geur ervan wantsen weghield. [4] 11 november 1975: dag waarop de Angolese onafhankelijkheid werd uitgeroepen.
“Er is zoveel over mezelf dat ik je nooit heb verteld. We waren nog zo jong, zo vol van enthousiasme voor de tijd waarin we leefden. Er was het heden – de tijd van onze liefde – en de toekomst, de tijd die we in de komende jaren met z’n tweeën zelf vorm zouden geven: werk, een huis, kinderen. We waren vast van plan de wereld beter achter te laten dan we hem aangetroffen hadden. Alles wat achter ons lag was van geen enkel belang, we waren ervan overtuigd dat onze hartstocht en liefde elk obstakel zouden overwinnen. Jij vergeleek ons leven altijd met water dat stroomt. ‘Nu zijn we een bergbeek,’ zei je dan, ‘onstuimig schieten we vooruit, springen we over steenmassa’s heen, vormen we watervallen; ons kolkende geraas vult de hele omgeving, van de bergtop tot het dal. Maar op een dag worden we rivieren in vlak land – bedaard, gezwollen, lui – en verstommen we, dan hoor je alleen nog het gefluit van de wind die door de wilgen strijkt.’ ‘Is dat saai?’ ‘Nee, dat is de natuur.’ ’s Nachts in bed, starend naar het plafond, speelden we vaak ‘Welke-rivier-wil-je-zijn?’ ‘Wil jij de Dora Baltea zijn?’ vroeg ik aan je. Waarop jij in de dekens begon te trappelen en riep: ‘Nee! Niet de Dora Baltea!’ Die vond je te klein, te bescheiden en daarbij stond het idee je tegen uit te komen in de Po. ‘Ik wil geen zijrivier zijn,’ zei je. ‘Ik wil een rivier zijn die direct in zee uitstroomt.’ Jouw ideaal was de Amazone, Uren kon je me vertellen over de schitterende fauna die je waarnam op je tocht: vlinders, papegaaien en roze dolfijnen, die tegen je stroom in zwommen.”
Waarom zei je dat ze stil moesten zijn en rechtop moesten zitten tot je terugkwam? Die flauwekul zou je naar ze toe hebben geleid.
Je loopt van de ene geparkeerde auto naar de andere en tuurt door de beslagen ramen voordat je het kenteken controleert.
Je zakken puilen uit. Je hebt snoep voor ze gekocht maar de condens zit aan de binnenkant van de ramen. Hoeveel kinderen ademen er?
Die flauwekul is over achter in de auto. Buiten de ramen is de dag voorbij. Er is geen straatlantaarn aangegaan.
Je hebt ze kokkels in azijn gevoerd, je hebt ze op de speelautomaten gezet. Je keek maar één keer weg.
Je keek maar één keer weg terwijl je tegen de toonbank van de snackbar leunde, en veertig jaar waren voorbij.
Je hebt ze telkens weer gezegd: Hou op met die flauwekul daar achterin! En nu hebben ze het gedaan. Is dat mist, of water met adem erin?
Vertaald door Frans Roumen
Helen Dunmore (12 december 1952 – 5 juni 2017)
Rectificatie
De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah(pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 november (niet 12 december) 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.
Uit:Ze vliegen nog altijd over de Schie
“Ernesto was niet de echte naam van Ernesto. Een tijdlang wist hij niet waarom hij zo genoemd werd, of hoe het zover gekomen was dat hij uiteindelijk Ernesto werd. Misschien had iemand hem, voorafgaand aan zijn verleden, met deze naam geroepen, en was hij sindsdien Ernesto geworden. Hij wist ook niet waar hij vandaan kwam. Naast Arabisch sprak hij Spaans, maar hij was geen Spanjaard, en ook geen Zuid-Amerikaan. Zijn voorkomen deed eerder vermoeden dat hij tot een van de oude culturen uit Syrië, Libanon, Palestina of waar dan ook behoorde. Ernesto wist lange tijd niet dat hij een groot deel van zijn herinneringen was kwijtgeraakt door een klap, veroorzaakt door het instorten van het plafond van de kamer waarin hij sliep. Pas later, toen hij na veel ronddwalingen uiteindelijk in Nederland was terechtgekomen, kreeg hij stapsgewijs stukjes van zijn achtergrond terug in zijn dromen en nachtmerries. Maar wat er ook met hem gebeurd was: die klap was net voor zijn vijfendertigste geweest, als zijn berekeningen klopten, tenminste. Ernesto kende zichzelf dus goed sinds zijn vijfendertigste, vanaf het moment dat hij Ernesto was geworden. Later zou hij zich duidelijk dat moment van zijn bewustwording herinneren: hij stond op het oude, drukke plein van de bazaar in Caïro, precies als iemand die zojuist uit een diepe slaap ontwaakt was en zich ineens op een plein bevond waar hij nooit eerder was geweest. Daarna liep hij maar gewoon met de mensenmassa mee de historische Khan El-Khalili-bazaar binnen. Die bazaar of soek was een van de oudste, meest levendige en kleurrijke bazaars in de Arabische wereld, en is dat nog steeds. Vanaf dat moment begon het leven van Ernesto, of anders gezegd: hij begon met een nieuw leven.”
“Als je de hele dag een man zou horen huilen en je vond hem niet in huis of op straat en hij ging gewoon verder met huilen, ’s nachts en de volgende dag, weken achter elkaar, onstuitbaar, hoe zou je dan veranderen? Als hij op dezelfde manier onstuitbaar zou lachen zou je zeker krankzinnig worden en hulp nodig hebben, al klonk dat lachen vrolijk en niet spottend of hatelijk. Maar tegen zijn huilen zet je je eerder schrap, na een tijdje ‘geloof je het wel’, je leeft door alsof je het niet hoort. Zijn snikken werkt niet minder direct op de zenuwen dan dat gelach zonder reden, op een schaal van een tot tien geef je een negen aan het lachen en een twee aan het huilen als het om indringendheid gaat. Op den duur is het bladergeritsel huilen, je hoort het pas goed op het ogenblik dat het wegsterft en de plotselinge stilte je korzelig maakt. De korven voor het mensenvervoer beginnen zo erg te slingeren in het harde licht van de middagzon dat we vlug uit onze wagens stappen om ons te verkneukelen. Van een andere vrouw houden zonder door te stoten naar de plaats, het brandende centrum waar haar scheppende kracht aan het werk is, zonder dat brandende centrum te kunnen vinden, is een hopeloze aangelegenheid waardoor je heftig naar de dood gaat verlangen (net of je steentje voor steentje wordt afgebroken als een wrakke kathedraal). Tot het laatst toe bewaarde de man die door het vuurpeleton zou worden gedood de ironische houding waarmee hij als televisiepresentator bekend is geworden. Ook zijn executie nam hij niet serieus, hij praatte badinerend tegen zijn publiek (dat er niet was, behalve het vuurpeloton), maakte wegwerpende gebaren, vulde de ruimte met het het spottende stemgeluid van de teleurgestelde en vermoeide oudere man, zijn glansrol: een bologige, kwakende heer zonder illusies, de draak stekend met alles waar zijn vinger naar wees, waar zijn blik even langs streek. Zo nam hij de openbare ruimte (onafzienbaar en leeg) nog één keer in bezit, clownesk en droevig maar niet droeviger dan anders, niet droevig om zijn dood; misschien had hij te weinig verbeeldingskracht voor een voorstelling van zijn dood. Is het mogelijk dat mensen onder zulke omstandigheden niet zweten? Iedereen heeft wel eens de gewaarwording van gummi te zijn, onverwoestbaar en ook onecht, bijvoorbeeld op het ogenblik dat er op de snelweg een auto op hem af stormt. Die auto kan hem toch niets doen! De televisiepresentator had zo’n gummi-gedachte niet nodig tegen de schrik, de ironicus rekent al blindelings op de overmacht van de onwerkelijkheid. Nee, hij zweette niet en zijn zware oogleden bewogen heel snel op en neer om zijn publiek naar zich toe te zuigen, het in te palmen, op zijn hand te krijgen, aan het lachen te maken. Alles als vanouds.”
lawaai is een begin, geluk een simpel akkoord achter de ogen rollen bassen dreunen over ons heen, jaren lang heb ik gerend naar dit concert, jij kwam uit dezelfde richting, en de rest kan ik me voorstellen.
zeg je zo zachtjes dat ik het nauwelijks versta en misschien alleen maar wil aannemen omdat jouw handen de reizen aan die van mij aflezen alsof het hun eigen reizen zijn, en de hemel rockt en brult en blijft in alles een punk die
zijn hanenkam in regenboogkleuren schildert, metaforisch gesproken dansen we op een dun koord horen de surfers lasteren geen cent waard is ons hun geblaat vivamus atque amemus, Campino krakeelt wat telt.
Als Josef mit Maria auf dem Weg nach Betlehem war, rief ein Engel die Tiere heimlich zusammen, um einige auszuwählen, der Heiligen Familie im Stalle zu helfen. Als erster meldete sich natürlich der Löwe: »Nur ein König ist würdig, dem Herrn der Welt zu dienen“, brüllte er, „ich werde jeden zerreißen, der dem Kind zu nahe kommt!“ “Du bist mir zu grimmig“, sagte der Engel. Darauf schlich sich der Fuchs näher. Mit unschuldiger Miene meinte er: „Ich werde sie gut versorgen. Für das Gotteskind besorge ich den süßesten Honig, und für die Wöchnerin stehle ich jeden Morgen ein Huhn!“ „Du bist mir zu verschlagen“, sagte der Engel. Da stelzte der Pfau heran. Rauschend entfaltete er sein Rad und glänzte in seinem Gefieder. „Ich will den armseligen Schafstall köstlicher schmücken als Salomon seinen Tempel!.“ „Du bist mir zu eitel“, sagte der Engel. Es kamen noch viele und priesen ihre Künste an. Vergeblich. Zuletzt blickte der strenge Engel noch einmal suchend um sich und sah Ochs und Esel draußen auf dem Felde dem Bauern dienen. Der Engel rief auch sie heran, »Was habt ihr anzubieten?“. »Nichts“, sagte der Esel und klappte traurig die Ohren herunter, „wir haben nichts gelernt außer Demut und Geduld. Denn alles andere hat uns immer noch mehr Prügel eingebracht!“. Und der Ochse warf schüchtern ein: „Aber vielleicht könnten wir dann und wann mit unseren Schwänzen die Fliegen verscheuchen!“ Da sagte der Engel: »Ihr seid die richtigen!“
Karl Heinrich Waggerl (10 december 1897 – 4 november 1973)