Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
15-05-2019
Frieda Jung, Albert Verwey, W.J.M. Bronzwaer, Dolce far niente
Dolce far niente
Der Vater des Künstlers auf dem Krankenbett II door Franz Marc 1906-1907
Am Krankenbett
Nun schleichst du schon wieder tagein — tagaus Um unser armes, kleines Haus! Herr Gott im Himmel! — schon wieder?
Ich fahre auf, entsetzt, verstört, Mir ist, als hätt' ich rufen gehört! Herr Gott im Himmel! — schon wieder?
Ein Schluchzen erfaßt mich, ein wildes Schrei'n. Ich lasse dich nicht in das Haus hinein!
Ich kenn' deine Stimme, ich kenn' dein Gesicht! Mein letztes Liebes bekommst du nicht!
Mein letztes Liebes, das mir blieb, Das hab' ich so lieb! das hab' ich so lieb!
Das rett' ich in zitternder Angst und Pein Tief, tief in Gottes Erbarmen hinein.
Mit meinem Herzblut versieg!' ich das Tor, Mit all meinem Glauben stell' ich mich vor.
Herr Gott im Himmel! Erhör' mein Fleh'n, Laß den Tod, den Tod vorübergehn!
Frieda Jung (4 juni 1865 - 14 december 1929) Kiaulkehmen, Landkreis Gumbinnen, de geboorteplaats van Frieda Jung
Als in een huis in de onderwereld, waar De stille vader en het stomme kind Elkander aanzien - zó zit ik gebukt Over mijn boeken in dit donk're huis. En tegenover me aan de tafel zit Dat stomme kind der sombere gedachte, Mijn stille weemoed met het bleek gelaat, Mijn stomme weemoed met het donker oog, Die niemand ziet dan ik, - maar áls ik opzie, Dan voel ik dat zij mij heeft aangezien, Maar 't niet wil weten om die grote smart; - En als verschrikt buig ik dan weer het hoofd Achter mijn boeken en ik durf niet spreken Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg're vreugd. En als gevoelloos, werk ik al de dag En zie niet op noch om, omdat ik vrees De grote smart, die 'k zien zal in dat oog. Want zij was éens zo schoon, mijn jonge weemoed, Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden En vogels spotten met ons jeugdig leed. Maar weggedoken zit de laatste vogel Thans in de takken en door de enge spleet Der halfgesloten blinden valt het licht Op ons, die treuren in 't verlaten huis. –
Lachen en Schreien
Ik wenste dat mij mocht gebeuren, Nu en voortaan, - Heel goed te zijn voor hen, die treuren, Nu en voortaan.
Want als ik blijf behou'en Gezang en de vreugd daarvan, - Dan weet ik, dat ik al wie rouwen Oneindig troosten kan.
Want al mijn zangen in mij Zijn boodschappers van vreugd: Zij dragen goede tijdingen, En hemelse verblijdingen, En 't vlieden van hun licht gewaad is liefelijk gewin mij, Daar ik ze alleen in 't vlieden zie en 't vlieden mij slechts heugt.
De mensen klagen, Dat vreugde vliedt: Laat vreugden vlieden, laat mensen jagen, Wij zien ze vlieden en klagen niet. Want al wat schoon is, Is schoon wijl 't vliedt; Want schoonst van een citer zijn toon is 't Sterven, - het stijgen niet...
En dáarom staren We op 't vliedend-schone, En zeggen zacht: na vreugd zal 'k vreugd ontwaren, Die 't leven lone... Veel zang en schone dromen, Om zoet te slapen tot het ochtend-domen: Want vreugden vlieden opdat vreugden komen...
Schrei daarom niet, want als gij schreit, Dan zal ik zelf gaan schreien wijl ik schrijf, En al die schone bloemen van mijn zang Zal 't zijn of er een dauw van tranen drijv' Om hen, om mij, tot 'k eindlijk lang, heel lang, Zal moeten wenen en geen trooster blijf, En niet meer schrijf en enkel lijd...
Schrei niet, schrei niet: mijn zang is ál te teer: Daar blinkt een traan in de ogen van mijn zang, Zijn wangen zijn zo bleek, - ik zend hem u: Trek 'm aan uw knie en zeg: kind, ween niet meer, Want ik ben ook niet somber, 'k was 't te lang, Zit neer en glimlach nu...
Dan zal hij lachen door zijn tranen heen, En zeggen: zie, 't verdriet zelfs is een vreugd; Want grootste vreugd is lachen na geween, En dat doe 'k veel en dat 's mijn deugd.
Albert Verwey(15 mei 1865 – 8 maart 1937) De Oude Kerk in Amsterdam
“Bij alle vormen van communicatie treedt redundantie op, al zullen we vaak proberen dat te vermijden. Wanneer iemand ons op straat begroet met de woorden ‘Goeiedag! Goeiedag!’, dan brengt onze afkeer van redundantie met zich mee, dat we de woordherhaling niet als redundant zullen opvatten. Dan zou de herhaling immers zinloos zijn. We interpreteren deze woorden als buitengewoon hartelijk, of als blijk van grote verrassing. De herhaling krijgt voor ons zodoende een betekenisvolle meerwaarde die de strikt lexicale betekenis van het herhaalde woord te boven gaat. Een van de vroegste voorbeelden uit de literatuur van een herhaling die deze meerwaarde bezit is de uitroep ‘De zee! De zee!’ van de Griekse soldaten in het vierde boek van Xenophons Anabasis, als zij uiteindelijk vanaf een heuveltop de zee ontwaren en zich gered weten van hun Perzische achtervolgers. We kunnen deze uitroep, net als de beurtzang van de Israëlitische vrouwen in het eerste boek Samuel, als een oervorm van poëzie beschouwen. In het poëtisch taalgebruik werken de informatietheoretische wetten, zoals wij die voor kunsttalen hebben opgesteld, niet. In de logica betekent ‘a + a’ niet hetzelfde als ‘a’. Zo betekent ‘De zee! De zee!’ ook niet hetzelfde als ‘De zee!’. Nu zouden we kunnen zeggen dat bij een leeswijze die het verschil tussen ‘De zee! De zee!’ en ‘De zee!’ op dezelfde wijze interpreteert als het verschil tussen ‘a + a’ en ‘a’, het citaat uit Xenophon op niet-poëtische wijze wordt gelezen. Herhaling is op alle niveaus werkzaam in de poëtische tekst; men hoeft maar aan eenvoudige fenomenen als rijm, maat, gelijkheid van regellengte en dergelijke te denken om dit in te zien. Maar om poëtisch functioneel te zijn dient de herhaling ook geperiodiseerd op te treden. De psychologie leert dat periodisering een onmisbare voorwaarde is bij onze waarnemingen. Het absoluut eenmalige is voor ons niet waarneembaar, en evenmin het zich ongedifferentieerd tot in het oneindige herhalende. Klokken en uurwerken (althans de ouderwetse) produceren eindeloze reeksen van herhalingen van steeds hetzelfde tikkende geluid, maar in onze waarneming worden die reeksen gebroken tot elkaar opvolgende periodes die wij als ‘tik-tak’ waarnemen. De lucht om ons heen nemen wij niet waar, behalve in de periodisering van onze ademhaling (‘in-uit’) of in de onregelmatiger periodisering van windvlagen. Periodisering heeft dus te maken met afwisseling,met terugkeer van hetzelfde na het andere, met ritme. De tijd zelf kunnen we alleen beleven als in periodes verdeeld: etmalen, seizoenen en de al veel abstractere periodes van generaties en tijdperken. Theorieën volgens welke de geschiedenis zich in grote periodes van 2000 jaar zou herhalen, zoals opgesteld door Vico, Spengler, Toynbee of Yeats, ja ook een ‘theorie’ als die over het thans aanbrekende ‘Aquarius-tijdperk’, zijn niets anders dan symptomen van onze periodiseringsbehoefte.”
Ida Gerhardt, Jo Gisekin, Karl-Markus Gauß, Gaby Hauptmann, Tor Jonsson, Michael Bass
Dolce far niente
La Mélancoliquedoor Jules Pascin, 1909
Kwade dagen
Ga niet naar anderen als dat leed u slaat dat een mens kromt, of als een wig u splijt; ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt, die harde kern, waarmee u het bestaat. En houd uw huis in stand, gelijk altijd.
Ga niet naar anderen: hun blik verraadt weigering, te beseffen wat er is. Straks woedt hún onrust om in uw gemis. Mijd hun bedisselen, hun ergernis dat ge u blijkbaar niét gezeggen laat.
Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd, één die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt, maar u verdraagt met uw beschreid gelaat. Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie ge zijt en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997) Gorinchem, de geboorteplaats van Ida Gerhardt
De nacht is veel te groen om krekels van het blauw te onderscheiden
waar is het licht dat leeggezogen weiden uit hun stramme schaduw dwingt?
Je hoort geen stilte die luider snikt dan legers meeldraden - ze vechten voor wat licht –
schrijf met glazen woorden de scherven op hun dode bloemenmond.
de tijd eet geld met hopen en af en toe zich rond.
Moedervlek
Soms is het kind een wimper in je oog of noem het maar een vleselijk schandaal een slak of een worm je durft het niet zeggen de deur staat open
Je schrijft een naam op zijn buik een landschap met honderd gebaren want je bent sprakeloos als vaders met open oren en naakt als een zeehond die rilt in zijn huid
Waar komt het buurmeisje vandaan dat met hoofdletters spreekt ik zou haar cacao willen geven en een moestuin met mussen bijvoorbeeld
Je denkt: het is een prins met wollen wangen en jurkjes uit valenciennekant misschien had het geen vader en opa, dat moet je noteren al jarenlang weg
dus zwijg je maar over zijn oortjes die lieflijk als zwemvliezen zijn nagels die je nooit hebt geknipt
„Vor jeder der zahllosen Türen blieb ich stehen, auf der Suche nach dem Zimmer mit der Nummer Abt. VII, 1.21, in dem ich mit meiner Unterschrift genehmigen würde, was notfalls auch gegen meinen Willen erzwungen werden könnte, dass nämlich die Oberleitung des städtischen Busses, der durch meine Straße fährt, eine neue Verankerung in der Fassade unseres Wohnhauses erhalte, direkt neben unserem Küchenfenster im zweiten Stock. Kein Mensch war zu sehen, offenbar war der Amtsverkehr mit und ohne Oberleitung erloschen, fast schon, dass ich die Sehnsucht verspürte, einer der Inspektoren oder Adjunkten von früher, wie längst keine mehr existieren, würde aus seinem Zimmer stürmen, mich anherrschen und mit dem mündlichen Bescheid, dass ich schon wieder die Frist übersehen habe, mein Anliegen gebührenpflichtig einzureichen, von der Schwelle scheuchen. Mit der eilfertigen Beflissenheit, mit der ich immer alles richtig zu machen versuche und die alles in allem das ist, was ich in meinem Leben seit jeher falsch mache, schlich ich über den Gang und bemühte mich, so leise wie möglich aufzutreten und einzuatmen. In der vollkommenen Ämterstille aber fehlte etwas, das es vor den zwanzig Jahren, als ich das letzte Mal hier gewesen war, noch gegeben hatte. Erst auf dem Nachhauseweg fiel mir ein, was es war: das Klappern der Schreibmaschinen. Damals hatte es aus allen Zimmern geklappert, selbst durch geschlossene Türen und dicke Wände, die sonst jedes Lebenszeichen verschluckten, war es zu hören gewesen, und dieses Klappern war monoton, aber nicht gleichmäßig und nicht eintönig, denn es kannte Takte, in denen es sich beschleunigte, und Pausen, in denen es abrupt stockte, und je schneller es voranging, umso höher schien die Tonlage zu werden, während die von ungelenker Hand nur sporadisch gesetzten Anschläge bedeutungsschwer tief klangen.Wer damals einen Behördengang zu erledigen hatte, ging wie durch eine vormittägliche Musikschule, in deren Übungsräumen die Schüler an Ersatzklavieren klappernd immer dieselben Etüden spielten. Die Schreibmaschine ist aus den Büros verschwunden, und der Zeitschrift, die ich herausgebe, schicken nur mehr zwei Mitarbeiter ihre Texte nicht als elektronische Dateien, sondern auf dem Postweg als Typoskripte zu, die mit Schreibmaschine verfertigt wurden und die sie mit etlichen handschriftlichen Korrekturen versehen. Größere Passagen korrigieren sie mithilfe jenes weißen Plättchens, das man zwischen Papier und Farbband fixieren musste, damit man die falschen Buchstaben und fehlerhaften Worte wieder entfernen konnte, und ich muss Hermann Schreiber und Hansjörg Graf, die beiden neunzigjährigen Münchener aus Österreich, einmal fragen, woher sie diese Plättchen noch beziehen oder ob sie seinerzeit einfach so viele Tipp-Ex im Voraus gekauft haben, dass es für ihr Leben und viele tausend Manuskriptseiten reichen mag.“
„Ich hätte auf meine Vorahnung hören sollen. Wieso habe ich das nicht getan? Ich habe sie beiseite gewischt. Aber hinterher ist man immer schlauer – wer weiß das nicht! Jetzt sitze ich auf diesem Flughafen, mitten in Afrika, und schüttle nur noch den Kopf: über mich, über das Schicksal, überhaupt darüber, dass die Dinge nie so sind, wie sie scheinen. Wenn man zu einem Zeitpunkt, da einem das Wasser bis zum Hals steht, im Lotto gewinnt, dann wendet sich doch alles zum Guten. Glaubt man. Ja, eigentlich sollte man das glauben. Gleichzeitig beginnen aber die Dinge um einen herum, ein dynamisches Eigenleben zu entwickeln. Denn eines ist sicher: Kaum hast du Geld, kommt die Gier der anderen. Und ich habe es nicht bemerkt. Aber jetzt stecke ich mittendrin und habe Entscheidungen zu treffen, von denen ich vor Kurzem nicht einmal geträumt hätte. Wozu auch. Ich hatte ja kein Geld und war deshalb uninteressant für die meisten Menschen. Jetzt habe ich Geld, und einiges hat sich geändert. Für manche Menschen bin ich jetzt interessant. Sehr interessant. Vor allem für meine eigene Familie. Immerhin habe ich nun Zeit zum Nachdenken, denn ich habe meinen Weiterflug verpasst und bin gestrandet. Nachts in Nairobi. Und Hunderte von Fluggästen mit mir, weil unser Flugzeug von Johannesburg Verspätung hatte und der Anschluss nach Bangkok pünktlich war – also weg. Folglich sind wir nun alle hier, hier in Nairobi. Und stehen alle in einer langen Schlange vor einem einzigen Schalter, denn alle müssen übernachten. Das bedeutet, raus aus dem Flughafen. Aber bevor man Kenia betreten darf, braucht man ein Transit-Visa-Tagesticket. Die gelben Formulare sind angesichts der Menge an Menschen aber ausgegangen. Die weißen Formulare sind die falschen. So stehen nun alle in der Schlange und warten. Es sind noch zwei weitere Schalter besetzt: Dort aber steht niemand an, denn zwei Schilder »First Class« und »Diplomaten« zeigen uns, dass wir eben nur einfache Economics sind. Ein Herr mit Aktentasche probiert es trotzdem und wird von einer gähnenden Beamtin zurück in die lange Schlange geschickt.“
Shape me not anew with shadow. I wish to be the one I became. I am sorrow in white clothing, I am joy dressed in black.
Shape me not anew with joy. I became who I wished to be: Ruler of an unknown kingdom, Slave in my own time.
Tor Jonsson (14 mei 1916 – 14 januari 1951)
De Duitse dichter, schrijver en vertaler Michael Basse geboren op 14 april 1957 in Bad-Salzuflen / Nordrhein-Westfalen. Zie ook alle tags voor Michael Basseop dit blog.
Uit: Ein einziges lyrisches Missverständnis
„Doch damit sind die Parallelen nahezu erschöpft. Während Borchardt in Lucca mit Vorliebe königliche Hoheiten empfing, avancierte Rapallo unter Pound zum internationalen Treff für Musiker und Komponisten (von Igor Strawinsky bis George Antheil), und Dichter (von W. B. Yeats bis T. S. Eliot). Während Borchardt, der zu Beginn des Ersten Weltkriegs noch vom "Untergang des alten autonomen Europas und seiner kulturellen Übernahme durch das deutsche Imperium" träumte, auch danach noch an der deutschen Mission festhielt und einen aggressiven Chamberlain-Hitler-Pakt gegen Franco favorisierte, schwor Pound - vom ersten Weltkrieg gründlich desillusioniert - allen imperialistischen Visionen ab, mutierte zum Kriegsgegner und Internationalisten und schrieb seinen "Mauberly"-Zyklus. Hitler hielt er von Anfang an für einen "epileptischen Hinterwäldler", während ihm der Duce - wie vielen italophilen Ausländern - der einzige Garant für ein kulturell fortschrittliches Europa zu sein schien. Mit anderen Worten: während Pound selbst noch als angeklagter "Hochverräter" seinen republikanischen Überzeugungen treu blieb und den Faschismus in seiner italienischen Spielart nur insoweit goutiert hatte, als er die res publica "fortschrittlicher" (und das hieß für ihn "gemeinnütziger und friedlicher") organisierte als der wild gewordene Kapitalismus, der zu Weltkrieg und Börsenkrach geführt hatte, huldigte Borchardt unverdrossen einem untergegangenen deutschen Wilhelminismus samt seinen imperialen Ansprüchen. Borchardts überstrapazierter Leitbegriff hieß nicht "Republik" sondern "deutsche Nation", und zwar eine, die im Zweifelsfall über alles ging (also auch über Leichen)."
maar de wind is een adelaar die op ons jaagt, die ons kaal plukt. we leggen onze snavel tegen onze borstveren aan
de wind naait met zijn naaigaren onze ogen dicht. wij draaien rond een met zilver beslagen kerktoren die we niet naderen
weggelegd worden we in de laden van wind en weggedragen in de diepste aardlagen. niemand die ons terugvindt
Portret van een landschap
I Bezijden
Waar het licht is, vult het de vlakken, ontvouwt het zijn zwarten, legt het schaduw op vierkanten, daalt het onder het vlak: een water misschien dat stil lag.
En het wreedste in de struik, het blijdste, de grond daaronder angstig. Wat het daar nadert, nadert het langzaam.
Als het nabij is? Waar zal het zich neerleggen? Waarvoor zal het zich hoeden, waar zal het zich bergen?
Alsof het er niet was. Iemand zag het en toen was het er. Nooit was het er vroeger geweest. Die het gezien had was daarna weggegaan, was er daarna niet meer.
Alsof het terug was onder het blauwe, weggenomen was van het gele. Alsof het bij sparappels was gaan wonen, bij eikenbladeren, gegaan was naar het stille van varens, naar kelders, naar zolders.
Dat vlakke was er: een pad.
Alsof het later geworden was, alsof het eerder was begonnen. Alsof het er vroeger geweest was, ervoor was, erna. Alsof het daarna op was gehouden, weer was begonnen, schuil was gegaan.
VII Afdrift
Aan alle kanten is het zichtbare zichtbaar, trekt zich daarna terug, wordt kleiner. Zoveel licht: tot aan de verblinding. Zoveel duisternis: daarin verliest het zich. Iets wil het kennen voor het nacht wordt. Het schuift door onder het liggende: of het daarginds is. Achter het water gaat het: of het omhoog gaat. Wat is hoger dan water? Wat is lager dan water? Het staat en is rond. Of is het niet rond en hangt het? Wat daar omheen is, is het vlakke. Paden zijn er: wat iemand zich herinnert. Als de smaak van zichtbare druiven. Kon het maar liggen zoals de akker ligt. Kon het maar ongeoogst blijven en ongemaaid. Kon het maar troost zijn.
Ontmoet het dit en waar? Staat het bij een boom en wacht het? Is het bij de bocht met de vis? Staat het stil waar het is? Is het er als het komt, bij wat daar waait, wat daar aan de zoom gezien wordt? Even staat het, zoveel wind in zijn afscheid.
Waarom is het hier, rust het hier uit, ligt het zo, wordt het weggedragen en neergelegd waar iemand het kan zien, waar het niet meer kan weggaan.
Zover als het te zien is, is het overal, maakt het de wind overal donker. Het is ergens en het staat er. Nergens komt het vandaan, nergens gaat het heen. Nog even is het te zien. En daarna.
Leo Herberghs (Heerlen, 21 juli 1924 - 11 mei 2019)
Anna Enquist, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier
Dolce far niente
Ziekenhuistuin in Edam door Max Liebermann, 1904
Andante
Als de tocht niet meer voert naar de plaats waar alles weer goed komt, wat houdt haar gaande? Rood zand op het fresco verbleekt, troost verkleint tot een blik, tot een handpalm. Als niet wanhoop met windkracht tien in haar rug staat, wat houdt haar in gang?
De straatstenen houden haar gaande ogen likken de gevels, de keel is gulzig naar lucht. Haar houdt in gang het plezierpaard lijf dat geen halt verstaat. Haar hakken slaan vuur uit de tegels: Dat zij gaat houdt haar gaande. Zij gaat.
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945) Het Vondelpark in Amsterdam, de geboorteplaats van Anna Enquist
Die muurschildering, de vogel op hoge stelt, de twee speren, de bizon, de man met armen wijd, liggend tegen lucht, zijn pik stijf.
Waar gaat dit naartoe?
Nergens: nacht, land van wat niet bestaat.
Wat richt die vogel/ziel op hoge stelt/hakken uit?
Op het tipje van je tong begint de wacht.
Kon je maar als een dolfijn slapen met een hersenhelft, rondjes varen met de andere.
Het temmen
Voor rijst gebeurde het in China, een zevental millennia geleden. De dichter zegt: ‘in Middelaarde, toen de tijd nog niet bestond’. De wetenschapper maakt koeken en knabbelt.
De afstand vergroot in de vertaling van de ene algemeenheid naar de andere.
Lege spelletjes, dacht ze, energie uit fotosynthese, altijd hetzelfde liedje, een extra laag maar niets dat blijft hangen.
Tan telt niet. Ook Guo-Ping niet.
Glo-Ping?
Ben je grapjes aan het maken? Want grappig is het niet. Als je zo blijft doorgaan...
(Hij snapte het.) (Zowel de dichter als de wetenschapper.)
Tarwe en gerst suggereren: zachtjesaan.
Heb je het ook gevoeld
Heb je het ook gevoeld een flurry of beginningen
mission impossible
dat rest wat rest en blijvend moge blijven de tot verlangen bekeerde
De handleiding zegt dat je humanoid bent dat je me in bed zult tillen de deur openmaakt voor bezoek, mijn zakdoek raapt me vasthoudt
Volg me langzaam tot op de gang tot in de eetzaal, tot in de kleine witte kamer die ik ben
Hou daar pas mee op tot ik de schroefbladen tussen je schouders verwar met haar zuchten, de buzzer in je buik met haar schoot. Spiegel me voor hoe zij was, hoe zij destijds de deur mijn zakdoek mij
Wees, word, herinner me
Kom met je batterijen hart naast me liggen dat ik je een paar heel dierlijke dingen leer en kir kir kir dat het een lust is
“When he did come to town, he worked from a disused newspaper shop-floor where rolls of old newsprint still clogged the presses and his sequences of aerial photos had spread, like a game of dominoes, over the shabby white walls. One sequence showed a three-hundred-mile strip of country running roughly due north. This was the suggested route of a new Alice to Darwin railway. The line, he told me, was going to be the last long stretch of track to be laid in Australia; and its chief engineer, a railway-man of the old school, had announced that it must also be the best. The engineer was close to retiring age and concerned for his posthumous reputation. He was especially concerned to avoid the kind of rumpus that broke out whenever a mining company moved its machinery into Aboriginal land. So, promising not to destroy a single one of their sacred sites, he had asked their representatives to supply him with a survey. Arkady's job was to identify the 'traditional landowners'; to drive them over their old hunting grounds, even if these now belonged to a cattle company; and to get them to reveal which rock or soak or ghost-gum was the work of a Dreamtime hero. He had already mapped the 1 so-mile stretch from Alice to Middle Bore Station. He had a hundred and fifty to go. 'I warned the engineer he was being a bit rash,' he said. 'But that's the way he wanted it.' 'Why rash?' I asked. 'Well, if you look at it their way,' he grinned, 'the whole of bloody Australia's a sacred site.' 'Explain,' I said. He was on the point of explaining when an Aboriginal girl came in with a stack of papers. She was a secretary, a pliant brown girl in a brown knitted dress. She smiled and said, 'Hi, Ark!' but her smile fell away at the sight of a stranger. Arkady lowered his voice. He had warned me earlier how Aboriginals hate to hear white men discussing their 'business'. 'This is a Pom,' he said to the secretary. 'A Porn by the name of Bruce.' The girl giggled, diffidently, dumped the papers on the desk, and dashed for the door. 'Let's go and get a coffee,' he said. So we went to a coffee-shop on Todd Street.”
“They drove along the twisting lane to the farmhouse at the top of the village. A neighbour met them at the gate, her face eager to impart bad news. 'Your mother's worse,' she cried. 'She came out of the door just now, staring like a ghost, and she trembled all over, and fell down in the path. Mrs Hoblyn has gone to her, and Will Searle; they've lifted her inside, poor soul. They say her eyes are shut.' Firmly the doctor pushed the little gaping crowd away from the door. Together he and the man Searle lifted the still figure from the floor and carried her upstairs to the bedroom. `It's a stroke,' said the doctor, 'but she's breathing; her pulse is steady. This is what I've been afraid of — that she'd snap suddenly, like this. Why it's come just now, after all these years, is known only to the Lord and herself. You must prove yourself your parents' child now, Mary, and help her through this. You are the only one who can.' For six long months or more Mary nursed her mother in this her first and last illness, but with all the care she and the doctor gave her it was not the widow's will to recover. She had no wish to fight for her life. It was as though she longed for release, and prayed silently that it would come quickly. She said to Mary, 'I don't want you to struggle as I have done. It's a breaking of the body and of the spirit. There's no call for you to stay on at Helford after I am gone. It's best for you to go to your Aunt Patience up to Bodmin.' There was no use in Mary telling her mother that she would not die. It was fixed there in her mind and there was no fighting it. 'I haven't any wish to leave the farm, mother,' she said. 'I was born here and my father before me, and you were a Helford woman. This is where the Yellans belong to be. I'm not afraid of being poor, and the farm falling away. You worked here for seventeen years alone, so why shouldn't I do the same? I'm strong; I can do the work of a man; you know that.' 'It's no life for a girl,' said her mother. 'I did it all these years because of your father, and because of you. Working for someone keeps a woman calm and contented, but it's another thing when you work for yourself. There's no heart in it then.’ 'I'd be no use in a town,' said Mary. 'I've never known anything but this life by the river, and I don't want to. Going into Helston is town enough for me. I'm best here, with the few chickens that's left to us, and the green stuff in the garden, and the old pig, and a bit of a boat on the river. What would I do up to Bodmin with my Aunt Patience?' 'A girl can't live alone, Mary, without she goes queer in the head, or comes to evil. It's either one or the other. Have you forgotten poor Sue, who walked the churchyard at midnight with the full moon, and called upon the lover she had never had? And there was one maid, before you were born, left an orphan at sixteen. She ran away to Falmouth and went with the sailors. 'I'd not rest in my grave, nor your father neither, if we didn't leave you safe. You'll like your Aunt Patience; she was always a great one for games and laughing, with a heart as large as life. You remember when she came here, twelve years back? She had ribbons in her bonnet and a silk petticoat."
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989) Cover
De Noorse violist, zanger, componist, acteur en schrijver van Wit-Russische afkomst Alexander Igorjevitsj Rybak werd geboren in Minsk, Sovjet-Unie, op 13 mei 1986. Zijn ouders emigreerden naar Noorwegen toen Rybak vier jaar oud was. Hij speelt sinds zijn vijfde jaar zowel piano als viool. De ouders van Rybak zijn Natalia Rybak-Goerina, een bekende Wit-Russische pianiste en vader Igor Rybak, die een bekende violist is in Noorwegen. Zijn ouders studeerden beiden aan het conservatorium van Minsk, maar kwamen oorspronkelijk beiden uit de stad Vitebsk. Rybak heeft samen met de Israëlische violist Pinchas Zukerman opgetreden. Hij won de Anders Jahre Cultuurprijs in Noorwegen en is concertmeester van een van de grootste symfonische jeugdorkesten in Bergen. In 2005 deed hij mee aan Idols in Noorwegen. In 2007 trad Rybak op als violist in de musical Fiddler on the Roof in het theater van Oslo. In augustus 2009 was hij te zien zijn in de telefilm Yohan - Child Wanderer. De muzikale idolen van Rybak zijn Sting, The Beatles en Mozart. Rybak won het Eurovisiesongfestival 2009 in Moskou met het door hemzelf geschreven en gecomponeerde lied “Fairytale”. Het nummer is geënt op Russische en Noorse folklore en geïnspireerd door de liefde. Rybak won met 387 punten wat op dat moment een record was. Het nummer werd in heel Europa uitgebracht en stond in de Nederlandse Top 40. Een week na zijn overwinning was Rybak te gast in Mooi! Weer de Leeuw. Na het Songfestival verscheen Rybaks eerste album Fairytales, het album bevatte negen nummers en de singles Fairytale, Funny Little World, en Roll With The Wind. Hij ging op promotour voor zijn album onder andere naar Oekraïne, België en Finland. Fairytales, werd meerdere keren platinum in Noorwegen, dubbel platinum in Rusland en goud in Finland. In juli 2010 verscheen het album No Boundaries. De officiële promotie single ervan is Europe Skies. De videoclip speelt zich af op de Krim. In 2011 was Rybak te zien in verschillende tv-shows, zo was hij deelnemer aan de Zweedse versie van Strictly Come Dancing, Let's Dance. Samen met zijn danspartner Malin, bereikte hij de vierde plaats. In de zomer kwam zijn derde album uit: Visa Vid Vindens Änger. Een album volledig in het Zweeds. De melodieën van de nieuwe liedjes werden geschreven door Rybak en de teksten door de Zweedse dichter en componist Mats Paulson. Bij het album verscheen ook de single Resan Till Dig. In 2012 bracht hij zijn nieuwe single Leave Me Alone uit. Het verhaal van de single draait om iets wat hemzelf is overkomen. Hij werd gestalkt door een vrouw en hij wist geen manier om van haar af te komen. Uiteindelijk besloot hij in plaats om naar de politie te gaan, er een liedje over te schrijven. De videoclip werd wederom opgenomen in Kiev. Door promotie van Paul De Leeuw in zijn programma Manneke Paul bij de VTM in Vlaanderen bereikte het liedje een plaats op de Belgische tiplijst. In november van dat jaar kwam zijn vierde album Chirstmas Tales uit. In september 2015 publiceerde hij een half autobiografisch kinderboek: “Trolle en de betoverde viool”.De op dit boek gebaseerde gelijknamige musical zal worden gereleased in november 2019. In 2018 besloot Alexander Rybak zich opnieuw te presenteren op de Melodi Grand Prix met zijn nummer That How You Write a Song. Hij won de Melodi Grand Prix op 10 maart en vertegenwoordigde Noorwegen voor de tweede keer op het Eurovisie Songfestival, na zijn zegevierende deelname in 2009. Rybak werd eerste in de tweede halve. In de finale eindigde hij deze keer op de 15e plaats. Zijn lied was het 1500ste dat ooit op het Eurovisie Songfestival werd uitgevoerd.
Uit: Trolle en de betoverde viool
“Huldermyren was geen plek om vrijwillig naartoe te gaan. Het lag verborgen in de diepten van een donker bos, als een geheimzinnig geheim. Er werd geen levend wezen in de buurt gevonden, slechts een paar dunne bomen op de rand van het moeras. Vaak wervelde een sluier van dichte mist in dit gebied en dan konden figuren worden gezien die tussen de boomstammen bewogen. Er waren nerds, hellen die ooit jong waren geweest en die in de dorpen bij het bos hadden gewoond. Elke keer dat de mist over het moeras zakte, verschenen de lopers. Toen stonden ze op uit de dood om te dansen. Ze bewogen zwijgend, een stille waarschuwing dat er iets engs stond te gebeuren. De huilers wachtten tot hun meester wakker werd uit zijn diepe slaap. En, mijnheer, het was de koning van de Hulder. Hij sliep, goed beschermd door de bomen. Zijn ademhaling was traag. De King of Holder was een lange en donkere figuur en hij had langer geleefd dan iemand zich kon herinneren.
Ja, al honderden jaren waren er legendes over hem verteld. De koning van de houder had onuitsprekelijke dingen gedaan om koning te blijven. Eens in elke tijd werd de Hulk King wakker. En toen waren geen bossen veilig.
Niet ver van de slapende Hulder King, op een grote rots, stond een viool. Het was zijn geheime, magische wapen. Degenen die werden blootgesteld aan de muziek van de viool waren betoverd. De tonen lokten hen steeds verder het bos in, totdat ze in het moeras belandden. Niemand kon het geluid van de kerel weerstaan. Maar zoals bij alle betoverde objecten, was de viool ook grillig. En terwijl de obers wachtten tot de King of the Wakes ontwaakte, begon de viool ongeduldig te worden. Het verlangde ernaar gespeeld te worden.”
Het geheugen werkt vaak fotografisch. Een beeld van vroeger is er plots weer. Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste om even een korte rustpauze te houden. De moeder zit nog steeds op dezelfde stoel.
Haar gezicht kun je dichterbij halen. Dan zie je hoe over haar ogen een dun laagje vocht ligt en trilt, nog geen echte tranen, maar toch, iets als een pril begin van verdriet.
Haar handen liggen in haar schoot, lichtbruin, als gevallen bladeren, wegzakkend in een wolk van weemoed. En ik, nog een kind, leg het hoofd met de rode schram over de wang op de harde rondingen van haar knieën. Jaren later laat zij mij los en leer ik de eenzaamheid van de volwassenen.
Willem M. Roggeman (Brussel, 9 juli 1935) De Grand Place in Brussel, de geboortestad van Willem M. Roggeman
1 Het hiernamaals is een veel te lang woord voor wie al dood zijn en doof voor al te lange woorden.
Daar is slechts het hier en het na wordt het nu en het maal is wel duizendmaal ontelbaar levenslang met alle sterren vermenigvuldigd zoals er een toekomst is om van te dromen en een die de droom is.
Onder het uitspreken van hiernamaals kan vele malen worden gestorven, het klinkt dan ook zacht als het zwijgen na de laatste ademhaling, zoals welterusten wanneer je ging uit logeren maar zonder terug te komen naar huis.
2 Zal het hiernamaals onveranderlijk zijn of verschuiven met de lichtval van één dag, de invalshoeken prismadiep, telescopisch ver wanneer er lenzen op versteld worden, diafragma's aangedraaid als duimschroeven van het moment?
Het moment ontglipt de kijker, is dunner dan een duim en sneller dan kleinduimpje maar op het hemelsbreed hiernamaals hoe in godsnaam het vooruitzicht zo te verstellen dat het past?
3 Ik stel ons voor als kronkelende zaadjes in een behaaglijk natte ruimte als spermatozoïden onder de microscoop rondzwemmend
slingerend ons staartje, vinnetje, tentakeltje rond in dik water, we zijn de schrijvertjes van Gezelle maar dan onderwater,
vermaken ons door schuldeloos om elkaar heen te draaien bij tijd en wijle glijden we eventjes tezamen
het is zo nat zo ontrammelanterig hierna en zo behaaglijk.
4 Van iemand die ik niet kende heb ik gehoord dat zijn zoon zelfmoord pleegde, medelijden met vader en zoon gekregen, naar woorden gezocht om onbestemd naar hen te verzenden.
Ik hoorde dat de woorden zijn teruggekomen als holle echo's die de vader slaakt in zijn slaap die hij 's nachts vermijdt in de gesmoorde klank van het kussen
en zag dat de woorden holle ogen werden in de zwarte muur van zijn kleine slaapkamer die tegen me aan bleven hameren: wat is leven?
De man die ik niet kende van wie de zoon die ik evenmin kende zelfmoord pleegde ben ik nooit helemaal uit het oog verloren. Soms als er ergens iets ergs gebeurt huilen we even.
Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)
De Nederlandse schrijver en dichter Bertus Aafjes (pseudoniem Jan Oranje) werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1914. Zie ook alle tags voor Bertus Aafjesop dit blog.
Een voetreis naar Rome (Fragment)
Calliope, van heldenzangen de gebiedster, doe uw poëet naar iets edels en groots verlangen in 't relaas van zijn lief en leed. En Urania, van de sterren de gebiedster, daar steil omhoog, overkoepel mijn vers van verre met uw duizendvoudige oog. Helpt mij deze regels te dichten ; gunt mij iets van uw heerlijkheid, mij, de dichter meest van het lichte genre aan Cupido gewijd, en van rozen, altijd weer rozen, en van de dood, die desolaat door de triestige bladerloze najaarsplantsoenen zijns weegs gaat.
Want ik wens een lang vers te schrijven, dat men leest in het avonduur, om ergens mee bezig te blijven bij het warm knapperende vuur. Buiten gaat de herfst al beginnen, en de regen stort op het groen ; men neemt dan een boek op daarbinnen, om maar iets te hebben te doen ; en men breekt een oud wijnmerk open, voor de kille dagen bewaard ; langzaam laat men het glas vollopen ; dan opent men het boek bedaard. Voor dat uur heb ik dit geschreven ; vul het glas, smoor de bruine pijp ; laat de regen zijn sluiers weven, want de vrucht van de geest wordt rijp.
“Na het zien van zijn vriend voelt Frans zich vaster. Hij springt in een wagen en rijdt naar huis. Hier is het Sinte-Kathelijneplein, de Graanmarkt, de Hopstraat, hij herkent de winkels... het huis! Fien, de oude meid, komt opendoen. Hij verbluft ze met zijn luid geroep: ‘Hier ben ik, Fien!’ geeft haar de valies over en loopt recht beneden naar de voorkeuken, waar hij zijn moeder stram van rheumatiek in haar ouden zetel weet zitten. Ze zegt eenvoudig: ‘Frans!’ en haar lippen sidderen, haar bol gezicht naar haar jongen opgeheven als om zijn blik op te drinken. Haar gerimpelde kaken hebben wel iets van een appel waar de winter over gegaan is. Frans wil aan zijn gevoeligheid niet toegeven, hij zal de warme vochtigheid in zijn ogen weerhouden. Zijn moeder, dat simpel, ongeletterd volksmens, dat van hem niets begrijpt, zij is hem toch het liefste, het enige zelfs wat hij buiten Mark bezit. Hij houdt haar soms voor een soort van heilige, - een heilige van den tweeden rang, want te benepen, te uitsluitend lijdzaam, zwijgend onder de dwingelandij van haar man, maar steeds schuchter stralend van zuivere, onbegrensde goedhartigheid. - Jongen, jongen, zegt zemaar. En daar komt vader Balders de trap afgelopen, schudt Frans een hand, pakt hem bij den schouder. ‘Wel, kerel!...’ En na een poos: ‘Waarom hebt ge niet getelegrafeerd?’ Frans valt het op, dat zijn vader wat ouder geworden is: de fletse wangen doen onaangenaam aan in dien kloek getekenden kop. Hij houdt veel van zijn vader, maar liefst op een afstand, hij heeft te veel voor zijn strengheid gebeefd. Het noenmaal wordt in de kelderkeuken opgediend; die ziet bovenaan op de straat uit en is de eigenlijke woonkamer; de achterkeuken blijft het gebied van de meid. Deze, een familiestuk, zit naar patriarchaal gebruik mee aan. En dan komt ook, van zijn kantoor in de Congolese Bank, de joviale Jozef, die zich op uitbundige wijze zo verheugd toont, zijn broer Frans terug te zien en hem met vragen overstelpt. Met hem kan er nog gepraat worden: hij is slechts vier jaar ouder dan Frans, leest nu en dan een boek, een roman van Zola bij voorbeeld, en kan ook wel eens een onverantwoord oordeel over buitenlandse politiek inbrengen. Frans herkent den eigen reuk van het huis, niet te bepalen, en al het van oudsher vertrouwde rondom zich: de potsierlijke bronzen pendule met jager en herderin, op den schoorsteen, tussen de twee bonte porseleinen vazen, het snijwerk van de Mechelse eiken kasten aan weerszijden... Alles getuigt van zulk een onvervalst burgerlijken wansmaak, dat hij er, vergoelijkend, karakter in ontdekt. Hij herinnert zich, hoe hij als kind voor zichzelf historietjes onder de tafel speelde als in een kluis, waar hij zich afgezonderd dacht, en zich schaamde, wanneer een van zijn broers hem daar betrapte. En die zware zetel waar zijn moeder in zit, met een bankje onder haar voeten...”
August Vermeylen (12 mei 1872 – 10 januari 1945) Twee pagina’s uit Vermeylens verzameld werk
Gogol, that mystical uneasy soul, Intuitively sensed their role.
My good friend Buggins got drunk: in his dream It seemed that, like a church spire Breaking through washbowls and chandeliers, Piercing and waking startled ceilings, Impaling each floor like, Receipts on a spike,
Higher and higher rose his nose.
“What could that mean?” he wondered next morning. “A warning,” I said, “of doomsday: it looks As if they were going to check your books.” On the 30th poor Buggins was haled off to jail.
Why, O Prime Mover of Noses, why Do our noses grow longer, our lives shorter, why during the night should these fleshly lumps, like vampires or suction pumps, Drain us dry?
They report that Eskimos, Kiss with their nose.
Among us this has not caught on.
Andrej Voznesensky (12 mei 1933 – 1 juni 2010) In 2008
„Hotel Seventeen. Und die Blümchentapete passt nicht. Ich bemerke, dass ich nicht mag, wie du sprichst. Eigentlich. Wie du das Satzende immer verschluckst. Du liegst mit offener Hose da. Atmest tief und ruhig, wie es nur jemand kann, an dem Dinge abprallen oder dem Dinge gar nicht erst passieren. Ich wende mich ab und dir den Rücken zu, zähle die Gegenstände auf dem Nachttisch. Eine kleine Schüssel, sechs aufgeweichte Cornflakes, die darin kleben. Ein Löffel. Fünf Postkarten mit fünf Briefmarken, unbeschrieben. "Fass mich an", sagst du. "Fass mich an. Hier", und zeigst dabei wohl irgendwohin, ich zähle nochmals die Dinge auf dem Tischchen, weil ich den Faden verloren habe. "Das ist doch...normal, weisst du." Ich nicke in mein Kissen, du siehst es nicht. Ich denke darüber nach, wo in dieser Stadt nun Osten ist und wo Westen, und daran, dass ich gerne hier leben möchte. Und dass ich alleine hierher wollte. Aber du bist plötzlich im Flugzeug neben mir gesessen. Und wolltest schmusen; ein junges Paar auf Reisen. Ich wollte dem hübschen Amerikaner links von mir beim Essen zusehen, seinen Händen, wie sie Gabel und Messer hielten. Ich wollte ihn so lange anschauen, bis er mich bemerkt. Du hast meine Schulter in Besitz genommen, mit offenem Mund darauf gedöst, danach war mein Pullover nass. Was träumen Menschen wie du? Menschen, die bestimmt nie einen Herzinfarkt bekommen und mindestens achtzig Jahre alt werden. Das hätte ich gerne gewusst, obwohl es mich nicht wirklich interessierte. "Fass mich an", hauchst du und fasst mich am Handgelenk. Ich rutsche weiter weg von dir, bin nun bei der Bettkante angelangt, mein Arm reicht aber immer noch bis an deine Haut.“
To all the spirits of Love that wander by Along his love-sown harvest-field of sleep My lady lies apparent; and the deep Calls to the deep; and no man sees but I. The bliss so long afar, at length so nigh, Rests there attained. Methinks proud Love must weep When Fate's control doth from his harvest reap The sacred hour for which the years did sigh. First touched, the hand now warm around my neck Taught memory long to mock desire: and lo! Across my breast the abandoned hair doth flow, Where one shorn tress long stirred the longing ache: And next the heart that trembled for its sake Lies the queen-heart in sovereign overthrow.
Vox Ecclesiae, Vox Christi
Not 'neath the altar only,—yet, in sooth, There more than elsewhere,—is the cry, “How long?” The right sown there hath still borne fruit in wrong— The wrong waxed fourfold. Thence, (in hate of truth) O'er weapons blessed for carnage, to fierce youth From evil age, the word hath hissed along:— “Ye are the Lord's: go forth, destroy, be strong: Christ's Church absolves ye from Christ's law of ruth.” Therefore the wine-cup at the altar is As Christ's own blood indeed, and as the blood Of Christ's elect, at divers seasons spilt On the altar-stone, that to man's church, for this, Shall prove a stone of stumbling,—whence it stood To be rent up ere the true Church be built.
Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882) Roman Widow door Dante Gabriel Rossetti, 1874
„Sie war eine jener Pessimistinnen, die grade deshalb die schönsten Gärten zustande bringen. Sie zeigen nämlich der verrotteten, dreckigen und kranken Gegenwart, wie sie aussehen könnte, wenn gärtnerische Vernunft regierte. Plato wollte Philosophen als Könige haben, meine Mutter Gärtner. Natürlich keine professionellen, die waren Teil des weltweiten Mörder und Vergifterkartells. Es gelangen ihr geniale Kombinationen von Farben und Pflanzen, ich beneidete sie um vieles und konkurrierte niemals – ich mit meinem »Handtuch«. Zu Lebzeiten meines Vaters durfte sie keinen Kitsch aufstellen und hielt sich mit Geschenken an mich schadlos, Steinamphoren und allerlei Terrakotta. Ein abstraktes eisernes Gebilde, das er als Kunstwerk ernster Art in Sichtweite des Hauses auf den Rasen betoniert hatte, bepflanzte sie mit Clematis der Sorte Montana Rubens, ein wunderbares und temperamentvolles Gewächs, unter dem man auch das Frankfurter Polizeipräsi dium schnell unsichtbar werden lassen könnte, wenn man nur wollte. In kurzer Zeit war aus dem Kunstwerk eine duftige, aber kompakte Wolke geworden, im April mit Hunderten von vierblättrigen rosa Blüten bedeckt, die sich in kleine gelbe Knöpfe und dann in sehr dekorative weiße Spiralnebelchen verwandelten. Wenn man etwas zu einem schönen Verschwinden bringen will, ist die Montana Rubens allererste Wahl. Mein Vater hängte trotzig eine verdrehte, bearbeitete und etwa mannshohe Wurzel so hoch an die Hauswand, wie es ging, und sagte, die sei schließlich Natur, irgendwie. Die Favoriten meiner Mutter wechselten. Sie ging mit Pflanzen um wie ein Intendant mit seinen Schauspielern. Wer in einer Spielzeit zu viele Hauptrollen hatte, mußte sich in der nächsten mit Nebenrollen begnügen. Und wie ein Intendant konnte sie sich manchmal nicht entscheiden, wen sie nun mehr liebte: die fulminant auftretenden Feuerwerkstypen, prachtvoll, aber schnell schlapp – zum Beispiel Schwertli lien –, oder die verläßlichen Darsteller, von sanfterer, aber haltbarer Schönheit wie manche Polyantharosen, die den ganzen Sommer unermüdlich Blüten nachschieben. Das ist ein verbreitetes gärtnerisches Dilemma. Ich habe eine Freundin, die sich in einer bestimmten Zeitspanne im Monat Mai weder von lukrativen Jobs noch von verheißungsvollen privaten Terminen aus dem Garten lokken läßt, weil sie darauf wartet, daß ihre chinesischen Päonien aufblühen, riesige, zarte Blütenschüsseln, die schon ein Windhauch oder ein kleiner Regenguß zur Strecke bringt. Ihre volle Schönheit haben sie nur für Stunden. Das ganze übrige Jahr machen sie sich mit furchtbar viel Grünzeug wichtig, nehmen eine Menge Platz weg und leben von der Erinnerung. Meine Freundin pflegt einen Regenschirm über sie zu halten, wenn es nötig ist.“
Zo ontwikkelt in 'tgemoed des dichters, wat er diep Verholen, onbewust van zijn ontvlamming, sliep; Zy doet de volle borst tm 't glorierijk ontwaken, Daar ze als een Etna kookt, een lavagloedstroom braken Van poëzy, die de aard (een zondvloed) overstroomt ! De roem is 't eelst kleinood, waar elk zich ziek van droomt, En onvermoeid om draaft en eindloos woelt en wemelt; Maar 't is de bronwel , die aan 't uitgedroogd verhemelt Ontsnapt, dat reikhalst naar den laafnisvollen dronk; Een star is 't. die verschoot, als ze overheerlijk blonk. Ik moet beroemd zijn!" - waarom niet ? – “ 'k bezit talenten !" Althands om knollen voor citroenen uit te venten, »Een ieder koopt mijn waar en 'k ben by elk bekend." Dat pleit voor 't onverstand van wie die koopt en vent ! – - Zoo schijnen veel met haar of zy met veel te spelen: En hoed de Hemel elk in tolk een vloek te deelen, Die meest (rampzalig!) op 't Poëtenvolkjen drukt, En vaak 't verbijsterd brein zijn denkenskracht ontrukt; Die eigen prulwerk, waar de autheur voor diende te ijzen, Schoon duizendwerf gelaakt, hem eindloos dwingt te prijzen, En de altoos veile stem eens Letteroefenaars Of Gids te huren die 't gebrekkig kreupelvaars Door valsche orakeltaal van windrige Sofisten De onsterflijkheid (die ze aan klienten slechts verkwisten!) Verzeekren : — dichter, ras den hemel ingerukt ! Met lijf en ziel ! — maar ach ! door d'overlast gedrukt Van bondels verzen, moet ge op de aarde kruipen blijven, Om eindlijk op den stroom der Lethe weg te drijven ! ‘t Belachlijk kind des roems kwam in zijn roemzucht om: Wie versjes rijmel, wees (hy kleer u !) niet zo dom.
Willem A. Hecker (12 mei 1817 – 15 januari 1909) Postuum portret in de senaatskamer van de Universiteit van Groningen
als de dagen korter lijken houd dan in je achterhoofd dat de afwezigheid van licht niet de gids is van je tijd
in de avond heb je evenveel adem als toen – wat je gisteren nog middag hebt genoemd
Kind
Hoe lang ben je verliefd? Hoe lang ben je boos? In hoeveel staten tegelijk kun je zijn? En hoe lang duurt de dood? Hoeveel kun je van iemand houden? Hoe lang heb je geluk? Kun je iemands hart doen smelten? En kan het dan nog stuk? Hoeveel liefde kun je iemand geven? En raakt het ook eens op? En kan het ook gebeuren dat gevoelens zijn verstopt?
Tags:Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Eva Demski, Willem A. Hecker, Jesse Laport
Cecilia Quílez, Ida Gerhardt, J. H. Leopold, Sandra Hoffmann, Dolce far niente
Dolce far niente
The hallucinations of poets (dandelion) door Hernan Bas, 2010
PLASMASCHERM EN VIER GEDICHTEN
Iemand kwam het witte geheugen binnen in de roerloosheid van het hart. Onder de mist zie ik een licht en de zachtheid van de dwaling doet me de ogen sluiten Antonio Gamoneda
Vier gaten van oneindige schittering houden ons vanuit het halfduister in het oog. De andere storingen zijn te wijten aan een plaag van verveelde zeekreeften die op virtuele hallucinaties van frontale beelden kauwen.
Een ontwrichte liefde heeft geen plaats en geen nooduitgangen. Tijdens de lange trajecten drinken de lichamen niet horizontaal. De goede nachten ontsnappen niet met een automatische kleurenbediening.
Ik verdwijn in de versgravures ontdaan van witte oden en keer opgesmukt terug van een verwerpelijke wijsheid die mijn aandrang om je te blijven nodig hebben in tweeën hakt. Later denk ik, zoals altijd, dat alweer de poëzie ons heeft gered.
Vertaald door Fa Claes
Cecilia Quílez (Algeciras, 1965) Algeciras, Plaza Alta met de kerk van Onze Lieve Vrouwe van La Palma
Biografisch I De taal slaapt in een syllabe en zoekt moedergrond om te aarden.
Vijf jaren is oud genoeg. Toen mijn vader, die ik het vroeg,
mij zeide: 'dat is een grondel', - en ik zág hem, zwart in de sloot
legde hij het woord in mij te vondeling, open en bloot.
Waarvoor ik moest zorgen, met mijn leven moest borgen:
tot aan mijn dood.
Kinderherinnering
Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad, ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden. Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had; een veulentje stond bij de grote blonde paarden.
Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok. Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide. Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok. Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.
Verwachting
Weet gij het ook de ganse nacht? De vogels komen. Aan een geuren - van wind, van water?- valt te speuren hoe 't lage land een komst verwacht.
Morgen het teken aan de lucht - een frons, een lijn, een krimpend wolken- en dan, bui van geluid, een vlucht die dalen gaat: de vogelvolken.
En wéér staan in verwondering wij tussen dit gevleugeld sneeuwen; morgen- dan zijn wij, lieveling, het eerste paar van duizend eeuwen.
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997) Cover voorleesboek
Ik scheidde; onverstand was allerwegen, van al mijn parels werd niet één geregen. De dwazen! honderd dingen, nooit beseft en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen.
In deze tuin zijn saamgelegd
In deze tuin zijn saamgelegd geelbruine en witte en zwarte stenen, gevoegd, gezocht, dat elk wat zegt met een allengs opkomend menen,
bedoeld door een die niet meer is de velerlei gevormde vlakken, en met in de vakken voorzichtige betekenis,
gebleekten in het aangezicht der zon, gewassen door de regen, rillende open plekken tegen het plat invallend hemellicht,
en stil en toeziend aan de kant de ceders en de blauwe den, wistaria’s, de zachte plant van irisbloemen, die ik ken.
O lief en teder onvermogen tegen het gruwzaam element, dat wankels nog iets blijven moge, en strijd met het geweten end.
Zingende lucht
ZINGENDE lucht zingende wind - en binnen in, binnen de struiken ligt uitgegoten een donkere vijver en luistert en hoort, hoort stil verloren en denkt en peinst... Want van lente, van lente, Het zingt al van lente en zonneschijn.
„Schweigen ist anders als still sein. Nirgends, auch nicht, wenn du tief in die Taschen greifst, um die Münze zu finden, die du zwischen den Fingern bewegst, oder ein Stück Papier mit den Notizen vom Einkauf, findet sich darin wirklich Halt. Du hörst von irgendwoher oder aus dir heraus die dunklen Geräusche der Stummheit, die sich gegen dich wenden, du hörst sie als Grollen, als Grummeln, als fortwährendes Gemurre, Gemurmel irgendwo weit entfernt und zugleich nah. Als suchten sich all die ungesprochenen Wörter Wege aus dem stummen Körper heraus und hinein in den Raum, hin zu dir. Sie bringen dich um die Ruhe und sie bringen dich um den Schlaf. Das Schweigen, wenn jemand nahe bei dir lebt und so schweigt, so unerbittlich jedes Wort auffrisst, dass nichts übrig bleibt für dich und für keinen. Das Schweigen am Tisch, wenn die Gabeln und Messer auf Tellern klappern, wenn jemand, nur einer, sagt, kann ich bitte das Salz haben, und jemand reicht es. Und über allem das Schweigen, das dir vorkommt, als verschlinge es dich und all deine guten Sommer und die wenigen guten Winter. So als käme die Fröhlichkeit nie mehr zurück. Und du hörst das Geräusch von Strumpfhosenbeinen unter dem Tisch und wie der Hund am Stuhlbein vorbeistreicht, ein Räuspern und das laute Schlucken beim Wassertrinken, wenn der Halsmuskel spannt. Wenn die Geräusche aus den Körpern sich im Zimmer so ausgebreitet haben, dass da nur noch Dichte ist, Verdichtung nach außen. Dieses Schweigen, das schließlich in jeder Ritze eines Hauses sitzt, das abstrahlt, ausstrahlt, das ein Haus zur Festung macht, kennt nur die Endgültigkeit als Erlösung. Du kannst bleiben und sterben oder gehen. In der Stille aber wäre auch nur ein Traktor, draußen auf der Straße, ein schönes Geräusch, wäre das eine Verheißung, jemand mäht die Wiese zum ersten Mal in diesem Jahr, es ist noch hell. Die Welt wäre wieder da. Helligkeit und Sprache.
Am 10. November 1997 stirbt meine Großmutter Paula im Alter von 82 Jahren. Sie hat nicht über sich gesprochen, bis zum Schluss nicht. Sie hat ihr ganzes Leben, alle ihre Geheimnisse, aber auch alle ihre Nöte mit ins Grab genommen. Wenn ich morgens durch den Park laufe, den See umrunde und höre, wie die Schwäne und Enten schnattern, wenn ich den Mandarinenten zusehe, die wie bunte Punkte zwischen den anderen Enten leuchten, denke ich häufig an meine Großmutter, die seit achtzehn Jahren tot ist, und ich denke an meine Eltern. Ich würde ihnen gerne den Park zeigen, die Hunde, die mir regelmäßig auf meiner Laufstrecke begegnen, die schönen Stellen an den Nebenkanälen des Eisbachs, deren Oberfläche ab und zu eine Weide streift. Die Männer, die vor ihrer Personaltrainerin auf der Erde liegen und anstrengende gymnastische Übungen machen oder gegen kleine Boxsäcke schlagen, die in den Bäumen hängen, wieder und wieder und wieder, damit sie stark werden, für was auch immer.“
Sandra Hoffmann (Laupheim, 11 mei 1967) Cover, met op de achtergrond een bundel oude foto’s
Onafhankelijk van geboortedata
De Spaanse dichteres Cecilia Quílez Lucas werd geboren in Algeciras in 1965. Quílez publiceerde tot dusver vier dichtbundels: La posada del dragón (Ed. Huerga & Fierro), Un mal ácido (Ed. Torremozas), El cuarto día ( Calambur) en Visteme de largo (Calambur). Ook heeft zij meegewerkt aan radioprogramma's en heeft talloze tentoonstellingen van schilderkunst en beeldhouwkunst gecoördineerd en geleid. Ze heeft meegewerkt aan verschillende tijdschriften en was betrokken bij een groot aantal poëziehappenings.
De jongen van Cosmopolitan
Het is omdat je beeld, die rustende billen en ellebogen, de zomer berispt en daar, tussen je benen de schuldige zich opricht. Het is omdat de tarwe zich verspreidt over het denkbeeldige bed en de korrels hun goddelijke aanleg vergeten in de puberale omhulling. Met rood geverfd haar hou je onder de regendruppels dienstvaardig je ogen voor het objectief. En ik verlang niet dat jij meijuni van dit blad dat me aan de dagen herinnert, laat voorbijgaan. Je hand, zie je wel, leidt de voyeur af en dat is omdat in werkelijkheid een slip vaag zichtbaar is, doorschijnend nochtans voor deze wellust.
De offergave
De beweging van het doodshoofd is voltooid. De spleet van de oogleden spreekt nodeloos. Op elke plaats op aarde huilt een meute en weerstaan moeders die op de grafstenen afwachten.
Op iedere plaats is verleden en trilt de beslissende zonsondergang. Hier brandt de eerste kreet in een roestige woordenkom.
Wij vereren de kwantumsymbolen op het altaar van de obsessies. We vernielende heiligdommen en bevrijden de beesten. We werden gerechtelijk vervolgd aan de onduidelijke muur van de tijd.
Nu draag je mijn hoofd op het dienblad, voldoe aan mijn laatste wens: Het zwaard de zee in. De zee in.
Paul van Ostaijen, J.C. Bloem, Herman Leenders, Didi de Paris, Dolce far niente
Dolce far niente
Sailing Boats, Dieppe Harbor door John Henry Twachtman, 1883 - 1885
Facture Baroqueaant
Soms - wanneer de boten van hun zinnen sloegen aan de immer deinende rotswand van een reuk die openstaat op wonderlike dieren en planten die koortsdoorschoten
tussen de blauwheid van de zee en de blauwheid van de lucht
slechts zijn een vergelijken - soms slaat het verlangen der mensen zo hoog uit dat zij takelen de nederige boot en ter zee gaan in de zeilen speelt de wind een waan
een oude waan die over de kim gekelderd lag tot de wind de huizen stuk woei en uit de scherven walmt de wijn van deze waan van deze oude waan Geen kent het S.O.S.-gesein geenzijds der zinnekim en dat aan de boôm van onze ziel er sprieten steken die alleen het trillen vatten van gene zijde Soms dringt de drang de droom tot een gestalte en wordt het lichaam droom
Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928) De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, de geboortestad van Paul van Ostaijen
Ieder scheiden is van 't laatste scheiden voorbode, ieder bed van 't laatste bed. Alle sterfelijke wegen leiden naar het eind waarvan geen liefde redt.
In het stedelijk duister van de straten nemen we afscheid - en het drukt als lood, kijken om en wuiven, reeds verlaten, slaan de hoek om, en het is de dood.
Liefde
Kon ik één gaaf der jeugd terugverkrijgen, Ik vroeg de makkelijke ontroerbaarheid Van 't hart, dat nog niet heeft geleerd te zwijgen, Maar vrijelijk bij den breuk der droomen schreit.
Nu ben ook ik gewend, mij te gewennen; Ik trek mij allengs in mijzelf terug. En ach, zelfs die mij beter moesten kennen, Ik schijn hun wellicht liefdeloos en stug.
Toch ben ik vol verholen teederheden, Gekneusde liefde, die geen uitweg vond, Oneindig medelijden met wie leden, Bewogenheid, die 't zware leven schond.
Alleen wanneer ik neder ben gezeten In avondeenzaamheid en lampgesuis, En al wat mij benauwde heb vergeten, Begint er in mijn hart een zacht geruisch.
Dan wellen in mij nooit-verwonnen drangen, Dan gaat een stroom van liefde van mij uit, Die alle menschen in zich houdt omvangen, Nu zij zich eindlijk niet meer voelt gestuit.
Dan heb ik 't hart weer van mijn jeugd gevonden, En ben ik warm van innerlijke gloed. Al wat de wereld in zich houdt gebonden Dat voer ik de beminden tegemoet.
Dan schijnt het mij, bij 't zien van zóóveel derven, Van zóóveel vleugels tot geen vlucht ontvouwd, Dat ik alleen maar door voor hen te sterven Hun toonen kan, hoeveel ik van hen houd.
Een oogwenk - de bekoring is gebroken, Ik meng het mijne weer met hun bestaan. Ik heb hun van mijn liefde niet gesproken, En dit moet alles langs hen henengaan.
Enkele strofen
II In den trein. De tijd vergaat met droomen. Op de ruitjes wiegelt avondrood. Als ik bij U ben gekomen, Ben ik weer wat nader bij mijn dood.
Maar daar zal ik neder zijn gezeten In verzadigdheid en lampenschijn. Alles zal ik zijn vergeten Dan dit eenige: bij U te zijn.
Deze liefde kent geen gaan en keeren, Kent geen afstand en gewiekten tijd; De ééne drang van haar begeeren Is haar hongeren naar eeuwigheid.
O ik kan mijn hart niet doen gelooven - Hart, dat zich gewende aan elk gemis - Dat één oogenblik kan dooven Waar een leven niet te lang voor is.
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966) J.C. Bloem door Titus Leeser, beeld bij de kerk en de begraafplaats van Paasloo
“Hij kon er mee door. Blake wiste zich het zweet van het voorhoofd. Het begon er op te lijken dat het inmiddels dan toch zomer geworden was. In welk seizoen was hij vertrokken? In welk seizoen zal hij aankomen? Was zijn kleding niet te fleurig voor de tijd van het jaar? Het weder was wisselvallig. De kleding moet synchroon met de seizoenen zijn. Hoe laat is het? Komt het nog wel ooit goed? Hij vond het park het mooist wanneer het er verlaten bij lag. Op zondag is het hier een drukte van jewelste. Dus klopte er iets niet met de tijd. Of misschien waren er die ochtend ruimtewezens geland en hadden zij in een vlaag van wereldverbeteringswaanzin alle mensen hun auto's gesaboteerd. Blake fronste de wenkbrauwen toen hij even op een rijtje stelde hoeveel machines een mens nodig heeft voor zijn verzorging. "De machines onze geisha's! 's Avonds in de huiskamer vertelt een machine ons (voor het slapengaan) verhaaltjes met beeldjes, klank en kleur. De mens wordt de slaaf (het huisdier) van de machine-god. En toch: zonder de techniek is er geen verdere evolutie denkbaar. De mens is de enige diersoort die kan nadenken over de eigen evolutie, en die zelfs kan bepalen hoe het verder moet. Evolutie? Neen, we gaan weer in omgekeerde richting! Een mens en een god, daaruit komt een halfgod tevoorschijn. Na een tijdje zullen de mensen verdwijnen (weer stom worden: teevee-ogen, walkman-oren, de huizen storten in en de mens verliest zijn vuur.). In de plaats daarvan zal de wereld weer bevolkt zijn door een handvol halfgoden. Die zullen uiteindelijk allemaal in ware James Bond stijl hun supersonische straalmotorgordel omsjorren en dan tenslotte en masse - Tsjonge, tsjonge, tsjonge! Wat een scene! - ten hemel opstijgen. Nadat zij de hemelingen, de goden vervoegd hebben, zullen zij hier op aarde chaos achterlaten. De evolutie is haar tijd ver vooruit!" Alhoewel hij dacht dat het nog maar middag was, was het ondertussen reeds herfst. De nerven van de boomstammen. Het bladerentapijt. Wolkenhemel. Een hertje vlucht weg. Zijn naam is hem op het lijf geschreven. Heel lang geleden, toen hij nog klein was, dronk hij eens een fles bleekwater leeg, en nog niet zo lang geleden hebben ze zijn maag moeten leegpompen. Hij neemt vaak Rennies. Maar toch voorzichtig. De eeuwige jeugd bereikt men immers door een juist en efficiënt toepassen van de juiste combinatie van multi-vitaminepreparaten, beauty farms, fitnessprogramma's en plastische chirurgie. Haarverf, hairwaving, anti-rimpelcrème, celterapie. Retine-A. Met getrokken degen de tijd tegemoet.”
Willem Wilmink, Jorie Graham, Pieter Boskma, Charles Simic, Dolce far niente
Dolce far niente
Slapende man met boek door Yehuda Pen
Een probleem
Vandaag vroeg mijn zoontje met angstige stem : 'Als iemand dood gaat wat gebeurt er dan met hem ?' Nu ken ik wel iemand die daarover zegt : 'Wie dood is komt in de hemel terecht dus boven de wolken, dus altijd mooi weer met een bal in het gras en ijsjes, meneer.' Maar weer iemand anders vertelde zo waar 'Als je dood bent, dan komt er een tovenaar. Dan tovert hij aan je en word je een dier een mus of een tijger, een leeuw of een mier. Zelf mag je kiezen welk dier je wilt zijn, een mug of een olifant of een konijn.' Maar op een morgen ben ik gegaan naar een man die heel oud was, dus gauw dood zou gaan 'Of ik een dier wordt,' zei deze man 'Of ik in de hemel kom, ik weet er niets van, maar als ik dood ben is 't eerste wat ik doe honderd jaar slapen. Want ik ben moe…'
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003) De Grote Kerk in Enschede, de geboorteplaats van Willem Wilmink
Dying only mother’s hands continue undying, blading into air, impersonal, forced, curving it down — drought incessant rain revolution and the organs shutting down but not these extremities, here since I first opened my first eyes first day and there they were, delicate, pointing, will not back off, cannot be remembered. Mother, dying — mother not wanting to die — mother scared awakening each night thinking she’s dead — crying out — mother not remembering who I am as I run in — who am I — mother we must take away the phone because who will you call next — now saying I dreamt I have to get this dress on, if I get this dress on I will not die — mother who cannot get the dress on because of broken hip and broken arm and tubes and coils and pan and everywhere pain, wandering delirium, in the fetid shadow- world — geotrauma — trans- natural — what is this message you have been scribbling all your life to me, what is this you drag again today into non-being. Draw it. The me who is not here. Who is the ghost in this room. What am I that is now drawn. Where are we heading. Into what do you throw me with your quick eye — up onto me then down onto the blank of the page. You rip the face off. I see my elbow there where now you bend it with the pen, you fill it in, you slough it off me onto more just-now making of more future. You look back up, you take my strangeness from me, you machine me, you hatch me in. To make what, mother, here in this eternity this second this million years where I watch as each thing is seen and cancelled-out and re- produced — multiplying aspects of light in the morning air — the fingers dipping frantic into the bag of pens, pencils, then here they are — the images — and the hands move — they are making a line now, it is our world, it horizons, we ghost, we sleepwalk, everything around us is leveled, canceled, we background, we are barely remains, we remain, but for what, the fingers are deepening curling, bringing it round, the mind does not — I don’t think — know this but the fingers, oh, for all my life scribbling open the unseen, done with mere things, not interested in appraisal, just seizure — what is meant by seizure — all energy, business- serious, about direction, tracing things that dissolve from thingness into in-betweens — here firm lines, here powdery lift off — hunger, fear — the study begins — all is not lost — the thought a few seconds wide — the perusal having gone from here to here, aggregates, thicket, this spot could be where we came in, or where we are saved, could be a mistake, looks across room through me, me not here then, me trying to rise in the beam, nothing I do will make it happen, rock-face, work that excludes everything that is not itself, all urge in the process of becoming all effect, how can I touch that hand like snow moving, when is it time again as here there is no time, or time has been loaded but not cocked, so is held in reserve, all wound up, I was also made but not like this, I look for reluctance, expectation, but those are not the temperatures — if only I could be in the scene — my time is not passing — whose is the time that is passing — the hands rushing across the paper, cloudy with a sun outside also rushing scribbling — wisdom turning itself away from wisdom to be — what — a thing that would gold-up but cannot, a patch of blue outside suddenly like the cessation of language when lips cease to move — sun — self- pronouncing — I want this to not be my writing of it, want my hands not to be here also, mingling with hers who will not take my hand ever into hers, no matter how late we are, no matter that we have to run so fast through all these people and I need the hand, somewhere a radiant clearing, are we heading for it, head down towards the wide page, hand full of high feeling, cannot tell if it takes or gives, cannot tell what it is that is generating the line, it comes from the long fingers but is not them, all is being spent, the feeling that all — all that we need or have — would be spent for this next thing this capture, actually loud though all you can hear is the small scratching, and I feel dusk approaching though it is still early afternoon, just slipping, no one here to see this but me, told loud in silence by arcs, contours, swell of wind, billowing, fluent — ink chalk charcoal — sweeps, spirals, the river that goes nowhere, that has survived the astonishments and will never venture close to that heat again, is cool here, looking up at what, looking back down, how is it possible the world still exists, as it begins to take form there, in the not being, there is once then there is the big vocabulary, loosed, like a jay’s song thrown down when the bird goes away, cold mornings, hauling dawn away with it, leaving grackle and crow in sun — they have known what to find in the unmade undrawn unseen unmarked and dragged it into here — that it be visible.
Liefje als het later aan het zwarte water onder lichtgeklater nog als nu als nu kon zijn
Heel ons leven staat er en alles alles gaat er in een stille schater door ons terug in zijn voorbij
Liefje als het later zoals nu als nu kon zijn: goud over berg en water en dat oude goud zijn wij.
(donker lied)
Maar als het als het later aan het lange zwarte water onder duisternisgeklater een alleen alleenzijn is En jouw leven staat er als een schaduw naast en begint opnieuw te praten als van onder aarde
Dan zal ook ik ontwaken in de opgegraven stem waarmee ik over water naar je kom toegerend
Klamme lente
Een boeket violen staat te zwiepen op de radio. Ergens in een studio zweet de dirigent zich dood.
Het is inderdaad een warme dag. Anderhalf miljoen mussen vielen van de daken - toch glimlachen wij welterusten.
Slaap je al? Ik ook niet, nee. Het is te warm, te warm... Mijn God wat ben je klam... Hoe laat? Een uur of twee.
Ook de kikkers raken al vermoeid na drie keer kwaken. Hoog in de concertzaal puffen vaag de sterren
en beginnen zoek te raken. Het waterig applaus wordt afgebroken door het nieuws. Negen Mei en dertig graden,
voorbij flitst het bestaan. Bekkenslag. Een buiging. En dan het zachte kraken van de bevroren nacht.
They're waiting to be murdered, Or evicted. Soon They expect to have nothing to eat. In the meantime, they sit.
A violent pain is coming, they think. It will start in the heart And climb into the mouth. They'll be carried off in stretchers, howling.
Tonight they watch the window Without exchanging a word. It has rained, and now it looks Like it's going to snow a little.
I see him get up to lower the shades. If their window stays dark, I know his hand has reached hers Just as she was about to turn on the lights.
So Early in the Morning
It pains me to see an old woman fret over A few small coins outside a grocery store - How swiftly I forget her as my own grief Finds me again - a friend at death's door And the memory of the night we spent together.
I had so much love in my heart afterward, I could have run into the street naked Confident anyone I met would understand My madness and my need to tell them About life being both cruel and beautiful,
But I did not - despite the overwhelming evidence: A crow bent over a dead squirrel in the road, The lilac bushes flowering in some yard, And the sight of a dog free from his chain Searching through a neighbor's trash can.
Robert W. Service, Roddy Doyle, Thomas Pynchon, Pat Barker, Gary Snyder, Rocko Schamoni, Gerrit Kamphuis
Dolce far niente
Old man door Mark Liptrott, z. j.
My Rocking-Chair
When I am old and worse for wear I want to buy a rocking-chair, And set it on a porch where shine The stars of morning-glory vine; With just beyond, a gleam of grass, A shady street where people pass; And some who come with time to spare, To yarn beside my rocking-chair.
Then I will light my corn-cob pipe And dose and dream and rarely gripe. My morning paper on my knee I won't allow to worry me. For if I know the latest news Is bad,--to read it I'll refuse, Since I have always tried to see The side of life that clicks with glee.
And looking back with days nigh done, I feel I've had a heap of fun. Of course I guess that more or less It's you yourself make happiness And if your needs are small and few, Like me you may be happy too: And end up with a hope, a prayer, A chuckle in a rocking-chair.
Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958) St. John's Minster in Preston, Lancashire, de geboorteplaats van Robert W. Service
“–It’s shockin’, said Jimmy Sr again,—so it is. Wha’ do you think o’ this? He was talking to Veronica. –I don’t know, said Veronica. –Is tha’ the best yeh can do, Veronica? –Well, what do YOU think? Jimmy Sr creased his face and held it that way for a second. –I don’t know, he said.—I should give ou’, I suppose. An’ throw a wobbler or somethin’. But—what’s the point? Veronica nodded. She looked very tired now. Jimmy Sr continued. –If she was— He turned to Sharon. –You should’ve come to us earlier—before, yeh know—an’ said you were goin’ to get pregnant. The three of them tried to laugh. –Then we could’ve done somethin’ abou’ it.—My God, though. No one said anything. Then Jimmy Sr spoke to Sharon again. –You’re absolutely sure now? Positive? –Yeah, I am. I done— –Did, said Veronica. –I did the test. –The test? said Jimmy Sr.—Oh.—Did yeh go in by yourself? –Yeah, said Sharon. –Did yeh? Fair play to yeh, said Jimmy Sr.—I’d never’ve thought o’ tha’. Sharon and Veronica looked at each other, and grinned quickly. Jimmy Sr got down to business. –Who was it? –Wha’?—Oh. I don’t know. –Ah now, Jaysis—! –No, I do know. –Well, then? –I’m not tellin’. Jimmy Sr could feel himself getting a bit angry now. That was better."
“Beatrice brought beer. There was a piercing yelp from one of the back tables, she flinched, beer slopped over the edge of the glass. "God," she said, "it's Ploy again." Ploy was now an engine-man on the mine sweeper Impulsive and a scandal the length of East Main. He stood five feet nothing in sea boots and was always picking fights with the biggest people on the ship, knowing they would never take him seriously. Ten months ago (just before he'd transferred off the Scaffold) the Navy had decided to remove all of Ploy's teeth. Incensed, Ploy managed to punch his way through a chief corpsman and two dental officers before it was decided he was in earnest about keeping his teeth. "But think," the officers shouted, trying not to laugh, fending off his tiny fists: "root canal work, gum abscesses...." "No," screamed Ploy. They finally had to hit him in the bicep with a Pentothal injection. On waking up, Ploy saw apocalypse, screamed lengthy obscenities. For two months he roamed ghastly around the Scaffold, leaping without warning to swing from the overhead like an orangutan, trying to kick officers in the teeth. He would stand on the fantail and harangue whoever would listen, flannelmouthed through aching gums. When his mouth had healed he was presented with a gleaming, regulation set of upper and lower plates. "Oh God," he bawled, and tried to jump over the side. But was restrained by a gargantuan Negro named Dahoud. "Hey there, little fellow," said Dahoud, picking Ploy up by the head and scrutinizing this convulsion of dungarees and despair whose feet thrashed a yard above the deck. "What do you want to go and do that for?" "Man, I want to die, is all," cried Ploy. "Don't you know," said Dahoud, "that life is the most precious possession you have?" "Ho, ho," said Ploy through his tears. "Why?" "Because," said Dahoud, "without it, you'd be dead." "Oh," said Ploy. He thought about this for a week. He calmed down, started to go on liberty again. His transfer to the Impulsive became reality. Soon, after Lights Out, the other snipes began to hear strange grating sounds from the direction of Ploy's rack. This went on for a couple-three weeks until one morning around two somebody turned on the lights in the compartment and there was Ploy, sitting crosslegged on his rack, sharpening his teeth with a small bastard file. Next payday night, Ploy sat at a table in the Sailor's Grave with a bunch of other snipes, quieter than usual. Around eleven, Beatrice swayed by, carrying a tray full of beers. Gleeful, Ploy stuck his head out, opened his jaws wide, and sank his newly filed dentures into the barmaid's right buttock. Beatrice screamed, glasses flew parabolic and glittering, spraying the Sailor's Grave with watery beer. It became Ploy's favorite amusement.”
“Closing the front door quietly behind her, Elinor took a moment to absorb the silence. Facing her, directly opposite the front door, where nobody could possibly miss it, was a portrait of her brother, Toby, in uniform. It had been painted, from photographs, several years after his death and was frankly not very good. Everybody else seemed to like it, or at least tolerate it, but Elinor thought it was a complete travesty. Item: one standard-issue gallant young officer, Grim Reaper for the use of. There was nothing of Toby there at all. Nigel Featherstone was the artist: and he was very well regarded; you saw his portraits of judges, masters of colleges, politicians and generals everywhere, but she'd never liked his work. Her own portrait of Toby was stronger - not good, she didn't claim that - but certainly better than this. She resented not having been asked to paint this family portrait: his own sister, after all. And every visit to her sister's house began with her standing in front of it. When he was alive, Toby's presence had been the only thing that made weekends with the rest of her family bearable. Now, this portrait - that blank, lifeless face - was a reminder that she was going to have to face them alone. She caught the creak of a leather armchair from the open door on her left. Oh, well, better get it over with. She went into the room and found Tim, her brother-in-law, sitting by the open window. As soon as he saw her he stood up and let his newspaper slide, sighing, to the floor. `Elinor.' He pecked her proffered cheek. 'Too early for a whisky?' Evidently it wasn't: there was a half-empty glass by his side. She opened her mouth to refuse but he'd already started to pour. 'How was the train?' `Crowded. Late.' 'Aren't they all?' When she'd first met Tim he might've been a neutered tomcat for all the interest he aroused in her. She'd thought him a nonentity, perhaps influenced in that - as in so much else - by Toby, who hadn't liked Tim, or perhaps hadn't found much in him to either like or dislike. And yet Tim had gone on to be a successful man; powerful, even. Something in Whitehall, in the War Office. Which was strange, because he'd never actually seen active service.”
Los Angeles basin and hill slopes Checkered with streetways. Floral loops Of the freeway express and exchange.
Dragons of light in the dark sweep going both ways in the night city belly. The passage of light end to end and rebound, —ride drivers all heading somewhere— etch in their traces to night's eye-mind
calligraphy of cars.
Vole paths. Mouse trails worn in On meadow grass; Winding pocket-gopher tunnels, Marmot lookout rocks. Houses with green watered gardens Slip under the ghost of the dry chaparral,
Ghost shrine to the L. A. River The jinja that never was there is there. Where the river debouches the place of the moment of trembling and gathering and giving so that lizards clap hands there —just lizards come pray, saying "please give us health and long life."
A hawk, a mouse.
Slash of calligraphy of freeways of cars.
Into the pools of the channelized river the Goddess in tall rain dress tosses a handful of meal.
Gold bellies roil mouth-bubbles, frenzy of feeding, the common ones, the bright-colored rare ones show up, they tangle and tumble, godlings ride by in Rolls Royce wide-eyed in brokers' halls lifted in hotels being presented to, platters of tidbit and wine, snatch of fame,
churn and roil,
meal gone the water subsides.
A mouse, a hawk.
The calligraphy of lights on the night freeways of Los Angeles
will long be remembered.
Owl calls; late-rising moon.
Changing Diapers
How intelligent he looks! on his back both feet caught in my one hand his glance set sideways, on a giant poster of Geronimo with a Sharp's repeating rifle by his knee.
I open, wipe, he doesn't even notice nor do I. Baby legs and knees toes like little peas little wrinkles, good-to-eat, eyes bright, shiny ears chest swelling drawing air,
No trouble, friend, you and me and Geronimo are men.
Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)
De Duitse schrijver, entertainer, muzikant, acteur en clubeigenaar Rocko Schamoni(pseudoniem van Tobias Albrecht) werd geboren op 8 mei 1966 in Lütjenburg. Zie ook alle tags voor Rocko Schamoniop dit blog.
Uit: Fünf Löcher Im Himmel
„Ab und zu blieb er stehen, um die Hand am Koffergriff zu wechseln. Er bog in eine Seitengasse ein, lief sie hinunter, beobachtete schweigend die Häuser und Wohnungen, an denen er vorbeikam, die Kneipen und Läden und die überall geparkten Autos. Sein Gesichtsausdruck blieb regungslos. Straße für Straße lief er hinunter und Viertel für Viertel, manchmal setzte er sich für einen Moment auf eine Bank oder eine Mauer, rauchte eine Zigarette und starrte dabei in das Nichts zwischen den Sternen. Schließlich, nach Stunden, erreichte er den Stadtrand. Die Häuser wurden flacher, es gab kaum noch Geschäfte und Kneipen, nur noch endlose Wohnsiedlungen, von kleinen Straßen und Wegen durchzogen, ab und zu einen Zeitungskiosk, die Außenhaut eines gigantischen Organismus. Paul kam zu einer Schrebergartensiedlung. Die Nacht war halb vorüber, und es hatte zu nieseln begonnen, langsam zog die feuchte Kälte in seine Kleidung. Er fand eine Hütte, die verlassen aussah, die Parzelle war verwildert, die Gartenpforte hing schief in den Angeln. Vorsichtig betrat er das Grundstück, das von einer hohen Buchsbaumhecke umgeben war, und arbeitete sich zur Eingangstür der Hütte vor. Sie war verschlossen. Paul lehnte sich langsam, aber mit dem ganzen Gewicht seines Körpers dagegen und hielt den Griff gedrückt, irgendwann hörte er ein knackendes Geräusch, das morsche Holz des Türrahmens gab nach, und Paul trat ein. Er leuchtete mit dem Feuerzeug in den Raum. Vor ihm lag ein ziemlich verwahrlostes, kleines, aber komplett eingerichtetes Zimmer. Er schloss die Tür hinter sich und zündete die Kerze an, die auf einem Campingtisch in der Mitte des Raumes stand. Er setzte sich auf das Sofa dahinter und atmete tief durch. Eine Weile beobachtete er den Dunst, den seine Atemluft in der Kälte bildete, dann schlief er ein, und sein Kopf sank auf die Brust. Ein Knurren weckte Paul. Er schlug die Augen auf. Ein paar Sonnenstrahlen schienen ihm durch das verstaubte Wohnzimmerfenster ins Gesicht. Es knurrte wieder, hell und unangenehm rasselnd. Langsam griff Paul nach dem Messer in seiner Manteltasche, er öffnete die Klinge mit dem Daumen und zog es vorsichtig heraus. Dann beugte er sich vor, um den Raum überblicken zu können. In der Ecke neben dem Kühlschrank hockte ein Tier, er konnte es im Schatten kaum erkennen, vielleicht ein Marder. Langsam erhob sich Paul und griff dabei mit der anderen Hand nach einem schweren gläsernen Aschenbecher vor ihm auf dem Tisch. Der Marder knurrte, bewegte seinen Kopf drohend vor und zurück. Je näher Paul kam, desto nervöser wurde das Tier, langsam hob er die Hand mit dem Aschenbecher, doch plötzlich brach der Marder fauchend aus der Ecke hervor, sprang blitzschnell an ihm hinauf, biss wütend in den Mantel und stürzte quiekend durch den Raum und unter das Sofa. Nervöses Geraschel war zu hören, dann herrschte für einige Sekun-den absolute Ruhe. Vorsichtig hob Paul mit der linken Hand das Sofa an, in der anderen hielt er den Aschenbecher. Aber der Marder war verschwunden. Paul durchsuchte die Schränke nach etwas Essbarem, er fand ein paar alte Teebeutel und zwei abgelaufene Konservendosen mit Erbsensuppe, die er sich auf dem Herd aufwärmte. Er sah sich ein bisschen um, entdeckte eine elektrische Heizung und drehte sie auf.“
Dit hoofd. bloedrig bezweet en vuil, de starend-groote schrik der oogen en stekels scheurend in het hooge Voorhoofd, verminkt door schram en buil. Geen deernis en geen mededoogen, afschuw van zooveel walglijk leed Is in het neerslaan onzer oogen.
Maar God, waarom voor hem zoo wreed, terwijl met ons Gij waart bewogen?
Doch geen, die uw geheimen weet dan dat: Gij zijt met ons bewogen.
Twee vrienden
Het luide licht zweeg tot een schaduw grijs En loom. De avond hief de donkre hulling Van zijn mantel. En traag werd de vervulling Der dingen stil, en 't zong een zachte wijs.
Wij gingen eenzaam langs het duistre water En dachten ieder aan het leven om ons heen En in ons hart; en elk wist zich alleen - Toen hebben wij gesproken over nu en later.
Maar 't was vergeefs; het somberdreigend duister Kon nimmer aan ons moede hart ontgaan - Later, in een spiegel, zag elk 't ontdaan Gelaat en hoorde zijn vervreemd gefluister.
Gerrit Kamphuis (8 mei 1906 – 25 april 1998) Midden jaren 1920