Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Cecilia Quílez, Ida Gerhardt, J. H. Leopold, Sandra Hoffmann, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

2237312-3a4bc1754ff823b3b4aaabb8262c9749.jpg
The hallucinations of poets (dandelion) door Hernan Bas, 2010

 

 

PLASMASCHERM EN VIER GEDICHTEN

          Iemand kwam het witte geheugen binnen
          in de roerloosheid van het hart. Onder de mist zie ik een licht
          en de zachtheid van de dwaling doet me de ogen sluiten
                                                                Antonio Gamoneda

 

Vier gaten van oneindige schittering
houden ons vanuit het halfduister in het oog.
De andere storingen zijn te wijten
aan een plaag van verveelde zeekreeften
die op virtuele hallucinaties van
frontale beelden kauwen.

Een ontwrichte liefde heeft geen plaats
en geen nooduitgangen.
Tijdens de lange trajecten drinken
de lichamen niet horizontaal.
De goede nachten ontsnappen niet
met een automatische kleurenbediening.

Ik verdwijn in de versgravures
ontdaan van witte oden en keer opgesmukt
terug van een verwerpelijke wijsheid
die mijn aandrang om je te blijven
nodig hebben in tweeën hakt.
Later denk ik, zoals altijd,
dat alweer de poëzie ons heeft gered.

 

 

Vertaald door Fa Claes

 

2237312-d459db1f920341477b39ba5574fdcb03.jpg 
Cecilia Quílez (Algeciras, 1965)
Algeciras, Plaza Alta met de kerk van Onze Lieve Vrouwe van La Palma

 

 

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook alle tags voor Ida Gerhardt op dit blog.

 

Biografisch I

De taal slaapt in een syllabe
en zoekt moedergrond om te aarden.

Vijf jaren is oud genoeg.
Toen mijn vader, die ik het vroeg,

mij zeide: 'dat is een grondel',
- en ik zág hem, zwart in de sloot

legde hij het woord in mij te vondeling,
open en bloot.

Waarvoor ik moest zorgen,
met mijn leven moest borgen:

tot aan mijn dood.

 

Kinderherinnering

Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad,
ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden.
Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had;
een veulentje stond bij de grote blonde paarden.

Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.
Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide.
Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok.
Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.

 

 

Verwachting

Weet gij het ook de ganse nacht?
De vogels komen. Aan een geuren
- van wind, van water?- valt te speuren
hoe 't lage land een komst verwacht.

Morgen het teken aan de lucht
- een frons, een lijn, een krimpend wolken-
en dan, bui van geluid, een vlucht
die dalen gaat: de vogelvolken.

En wéér staan in verwondering
wij tussen dit gevleugeld sneeuwen;
morgen- dan zijn wij, lieveling,
het eerste paar van duizend eeuwen.

 

 2237312-6510a0f153002ecc057c32647d75b223.jpg
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Cover voorleesboek

 

 

De Nederlandse dichter en classicus Jan Hendrik Leopold werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 11 mei 1865. Zie ook alle tags voor J. H. Leopold op dit blog.

 

Ik scheidde; onverstand was allerwegen

Ik scheidde; onverstand was allerwegen,
van al mijn parels werd niet één geregen.
De dwazen! honderd dingen, nooit beseft
en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen.

 

 

In deze tuin zijn saamgelegd

In deze tuin zijn saamgelegd
geelbruine en witte en zwarte stenen,
gevoegd, gezocht, dat elk wat zegt
met een allengs opkomend menen,

bedoeld door een die niet meer is
de velerlei gevormde vlakken,
en met in de vakken
voorzichtige betekenis,

gebleekten in het aangezicht
der zon, gewassen door de regen,
rillende open plekken tegen
het plat invallend hemellicht,

en stil en toeziend aan de kant
de ceders en de blauwe den,
wistaria’s, de zachte plant
van irisbloemen, die ik ken.

O lief en teder onvermogen
tegen het gruwzaam element,
dat wankels nog iets blijven moge,
en strijd met het geweten end.

 

 

Zingende lucht

ZINGENDE lucht
zingende wind -
en binnen in,
binnen de struiken
ligt uitgegoten
een donkere vijver
en luistert en hoort,
hoort stil verloren
en denkt en peinst...
Want van lente, van lente,
Het zingt al van lente en zonneschijn.

 

 2237312-d1ec2322cd4ec9fc67aef3eb1f647d05.jpg
J. H. Leopold (11 mei 1865 – 21 juni 1925)
Cover

 

 

De Duitse schrijfster Sandra Hoffmann werd geboren op 11 mei 1967 in Laupheim, Baden-Württemberg. Zie ook alle tags voor Sandra Hoffmann op dit blog.

Uit: Paula

„Schweigen ist anders als still sein. Nirgends, auch nicht, wenn du tief in die Taschen greifst, um die Münze zu finden, die du zwischen den Fingern bewegst, oder ein Stück Papier mit den Notizen vom Einkauf, findet sich darin wirklich Halt. Du hörst von irgendwoher oder aus dir heraus die dunklen Geräusche der Stummheit, die sich gegen dich wenden, du hörst sie als Grollen, als Grummeln, als fortwährendes Gemurre, Gemurmel irgendwo weit entfernt und zugleich nah. Als suchten sich all die ungesprochenen Wörter Wege aus dem stummen Körper heraus und hinein in den Raum, hin zu dir. Sie bringen dich um die Ruhe und sie bringen dich um den Schlaf. Das Schweigen, wenn jemand nahe bei dir lebt und so schweigt, so unerbittlich jedes Wort auffrisst, dass nichts übrig bleibt für dich und für keinen. Das Schweigen am Tisch, wenn die Gabeln und Messer auf Tellern klappern, wenn jemand, nur einer, sagt, kann ich bitte das Salz haben, und jemand reicht es. Und über allem das Schweigen, das dir vorkommt, als verschlinge es dich und all deine guten Sommer und die wenigen guten Winter. So als käme die Fröhlichkeit nie mehr zurück. Und du hörst das Geräusch von Strumpfhosenbeinen unter dem Tisch und wie der Hund am Stuhlbein vorbeistreicht, ein Räuspern und das laute Schlucken beim Wassertrinken, wenn der Halsmuskel spannt. Wenn die Geräusche aus den Körpern sich im Zimmer so ausgebreitet haben, dass da nur noch Dichte ist, Verdichtung nach außen. Dieses Schweigen, das schließlich in jeder Ritze eines Hauses sitzt, das abstrahlt, ausstrahlt, das ein Haus zur Festung macht, kennt nur die Endgültigkeit als Erlösung. Du kannst bleiben und sterben oder gehen. In der Stille aber wäre auch nur ein Traktor, draußen auf der Straße, ein schönes Geräusch, wäre das eine Verheißung, jemand mäht die Wiese zum ersten Mal in diesem Jahr, es ist noch hell. Die Welt wäre wieder da. Helligkeit und Sprache.

Am 10. November 1997 stirbt meine Großmutter Paula im Alter von 82 Jahren. Sie hat nicht über sich gesprochen, bis zum Schluss nicht. Sie hat ihr ganzes Leben, alle ihre Geheimnisse, aber auch alle ihre Nöte mit ins Grab genommen. Wenn ich morgens durch den Park laufe, den See umrunde und höre, wie die Schwäne und Enten schnattern, wenn ich den Mandarinenten zusehe, die wie bunte Punkte zwischen den anderen Enten leuchten, denke ich häufig an meine Großmutter, die seit achtzehn Jahren tot ist, und ich denke an meine Eltern. Ich würde ihnen gerne den Park zeigen, die Hunde, die mir regelmäßig auf meiner Laufstrecke begegnen, die schönen Stellen an den Nebenkanälen des Eisbachs, deren Oberfläche ab und zu eine Weide streift. Die Männer, die vor ihrer Personaltrainerin auf der Erde liegen und anstrengende gymnastische Übungen machen oder gegen kleine Boxsäcke schlagen, die in den Bäumen hängen, wieder und wieder und wieder, damit sie stark werden, für was auch immer.“

 

 2237312-9582edf8f0b881ac661f4c7314f9f77b.jpg

Sandra Hoffmann (Laupheim, 11 mei 1967)
Cover, met op de achtergrond een bundel oude foto’s

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Spaanse dichteres Cecilia Quílez Lucas werd geboren in Algeciras in 1965. Quílez publiceerde tot dusver vier dichtbundels: La posada del dragón (Ed. Huerga & Fierro), Un mal ácido (Ed. Torremozas), El cuarto día ( Calambur) en Visteme de largo (Calambur). Ook heeft zij meegewerkt aan radioprogramma's en heeft talloze tentoonstellingen van schilderkunst en beeldhouwkunst gecoördineerd en geleid. Ze heeft meegewerkt aan verschillende tijdschriften en was betrokken bij een groot aantal poëziehappenings.

 

De jongen van Cosmopolitan

Het is omdat je beeld,
die rustende billen en ellebogen,
de zomer berispt
en daar, tussen je benen
de schuldige zich opricht.
Het is omdat de tarwe
zich verspreidt over het denkbeeldige bed
en de korrels hun goddelijke aanleg vergeten
in de puberale omhulling.
Met rood geverfd haar
hou je onder de
regendruppels dienstvaardig
je ogen voor het objectief.
En ik verlang niet dat jij meijuni van dit blad
dat me aan de dagen herinnert, laat voorbijgaan.
Je hand, zie je wel,
leidt de voyeur af
en dat is omdat in werkelijkheid
een slip vaag zichtbaar is,
doorschijnend nochtans
voor deze wellust.

 

 

De offergave

De beweging van het doodshoofd is voltooid.
De spleet van de oogleden spreekt nodeloos.
Op elke plaats op aarde huilt een meute
en weerstaan moeders die op de grafstenen afwachten.

Op iedere plaats is verleden
en trilt de beslissende zonsondergang.
Hier brandt de eerste kreet
in een roestige woordenkom.

Wij vereren de kwantumsymbolen
op het altaar van de obsessies.
We vernielende heiligdommen en bevrijden de beesten.
We werden gerechtelijk vervolgd
aan de onduidelijke muur van de tijd.

Nu draag je mijn hoofd op het dienblad,
voldoe aan mijn laatste wens:
Het zwaard de zee in.
De zee in.

 

 

Vertaald door Fa Claes

 

 2237312-f55648dc5b82abbce8e695261986e2f5.jpg
Cecilia Quílez (Algeciras, 1965)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei ook mijn blog van 11 mei 2018.



Geschreven door Romenu om 10:08 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Paul van Ostaijen, J.C. Bloem, Herman Leenders, Didi de Paris, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2237192-fb157cba3d4235dd04fbda9c75ba3573.jpg
Sailing Boats, Dieppe Harbor door John Henry Twachtman, 1883 - 1885

 

 

Facture Baroqueaant

Soms
- wanneer de boten van hun zinnen sloegen
aan de immer deinende rotswand
van een reuk die openstaat
op wonderlike dieren
     en planten die
     koortsdoorschoten

tussen de blauwheid van de zee en de blauwheid van de
lucht

slechts zijn een vergelijken -
soms slaat het verlangen der mensen zo hoog uit
dat zij takelen de nederige boot
en ter zee gaan
in de zeilen speelt de wind een waan

     een oude waan
     die over de kim gekelderd lag
     tot de wind de huizen stuk woei
     en uit de scherven walmt de wijn van deze waan
     van deze oude waan
Geen kent het S.O.S.-gesein geenzijds der zinnekim
en dat aan de boôm van onze ziel er sprieten steken
die alleen het trillen vatten
van gene zijde
Soms dringt de drang de droom tot een gestalte
en wordt het lichaam droom

 

 2237192-ee12013393943ee6ebd9cf6d0eb0241f.jpg
Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928)
De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, de geboortestad van Paul van Ostaijen

 

 

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

Afscheid

Ieder scheiden is van 't laatste scheiden
voorbode, ieder bed van 't laatste bed.
Alle sterfelijke wegen leiden
naar het eind waarvan geen liefde redt.

In het stedelijk duister van de straten
nemen we afscheid - en het drukt als lood,
kijken om en wuiven, reeds verlaten,
slaan de hoek om, en het is de dood.

 

 

Liefde

Kon ik één gaaf der jeugd terugverkrijgen,
Ik vroeg de makkelijke ontroerbaarheid
Van 't hart, dat nog niet heeft geleerd te zwijgen,
Maar vrijelijk bij den breuk der droomen schreit.

Nu ben ook ik gewend, mij te gewennen;
Ik trek mij allengs in mijzelf terug.
En ach, zelfs die mij beter moesten kennen,
Ik schijn hun wellicht liefdeloos en stug.

Toch ben ik vol verholen teederheden,
Gekneusde liefde, die geen uitweg vond,
Oneindig medelijden met wie leden,
Bewogenheid, die 't zware leven schond.

Alleen wanneer ik neder ben gezeten
In avondeenzaamheid en lampgesuis,
En al wat mij benauwde heb vergeten,
Begint er in mijn hart een zacht geruisch.

Dan wellen in mij nooit-verwonnen drangen,
Dan gaat een stroom van liefde van mij uit,
Die alle menschen in zich houdt omvangen,
Nu zij zich eindlijk niet meer voelt gestuit.

Dan heb ik 't hart weer van mijn jeugd gevonden,
En ben ik warm van innerlijke gloed.
Al wat de wereld in zich houdt gebonden
Dat voer ik de beminden tegemoet.

Dan schijnt het mij, bij 't zien van zóóveel derven,
Van zóóveel vleugels tot geen vlucht ontvouwd,
Dat ik alleen maar door voor hen te sterven
Hun toonen kan, hoeveel ik van hen houd.

Een oogwenk - de bekoring is gebroken,
Ik meng het mijne weer met hun bestaan.
Ik heb hun van mijn liefde niet gesproken,
En dit moet alles langs hen henengaan.

 

 

Enkele strofen

II
In den trein. De tijd vergaat met droomen.
Op de ruitjes wiegelt avondrood.
Als ik bij U ben gekomen,
Ben ik weer wat nader bij mijn dood.

Maar daar zal ik neder zijn gezeten
In verzadigdheid en lampenschijn.
Alles zal ik zijn vergeten
Dan dit eenige: bij U te zijn.

Deze liefde kent geen gaan en keeren,
Kent geen afstand en gewiekten tijd;
De ééne drang van haar begeeren
Is haar hongeren naar eeuwigheid.

O ik kan mijn hart niet doen gelooven
- Hart, dat zich gewende aan elk gemis -
Dat één oogenblik kan dooven
Waar een leven niet te lang voor is.

 

 2237192-d8b4761c0b50914406a1c7e95e4bda89.jpg
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
J.C. Bloem door Titus Leeser, beeld bij de kerk en de begraafplaats van Paasloo

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Herman Leenders werd geboren te Brugge op 10 mei 1960. Zie ook alle tags voor Herman Leenders op dit blog.

 

Amatus

Er staat een man aan het raam.
Hij draagt een baard en een das
en kijkt mij indringend aan.
Ik zit verborgen achter spiegelglas.

Hij kamt z'n haar
neemt plaats achter het bureau
als achter een altaar,
zo breed is zijn gebaar.

Hij zit gebogen over het blad
waarvan hij opkijkt zo nu en dan
alsof er woorden staan
op de gevel aan de overkant.

Hij wordt niet gestoord,
zover ik weet
want vaak verlies ik hem uit het oog
voor een vergadering of een telefoon.

Zou hij er zijn als ik er niet ben?
Ik durf het niemand te vragen.
Wat gaat het mij aan?
Waar ben ik mee bezig als hij hier niet werkt

maar toevallig op dezelfde hoogte
dezelfde breedtegraad
aan de andere kant van de straat.
De ramen gaan niet open.

Hij legt de stukken samen,
plooit een handdoek open
haalt een thermos boven
een brooddoos, een banaan.

Hij slaat een kruis
(denkt dat hij alleen is in huis)
en bijt in een boterham
met kaas en sla.

Zijn linkerhand ligt onder de krant
waarin hij leest met het air
van de handelsreiziger in een restaurant.
Zijn rechter schenkt hem koffie in

lauw misschien maar zoet
de melk erin.
Hij is op alles voorzien.
De worst ligt op boterpapier.

Er dalen twee mannen
voor zijn raam
als engelen uit de hemel.
Het is een ander ras.

Zij zemen de ruiten
en laten strepen na op het glas.
Met zijn mond vol eten
zit hij met ze te spreken.

Ik denk dat men
vergeten is dat hij bestaat
of opgesloten zit.
Waarom is het dat hij niet opstaat

niet ongeduldig rammelt aan de deur
of gek wordt en zijn neus
platdrukt tegen het raam?
Ik moet dringend, hij nooit helaas.

 

 2237192-41b18286214230b99c26ff5f1b133262.jpg
Herman Leenders (Brugge, 10 mei 1960)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Didi de Paris werd geboren op 10 mei 1957 in Leuven. Zie ook alle tags voor Didi de Paris op dit blog.

Uit: Blake

“Hij kon er mee door. Blake wiste zich het zweet van het voorhoofd. Het begon er op te lijken dat het inmiddels dan toch zomer geworden was. In welk seizoen was hij vertrokken? In welk seizoen zal hij aankomen? Was zijn kleding niet te fleurig voor de tijd van het jaar? Het weder was wisselvallig. De kleding moet synchroon met de seizoenen zijn. Hoe laat is het? Komt het nog wel ooit goed?
Hij vond het park het mooist wanneer het er verlaten bij lag. Op zondag is het hier een drukte van jewelste. Dus klopte er iets niet met de tijd. Of misschien waren er die ochtend ruimtewezens geland en hadden zij in een vlaag van wereldverbeteringswaanzin alle mensen hun auto's gesaboteerd.
Blake fronste de wenkbrauwen toen hij even op een rijtje stelde hoeveel machines een mens nodig heeft voor zijn verzorging. "De machines onze geisha's! 's Avonds in de huiskamer vertelt een machine ons (voor het slapengaan) verhaaltjes met beeldjes, klank en kleur. De mens wordt de slaaf (het huisdier) van de machine-god. En toch: zonder de techniek is er geen verdere evolutie denkbaar. De mens is de enige diersoort die kan nadenken over de eigen evolutie, en die zelfs kan bepalen hoe het verder moet.
Evolutie? Neen, we gaan weer in omgekeerde richting! Een mens en een god, daaruit komt een halfgod tevoorschijn. Na een tijdje zullen de mensen verdwijnen (weer stom worden: teevee-ogen, walkman-oren, de huizen storten in en de mens verliest zijn vuur.). In de plaats daarvan zal de wereld weer bevolkt zijn door een handvol halfgoden. Die zullen uiteindelijk allemaal in ware James Bond stijl hun supersonische straalmotorgordel omsjorren en dan tenslotte en masse - Tsjonge, tsjonge, tsjonge! Wat een scene! - ten hemel opstijgen. Nadat zij de hemelingen, de goden vervoegd hebben, zullen zij hier op aarde chaos achterlaten. De evolutie is haar tijd ver vooruit!"
Alhoewel hij dacht dat het nog maar middag was, was het ondertussen reeds herfst. De nerven van de boomstammen. Het bladerentapijt. Wolkenhemel. Een hertje vlucht weg.
Zijn naam is hem op het lijf geschreven. Heel lang geleden, toen hij nog klein was, dronk hij eens een fles bleekwater leeg, en nog niet zo lang geleden hebben ze zijn maag moeten leegpompen. Hij neemt vaak Rennies. Maar toch voorzichtig. De eeuwige jeugd bereikt men immers door een juist en efficiënt toepassen van de juiste combinatie van multi-vitaminepreparaten, beauty farms, fitnessprogramma's en plastische chirurgie. Haarverf, hairwaving, anti-rimpelcrème, celterapie. Retine-A. Met getrokken degen de tijd tegemoet.”

 

 2237192-3a3b1ca0bd15a7a82c688e5e3e7f4735.jpg
Didi de Paris (Leuven, 10 mei 1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 1 en eveneens
deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Willem Wilmink, Jorie Graham, Pieter Boskma, Charles Simic, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 

 2236885-1c1fa2ac583e9f81bcd18d0df9c34d42.jpg
Slapende man met boek door Yehuda Pen

 

 

Een probleem

Vandaag vroeg mijn zoontje
met angstige stem :
'Als iemand dood gaat
wat gebeurt er dan met hem ?'
Nu ken ik wel iemand
die daarover zegt :
'Wie dood is komt in de hemel terecht
dus boven de wolken, dus altijd mooi weer
met een bal in het gras en ijsjes, meneer.'
Maar weer iemand anders vertelde zo waar
'Als je dood bent, dan komt er een tovenaar.
Dan tovert hij aan je en word je een dier
een mus of een tijger, een leeuw of een mier.
Zelf mag je kiezen welk dier je wilt zijn,
een mug of een olifant of een konijn.'
Maar op een morgen ben ik gegaan
naar een man die heel oud was, dus gauw dood zou gaan
'Of ik een dier wordt,' zei deze man
'Of ik in de hemel kom, ik weet er niets van,
maar als ik dood ben is 't eerste wat ik doe
honderd jaar slapen. Want ik ben moe…'

 

 2236885-b2f3c1e34e465d828b6a40c7391926ed.jpg
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
De Grote Kerk in Enschede, de geboorteplaats van Willem Wilmink

 

 

De Amerikaanse dichteres Jorie Graham werd geboren op 9 mei 1950 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Jorie Graham op dit blog.

 

Mother’s Hands Drawing Me

Dying only mother’s hands continue
undying, blading into air,
impersonal, forced, curving it
down — drought incessant rain
revolution and the organs shutting
down but not these extremities,
here since I first opened my first
eyes first day and there they were,
delicate, pointing, will not back off,
cannot be remembered. Mother,
dying — mother not wanting to
die — mother scared awakening
each night thinking she’s dead —
crying out — mother not
remembering who I am as I run
in — who am I — mother we must
take away the phone because who
will you call next — now saying I
dreamt I have to get this dress on, if
I get this dress on I will not die —
mother who cannot get the dress on
because of broken hip and broken
arm and tubes and coils and pan
and everywhere pain, wandering
delirium, in the fetid shadow-
world — geotrauma — trans-
natural — what is this message
you have been scribbling all your
life to me, what is this you drag
again today into non-being. Draw it.
The me who is not here. Who is the
ghost in this room. What am I that
is now drawn. Where are we
heading. Into what do you throw
me with your quick eye — up onto
me then down onto the blank of the
page. You rip the face
off. I see my elbow there where
now you bend it with the pen, you
fill it in, you slough it off me onto
more just-now making of more
future. You look back up, you take
my strangeness from me, you
machine me, you hatch me in. To
make what, mother, here in this
eternity this second this million
years where I watch as each thing is
seen and cancelled-out and re-
produced — multiplying aspects of
light in the morning air — the
fingers dipping frantic into the bag
of pens, pencils, then here they
are — the images — and the hands
move — they are making a
line now, it is our world,
it horizons, we ghost, we sleepwalk,
everything around us is leveled,
canceled, we background, we
are barely remains, we remain, but
for what, the fingers are deepening
curling, bringing it round, the mind
does not — I don’t think — know this
but the fingers, oh, for all my life
scribbling open the unseen,
done with mere things, not
interested in appraisal, just
seizure — what is meant by
seizure — all energy, business-
serious, about direction, tracing
things that dissolve from thingness
into in-betweens — here firm lines,
here powdery lift off — hunger,
fear — the study begins — all is not
lost — the thought a few seconds
wide — the perusal having gone
from here to here, aggregates,
thicket, this spot could be where
we came in, or where we are saved,
could be a mistake, looks across
room through me, me not here
then, me trying to rise in the beam,
nothing I do will make it
happen, rock-face, work that
excludes everything that is not
itself, all urge in the process of
becoming all effect, how can I touch
that hand like snow moving, when
is it time again as here there is no
time, or time has been loaded but
not cocked, so is held in reserve, all
wound up, I was also made but not
like this, I look for reluctance,
expectation, but those are not the
temperatures — if only I could be in
the scene — my time is not
passing — whose is the time that is
passing — the hands rushing across
the paper, cloudy with a sun
outside also rushing scribbling —
wisdom turning itself away from
wisdom to be — what — a thing that
would gold-up but cannot, a patch
of blue outside suddenly like the
cessation of language when lips
cease to move — sun — self-
pronouncing — I want this to not be
my writing of it, want my hands not
to be here also, mingling with hers
who will not take my hand ever into
hers, no matter how late we are, no
matter that we have to run so fast
through all these people and I need
the hand, somewhere a radiant
clearing, are we heading for it, head
down towards the wide page, hand
full of high feeling, cannot tell if it
takes or gives, cannot tell what it is
that is generating the line, it comes
from the long fingers but is not
them, all is being spent, the feeling
that all — all that we need or have —
would be spent for this next thing
this capture, actually loud though
all you can hear is the small
scratching, and I feel dusk
approaching though it is still early
afternoon, just slipping,
no one here to see this but me, told
loud in silence by arcs, contours,
swell of wind, billowing, fluent —
ink chalk charcoal — sweeps, spirals,
the river that goes
nowhere, that has survived the
astonishments and will never
venture close to that heat again, is
cool here, looking up at what,
looking back down, how is it
possible the world still exists, as it
begins to take form there, in the not
being, there is once then there is the
big vocabulary, loosed, like
a jay’s song thrown down when the
bird goes away, cold mornings,
hauling dawn away with it, leaving
grackle and crow in sun — they have
known what to find in the unmade
undrawn unseen unmarked and
dragged it into here — that it be
visible.

 

 2236885-e695dbe993c0405e85c0631212548c74.jpg
Jorie Graham (New York, 9 mei 1950)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Pieter Boskma werd geboren in Leeuwarden op 9 mei 1956. Zie ook alle tags voor Pieter Boskma op dit blog.

 

Drie liedjes uit het zwarte water

 

(licht lied)

Liefje als het later
aan het zwarte water
onder lichtgeklater
nog als nu als nu kon zijn

Heel ons leven staat er
en alles alles gaat er
in een stille schater
door ons terug in zijn voorbij

Liefje als het later
zoals nu als nu kon zijn:
goud over berg en water
en dat oude goud zijn wij.

 

 

(donker lied)

Maar als het als het later
aan het lange zwarte water
onder duisternisgeklater
een alleen alleenzijn is
En jouw leven staat er
als een schaduw naast en
begint opnieuw te praten
als van onder aarde

Dan zal ook ik ontwaken
in de opgegraven stem
waarmee ik over water
naar je kom toegerend

 

 

Klamme lente

Een boeket violen staat
te zwiepen op de radio.
Ergens in een studio
zweet de dirigent zich dood.

Het is inderdaad een warme dag.
Anderhalf miljoen mussen
vielen van de daken - toch
glimlachen wij welterusten.

Slaap je al? Ik ook niet, nee.
Het is te warm, te warm...
Mijn God wat ben je klam...
Hoe laat? Een uur of twee.

Ook de kikkers raken al
vermoeid na drie keer kwaken.
Hoog in de concertzaal
puffen vaag de sterren

en beginnen zoek te raken.
Het waterig applaus wordt
afgebroken door het nieuws.
Negen Mei en dertig graden,

voorbij flitst het bestaan.
Bekkenslag. Een buiging.
En dan het zachte kraken
van de bevroren nacht.

 

 2236885-0ec5ce4e322b502d93f3b11fa9d4f06c.jpg
Pieter Boskma (Leeuwarden, 9 mei 1956)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Simic werd geboren in Belgrado op 9 mei 1938. Zie ook alle tags voor Charles Simic op dit blog.

 

Old Couple

They're waiting to be murdered,
Or evicted. Soon
They expect to have nothing to eat.
In the meantime, they sit.

A violent pain is coming, they think.
It will start in the heart
And climb into the mouth.
They'll be carried off in stretchers, howling.

Tonight they watch the window
Without exchanging a word.
It has rained, and now it looks
Like it's going to snow a little.

I see him get up to lower the shades.
If their window stays dark,
I know his hand has reached hers
Just as she was about to turn on the lights.

 

 

So Early in the Morning

It pains me to see an old woman fret over
A few small coins outside a grocery store -
How swiftly I forget her as my own grief
Finds me again - a friend at death's door
And the memory of the night we spent together.

I had so much love in my heart afterward,
I could have run into the street naked
Confident anyone I met would understand
My madness and my need to tell them
About life being both cruel and beautiful,

But I did not - despite the overwhelming evidence:
A crow bent over a dead squirrel in the road,
The lilac bushes flowering in some yard,
And the sight of a dog free from his chain
Searching through a neighbor's trash can.

 

 2236885-8fdb650e903dd1d099d2c81fc6336e7f.jpg
Charles Simic (Belgrado, 9 mei 1938)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e mei ook mijn blog van 9 mei 2018 en ook mijn blog van 9 mei 2017 en ook mijn blog van 9 mei 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:17 Reageer op dit bericht

Robert W. Service, Roddy Doyle, Thomas Pynchon, Pat Barker, Gary Snyder, Rocko Schamoni, Gerrit Kamphuis

 

Dolce far niente

 

 2236686-df58d080358b4daca07fb0f007638867.jpg
  Old man door Mark Liptrott, z. j.

 

 

My Rocking-Chair

When I am old and worse for wear
I want to buy a rocking-chair,
And set it on a porch where shine
The stars of morning-glory vine;
With just beyond, a gleam of grass,
A shady street where people pass;
And some who come with time to spare,
To yarn beside my rocking-chair.

Then I will light my corn-cob pipe
And dose and dream and rarely gripe.
My morning paper on my knee
I won't allow to worry me.
For if I know the latest news
Is bad,--to read it I'll refuse,
Since I have always tried to see
The side of life that clicks with glee.

And looking back with days nigh done,
I feel I've had a heap of fun.
Of course I guess that more or less
It's you yourself make happiness
And if your needs are small and few,
Like me you may be happy too:
And end up with a hope, a prayer,
A chuckle in a rocking-chair.

 

 2236686-3f92b39268398b0bd0789bfaa3ee7450.jpg
Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958)
St. John's Minster in Preston, Lancashire, de geboorteplaats van Robert W. Service

 

 

De Ierse schrijver Roddy Doyle werd geboren in Dublin op 8 mei 1958. Zie ook alle tags voor Roddy Doyle op dit blog.

Uit: The Snapper

“–It’s shockin’, said Jimmy Sr again,—so it is. Wha’ do you think o’ this?
He was talking to Veronica.
–I don’t know, said Veronica.
–Is tha’ the best yeh can do, Veronica?
–Well, what do YOU think?
Jimmy Sr creased his face and held it that way for a second.
–I don’t know, he said.—I should give ou’, I suppose. An’ throw a wobbler or somethin’. But—what’s the point?
Veronica nodded. She looked very tired now.
Jimmy Sr continued.
–If she was—
He turned to Sharon.
–You should’ve come to us earlier—before, yeh know—an’ said you were goin’ to get pregnant.
The three of them tried to laugh.
–Then we could’ve done somethin’ abou’ it.—My God, though.
No one said anything. Then Jimmy Sr spoke to Sharon again.
–You’re absolutely sure now? Positive?
–Yeah, I am. I done—
–Did, said Veronica.
–I did the test.
–The test? said Jimmy Sr.—Oh.—Did yeh go in by yourself?
–Yeah, said Sharon.
–Did yeh? Fair play to yeh, said Jimmy Sr.—I’d never’ve thought o’ tha’.
Sharon and Veronica looked at each other, and grinned quickly.
Jimmy Sr got down to business.
–Who was it?
–Wha’?—Oh. I don’t know.
–Ah now, Jaysis—!
–No, I do know.
–Well, then?
–I’m not tellin’.
Jimmy Sr could feel himself getting a bit angry now. That was better."

 

 2236686-fe374130e04b3282a402cabb8f3798c3.jpg
Roddy Doyle (Dublin, 8 mei 1958)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon werd op 8 mei 1937 geboren in Glen Cove, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Thomas Pynchon op dit blog.

Uit: V

“Beatrice brought beer. There was a piercing yelp from one of the back tables, she flinched, beer slopped over the edge of the glass. "God," she said, "it's Ploy again." Ploy was now an engine-man on the mine sweeper Impulsive and a scandal the length of East Main. He stood five feet nothing in sea boots and was always picking fights with the biggest people on the ship, knowing they would never take him seriously. Ten months ago (just before he'd transferred off the Scaffold) the Navy had decided to remove all of Ploy's teeth. Incensed, Ploy managed to punch his way through a chief corpsman and two dental officers before it was decided he was in earnest about keeping his teeth. "But think," the officers shouted, trying not to laugh, fending off his tiny fists: "root canal work, gum abscesses...." "No," screamed Ploy.
They finally had to hit him in the bicep with a Pentothal injection. On waking up, Ploy saw apocalypse, screamed lengthy obscenities. For two months he roamed ghastly around the Scaffold, leaping without warning to swing from the overhead like an orangutan, trying to kick officers in the teeth. He would stand on the fantail and harangue whoever would listen, flannelmouthed through aching gums. When his mouth had healed he was presented with a gleaming, regulation set of upper and lower plates. "Oh God," he bawled, and tried to jump over the side. But was restrained by a gargantuan Negro named Dahoud. "Hey there, little fellow," said Dahoud, picking Ploy up by the head and scrutinizing this convulsion of dungarees and despair whose feet thrashed a yard above the deck. "What do you want to go and do that for?" "Man, I want to die, is all," cried Ploy. "Don't you know," said Dahoud, "that life is the most precious possession you have?" "Ho, ho," said Ploy through his tears. "Why?" "Because," said Dahoud, "without it, you'd be dead." "Oh," said Ploy. He thought about this for a week. He calmed down, started to go on liberty again. His transfer to the Impulsive became reality. Soon, after Lights Out, the other snipes began to hear strange grating sounds from the direction of Ploy's rack. This went on for a couple-three weeks until one morning around two somebody turned on the lights in the compartment and there was Ploy, sitting crosslegged on his rack, sharpening his teeth with a small bastard file. Next payday night, Ploy sat at a table in the Sailor's Grave with a bunch of other snipes, quieter than usual. Around eleven, Beatrice swayed by, carrying a tray full of beers. Gleeful, Ploy stuck his head out, opened his jaws wide, and sank his newly filed dentures into the barmaid's right buttock. Beatrice screamed, glasses flew parabolic and glittering, spraying the Sailor's Grave with watery beer. It became Ploy's favorite amusement.”

 

 2236686-1d8b5162e8a361bbbb053957983121aa.jpg
Thomas Pynchon (Glen Cove, 8 mei 1937)

 

 

De Engelse schrijfster Pat Barker werd geboren in Thornaby-on-Tees op 8 mei 1943. Zie ook alle tags voor Pat Barker op dit blog.

Uit: Noonday

“Closing the front door quietly behind her, Elinor took a moment to absorb the silence. Facing her, directly opposite the front door, where nobody could possibly miss it, was a portrait of her brother, Toby, in uniform. It had been painted, from photographs, several years after his death and was frankly not very good. Everybody else seemed to like it, or at least tolerate it, but Elinor thought it was a complete travesty. Item: one standard-issue gallant young officer, Grim Reaper for the use of. There was nothing of Toby there at all. Nigel Featherstone was the artist: and he was very well regarded; you saw his portraits of judges, masters of colleges, politicians and generals everywhere, but she'd never liked his work. Her own portrait of Toby was stronger - not good, she didn't claim that - but certainly better than this. She resented not having been asked to paint this family portrait: his own sister, after all. And every visit to her sister's house began with her standing in front of it. When he was alive, Toby's presence had been the only thing that made weekends with the rest of her family bearable. Now, this portrait - that blank, lifeless face - was a reminder that she was going to have to face them alone.
She caught the creak of a leather armchair from the open door on her left. Oh, well, better get it over with. She went into the room and found Tim, her brother-in-law, sitting by the open window. As soon as he saw her he stood up and let his newspaper slide, sighing, to the floor. `Elinor.' He pecked her proffered cheek. 'Too early for a whisky?' Evidently it wasn't: there was a half-empty glass by his side. She opened her mouth to refuse but he'd already started to pour. 'How was the train?' `Crowded. Late.' 'Aren't they all?' When she'd first met Tim he might've been a neutered tomcat for all the interest he aroused in her. She'd thought him a nonentity, perhaps influenced in that - as in so much else - by Toby, who hadn't liked Tim, or perhaps hadn't found much in him to either like or dislike. And yet Tim had gone on to be a successful man; powerful, even. Something in Whitehall, in the War Office. Which was strange, because he'd never actually seen active service.”

 2236686-2d2a887bc22ec4cc4976d141fbd2da35.jpg
Pat Barker (Thornaby-on-Tees, 8 mei 1943)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Gary Snyder op dit blog.

 

Night Song of the Los Angeles Basin

Owl
calls,
pollen dust blows
Swirl of light strokes writhing
knot-tying light paths,

calligraphy of cars.

Los Angeles basin and hill slopes
Checkered with streetways. Floral loops
Of the freeway express and exchange.

Dragons of light in the dark
sweep going both ways
in the night city belly.
The passage of light end to end and rebound,
—ride drivers all heading somewhere—
etch in their traces to night's eye-mind

calligraphy of cars.

Vole paths. Mouse trails worn in
On meadow grass;
Winding pocket-gopher tunnels,
Marmot lookout rocks.
Houses with green watered gardens
Slip under the ghost of the dry chaparral,

Ghost
shrine to the L. A. River
The jinja that never was there
is there.
Where the river debouches
the place of the moment
of trembling and gathering and giving
so that lizards clap hands there
—just lizards
come pray, saying
"please give us health and long life."

A hawk,
a mouse.

Slash of calligraphy of freeways of cars.

Into the pools of the channelized river
the Goddess in tall rain dress
tosses a handful of meal.

Gold bellies roil
mouth-bubbles, frenzy of feeding,
the common ones, the bright-colored rare ones
show up, they tangle and tumble,
godlings ride by in Rolls Royce
wide-eyed in brokers' halls
lifted in hotels
being presented to, platters
of tidbit and wine,
snatch of fame,

churn and roil,

meal gone the water subsides.

A mouse,
a hawk.

The calligraphy of lights on the night
freeways of Los Angeles

will long be remembered.

Owl
calls;
late-rising moon.

 

 

Changing Diapers

How intelligent he looks!
on his back
both feet caught in my one hand
his glance set sideways,
on a giant poster of Geronimo
with a Sharp's repeating rifle by his knee.

I open, wipe, he doesn't even notice
nor do I.
Baby legs and knees
toes like little peas
little wrinkles, good-to-eat,
eyes bright, shiny ears
chest swelling drawing air,

No trouble, friend,
you and me and Geronimo
are men.

 

 2236686-83654369715703cde991a77a28dd9f18.jpg
Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

 

De Duitse schrijver, entertainer, muzikant, acteur en clubeigenaar Rocko Schamoni (pseudoniem van Tobias Albrecht) werd geboren op 8 mei 1966 in Lütjenburg. Zie ook alle tags voor Rocko Schamoni op dit blog.

Uit: Fünf Löcher Im Himmel

„Ab und zu blieb er stehen, um die Hand am Koffergriff zu wechseln. Er bog in eine Seitengasse ein, lief sie hinunter, beobachtete schweigend die Häuser und Wohnungen, an denen er vorbeikam, die Kneipen und Läden und die überall geparkten Autos. Sein Gesichtsausdruck blieb regungslos. Straße für Straße lief er hinunter und Viertel für Viertel, manchmal setzte er sich für einen Moment auf eine Bank oder eine Mauer, rauchte eine Zigarette und starrte dabei in das Nichts zwischen den Sternen.
Schließlich, nach Stunden, erreichte er den Stadtrand. Die Häuser wurden flacher, es gab kaum noch Geschäfte und Kneipen, nur noch endlose Wohnsiedlungen, von kleinen Straßen und Wegen durchzogen, ab und zu einen Zeitungskiosk, die Außenhaut eines gigantischen Organismus.
Paul kam zu einer Schrebergartensiedlung. Die Nacht war halb vorüber, und es hatte zu nieseln begonnen, langsam zog die feuchte Kälte in seine Kleidung. Er fand eine Hütte, die verlassen aussah, die Parzelle war verwildert, die Gartenpforte hing schief in den Angeln. Vorsichtig betrat er das Grundstück, das von einer hohen Buchsbaumhecke umgeben war, und arbeitete sich zur Eingangstür der Hütte vor. Sie war verschlossen. Paul lehnte sich langsam, aber mit dem ganzen Gewicht seines Körpers dagegen und hielt den Griff gedrückt, irgendwann hörte er ein knackendes Geräusch, das morsche Holz des Türrahmens gab nach, und Paul trat ein. Er leuchtete mit dem Feuerzeug in den Raum. Vor ihm lag ein ziemlich verwahrlostes, kleines, aber komplett eingerichtetes Zimmer. Er schloss die Tür hinter sich und zündete die Kerze an, die auf einem Campingtisch in der Mitte des Raumes stand. Er setzte sich auf das Sofa dahinter und atmete tief durch. Eine Weile beobachtete er den Dunst, den seine Atemluft in der Kälte bildete, dann schlief er ein, und sein Kopf sank auf die Brust.
Ein Knurren weckte Paul. Er schlug die Augen auf. Ein paar Sonnenstrahlen schienen ihm durch das verstaubte Wohnzimmerfenster ins Gesicht. Es knurrte wieder, hell und unangenehm rasselnd. Langsam griff Paul nach dem Messer in seiner Manteltasche, er öffnete die Klinge mit dem Daumen und zog es vorsichtig heraus. Dann beugte er sich vor, um den Raum überblicken zu können. In der Ecke neben dem Kühlschrank hockte ein Tier, er konnte es im Schatten kaum erkennen, vielleicht ein Marder. Langsam erhob sich Paul und griff dabei mit der anderen Hand nach einem schweren gläsernen Aschenbecher vor ihm auf dem Tisch. Der Marder knurrte, bewegte seinen Kopf drohend vor und zurück. Je näher Paul kam, desto nervöser wurde das Tier, langsam hob er die Hand mit dem Aschenbecher, doch plötzlich brach der Marder fauchend aus der Ecke hervor, sprang blitzschnell an ihm hinauf, biss wütend in den Mantel und stürzte quiekend durch den Raum und unter das Sofa. Nervöses Geraschel war zu hören, dann herrschte für einige Sekun-den absolute Ruhe. Vorsichtig hob Paul mit der linken Hand das Sofa an, in der anderen hielt er den Aschenbecher. Aber der Marder war verschwunden. Paul durchsuchte die Schränke nach etwas Essbarem, er fand ein paar alte Teebeutel und zwei abgelaufene Konservendosen mit Erbsensuppe, die er sich auf dem Herd aufwärmte. Er sah sich ein bisschen um, entdeckte eine elektrische Heizung und drehte sie auf.“

 

 2236686-3ad1bbbc5fb59cb165aefbafa241cf6e.jpg
Rocko Schamoni (Lütjenburg, 8 mei 1966)

 

 

De Nederlandse dichter en essayist Gerrit Kamphuis werd geboren in Zwolle op 8 mei 1906. Zie ook alle tags voor Gerrit Kamphuis op dit blog.

 

Veronica's Doek

Dit hoofd. bloedrig bezweet en vuil,
de starend-groote schrik der oogen
en stekels scheurend in het hooge
Voorhoofd, verminkt door schram en buil.
Geen deernis en geen mededoogen,
afschuw van zooveel walglijk leed
Is in het neerslaan onzer oogen.

Maar God, waarom voor hem zoo wreed,
terwijl met ons Gij waart bewogen?

Doch geen, die uw geheimen weet
dan dat: Gij zijt met ons bewogen.

 

 

Twee vrienden

Het luide licht zweeg tot een schaduw grijs
En loom. De avond hief de donkre hulling
Van zijn mantel. En traag werd de vervulling
Der dingen stil, en 't zong een zachte wijs.

Wij gingen eenzaam langs het duistre water
En dachten ieder aan het leven om ons heen
En in ons hart; en elk wist zich alleen -
Toen hebben wij gesproken over nu en later.

Maar 't was vergeefs; het somberdreigend duister
Kon nimmer aan ons moede hart ontgaan -
Later, in een spiegel, zag elk 't ontdaan
Gelaat en hoorde zijn vervreemd gefluister.

 

2236686-5fe444ed6d4893e59037f15e3ec33e37.JPG 
Gerrit Kamphuis (8 mei 1906 – 25 april 1998)
Midden jaren 1920

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e mei ook mijn blog van 8 mei 2018 en ook mijn blog van 8 mei 2016 deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:38 Reageer op dit bericht

Marjolijn van Heemstra, Willem Elsschot, Almudena Grandes, Robert Browning

 

Dolce far niente

 

2236417-dd5baa2f46ff4a00293090642be44a22.jpg 
Slaaploze nacht door Nikolaj Romadin, z.j.

 

 

Slaapdagboek

Slaapadvies 1 tot en met 5:
Verwijder wekkers.
Maak de avond rond en elke handeling een bocht op weg naar slaap.
Creëer gewoontes, simpel als een glas water.
Draag een pyjama om het lijf te overtuigen van de nacht.
Denk als je wakker ligt niet: ik lig wakker. Denk: ik lig en dat is het begin van slapen.

Maar dit begin ligt gekanteld, vier poten en de blik omhoog, als een schaap niet in staat zichzelf te draaien. De nacht heeft in- en uitgeademd, op de wekker die ik wegdeed hebben de wijzers zestiggraden afgelegd, gradaties donker trokken door de kamer tot nu, de meest doorlaatbare, nautische schemer: al urenlang verandert alles, maar niet dit begin — of hoe moet ik het noemen? Een zeef tussen binnen en buiten. Het wiegen van een tak in en uit de schaduw. Dit schommelend in tweeën liggen: half verdwenen, half aanwezig.

Slaapadvies 6: De pijnappelklier, de pit in de hersens die donker meet en doet versuffen kan gebaat zijn met een dosis extra melatonine.

In afwachting van de werking google ik de klier, de pit. De zetel van de ziel, schrijft Descartes, ter grootte van een erwt. Een kogelrond vissenoog dat open en glazig mijn brein verkent; schaamte, klein conflict, wie te bellen, wat te zeggen, wat recht moet, ongedaan gemaakt, het overzichtelijk leed dat leven heet en zich 's nachts tot rozenkrans rijgt. Het oog schiet erlangs, kraal voor kraal, razendsnel, een waanzinnige erwt, een neurotische non in gebed. Als dit een zetel is, dan een wankele, mijn ziel tot wandelen gedoemd.

Slaapadvies 7: Een bed is groter dan een bed. Het is het hele huis dat je toedekt, inclusief zijn mensen. Ken het ritme van wie naast je ligt.

Maar ik vind geen ritme of het moet het ritme zijn van een ruïne, een langzaam overwoekerd worden. Van zijn lichaam losgeknoopt ligt wie naast mij ligt geduldig te vergaan tot open plek. Wie weet waar hij nu wakker is, met wie zijn geest versmelt. In zijn adem hoor ik geroezemoes van nachtelijk bezoek terwijl ik gesloten op de veren lig.

Slaapadvies 8 tot en met 31:
Vermijd licht. Verduister. Oefen.
Eet bananen. Eet geen fruit.
Zoek het licht op. Drink warme melk.
Kies een houding waarin slaap je overvalt.
Sta op. Val af. Open ramen.
Trek sokken aan. Sokken uit. Vermijd melk. Adem. Handen naast je.
Pieker niet. Lees. Wandel. Lig stil.
Praat. Tel. Vergeet.
Onthaal de slaap.

Achter me een trage voetstap, een paard, in het laatste donker opgedoemd, dat mij volgt, het hoofd een zware engel in mijn nek. Ik verberg me in de manen, val uit mijn wervels, gered. Ik aai, klop, juich maar vergeet het paard te voeren, het loopt doodkalm van mij weg.

Slaapadvies 32:
Becijfer, om grip te krijgen, je slaap van een tot tien.
De laatste tram.
Een dronken galm.
De hese stem van het meisje bij de buren op tv.
Negen, acht.
Het rolluik van de avondwinkel. Zeven.
Laag voor laag afgepeld. Zes, vijf vier, tot dit bangste dier

 

 2236417-1e36bc92c21e6de5b98c421937d53a12.jpg
Marjolijn van Heemstra (Amsterdam, 10 februari 1981)
Amsterdam bij nacht

 

 

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Villa des Roses

'Pension de famille de premier ord re' was wel een beetje overdreven. Wat het ‘confort moderne' betreft, dat bestond voornamelijk hierin, dat men dadelijk een huissleutel kreeg en dus ook bij nacht vrij gaan en komen kon zonder iemand te moeten opbellen. Elektrische verlichting en een badgelegenheid daarentegen, hield men er niet op na. Werd er al eens naar gevraagd door een nieuweling die zich na een week of zo onrein begon te gevoelen, of door een die er alles van weten wilde voor hij begon, dan maakte madame Brulot hem duidelijk dat zij van beide nieuwigheden afgezien had wegens het daaraan verbonden gevaar. Het afbranden van de Bazar de la Charité, waarbij een paar honderd mensen het leven verloren, was volgens madame Brulot veroorzaakt door kortsluiting in de elektrische geleiding, en schuin over de Villa was er eens een deurwaarder van nog geen veertig jaar in zijn bad gestikt, zonder dat de buren ook maar één kreet vernomen hadden. Door `déjeuners et diners au cachet' werd bedoeld dat men ook 's middags of 's avonds kon komen eten zonder dat men in de Villa zijn intrek behoefde te nemen, waardoor het aantal monden nogal afwisselde. Het 'English spoken' dagtekende uit een tijd toen er onder de kostgangers der Villa een heer was, die in Londen had gewoond en daarom opsneed met zijn Engels. Nog steeds kende madame Brulot een woord of vijf zoals yes, no, money, room en dinner. Laat ons Caesar geven wat hem toekomt. Het dient ter ere van madame Brulot gezegd dat het eten, een paar artikelen van ondergeschikt belang en dan die eieren terzijde gelaten. heus zo slecht niet was. De grondstoffen kocht zij in eigen persoon en het toebereiden ervan werd overgelaten aan de zorgen van een keukenmeid. bijgestaan door een kamermeisje, dat gewoonlijk ook net iets van koken afwist. De spijzen. althans die welke genuttigd werden op de twee grote gemeenschappelijke maaltijden. welke respectievelijk 's middags om twaalf en ’s avoinds om zeven uur aanvingen, waren voor alle kostgangers dezelfde. Maar toch werden zeer uiteenlopende prijzen betaald. Hierop hadden verscheidene factoren een meer of minder overwegende invloed, en wel in de eerste plaats de grootte, ligging en meubilering der kamer welke men betrok, de hoeveelheid voedsel welke men gebruikte, de financiele reputatie van het land waar men vandaan kwam (Amerikanen bijvoorbeeld betaalden in de regel meer dan Polen of Armeniers) eindelijk de gezondheid en de ouderdom der kostgangers in verband met de meer of mindere last door ieder van hen veroorzaakt. Men werd dan ook nooit anders dan op proef aangenomen, hetzij voor een week, hetzij voor een maand, al naar gelang van de indruk die men hij het eerste onderhoud op madame Brulot maakte, waarbij ook rekening gehouden werd met het gewicht en de kubiekinhoud van het meegebrachte reisgoed. Dit laatste was echter hij de beoordeling gaandeweg minder overwegend geworden, sedert madame Brulot allertreurigste ondervindingen opgedaan had met een paar reusachtige koffers. Madame Brulot beoordeelde haar nieuwelingen nog dikwijls zeer verkeerd, al had zij tijd genoeg gehad om zich in de loop der jaren te volmaken in een studie, welke toch rechtstreeks tot haar vak behoorde. Zo kon zij zich niet geheel losmaken van het vooroordeel, dat dikke mensen altijd veel en magere gewoonlijk weinig spijs en drank gebruiken, zonder te bedenken dat zwaarlijvigen dikwijls matigheid moeten betrachten, terwijl magere kerels vaak met een lintworm rondlopen, wat natuurlijk een ramp is voor een kosthuis.”

 

 2236417-3a7d3c3e7d5bdb9a7f9d908abda0d090.jpg
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960) 
Cover DVD

 

 

De Spaanse schrijfster Almudena Grandes Hernández werd geboren op 7 mei 1960 in Madrid. Zie ook alle tags voor Almudena Grandes op dit blog.

Uit: De vijand van mijn vader (Vertaald door Mia Buursma)

“Dat was waar, maar ook niet waar. Ze was geboren aan zee, in een buurtschapje van vissers, zo dicht bij Almería dat het haast een buitenwijk van de stad leek. Daar was het nooit koud. Dat wist ik omdat haar jongste zus begin maart was getrouwd en ons had uitgenodigd voor de trouwerij. Aanvankelijk had het bericht weinig indruk op mij gemaakt, want we hadden wel vaker dergelijke uitnodigingen gekregen en daar was nooit iets mee gebeurd, maar die keer was anders dan anders. Ten eerste omdat mijn moeder had besloten ernaartoe te gaan, om weer terug te gaan naar haar dorp waar ze meer dan tien jaar niet was geweest. En ook omdat ze had besloten ons mee te nemen. In 1947 was die reis een enorme gebeurtenis voor elke familie in de Sierra Sur.
‘En waarom gaat papa niet mee?’ durfde ik te vragen toen we al in de streekbus zaten die ons van Fuensanta naar Martos zou brengen, terwijl ik door het raampje naar hem keek en zag hoe hij ons op de stoep stond uit te zwaaien.
‘Daarom niet.’
‘Maar waarom niet?’
‘Omdat hij niet kan.’
‘Moet hij werken?’
‘Ja, natuurlijk.’
Die ochtend was mijn dorp ontwaakt onder een dun laagje sneeuw. In Martos was de sneeuw niet blijven liggen, maar het was er wel heel koud. Dat weet ik nog, omdat de bus ons met ruim twintig minuten vertraging afzette bij het station en we naar de trein moesten rennen, maar ondanks het geren, het gezweet en het gedoe met de koffers met de cadeaus voor de bruid en haar familie kregen we het maar niet warm.
Moeder dreef ons voort als een stel schapen, terwijl ze met een getypt vel papier in haar hand door de gangpaden liep, op zoek naar de twee leden van de Guardia Civil die meereisden in de trein. Ik zat voor het eerst zonder mijn vader in een trein, en hoewel ik probeerde net te doen of alles heel gewoon was omdat ik, doordat hij niet meeging, de enige man van de familie was, was ik voor alles bang. Als hij erbij was, was het anders. Als hij vooropging in zijn uniform, met zijn driekante steek en zijn dienstwapen, gingen de reizigers voor ons opzij, en in plaats van ons naar onze kaartjes te vragen, haastten de conducteurs zich om zo nodig iemand op te laten staan zodat we allemaal bij elkaar konden zitten, maar deze keer ging mijn vader niet mee, en ik vertrouwde niet helemaal op de twee getypte vellen papier die hij ons in een envelop had meegegeven toen hij bij het portier van de streekbus afscheid van ons nam.”

 

 2236417-3008e11c54a3f277d1da89025be00cf2.jpg
Almudena Grandes (Madrid, 7 mei 1960 )

 

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Browning werd geboren op 7 mei 1812 in Londen. Zie ook alle tags voor Robert Browning op dit blog.

 

Childe Roland To The Dark Tower Came

 

VIII
So, quiet as despair, I turn’d from him,
That hateful cripple, out of his highway
Into the path the pointed. All the day
Had been a dreary one at best, and dim
Was settling to its close, yet shot one grim
Red leer to see the plain catch its estray.

IX
For mark! no sooner was I fairly found
Pledged to the plain, after a pace or two,
Than, pausing to throw backward a last view
O’er the safe road, ’t was gone; gray plain all round:
Nothing but plain to the horizon’s bound.
I might go on; nought else remain’d to do.

X
So, on I went. I think I never saw
Such starv’d ignoble nature; nothing throve:
For flowers—as well expect a cedar grove!
But cockle, spurge, according to their law
Might propagate their kind, with none to awe,
You ’d think; a burr had been a treasure trove.

XI
No! penury, inertness and grimace,
In the strange sort, were the land’s portion. “See
Or shut your eyes,” said Nature peevishly,
“It nothing skills: I cannot help my case:
’T is the Last Judgment’s fire must cure this place,
Calcine its clods and set my prisoners free.”

 

 2236417-9b67a3584ec7ddcfb794e73bf2b9b3a1.jpg
Robert Browning (7 mei 1812 – 12 december 1889)
Portret door Pen Browning, 1882

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn blog van 7 mei 2018 en ook mijn blog van 7 mei 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:35 Reageer op dit bericht

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

 

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

 

De Nederlandse schrijver Rob van Essen heeft de Libris Literatuur Prijs 2019 gewonnen. Dat werd gisteravond bekendgemaakt in Nieuwsuur,traditioneel vanuit het Amstel Hotel in Amsterdam. Van Essen won met zijn autobiografische roman “De goede zoon”. Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: De goede zoon

“Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet. Geen enkel probleem dus, je zou zelfs kunnen zeggen dat we gestroomlijnd bezig waren met z’n tweeën, alsof we afgesproken hadden het afrekenen zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen, maar dan nog, je zou haar op z’n minst een harde duw moeten geven, of met een breed gebaar al haar boodschappen van de band vegen, ik zag haar pot jam al uiteenspatten op de tegels, je zou haar op z’n minst moeten kunnen aanspreken op haar gedrag maar ook dat kan niet omdat ik weet dat ik dan niet uit m’n woorden ga komen en ik kan wel thuis van tevoren dingen op schrift gaan stellen die je bij dit soort gelegenheden de ander moet toevoegen maar ook dan zou ik niet weten waar ik de superieure vanzelfsprekendheid vandaan moest halen om zo’n tekst met overtuiging te kunnen uitspreken, ik ben niet iemand voor dat soort teksten, ik ben niet iemand voor dit soort situaties, ik ben te aardig, te meegaand, ik zeg toch: ik had bijna ruzie, en in plaats van dat ik daar wat aan doe heb ik die slappe meegaandheid van me alleen maar versterkt met dat boeddhisme en die meditatiecursussen. Wat hebben al die pogingen om mezelf redelijkheid en compassie bij te brengen nu eigenlijk opgeleverd? Er heeft zich de afgelopen jaren in mij een kleine halfbakken boeddhist genesteld, een kleine kale boeddhist in een oranje pij, ik heb hem vetgemest met meditatiecursussen en boeken en boekjes en als dank doet hij me de onthechte glimlach voor waarmee ik situaties als die bij de kassa zou moeten begroeten, laat het voorbijgaan, het is woede, niet jouw woede, het is ergernis, niet jouw ergernis, je veroorzaakt je eigen lijden door gehechtheid aan je stemming. Ik zou de glimlach van zijn gezicht moeten slaan, het liefst zou ik mijn vingers links en rechts om de randen van mijn ribbenkast haken, de boel uit elkaar trekken en mijn handen naar binnen steken om die kleine kale innerlijke boeddhist eigenhandig te wurgen, om zijn keel zo strak te omklemmen dat zijn hoofdje opzwelt en zijn oogbollen als kleine knikkers naar buiten schieten om stuk te spatten tegen de muur.
En daarna alles en iedereen doodschieten, te beginnen in de Albert Heijn. Dat zal natuurlijk niet gaan, zoveel munitie heb ik niet, ik heb niet eens een wapen. Ik ben ongewapend. Drie woorden die je de kou om het hart doen slaan. Ik loop al zestig jaar ongewapend op deze planeet rond. Vreedzame jaren grotendeels, ik geef het toe, maar opeens komt het me absurd voor, alsof ik zestig jaar naakt heb rondgelopen en iedereen heb uitgenodigd om zijn gang met mij te gaan. Niet langer!”

 

 2236323-724bd3ca450c8577a61cb8a596ba0ad1.jpg
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

Geschreven door Romenu om 11:48 Reageer op dit bericht

Toon Tellegen, Willem Kloos, Hélène Gelèns

 

Dolce far niente

 

 2236190-96341e62eb517b627b8f96fc921eba00.jpg
Schlafender Mann door Adolph Menzel, 1855

 

 

Slaap

Er is slaap in overvloed,
tot in de benauwdste ogenblikken toe,
maar niet genoeg voor iedereen

een enkeling blijft wakker,
ziet de hemel rood worden,
elke ochtend opnieuw

hij wacht tot er honger komt
en er komt honger, dor en stoffig
en van heel ver weg,
maar niet genoeg voor iedereen

hij is de eerste nu,
hij begint haastig te lijden,
grijpt zijn pen en beschrijft zijn honger met genadeloze
onbeholpenheid

de zon komt op
en tussen potvissen roggebrood hemelsblauw
slapen de laatsten,
spreken hun laatste dromen aan.

 

 2236190-905952403c6654331bec72e80a7b35d8.jpg
Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)
De Zusterhof in Brielle

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Ga niet voorbij, maar blijf bij mij

Ga niet voorbij, maar blijf bij mij, en voel,
Wat Ik voel in het diepst van dit mijn wezen
Dat niets dan Gij mij nog iets liefs kan wezen
En alles òm u - zonder u - zoo koel,

Zo leeg, zo vreemd dat ik mij-zelf niet voel,
Wen ver van u - en 'k wens om weg te wezen,
Weg van mij-zelf, in 't land des doods, doods vrezen
Vergetend om de vrees voor 't donker koel

En doods gewoel des levens, dat in kringen
Rond-draait geduriglijk, en Ik draai mee,
Ach, ik, een klein arm ding in duizend dingen,
Met u geslingerd in één-zelfde dringen,
Wijl onze klare stemmen kalm als twee
Koralen uit het duister hoog-op zingen.

 

 

Geglimlach

De mensen doen, maar weten niet waaróm
Zij doen, en zitte' in hun eentjes te wegen,
Hoe zij het meeste van het leven kregen,
't Leven dat langs hen gaat en ziet niet om, —

Hopen en haken of er niet wat kom,
Voelen hun hartjes van blijdschap bewegen,
Stil in hun lekkere bedjes gelegen.. .
Maar áls 't wat geeft, dan houden zij zich dom:

Dan kijken ze uit een paar onschuldige oogjes,
Willen niet, maar willen wel, en zijn bleutjes...
't Leven zegt: „zo! .." en neemt het weer weerom.

0, geef elkaar zo even maar wat droogjes
Oogjes en schuintjes en vriendlijke peutjes,
0, mensjes lief, wat zijn wij allen dom!

 

 

Mijn stemming is als van een stilstaand water

Mijn stemming is als van een stilstaand water
Vlak uitgemeten in een wijde kom.
Wat anders daalde en rees in luid geklater,
Is thans als een mooi avondweder stom.

O, ik gevoel zo innig, dat ik kom
Door droef geschrei en helderblij geschater
Op tot mijns levens hoogtepunt en ‘k som
Mijn smart van altijd op, mijn heil van later.

Ik ben een mens, die veel heeft liefgehad,
Die veel bemind was en die altijd wist,
Dat minnen zalig maakt en liefde deugd is.

Maar nu ik sta op ’t kruispunt van mijn pad,
Weet ik zo klaar, dat ‘k zeer mij heb vergist
En dat der Muze wil mijn eenge vreugd is.

 

 2236190-bb75200ed61e28353b849635424f55ea.jpg
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)
Portret door Willem Witsen, 1893

 

 

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Zie ook alle tags voor Hélène Gelèns op dit blog.

 

Mij nieuw

eind juli. in de boemel terug van de prinsentuin
naar amsterdam almaar dichter de mist almaar kouder

mijn mannen de deur uit en nieuwe laat ik aangeroerd staan
kans na kans voorbij zonder spijt maar nu trekt de kou bij mij in

de ik die ik ben denkt de ik die ik was ver van zich af
zonder spijt maar nu ik zo traag reis mis ik het minzieke

dan lees ik bij dichter W geen hoop geen zin geen bedvriendin
hoe weet ik niet maar zijn veertig en geen bed werkt over wrikt
mij open: de mist is maar mist de kou staat weer buiten
de helende kracht van poëzie? dit is mij nieuw

zomer en mannen laat ik staan - geen moed geen moed
en ook al geen moed - het voelt goed voor vandaag
maar veel langer? ach veertig ik weet hoe dat gaat
morgen of volgende maand vonk! ik weer

 

 

Halt

I
halt houden? hoe vaak al niet?
gister nog letterlijk halt: teruggepiept
naar een grutto op een niet brommen bord
vandaag nog in kwart tempo: geslingerfietst
door de tunnel die tinkelt reutelt plonkt
zo vaak halt! op een rechte weg naar huis een zijweg inslaan
want daar heuvelt het kronkelt het zindert het zomers
de dag beginnen met vrijen blijven vrijen eindeloos
vrijen terwijl je weet je moet weg aan het werk iemand wacht
zo vaak al
je legt je adem in wat zwiepzwaait wat vonkt wat klinkt
er is altijd een plek voor je hand om te rusten
maar je steigert als iemand klaagt
houd nou toch eindelijk eens halt

 

 2236190-d60a3e1d09588fe6b2c80e49da1de559.JPG
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook mijn blog van 6 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:45 Reageer op dit bericht

Als je niet oplet (Remco Campert)

 

Bij 5 mei

 

 

 2235858-97c3ca6886e805669af15f7f9d2a0480.jpg
Het Bevrijdingsmonument Irene in Den Haag

 

 

Als je niet oplet

Deze muziek mag je niet spelen
dat boek zou ik maar niet lezen
die foto zou ik maar verscheuren

met hem kun je beter niet gezien worden
daar krijg je misschien last mee
ik zou mijn mond maar houden

wat je straks alleen nog mag
is in een donker hol verborgen

verlangen naar het licht van de vrijheid

die je verspeeld hebt
omdat je even de andere kant uitkeek
toen je buren werden weggehaald

 

 2235858-33742c77426dd60cd69beb6e8cc51132.jpg
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:20 Reageer op dit bericht

Roni Margulies, Miklós Radnóti, Petra Else Jekel, Morton Rhue, Christopher Morley, George Albert Aurier, Henryk Sienkiewicz, Richard Watson Dixon, Catullus, A. Rutgers van der Loeff

De Turkse schrijver, dichter, vertaler en journalist Roni Margulies werd geboren op 5 mei 1955 in Istanbul. Zie ook alle tags voor Roni Margulies op dit blog.

 

Begane Grond

Our lift talks to me, as I go up
or down, in a gentle, protective tone.
“We are here,” she says “you may go”.
She tells me the floor we have reached,
always lets me know where I am.
 
But whenever I descend to go out
into these streets I do not belong to,
“Begane grond” she intones, in a voice
which sounds to me slightly concerned,
“Here,” I think she says, “here’s the world,
 
open the door, go. And do not fret,
everyone here is as foreign as you are.
No one belongs. Not anywhere.”

 

Vertaald door Roni Margulies

 

 

Wear And Tear

I had a blue pullover,
a cross between turquoise and sky blue.
It was my favourite, the one I wore most often.
We went through a lot together, it and I,
its colour let friends recognise me from afar.

It was a gift from Elsa;
time took its toll on it.

It thinned at the elbows, the cuffs became slack,
it sagged, wouldn’t fit me properly,
holes could no longer be darned.
Finally, together with other old clothes,
my mother sent it off to a home for the elderly.

It was on a day
years after I had last seen Elsa.

Now, I suppose, there’s an old man
wandering the streets of Istanbul,
walking into shops, gazing at the sea,
on his aged frame a blue pullover:
proof Elsa once loved me.

 

Vertaald doorSavkar Altinel

 

 2235855-6e472a856b6f9f94d5b22dd47dec0dfb.jpg
Roni Margulies (Istanbul, 5 mei 1955)

 

 

De Hongaarse dichter en schrijver Miklós Radnóti werd geboren op 5 mei 1909 in Boedapest. Zie ook alle tags voor Miklós Radnóti op dit blog.

 

Letter To My Wife

Beneath, the nether worlds, deep, still, and mute.
Silence howls in my ears, and I cry out.
No answer could come back, it is so far
From that sad Serbia swooned into war.
And you’re so distant. But my heart redeems
Your voice all day, entangled in my dreams.
So I am still, while close about me sough
The great cold ferns, that slowly stir and bow.

When I’ll see you, I don’t know. You whose calm
Is as the weight and sureness of a psalm,
Whose beauty’s like the shadow and the light,
Whom I could find if I were blind and mute,
Hide in the landscape now, and from within
Leap to my eye, as if cast by my brain.
You were real once; now you have fallen in
To that deep well of teenage dreams again.
Jealous interrogations: tell me; speak.
Do you still love me? Will you on that peak
Of my past youth become my future wife?
– but now I fall awake to real life
And know that’s what you are: wife, friend of years
– just far away. Beyond three wild frontiers.
And Fall comes. Will it also leave with me?
Kisses are sharper in the memory.

Daylight and miracles seemed different things.
Above, the echelons of bombers’ wings:
Skies once amazing blue with your eyes’ glow
Are darkened now. Tight with desire to blow,
The bombs must fall. I live in spite of these,
A prisoner. All of my fantasies
I measure out. And I will find you still;
For you I’ve walked the full length of the soul,

The highways of countries! – on coals of fire,
If needs must, in the falling of the pyre,
If all I have is magic, I’ll come back;
I’ll stick as fast as bark upon an oak!
And now that calm, whose habit is a power
And weapon to the savage, in the hour
Of fate and danger, falls as cool and true
As does a wave: the sober two times two.

 

Vertaald door Zsuzsanna Ozsvath en Frederick Turner

 

 2235855-4042695095c8d48ea606e330e155e0ba.jpg
Miklós Radnóti (5 mei 1909 – 9 november 1944)
Miklós Radnóti met zijn geliefde vrouw Fanni Gyarmati voor WO II

 

 

De Nederlandse dichteres Petra Else Jekel werd in Arnhem geboren op 5 mei 1980. Zie ook alle tags voor Petra Else Jekel op dit blog.

 

uren zat ik naast je op een treinbank, ik had

2

uren zat ik naast je op een treinbank, ik had
het mes in de mond: herkende je me niet?
het buikmeisje dat je brieven schrijft en jij

pijl in de hand, ik moet je ophalen denk ik
maar ik weet nooit waar, in amsterdam
zag je de gifmenger en je zei het tegen mij

drie woorden heb ik: kling en punt en vuur
we zeggen niets, we zitten, je haar heb je
kort afgesneden van verdriet, in berlijn

ben je content nu heb ik je zien dansen
zeg je, ik alle passen heb ik zelf bedacht
bedronken, arm in arm, de laatste nacht

 

 2235855-24345feebc25b9020c67111ccb6277d3.jpg
Petra Else Jekel (Arnhem, 5 mei 1980)

 

 

De Amerikaanse schrijver Morton Rhue (pseudoniem van Todd Strasser) werd geboren op 5 mei 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Morton Rhue op dit blog.

Uit: Give a Boy a Gun

“About Gary
Mrs. Searle and Gary moved into the house next to ours the day before second grade began. So the first time I actually saw him was at the bus stop. He was kind of quiet, but friendly enough. Some of the kids at the bus stop would play soccer in the street in the morning. I was glad when Gary came along, because I wasn't into that, and with Gary there it gave me something to do. We'd most-ly talk about stuff like Magic cards and video games and what we saw on TV. If you want to know the truth, I think Mrs. Searle was a little overprotective. I guess because she was the only parent. She always wanted to know where Gary was going, and would he be warm enough, and junk like that. Gary would just roll his eyes. Until Brendan came along, I think I was pretty much Gary's best friend. The thing about Gary was that mysterious part of him that you never knew. It was like something he kept hidden and private. I can't explain it, but I could feel it when I was with him. He'd just get quiet and you knew he was a dillion miles away. I always thought maybe it was some-thing about his parents getting divorced. — Ryan Clancy, a friend of both Gary's and Brendan's
Gary Searle was a very sweet little boy with slightly reddish brown hair and big, round eyes. He was polite and quiet and always did what he was told. I do recall that some of the children teased him about his weight. But you know how kids are at that age. — Ruth Hollington, Gary's fourth-grade teacher at Middletown Elementary School
I didn't move to Middletown until fifth grade, so I didn't know Gary before that.
After we started hanging out, he'd sometimes talk about what it was like when he was younger. About the divorce and how com-pletely nasty it was, and how after it was over, his dad just left and never paid child support or called or anything. That was a huge thorn in Gary's side. He just couldn't get over that. —Allison Findley, Gary's on-and-off girl-friend at Middletown High School
It was an ugly divorce. All that yelling and fighting. Arguing over money. Gary was caught in the middle, and sometimes I guess I used him to get what I thought I needed. What we both needed. It's a terrible thing to put a child through, but I didn't know what else to do. —Cynthia Searle, Gary's mother
"As parents, teachers, and other adults look for ways to reach out to young people, some see a common thread in the disappointments and isolation students experience when they lose a sense of place, lose a parental figure, or lose a girlfriend."

 

 2235855-3fdeed6b4c35ab8c973efb98875aa282.jpg
Morton Rhue / Todd Strasser (New York, 5 mei 1950)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en journalist Christopher Morley werd geboren op 5 mei1890 in Haverford, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Christopher Morley op dit blog.

 

When I A Householder Became

Early in the morning, when the dawn is on the roofs,
You hear his wheels come rolling, you hear his horses hoofs;
You hear the bottles clinking, and then he drives away:
You yawn in bed, turn over, and begin another day!

The old-time dairy maids are dear to every poet's heart-
I'd rather be the dairy man and drive a little cart,
And bustle round the village in the early morning blue,
And hang my reigns upon a hook, as I've seen Casey do.

 

 

Washing The Dishes

WHEN we on simple rations sup
How easy is the washing up!
But heavy feeding complicates
The task by soiling many plates.

And though I grant that I have prayed
That we might find a serving-maid,
I'd scullion all my days I think,
To see Her smile across the sink!

I wash, she wipes. In water hot
I souse each pan and dish and pot;
While taffy mutters, purrs, and begs,
And rubs himself against my legs.

The man who never in his life
Has washed the dishes with his wife
Or polished up the silver plate-
He still is largely celibate.

One warning: there is certain ware
That must be handled with all care:
The Lord Himself will give you up
If you should drop a willow cup!

 

 2235855-6c4f7fc8819163ab1eca5f3f4f1f2dd5.jpg
Christopher Morley (5 mei 1890 – 28 maart 1957)

 

 

De Franse dichter, schilder en criticus George Albert Aurier werd geboren op 5 mei 1865 in Châteauroux. Zie ook alle tags voor George Albert Aurier op dit blog.

Uit: Les Isolés, Vincent van Gogh 

« Au reste ; ce respect et cet amour de la réalité des choses ne suffisent point, seuls, à expliquer et à caractériser l'art profond, complexe, très-à-part, de Vincent Van Gogh. Sans doute, comme tous les peintres de sa race, il est très conscient de la matière, de son importance et de sa beauté, mais aussi, le plus souvent, cette enchanteresse matière, il ne la considère que comme une sorte de merveilleux langage destiné à traduire l'Idée. C'est, presque toujours, un symboliste. Non point, je le sais, un symboliste à la manière des primitifs italiens, ces mystiques qui éprouvaient à peine le besoin de désimmatérialiser leurs rêves, mais un symboliste sentant la continuelle nécessité de revêtir ses idées de formes précises, pondérables, tangibles, d'enveloppes intensément charnelles et matérielles. Dans presque toutes ses toiles, sous cette enveloppe morphique, sous cette chair très chair, sous cette matière très matière, gît, pour l'esprit qui sait l'y voir, une pensée, une Idée, et cette Idée, essentiel substratum de l'œuvre, en est, en même temps, la cause efficiente et finale. Quant aux brillantes et éclatantes symphonies de couleurs et de lignes, quelle que soit leur importance pour le peintre, elles ne sont dans son travail que de simples moyens expressifs, que de simples procédés de symbolisation. Si l'on refusait, en effet, d'admettre sous cet art naturaliste l'existence de ces tendances idéalistes, une grande part de l'œuvre que nous étudions demeurerait fort incompréhensible. Comment expliquerait-on, par exemple, le Semeur, cet auguste et troublant semeur, ce rustre au front brutement génial, ressemblant parfois et lointainement à l'artiste lui-même, dont la silhouette, le geste et le travail ont toujours obsédé Vincent Van Gogh, et qu'il peignit et repeignit si souvent, tantôt sons des ciels rubescents, de couchant, tantôt dans la poudre d'or des midis embrasés, si l'on ne veut songer à cette idée fixe qui hante sa cervelle de l'actuelle nécessité de la venue d'un homme, d'un messie, semeur de vérité, qui régénèrerait la décrépitude de notre art et peut-être de notre imbécile et industrialiste société ? Et aussi cette obsédante passion pour le disque solaire, qu'il aime à faire rutiler dans l'embrasement de ses ciels et, en même temps, pour cet autre soleil, pour cet astre végétal, le somptueux tournesol, qu'il répète, sans se lasser, en monomane, comment l'expliquer si l'on refuse d'admettre sa persistante préoccupation de quelque vague et glorieuse allégorie héliomythique ? »

 

 2235855-28454e884117847134b514e08ed6805e.jpg
George Albert Aurier (5 mei 1865 – 5 oktober 1892)
Op de drempel van de eeuwigheid door Vincent van Gogh, 1890

 

 

De Poolse schrijver en journalist Henryk Sienkiewicz werd geboren in Wola Okrzejska op 5 mei 1846. Zie ook alle tags voor Henryk Sienkiewicz op dit blog.

Uit: Quo vadis? (Vertaald door Jeremiah Curtin)

"Of course they do. Thou wilt not pass any basilica, bath, library, or book-shop without seeing a poet gesticulating like a monkey. Agrippa, on coming here from the East, mistook them for madmen. And it is just such a time now. Cxsar writes verses; hence all follow in his steps. Only it is not permitted to write better verses than Cxsar, and for that reason I fear a little for Lucan. But I write prose, with which, however, I do not honor myself or others. What the lector has to read are codicilli of that poor Fabricius Veiento." "Why 'poor'?" "Because it has been communicated to him that he must dwell in Odyssa and not return to his domestic hearth till he receives a new command. That Odyssey will be easier for him than for Ulysses, since his wife is no Penelope. I need not tell thee, for that matter, that he acted stupidly. But here no one takes things otherwise than superficially. His is rather a wretched and dull little book, which people have begun to read passionately only when the author is banished. Now one hears on every side, `Scandala! scandala!' and it may be that Veiento invented some things; but I, who know the city, know our patres and our women, assure thee that it is all paler than reality. Meanwhile every man is searching in the book,—for himself with alarm, for his acquaintances with delight. At the book-shop of Avirnus a hundred copyists are writing at dictation, and its success is assured." "Are not thy affairs in it?" "They are; but the author is mistaken, for I am at once worse and less flat than he represents me. Seest thou we have lost long since the feeling of what is worthy or unworthy,—and to me even it seems that in real truth there is no difference between them, though Seneca, Musonius, and Trasca pretend that they see it. To me it is all one!”

 

 2235855-947c61ae5f338ebaa367318c7d2f0218.jpg
Henryk Sienkiewicz (5 mei 1846 – 15 november 1916)
Cover audioboek

 

 

De Engelse dichter Richard Watson Dixon werd geboren in Islington op 5 mei 1833. Zie ook alle tags voor Richard Watson Dixon op dit blog.

 

Too Much Friendship. The Story Of Septimius And Alcander (Fragment)

Alas, as soon as ever Septimius set eyes on the lady
Hypatia — or rather she set eyes on him — he knew
that he was madly in love with her ! At this point
the srave Alcander becomes inhuman in the correct-
ness of his attitude. That magnanimity should
forbid anger, may be right, though we should have
chosen a warmer word — his 'large firm eyes filled
with concern and pity,' are well enough — but the
philosophic turn of mind which makes him instantly
recall every work that he had ever read on Friend-
ship, the arithmetical nicety with which he balances
his emotional account without a thought of the lady,
is altogether too Gibbonian. He does not even
'sigh as a lover' Avhile he 'obeys' as a friend. This
is not 'Too Much Friendship,' it is 'Too Much
Philosophy.' No doubt the problem, for any one
Avho cares about friendship, is harder than it looks
at first sight. Shakespeare himself came to grief
over it in The Two Gentlemeii of Verona ; but
Valentine's impetuous offer of Sylvia to Proteus,
though loyalty cries out against it, rings true beside
this calculated and selfish self-denial. Hypatia, very
naturally, seems to have been glad of the exchange ;
but Hypatia's kinsmen took a different view, and
they made the life of Alcander a burden to him.
'The words the words pursued.'
His own words were not of the least avail, and at
last he was sold for a slave; but still Apollo went
smiling on, and Alcander communed with books and
wrote on frizzled skins and kept himself alive with Hope.
' Hope who still drops her anchor in life's sand,
And to firm hold the atoms loose would band,
That life's tossed ship outride the tempest's rage ;
Hope, that to ease turns pain, to youth turns age :
Hope, that in mortal nature so is fixed,
That no damned wretch in misery's mortar mixed,
No sodden villain brought to extreme shame.
Would change to other, and not be the same :
Albeit both high and low would willingly
Add to themselves another's share of good,
Desiring this man's fame, and that man's Avealth,
Yonder man's beauty, and that other's health;
So they these goods upon their own might pile.
But never cease to be themselves the while :
Hope bade him live.'

 

 2235855-9e25553c45a72df630169fe134d3b4ad.jpg

Richard Watson Dixon (5 mei 1833 – 23 januari 1900)
Cover

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Romeinse dichter Gaius Valerius Catullus werd geboren in 87 v. Chr, in Sirmione bij Verona Zie ook alle tags voor Catullus op dit blog.

 

Carmina

III

Rouwt Lieflijkheden, rouwt Begeerlijkheden,
rouwt menschen van beschaving en gevoel!
Het sijsje van mijn meisje is gestorven,
het sijsje waar mijn meisje meer van hield,
meer zelfs misschien dan van haar eigen oogen.
Zoo snoezig was het, en het kende haar,
de vrouw, zoo goed als ieder kind zijn moeder.
Het was niet weg te lokken van haar schoot;
daar hippelde het aldoor heen en weer
en tjilpte maar om haar, zijn lieve vrouw.
Nu gaat het zieltje langs de duistre baan,
vanwaar men zegt dat geen terugkeer is.
Vervloekt, gij duisternissen van de hel,
die alles opslokt wat bekoorlijk is!
Zoo'n aardig sijsje hebt gij mij ontrukt.
O wandaad! O arm sijsje! 't Is om jou,
dat nu de oogjes van mijn zoetelief
rood en gezwollen van de traantjes zijn.

 

IV

O wandelaars, het jacht dat gij hier voor u ziet,
beweert het allersnelste schip geweest te zijn
en mededinging van geen enkel drijvend hout
gevreesd te hebben, 't zij door riemen voortgestuwd,
of met de bolle zeilen vliegend voor den wind.
Dat zal, zoo zegt het, noch de kust der Adria,
noch der Cycladen archipel ontkennen, noch
't roemruchtig Rhodos, 't onherbergzaam Thracisch oord
der Dardanellen of het Zwartezeegebied,
waar dat wat nu een jacht is, een bosschage was.
Want op den kam van den Cytorus placht zijn kruin,
zijn bladerdos, te ruischen in den avondwind.
Amastris en Cytorus aan de Zwarte Zee,
gij, zegt het jacht, dat dit heel goed geweten hebt
en nog wel weet; dat sedert menschenheugenis
het op uw top gestaan heeft en uw watervlak
heeft op doen spatten door der riemen plassend spel
en toen vandaar door al dat bruisend zeegeweld
zijn baas gevoerd heeft, 't zij de wind van bakboord blies,
het zij van stuurboord, dan wel zonder onderscheid
van achteren de beide schooten strak deed staan,
en nooit een schietgebedje noodig heeft gehad,
ook op zijn laatste reis niet, toen het van de zee
zijn weg vond naar de oevers van dit blanke meer.
Dat was weleer. Maar nu is het gepensioneerd
en wijdt den kalmen levensavond die nog rest,
aan broeder Castor en aan Castors tweelingbroer.

 

Vertaald door A. Rutgers van der Loeff

 

 2235855-25908d857afb2b2e986a5694d10ee59a.jpg
Catullus (87 v. Chr – 54 v. Chr.)
Catullus at Lesbia's door Sir Lawrence Alma-Tadema

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e mei ook mijn blog van 5 mei 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 13:19 Reageer op dit bericht

Der Messias (Friedrich Klopstock)

 

 

Bij de derde zondag van Pasen

 

 2235878-278d00b19fa297e9b7ef788484f6ea49.jpg
Jezus bij het meer van Tiberias door Antonio Muñoz Degrain, 1909

 

 

Uit: Der Messias (Neunzehnter Gesang)

Aber der Fremdling redet mit ihnen: »Habet Ihr Speise,
Meine Kinder?« Sie hatten die Nacht vergebens gefischet,
Hatten der Speise nicht. Da sagte der Unbekannte:
»Werfet das Netz zu der Rechte des Schiffs, so werdet Ihr finden.«
Und sie warfen es aus und konnten's nicht ziehn vor der Fische
Menge. Mit mehr Erwartungen richtete jetzo Lebbäus,
Richtete Thomas den forschenden Blick auf den Unbekannten.
Aber der Zug, so das Netz da, wo der Fremdling es sagte,
Und so schnell belastete, zeigt Johannes den Mittler.
Freudig ruft' er: »Es ist der Herr!« Da Kephas vernommen,
Daß es der Herr sei, eilet' er, gürtete sich mit dem Hemde,
Warf sich ins Meer, schwamm schnell heran zum Gestade, voll Unruh,
Christus näher zu sehn. Er sah ihn, erkannt' ihn. Die Andern
Eilten im Nachen, zogen das Netz mit den Fischen herüber,
Traten ans Land und erkannten, vor Wonne verstummt, den Versöhner.
Brod und Kohlen und Fisch' auf den Kohlen lagen vor ihnen
An dem Ufer. Der Göttliche sprach: »Bringt auch von den Fischen,
Die Ihr finget!« Und schnell sprang Kephas wieder ins Wasser,
Zog das schwere Netz voll großer Fische, das dennoch
Nicht zerriß, auf das Land, und Leben wimmelt' im Netze.
J. »Kommt und haltet das Mahl!« Sie hielten's. Vertraulich, mit Liebe
Saß er am Ufer unter den Wonnevollen und reichte
Ihnen Speise. Jetzt war das zweite der frohen Mahle,
Nach dem traurigen Mahl vor seinem Tode, geendet.

 

 2235878-2beaf08552670b924ee8aae47320522f.jpg
 (2 juli 1723 — 14 maart 1803)
St. Nikolai Kirche in Quedlinburg, de geboorteplaats van Friedrich Klopstock

 

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn volgende blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 13:19 Reageer op dit bericht

Inktvlekken (Rogi Wieg)

 

Bij 4 mei

 

 

 2235618-4aa5e8212bb0f26435426c0e39d7bd8c.jpg
Oorlogsmonument in Swalmen, Limburg

 

 

Inktvlekken

Dagboeken zijn als leven, data, dag in dag
uit. Blauwe, strakke hemels, regen. Als het aan mij lag
zou ik zeggen: laat men de dagboeken voltooien,
handschriften, thema's doen er niet toe. Gooien

we de mens voor leegoogige, gladgeschoren leeuwen
die om het bestaan van een dagboek slechts geeuwen,
dan zijn we niet die betere verre vriend of goede buur,
al kleden we ons naar de tijd en betalen we zuivere huur.

Er zijn slechte buren geweest. Het theeservies
van de mens wiens dagboek als een raam
werd dichtgeklapt - glasgerinkel, inktvlekken staat vies
op andermans aanrecht. Maak het nu beter, was het af en breng het terug.

Maar alleen de doden mogen vergeven en zij kunnen niet spreken.
Hun buren zijn andere doden, eindelijk veilig, zij hebben geen mond
of een kaarsrechte rug.

 

 2235618-1609e8b0522ac5735870ceaad381e24a.jpg
Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:17 Reageer op dit bericht

Letzter Wille (Paul Heyse), Christiaan Weijts, Amos Oz, J.W.F. Werumeus Buning, Cola Debrot

 

Dolce far niente

 

 

 2235613-7da9ac7302c7af3645968f40fef43830.jpg
Het testament door Nikolai Petrovich Bogdanov-Belsky, voor 1941

 

 

Letzter Wille

Der Tag an dem das Leben gehen wird
und ich nicht mehr aufwachen kann,
in welchem Ort oder welcher Stadt ist mir unwichtig,
das Bett werden sie mir machen wollen.
Eine ruhige Grube würde ich hier mögen,
unter diesen Zypressen,
wo ich mit meinen süßen Träumen rastete
und wohin ich meine Schritte richtete.

Am Ufer meines Sees, auf dessen Seiten
der Frieden die Flügel schlägt,
würde ich mir mit dem Murmeln der Wellen
ein Zikadengezirpe anhören,
würde ich vom hohen Monte Baldo grüßen,
dem eingeschlafenen Gipfel,
schwärzlich auf dem See,
und stolz und unabänderlich, von Sternen gekrönt.

 

 2235613-567c1321c4826406eba6c4266173f235.jpg
Paul Heyse (15 maart 1830 – 2 april 1914)
Het Treptower Park in Berlijn, de geboortestad van Paul Heyse

 

 

De Nederlandse schrijver Christiaan Weijts werd geboren in Leiden op 4 mei 1976. Zie ook alle tags voor Christiaan Weijts op dit blog.

Uit: De polyfonie van het innerlijk (Bij Pessoa’s gedichten)

“In hetzelfde stuk staat een passage die voor mij de veelheid van stemmen en het spel met heteroniemen in een verhelderend licht plaatste. Over moraal en esthetiek stelt Pessoa (inderdaad Pessoa ‘zelf ’, want hij schrijft dit onder zijn eigen naam): ‘Wat de opvattingen van een mens als staatsburger ook zijn, hij mag er niet één hebben als kunstenaar. Op politiek vlak is het immoreel onpartijdig te zijn; op esthetisch vlak is het immoreel partijdig te zijn.’
Voor Pessoa is de kunstenaar principieel onpartijdig, iemand zonder ‘opvattingen’ zelfs. Dit ideaal spiegelt zich rimpelloos in Pessoa’s praktijk. Hij verkondigt niet, hij onderzoekt. Om de vereiste onbevangenheid daarvoor te waarborgen mogen morele, politieke of zelfs esthetische ideeën geen stoorzenders zijn. Hij mag ‘niet één’ opvatting hebben, en geven zijn gedichten wel blijk van zo’n opvatting, wat onvermijdelijk is, dan is dat noodzakelijkerwijs een voorlopige, relatieve opvatting.
Dat is ook hoe het met romanpersonages gaat. Die krijgen eveneens met opvattingen en eigenschappen toebedeeld die, vanzelfsprekend, niet die van de schrijver zijn en die, even vanzelfsprekend, met elkaar in strijd kunnen zijn, omdat ze de wereld of de menselijke natuur elk vanuit een ander gezichtspunt onderzoeken en articuleren.
Het is zoals heteroniem Ricardo Reis dicht:

Ik heb meer dan één ziel
Meer ikken dan ikzelf.
En niettemin besta ik,
Voor allen onverschillig.
Ik maak hen stil: ik spreek.’

(Uit Oden)

De onpartijdigheid heet hier ‘onverschillig’ en de dichter werpt zich als willoos medium op voor de verschillende stemmen die pas zwijgen zodra hij spreekt."

 

 2235613-fa895e14e6b3740eb77a1c877f885c8a.jpg
Christiaan Weijts (Leiden, 4 mei 1976)

 

 

De Israëlische schrijver Amos Oz, (eig. Amos Klausner) werd geboren in Jeruzalem op 4 mei 1939. Zie ook alle tags voor Amos Oz op dit blog.

Uit: A Tale of Love and Darkness

“Some of them were Tolstoyans who might have stepped straight out of the pages of a novel by Dostoevsky: tormented, talkative, suppressing their desires, consumed by ideas. But all of them, Tolstoyans and Dostoevskians alike, in our neighborhood of Kerem Avraham, worked for Chekhov.
     The rest of the world was generally known as "the worldatlarge," but it had other epithets too: enlightened, outside, free, hypocritical. I knew it almost exclusively from my stamp collection: Danzig, Bohemia, and Moravia, Bosnia and Herzegovina, Ubangi-Shari, Trinidad and Tobago, Kenya, Uganda, and Tanganyika. That worldatlarge was far away, attractive, marvelous, but to us it was dangerous and threatening. It didn't like the Jews because they were clever, quick-witted, successful, but also because they were noisy and pushy. It didn't like what we were doing here in the Land of Israel either, because it begrudged us even this meager strip of marshland, boulders, and desert. Out there, in the world, all the walls were covered with graffiti: "Yids, go back to Palestine," so we came back to Palestine, and now the worldatlarge shouts at us: "Yids, get out of Palestine."
     It was not only the worldatlarge that was a long way away: even the Land of Israel was pretty far off. Somewhere, over the hills and far away, a new breed of heroic Jews was springing up, a tanned, tough, silent, practical breed of men, totally unlike the Jews of the Diaspora, totally unlike the residents of Kerem Avraham. Courageous, rugged pioneers, who had succeeded in making friends with the darkness of night, and had overstepped every limit, too, as regards relations between a boy and a girl and vice versa. They were not ashamed of anything. Grandpa Alexander once said: "They think in the future it's going to be so simple, a boy will be able to go up to a girl and just ask for it, or maybe the girls won't even wait to be approached, but will go and ask the boys for it, like asking for a glass of water." Shortsighted Uncle Betsalel said with polite anger: "Isn't this sheer Bolshevism, to trample on every secret, every mystery?! To abolish all emotions?! To turn our whole life into a glass of lukewarm water?!" Uncle Nehemia, from his corner, let fly a couple of lines of a song that sounded to me like the growling of a cornered beast: "Oh, long is the journey and winding the road, I travel o'er mountain and plain, Oh Mamma, I seek you through heat and through snow, I miss you but you're far away!..." Then Aunt Zippora said, in Russian: "That'll do, now. Have you all gone out of your minds? The boy can hear you!" And so they all changed to Russian.”

 

2235613-d14feb4fac6995bb2d43db35491b4e48.jpg
Amos Oz (Jeruzalem, 4 mei 1939)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Johan Willem Frederik Werumeus Buning werd geboren in Velp op 4 mei 1891. Zie ook alle tags voor J. W. F. Werumeus Buning op dit blog.

 

Ballade van de dingen die niet overgaan

De geur van diepe bossen na den regen,
De geur van water en van roestbruin hout,
De geur van 't paard dat men het liefst mag rijden,
En van het donker haar waarvan men houdt,
Duister en licht in 't witte bed gelegen,
En, wat het beste is in dit bestaan,
Te slapen met de liefste aan zijn zijde
En dat dit zo zal zijn in alle tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

De kracht van stieren in de voorjaarsweide,
De glans van tranen en van witte zijde
En parelen om een slanke hals gedaan,
De macht van armen om een hals geslagen,
De nacht van zoete antwoorden en vragen,
De pijn der vrouwen die in 't kraambed gaan,
De pijn die men van zijn vriendin moet lijden
En dat dit zo zal zijn in alle tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

Geluid van water dat van rotsen stort
En van een kerk waarin gezongen wordt,
En van zwaar weer, dat niet wil overgaan,
Van slagregens in slapeloze nacht
Dat men verlaten ligt en niet meer wacht,
Het leeg wit bed, beschenen door de maan,
De liefde die verkeert in 't lange lijden,
En dat dit zo zal zijn in alle tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

Valsheden, van zijn vrienden ondergaan,
Haat, afgunst, nijd, bedrog en eigenwaan,
Spijt en berouw, en dat men 't meest moet lijden
Om wat men door de liefde heeft misdaan,
En dat dit alles niet was te vermijden
Maar eeuwig zo zal zijn en voort zal gaan,
En wolken die stil drijven langs de maan
Terwijl men ligt en denkt aan beter tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

De stank van drek, rot vlees en rottend graan,
't Gezicht der liefste die is uit haar lijden,
De aasvlieg die daarop te gast wil gaan,
De huichelaars die uw geluk benijden,
De straf, dat men gestraft wordt door zijn vrienden,
Terwijl 's lands vijanden slechts straf verdienden,
Het onrecht, in den naam van recht gedaan,
En dat dit zo zal zijn in alle tijden,
Dit zijn de dingen die niet overgaan.

 

 2235613-ba31cc2796cca7591d0687b9d7694fff.jpg
J.W.F. Werumeus Buning (4 mei 1891 – 16 november 1958)

 

 

De Antilliaanse schrijver, dichter, arts, diplomaat, jurist, minister, filosoof en balletcriticus Cola Debrot werd geboren te Kralendijk (Bonaire) op 4 mei 1902. Zie ook alle tags voor Cola Debrot op dit blog.

 

Vijf sonnetten uit Hades

 

III
Dochterke lief, het is thans uitgekomen
zoals je vader te vertellen placht
de keren, dat hij in een duistere nacht
zijn kindeke in zijn armen heeft genomen.

Het dodenrijk heeft veel weg van de dromen
waarin men wild om gekke dingen lacht
ofwel een traan pinkt om iets teers of zachts
of rose bloemen plukt aan blauwe stromen.

Al heb 'k mijzelf vaak om iets liefs bedrogen,
al ligt het wonder buiten mijn vermogen,
ik weet thans dat het wél gebeuren zal.

Ik sta weer, tot het uiterste bewogen,
over een kind in rieten wieg gebogen,
terwijl de aard voortwentelt door 't heelal.

 

 

IV
Geen mens sterft vooraleer hij is genegen
te worden opgenomen in het schuim
van grauwe wolken en het blauwe ruim
dat om ons land zich uitbreidt allerwegen.

De vogels hebben onze vrêe doorsneden,
zwarte of rode pijlen door het ruim
van helderblauw en grauw aanzwellend schuim,
maar ook de waan hoort ras tot het verleden.

Zij zaten samen op de groene vlakte,
mijn vrouw en kind, dat speelde met een bloem,
een ding van niks, dat aan zijn stengel knakte.

Terwijl ik toezag, hoorde ik gezoem
van stilte en geluk, waarnaar ik snakte,
hoewel 'k mijzelf terecht een dode noem.

 

V
Gruwzaam zijn zij die het geluk weerstreven.
Schenk toch je dochter aan de goede bastaard.
Hij weze al geen stamvee of geen raspaard,
waarom zij vraagt zal hij haar ruimschoots geven.

Zo jij je in de koloniale pas schaart,
zal zij haar vurige verlangens reven
en voortaan in de zore weemoed leven
van wie verwezen in 't champagneglas staart.

Drie bleekgezichten gaf zij reeds de bons.
Kijk niet te streng, vooral niet met een frons.
Wees flink en hecht niet aan de oude zeden.

Het leven is niet wat het vroeger scheen.
Vergeef mij als ik zeg wat ik thans meen.
Ik kus je diep, al ben ik overleden.

 

 2235613-d2b6e226a6accb0779308942ae9bf13a.jpg
Cola Debrot (4 mei 1902 – 3 december 1981)

 


Zie voor nog meer schrijvers van de 4e mei ook mijn blog van 4 mei 2018 en ook mijn blog van 4 mei 2017 en ook mijn blog van 4 mei 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:15 Reageer op dit bericht

Éric Vuillard

De Franse schrijver en regisseur Éric Vuillard werd geboren op 4 mei 1968 in Lyon. Het eerste boek van Eric Vuillard, “Le chasseur” (De jager) verscheen in 1999. Vervolgens publiceerde hij de poëziebundel “Bois vert” en de korte roman “Tohu”. In 2010 verscheen zijn roman “Conquistadors”, over de verovering van Peru door Pizarro en de val van het Inca-rijk. Vervolgens verschenen vrijwel tegelijkertijd “La Bataille de l’Occident” (De Slag om het Westen), over de militaire strategie tijdens de Eerste Wereldoorlog en de verschrikkelijke gevolgen daarvan op het slagveld en “Congo”, een documentaire roman over de verdeling van Afrika en de creatie van Kongo-Vrijstaat in 1884. In “Tristesse de la terre” schreef Vuillard over de oprichting en de shows van het circus van Buffalo Bill. In 2016 publiceerde hij “14 juillet” (14 juli) over de bestorming van de Bastille aan het begin van de Franse revolutie. In 2017 ontving Éric Vuillard de Prix Goncourt voor zijn boek “L’ordre du jour” (De orde van de dag). Net als in zijn eerdere documentaire romans gebruikt hij historische documenten om opnieuw het verhaal te vertellen over de Duitse annexatie van Oostenrijk in 1938 en de machinaties die hieraan voorafgingen. De boeken van Éric Vuillard zijn vertaald in het Engels, Duits en Spaans en Nederlands vertaald. Éric Vuillard regisseerde de speelfilm “Mateo Falcone”, een bewerking van een kort verhaal van Prosper Mérimée. De film werd gepresenteerd op het Internationaal filmfestival van Turijn, (Italië) en op het filmfestival Premiers Plans in Angers (Frankrijk). Ook was hij de scenarioschrijver van de film “La vie nouvelle”.

Uit L'Ordre du jour

"À cet instant, peut-être, Hitler sourit. Lorsque les gangsters ou les fous furieux sourient, il est difficile de leur résister ; on veut en finir au plus vite avec la source de ses malheurs, on veut la paix. Et puis, entre deux épisodes de torture morale, un sourire possède sans doute un charme particulier, comme une éclaircie.
(…)

« Ils écoutèrent. Le fond du propos se résumait à ceci : il fallait en finir avec un régime faible, éloigner la menace communiste, supprimer les syndicats et permettre à chaque patron d’être un Führer dans son entreprise. Le discours dura une demi-heure. Lorsqu’Hitler eut terminé, Gustav se leva, fit un pas en avant et, au nom de tous les invités présents, il le remercia d’avoir enfin clarifié la situation politique. Le chancelier fit un rapide tour de piste avant de repartir. On le congratula, on se montra courtois. Les vieux industriels paraissaient soulagés. Une fois qu’il se fut retiré, Goering prit la parole, reformulant énergiquement quelques idées, puis il évoqua de nouveau les élections du 5 mars. C’était là une occasion unique de sortir de l’impasse où l’on se trouvait. Mais pour faire campagne, il fallait de l’argent ; or, le parti nazi n’avait plus un sou vaillant et la campagne électorale approchait. À cet instant, Hjalmar Schacht se leva, sourit à l’assemblée, et lança : « Et maintenant, messieurs, à la caisse ! »
Cette invite, certes un peu cavalière, n’avait rien de bien nouveau pour ces hommes ; ils étaient coutumiers des pots-de-vin et des dessous-de-table. La corruption est un poste incompressible du budget des grandes entreprises, cela porte plusieurs noms, lobbying, étrennes, financement des partis. La majorité des invités versa donc aussitôt quelques centaines de milliers de marks, Gustav Krupp fit don d’un million, Georg von Schnitzler de quatre cent mille, et l’on récolta ainsi une somme rondelette. Cette réunion du 20 février 1933, dans laquelle on pourrait voir un moment unique de l’histoire patronale, une compromission inouïe avec les nazis, n’est rien d’autre pour les Krupp, les Opel, les Siemens, qu’un épisode assez ordinaire de la vie des affaires, une banale levée de fonds. Tous survivront au régime et financeront à l’avenir bien des partis à proportion de leur performance."

 

 2247057-eb829497e4bcdd8088816b2237caae9e.JPG
Éric Vuillard (Lyon, 4 mei 1968)



Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Krankenbesuch (Karl Gerok), Erik Lindner, Jehuda Amichai, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2235484-9a993d453490adaa3319dd934d123c13.jpg
In het ziekenhuis door Nikolay Petrovich Bogdanov-Belsky, ca. 1910

 

 

Krankenbesuch

Psalm 80, 4.
Lass leuchten dein Antlitz, so genesen wir.

Frühwinter wars, erstorben Busch und Baum,
Da pilgert‘ ich zu eines Kranken Hütte,
Fern lag sie an der Vorstadt letztem Saum,
In weißer Felder, öder Gärten Mitte.

Eng war die Pforte, niedrig das Gemach,
Gebückt nur trat ich in die düstre Kammer,
Doch wie viel Elend unter niedrem Dach,
Im engen Stüblein wie viel Not und Jammer!

Schwindsüchtig lag der Vater hingestreckt
Und hob mit Müh sein bleiches Haupt vom Lager,
Darauf, mit großem Teppich schlecht bedeckt,
Sein Leib sich krümmte, abgezehrt und mager.

Aus hohler Brust schon röchelte der Tod,
Doch hofft er noch zu leben, nicht zu sterben,
Für Weib und Kinder noch ein kärglich Brot
Mit seiner Hände Arbeit zu erwerben.

Ein holdes Knäblein schlief in seinem Arm,
Mit roten Wangen, leichtem Kinderodem,
Süßträumend mitten unter Not und Harm,
Frischblühend in der Krankenstube Brodem.

Ein ältres Mägdlein aber saß abseits,
Mit frosterstarrten Fingern mühsam strickend,
Ein kränkelnd Blümlein, frühgeknickt vom Kreuz,
Aus trüben Augen scheu und schüchtern blickend.

Wie dann die bleiche Mutter trat hervor,
Und schlicht mir ihrer Leiden Lauf erzählte,
Mit Blicken sagend, was sie vor dem Ohr
Des Kranken sorglich schonend gern verhehlte:

Die Angst um ihres Gatten nahen Tod,
Den schon der Arzt mit dürrem Wort verkündet,
Die Angst dabei um Hauszins, Holz und Brot,
Die mit der Angst der Liebe sich verbündet! –

Nicht am Altar, gedeckt mit Purpursamt,
Auf goldner Kanzel nicht, an heilger Stätte,
Ward mir so schwer, ward mir so süß mein Amt,
Wie hier an dieses Tagelöhners Bette.

Da galts, ein himmlisch Evangelium
Zu predigen den Kranken und den Armen,
Da galts, zum Herrn im obern Heiligtum
Aus tiefer Not zu schreien um Erbarmen.

Da galts, zu spenden Leibes- und Seelenkost,
Und als ich schied aus der betrübten Kammer,
Ließ ich zurück wohl einen Strahl von Trost,
Trug aber weg dafür ein Herz voll Jammer.

Doch sieh! wie grüßt ein wunderholder Glanz
Mein düstres Auge an des Hauses Schwelle:
Der Weg, der Zaun, die weite Landschaft ganz,
Sie lodert rings in rosenroter Helle!

Die Wintersonne wars im Untergehn,
Die noch die Wolken rosig überhauchte,
Die schwarze Stadt, die weißbeschneiten Höhn
In sanfte Glut, in holdes Feuer tauchte.

Das kahle Feld, die blumenleere Flur,
Der Rebenhügel frostig öde[s] Warten,
Die winterlich erstorbene Natur,
Sie blühte wie ein weiter Rosengarten.

Da hob ich zu der Sonne mein Gesicht:
„Gesegnet sei, du freundliche und milde,
Die auch den kurzen Tag verklärt in Licht
Und Rosen zaubert auf das Schneegefilde!

„Du sollst ein Bild mit jener Sonne sein,
Die sich in Christi Antlitz uns erschließet,
Und mit des Himmels goldnem Widerschein
Die dürre Scholle dieser Welt umgießet;

„Die auch den rau’sten Weg im Pilgerland
Mit der Verheißung Rosenlicht bestrahlet,
Und an des Armen kahle Stubenwand
Ein Paradies in Gold und Purpur malet;

„Die noch ein sterbend Auge, eh es brach,
Verklären kann in sel’ge Himmelswonne;
-- O, einen Strahl auch unter jenes Dach
Von deinem Glanz, du ew’ge Geistersonne!“

 

 2235484-4a164db247f619d1e31b6443d655bc8b.jpg
Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890)
Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok

 

 

De Nederlandse dichter Erik Lindner werd geboren op 3 mei 1968 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Erik Lindner op dit blog.

 

Vers

De hemelstaarder staat onder een boom.
Prevelend loopt de regen in zijn oog.
En alle wolken zijn van marmer.
En alle bladeren dragen een andere naam.

Steels is deze voor eeuwig te behouden
overgave, nog in staat tot verzet.
Eens de schoonheid te dicht genaderd
bloedt de inrichting van haar toilet.

Hij glijdt uit de vijver in een vlies
van klank die zijn woorden ontzet.
De takken buigen tot een melodie
de kracht verwerft die hem belet.

 

 

Au repos

Hier is de deur, daar is een kruk.
Het licht houdt op bij het raam.
De kleur van de vloer vloeit uit.
Het naakt lijkt iets mee te delen.
Het kan niet alleen zijn wat het is.
Er komt dadelijk een keerpunt in
de verlamming die Balthus bracht.
De lingeriereclames van de haltes
en wij op de achterbank van bus vijf,
omringd door het jodoform van Bronovo. Nu

zit ze voor lijk in een fauteuil,
gevlekt waar haar ondergoed was,
in een wit overhemd dat als een doek
om haar schouders valt - en wat haar
rechterborst kon zijn deels bedekt. Een been
raakt net de vloer, het ander ligt onder
de dij, een hand omklemt de leuning,
de ander valt eroverheen. De rug
van de fauteuil boven haar
weggedraaid gezicht.

 

 

De sleutel

I
De stad oogt onbewoonbaar op deze heldere dag
een jongen van nauwelijks twaalf
klimt vanaf een auto een boom in
en snijdt bebloemde takken af

de resten van het handvat
tussen het stof achter de kachel
en de fles in de greep van zijn hand
en het water dat langs de pols loopt

helder is de stad niet onbewoonbaar is de dag.

 

 2235484-9898f84387b4c34eef4931d69a086107.jpg
Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)

 

 

De Duits-Israëlische dichter en schrijver Jehuda Amichai werd op 3 mei 1924 geboren in Würzburg. Zie ook alle tags voor Jehuda Amichai op dit blog.

 

Dingen die kwijt zijn

Uit advertenties in de krant en van mededelingenborden
leer ik over dingen die kwijt zijn.
Zo weet ik wat de mensen hadden
en waar ze van houden.

Op een keer zakte mijn hoofd vermoeid op mijn
harige borst en daar vond ik de geur van mijn vader
terug, die jarenlang kwijt was geweest.

En mijn herinneringen zijn als iemand
die niet meer terug mag naar Tsjechoslowakije
of die bang is om weer naar Chili terug te gaan.

Soms zie ik weer
de holle witte kamer
met het telegram
op tafel.

 

 

Zo'n vrouw

Zo'n vrouw, mooi als een droomontwerp
van een moderne architect, en elegant als was ze uitgeknipt
uit een modeblad voor koningen.

Maar een vergetende en een verliezende vrouw!
En alle dingen die ze vergeet en verliest
zijn het handschrift van haar leven
en het rest mij dat te leren lezen:
maar als ik het eindelijk kan lezen
en opkijk,
is ze al ver weg.

 

 

Vertaald door Tamir Herzberg

 

 

Ik ben een gast in dit leven

Ik ben een gast in dit leven, maar ik zie,
mijn gastgevers worden langzaamaan
moe en ongeduldig.
Bomen beven, bergen trekken
van de ene plaats naar de andere, de hemel geeuwt.
In de nachten doen de winden
van alles onrustig bewegen: rook, mensen, lichtjes.

Ik schrijf mijn naam in Gods gastenboek:
Ik kwam, bleef hier even, het was goed,
Ik heb genoten, gezondigd, bedrogen -
Van de ontvangst in deze wereld
was ik erg onder de indruk.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 2235484-c0701258ac4d7ad7cd1691758170d33c.jpg
Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e mei ook mijn blog van 3 mei 2018 en ook mijn blog van 3 mei 2017 en mijn blog van 3 mei 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:57 Reageer op dit bericht

Frederik Hemkes

De Nederlandse dichter Frederik Leonardus Hemkes werd geboren in Noordwijk 3 mei 1854. Hemkes studeerde enige tijd in Leiden en behaalde vervolgens de MO-akte Nederlands, waarna hij enkele jaren leraar was in Venlo. Zijn poëzie beperkte zich tot één bundel “XL Gedichten” (1882). Naar de vorm sluiten deze gedichten aan bij die van Staring en Potgieter, maar de emotionaliteit loopt vooruit op die van de Tachtigers. Het hoofdthema van zijn poëzie is de dood. Het meest bekend bleven de gedichten ‘Het kindeken van den dood’, geschreven naar aanleiding van het overlijden van zijn enig zoontje, en ‘Geuzenvendel op den thuismarsch’. In 1957 verzorgde P.J. Meertens de uitgave Veertig gedichten van Hemkes.

 

Het kindeke van de dood

Hoe ligt de stille heide dáár
Gelijk een bloeiend graf!
Geen klank, geen lied breekt even maar
Het doodse zwijgen af;
't Is, of die nevel, koud en kil,
Het brede land begraven wil;
De zon schijnt vreemd en rood, -
En op de hei speelt bleek en stil
Het Kindeke van de Dood.

Er leefde een kind in 't heideland,
Een zwak en zieklijk wicht;
Dat had zijn vreugd aan elke plant,
Die bloeit bij warmte en licht;
Steeds wilde 't op de heide zijn
En huppelen in de zonneschijn,
Zijn liefste speelgenoot;
Men noemde 't om zijn stervenspijn
Het Kindeke van de Dood.

En eenmaal op een dag in Mei,
Was 't kind zo moe, zo loom;
Hem leek de brede, bruine heî
Wel 't landschap uit een droom;
De vogels zongen ginder ver,
Als zweefden ze op een gouden ster
Hoog boven zorg en nood,
En kweelden zoet en zongen er
Voor 't Kindeke van de Dood.

Het was hem, of de nacht begon,
De bange duistre nacht,
Al had nog niet de lieve zon
Haar halve loop volbracht;
Aan zon en bloesem hing zijn hart;
Het dacht niet aan zijn boze smart,
Aan bittre pijn en nood;
Te sterven was zelfs wreed en hard
Voor 't Kindeke van de Dood.

En 't bad, - dat als 't begraven lag
het ieder jaar in Mei,
Slechts éne blijde, lange dag
Mocht spelen op de hei,
En, als het middaguur begon,
Mocht hupplen in de warme zon,
Tot weêr het daglicht vlood -
Het kind dat niemand helen kon,
Het Kindeke van de Dood.

Wie kent de macht van 't schuldloos kind,
Dat stervend vraagt en hoopt?
Soms rijst, wanneer de Mei begint,
Eer 't middaguur verloopt,
Een nevel op, die koud en kil,
Het brede land begraven wil;
De zon schijnt vreemd en rood; -
Dan speelt op 't heiveld, bleek en stil
Het Kindeke van de Dood.

Dan leeft en zweeft het heel de dag
En speelt met bloem en plant;
Dan klinkt bij wijle een vreemde lach
Langs 't eenzaam heideland,
Maar als de zon in 't Westen scheidt,
En stervend nog een luister spreidt
Van glansrijk avondrood -
Dan klaagt een kinderstem, dan schreit
Het Kindeke van de Dood.

 

 2248533-f305aa5fd5103e9e65681e97c25ff1f7.jpg
Frederik Hemkes (3 mei 1854 – 19 april 1887)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Der alte Mann und seine Hände (Hermann Hesse)

 

Dolce far niente

 

 2235268-33615e67a076707634049e7b293be47b.jpg
Portret van een oude man door Paul Cezanne, ca. 1866

 

 

Der alte Mann und seine Hände

Mühsam schleppt er sich die Strecke
Seiner langen Nacht,
Wartet, lauscht und wacht.
Vor ihm liegen auf der Decke
Seine Hände, Linke,Rechte,
Steif und hölzern, müde Knechte,
Und er lacht
Leise, daß er sie nicht wecke.

Unverdrossener als die meisten
Haben sie geschafft,
Da sie noch im Saft.
Vieles wäre noch zu leisten,
Doch die folgsamen Gefährten
Wollen ruhn und Erde werden.
Knecht zu sein,
Sind sie müde und dorren ein.

Leise, daß er sie nicht wecke,
Lacht der Herr sie an,
Langen Lebens Bahn
Scheint nun kurz, doch lang die Strecke
Einer Nacht... Und Kinderhände,
Jünglingshände, Männerhände
Sehn am Abend, sehn am Ende
So sich an.

 

 2235268-6b95e6827b2ee56adc43fefbf07023fe.jpg
Hermann Hesse (2 juli 1877 – 9 augustus 1962)
Nikolausbrücke in Calw, de geboorteplaats van Hermann Hesse

 

 

Zie voor de schrijvers van de 2e mei ook mijn blog van 2 mei 2018 en ook mijn blog van 2 mei 2017 en ook mijn blog van 2 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 20:28 Reageer op dit bericht

Bundeslied (Georg Herwegh)

 

Bij 1 mei

 

 2234965-96341e62eb517b627b8f96fc921eba00.jpg
Das Eisenwalzwerk door Adolph von Menzel, 1872 - 1875

 

 

Bundeslied

Bet und arbeit! ruft die Welt
Bete kurz! denn Zeit ist Geld
An die Türe pocht die Not -
Bete kurz! denn Zeit ist Brot

Und du ackerst, und du säst,
Und du nietest, und du nähst,
Und du hämmerst, und du spinnst -
Sag, o Volk, was du gewinnst!

Wirkst am Webstuhl Tag und Nacht
Schürfst im Erz- und Kohlenschacht,
Füllst des Überflusses Horn,
Füllst es hoch mit Wein und Korn.

Doch wo ist d e i n Mahl bereit?
Doch wo ist d e i n Feierkleid?
Doch wo ist d e i n warmer Herd?
Doch wo ist d e i n scharfes Schwert?

Alles ist dein Werk! o sprich,
Alles, aber nichts für dich!
Und von allem nur allein,
Die du schmiedst, die Kette, dein?

Kette, die den Leib umstrickt,
Die dem Geist die Flügel knickt,
Die am Fuß des Kindes schon
Klirrt - o Volk, das ist dein Lohn.

Was ihr hebt ans Sonnenlicht,
Schätze sind es für den Wicht;
Was ihr webt, es ist der Fluch
Für euch selbst - ins bunte Tuch.

Was ihr baut, kein schützend Dach
Hat's für euch und kein Gemach;
Was ihr kleidet und beschuht,
Tritt auf euch voll Übermut.

Menschenbienen, die Natur,
Gab sie euch den Honig nur?
Seht die Drohnen um euch her!
Habt ihr keinen Stachel mehr?

Mann der Arbeit, aufgewacht!
Und erkenne deine Macht!
Alle Räder stehen still,
Wenn dein starker Arm es will.

Deiner Dränger Schar erblaßt,
Wenn du, müde deiner Last,
In die Ecke lehnst den Pflug,
Wenn du rufst: Es ist genug!

Brecht das Doppeljoch entzwei!
Brecht die Not der Sklaverei!
Brecht die Sklaverei der Not!
Brot ist Freiheit, Freiheit Brot!

 

 2234965-a1cf57629fbd0505d5c82fd24f3685de.jpg
Georg Herwegh (31 mei 1817 – 7 april 1875)
Heizkraftwerk Stuttgart-Gaisburg in Stuttgart, de geboorteplaats van Georg Herwegh

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e mei ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn blog van 1 mei 2018 en ook mijn blog van 1 mei 2016 deel 1 en deel 2 en deel 3.

Geschreven door Romenu om 19:04 Reageer op dit bericht

Bertolt Brecht, Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

 

Dolce far niente

 

 2234958-49e9061cc1063b2453ea6fe3cf664297.jpg
Oude man met drie kinderen door Guillaume van Strydonck, ca. 1890

 

 

Der alte Mann im Frühling

Ach, in meinen Jugendjahren
War der Frühling schöner noch als heut.
Daß die schönen Mädchen schöner waren
Ist das letzte, was uns Alte freut.

Deine Mutter sagt es auch seit Jahren
Alter macht das Urteil erst gescheit.
Denn wir Alten haben viel erfahren:
Aber dieses war die schönste Zeit.

Daß die Wiesen nicht und nicht die Ähren
Wie dereinst so golden und so grün
Muß wohl sein; denn wenn sie noch so wären
Könnt ich doch nie mehr zu ihnen hin.

Aber daß die Sonne immer kälter
Wo sie doch dereinst so herrlich war -
Ist nicht gut, denn wird man merklich älter
Liebt man Sonne mehr mit jedem Jahr.

Und Gedichte, Liebende und Leben
Ist nun anders als es früher war -
Und nur wir sind immer gleiich geblieben.
Denn man haßt die Änderung im grauen Haar.

 

 2234958-3340c13c75aa3ac1a16d2a3afba11d60.jpg
Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)
Het Weberhaus in Augsburg, de geboorteplaats van Bertolt Brecht

 

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook alle tags voor Guido Gezelle op dit blog.

 

Heb meelijen

Heb meelijen met de bomen, laat
de bast hun ongeschonden;
bewaar ze voor de nijdigheid
der kwade nagelwonden;
geen onbarmhartig mensenkind
ze dood en kwelle: geeft
de vrijheid aan des Scheppers hand,
die in hun lenden leeft.

Hoe schandelijk ontmaakselt en
ontmooit gij mij de vrome,
de vrije en blije bomen, die ‘k
zo geren tegenkome
omtrent uw huis en hof, o gij,
die God met harte en oog
heeft toegerust, om Hem te zien
in ‘t heerlijk boomvertoog.

‘k Zie opgeroeste pikken, moe
van kappen en van kerven,
gehamerd om de essenboom,
de essenboom bederven,
daaraan het hekken vastgehaakt
de bilken sluit, en ‘t vee
belemmert, dat zijn vulte zoekt,
en voedsel, in de wee.

‘k Zie bomen, die gebonden staan,
in ‘s dwingers boze handen,
die nooit geen duimbreed af en laat
zijne ijzervaste banden,
maar, spannende en onroerbaar, al
dat leeft en roert in ‘t lijf
der bomen doet misdragen tot
een eerloos wanbeklijf.

Gebulte bomen zie ‘k, en die,
doorhakkeld en dooreten,
vol krammen en vol haken staan
gespijkerd en gesmeten;
die werken zo Gods wet hun wijst,
die tranen en die bloên,
o mense, om eenmaal vrij te zijn
van al uw dartel doen.

Of staan ze meer niet vast genoeg,
de wortelvaste bomen?
en vreest gij dat ze henen-gaan
en mee met ‘t water stromen;
of vliegen in de lucht, omdat
gij scherpe draden spint,
en lange reken bomen al
in snijdend garen windt?

Och arme, en is ‘t genoeg u niet
dat, schier nog ongeboren,
het hout alree geknipt moet zijn,
geschonden en geschoren,
dat ‘t, galoos en tot alles dat
het niet en is gepraamd,
wordt "gloriette" en "pyramide",
en "espalier" genaamd!

Heb meelijen met de bomen, laat
hun schoonheid ongeschonden,
die schoonder is, onaangeroerd,
onvast en ongebonden,
zo God ze liet gewassen zijn,
gewonnen en gebaard,
als al hetgene gij, o mens,
verzint en hebt vergaard.

 

 

Eeuwelingen

Gedaagde, bodemvaste bosgenoten,
bomen, die ‘k, wel vijftig jaren lang,
boom wete; en zo hoge als nu geschoten,
gezien hebbe, op zo menig wandelgang;
wat ben ik, arme miere, u bijgeleken,
die sta en u aanschouwe, o hoge bomenreken!

Mijn handen, uitgestrekt, en konnen, eiken,
beuken, op wel twee drie vamen naar,
vamende u om ‘t lijf, malkaar bereiken,
noch meten uwe stam, die, machtig zwaar,
die machtig diepe staat, de grond beneden,
in de onuitroeibaarheid van uwe wortelsteden.

Gij grijpt mij, grote bomen, vast; en ‘k voele
vreze mij het hert des herten slaan,
hore ik, al met eens, omhoge, ‘t koele
gedaver van de winden dóór u gaan!...
Gij spreekt dan tegen hen zo'n zware sprake,
dat, angstig en ontsteld ik worde, en koud gerake!

 

 2234958-1b18d0faf9223823ab9e856f571bb415.jpg
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Portret door Henri Bogaerts (1889) of door Hubert Bogaerts (1902)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Zie ook alle tags voor Johano Strasser op dit blog.

Uit: Als wir noch Götter waren im Mai

„Jedenfalls hatte ich nie das Gefühl, allein zu sein, wenn ich am Morgen diesen Weg zurücklegte. Alles sprach zu mir, der Wind, die Bäume, die Vögel, das fast lautlos dahingleitende dunkelbraune Wasser des Baches, die struppigen Ginsterbüsche. Es war nichts Besonderes, nichts, worüber man hätte reden müssen, ich gehörte ganz selbstverständlich dazu. Es war meine Landschaft, so wie man meine Familie sagt. Die Landschaft meiner Kindheit, das ist die Landschaft des nördlichen Niedersachsens, die Sandhügel, die Moore, die Flussniederungen, die kargen Heideflächen und die lichten Föhrenwälder. Von den früheren Eindrücken aus meinem Geburtsland Holland ist mir nicht viel im Gedächtnis geblieben, allenfalls vage Bilder von Wassergräben voller Entengrütze und vom Deich bei Bergen op Zoom mit einem blankgeputzten Himmel darüber. Alles andere stammt von den späteren Besuchen bei meinen Großeltern in Leeuwarden, als wir - ich war zehn oder elf Jahre alt - mit dem Dampfer über Kanäle und Seen bis nach Grouw fuhren und das Schiff mitten in einem riesigen Seerosenfeld auf Grund lief und erst wieder freikam, nachdem alle Passagiere sich unter dem Kommando des Kapitäns auf dem Deck ein paar Mal von links nach rechts und wieder zurück bewegt hatten. Später habe ich festgestellt, dass noch ganz andere Landschaftsbilder in mir existierten. Woher sie stammen, weiß ich nicht. Aber als ich in die Pfalz kam und zum ersten Mal die Gartenlandschaft sah, die sich vor dem Pfälzer Wald hinzieht, diese sanftgewellten Reben-, Obst- und Gemüsefelder mit dem blauen Dunststreifen des Gebirges dahinter, da war es ein staunendes Wiedererkennen. Ebenso ging es mir, als ich Jahre später zum ersten Mal durch die Poebene fuhr und die lastende Hitze wie flüssiges Blei über der Landschaft lag, oder noch später im Garten des Hotels Cipriani in Äsolo oder auf der Terrasse des Klosters Rosazzo bei Udine, von wo man viele Kilometer weit in die blühende Ebene blicken kann.“

 

 2234958-3fdeed6b4c35ab8c973efb98875aa282.jpg
Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)
Cover

 

 

De Franse schrijfster Yasmina Reza werd geboren op 1 mei 1960 in Parijs. Zie ook alle tags voor Yasmina Reza op dit blog.

Uit: Babylon

« Je dois savoir ce que devient la tante de Jean-Lino. La visite de Ginette Anicé m'y a fait penser. Jean-Lino avait ramené en France la soeur de son père et lui avait trouvé une place dans une maison de retraite juive. Je l'y avais accompagné un après-midi. Nous étions allés à la cafétéria, un grand hall reconfiguré entièrement fonctionnel, sol en petit marbre piqueté, murs lisses, tables où étaient assis des gens en chaises roulantes avec des visiteurs. On aurait dit que tous les matériaux avaient été choisis en raison de leur qualité d'écho et de résonance. La tante avançait vite avec son déambulateur. Esprit vif. Jambes vivaces. Le corps, et surtout la tête agités de mouvements perpétuels incontrôlés qui ne semblaient pas la gêner mais qui rendaient sa parole sourde et saccadée. Elle parlait, en même temps, trois langues, un français châtié et semi-oublié d'autrefois, l'italien et le ladin, un patois des Dolomites. Jean-Lino nous avait installés à la table du fond, devant une télé murale, son au maximum, branchée sur une chaîne de clips. Durant la conversation (si on peut dire), Jean-Lino, par à-coups, lui arrachait avec ses doigts des poils du visage. Sait-elle ce qui est arrivé à son neveu ? À qui parle-t-elle, avec sa tête branlante dans le désert du hall ? Un rien peut me faire douter de la cohérence du monde. Les lois semblent indépendantes les unes des autres et se heurtent. Dans le réduit de mon bureau, à Pasteur, une mouche m'exaspère. Je n'aime pas quand une mouche est conne. J'ouvre grand la fenêtre et au lieu de s'enfuir vers les arbres qui bordent notre pavillon, elle revient dans la pièce zigzaguant vers le mur du fond. Deux secondes avant elle se cognait à la vitre, frappait à droite, à gauche, en tous sens, maintenant que l'air entre, que le ciel lui tend les bras, elle erre dans l'ombre absurdement. Elle mérite que je l'enferme en m'en foutant. Mais elle a pour elle son odieux bourdonnement. Je me demande même si ce bourdonnement n'a pas été créé comme garde-fou à l'emprisonnement. Je n'aurais aucune pitié sans cette parade. Je saisis ma CBE, je renvoie la mouche vers la fenêtre, enfin j'essaie, car au lieu de s'abandonner à la raquette charitable, elle l'esquive, se met hors de portée et va se coller en lisière de plafond. Pourquoi faut-il supporter une telle perte de temps ? La tante vivait dans les montagnes. »

 

2234958-5c325603de4c596e709d0d6a4bab144e.jpg
Yasmina Reza (Parijs, 1 mei 1960)
Cover

 

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia. Zie ook alle tags voor Yánnis Rítsos op dit blog.

 

Moonlight Sonata (Fragment)

The lip of the glass gleams in the moonlight
like a round razor – how can I lift it to my lips?
however much I thirst – how can I lift it – Do you see?
I am already in a mood for similes – this at least is left me,
reassuring me still that my wits are not failing.
Let me come with you.

At times, when evening descends, I have the feeling
that outside the window the bear-keeper is going by with his old heavy she-bear,
her fur full of burns and thorns,
stirring dust in the neighborhood street
a desolate cloud of dust that censes the dusk,
and the children have gone home for supper and aren’t allowed outdoors again,
even though behind the walls they divine the old bear’s passing –
and the tired bear passes in the wisdom of her solitude, not knowing wherefore and why –
she’s grown heavy, can no longer dance on her hind legs,
can’t wear her lace cap to amuse the children, the idlers, the importunate,
and all she wants is to lie down on the ground
letting them trample on her belly, playing thus her final game,
showing her dreadful power for resignation,
her indifference to the interest of others, to the rings in her lips, the compulsion of her teeth,
her indifference to the interest of the others, to the rings in her lips, the compulsion of her teeth,
her indifference to pain and to life
with the sure complicity of death – even a slow death –
her final indifference to death with the continuity and knowledge of life
which transcends her enslavement with knowledge and with action.

 

 2234958-fb02730d6cac964bdf8391b55c5a12fc.jpg
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)
Cover

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e mei ook mijn blog van 1 mei 2018 en ook mijn blog van 1 mei 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 19:02 Reageer op dit bericht

Poem for the father (Alejandra Pizarnik)

 

Dolce far niente

 

 2234769-628d4b8e97e0c453a666c19c0ce103bd.jpg
Man on Bench door J. Coates, z. j.

 

 

Poem for the father

And it was then
that with a dead and cold tongue in his mouth
he sang the song they didn’t let him sing
in this world of obscene gardens and of shadows
that came at the wrong time to remind him
of songs from his boyhood
in which he couldn’t sing the song he wanted to sing
the song they didn’t let him sing
except through his absent mouth
through his absent voice.
Then from the highest tower of absence
his song echoes in the opacity of the hidden
in the silent extension
full of shifting hollows like the words I write.

 

 

Vertaald door Jose Valqui

 

 2234769-418752991a573b98ba8fab0d685b7b27.jpg
Alejandra Pizarnik (29 april 1936 – 25 september 1972)
Avellaneda, de geboorteplaats van Alejandra Pizarnik

 

 

Zie voor de schrijvers van de 30e april ook mijn blog van 30 april 2018 en ook mijn blog van 30 april 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:48 Reageer op dit bericht

Fannie Stearns Davis

De Amerikaanse dichteres Fannie Stearns Davis werd geboren in Cleveland, Ohio, op 6 maart 1884. Ze studeerde af aan het Smith College in 1904. Ze heeft twee dichtbundels gepubliceerd: “Myself and I”, 1913, en “Crack O 'Dawn”, 1915. Haar poëzie wordt gekenmerkt door een gevoelig poëtisch gevoel en delicate kunstzinnigheid. Davis gaf van 1906-07 Engels les aan de Kemper Hall in Kenoshay, Wisconsin. In 1910 hielp ze haar broer, William Stearns Davis, bij het bewerken van zijn klassieke historische boek, “A Day in Old Athens”. Jessie Bell Rittenhouse was een van de vele mensen die de lyrische kwaliteit van de poëzie van Davis prezen.

 

Souls

My Soul goes clad in gorgeous things,
  Scarlet and gold and blue;
And at her shoulder sudden wings
  Like long flames flicker through.

And she is swallow-fleet, and free
  From mortal bonds and bars.
She laughs, because Eternity
  Blossoms for her with stars!

O folk who scorn my stiff gray gown,
  My dull and foolish face,—
Can ye not see my Soul flash down,
  A singing flame through space?

And folk, whose earth-stained looks I hate,
  Why may I not divine
Your Souls, that must be passionate,
  Shining and swift, as mine!

 

 

Home

Home, to the hills and the rough, running water;
Home, to the plain folk and cold winds again.
Oh, I am only a gray farm's still daughter,
Spite of my wandering passion and pain!

Home, from the city that snares and enthralls me;
Home, from the bold light and bold weary crowd.
Oh, it's the blown snow and bare field that calls me;
White star and shy dawn and wild lonely cloud!

Home, to the gray house the pine-trees guard, sighing;
Home, to the low door that laughts to my touch.
How should I know till my wings failed me, flying,
Home-nest, - my heart's nest, - I loved you so much?

 

 2262160-803ccaf3137300ab9ad445a11b1539d6.jpg
Fannie Stearns Davis (30 april 1877 - 15 februari 1930)
Cover (Geen portret beschikbaar)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten