Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 12 december 2010

Kader Abdolah, Susanna Tamaro, Sophie Kinsella, Vassilis Alexakis, Ahmad Shamlou

De Iraanse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook mijn blog van 12 december 2008 en ook mijn blog van 12 december 2009.

 

Uit: Spijkerschrift

 

“Verder herinner ik me niet zoveel. Maar in het volgende hoofdstuk staat een huifkar klaar. We gaan verhuizen; ik, toen een jaar of zeven, acht, heb dat goed onthouden. Ik zie, Tine, mijn moeder, nog naar het huis van Kazem Gan rennen. Ik hoor haar: ‘Oom! Help! Akbar is gek geworden!’
Daarna het hoefgekletter van Kazem Gans paard op de stenen van onze binnenplaats.
‘Waar is Akbar?’ ”

(...)

 

„Jaren later, toen Ismaiel, de zoon van Aga Akbar, een jaar of zestien was en in de stad woonde, bezocht hij zijn oudoom in de bergen.

‘Maar oom Kazem Gan, waarom leerde u mijn vader niet normaal schrijven, of normaal lezen, net als alle anderen?’ vroeg Ismaiel ‘s avonds bij het eten.
(…)
‘Voor zulke dingen moet je een bekwame vader hebben en een sterke moeder. Nee, ik wilde hem helemaal niet leren schrijven. Maar ik voelde, ik merkte dat het hoofd van Aga Akbar zinnetjes maakte, verhalen schiep, begrijp je wat ik bedoel? Dat talent, die zinnetjes in zijn hoofd konden hem kapotmaken. Hij had altijd hoofdpijn, en ik was de enige die wist waar die hoofdpijn vandaan kwam. Daarom leerde ik hem in spijkerschrift te schrijven.’

(...)

 

“Ergens in de diepte van die grot, in het donker op de zuidelijke wand staat een tafereel gebeiteld. Het is meer dan drieduizend jaar oud. Een spijkerschrift dat in de rots geslagen is, waar tijd, wind, zon en regen het niet kunnen bereiken. Deze inscriptie is een bevel van de eerste Perzische koning. Een geheim dat nog niet ontcijferd is.
Heel soms als je achter het raam van Kazem Gans huis stond, zag je een ruiter, een spijkerschrift deskundige – een Engelsman, een Fransman of een Amerikaan – op een muilezel de grot in gaan. Dan werd opnieuw een poging gedaan het schrift te ontcijferen.”



 

 

805655-c65eb841982ee3ad3de1e6e03ad6e207.jpg
Kader Abdolah (Arak, 12 december 1954)

 

 

 

 


De Italiaanse schrijfster
Susanna Tamaro werd geboren in Triëst op 12 december 1957. Zie ook mijn blog van 12 december 2008 en ook mijn blog van 12 december 2009.

 

Uit: Der Tannenbaum (Vertaald door Maja Pflug)

 

„Diese Geschichte beginnt vor vielen, vielen Jahren, als sich aus einem am Zweig hängenden Tannenzapfen ein kleiner geflügelter Samen löste, eine Weile gemächlich durch die Luft trudelte und dann in die Mitte einer großen Lichtung schwebte.

Es war ein Morgen im späten Frühling, von den hohen Wipfeln kam noch ein eisiger Hauch, und die Bäche flossen von der Schneeschmelze geschwellt zu Tal. Im Sonnenaufgang sangen die Vögel wie ein einziges großartiges Orchester. Rotkehlchen, Zeisige, Finken, Gimpel, Dompfaffen wetteiferten miteinander um die Solostimme.

Bald würde die Luft sich mit Insekten füllen: Es war also Zeit, sich eine Gefährtin zu suchen und die Grenzen des zukünftigen kleinen Reichs der Familie abzustecken. Tagsüber flogen die Paare hektisch über die Weiden. Bei Blättern und Flechten zögerten die Jüngsten: Passte dieses Zweiglein, war es lang genug? Und wenn wir auch noch diesen schönen Wollfaden nähmen, das Rosshaar, das sich dort in den Dornen verfangen hat?

Zum ersten Mal einen Hausstand zu gründen, machte immer ein bisschen Angst. Werden die Eier es hier warm genug haben? Und wird es für die Kleinen, wenn sie heranwachsen, nicht zu eng werden? Und wenn mehr auf die Welt kämen als vorgesehen?

Die alterfahrenen Paare waren gerührt angesichts so vielerBefürchtungen.

»Macht euch keine Sorgen«, sagten sie zu den Jüngeren,

während sie geschickt Moos und dürre Ästchen verflochten, »habt Vertrauen! Euer Herz weiß schon alles.«

 

 

 805655-c9a4a81ab070be2693aa78c35c3c9ac5.jpg

Susanna Tamaro (Triëst, 12 december 1957)

 

 

 

 

De Britse schrijfster Sophie Kinsella (pseudoniem van Madeleine Wickham) werd geboren in Londen op 12 december 1969.  Ze besloot eerst muziek te gaan te studeren aan het New College in Oxford, maar verruilde dit al na een jaar voor politicologie, filosofie en economie. Daarna heeft ze gewerkt als leraar en als financieel journalist. Onder haar eigen naam, Madeleine Wickham, schreef ze haar eerste roman, The Tennis Party, toen ze 24 jaar oud was. Ze werkte toen nog als financieel journalist.

Het eerste boek onder haar pseudoniem Sophie Kinsella liet ze anoniem aan haar uitgever Black Swan lezen. Hierdoor kwam ze als het ware een tweede keer 'in dienst' bij dezelfde uitgever: onder haar eigen naam en onder haar pseudoniem.

 

Uit: Confessions of a Shopaholic


“Ok. don't panic. Don't panic. It's only a VISA bill. It's a piece of paper; a few numbers. I mean, just how scary can a few numbers be?
I stare out of the office window at a bus driving down Oxford Street, willing myself to open the white envelope sitting on my cluttered desk. It's only a piece of paper, I tell myself for the thousandth time. And I'm not stupid, am I? I know exactly how much this VISA bill will be.
Sort of. Roughly.
It'll be about ... £200. Three hundred, maybe. Yes, maybe £300. Three-fifty, max.
I casually close my eyes and start to tot up. There was that suit in Jigsaw. And there was dinner with Suze at Quaglinos. And there was that gorgeous red and yellow rug. The rug was £200, come to think of it. But it was definitely worth every penny — everyone's admired it. Or, at least, Suze has.
And the Jigsaw suit was on sale — 30 percent off. So that was actually saving money.
I open my eyes and reach for the bill. As my fingers hit the paper I remember new contact lenses. Ninety-five pounds. Quite a lot. But, I mean, I had to get those, didn't I? What am I supposed to do, walk around in a blur?
And I had to buy some new solutions and a cute case and some hypoallergenic eyeliner. So that takes it up to ... £400?
At the desk next to mine, Clare Edwards looks up from her post. She's sorting all her letters into neat piles, just like she does every morning. She puts rubber bands round them and puts labels on them saying things like "Answer immediately" and "Not urgent but respond." I loathe Clare Edwards.
"OK, Becky?" she says.
"Fine," I say lightly. "Just reading a letter."
I reach gaily into the envelope, but my fingers don't quite pull out the bill. They remain clutched around it while my mind is seized — as it is every month — by my secret dream.“

 

 


 805655-69641e022a1d67a97dc8a4c36a8ac127.jpg

Sophie Kinsella (Londen, 12 december 1969)

 

 

 

 

De Griekse schrijver Vassilis Alexakis werd geboren op 12 december 1943 in Athene. In 1961 trok hij naar Frankrijk om journalistiek te studeren in Lille. In Griekenland bestond deze opleiding in die tijd  moment nog niet. Kort na zijn afstuderen keerde hij terug naar Griekenland, waar hij getuige was van de staatsgreep van de kolonels waarmee de Griekse militaire dictatuur in 1967 begon. Hij verliet het land een jaar later opnieuw om zich te vestigen in Parijs, waar hij werkte als journalist. Tegenwoordig verdeelt hij zijn tijd tussen Parijs en Athene. Zijn eerste romans, Le sandwich uit 1975, Les girls de City-Boum-Boum uit 1976 en La tête du chat uit 1978 zijn geschreven in het Frans en door Alexakis’ moeder vertaald in het Grieks. Pas zijn vierde roman, Tαλγο (1980), schreef Alexakis in het Grieks en vertaalde hem zelf in het Frans onder de titel Talgo. In 1995 ontving hij de Franse literatuurprijs Prix Medicis.

 

Uit: Le premier mot

 

„Je n'avais pas imaginé que le soleil me rappellerait si vivement mon frère. Il n'aimait pas particulièrement le soleil. Il portait toujours en été un chapeau de feutre brun qu'il avait acheté en Italie. Il était convaincu qu'il le protégeait mieux que les chapeaux de paille. Il ne s'en séparait que pour se baigner. Il le déposait sur le sable ou sur les galets avec sa chemise, sa serviette de bain, ses sandales et son livre. La lumière du soleil le fatiguait, il affirmait qu'elle écrasait le paysage. - Aucun paysage n'est beau à midi, disait-il. Il portait aussi des lunettes de soleil. Je me souviens de lui, enfant, essayant les lunettes de notre père. Il ne parvenait à les fixer sur son nez qu'en tournant son visage vers le ciel. - Tu vas les casser ! l'avertissais-je. Un jour, en effet, il les a laissées tomber et l'un des verres s'est fêlé. - Tu vois, m'a-t-il déclaré avec suffisance, je ne les ai pas cassées, je les ai simplement fêlées ! Il attribuait déjà une grande importance au bon usage des mots. Il ne restait guère sur la plage après le bain. À peine séché, il allait se mettre à l'abri sous la tonnelle de la taverne la plus proche. - Le soleil ignore les ombres, disait-il. Il ne soupçonne même pas qu'elles existent. Le fait est qu'une vive émotion m'a gagnée avant-hier matin lorsqu'un soleil radieux a surgi à travers les nuages épais qui couvraient le ciel de l'Attique. J'étais assise dans un café de la place de Colonaki où j'avais rendez-vous avec Margarita. Mes yeux se sont aussitôt remplis de larmes. « Miltiadis, mon bon Miltiadis, ai-je murmuré, comment as-tu pu nous faire ça ? » J'ai vu Margarita s'approcher à travers mes larmes. - C'est à cause du soleil, lui ai-je expliqué. - Allons donc à l'intérieur, a-t-elle décidé en glissant sa main sous mon aisselle pour m'aider à me lever. Le soleil m'a de nouveau rendu visite hier matin alors que je prenais le café sur mon balcon. Il ne m'éclairait pas directement. Il baignait en revanche l'appartement d'en face où une jeune fille nettoyait les vitres. Elle m'envoyait de temps en temps une éclatante lueur, qui balayait le balcon dans tous les sens et disparaissait aussi soudainement. Le verre d'eau qui était posé devant moi dégageait par ins- tants une lumière aveuglante, il s'animait, comme s'il avait voulu me dire quelque chose.“

 

 


805655-f36dc3780fa793de2b567f82a152b8af.jpg
Vassilis Alexakis (Athene, 12 december 1943)

 

 

 

 

De Iraanse dichter, schrijver en journalist Ahmad Shamlou werd geboren op 12 december 1925 in Teheran. Zie ook mijn blog van 12 december 2008 en ook mijn blog van 12 december 2009.

 

 

Eine dunkle Weise

 

Vorm bleiernen Hintergrund des Morgens
steht verstummt

der Reiter,

zerzaust vom Wind
die lange Mähne seines Pferds.
O Gott! O Gott!
Nicht stillstehn dürfen die Reiter
wenn die Nachricht eingeht
vom Untergang.
Am verbrannten Zaun
steht stumm

das Mädchen,

und bewegt sich im Wind
das leichte Tuch ihres Rockes.
O Gott! O Gott!
So still dürfen die Mädchen nicht bleiben
wenn Männer
müd und ohne Verheißung
altern.

 

 

Auferstehung

 

All die Toten war ich:
Toter Leib der Vögel, die singen
und verstummen,
toter Leib der schönsten Tiere
zu Lande und zu Wasser,
toter Leib der Menschen
gut und böse.
Dort im Vergangnen
lag mein Ort
ohne Klang.
Ich trug kein Geheimnis mit mir
kein Lächeln
kein Verlangen.
Liebevoll
hast du mich
jäh im Schlaf geschaut
und gemeinsam sind wir erwacht.

 

 

 

Vertaald door F. Showghi

 

 

 

 805655-73952b78e1d22b7b7efa639f921e0909.jpg

Ahmad Shamlou (12 december 1925  - 24 juli 2000)




Zie voor nog meer schrijvers van de 12e december ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn eerste blog van vandaag.
Geschreven door Romenu om 20:04 Reageer op dit bericht

Gustave Flaubert, John Osborne, Beat Sterchi, Hans Keilson, Tsjingiz Ajtmatov

De Franse schrijver Gustave Flaubert werd op 12 december 1821 geboren in Rouen. Zie ook mijn blog van 12 december 2006  en ook mijn blog van 12 december 2007 en ook mijn blog van 12 december 2008 en ook mijn blog van 12 december 2009.

 

Uit: Salammbô

 

„C'était à Mégara, faubourg de Carthage, dans les jardins d'Hamilcar.

Les soldats qu'il avait commandés en Sicile se donnaient un grand festin pour célébrer le jour anniversaire de la bataille d'Eryx, et comme le maître était absent et qu'ils se trouvaient nombreux, ils mangeaient et ils buvaient en pleine liberté.

Les capitaines, portant des cothurnes de bronze, s'étaient placés dans le chemin du milieu, sous un voile de pourpre à franges d'or, qui s'étendait depuis le mur des écuries jusqu'à la première terrasse du palais ; le commun des soldats était répandu sous les arbres, où l'on distinguait quantité de bâtiments à toit plat, pressoirs, celliers, magasins, boulangeries et arsenaux, avec une cour pour les éléphants, des fosses pour les bêtes féroces, une prison pour les esclaves.

Des figuiers entouraient les cuisines ; un bois de sycomores se prolongeait jusqu'à des masses de verdure, où des grenades resplendissaient parmi les touffes blanches des cotonniers ; des vignes, chargées de grappes, montaient dans le branchage des pins : un champ de roses s'épanouissait sous des platanes ; de place en place sur des gazons, se balançaient des lis ; un sable noir, mêlé à de la poudre de corail, parsemait les sentiers, et, au milieu, l'avenue des cyprès faisait d'un bout à l'autre comme une double colonnade d'obélisques verts.

Le palais, bâti en marbre numidique tacheté de jaune, superposait tout au fond, sur de larges assises, ses quatre étages en terrasses. Avec son grand escalier droit en bois d'ébène, portant aux angles de chaque marche la proue d'une galère vaincue, avec ses portes rouges écartelées d'une croix noire, ses grillages d'airain qui le défendaient en bas des scorpions, et ses treillis de baguettes dorées qui bouchaient en haut ses ouvertures, il semblait aux soldats, dans son opulence farouche, aussi solennel et impénétrable que le visage d'Hamilcar.

Le Conseil leur avait désigné sa maison pour y tenir ce festin ; les convalescents qui couchaient dans le temple d'Eschmoûn, se mettant en marche dès l'aurore, s'y étaient traînés sur leurs béquilles. A chaque minute, d'autres arrivaient. Par tous les sentiers, il en débouchait incessamment, comme des torrents qui se précipitent dans un lac. On voyait entre les arbres courir les esclaves des cuisines, effarés et à demi nus ; les gazelles sur les pelouses s'enfuyaient en bêlant ; le soleil se couchait, et le parfum des citronniers rendait encore plus lourde l'exhalaison de cette foule en sueur.“

 

 

 

805646-36a1d372b2114ae690360513cadc9780.jpg
Gustave Flaubert (12 december 1821 – 8 mei 1880)

Gravure van H. Toussaint

 

 

 

`

De Engelse toneelschrijver John James Osborne werd geboren op 12 dezember 1929 in Fulham. Zie ook mijn blog van 12 december 2006 en ook mijn blog van 12 december 2008.

 

Uit: Look Back in Anger

 

“JIMMY. One day, when I’m no longer spending my days running a sweet-stall, I may write a book about us all. It’s all here. [slapping his forehead] Written in flames a mile high. And it won’t be recollected in tranquility either, picking daffodils with Auntie Wordsworth. It’ll be recollected in fire, and blood. My blood.

HELENA. [thinking patient reasonableness may be worth a try] She simply said that she’s going to church with me. I don’t see why that calls for this incredible outburst.

JIMMY. Don’t you? Perhaps you’re not as clever as I thought.

HELENA. You think the world’s treated you pretty badly, don’t you?

ALLISON. Oh, don’t try and take his suffering away from him — he’d be lost without it. [He looks at her in surprise, but he turns back to Helena. Allison can have her turn again later]

JIMMY. I thought this play you’re touring in finished up on Saturday week?

HELENA. That’s right.

JIMMY. Eight days ago, in fact.

HELENA. Allison wanted me to stay.

JIMMY. What are you plotting?

HELENA. Don’t you think we’ve had enough of the heavy villain?

JIMMY. [to Allison] You don’t believe in all that stuff. Why you don’t believe in anything. You’re just doing it to be vindictive, aren’t you? Why — why are you letting her influence you like this?

ALLISON. [starting to break] Why, why, why, why! [putting her hands over her ears] That word’s pulling my head off.

JIMMY. And as long as you’re around, I’ll go on using it. [He crosses to the armchair and seats himself on the back of it. He addresses Helena's back] The last time she was in a church was when she was married to me. I expect that surprises you, doesn’t it? It was expediency, pure and simple. We were in a hurry, you see. Yes, we were actually in a hurry! Lusting for the slaughter! Well, the local registrar was a particular pal of Daddy’s, and we knew he’d spill the beans to the Colonel like a shot. So we had to seek out some local vicar who didn’t know him quite so well. But it was no use. When my best mate — a chap I’d met in the pub that morning — and I turned up, Mummy and Daddy were in the church already. They’d found out at the last moment, and had come to watch the execution carried out. How I remember looking down at them, full of beer for breakfast, and feeling a bit buzzed. Mummy was slumped over her pew in a heap — the noble, female rhino, pole-axed at last! And Daddy sat beside her, upright and unafraid, dreaming of his days among the Indian Princes, and unable to believe he’d left his horsewhip at home. Just the two of them in that empty church — them and me. [Coming out of his remembrance suddenly] I’m not sure what happened after that. We must have been married, I suppose. I think I remember being sick in the ventry. [To Allison] Was I?”



 

 

 805646-a22c0d05e81fddbbde602591b2e40f56.jpg

John Osborne (12 december 1929 - 24 december 1994)

 

 

 

 

De Zwitserse dichter, schrijver en essayist Beat Sterchi werd geboren in Bern op 12 december 1949. Zie ook mijn blog van 12 december 2008.

 

 

Der Baum


Schön. Der Baum ist schön. Der Baum. Der Baum ist ein Baum. Bäume sind schön. Bäume haben einen Stamm. Bäume haben Nadeln oder Blätter. Bäume sind Bäume. Bäume tragen eine Krone. Bäume sind stolz. Bäume sind nützlich. Bäume lachen nicht. Bäume.Bäume sind Bäume. Der Baum hat Geduld. Bäume rennen nicht weg. Der Baum ist da. Der Baum ist nicht in Eile. Der Baum ist schön. Bäume haben viel gesehen. Der Baum weiss alles. Der Baum schweigt. Bäume wissen, wovon sie sprechen. Der Baum ist ein Baum. Bäume sind Bäume. Bäume sind schön. Der Baum ist ein schöner Baum. Der Baum ist ruhig. Der Baum erschrickt nie. Der Baum ist schön. Der Baum ist da. Bäume laufen nicht weg. Bäume haben keine Angst. Bäume prahlen nicht. Der Baum ist schön. Der Baum wartet.

 

 

 

Kunscht isch schwär

 

Das Biud.

Es schöns Biud.

So nes schöns Biud.

Das Biud isch schön.

Das Biud isch itz schön.

Isch das itz äs schöns Biud.

Das isch auso es wunderbars Biud.

Das isch itz würklech es schöns Biud.

So ne schöns Biud han ig no niä gseh.

Das isch würklech sehr es schöns Biud.

Hesch du o no niä so nes schöns Biud gseh?

Wär het itz scho mau so nes schöns Biud gseh?

Hesch du scho mau so nes schöns Biud gseh?

So nes schöns Biud han ig no niä gseh.

Auso das isch itz so nes schöns Biud.

Auso isch das itz äs schöns Biud.

So nes schöns Biud.

Es schöns Biud.

Das Biud!

 

 

 

805646-85431d50a8d0f6f806d257cd82c09d13.jpg
Beat Sterchi (Bern, 12 december 1949)

 

 

 



De Duits-Nederlands schrijver, arts en psychiater Hans Alex Keilson werd geboren in Bad Freienwalde, 12 december 1909.  Keilson studeerde van 1928-1934 geneeskunde in Berlijn. Vanwege het voor Joden ingestelde beroepsverbod moest hij zich daarna in leven houden als sportleraar aan Joodse privé-opleidingen en als musicus. Twee jaar later ging hij in exil naar Nederland. Onder het pseudoniem 'Benjamin Cooper' stelde hij enkele Nederlandstalige boeken samen. Na de Duitse inval in 1940 dook hij onder en zette hij zich in voor het verzet. In deze tijd ontstonden zijn eerste gedichten en het begin van zijn roman Der Tod des Widersachers, die pas in 1959 zou verschijnen. Zijn ouders werden in Auschwitz vermoord. Na de bevrijding werd Keilson werkzaam als medicus. Keilson was daarnaast van 1985-1988 voorzitter van de Duitse PEN-club; in 1996 was hij gasthoogleraar aan de universiteit van Kassel, en in 1999 werd hij als corresponderend lid opgenomen in de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung. De Universiteit van Bremen verleende aan Keilson een eredoctoraat. In 2005 werden zijn verzamelde werken in twee delen uitgegeven.

 

Uit: Comedy in a Minor Key (Vertaald door Damion Searls)

 

“And then, too, there was a small, all too human disappointment left over: that he had died on them. You don’t get the chance to save someone every day. This unacknowledged thought had often helped them carry on when, a little depressed and full of doubt, they thought they couldn’t bear this complicated situation any longer and their courage failed them. . . . She had secretly imagined what it would be like on liberation day, the three of them arm in arm walking out of their house. . . . How the neighbors and everyone on the street would look when he suddenly walked out of their house and strolled up and down the street with them. It would give them a little sense of satisfaction, and everyone who makes a sacrifice needs a little sense of satisfaction. And then you’d feel that you, you personally, even if only just a little bit, had won the war. It all had gone up in smoke. It wasn’t even a dream anymore. None of the three of them had any luck. But really, him least of all. Poor Nico!”

 

 

 

805646-3af17317b33317b9a58ad9d42e5d732e.jpg
Hans Keilson (Bad Freienwalde, 12 december 1909)

 

 

 

 


De Kirgizische schrijver Tsjingiz Ajtmatov werd op 12 december 1928 geboren in het Kirgizische dorp Sheker, in wat toen een deelrepubliek was van de Sovjet-Unie. Zijn vader werd onder de Stalinterreur opgepakt en geëxecuteerd. Na de Tweede Wereldoorlog begon Ajtmatov voor de officiële sovjetkrant
Pravda te werken. Hij debuteerde in 1952 als prozaschrijver. In 1960 kreeg hij de Leninprijs, een van de hoogste onderscheidingen in de USSR. Hij was, ondanks het lot van zijn vader, een fervente voorstander van het communisme. In de Kaukasische republiek bereikte hij een status als legende, en 2008, jaar waarin hij 80 zou worden, was uitgeroepen tot een Ajtmatov-jaar. Voor zijn in 1991 onafhankelijk geworden geboorteland werd hij ambassadeur in de Benelux, bij de Navo en de Europese Unie.

 

Uit: Der Schneeleopard (Vertaald door Friedrich Hitzer)

 

„Jeder Kreatur bleibt das eigene Schicksal verschlossen. Niemand weiß, was ihm bevorsteht. Erst der Gang des Lebens zeigt an was uns von Geburt an vorbestimmt ist, sonst gäbe es das Schicksal nicht. Dennoch lebt in uns die Sehnsucht, die Rätsel zu entschlüsseln, die uns umhüllen. So ist es seit Anbeginn der Schöpfung seit der Vertreibung von Adam und Eva aus dem Paradies. Seit dem ersten Menschenpaar ist es so gefügt. Von Jahrhundert zu Jahrhundert, von Tag zu Tag, von Stunde zu Stunde ...
Auch dieses Mal vollzog sich das Unausweichliche jenseits menschlicher Vorstellungskraft und, einmal vollzogen, vielleicht auch jenseits göttlicher Absichten.
Wer es dennoch begreifen wollte, hätte versuchen können, ein Horoskop der betroffenen Wesen zu erstellen, vielleicht waren sie ja kosmische Verwandte, die unter einem verbindenden Sternzeichen das Licht der Welt erblickt hatten. Vielleicht gingen sie darum diesen Schicksalsweg, so und nicht anders, aber wer weiß das schon ..
Freilich wussten die beiden nichts voneinander und erst recht nicht, wie sie auf Erden zusammenhingen. Der eine lebte in einer modernen Stadt, einem dicht bevölkerten Flecken Erde, wo sich Markt ausbreiten und Schaschlikrauch durch die Straßen weht; der andere aber hauste hoch in den Bergen, in wilden, felsigen Schluchten unter dicht verwachsenen Büschen des Sade-Wacholders, wo Schnee die Schattenhänge das halbe Jahr über bedeckt. Deshalb hieß er auch Schneeleopard, und in der Wissenschaft übers Hochgebirge nannte man ihn Tienschan-Schnee-Bars von der Gattung der Leoparden und der Familie der Großkatzen, zu denen auch die Tiger gehören. Das Volk in der Gegend nannte ihn Dschaa-Bars - Pfeil-Bars -, was treffend seiner Natur im Moment des Sprungs entspricht. Besonders vertraut klang es, wenn man vom Kar-Ketschken-Ilbirs sprach, was der Bis-zur-Brust-im-Schnee-Gehende bedeutete. Auch das entspricht der vollen Wahrheit. Andere Kreaturen suchen die Bergpfade, wo ihnen keine Schneewehen drohen, aber der Kar-Ketschken-Ilbirs pflügt querfeldein ... Er ist reine Kraft und Stärke!“

 

 

 

 805646-aeb2353ea755250223cdf794dacb6a78.jpg

Tsjingiz Ajtmatov (12 december 1928 – 10 juni 2008)

Geschreven door Romenu om 19:55 Reageer op dit bericht

Shrinivási, Manès Sperber, Christian Dotremont, Else Buschheuer, Patrick O'Brian

De Surinaamse dichter Shrinivási werd geboren op 12 december 1926 op de grond Vaderszorg, Kwatta, in het district Beneden-Suriname. Zie ook mijn blog van 12 december 2006 en ook mijn blog van 12 december 2008.

 

 

Ontdekkingsreis

 

Als de woorden zijn

uitgezwermd over de bloemen

van de voorbije jaren

honing vergarend

zo weinig

zo weinig wijsheid

diep verborgen

voorbij het polychromatisch veld

der kroondomeinen

De raten wachten

nieuwe toedracht

naar dit hart

dat haastig gaat

in eendracht met mijn hand

en met mijn ogen

en mijn oren

met niet veel verstand geloof ik

nodig in dit korte leven.

 

 

 

 

'n Bericht van gisterenavond

 

 Vandaag is het de valutadag

 gij zijt het hoogst in koers

 ik die in centen

 onhoofs ben en boers

 heb woorden

 tegen goud gedekt

 achttien karaats.

 

 Hier liggen cheques

 in poëzie

 nog op jouw naam

 Kies woorden

 voor je geld

 na rijp beraad,

 zoals ik deed

 met jou

 tegen de hoogste koers

 Omdat je hoog staat

 en niet lager komt

 maar onveranderd blijft.

 

 

 

 805628-702935843ab09b8e4ce3eaf377c3e081.jpg

 Shrinivási (Vaderszorg, Kwatta, 12 december 1926)

 

 

 

 

De Oostenrijks - Franse schrijver, essayist en psycholoog Manès Sperber werd geboren in Zabłotów, Galicië. Zie ook mijn blog van 12 december 2008.

 

Uit: Wie eine Träne im Ozean

 

„Josmar riß die Balkontüren auf, der Rauch verzog sich in Schwaden, die kühle, etwas feuchte Nachtluft strömte ein. Sein Blick suchte vergebens unter der Bogenlampe den schwarzen Roadster,

das Licht spiegelte sich im nassen Asphalt. Er sah zum Himmel hinauf, um den roten Widerschein der vielen Lichter zu erspähen.

Josmar wurde dessen gewahr, daß er die Gesichter der sechs Männer und der Frau vergessen hatte. Und vor wenigen Minuten noch hatte er sie geradezu angestarrt, wie um sie für ewig dem Gedächtnis einzuprägen: diese Männer mit Jahreszeit- oder Tagenamen. Die Frau hatte mit dem Rücken zum Balkon gesessen Sönnecke gegenüber, er selbst etwas hinter ihm, vom Tisch entfernt, er gehörte nicht dazu, er war nur ausnahmsweise zugezogen.

Einer von ihnen nannte sich Herbst. Josmar sah sein breites, ja mächtiges Kinn, die weißen, schönen Zähne, doch nichts sonst tauchte von diesem Gesicht wieder auf. Josmar hätte es mit Händen aus dem Dunkel ziehen mögen. Seine Anstrengung verstärkte den leisen Druck an der linken Schläfe, den er den ganzen Abend empfunden hatte. Wesentlich war, daß Sönneckes Gesicht ihm niemals entschwinden würde: große, graue Augen, die lächeln, auch wenn der Mund sich nicht verzieht, die Stirn breit und steil, gut abgegrenzt, das leicht angegraute Haar kurz zurückgekämmt, die Ohren groß, doch nicht lächerlich — man mochte sich gerne vorstellen, daß er seine Kinder mit Ohrenwackeln

belustigte und dabei den breiten Mund lachend verzog — das Kinn war überraschend weich, etwas fleischig, aus der Nähe sah es wie gespalten aus. Der Hals war mager und alt, wie er zu dem ausgemergelten Proletengesicht der politischen Zeichnungen paßte. Sönneckes Gesicht entschwand nicht im Dunkel. Ihn kannte jeder Mann im deutschen Reich. Millionen Arbeiter überall in der Welt nannten seinen Namen mit Stolz und Rührung, als ob er ein Versprechen wäre.“

 

 


 805628-72efa23927d452c53d53fc551b389106.jpg

Manès Sperber (12 december 1905 – 5 februari 1984)

 

 

 

 

De Belgische kunstschilder, schrijver en dichter Christian Dotremont werd geboren in Tervuren op 12 december 1922. Dotremont en Joseph Noiret waren de twee Belgen die betrokken waren bij de oprichting van de Cobra-beweging. Dotremont schreef het pamflet waarmee de beweging werd opgericht. Pas een paar maanden later kwam Pierre Alechinsky erbij. Dotremont en Alechinsky vormden de drijvende kracht achter de Cobra-beweging in België. Dotremont fungeerde als algemeen secretaris van de beweging. Dotremont was ook nauw betrokken bij het Surrealisme. Samen met Noël Arnaud en Edouard Jaguer richtte hij de kunstenaarsbeweging Le Surréalisme Révolutionnaire op.

Hij werkte veel samen met schilders, waarbij teksten en werken op doek gecombineerd werden, de zogenaamde Peinture-mots.

 

 

COBRA IS EEN LEGENDE

 

Cobra is een legende die we in 1948 hebben gesticht
ter gelegenheid van een bezoek aan Parijs, we hebben
ons eerst dadelijk gebogen over onze bronnen en we
hebben het letterwoord Cobra uitgevonden, kortom we
hebben een woordspeling gemaakt omheen ons Kopen-
hagen, Brussel en Amsterdam en we hebben de legende
leven gegeven, bijvoorbeeld ook door te reizen van Brus-
sel naar Kopenhagen, van de schrijverij naar het schilderij,
van de lach naar de traan, van de lach naar de schreeuw
naar de creatie van de eeuw. In een chaotisch ritme, perfect
overroepen als bij een ware legende en toen we in 1951
bedachten dat deze legende vermoeiend werd, moest zij
ophouden te bestaan. Welnu, juist door het einde van
Cobra uit te roepen, waren we geheel en al mythomaan.

 

 

Vertaald door Hendrik Carette

 

 

 

805628-0b5a2470f1a62e0f626cd0ad00f34c28.jpg
Christian Dotremont (12 december 1922 - 20 augustus 1979
)

 

 

 

 


De Duitse schrijfster, journaliste en televisiepresentatrice
Else Buschheuer werd geboren op 12 december 1965 in Eilenburg in Sachsen. Zie ook mijn blog van 12 december 2008.

 

Uit: Ruf! Mich! An!

 

„Nie wieder Concorde
Ich liege nackt in meinem Zwei-mal-zwei-Meter-Bett, dem Zentrum meines Lebens. Balzacs Vater hat 20 Jahre lang im Bett gelegen. Proust hat ausschließlich im Bett gearbeitet. Von dort aus rief er immer Sachen wie: "Man schicke ins Ritz nach einem Apfel!" Nicht zu vergessen: Heines Matratzengruft. Ob die alle auch immer kalte Füße hatten?
Meine sind in zwei Decken eingewickelt. Fatal! Die Welt erhitzt sich. In der Ostschweiz haben die Gletscher in 150 Jahren die Hälfte ihres Volumens verloren. Der Meeresspiegel steigt jährlich um ein bis zwei Millimeter. Und meine Füße sind trotzdem kalt.
Ich lese Zeitung und knabbere das Salz von Salzstangen ab. jede Stange einzeln. Jedes Salzkorn. Die leer geknabberten und blank geleckten Stangen stelle ich säuberlich nebeneinander in ein Glas und würde sie gern bei der nächsten Gelegenheit Maik und Mändy anbieten.
Die Bildzeitung titelt: RATTE KROCH AUS DEM KLO? ARCHITEKT ENTMANNT. Na wunderbar! So etwas brauche ich nur zu lesen und das Scheißen ist mir lebenslang vergällt.
Seit ich "Allein gegen die Mafia" gesehen habe, rechne ich damit, durch die verschlossene Tür erschossen zu werden. Seit ich weiß, dass es einseitige Spiegel gibt, hänge ich in Hotels grundsätzlich alle zu. Ich esse nie Curry-Wurst, weil ich einmal mit beobachten musste, wie der Rotz eines Straßenverkäufers obendrauf tropfte. Ich schwimme nicht im Meer, weil mich die Vorstellung, unter mir ist eine hunderte Meter tiefe Welt, beelendet. Niemals laufe ich unter einem Baugerüst durch, weil da bekanntlich öfter mal was runterfällt und Menschen erschlägt.
Ich trinke meinen, Kaffee schwarz, seit mir Dietrich erzählt hat, dass ihm mal eine Bekannte, eine Wöchnerin, in Ermangelung von Kaffeesahne heimlich Muttermilch im Kaffee serviert hat. Direkt aus der Titte reingespritzt! Er hat es mit eigenen Augen gesehen! Ich ekle mich vor Keksen, seit ich in einem russischen Klassiker gelesen habe, dass eine Frau, um die Liebe eines Mannes zu erwecken, ihr Regelblut in den Keksteig mischte. Die Geschichte ging tragisch aus.“

 

 

 

 805628-ab0ac037641af2aae875bbc3f2cafc27.jpg

Else Buschheuer (Eilenburg, 12 december 1965)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Patrick O’Brian werd geboren op 12 december 1914 in Chalfont St. Peter, Buckinghamshire. Zie ook mijn blog van 12 december 2008.

 

Uit: The Hundred Days

 

„The side-boys offered him the sumptuous man-ropes, and following the reefer on duty he ran down into his barge. All the bargemen knew him perfectly well -- they had been shipmates in many a commission, and two of them, Joe Plaice and Davies, had served in his first command, the Sophie; but neither they nor Bonden, his coxswain, gave the least sign of recognition as he settled in the stern-sheets, shifting his sword to give the midshipman more room. They sat there in their formal bargeman's rig -- broad-brimmed white sennit hat with ribbons, white shirts, black silk Barcelona handkerchiefs tied round their necks, snowy duck trousers -- looking solemn: they were part of a ceremony, and levity, winking, whispering, smiling, had no place in it. Bonden shoved off, said 'Give way', and with exact timing, rowing dry with long grave strokes, they pulled the barge across to the starboard accommodation-ladder of the flagship, where an even more impressive ceremony took place. Jack, having been piped aboard, saluted the quarterdeck, shook hands with the ship's captain and the master of the fleet, while the Royal Marines -- scarlet perfection under a brilliant sun -- presented arms with a rhythmic clash and stamp.
A master's mate led the Pomone's youngster away, and Captain Buchan, who commanded the Royal Sovereign, ushered Jack Aubrey below, to the Admiral's splendid quarters: but rather than the very large, grim and hoary Commander-in-Chief, there rose a diaphanous cloud of blue tulle from the locker against the screen-bulkhead -- tulle that enveloped a particularly tall and elegant woman, very good-looking but even more remarkable for her fine carriage and amiable expression.“

 

 

 

805628-e4b3acf1e0cb6b79a6118e01eb366408.jpg
Patrick O’Brian (12 december 1914 – 2 januari 2000)

Geschreven door Romenu om 19:46 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten