Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 2 september 2017

Willem de Mérode, Eric de Kuyper, R.A. Basart, Chris Kuzneski, Johan Daisne, Robert Habeck, Pierre Huyskens

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Willem de Mérode op dit blog

 

Zomers einde

Er is een groote regen losgekomen,
Zooals soms in ontruste nacht de droomen
Van een heel leven, saâmgedrongen
Tot één droom, door ons slapen zongen,
Zoo is de zomer in dit zware ruischen
Geperst, en spat uiteen en is gedaan.
Reeds morgen zullen wijd de hemelsluizen
Voor ’t plassen van het najaar openstaan.

De paden van den tuin zijn breede stroomen
Geworden, die door sprieterige zoomen
Gras van de meren zijn gescheiden:
De perken, waarin bloemen lijden.
Het struikgewas, verwirrewaaid, verpletterd,
Zwenkt treurig tallenkanten heen en weer.
En uit de hooge boomen kletst en klettert
Een bui dor hout en zwakke takken neêr.

Ten bongerd, hoeveel vruchten zijn ontvlogen
Aan ’t vast verband voor ongewisheids logen.
Zij lieten zekerheid van lot en voortbestaan
Om vrij, als vagebonden, dood te gaan.
Misschien dat straks de tuinman of zijn knapen
Hen, zwaar beschadigd, in hun manden rapen.
Maar ’t ooft, geduldig dragend tijd en duur,
Wordt rijp geplukt op ’t volslagen uur.

 

 

Je haar

Nu denk ik aan het geuren van je haren,
Toen ‘k mijn gezicht in ’t zijig goud verborg,
En als je handen dan met groote zorg
Voelden, hoe vreeselijk verward ze waren,

Lachte ik en liet mijn lippen zoetjes glijden
Langs ’t leuke kort gekroezel in je nek,
En zag, hoe lieflijk blozend elke plek
Werd, waar zij spelend eventjes verbeidden.

Elken dag is mij dit geluk geweest,
En als een zieke, die wel traag geneest,
Maar ’t frisscher bloed voelt door zijn leden stroomen,

Sterker van stuwing, al maar krachtiger,
Beheerscht mij heviger en machtiger
Het leven, dat ons samen heeft genomen.

 

 

Shakespeare

Hij kende ’t schoon beweeg van edelvrouwen,
Van koningen en dartel ambachtsvolk;
Van minnenden en sluipers met de dolk
In drukke stad en vredige landouwen.

Bij glans van maan en flakkrende flambouwen,
Onder den schijn van zon, in regenwolk,
Bij feest, op kerkhof, bij den heksenkolk,
Durfde hij levens wrevel aan te schouwen.

Hij proefde, walgelijk, de gal van kwaad,
Hij leed de kwaal van ontrouw en van haat,

En ter genezing werd hem ingeschonken
De liefde, en hij werd van liefde dronken.

En ’t eigen lijden en zijn zoet ontzetten
Verborg hij stil in stralende sonnetten.

 

 2069204-9cdcb293af1e88e5a5e819d008bb2831.gif
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Rond 1910

 

 

De Belgisch schrijver, filmregisseur, filmtheoreticus Eric de Kuyper werd geboren in Brussel, op 2 september 1942. Zie ook alle tags voor Eric de Kuyper op dit blog.

Uit: Naar aanleiding van ‘Teorema’ van Pasolini

“Dan komt de concretere situering: het burgerlijke gezin, waarvan ieder lid afzonderlijk wordt voorgesteld, in een min of meer karakteristieke bezigheid. De vader vertrekt uit zijn fabriek; de dochter komt thuis van het lyceum; de zoon, na school, met enkele vrienden; de moeder thuis, in gebed; het dienstmeisje laat de postbode binnen. Zij hebben geen relatie met elkaar, ontmoeten elkaar slechts terloops: aan tafel, later bij het afscheid van de jongeman. Het zijn geabstraheerde figuren: ‘vader’, ‘moeder’, ‘echtgenoot’, ‘dochter’, ‘zus’, ‘zoon’, ‘broer’, ‘dienstmeisje’. De hele proloog verloopt in wit-zwart beelden, zonder geluid, ook wanneer de figuren spreken: we zien alleen hun lippen bewegen.
Nu kan de vreemdeling zijn intrede doen. Hij wordt aangekondigd door de postbode. ‘Who's that boy?’ vraagt iemand. ‘A boy’, antwoordt de dochter. En meteen begint de reeks verleidingen. Iedere verleiding staat apart, ze volgen elkaar op in een strakke orde: het dienstmeisje, de zoon, de moeder, de dochter, en tenslotte de vader. Wanneer iedereen aan de beurt is geweest, verschijnt de postbode opnieuw. Terwijl ze allemaal samen aan tafel zitten, krijgt de jongen bericht dat hij moet vertrekken. Hierop volgen, weer abrupt en zonder schakels, de reacties van de verschillende figuren: een lange, vijfledige monoloog, gericht tot de zwijgende jongen, een woordenaria in sterk contrast met de rest van de film, die nagenoeg geheel in een volledige stilte verloopt, met af en toe op de achtergrond de eerste maten van Mozarts Requiem, wat moderne muziek, getjilp van vogels en stadsgeluiden. De bekentenissen van de vijf mensen zeggen ongeveer het volgende:
De zoon: ‘Ik herken mezelf niet meer. Je hebt me uit de normale orde gehaald. Ik besef nu dat ik anders ben. Ze zullen allemaal tegen me zijn’. Een beschuldiging.
De moeder: ‘Ik was onverschillig. Hoe heb ik die leegte om me heen kunnen dragen? Nu je weggaat, is er niets gebroken tenzij de goede faam van mijn burgerlijke kuisheid’. Dank, vermengd met een verwijt.
De dochter: ‘Ik hield alleen van mijn vader. Dank zij jou ben ik weer normaal geworden. Nu je weggaat gooi je me terug vanwaar ik kom. Het goede dat je me hebt doen ontdekken, heeft me ook het kwaad doen ontdekken. Wat moet ik doen?’ Onmacht.
De vader: ‘Je bent gekomen om te vernietigen. Voor mij was de vernietiging totaal. Ik heb mijn identiteit verloren. Het schandaal betekent de dood’. Twijfel.
De meid zegt niets: zij helpt de jongen met zijn koffer, kust zijn hand.”

 

 2069204-2d5e277d869064249eeb2f78188838f5.jpg
Eric de Kuyper (Brussel, 2 september 1942)
Scene uit “Teorema” (1968) met Terence Stamp als de bezoeker en Andrés José Cruz Soublette als Pietro

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver R.A. Basart werd op 2 september 1946 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor R. A. Basart op dit blog.

 

Stof tot stof

Ouder worden is steeds minder
komen en steeds minder gaan.
Maar ga ik heen dan kom 'k terug, want
vóór ik hier kwam was ik daar.

Deze rups was ooit een vlinder,
deze eend was ooit een zwaan:
straks zie ik op mijn eigen rug - dood
knoopt de eindjes aan elkaar.

 

 

Tramlijn begeerte

Ze naaiden voort tot de dageraad
De Turk en de tramkonduktrice.
Geen woord werd gesproken tijdens de daad
Daar in die verlaten remise.

Ze dacht heel de nacht: ‘Di's de ware
Voor een eenzame weduwvrouw.
Ach bleef 't maar nacht. God beware!
Als hij straks z'n bakkes maar houdt...’

Maar 't werd licht en hij zei: ‘Iekke koet?’
En toen vrat ze haar pet op van spijt.
En hij nam een hap van zijn hoed
Uit solidariteit.

 

 2069204-d3e90fe1e789d1c7e6f0de1d7ad95a8b.jpg
R.A. Basart (Amsterdam, 2 september 1946)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Chris Kuzneski werd geboren op 2 september 1969 in Indiana, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Chris Kuzneski op dit blog.

Uit: Sword of God

“The boy could smell the blood from fifty yards away. It was a strong, pungent odor that made him gag yet piqued his curiosity. Common sense told him to turn around and get some help. His father. His mother. One of his neighbors. Anyone who could protect him from what he was about to discover. But common sense rarely mattered to an eight-year old.
Especially when he was somewhere he didn’t belong.
The valley to his right was lined with camphor trees, many 75 feet tall and 100 feet wide. The path in front of him was rugged, made of black volcanic rock that dominated the subtropical island and formed its very core. The temperature was cold, in the low 40s, but would climb steadily as the day wore on, a by-product of the nearby Kuroshio and Tsushima currents. The sun was still rising over the eastern sea when he made his choice. He zipped his jacket over his nose and inched forward, following the stench of death.
For years his family had warned him about this place, claiming it was built for evil. It was a story that wasn’t difficult to believe. Sometimes, late at night, he could hear the screams—bloodcurdling shrieks that ripped through the dark and jostled him from his sleep. The first time he heard them he assumed he was having a nightmare, but the sounds didn’t stop when he sat up in bed. In fact, they got louder. This went on for days, weeks, until he could take no more.
He had to know the truth.
Ignoring his family’s wishes, he snuck into town and asked one of the village elders about the sounds from the hill. The old man laughed at the boy’s audacity. He, too, had been a curious child and felt this trait should be rewarded—but only if the boy could understand the truth.
“Look at me,” the old man ordered in Korean. “Let me see your eyes.”
The boy knew he was being tested. He stared at the old man, refusing to blink, hoping to prove his courage even though his palms were sweating and his knees were trembling.
Tension filled the hut for several seconds. The entire time the boy could barely breathe.
Finally, the old man nodded. The boy was ready for the truth, if for no other reason than to keep him afraid of the place on the hill, to keep him alive. Sometimes fear was a blessing.
With a grave face and a gravelly voice, the old man whispered a single name that was known throughout Jeju, a place that sent shivers down the boy’s spine and woke the hairs on his neck.”

 

 2069204-36c628fa0f8fe66a6495724400bbb4c9.jpg
Chris Kuzneski (Indiana, 2 september 1969)

 

 

De Belgische dichter en schrijver Johan Daisne werd op 2 september 1912 in Gent geboren als Hermanus Thiery. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Johan Daisne op dit blog.

 

Verder dan de lente

Ik hou niet van de lente, d'uitgelaten bode
Van heete zon, en dronken fruit en wulpsche bloemen.
Mijn liefde was, van haar geboorte af, een doode:
Nooit zal de even droeve mij haar lievling noemen.

Ik hou niet van de lent, haar kloppend bloed, haar schuimen.
Ik heb den roes van 't handgeklap koel afgezworen.
'k Wil dienen, sterf loos mij herscheppen, maar in ruimen
Waar niets meer mijn ootmoedige geluk komt storen.

'k Wil dienen, vechten, mij herscheppen, marmerglimmend,
Maar àl in vred', in grooten, innerlijken vrede,
In 't stille huis, en verder dan de lent', en immer
Bereid, om ruischloos 't eeuwig najaar in te treden.

 

 

Augustus

Het raam staart in den nacht verloren: blauw
is hij, en stil, een nacht van melk en sterren,
met slechts één schaduw: Onze Lieve Vrouw,
die glijdt met witte handen van versterven.

Eén schaduw, en één licht, want in dien nacht
steekt weer de wond, die 't kruis is aller kerken:
berouwen, en de droom dat men, ontkracht,
in Haar de blijvend Schoone moet verwerven.

De tuinen liggen bruin van weemoed neer,
zij zien visioenen door de boomen zwerven:
het golven van een middenzomerzee,
en uw gestalte, wuivend in de verte.

Een kloosterling die 't leven dol bemint,
een wereldling die de natuur onterfde, -
ze zitten beiden schrijvend in het kind,
dat met Madonnabeeldjes speelt en verven.

Ach goede nacht, kom tot het einde weer,
met uwe wond en haar ontvleesde bloemen,
bewaar soms in het kind zijn schoone zeer,
tusschen de wijze nachten van verzoenen.

 

 2069204-f6d60087d3158b9ebe8bca6ac8c67ca0.jpg
Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)

 

 

De Duitse schrijver en politicus Robert Habeck werd geboren op 2 september 1969 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Robert Habeck op dit blog.

Uit: Der Schrei der Hyänen (Samen met Andrea Paluch)

„Arabella ging durch die Hintertür auf den Hof hinaus. Das Karree, das von der Rückwand des Hauses mit der Remise an der rechten Flanke und dem Pferdestall an der linken um einen Wellblechbrunnen herum angelegt worden war, schien genau unter der Milchstraße zu liegen. Draußen war es hell und farblos. Der Weißdorn, der ihr Christbaum gewesen war, lehnte am Brunnenrand.
Sie stieg über die Wanne mit den Gedärmen des Gnus, das Frank am Abend geschossen und zum Ausbluten in den Waschraum gehängt hatte. Sie würde, was sie nicht verwursten konnte, pökeln müssen, wenn es nicht verderben sollte.
Im Schuppen brannte eine Tranlampe. Walöl war hier billiger als Petroleum.
Frank wandte sich um, als Arabella eintrat. Er war nackt bis auf seine alten Knobelbecher. Seine Körperhaare klebten auf der Haut, die Lampe flackerte und seine Schultern vibrierten im zuckenden Schein, ohne daß er sich bewegte. Er hatte die Nilpferdpeitsche in der Hand.
»Sie muß hoch. Das Kalb kann nicht raus.«
Tatsächlich lag die Kuh mit geblähtem Bauch in einer verdrehten Stellung so weit an die Wand gepreßt, daß man nicht hinter sie konnte. Arabella streichelte ihr über das feuchte Maul und die heißen Ohren. Das Fell war schweißnaß. Über den Körper lief ein Schauer.
»Man sieht die Hufe schon.« Arabella beugte sich über das Tier. Es roch nach Fruchtwasser. Ein kleines, mit milchiger Eihaut überzogenes Bein ragte aus der Kuh. Sie faßte es an. Das Horn des Hufs war weich.
Draußen meckerte eine Hyäne. Arabellas Nackenmuskel zog sich zusammen. Röchelnd sog Frank Schleim zusammen und spuckte aus. Dann trat er der Kuh mit der Stiefelspitze in die Seite.
»Du ziehst sie hoch!« kommandierte er seine Frau. »Jetzt reicht es, sonst prügle ich dich auf die Beine«, brüllte er das Tier an. Arabella legte der Kuh einen Baststrick um den Hals und zog kräftig. Frank schlug das Tier mit dem Sambjok. Zuerst mit dem stumpfen Griff, dann mit der Leine aus Flußpferdhaut. Das Leder schnitt durch das Fell der Kuh wie ein Messer. Daß sie blutete, sah Arabella erst, als die Tropfen langsam über die weißen Schecken quollen.“

 2069204-7eed5f43604656af1d4afa47d28bbff3.jpg
Robert Habeck (Lübeck, 2 september 1969)
Hier met Andrea Paluch

 

 

De Nederlandse journalist en schrijver Pierre Huyskens werd geboren op 2 september 1931 in Wessem. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Pierre Huyskens op dit blog.

 

Kerstnacht 194

We scholen angstig biddend in de kelder
waarvan de muren trilden in 't zwaar geweld.
En buiten was de nacht alleen maar helder
van 't vuren der kanonnen in het veld.
Aan de Engelen die met een Blijde Boodschap
de herders maanden naar Bethlehem te gaan,
daar was in ons verwoeste landschap
in die helse nacht, geen denken aan.
Totdat bij alle mitrailleur-gejengel
die Tommy zich boog in het keldergat
en ons liet weten, als Gehelmde Engel,
dat er tóch Vrede in die Kerstnacht zat.

 

2069204-42d10aa41ca4f82f04100fa7389ee73c.jpg 
Pierre Huyskens (2 september 1931 – 19 november 2008)
Wessem

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:17 Reageer op dit bericht

Joseph Roth, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Joseph Roth op dit blog.

Uit:Die Kapuzinergruft

„Wir heißen Trotta. Unser Geschlecht stammt aus Sipolje in Slowenien. Ich sage: Geschlecht; denn wir sind nicht eine Familie. Sipolje besteht nicht mehr, lange nicht mehr. Es bildet heute mit mehreren umliegenden Gemeinden zusammen eine größere Ortschaft. Es ist, wie man weiß, der Wille dieser Zeit. Die Menschen können nicht allein bleiben. Sie schließen sich in sinnlosen Gruppen zusammen, und die Dörfer können auch nicht allein bleiben. Sinnlose Gebilde entstehen also. Die Bauern drängt es zur Stadt, und die Dörfer selbst möchten justament Städte werden.
Ich habe Sipolje noch gekannt, als ich ein Knabe war. Mein Vater hatte mich einmal dorthin mitgenommen, an einem siebzehnten August, dem Vorabend jenes Tages, an dem in allen, auch in den kleinsten Ortschaften der Monarchie der Geburtstag Kaiser Franz Josephs des Ersten gefeiert wurde.
Im heutigen Österreich und in den früheren Kronländern wird es nur noch wenige Menschen geben, in denen der Name unseres Geschlechts irgendeine Erinnerung hervorruft. In den verschollenen Annalen der alten österreichisch-ungarischen Armee aber ist unser Name verzeichnet, und ich gestehe, daß ich stolz darauf bin, gerade deshalb, weil diese Annalen verschollen sind. Ich bin nicht ein Kind dieser Zeit, es fällt mir schwer, mich nicht geradezu ihren Feind zu nennen. Nicht, daß ich sie nicht verstünde, wie ich es so oft behaupte. Dies ist nur eine fromme Ausrede. Ich will einfach, aus Bequemlichkeit, nicht ausfällig oder gehässig werden, und also sage ich, daß ich das nicht verstehe, von dem ich sagen müßte, daß ich es hasse oder verachte. Ich bin feinhörig, aber ich spiele einen Schwerhörigen. Ich halte es für nobler, ein Gebrechen vorzutäuschen als zuzugeben, daß ich vulgäre Geräusche vernommen habe.
Der Bruder meines Großvaters war jener einfache Infanterieleutnant, der dem Kaiser Franz Joseph in der Schlacht bei Solferino das Leben gerettet hat. Der Leutnant wurde geadelt. Eine lange Zeit hieß er in der Armee und in den Lesebüchern der k. u. k. Monarchie: der Held von Solferino, bis sich, seinem eigenen Wunsch gemäß, der Schatten der Vergessenheit über ihn senkte. Er nahm den Abschied. Er liegt in Hietzing begraben. Auf seinem Grabstein stehen die stillen und stolzen Worte: »Hier ruht der Held von Solferino.«

 

 2069201-c541269fda7bb5ab0865e238e7c4a949.jpg
Joseph Roth (2 september 1894 - 27 mei 1939)
Postzegel ter gelegenheid van zijn 100e geboortedag in 1994

 

 

De Duitse schrijver Manfred Böckl werd geboren op 2 september 1948 in Landau an der Isar. Zie ook mijn blog van 2 september 2009 en ook mijn blog van 2 september 2010.

Uit: Die Leibeigenen

„In dieser Sommernacht tanzten die derben Weiber und die zusammengebuckelten Männer des kleinen Dorfes Stauff. Sie stampften den Boden unter der Linde im Reigen, so daß die klobigen Holzschuhe auf dem festgetretenen Lehm knallten. Die Burschen juchzten, wenn sich die Leinenröcke der Weiber im böhmischen Wirbler bauschten. Der Zigeuner, der aus der Straubinger Gegend das Donautal heruntergekommen war, ließ seine dreisaitige Fidel wilder und wilder wimmern, je mehr Bier und Branntwein ihm die Bauern spendierten.
Auf dem Anger, auf roh zusammengehauenen Holzbänken, hockten die Alten des Dorfes beisammen, die Gesichter rot vom Schnaps, die knotigen Hände auf die Schenkel gestemmt. Wohlwollend betrachteten sie die Tänzer, hielten sich aber selbst lieber an die bauchigen Tonflaschen und die fetten Speckseiten, an denen heute kein Mangel herrschte. Ihre Bärte glänzten von Speichel und Schmalz, und mitten unter den Alten lag, hingestreckt wie ein brauner Hügel, der wandernde Pfaffe aus Metten, welcher Stunden zuvor das Brautpaar zusammengegeben hatte.
Der Mönch war schwerer betrunken als alle anderen; er gehörte zu denen, die hauptsächlich wegen der schäumenden Bierbitschen und der saftigen Kapaune auf der Klostertafel die Kutte angezogen hatten, und es mochte ihn wohl auch verdrießen, daß der Abt ihn stets nur zu den ärmlichen Hochzeiten der Leibeigenen sandte. Deswegen hatte er sich, nachdem das Sakrament vollzogen war, besoffen und sich den Wanst vollgeschlagen, wohl wissend, daß keiner der einfältigen Dörfler es wagen würde, ihn deswegen zu tadeln. Und es war wirklich so, daß die Leibeigenen es sich zur Ehre rechneten, daß der geweihte Mann ihren einfachen Genüssen so kräftig zusprach.
»Da, stärke dich, in des Heilands Namen«, sagte der Viertelhübner Jörg und reichte dem Mönch seinen eigenen Bierkrug. »Sollst in Metten nicht erzählen können, daß die Eigenleute von Stauff Geizhälse wären. Sollst dir hier ein Gutes antun und später Fürbitt einlegen für uns Stauffer in deiner Klosterkirche.«

 

 2069201-d2ed964349062ef0b3915ac87be50b0a.jpg
Manfred Böckl (Landau an der Isar, 2 september 1948)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Georg Jacobi werd geboren op 2 september 1740 op Gut Pempelfort bij Düsseldorf. Zie ook alle tags voor Johann Georg Jacobi op dit blog en ook mijn blog van 2 september 2010

 

Abends

Komm, Liebchen, es neigen
Die Wälder sich dir;
Und alles mit Schweigen
Erwartet dich hier.
Der Himmel, ich bitte,
Von Wölkchen wie leer!
Der Mond in der Mitte,
Die Sternlein umher!
Der Himmel im glatten
Umdämmerten Quell!
Dies Plätzchen im Schatten,
Dies andre so hell!
Im Schatten, der Liebe
Dich lockendes Glück,
Dir flüsternd: es bliebe
Noch vieles zurück.
Es blieben der süßen
Geheimnisse viel;
So festes Umschließen;
So wonniges Spiel!
Da rauscht es! Da wanken
Auf jeglichem Baum
Die Äste, da schwanken
Die Vögel im Traum.
Dies Wanken, dies Zittern
Der Blätter im Teich -
O Liebe, dein Wittern!
O Liebe, dein Reich!

 

 2069201-1c4bafb2148c463274914feb30fb3534.jpg
Johann Georg Jacobi (2 september 1740- 4 januari 1814)
Anoniem portret

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Charles Joseph Bourget werd geboren op 2 september 1852 in Amiens. Zie ook alle tags voor Paul Bourget op dit blog en ook mijn blog van 2 september 2010

 

Soir d'été

Dans le ciel du couchant, délicat, tendre et clair,
Une étoile faisait trembler sa douce flamme,
Et tes yeux souriants et calmes avaient l’air
De laisser transparaître et luire ta chère âme.

Dans ton petit jardin nous marchions pas à pas,
Et moi je savourais l’émotion profonde
De sentir sur mon bras s’abandonner ton bras.
Oh ! dis ! — nous croyais-tu, comme moi, seuls au monde ?

Nous nous sommes assis sous un arbre tranquille,
Et, là, je t’embrassais en silence et longtemps,
Tandis que j’écoutais frémir la grande ville
Autour du frais enclos qu’embaumait le printemps.

Je ne sais quel chagrin t’avait un peu pâlie ;
Et, me voyant ainsi triste et silencieux,
Tu te laissas gagner à ma mélancolie,
Et comme pour dormir tu fermas tes deux yeux.

Tu pourras m’oublier, et je pourrai vers d’autres
Porter un cœur changeant qui t’appartint un jour ;
Mais ce pur souvenir des soirs qui furent nôtres
Survivra dans nos cœurs à l’inconstant amour.

Plus que les baisers fous, plus que les nuits d’ivresse,
Plus que les mots brûlants balbutiés tout bas.
C’est la pure, l’intime et suave caresse
Qu’avec plus de regrets tu te rappelleras,

Comme je te verrai toujours dans ma pensée
Pencher sur mon épaule avec tant de douceur
Ta tête confiante, amicale et lassée.
Ce soir où je t’aimais comme on aime une sœur.

 

 2069201-aacf68ea85697abd42e790f9b3da5bd1.jpg
Paul Bourget (2 september 1852 – 25 december 1935)
Houtsnede door Diogène Maillart uit de Revue illustrée.

 

 

De Franse dichter, schrijver en politicus Paul Déroulède werd op 2 september 1846 geboren in Parijs. Zie en ook alle tags voor Paul Déroulède op dit blogen ook mijn blog van 2 september 2010

Uit: Chants du soldat

 

VIVE LA FRANCE! (Fragment)

Oui, France, on t'a vaincue, on t'a réduite même,
Et comme il n'a pas eu pour preuve le succès,
A ton courage encore on jette l'anathème,
Et les Français s'en vont rabaissant les Français.

Quo la faute fut grande et cette guerre folle,
Qui le nie? Ils sont là nos désastres d'hier.
Mais qu'au bruit des canons tout un passé s'envole!
Quo tout un avenir soit brisé sous ce fer!

Que la France n'ait plus, chez les peuples du monde,
Ni voix dans leurs arrêts ni place â leurs grandeurs
C'est une calomnie infâme et si profonde,
Qu'un vaincu qat la dit étonne ses vainqueurs.

Non, France, ne crois pas ceux qui te disent lâche,
Ceux qui voudraient nier ton âme et ses efforts :
Sans gloire et sans bonheur, tes fils ont fait leur tâche,
Mais ils l'ont faite, et Dieu ne compte plus tes morts.

J'ai vu de pauvres gens tomber sans une plainte;
D'autres — je les ai vus — ont combattu joyeux,
Et, pieux chevaliers de cotte guerre sainte,
Sont morts, l'amour dans l'âme et le ciel dans les yeux.

Iks ont lutté, n'étant ni l'espoir ni le nombre.
Et sans cesse détruits, et renaissant toujours,
C'est un éclair divin de cette époque sombre,
Que cos martyrs voulant leurs supplices moins courts.

 

 2069201-d1b5d52a160181d039dcc96388ef0e99.jpg
Paul Déroulède (2 september 1846 - 30 januari 1914)
Paul Déroulède en Marcel Habert probeerden een staatsgreep te plegen door de troepen van General Roget naar het Elysee-paleis te leiden. Illustratie uit Le Petit Journal, maart 1899.

 

 

De Italiaanse schrijver Giovanni Verga werd op 2 september 1840 geboren als oudste zoon in een welgestelde liberale Siciliaanse familie in Catania op Sicilië. Zie ook alle tags voor Giovanni Verga op dit blog en ook mijn blog van 2 september 2010

Uit: Cavalleria Rusticana and Other Stories (Vertaald door G. H. McWilliam)

“Maracchia stayed at home, breastfeeding the children, while her mother went off to the fields to work alongside the men; just like a man, in fact, digging, hoeing, rounding up the cattle, and pruning the vines in all weather, in January with an icy wind from the east, or August with the sirocco from the south, when at the end of the day the mules would be drooping their heads and the men would be sitting asleep, propped against the wall with their mouths hanging open. 'In hours that run from dusk till dawn goes no good woman ever born,' and Pina was the only living soul you could see out and about, picking her way over the boundless fields that stretched into the heat haze of the far distance towards Etna, shrouded in mist, where the sky bore down on the horizon."Wake up!" said the She-Wolf to Nanni, who was lying asleep in the ditch under the dust-laden hedgerow, resting his head between his arms. "Wake up, I've brought you some wine to wet your throat."
Nanni opened his eyes wide, stupefied, still half-asleep, to find her standing over him, white-faced, thrusting her breast towards him and fixing him with her coal-black eyes, and he stretched out his hands, groping the air.
"No! No good woman's abroad from dusk till dawn!" bewailed Nanni, pressing his face down again into the dry grass of the ditch as hard as he could, with his fingernails tearing at his hair. "Go away! Go away! Keep away from the barn!"
She did go away, did the She-Wolf, tying up her splendid tresses as she went, staring ahead of her toward the hot fields of stubble with her coal-black eyes.
But she kept going back to the barn, and Nanni said nothing. In fact, whenever she was late arriving, in the hours that run from dusk till dawn, he would go and wait for her at the top of the ashen-white, deserted lane, with beads of sweat standing out on his forehead. And afterwards he would thrust his hands through his hair and repeat every time, "Go away! Go away! Don't come back to the barn!"
Maracchia wept day and night, and stared at her mother with tear-filled eyes aflame with jealousy, looking like a wolf-cub herself, every time she saw her returning pale and silent from the fields.”

 

 2069201-1ba0a243e1cdb5b12ab1d53defb2baf7.jpg
Giovanni Verga (2 september 1840 – 27 januari 1922)
Borstbeeld in de Giardino Bellini, Catania

 

 

De Duitse schrijver Richard Voß werd geboren op 2 september 1851 op Gut Neugrape in Pommern. Zie ook mijn blog van 2 september 2009 en ook mijn blog van 2 september 2010

Uit:Der gute Fra Checco

„Er war wirklich gut! Alle Welt sagte es. In ganz Italien gab es keinen besseren Kapuzinerfrater als ihn, den »guten Fra Checco«. Man nannte ihn so hinter seinem Rücken und ihm ins Gesicht hinein, darin jede Miene sagte: »Seht mich an, ihr lieben Leute. Seht mich recht genau an. Ich bitte euch herzlich. Ihr müßt mir's ja doch vom Gesicht ablesen, wie gut ich bin. Keinem Würmlein am Wege könnte ich ein Leides zufügen. Wahr und wahrhaftig nicht! Für diese sündige Welt bin ich ein viel zu guter Mensch. Ihr dürft mir's glauben.«
Als wir ihn kennen lernten, war der gute Fra Checco überdies noch ein recht stattlicher Mann. Die dunkelbraune Kutte des großen Heiligen von Assisi kleidete den wackeren Bruder vortrefflich. Er hielt sein grobes Gewand der Demut äußerst reinlich, ängstlich darauf achtend, daß sein äußerer Mensch dem inneren gleichkam. Seine Sorgfalt dehnte sich sogar auf den Strick aus, womit er sein braunes Kleid gürtete: niemals zu hoch! Der Strick war stets von tadelloser Weiße und geradezu mit Grazie geknotet. Selbstredend steckten seine nackten wohlgeformten Füße – sie leuchteten in schönster Bronzefarbe – in den saubersten Sandalen. Diese bestanden freilich aus harter Rindshaut und waren von dem guten Bruder selbst verfertigt. Trotzdem mußten sie für wahre Wunder von Mönchsschuhen gelten, und so zierlich, als sollten sie die Füßlein einer reizenden jungen Dame bekleiden.
Als wir den Würdigen kennen lernten, stand er gerade im besten Mannesalter. Sein dichter, kohlschwarzer Bart umrahmte ein hübsches braunes Gesicht, das, trotz der Armut seines Bergklösterleins, recht wohl genährt war, und darin die dunklen südlichen Augen je nach Bedarf bald reinste Nächstenliebe, höchste Gottesfurcht und tiefste Demut, bald lustige Laune oder ehrenfeste Biedermännigkeit ausdrückten.
Der gute Fra Checco sammelte jahraus jahrein für sein Kloster Almosen ein. Weniger infolge dieses Gott wohlgefälligen Amtes, als vielmehr seiner menschenfreundlichen, achtbaren und herzgewinnenden Persönlichkeit willen war er weit und breit bekannt.“

 

 2069201-42688a18efda5977a1fff9ab774faf62.jpg
Richard Voß (2 september 1851 – 10 juni 1918)
Rond 1908

Geschreven door Romenu om 13:15 Reageer op dit bericht

Fuminori Nakamura

De Japanse schrijver Fuminori Nakamura werd geboren op 2 september 1977 in Tōkai. Nakamura studeerde in 2000 af aan de faculteit voor openbaar bestuur van de universiteit van Fukushima. Tegenwoordig woont hij in Tokio. In Japan heeft Fuminori Nakamura al meer dan een dozijn romans gepubliceerd. Zijn werken zijn vertaald in verschillende talen en zijn verschenen in onder meer de Verenigde Staten, Engeland, China, Frankrijk en Spanje. In 2002 ontving hij de Shincho Young Award voor zijn debuutroman. In 2004 werd hij bekroond voor de Shako Noma Literatuurprijs, in het volgende jaar voor “Tsuchi no naka no kodomo” met de Akutagawa-prijs. Voor de roman “Suri” ontving hij in 2010 de Ōe-Kenzaburō-prijs. “Suri” werd door critici ook goed ontvangen in de Engelse vertaling met de titel “The Thief”; In 2015 verscheen de roman onder de titel “Der Dieb” als de eerste van Nakamura’s werken ook in het Duits. Als literaire invloeden noemt Nakamura onder andere Franz Kafka en Fjodor Dostojevski.

Uit: The Thief (Vertaald door Satoko Izumo en Stephen Coates)

“When I was a kid, I often messed this up.
In crowded shops, in other people’s houses, things I’d pick up furtively would slip from my fingers.
Strangers’ possessions were like foreign objects that didn’t fit comfortably in my hands. They would tremble faintly, asserting their independence, and before I knew it they’d come alive and fall to the ground. The point of contact, which was intrinsically morally wrong, seemed to be rejecting me.
And in the distance there was always the tower. Just a silhouette floating in the mist like some ancient daydream. But I don’t make mistakes like that these days. And naturally I don’t see the tower either.
In front of me a man in his early sixties was walking towards the platform, in a black coat with a silver suitcase in his right hand. Of all the passengers here, I was sure he was the richest. His coat was Brunello Cucinelli, and so was his suit. His Berluti shoes, probably made to order, did not show even the slightest scuffmarks. His wealth was obvious to everyone around him. The silver watch peeping out from the cuff on his left wrist was a Rolex Datejust. Since he wasn’t used to taking the bullet train
by himself, he was having some trouble buying a ticket. He stooped forward, his thick fingers hovering over the vending machine uncertainly like revolting caterpillars. At that moment I saw his wallet in the left front pocket of his jacket.
Keeping my distance, I got on the escalator, got off at a leisurely pace. With a newspaper in my hand, I stood behind him as he waited for the train. My heart was beating a little fast. I knew the position of all the security cameras on this platform. Since I only had a platform ticket, I had to finish the job before he boarded the train. Blocking the view of the people to my right with my back, I folded the paper as I switched it to my left hand. Then I lowered it slowly to create a shield and slipped my right index and middle fingers into his coat pocket. The fluorescent light glinted faintly off the button on his cuff, sliding at the edge of my vision. I breathed in gently and held it, pinched the corner of the wallet and pulled it out. A quiver ran from my fingertips to my shoulder and a warm sensation gradually spread throughout my body. I felt like I was standing in a void, as though with the countless intersecting lines of vision of all those people, not one was directed at me. Maintaining the fragile contact between my fingers and the wallet, I sandwiched it in the folded newspaper. Then I transferred
the paper to my right hand and put it in the inside pocket of my own coat.”

 

 2147656-25cfde8bcf6bc1231b841544ec1f3c03.jpg
Fuminori Nakamura (Tōkai, 2 september 1977)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten