De Duitse dichter schrijver Bastian Böttcher werd op 31 december 1974 in Bremen geboren. Zie ook mijn blog van 31 december 2006 en ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.
Dran glauben
Häng deine Hoffnung
an ein Plastikschwein made in Taiwan
Häng deine Hoffnung
an ein Pflasterstein und andern Kleinkram
Zur Show gibt es Kitsch
Zum Popstar das Image
Zur Schönheit die Bräunung
Zum Glück gibt’s die Täuschung
Also:
Dran glauben!
Kram kaufen!
Augen schließen!
Den Schwindel genießen!
Häng deine Ziele an den Masterplan von Microsoft
Häng deine Ziel an die Straßenbahn zum Luxusloft
Zum Reichtum gibt’s Schätze
Zum Brechen Gesetze
Zur Unschuld die Leugnung
Zum Glück gibt’s die Täuschung
Babylon 2.8
Berlin, Paris, London, Ballermann, Balaton.
Wir leben in Babylon 2.8.
Reden wie im Mythos – verdreifacht geregeltes Mediengerede,
und speisen’s in Festplatten, Köpfe und Geräte.
So wie in Babel in der Bibel lieben People die Piepen,
und die, die dienen, verdienen viel weniger, als sie verdienten.
Google mal Babylon! Babel mal Googylon,
Bubblegum, Goodie, Booty, Party on, Babylon!
Während wir Wörter wie Werte verwirren,
werden wagenweise Waren vertrieben. Und im Gehirn
platzen Dotcom-Hypotheken-Sprechblasen wie Pustefix.
Komplett Geplättete fragen mich, warum tuste nix.
Propaganda geht runter wie Öl und rauf wie Ölpreise,
nur wer sich selbst umschaut, wird auf seine Weise weise.
Google mal Babylon! Babel mal Googylon,
Bubblegum, Goodie, Booty, Party on, Babylon!
Bubble ma goodylon! Goody ma Babylon,
Berlin, Paris, London, Ballermann, Balaton.

Bastian Böttcher (Bremen, 31 december 1974)
De Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde op 31 december 1881. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.
Antwerpsche libertijnen
1
Uw stad was machtig en uw vorstlijk volk van zinnen fel,
In koop- en kaapvaart kloek.
Hoe klaar beeldt gij hun werk en spel
In uw schoon boek.
Ik las, ik las verheugd en vond voor het hongrend hart schoon,
In vreugdenloozen tijd
Dus worde u, veel of weinig loon
Mijn lied gewijd.
2
Geen kapers kloeker en in geene stormen stouter schuimer
Dan een Antwerpsche maat
Zij meten zeeën, ruwer, ruimer
Dan één volk gaat.
Maar werven winsten ook méér dan één volk, het vol vertier
Dringt over brug, door poort
Langs weg en water, vaart en veer
Ter Scheldeboord.
Daar woelt de vlotte vreugd, vrij door de bonte havenbuurt
Tot in den laten nacht,
Want elk schip boordvol uitgestuurd
Keert schatbevracht.
En elke maat, die met zijn zeiler veilig binnenkomt
Brengt van zijn blijde jeugd
Schat, ongewogen, onbesomd
Aan lust en vreugd.
Want in geen stad bloeien zoo schoon de zinnelijke knapen,
Handen smal, rank van voet,
De mond voor lach en min geschapen,
Het hart in gloed.
O, jeugd, o jeugd, o schat, die zonder zorgen uitgegeven,
Herwint geen spaarzaamheid,
O, lieve lente van het leven,
Meer dan de oogsttijd.
Als drijvers jeugd en lust dringen wilden in ban en band,
Streed het volk nooit getemd,
En brak met wraakwoedende hand,
Wat zinnen klemt.
Gent, Brugge noch Brussel, waar het volk voor zijn zinnenvrijheid
Zóó juichend streed en viel
Zijn leus: ‘Niet min der zinnen blijheid
Dan 't heil der ziel.’
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)
De Haan hier gekleed als Arabier
De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.
De steen bloeit
De steen bloeit.
De steen die niet kan bloeien,
Wat bloeit die steen.
Zijn bloesems zijn veelkleurig.
Gekleurd als de wolken wanneer de maan hen beschijnt,
Gekleurd als jouw ogen, liefste,
En warm.
Gekleurd als vrolijke ideeën,
Veelkleurig als golven die tot aan de horizon golven.
Wat bloeit de steen,
Wat bloeit de steen die niet kan bloeien...
Hij geurt naar de wind die het gehuil uiteenslaat,
Hij geurt naar het vanzelfsprekende,
Naar bloed,
Gepofte kastanjes,
Drukte in de straten.
Hij geurt naar een vrijheid van zien en voelen
En betovert veelkleurige vlinders.
Zo bloeit de steen,
De steen die niet kan bloeien.
Ik kom terug,
Ik kom terug, liefste, met een van zijn bloesems.
Overzicht
Toen je ouder dan 50 was,
At je alleen nog kreeften en splinters.
Toen je ouder dan 40 was,
Keek je naar gozers met flitsende heupen.
Toen je ouder dan 30 was,
Bezocht je Romaanse kerkjes op dinsdag.
Toen je ouder dan 20 was,
Luisterde je steeds naar kale geluiden.
Toen je ouder dan 10 was,
Begon je al van de hel te dromen.
Toen je ouder dan 0 was,
Kocht je een ouderwetse vissersboot.
Toen je ouder dan -10 was,
Sneed je bij herhaling je polsen door.
Toen je ouder dan -20 was,
Hield je erg van oorlogsdocumentaires.
Toen je ouder dan -30 was,
Spiegelde je graag aan discuswerpers.
Toen je ouder dan -40 was,
Vond je een plek om krankzinnig te zwijgen.
Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)
De Surinaamse dichter (Kingbotho), percussionist, beeldend kunstenaar, Surinamist, toneelschrijver, regisseur, acteur en maatschappelijk werker Noeki André Mosis werd geboren in het District Marowijne op 31 december 1954. Hij is een marron, behorend tot het Ndyuka-volk, en sinds 1990 woonachtig in Nederland. Van 1972 tot 1980 werkte Mosis voor de Surinaamse Dienst Bodemkartering (voor het in kaart brengen van het binnenland). Van 1980 tot 1990 was hij verbonden aan de afdeling Cultuurstudies van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Cultuur.
Mosis werkte van 1991 tot 1993 als magazijnmedewerker bij AT&T in Den Haag, en van 1996 tot 1999 als toezichthoudend medewerker bij Werkraat in dezelfde stad. Sinds 1990 is hij verbonden aan de Stichting Het Koorenhuis in Den Haag als medewerker communicatie en voorlichting, en docent Afro-Surinaamse en Afrikaanse percussie. Noeki André Mosis schreef poëzie onder de naam Kingbotho. Van zijn hand verscheen nooit een complete bundel, maar hij gebruikte zijn gedichten wel voor zijn voordrachten. Verspreid werden enkele gedichten in het Ndyuka gepubliceerd, zoals `Mi tyubua' [Mijn woon¬plaats] in de Spiegel van de Surinaamse poëzie.
Tussen 1990 en 1997 schreef en regisseerde Mosis diverse dansdrama’s: Bro [Adem/Geest], Fri Yeye [Vrije geest], Het kapsel en Voetspoor, die zich afspelen binnen verschillende contexten van de Surinaamse samenleving. Buba [Lippen] en Mooi benadrukken het integratieproces in multicultureel Nederland. Zijn beeldend werk werd geëxposeerd in Suriname, Nederland en Frans-Guyana en bevindt zich ook in collecties elders in de wereld, o.m. in Washington D.C., New York en Hong Kong.
Mijn vaste woonplaats
Loop voorbij dat deel van mijn land,
waar eb en vloed in oneindige beweging
altijd zorgdragen voor het overbrengen van al
wat drijvend is, van de overstromingsvlakten naar de oceaan.
Voorbij dat deel van mijn land,
waar het maaiveld van de klei-afzettingen
onder de waterspiegel ligt.
Sta op een der schollen en rust.
Ga erdoorheen, de dagamabossen in het deklandschap,
waar de pegassen zich ophopen
in de geulen over uitgestrekte arealen.
Sta in het gebleekte broszand van de savana en tuur.
Loop verder, voorbij de plateau’s en de heuveltoppen
van de residuaire gronden, waar ferriet en kwartsgrind
het palet domineren tussen het verweerde graniet
in de dalen, op de hellingen.
De paadjes onder de bossen van de granietgronden
lemig en vruchtbaar,
leiden naar de dorpen
midden in de rivieren.
Daar woon ik.
Een dorp te midden der stroomversnellingen.
De hutten zijn beschilderd met kleuren die spreken:
Harmonische wereld.
Gasten die mijn voetsporen hebben betreden
om mij te bezoeken ontvang ik als mijn vrienden.
Zij die over mijn voetsporen heen willen vliegen
zal ik ontvangen als mijn aartsvijanden.
Ik ben waar ik thuis hoor.

Kingbotho (District Marowijne, 31 december 1954)
De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.
Uit: Die Sache mit Christoph
„Heute haben wir Christoph begraben.
Nein, nicht wir.
Sie haben ihn begraben.
Ich war nicht dabei.
In die Kirche bin ich noch gegangen. Sie liegt oben auf einem Hügel, mitten zwischen den Gräbern,
eine kleine weiße Dorfkirche mit rundem Turm und einem Altarbild ganz in Rosa und Hellblau, von dem Christoph einmal gesagt hatte, dass es sicher ein Gemeinschaftswerk des Oberrieder Jungfrauenvereins sei.
Jetzt stand sein Sarg vor dem Bild. Die Beerdigung sollte um elf anfangen. Kurz vor elf, als ich kam, war die Kirche schon voll. Das halbe Dorf war da, und die Schule natürlich: unsere Klasse, die Parallelklassen, fast sämtliche Lehrer. Die meisten wohnen nicht in Oberried. Sie waren zusammen mit der Bahn herausgefahren, wie bei einem Schulausflug, und eine halbe Stunde zu früh eingetroffen. Ich bekam keinen Platz mehr und musste stehen. Ich stand an der Wand und sah sie
in den Bänken sitzen, einen neben dem andern, die Göbler, Mathe-Mayer, Bio-Mayer, Hansen, den
Musiklehrer. . . Nur der Hansen hatte Christoph gemocht, die anderen nicht, und ich konnte sie kaum aushalten mit ihren dunklen Kleidern und diesen passenden Gesichtern dazu. Der dicke Morgenfeld bekam es sogar fertig, unglücklich auszusehen. Vor ein paar Tagen hatte er noch zu Christoph gesagt: »Das Leben wird Ihnen schon genug blaue Flecken verpassen, Sie arroganter Kerl, und weiß Gott, die gönne ich Ihnen.«
Dass er es überhaupt gewagt hatte herzukommen, nach allem, was geschehen war. Er hätte in die Schule gehen sollen, er und die anderen, vor allem die Göbler, bei der wir im letzten Jahr Deutsch hatten und die wenigstens ehrlich genug war keine Trauermiene aufzusetzen. Niemand von denen hätte kommen dürfen, auch die Klasse nicht. »Die Meute« hatte Christoph sie genannt, obwohl sie ihn nicht gehetzt hatten, weil es nicht ging, weil sie sich nicht rantrauten. Nur Ulrike hätte dabei sein dürfen, Ulrike und ich. Aber da saßen sie und glotzten auf den Sarg und ich biss mir die Lippen kaputt, weil ich es nicht aushalten konnte, dass sie ihn anstarrten, den braunen Sarg
mit Christoph darin, und sich vorstellten, wie er aussähe, vielleicht in einem weißen Hemd und die
Hände gefaltet. Ja, so war es, ich hielt es nicht aus.“
Irina Korschunow (Stendal, 31 december 1925)