Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
Uit: Dood in Berlijn (Vertaald door Annemarie Vlaming)
“NERGENS HAD EEN GOD ZIJN SPOREN NAGELATEN. Niet dat die lang bewaard zouden zijn gebleven in het Brandenburgse zand. Nergens een Romeinse tempel, amfitheater, slotruïne of kathedraal om te getuigen van mythische grootsheid. Naar heiligengraven zou je tevergeefs zoeken, maar wie zocht daar ook naar? De graftombe van de Hohenzollerns was vanwege renovatiewerkzaamheden gesloten. En afgezien van een paar deskundigen was toch al niemand meer op de hoogte van namen en daden van het vroegere geslacht van overheersers. 0, koning van Pruisen, jij grote potentaat / wat zou de vreugde groot zijn als je snel je troon verlaat. Hier en daar sierde rococo in de stijl van Frederik de Grote het stadsbeeld, Deutscher Dom, Französischer Dom, een operagebouw, een zomerpaleis, best aardig uitgevallen, verder de Griekse dromen van Schinkel, aansluitend historiserende pracht en praal, gebouwd in opdracht van de laatste keizer. Wilhelm II stierf in 1941, nadat hij na een verloren wereldoorlog was afgezet en zijn verdere leven in ballingschap in Nederland had doorgebracht. Het Derde Rijk was er niet rouwig om. Van de Führer kreeg slechts een compacte delegatie toestemming om de reis naar de bijzetting in bezet gebied te maken. Op totale oorlog volgde totale verwoesting. Wederopbouw volgens de normen van het socialistische of kapitalistische realisme, Opgestaan uit de ruïnes, Siemens, AEG, VEB, LPG; arbeiderspaleizen, sociale woningbouw, de autovriendelijke stad, form follows function. Eens in de zoveel tijd sloegen staatsraad-voorzitters en Amerikaanse presidenten elkaar om de oren met oneliners van blijvende eeuwigheidswaarde. Niemand hat die Absicht, eine Mauer zu er-richten. Ich bin ein Berliner. Mr. Gorbachev, tear down this wall! De Vreedzame Revolutie, waar niemand van tevoren een perronkaartje voor had gekocht.’ Wir sind das Volk. Wir sind ein Volk. Deutschland einig Vaterland. Onlangs had das eine Volk zichzelf getrakteerd op een namaakpaleis, opgetrokken uit met zandsteen bekleed gewapend beton, KAMA JAJA JIPPIE JIPPIE JEEY!!!, adelaars, profeten, helden als gevelornamenten, omwille van de goede oude tijd. Op de koepel prijkte een kruis, met daaronder rondom het inschrift: EN DE ZALIGHEID IS IN GEEN ANDER, WANT ER IS ONDER DE HEMEL GEEN ANDERE NAAM ONDER DE MENSEN GEGEVEN, EN ELKE TONG ZOU BELIJDEN DAT JEZUS CHRISTUS DE HEERE IS, TOT HEERLIJKHEID VAN GOD DE VADER. OPDAT IN DE NAAM VAN JEZUS ZICH ZOU BUIGEN ELKE KNIE VAN HEN DIE IN DE HEMEL, EN DIE OP DE AARDE, EN DIE ONDER DE AARDE ZIJN.”
De Roemeense schrijfster Liliana Corobcawerd geboren op 10 oktober 1975, in het dorp Săseni, raion Călărași, Sovjet Socialistische Republiek Moldavië. Zie ook alle tags voor Liliana Corobcaop dit blog.
Uit: Kinderland (Vertaald door Jan Willem Bos)
“De moeders komen! Net als de geiten in het sprookje komen de moeders naar huis, trillend van opwinding en angst wachten de bokjes thuis op hen, zijn ze niet door de wolf verslonden? De kinderen huilen bij de komst van de moeders, die overdonderd en ontdaan zijn hoeveel hun kroost is gegroeid tijdens hun afwezigheid. De moeders komen naar de kinderen van het dorp, want nu is het zomer en hebben ze vakantie, alleen onze moeder komt niet. Ik wil er niet eens aan denken dat ik zou willen dat oma doodgaat zodat mama en papa allebei meteen naar huis komen. Dat hebben al oma’s kinderen zo besloten en daarom zijn we deze zomer alleen thuis. Onze ouders hebben dat afgesproken zodat ze niet twee keer hoeven te komen en twee keer geld uitgeven voor de reis. Afgelopen zomer is papa voor een paar dagen gekomen en toen heeft hij wat klusjes gedaan, wat reparaties uitgevoerd. Daarna is ook mama voor vakantie gekomen. En dit jaar wachten ze eerst totdat oma is overleden. Wanneer mama komt, huilt ze niet in ons bijzijn, ze zegt, weet je, ik moet eventjes de schuur gaan opruimen of het varken knort van de honger of ze bedenkt een ander smoesje om zich te verbergen en daarna, als ze eenmaal uitgehuild is, komt ze glimlachend naar ons toe. En Marcel, die mama zo weinig in haar armen heeft gehouden, wil haar, als ze komt en in de weer is met de bagage en allerlei telefoontjes, zo graag knuffelen, dat hij neerhurkt en een van haar benen omklemt. Mama zegt niets, ze laat het toe, ze zou hem in haar armen willen nemen, maar dat kan nu even niet, daar heeft ze geen tijd voor. Ze loopt, of beter gezegd: ze sleept zich van hot naar her, terwijl Marcel aan haar been blijft hangen. En een keertje, bij een eerdere gelegenheid, had Marcel zich verstopt, ik weet niet of hij geschrokken was, maar we riepen hem allemaal: Marcel, mama is er, mama zoekt je, en hij zat weggedoken onder de kussens in de woonkamer en we begonnen aan hem te sleuren, maar hij hield de kussens vast en gilde, hij gilde ook toen mama hem in haar armen nam, alsof ze te heet was en hij zich aan haar brandde. Nu verstopt hij zich niet langer. Mama brengt kleertjes, speelgoed, koekjes en heel fraai verpakte chocolaatjes voor hem mee en hij verheugt zich er even ongeduldig op als wij.”
“Kleefland en Dorrus zaten op zekere dag in De Lobos. Ze dronken elk voor zich een Jupiler-pils. Buiten was het weer guur. “Ik zou wel eens een dierentuin willen bezoeken”: zei Kleefland. “Ach: zei Dorrus, “je weet niet waar je aan begint. Met al die beesten. Sommige spuwen in je gezicht”. “Alleen de lama’s”, zei Kleefland, “en daar houd ik afstand van, je kent mij”. De uitbater, tevens eigenaar van De Lobos, werd Fristi genoemd, vanwege dat roze drankje. Hij zei: “Ook vreemde wezens zijn Idafkoppers”. “Wat zijn dat?’ wilde Kleefland weten. “Kleine hagedissen die alleen voorkomen in het verleden”. “Zijn ze derhalve uitgestorven?’ vroeg Dorrus. “God mag het weten”, zei Fristi, en hij nam een slok van z’n Fristi. Je mocht hem midden in de nacht wakker maken om zo’n Fristi te drinken, maar niemand maakte hem ooit midden in de nacht wakker, wat hij een voordeel van slapen vond. Verder zaten er in De Lobos een man in een rolstoel, twee nerveuze vrouwen, en iemand die leek op een jong kind maar toch al negentien jaar was. Hij heette Ros-veld, was op de sukkel en zat vaak op café om de tijd, die zichzelf nooit doodde, alsnog te doden. Op bepaalde tijdstippen ging hij naar het toilet om zich in te spuiten met speed. “We kennen je niet, oude kerel”, zei Kleefland tegen de man in de rolstoel, “wie ben je?” “Noem jij mij een oude kerel?” zei de man. “Ik ben pas zeventig”.: “En toch nog in een rolstoel zitten”, zei Dorrus. “Dat komt door een ongeluk en door niks anders”, zei de man, “ik ben op m’n fiets geschept door een Scania Vabis”. “Er gebeuren vele ongelukken met Scania’s”, zei Fristi, “en wat doet de regering eraan? Geen fluit”.
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson heeft de Nobelprijs voor Literatuur 2026 gewonnen. Anne Carsonwerd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carsonop dit blog.
Tango XXV. Sad Severe Tango Dance of Love and Death Dance of Night and Men Dance of the Dark Kitchen of the Poverty of Desire
Shall we sharpen our eyes and circle closer to the beauty of the husband— carefully, for he was on fire. Under him the floor was on fire, the world was on fire, truth was on fire. Around him green fire blew straight off every tree. He was almost never sad, a god led him on. Nor did he doubt his fate which looked as Napoleon used to say like this: I write myself between worlds. What he wrote depended on who he was with. Once he met Ray he began to write paintings. In Ray’s room they worked side by side, the husband talked. Ray liked learning about places in the world, for he had scarcely travelled and about books, for he did not read. What are the Alps like? From the plane they look fragile like pieces of pottery. Thin silences float inbetween. And up close. Up close more like cheese. Parmesan. Is it expensive. Parmesan? Italy. Yes and no. You stay with your Italian sweetie? She got married. To who. Man named Ricky. They happy? She had to unlock him she said. Meaning sex. I guess. You know what’s good for that is tango. For unlocking? Cures the digestion too. How do you know these things. Remember Flor? No. The one before Karl. Karl? Karl was the one before Danny. Oh. And Flor was a tangoist. That seems a long time ago to me. Poor pure Flor. Seems so long ago. Flor was defenseless. Doesn’t that seem a long time ago to you Ray. No not so long but you were married then it was all different. It makes me tremble. What. To think back. I remember exactly how I thought life would be. Everyone has dreams. No not dreams it was a precise picture. What went wrong. Middlemen. Sorry? Take the divorce for example, not her idea to divorce me. Middlemen got to her. She knew you were lying and sleeping around. Ray please I never lied to her. When need arose I may have used words that lied. Way too philosophical for me. Philosophers say man forms himself in dialogue. That I understand. So did she. Now there you’re wrong. Why do you say so. I saw her go down. She was far stronger than me. She went down. Everything I did I did for her. Why are you yelling. I’m going to see her this weekend. You’re insane. I’ll write first. She divorced you three years ago why not leave her alone. I have faith. In what. In us. There is no us. Deep pure faith. But why. Ray you know I wish I lived in another century. You used to say the body is the beginning of everything. I don’t believe that anymore. You still sleep around. I do. You make me sad. The way people live here— Yes. Land of no miracles. What do you hope for now. To be reborn as a great warrior in the year 3001. On a June evening. What did you say. It’s a line from a tango song. On a June evening yes.
They went on working, he at his easel and he on the floor by the lamp while high black banks of twilight came and stood around them close as sentries. The husband was making a plan of the Battle of Epipolai
which he hoped to transfer to a wall of his house using acrylic paint and small flags. Why Epipolai? This bloody Athenian defeat began with one surprise night move in 413 B.C. Blurring a line between courage and folly
the Athenians attacked uphill in the dark against fortified Syracusan positions. Its originality at first brought success to the plan, then the Syracusans grasped it
and charged and disorder flowed everywhere. Visibility was by moonlight, they could see outlines but not who was who. Hoplites got churning in a space no bigger than a stairwell
for those Athenians who were already routed and descending the cliff met others arriving fresh to the attack and took them for enemies—moreover, constantly shouting the password they revealed it to the enemy and with this word
coming at them wrongly in the dark the Athenians panicked. Friend fell upon friend. It was like a beautiful boiling dance where your partner turns and stabs you to death,
cauldron of red Sicilian moon and white Greek lips. He hums as he works. Rectangles for the Syracusan outbuildings, broken lines for the brave Athenian assault, triangles for likely places of confrontation,
black dots of varying sizes for estimated casualties along the path of the rout. In his mind he is composing a letter to explain to her (again) about the fog of war and need for endurance and splendor they will come to in the end. We need a new password he whispers with a smile, as he imagines himself arriving exhausted and hoarse, dusty from the road, riding a tank one fine evening. June evening.
Een klein metronoom die tikt en draait, dat is de klok. Neutraal als hekwerkstaal. Niet wreed zoals het weer, de vrouw, de man.. De klok maakt niemand oud of gek of kaal.
Het koele mechaniek heeft niets met ons van doen. De wijzers draaien stijfjes door. Hij komt uit onze hand, maar luistert niet naar onze nood; hij volgt zijn tandenspoor.
Waarom gehoorzaamt u dat polsgeval? Waarom zo zweten, janken, al die last? Wanneer er van je neus een traan in drupt verliest het ding meteen de maat. Roest vast.
Pijnloze metamorfosen V
Laten we zeggen: ik ben een koning. Niet om wat ik kan of ben, ben ik koning, koning ben ik zonder meer. Al voor ik geboren werd bekleedde men voor mij de aarde met zachte wolken. Bloesemend kant ben ik dat zwijgt van waardigheid.
Het is mijn wens een gelijke te ontmoeten die mijn uitzicht kan delen, maar niemand geeft gehoor aan mijn bevel. Ik ga soms liggen in het gras om zichtbaar te worden voor mijn volk, maar het schijnt mij toe dat wij werkelijk alleen zijn.
Springhond
Uit het donker komt ze tevoorschijn, ze hijgt en zigzagt tussen sprieten door, komt op mij af in bokkensprongen, het lijkt of ze lacht, ze springt!
En ik ren en ik ren en ik ren door de nacht en ik ben groter dan een grashalm en de bomen duiken speels voor mij weg en daar is een bankje en heel laag heel makkelijk en ik spring! en de sterren blijven plakken in mijn maanstraalhaar en daar is de grond en boem! en ik ren en ik ren en mijn tong laat ik slingeren over de grond en ik proef de aarde en lekker! en 40.000 kilometer! en ik ruik een appel en een hert en een zeehond en de sterren zijn fris en vooral Sirius en ze dansen als gras en ze zingen als blaadjes en ze zijn mijn honderdduizend ogen en kijken fonkelend neer op het draaien van de grote blauwe wereld en zien mij rennen in het park, een kleine witte hond in de nacht
langste lengtes zicht en tast baar over bruggend spuugt de koude ster zijn einde uit straalt bundel gewijs rest licht uit hangt in de ruimte een vast gevroren schijnsel de hond ik noem die ene ster daar reeds lang wordt korter zijn vurige staart stormt naar binnen barst door pupillenzwart als uitgebrand einde naar jou toe
“Een paar weken terug is ome Jan plotseling gestorven. Op weg van de kroeg naar zijn kamertje zakte hij in de steeg als een lampion in elkaar en was meteen elders. Het hart, hè. De vaste jongens hoorden het pas de volgende ochtend, toen ze aan de tapkast stonden uit te wasemen. Ze zeiden eerst dat je ’t je eigen niet kon voorstellen. Toen namen ze een pilsje en zeiden dat ze, even zo vrolijk, tékenden voor zo’n dood. ‘Ze hebben ‘m uitgedraaid als ’t knoppie van ’t licht,’ zei de kastelein. ‘Wat kun je nou mooier hebben?’ En dan, hij was zevenenzeventig, dus hij had niks te mopperen. Al vele jaren zat hij de hele dag in de kroeg, geen woeste zuiper, maar wel, wat de Engelsen noemen always willing to bend an elbow. Toen hij vierenveertig was, had de dokter gezegd: ‘Als u zo doorgaat, leeft u geen maand meer.’ Hij was zo doorgegaan. De enige verandering die hij in zijn leven aanbracht, was dat hij sindsdien nimmer meer een dokter bezocht. Zo wordt een mens ongehinderd zevenenzeventig. Omdat hij een wandelend bewijs was van de medische ignorantie en de heilzaamheid van een ongezonde levenstrant, werd hij in de kroeg behandeld als een heilige koe. Sterk moet hij in elk geval geweest zijn, want de Duitsers hadden vier oorlogsjaren lang in Mauthausen ijverig geprobeerd hem dood te schoppen, ’t Had hem niet eens haatdragend gemaakt. ‘Al dat mishandelen is natuurlijk niet goed voor je gestel,’ zei hij wel eens, ‘maar ik moet toegeven, je had er ook geschikten onder, die niet sloegen. Nou ja, zo’n enkel klapje…’ Ofschoon hij een uitstekende echtgenoot en een liefhebbende vader zou zijn geweest, had hij kind noch kraai. Aan trouwen was hij nooit begonnen. ‘Dat komt, ik heb een zéér gelukkige jeugd gehad,’ zei hij, ‘en als ik dan een meisje ontmoette, dacht ik altijd: ze is wel aardig, maar toch niet zoals mijn moedertje.’ Dat woord ‘moedertje’ liet hij als een witte duif los in de sigarenmist van de kroeg en hij keek het na door ogenzilt. Ook zijn vader had hij diep bemind, ’t Was een fervente wandelaar geweest, die op hoge leeftijd nog doodleuk naar Haarlem liep. Een vrolijk iemand ook, altijd vol kwinkslagen en fopperijen, maar op de middag van zijn sterven was hij plotseling bevangen door de oermelancholie waaraan niemand ontkomt, en hij had, star naar het plafond kijkend, gezegd: ‘Ik heb ’t, geloof ik, allemaal verkeerd gedaan.’ ‘Ben je belazerd, ouwe, je hebt ’t juist prachtig gedaan,’ had ome Jan geantwoord.”
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)
bleek afgelikt tussenstuk jij blauw gespikkeld, kruist het pad van de warme handen verderop betegelde muren de botten huid en vandaag gespannen over til nog een steen uit het gras draai zijn vochtige kant voor je gezicht in het gat in de aarde — kijk: ongedierte, hoe het kriebelt in het licht in het licht
Deze blog wordt hier helaas niet meer goed weergegeven. Seniorennet heeft laten weten dat ze er niets aan kunnen doen. Zie voor een versie met een corrcecte layout mijn nieuwe blog: Romenu 2025 https://blog.seniorennet.be/romenu2025/
ik hou van mensen die blijven, zei hij, we stonden samen onder het afdak te turen naar het kantwerk van de winterbomen en door zijn woorden had ik moeite om weg te gaan
hij voerde me door de geschonden lanen van zijn jeugd, langs vergane boomgaarden, nabij tere beken, voor een gesloopt huis hield hij halt en keek heimelijk door het venster van zijn eerste liefde aarzelend sloop er zomer in zijn stem en ik zag dat hij even weg was
De Liefde, O, De Liefde!
Een steelse blik is haar begin een bliksemschicht van hart naar hoofd, de reactoren van het menselijk geluk. Ze tuit je lippen tot een kus, legt je lus van armen om een hals, wang aan wang je wrijft en later, lager kruis aan kruis.
Als ze blijft, de liefde die je bliefde wat broedt ze uit? Ze aait, ze paait, ze likt, verstikt, ze vergt, ze tergt. Ze paart, ze baart, ze sticht, verplicht. De Liefde, O, De Liefde! Ze zweert en deert, ze levert tranen van noodlottigheid.
Soms haat je haar omdat ze dingen met je doet die je weliswaar niet wilt maar die je niet kunt laten omdat zij het liefste wat er is, De Liefde is.
Wachten op de nacht
Vanmorgen was hij nog een spelend kind in een tuin vol beelden, vanmiddag een jongleur met toverballen op een marktplein in de schemering een hemellichaam aan een trapeze zonder net, maar met de avond viel hij uit zijn luchtig leven in het vlees terug van een schouwer, de twee handen om zijn kop gevouwen, overdenkend hoe het kind dat in hem opkwam zoveel plaats innam.
Nu dooft hij langzaam uit, soms is er nog een glimp van helderheid waarin de wereld oplicht, een gelaat dat bij een naam past bij een ding een ander ding totdat het weten hem ontvallen zal en er geen dag meer kraait.
Ze heeft zich al lange tijd voorbereid op haar vertrek. Ze verzamelt haar moed en de belangrijkste spullen. Ze maakt lijstjes van wat ze niet mag vergeten. Ze levert geleende boeken in. Bij de loket laat ze mensen voorgaan in de rij. Ze controleert of de sporen er nog liggen. Ze kijkt naar de mensen die vertrekken. ’s Avonds, wanneer de langeafstandstreinen de hele nacht doorrijden, kijkt ze zonder schaamte in de slaapcoupés. Ze kijkt naar de gezichten van de alleenreizenden met veel bagage. Ze gaat naar het station en zoekt naar aansluitende treinen. Als ze terugkomt, vraagt hij haar niet waar ze is geweest.
Deze blog wordt hier helaas niet meer goed weergegeven. Seniorennet heeft laten weten dat ze er niets aan kunnen doen. Zie voor een versie met een corrcecte layout mijn nieuwe blog: Romenu 2025 https://blog.seniorennet.be/romenu2025/
Darkened not completely dark let us walk in the darkened field trees in the field outlined against that which is less dark under the trees are bushes with orange berries dark green leaves not poetry’s mixing of yellow light blue sky darker than that darkness of the leaves a modulation of the accumulated darkness orange of the berries another modulation spreading out toward us it is like the reverberation of a bell rung three times like the call of a voice the call of a voice that is not there.
We will not look up how they got their name in a book of names we will not trace the name’s root conjecture its first murmuring the root of the berries their leaves is succoured by darkness darkness like a large block of stone hauled on a wooden sled like stone formed and reformed by a dark sea rolling in turmoil.
Refrains For Robert Quine
And goes is gone cause for mourning head in hands in tears gonna be a long long wait for the resurrection of the dead.
There are birds there is birdsong unmourning and unmournful at sunrise in the white light there is a garden with high walls around it jardin de plaisir of mint and lavender of hyssop in hedges glassy beads of water on velvet leaves purple-flaked lupin spikes above velvet pulmonaria there is a gardener la belle jardinière bare-breasted and bare-footed bouquets of all flowers in her arms and woven in her hair.
2 And it hurts not good but bad to see a man head in hands in tears it breaks you up to see a man come down in tears.
There are birds there is birdsong having come through hunger and danger there is free song a free weaving of many songs song against song and other songs clustered/spun out in a blending of wavy pitches tant doucement the phrase means what the songs mean freshness that meaning so sweetly and freely as a gardener weaves flowers in her hair.
Ook de woorden vallen op de grond, als vogels die plotseling dol worden van hun eigen bewegingen, als voorwerpen die opeens hun evenwicht verliezen, als mensen die struikelen terwijl er geen obstakels zijn, als poppen vervreemd door hun stijfheid.
En in dat geval bouwen de woorden zelf een trap vanaf de grond om weer naar het betoog van de mens te klimmen, naar zijn gestamel of zijn laatste woorden.
Maar er blijven er een paar liggen. En soms vind je ze bijna verborgen achter hun schutkleur, alsof ze wisten dat iemand ze zou oppakken om een nieuwe taal met ze te maken, een taal die alleen uit gevallen woorden bestaat.
Deze blog wordt hier helaas niet meer goed weergegeven. Seniorennet heeft laten weten dat ze er niets aan kunnen doen. Zie voor een versie met een corrcecte layout mijn nieuwe blog: Romenu 2025 https://blog.seniorennet.be/romenu2025/
Eenzaamheid ruikt naar kalfslever in een ovenschaal de geur plakt in elke hoek van het huis sneeuw en hoge bomen bakenen wegen af Je komt niet weg voordat alles ontdooit daarom trouwt men hier snel
Soms hakt er iemand een wak in het ijs om te kijken of hij nog leeft in de sauna worden vriendschappen geruild voor bier Woorden zijn spaarzaam als het licht als iemand wat vraagt plak ik de mijne onder de sneeuw
In de keuken drink ik de laatste slokken uit wijnglazen die op de afwas wachten gekookte varkenshoofden gapen me aan sneeuw wordt van daken geveegd
Ik verstop mij in een lichte roes onder het tafelkleed pulk de inhoud uit een broodje kijk waar muren elkaar raken
Vertrek
Op de nachtpont spelen trompetten de wind blaast resten uit mijn haar handen grijpen ramen vast die maar niet dicht willen gaan Een jongen op de oever zwaait mij wild gedag ik ken jou niet, zeg ik jawel zegt de jongen we halen er een spiegeltje bij als het niet beslaat – dan ben je vertrokken
Uitzicht
Vroeger had ze een kat die te bol werd om te rennen ze breidt nog steeds truitjes en zoekt zijn haar de televisie staat aan, maar meestal op een tussenkanaal ze noemt het uitzicht
Ze kijkt naar de foto op het nacht- kastje een magere man met spitse oren hij zorgt dat ze haar gebedjes niet vergeet ze draait zijn gezicht naar de muur de verpleegster draait hem bij het afstoffen terug
Nog voordat de maan vertrokken is kijkt ze hoe de bruine prut in de kan druppelt de stad is klein door haar raam ze is er in drie stappen vanaf de keuken
Een tekst die de buitenlucht verdraagt, in de zon kan worden gelezen of in de regen, in de schreeuw of de nacht, in de naakte tijd.
Een tekst die de oneindigheid verdraagt, de kieren die zich verspreiden als stuifmeel, het meedogenloze lezen van de goden, het ongeletterde lezen van de woestijn.
Een tekst die de buitenlucht totaal weerstaat. Een tekst die zelfs gelezen kan worden in de dood.