Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 16 oktober 2017

Indian Summer (Henry van Dyke), Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2082930-f9a293c5bf5e99fb0da8f76c50535c4f.jpg
Indian Summer door Régis François Gignoux, circa 1860–1862

 

Indian Summer

A soft veil dims the tender skies,
And half conceals from pensive eyes
The bronzing tokens of the fall;
A calmness broods upon the hills,
And summer's parting dream distills
A charm of silence over all.

The stacks of corn, in brown array,
Stand waiting through the placid day,
Like tattered wigwams on the plain;
The tribes that find a shelter there
Are phantom peoples, forms of air,
And ghosts of vanished joy and pain.

At evening when the crimson crest
Of sunset passes down the West,
I hear the whispering host returning;
On far-off fields, by elm and oak,
I see the lights, I smell the smoke,--
The Camp-fires of the Past are burning.

 

 2082930-55dcf5ed519cfc7b2bc7591376b165ae.jpg
Henry van Dyke (10 november 1852 – 10 april 1933)
Vernon Park in Germantown, Pennsylvania. Henry van Dyke werd in Germantown geboren.

 

Zie voor de schrijvers van de 16e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 18:35 Reageer op dit bericht

Günter Grass, Oscar Wilde, Alma Mathijsen, Guðbergur Bergsson, Eugene O’Neill, Dino Buzzati, Gerold Späth, Albrecht von Haller, Gustaaf Peek

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

Uit: Die Rättin

“Kürzlich wurde beschlossen, daß alle links von der Brotbänken- und der Jopengasse zur Mottlau hinführenden Gassen von uns, alle rechtsläufigen Gassen bis hinterm Vorstädtischen Graben von den Versöhnlern bewohnt werden. Die hören nicht auf, Hoffnung zu plappern: Vielleicht kann man mit ihnen auf Dauer auskommen. Wenn man sie zufriedenstellt, wird sich die Menschenratte uns anpassen. Schließlich ist sie abhängig von uns. Sie lebt von gespeicherten Vorräten, die wir überschüssig, seit vielen Ernten überschüssig gelagert haben. Wir sollten ihnen zukommen lassen, was sie benötigen. Nennt es Deputat, den Zehnten oder Tribut. Jedenfalls sollten sie nicht hungern müssen. Hunger könnte sie angriffig machen. Wir Ratten sollten wissen, was Hunger heißt!
Bitter, als stieße ihr jahrtausendealte Erfahrung auf, lachte die Rättin: Hör dir das an, Herr! Die ewiggleichen Sprüche unbelehrbarer Abwiegler und Versöhnler. Wir hingegen sehen klar, allzu klar. Mehr und mehr werden sie haben wollen. Am Ende teilen sie uns zu, was übriggeblieben ist. Auf Rationen gesetzt werden wir sein. Raffgier, ihre Habsucht wird über uns kommen. Das ist das Menschliche an den Nippels. Schlußmachen! rufen wir, machen aber nicht Schluß, sondern beißen uns mit unsereins rum. In der Wollbergasse, um den Stockturm und hinterm Zeughaus ist es zu Straßenschlachten gekommen, auf dem Land nur zu kleineren Übergriffen bisher.
Und ich sah, wie sie sich befetzten. Bis zum Verenden ineinander verbissen. Der Rattenzähne unverminderte Schärfe. Überallhin, wo ihr Streit in Kampf umschlug, führte die Rättin mich. So streng um die Speicherinsel herum Distanz gehalten wurde, damit den Manippels der Zwist der Rattenvölker verborgen blieb, im Stadtkern hemmte nichts die Parteien. Rattengruppen, die aus dem Zeughaus, das neuerdings, wie auch der Theaterbau nebenan, Lagerhaus ist, Maiskolben und nicht entkernte Sonnenblumen trugen, um diese Feldfrüchte als Zehnten durch die Wollbergasse, die Langgasse hoch und durchs Grüne Tor auf die Brücke zur Speicherinsel zu schleppen, wurden schon vorm Zeughausportal von Rattenhorden, die aus der Jopengasse einfielen, angegriffen und in Zweikämpfe verwickelt. Dezimiert und geschwächt gelang es nur wenigen Transportgruppen der Versöhnler, sich bis zur Brücke durchzukämpfen: Schmale Kost fiel den Manippels zu.
Ich rief: Ein magerer Tribut ist das!
Die Rättin: Immer noch viel zuviel!
Ich: Jedenfalls leiden sie Mangel.
Geschieht Ihnen recht! rief sie, tun ja nichts als fressen und rammeln und rammeln und fressen.“

 

 2082928-4d1442025f64e9ecaa0c0ea80eec44eb.jpg
Günter Grass (16 oktober 1927 – 13 april 2015)

 

 

De Iers-Engelse schrijver Oscar Wilde werd geboren op 16 oktober 1854 in Dublin. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Oscar Wilde op dit blog.

 

Ballad of Reading Gaol – III (Fragment)

Alas! it is a fearful thing
To feel another’s guilt!
For, right within, the sword of Sin
Pierced to its poisoned hilt,
And as molten lead were the tears we shed
For the blood we had not spilt.

The Warders with their shoes of felt
Crept by each padlocked door,
And peeped and saw, with eyes of awe,
Grey figures on the floor,
And wondered why men knelt to pray
Who never prayed before.

All through the night we knelt and prayed,
Mad mourners of a corpse!
The troubled plumes of midnight were
The plumes upon a hearse:
And bitter wine upon a sponge
Was the savior of Remorse.

The cock crew, the red cock crew,
But never came the day:
And crooked shape of Terror crouched,
In the corners where we lay:
And each evil sprite that walks by night
Before us seemed to play.

They glided past, they glided fast,
Like travelers through a mist:
They mocked the moon in a rigadoon
Of delicate turn and twist,
And with formal pace and loathsome grace
The phantoms kept their tryst.

With mop and mow, we saw them go,
Slim shadows hand in hand:
About, about, in ghostly rout
They trod a saraband:
And the damned grotesques made arabesques,
Like the wind upon the sand!

 

 2082928-7ed412bd21207acbc04254700d2a170e.jpg
Oscar Wilde (16 oktober 1854 – 30 november 1900)
Een schilderij van Wilde hangt in een cel in de voormalige Reading Prison. In 1895 werd Wilde veroordeeld voor homoseksuele activiteiten en veroordeeld tot twee jaar gevangenis.

 

 

De Nederlands schrijfster en journaliste Alma Mathijsen werd geboren in Amsterdam op 16 oktober 1984. Zie ook alle tags voor Alma Mathijsen op dit blog.

Uit:Vergeet de meisjes

“Iris’ hoofd knikt, dan vallen haar ogen dicht. Het is anders dan slaap waardoor je langzaam bevangen wordt. Ik hoor haar instabiele adem, een lichte piep bij elke inademing. Kay staat naast het bed, ze trekt het laken iets hoger.
Ik loer naar de twee vrouwen door de lamellen van de kledingkast, ze hebben geen idee van mijn aanwezigheid. Kay duwt het stugge haar van Iris dat alle kanten op groeit achter haar oren, een zonnestraal speelt erdoorheen. De handeling wordt een paar keer herhaald omdat niet alle haren willen luisteren, of misschien omdat Kay het zachte stukje huid achter het oor nog een keer wil aanraken.
‘Het geitje gaat slapen,’ zegt Kay.
De adem van Iris stabiliseert, de piep wordt zachter, dan zegt ze: ‘Dag paardje.’
De schouders van Kay ontspannen, ze schuift naast Iris op het bed en gaat languit liggen. Ze smakt een aantal keren en lijkt nu in slaap te vallen. De vrouwen raken elkaar niet aan als ze liggen.
De geur van lavendel en wol tussen de jurken herinnert me aan mijn moeder. Ze vertelde dat mijn zussen constant speelden, ze deden tikkertje in de tuin, zochten naar wormen in de grond en ik deed niets. Ik keek, dat zei mijn moeder. Ik zat in mijn stoeltje en keek naar de anderen. Ik ben de observator, net als toen.
Iris ligt doodstil met haar handen in elkaar gevouwen boven op haar buik. Kay ademt luid, haar mond is opengevallen, in haar linkeroor zit een inkeping, een litteken dat haar schelp openbreekt. Recht boven Iris loopt een scheur op het plafond uit in een t-splitsing, de verf hangt aan flarden naar beneden. Zou Iris daarnaar turen als ze niet in slaap kan vallen?
Buiten slaat een kettingzaag met een paar haperingen aan. Iris wordt kreunend wakker uit haar middagdutje, Kay volgt direct daarna.”

 

 2082928-3bcc1534d0d1f856a9f2f8f3c621e91b.jpg
Alma Mathijsen (Amsterdam, 16 oktober 1984)

 

 

De IJslandse schrijver Guðbergur Bergsson werd geboren op 16 oktober 1932 in Grindavik. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Guðbergur Bergsson op dit blog.

Uit: Deuil (Vertaald door Eric Boury)

« Il ne rote pas une seconde fois. Il ne se libère pas de ce second poids.
Son visage est figé. Il a dormi sur le côté, la joue pressée contre l'oreiller ; des rides et des plis marquent sa peau.
Quand ses poumons se plaignent, il se tourne sur le dos et se frotte les yeux.
Il croit maintenant comprendre où il est : chez lui, à l'endroit qu'il occupe habituellement dans la chambre à coucher, mais il a oublié depuis combien d'années il vit ici. Il fixe ces murs qui ne l'intéressent plus. Pas plus que le monde. Bien qu'il ne désire pas mourir, il lui arrive souvent de souhaiter être mort ou de se dire qu'il devrait l'être depuis longtemps. Il devrait avoir disparu de ce monde. C'eût été dans l'ordre des choses.
Il en va autrement pour lui : plus il vieillit, plus il s'accroche à la vie, même s'il ne fait rien pour prolonger la sienne.
Un instant, il promène ses yeux sur la pièce, puis se tourne à nouveau sur le côté droit, tend un bras vers la table de nuit, cherche le réveil à tâtons et regarde les aiguilles. Il ne devrait pas avoir à le faire, il sait qu'il se réveille toujours à la même heure, alors qu'il est plus de midi pour le commun des gens. Autrefois, quand il allait au travail, il ne se réveillait jamais avant la sonnerie. Ces années-là, il se couchait fatigué. Aujourd'hui, elle ne retentit plus, il se réveille, se rendort et dort tout son soûl sans pour autant se soustraire à aucune obligation.
Tout est calme. Il n'entend pas un bruit. C'est l'été, la lumière emplit la chambre. »

 

 2082928-79336091802bd2f64eb972ed7d864217.jpg
Guðbergur Bergsson (Grindavik, 16 oktober 1932)

 

 

De Amerikaanse schrijver Eugene Gladstone O’Neill werd op 16 oktober 1888 in New York City geboren. Zie en ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Eugene O’Neill op dit blog.

Uit: Long Day’s Journey Into Night

"TYRONE
With threatening anger.
Listen to me! I’ve put up with a lot from you because from the mad things you’ve done at times I’ve thought you weren’t quite right in your head. I’ve excused you and never lifted my hand to you. But there’s a straw that breaks the camel’s back. You‘ll obey me and put out that light or, big as you are, I’ll give you a thrashing that’ll teach you” !
Suddenly he remembers Edmund’s illness and instantly becomes guilty and shamefaced.
Forgive me, lad, I forgot. You shouldn’t goad me into losing my temper.
EDMUND
Ashamed himself now.
Forget it, Papa. I apologize, too. I had no right being nasty about nothing. I am a bit soused, I guess. I’ll put out the damned light.
He starts to get up.
TYRONE
No, stay where you are. Let it burn.
He stands up abruptly and a bit drunkenly and begins turning on the three bulbs in the chandelier, with a childish, bitterly dramatic self-pity.
We’ll have them all on! Let them burn! To hell with them! The poor-house is the end of the road, and it might as well be sooner as later!
He finishes turning on the lights.
EDMUND
Has watched this proceeding with an awakened sense of humor now he grins, teasing affectionately.
That’s a grand curtain.
He laughs.
You‘re a wonder, Papa.
TYRONE
Sits down sheepishly grumbles pathetically.”

 

 2082928-2a36ce462873390f1d5c655bda2bf030.jpg
Eugene O’Neill (16 oktober 1888 – 27 november 1953)
Scene uit een opvoering in Chicago, 2016



 

De Italiaanse schrijver Dino Buzzati werd geboren op 16 oktober 1906 in San Pellegrino. Zie ook alle tags voor Dino Buzzati op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2009 en ook mijn blog van 16 oktober 2010

Uit: Wie die Bären Sizilien eroberten (Vertaald door Heide Ringe)

„Ein Bär inmitten der Menschen? Sie hätten ihn niedergemacht und in Ketten gelegt und dann addio! So vergingen die Jahre. Und dann brach ein Winter herein, ein Winter, schrecklicher als alle früheren. Es wurde so kalt, dass selbst den Bären mit ihrem dichten Fell die Zähne klapperten.
Der Schnee deckte alle Pflanzen zu und es gab nichts mehr zu essen.
Der Hunger wurde so schlimm, dass die Bärenkinder nächtelang jammerten und ebenso die Bärenmütter, die am Ende ihrer Kräfte waren. So konnte es nicht weitergehen. Bis endlich einer sagte: »Und warum steigen wir nicht in die Ebene hinab?« An klaren Tagen konnte man hinunter ins Tal blicken, in dem man keinen Schnee sah, aber die Häuser der Menschen und den Rauch, der aus den Kaminen stieg, ein Zeichen dafür, dass sie etwas zu essen kochten. Dort unten schien das Paradies zu sein. Die Bären standen stundenlang an den Felshängen, schauten hinunter und stießen lange Seufzer aus. »Lasst uns ins Tal absteigen. Es ist immer noch besser, mit den Menschen zu kämpfen, als hier oben vor Hunger zu sterben«, sagten die Beherzteren. Und ihrem König Leonzio, man muss es sagen, gefiel dieser Gedanke gar nicht so schlecht: Für ihn wäre es eine gute Gelegenheit, seinen kleinen Sohn zu suchen. Wenn sein ganzes Volk auf einmal hinabstiege, dann wäre das Suchen viel weniger gefährlich. Die Menschen würden es sich wohl zweimal überlegen, ehe sie sich einem solchen Heer entgegenstellten. Die Bären, mitsamt ihrem König, wussten nicht, wie die Menschen wirklich waren, wie böse und hinterlistig, und welch furchtbare Waffen sie besaßen, was für Fallen sie ersinnen konnten, um Tiere zu fangen und einzusperren. Die Bären hatten keine Ahnung und keinerlei Furcht. Und so beschlossen sie, die Berge zu verlassen und in die Ebene hinabzusteigen.”

 

 2082928-b7a2d804da29ebe985151dd1e613fc3d.jpg
Dino Buzzati (16 oktober 1906 – 28 januari 1972)

 

 

De Zwitserse schrijver Gerold Späth werd geboren op 16 oktober 1939 in Rapperswil. Zie ook alle tags voor Gerold Späth op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2010

Uit: Drei Vögel im Rosenbusch

„Unsere stadtbekannte Madame Hoggh wallt an diesem heissen Sommertag in luftig flirrendem Vielfarbentuch als Paradiesvogel daher ... - ich will mich grad vom Sternenplatz ins schmale Spiegeleiergässlein retten, da zwitschert sie mich schon von weitem an: Vivat qui venit, Mössiööö! Bekommen wir Sie endlich wieder mal zu sehen. Ah. Frau Hoggh. Schöner Tag heut. Fräulein Hoggh! Bitte sehr, mein Herr! Oder Mademoiselle, wenn's beliebt, nicht wahr. - Und pflanzt in voller Pracht sich vor mich hin und flötet: Das sollten Sie doch wissen, mio caro Signor Blitzaugen, Schwarzkirschenlippen, Damenmoustache, brandroter Seidenrosenkranz auf Florentiner Strohhut: die glanzschwarze Mähne eventuell eine Kunstfaserperücke -enormes Goldgehängsel blinkt daraus hervor, zieht der Mamsell die Ohrenläppchen lang - und mich umbranden Parfumschwälle: Moschus auf Ambra auf Muskat auf prallgebräuntem Decollete - nicht die simpelste Ausrede will mir einfallen diesmal; ich muss mich von ihr begurren lassen; aus nächster Nähe feuchtwarm mir ins Ohr: sie habe eine authentisch megaheisse Story fast so gut wie aufgeschrieben haargenau im Kopf parat ... - Exklusiv für Sie, cher Monsieur! Oh, Fräulein Hoggh! Wie oft ich angehauen werde in der Stadt! Absolut einmalige Geschichten! Finsterste Machenschaften und Geheimgerüchte! Unsäglich perfide Hinterzimmerschwindel! Neustens auch an jeder zweiten Ecke Himmel, Hölle, Seelenheil! - Das habe ich ihr aber nicht gesagt. Höchstens auf ein kleines Viertelstündlein, Fräulein Hoggh. -Das habe ich zu ihr gesagt. Papperlapapp, mein lieber Sir! Ihr flaxigen jungen Herren immer im Stress! Courage! Nur keine Klemmungen! Avanti, Monsieur! Kommen Sie! Und hat mich einfach abgeschleppt ...
Im Hoggh'schen Altstadthaus Allhier Zum Blühenden Rosenbusch sandsteingraue schattige Kühle. Das Fräulein H - vermutlich üppig gestopfte Erbtante von abwegig fernen Verwandten - steigt auf breiter, höflich knarzender Eichenholzstiege hurtig hinauf in die Beletage: lange Galerie, gedrechselte Geländersäulen, dunkel glänzender Handlauf ... Dann ein grosser Salon: die Sonnenfenster weit offen, Stuckdecke, holzgetäfelte Wände, Bilder - (knallfarbige Barbarswiler andschaften) - Kommoden, eine hohe Vitrine, Tische, Stühle, Sessel, Sofa, viel Leder ... Mein luftiger Living, sagt sie. Und wie Sie hier sehen, schwinge ich hie und da den stillen Pinsel.“

 

2082928-e122e5d5548a41b1c52ac931ea6e2b0a.jpg
Gerold Späth (Rapperswil, 16 oktober 1939)
Cover

 

 

De Zwitserse dichter, arts, en natuurwetenschapper Albrecht von Haller werd geboren in Bern op 16 oktober 1708. Zie ook alle tags voor Albrecht von Haller op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2009 en ook mijn blog van 16 oktober 2010

 

Morgen-Gedanken (Fragment)

Der Mond verbirget sich, der Nebel grauer Schleier
Deckt Luft und Erde nicht mehr zu;
Der Sterne Glanz erblasst, der Sonne reges Feuer
Stört alle Wesen aus der Ruh.

Der Himmel färbet sich mit Purpur und Saphiren,
Die frühe Morgen-Röte lacht;
Und vor der Rosen Glanz, die ihre Stirne zieren,
Entflieht das bleiche Heer der Nacht.

Durchs rote Morgen-Tor der heitern Sternen-Bühne
Naht das verklärte Licht der Welt;
Die falben Wolken glühn von blitzendem Rubine,
Und brennend Gold bedeckt das Feld.

Die Rosen öffnen sich und spiegeln an der Sonne
Des kühlen Morgens Perlen-Tau;
Der Lilgen Ambra-Dampf belebt zu unsrer Wonne
Der zarten Blätter Atlas-grau.

Der wache Feld-Mann eilt mit singen in die Felder
Und treibt vergnügt den schweren Pflug;
Der Vögel rege Schaar erfüllet Luft und Wälder
Mit ihrer Stimm und frühem Flug.

 

 2082928-dfb8a87a7fd59bdb9ee077e90bcc9693.jpg
Albrecht von Haller (16 oktober 1708 – 12 december 1777)
Op een Zwitsers bankbiljet

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Gustaaf Peek werd geboren in Haarlem in 1975. Peek studeerde Engelse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit Leiden. Zie ook alle tags voor Gustaaf Peek op dit blog.

Uit: Godin, held

“Twee vrouwen, ergens tussen de dertig en veertig, hij kon dit nog niet zo scherp raden, haalden de jongen aan, trokken hem uit de groep tevoorschijn en omhelsden hem, lieten hem uitbundig hun lichamen voelen en de jongen, dronken en daardoor traag maar daarna gulzig ontwakend, wentelde zich in hun gewrijf en gestreel, hij kreeg een kus, een zweem tong, hij kende veel van zicht maar weinig van tast en beleefde zijn genot vooral in dromen, dromen die hem op zijn kamer weer naar de volle lichamen van deze twee zouden drijven, om hen eindelijk te bezitten, schaamteloos, met de moed van dromen, en dus verzamelde hij beeld en geur, van hals en haar, van hun vettige lippen en opgemaakte ogen, de vanzelfsprekendheid van hun onverwachte grepen, hun borsten die opveerden door zijn armen, de kreun in zijn oor wanneer ook hij hard kneep, hun buiken en heupen die als moederhanden langs zijn erectie wreven en hij lette erop dat hun aandacht niet luwde, dat hij hun spel juist las, maar ze lieten hem dat lange moment niet los, niet de donkere met de opgestoken haren, die zijn handen naar haar billen bracht, niet de oudere, die zich met een glimlach aanbood voor een volgende dag en zijn wangen aaide, een belofte zoveel dwingender dan een daad.
Het werd later, maar niets doofde, de oplichtende stad was steeds dichterbij gekomen. Ze liepen langs de weg, langs de laatste velden en de vaart en de eerste huizen toen ze door voorbijgangers en een toevallige agent werden tegengehouden.
Maar hun dode had de maan nog eenmaal gezien, de mensen op straat gehoord.”

 

 2082928-bc9dd103d503bebd165b1e56401acc48.png
Gustaaf Peek (Haarlem, 1975)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e oktober ook mijn blog van 16 oktober 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:34 Reageer op dit bericht

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2017 voor Margaret Atwood

 

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2017 voor Margaret Atwood

Aan de Canadese schrijfster Margaret Atwood werd gisteren in de Frankfurter Paulskerk de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels uitgereikt. De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Zie ook alle tags voor Margaret Atwood op dit blog.

Uit: Cat’s Eye

"Time is not a line but a dimension, like the dimensions of space. If you can bend space you can bend time also, and if you knew enough and could move faster than light you could travel backward in time and exist in two places at once.
It was my brother Stephen who told me that, when he wore his raveling maroon sweater to study in and spent a lot of time standing on his head so that the blood would run down into his brain and nourish it. I didn’t understand what he meant, but maybe he didn’t explain it very well. He was already moving away from the imprecision of words.
But I began then to think of time as having a shape, something you could see, like a series of liquid transparencies, one laid on top of another. You don’t look back along time but down through it, like water. Sometimes this comes to the surface, sometimes that, sometimes nothing. Nothing goes away.
“Stephen says time is not a line,” I say. Cordelia rolls her eyes, as I knew she would.
“So?” she says. This answer pleases both of us. It puts the nature of time in its place, and also Stephen, who calls us “the teenagers,” as if he himself is not one. Cordelia and I are riding on the streetcar, going downtown, as we do on winter Saturdays. The streetcar is muggy with twice-breathed air and the smell of wool. Cordelia sits with nonchalance, nudging me with her elbow now and then, staring blankly at the other people with her gray-green eyes, opaque and glinting as metal. She can outstare anyone, and I am almost as good. We’re impervious, we scintillate, we are thirteen.
We wear long wool coats with tie belts, the collars turned up to look like those of movie stars, and rubber boots with the tops folded down and men’s work socks inside. In our pockets are stuffed the kerchiefs our mothers make us wear but that we take off as soon as we’re out of their sight. We scorn head coverings. Our mouths are tough, crayon-red, shiny as nails. We think we are friends.
On the streetcars there are always old ladies, or we think of them as old. They’re of various kinds. Some are respectably dressed, in tailored Harris tweed coats and matching gloves and tidy no-nonsense hats with small brisk feathers jauntily at one side. Others are poorer and foreign-looking and have dark shawls wound over their heads and around their shoulders. Others are bulgy, dumpy, with clamped self-righteous mouths, their arms festooned with shopping bags; these we associate with sales, with bargain basements. Cordelia can tell cheap cloth at a glance. “Gabardine,” she says. “Ticky-tack.”

 

 2082801-2498e898945ade9afc3eee0750ec1387.jpg
Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)

Geschreven door Romenu om 09:48 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten