Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 14 januari 2018

Gouden Ganzenveer 2018 voor Antjie Krog

 

Gouden Ganzenveer 2018 voor Antjie Krog

De Zuid-Afrikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar Antjie Krog krijgt de Gouden Ganzenveer 2018. Voorzitter Gerdi Verbeet van de Academie De Gouden Ganzenveer maakte dat bekend in het radioprogramma “De Taalstaat”. De Gouden Ganzenveer is een culturele prijs.De prijs wordt - zo mogelijk jaarlijks - toegekend aan een persoon of instituut vanwege zijn of haar grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in de Nederlandse taal. Antjie Krog werd geboren in Kroonstad op 23 oktober 1952. Zie ook alle tags voor Antjie Krog op dit blog.

 

Visioen van een natie

hoe lang denken we het hier uit te houden?
wij die gestrand zijn tegen dit rijke continent
zonder ooit onloochenbaar in Afrika te landen
wij in huizen in Amerikaans-koloniale stijl
die wij omringen met parken en tuinen
om aan de aanspraak van het landschap te ontsnappen
die op kelims lopen, in Nederlands dialect praten
naar Duitse liederen luisteren en Engelse poëzie lezen
die 's ochtends eieren met spek eten
onze lijven in westerse mode hijsen
met vakantie over het continent naar het noorden vliegen
om ons in stamlanden te laven aan muziek en kunstgalerijen
en na terugkeer onder het Pruisische schilderij van Domsaitis
uit Fins glas Glenfiddich drinken

waarom ook niet? hier zijn we na drie eeuwen nog niets anders
dan een stukje westers curiosum.

 

 

Het is waar

het is waar dat het landschap zonder
mij zal voortbestaan dat de bomen die
voor mij de aarde vormen de vlak-
ten beminnen die mij bijeenvegen in vaandels los-
lippig licht dat het water het
dichtsbijzijnde geluid van aanraking weer-
spiegelt dat de maan achterover stort in
een struikgewas van pasgeboren
sterren het is waar dat het zal doorgaan

het is waar dat ik drie vrouwen naakt
op het strand van Marseille heb gezien
hun lijven drie geplooide zakken
hun haartjes waaiend als tissues in
de wind met korte pasjes liepen ze
het water in, hun boezem
ongerimpeld een stralenkrans van dampende
amechtige borsten blozend tot
in de tepels het is waar dat ik
mijn ogen er niet van af kon houden

het is waar dat ik in een etalage
drie soorten wegwerpluiers voor
bejaarden heb gezien, een onder-
steek, antischimmelspul, doorligzalf en
iets dat op een aardappelschiller
leek het is waar dat ik oude mensen
steeds nauwkeuriger gadesla
hoe ze hun voeten neerzetten hun
haren kammen dat ik mijn ogen hon-
gerend laat rusten op rimpelloze jonge huid het
is waar dat ik voor een afgrond sta

 

 2111197-300fce61c6815ff1ec24f0b7697f16e5.jpg
Antjie Krog (Kroonstad, 23 oktober 1952)

Geschreven door Romenu om 18:52 Reageer op dit bericht

J. Bernlef, Chris de Stoop, Edward St Aubyn, Anchee Min, Yukio Mishima, Martin Auer, Andreas Steinhöfel, John Dos Passos

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef en alle tags voor Bernlef op dit blog.

Uit: De drie vrienden

“Zenuwachtig naar buiten turend iedere keer als de trein vaart minderde, zag ik ten slotte in een flits het verlichte bord met de naam van het dorpje erop. De trein stopte en ik stapte uit.
Niels had niet te veel gezegd om dit een woestenij te noemen. Vóór mij stond een verlicht stenen gebouwtje, dat voor de helft als wachtkamer diende en voor de andere helft als bureau voor de stationschef die net naar buiten stapte, het spiegelei onder zijn arm geklemd, het rechterbeen stijf naar voren zwaaiend, toen ik de trein uitkwam. In de wachtkamer zat een oude man met een grote pet op. Hij zat zeer rechtop. Op een afstand leek het of hij tegen iemand praatte, zijn hoofd daarbij lichtjes heen en weer bewegend, maar toen ik een paar passen dichterbij was gekomen zag ik dat hij tegen niemand praatte, ook niet tegen het vuile keeshondje dat aan zijn voeten lag te slapen. Zijn lippen bewogen niet, alleen zijn hoofd wiegde zachtjes heen en weer alsof het op water dobberde. Hij scheen niet met de trein mee te moeten, want hij reageerde in het geheel niet op het fluitsignaal van de stationschef en het daarna brommend wegschieten van de verlichte coupés in het donker. Toen de trein weg was draaide ik mij om. Aan de overzijde van de rails tegenover het perronnetje waarop ik stond, lag een lange houten loods. Boven de deur van de loods brandde een lampje. Rechts waren de spoorbomen. Daar brandde een lantaren. Voor de rest was alles donker en stil, op de geluiden van het avondlijke dorp, achter de bomen ergens, na; een voetstap, wat ver verwijderd hondegeblaf, geruis in een paar bomen, het gekakel van een opschrikkende kip. Nee, Niels had gelijk. Het was hier een uitgestorven gat.
Ik liep het perronnetje af, stak de spoorlijn over en begon de weg af te lopen die van het dorp het bos inging, zo Niels' aanwijzingen volgend die hij mij in zijn laatste brief gegeven had waarmee hij mij had uitgenodigd nu eindelijk eens langs te komen. Ik had hem lang niet gezien. Twee jaar. Toen hij nog in de stad woonde ging ik vaak bij hem langs. Maar nadat hij na zijn artsexamen hier dat doktersbaantje aangenomen had, had ik hem niet meer gezien. Geen tijd? Of wel? Ik was ook een poosje op reis geweest, dacht ik. Maar geschreven hadden we elkaar wel en soms foto's gestuurd."

 

 2111099-9a0fa479c96ae85691febd6637b8b1aa.jpg
J. Bernlef (14 januari 1937 - 29 oktober 2012)
Cover

 

 

De Vlaamse schrijver en journalist Chris De Stoop werd geboren op 14 januari 1958 in Sint-Gillis-Waas. Zie ook alle tags voor Chris de Stoop op dit blog.

Uit: Ex-reporter

“Komt een man in de krantenwinkel. Hij koopt een weekblad met de schreeuwende titel 'Klanten opgelicht!' Hij doorbladert het blad en zoekt tevergeefs het artikel. 'Er is hier niemand die opgelicht is,' zegt hij. 'Nu wel,' antwoordt de krantenverkoper. Die grap ging al rond toen ik ruim dertig jaar geleden begon te werken voor het weekblad Knack. In die lange periode heb ik het hoogtij en de neergang van de klassieke journalistiek mogen meemaken. Nu ik terugblader in mijn eigen werk, zie ik me weer als jonge reporter in landen als Sri Lanka, Burkina Faso of Cuba, die zo tot mijn verbeelding spraken wanneer ik ze vroeger op de kaart zag. Ik jakker weer door Bombay, Lima, Nairobi, miljoenensteden waarvoor de term 'smeltkroes' werd uitgevonden. Ik zie vooral mensen opduiken. Daar is Jean-Pierre, met een geruite jas over zijn bebloede kop tijdens de genocide in Kigali. Daar is Sister Michelle, tijdens haar les Engels aan de hoertjes in Pattaya. Daar is Momo, de jihadist met het afgeschoten been in Brussel. En daar Grote Neger, met een bol cocaïne onder zijn arm in Sáo Paulo. Ik zie me nog begin 1982 het statige herenhuis aan het Montgomeryplein in Brussel binnengaan, waar Knack lang kantoor hield. Ik moest er voor het triumviraat op de bel-etage verschijnen: de toen al legendarische hoofdredacteur Frans 'Sus' Verleyen, adjunct-hoofdredacteur Hubert Van Humbeeck en uitgever Rik De NOW Ik had al wekenlange selecties en examens achter de rug, want er waren honderden gegadigden voor de vacature bij Knack, het gewichtige nieuwsmagazine 'voor mensen die denken'. Ik was 23. Het triumviraat begon prompt een reeks trefwoorden uit de wereld van het nieuws op me af te vuren, waarvan ik er bijna geen enkel bleek te kunnen duiden. Dat overtuigde hen ervan dat ik de geschikte kandidaat was om bij Knack te beginnen. En zo rolde ik in de journalistiek. Ik wilde al langer schrijven en reizen, zij het niet noodzakelijk als journalist. Maar de crisis van de jaren tachtig woedde. Op hetzelfde moment had ik ook gesolliciteerd voor een baan als redacteur in de abdij van Averbode, die een reeks kinderbladen uitgaf, waarvan Nonkel Fons de bekende en bejaarde chef was. Maar ik tekende dus bij Knack, het blad dat in 1971 gestart werd door een bevlogen uitgever van streekbladen in Roeselare.”

 

 2111099-20ef07a81213dc2e703bd01f07a5ace5.jpg
Chris De Stoop (Sint-Gillis-Waas, 14 januari 1958)

 

 

De Britse schrijver en journalist Edward St Aubyn werd geboren op 14 januari 1960 in Cornwall. Zie ook alle tags voor Edward St Aubyn op dit blog.

Uit: Eindelijk (Vertaald door Nicolette Hoekmeijer)

“Nee, serieus. Het is een lot waartegen ik me met mijn laatste beetje verstand zal verzetten, tenzij Herr Doktor Alzheimer de boel overneemt, in welk geval ik een boek zal moeten schrijven over islamitische kunst om aan te tonen dat die hoofddoeken altijd al beschaafder zijn geweest dan wij, of een lijvig werk over hoe weinig we weten over de moeder van Shakespeare en haar strikt geheime katholicisme. Het moet wel ergens over gaan. Hoe dan ook, ik ben bang dat het een fiasco was, tante Nancy bij de Blands. Het lijkt me lastig om zo naar gezelschap te hunkeren terwijl je bent verstoken van vrienden. Het arme schaap. Maar weet je wat mij trof, afgezien van Nancy's intense zelfmedelijden dat ze ook nog eens schaamteloos wilde laten doorgaan voor verdriet, nee, wat mij vooral trof aan die twee meisjes, je moeder en je tante, was dat ze zo door en door Amerikaans zijn, waren — ik doe tegenwoordig weinig anders meer dan heen en weer zwalken tussen heden en verleden. En laten we er geen doekjes om winden, hun vader had niet zo'n sterke band met de Highlands, dus nadat je grootmoeder hem aan de kant had gezet, was hij er nauwelijks nog te vinden. Hij bracht de oorlog door met die onbenullen van Windsor, in Nassau; na de oorlog was het Monte Carlo, en tot slot is hij aan lagerwal geraakt in de bar van White's. Van de volksstammen mannen die elke dag stomdronken zijn, van de lunch tot het moment dat ze naar bed gaan, was hij zonder meer de innemendste, maar onmogelijk als vader, lijkt me. Bij die mate van dronkenschap komt het er feitelijk op neer dat je iemand probeert te omhelzen die bezig is te verdrinken. De sporadische sentimentele buien, gedurende de twintig minuten dat de drank hem daartoe aanzette, wogen niet op tegen de constante vriendelijkheid en het voortdurend jezelf wegcijferen waarop mijn eigen vaderschap stoelde. Met gemengde resultaten, moet ik eerlijk toegeven. Ik heb Amanda al vijftien jaar niet meer gesproken, zoals je ongetwijfeld zult weten. Ik wijt het aan haar therapeut, die haar toch al niet zo schrandere hoofdje heeft gevuld met freudiaanse ideeën over haar liefhebbende papa.' Nicholas' bombastische manier van spreken ging langzaam over in een steeds indringender gefluister en de knokkels van zijn blauwdooraderde handen werden wit van de inspanning die het hem kostte zichzelf staande te houden.”

 

 2111099-6ac88fd3bf028cbd1348bd349636cc15.jpg
Edward St Aubyn (Cornwall, 14 januari 1960)

 

 

De Chinese schrijfster Anchee Min werd geboren in Shanghai op 14 januari 1957. Zie ook alle tags voor Anchee Min op dit blog.

Uit:The Cooked Seed

„The flight captain's voice came through the speakers. I didn't understand what he was saying. I looked around and saw the passengers on my right and left buckling their seat belts. I copied them.
The plane began to descend. I saw a sea of lights outside the window.
The beauty stunned me. "Capitalism rots and socialism thrives" was the phrase passing through my mind. Was this the result of rotting?
The plane rattled as it touched the ground. The passengers cheered when we finally came to a stop. One after another, everyone stood, picked up their belongings, and exited.
"Chicago?" I asked the flight attendant.
"No," she smiled.
"Not Chicago?" I took out my ticket.
"This is Seattle." She signaled me not to block the way. The rest of her words I couldn't understand.
I followed the passengers moving toward a big hall. My growing nervousness began to choke me. The hand that held my passport became damp with sweat.
I didn't feel like I was walking on my own legs. The sound inside my head was louder than the sound outside. It was the noise of a tractor with loose screws going over a bumpy road.
I feared getting caught. I was not the person I had claimed to be— a student ready for an American college. But what choice had I had? I wouldn't have been issued a passport if I hadn't lied through my teeth and claimed undying loyalty to the Communist Party. The American consulate in Shanghai wouldn't have granted me a visa if I hadn't cheated and sang my self-introduction in English like a song. I had charged forward like a bleeding bull. I had not had the time to get scared until that moment.
My father was scared to death for me. He didn't think that I would make it. No one with common sense, or who had anything to lose, would do what I was doing. But I didn't have anything to lose. I was a caught frog, kicking my last kicks. I jumped the hurdles in front of me.
Off the plane, I went in search of the ladies' room. All the signs in English confused me. I followed a woman into a room with a sign showing a lady in a skirt. I was glad that it was the right place. There was no waiting line. I looked around to make sure that I was where I thought I was."

 

 2111099-9a1ebcb32e33dd573d988b4aa6108d74.jpg
Anchee Min (Shanghai, 14 januari 1957)

 

 

De Japanse schrijver Yukio Mishima werd geboren op 14 januari 1925 in Tokyo. Zie ook ook alle tags voor Yukio Mishima op dit blog.

Uit: Spring Snow (Vertaald door Michael Gallagher)

“Kiyoaki was eighteen. Nothing in the household where he had been born would account for his being so sensitive, so prone to melancholy. One would have been hard pressed to find, in that rambling house built on high ground near Shi-buya, anyone who in anv way shared his sensibilities. It was an old samurai family, but Kiyoaki's father, Marquis Mat-sugae, embarrassed by the humble position his forebears had occupied as recently as the end of the shogunate fifty years before, had sent the boy, still a very small child, to be brought up in the household of a court nobleman. Had he not done so, Kiyoaki would probably not have developed into so sensitive a young man. Marquis Matsugae's residence occupied a large tract of land beyond Shibuya, on the outskirts of Tokyo. The many buildings spread out over a hundred acres, their roofs rising in an exciting counterpoise. The main house was of Japanese architecture, but in the corner of the park stood an imposing Western-style house designed by an Englishman. It was said to be one of four residences in Japan—Marshal Oyama's was the first—that one might enter without removing one's out-door shoes. In the middle of the park a large pond spread out against the backdrop of a hill covered with maples. The pond was big enough to boat on; it had an island in the middle, water lilies in flower, and even water shields that could be picked for the kitchen. The drawing-room of the main house faced the pond, as did the banqueting room of the Western house. Some two hundred stone lanterns were scattered at random along the banks and on the island, which also boasted three cranes made out of cast-iron, two stretching their long necks to the sky and the other with its head bent low.
Water sprang from its source at the crest of the maple hill and descended the slopes in several falls; the stream then passed beneath a stone bridge and dropped into a pool that was shaded by red rocks from the island of Sado, before flow-ing into the pond at a spot where, in season, a patch of lovely irises bloomed. The pond was stocked both with carp and winter crucian. Twice a year, the Marquis allowed school-children to come there on picnics. When Kiyoaki was a child, the servants had frightened him with stories about the snapping turtles. Long ago, when his grandfather was ill, a friend had presented him with a hundred of these turtles in the hope that their meat would rebuild his strength.”

 

 2111099-f33b724aed28e152cfceb6aff84e9253.jpg
Yukio Mishima (14 januari 1925 - 25 november 1970)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver, musicus en cabaretier Martin Auer werd geboren op 14 januari 1951 in Wenen. Zie ook alle tags voor Martin Auer op dit blog.

Uit:Hurentaxi: Aus dem Leben der Callgirls

“- Kaugummi habe ich auch gehabt -
Ich bin Fahrer gewesen für eine Callgirl-Agentur.
Ich habe die Mädchen zu ihrem Job gebracht und sie wieder nach Hause gefahren. Ich habe das Geld von ihnen kassiert und es mit der Agentur abgerechnet. Im Auto habe ich immer Kondome gehabt, 5 Stück für einen Euro, für den Fall, dass sie einem Mädchen ausgehen. Und halterlose Strümpfe, braune und schwarze. Das wird häufig verlangt, und dann ist oft keine Zeit, dass ein Mädchen zwischen zwei Jobs nach Hause fährt und sich umzieht. Ich habe auch immer Marlboro Light im Auto gehabt, dabei rauche ich gar nicht.
Die Mädchen waren dankbar dafür, wenn ihnen die Zigaretten ausgegangen sind, die meisten rauchen viel zu viel, und ich war froh, wenn ich es eilig gehabt habe, dass ich nicht wegen Zigaretten habe halten müssen. Kaugummi habe ich auch gehabt für die Mädchen, oder Pfefferminzzuckerln. Heutzutage wird von den Mädchen erwartet, dass sie küssen. Das hat es früher nicht gegeben, eine Hure küsst nicht, hat es geheißen. Und Schmerztabletten, Dolofort. Wenn ein Mädchen den dritten Tag Zahnweh hat und noch immer nicht zum Zahnarzt will, dann sind Aspirin zu schwach.
Für einen Job habe ich 20 Euro bekommen.
- Gute Wienkenntnisse Voraussetzung -
Während ich das schreibe, sitzt Gosia mit ihrer Freundin Elzbieta draußen in meiner Küche. Die Mädchen trinken Kaffee, rauchen und tratschen. Ich bin der dritte Kunde gewesen, den Gosia in Wien gehabt hat. Dann bin ich ihr Fahrer gewesen. Und jetzt schläft sie in meinem Wohnzimmer auf der Couch, weil sie aufgehört hat und ohne Geld ist. Und alle sagen, haha, auf der Couch! Aber so ist das. Gosia spricht man Goscha aus. Es ist ein polnischer Name.“

 

 2111099-424f74f1c35dfc06d85531085993e0ab.jpg
Martin Auer (Wenen, 14 januari 1951)

 

 

De Duitse schrijver en vertaler Andreas Steinhöfel werd geboren op 14 januari 1962 in Battenberg. Zie ook alle tags voor Andreas Steinhöfel op dit blog.

Uit: Anders

„Die braune Stricklacke nicht geschlossen, trotz der Kälte, es war ja Herbstanfang. Nebelnasse, in der Stirn klebende schwarze Haare, die Hände zu Fäusten geballt und keuchender, stoßweiser Atem aus geöffnetem Mund... Aber dennoch, wie der Felix gegangen war, so forsch .and so fest: Allein eieser trotzig entschlossene Schrie, wo dach delungesonst so schlurftet Frau Heinsel war ihn auf Höhe des Nahtaufs begegnet — dieses schuhkartonfdrmigen neuen Flachbaus, über die Flussbrücke bequem zu erreichen von der Ulmenstraße her, der ihrer Ansicht nach dort nicht hätte gebaut werden sollen, aber wer fragte sie schon? — und im Hineingehen hatte sie siva nochmals verwundert umgedreht (und fast ihren Einkaufsroller umgerissen dabei), denn normalerweise grüßte der Felix Immer, er war ja gut erzogen, In letzter Zelt wohl ein wenig In sich gekehrt, aber gegrüßt trate er bisher Immer! Diesmal aber hatte er die Nachbarin gar nicht wahrgenommen, überhaupt nichts schien er gesehen zu haben, nicht in der Welt vor sich. Aber in ihm drin, hinter den hellgrauen Augen, da hatte, nun, wie sollte man das sagen ... An dieser Stelle Ihrer Erzählung pflegte Frau Heinsel eine kleine Effektpause einzulegen and den Kopf um ein paar Vertraulichkeitszentimeter vorzustrecker, bevor sie mit gesenkter Stimme weitersprach: Da hatte etwas getobtt. Doch, ja. Ein Ringen und ein unhörbares Brüllen war da im Felix gewesen, an einen gefangenen Tiger oder Löwen habe man unwillkürlich denken müssen, der sich wieder und wieder gegen die stählernen Gitterstäbe seines Käfigs warf, und wenn man überlegte, dass heute sein Geburtstag gewesen war, ausgerechnet ... Gott, der arme Junge! Dann das Ganze wieder von vorn, gern auch ein drittes Mal, und falls ein ungeduldiger Zuhörer signalisierte, dass er auf von vorn keine Lust hatte, wartete Frau Heinsel einfach geduldig ab, bis sie des nächsten Nachbarn habhaft werden konnte. Ihr Haus lag nahezu mittig in der Ulmenstraße, das breite Küchenfenster bot einen großzügigen Blick in jede Richtung, und wenn sie mit ihren knapp sechzig Jahren auch nicht mehr so flink war wie mit dreißig, trugen ihre Schritte sie doch schnell genug hinaus, sobald jemand die Mülltonnen zum Gehsteig schob, den Briefkasten leerte, den kurzen Fußweg in die Stadt oder zum Einkaufen antrat. Selbstverständlich versäumte sie bei solchen Gelegenheiten nie darauf hinzuweisen dass sie wohl die Letzte gewesen war, die den Felix gesehen hatte, bevor ... bevor diese…diese fürchterliche Sache passierte.“

 

 2111099-2521363b6071e629eb91c0e8dea76872.jpg
Andreas Steinhöfel (Battenberg, 14 januari 1962)

 

 

De Amerikaanse schrijver John Dos Passos werd geboren op 14 januari 1896 in Chicago. Zie ook alle tags voor John Dos Passos op dit blog.

Uit: The 42nd Parallel

“By Thanksgiving Mac had beaten his way to Sacramento, where he got a job smashing crates in a dried fruit warehouse. By the first of the year he'd saved up enough to buy a suit of dark clothes and take the steamboat down the river to San Francisco. It was around eight in the evening when he got in. With his suitcase in his hand, he walked up Market Street from the dock. The streets were full of lights. Young men and pretty girls in brightcolored dresses were walking fast through a big yanking wind that fluttered dresses and scarfs, slapped color into cheeks, blew grit and papers into the air. There were Chinamen, Wops, Portuguese, Japs in the streets. People were hustling to shows and restaurants. Music came out of the doors of bars, frying, buttery foodsmells from restaurants, smells of winecasks and beer. Mac wanted to go on a party but he only had four dollars so he went and got a room at the Y and ate some soggy pie and coffee in the deserted cafeteria downstairs. When he got up in the bare bedroom like something in a hospital he opened the window, but it only gave on an airshaft. The room smelt of some sort of cleaning fluid and when he lay down on the bed the blanket smelt of formaldehyde. He felt too well. He could feel the prancing blood steam all through him. He wanted to talk to some-body, to go to a dance or have a drink with a fellow he knew or kid a girl somewhere. The smell of rouge and musky facepowder in the room of those girls in Seattle came back to him. He got up and sat on the edge of the bed swinging his legs. Then he decided to go out, but before he went he put his money in his suitcase and locked it up. Lonely as a ghost he walked up and down the streets until he was deadtired; he walked fast not looking to the right or left, brushing past painted girls at streetcorners, touts that tried to put addresscards into his hand, drunks that tried to pick fights with him, panhandlers whining for a handout. Then, bitter and cold and tired, he went back to his room and fell into bed. Next day he went out and got a job in a small printshop run and owned by a baldheaded Italian with big whiskers and a flowing black tie, named Bonello. Bonello told him he had been a redshirt with Garibaldi and was now an anarchist.“

 

 2111099-dd03d996b034cf282b1fb1a6389d8abc.jpg
John Dos Passos (14 januari 1896 – 28 september 1970)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 14 januari 2007 en ook mijn blog van 14 januari 2008 en eveneens mijn blog van 14 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 12:31 Reageer op dit bericht

Isaäc da Costa, Tillie Olsen, Marek Hlasko, Rudolf Hagelstange, Anatoli Rybakov, Werner Helwig, Zacharias Topelius, Ida Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Isaäc da Costa werd geboren in Amsterdam op 14 januari 1798. Zie ook alle tags voor Isaäc da Costa op dit blog.

 

Aan mijn vader
(Opdracht van de bundel ,Poezy’)

Gunt gij 't, hoog vereerde Vader!
dat een zoon U hulde bied'
met de eerstling van een ader,
die nog ruwe zangen schiet?
Dat bij drie en twintig jaren,
in uw weldaan doorgebracht,
met de galmen van zijn snaren
(ach! hoe min!) te erkennen tracht?

Voor het sterflijk oog verborgen,
richt de Koning van 't Heelal
met in al voorziende zorgen
heel de loop van 't Lotgeval!
Door Zijn ondoorzienbre wegen
worden wij hier rondgeleid!
De aardse beeldtnis van die zegen
is eens Vaders tederheid!

Wat die teerheid kan omvatten,
o mijn Vader! toondet Gij!
'k Loonde met geen aardse schatten,
met geen wereldheerschappij,
al uw zwoegen, al uw pogen
in de vorming van mijn jeugd,
immer zwevend voor mijn ogen,
met het voorbeeld van uw deugd.

't Bloed vooral, dat in mijn aderen
met een deel uws aanzijns vloeit;
kostbaar erfdeel onzer Vaderen,
die, met Oosters vuur doorgloeid,
daar, waar Taag en Ibex vlieten,
eenmaal schitterden op de aard,
en wier grootheên ons verlieten;
doch - hun eer bleef nog bewaard!

God beschouwt het uit den hogen,
wat Gij voor mij waart en zijt!
Ik, ik bloos van ’t onvermoge
der erkentnis, U gewijd.
Ik bied vruchten aan, voor danken,
in der Muzen hof geplukt:
klanken, ja! maar in die klanken
heeft mijn ziel zich afgedrukt!

0 mijn Vader! 'k leg dan heden
met een diep geroerd gemoed,
(stell' mijn zucht uw recht te vreden!)
hart en dichtlier aan uw voet!
Wil die van elkaar niet scheiden,
neem ze beiden gunstig aan,
schenk uw zegening aan beiden,
en mijn wensen zijn voldaan!

 

 2111094-4db515396628f5a03ca37f822b628290.jpg
Isaäc da Costa (14 januari 1798 – 28 april 1860)
Portret en gedicht aan de Da Costakade in Amsterdam

 

 

De Joods-Amerikaanse schrijfster, dichteres en feministe Tillie Lerner Olsen werd geboren in Omaha (Nebraska) op 14 januari 1912. Zie ook alle tags voor Tillie Olsen op dit blog.

Uit: I Stand Here Ironing

“Why do I put that first? I do not even know if it matters, or if it explains anything.
She was a beautiful baby. She blew shining bubbles of sound. She loved motion, loved light, loved color and music and textures. She would lie on the floor in her blue overalls patting the surface so hard in ecstasy her hands and feet would blur. She was a miracle to me, but when she was eight months old I had to leave her daytimes with the woman downstairs to whom she was no miracle at all, for I worked or looked for work and for Emily's father, who "could no longer endure" (he wrote in his goodbye note) "sharing want with us.
I was nineteen. It was the pre-relief, pre-WPA world of the depression. I would start running as soon as I got off the streetcar, running up the stairs, the place smelling sour, and awake or asleep to startle awake, when she saw me she would break into a clogged weeping that could not be comforted, a weeping I can hear yet.
After a while I found a job hashing at night so I could be with her days, and it was better. But it came to where I had to bring her to his family and leave her.
It took a long time to raise the money for her fare back. Then she got chicken pox and I had to wait longer. When she finally came, I hardly knew her, walking quick and nervous like her father, looking like her father, thin, and dressed in a shoddy red that yellowed her skin and glared at the pockmarks. All the baby loveliness gone.
She was two. Old enough for nursery school they said, and I did not know then what I know now -- the fatigue of the long day, and the lacerations of group life in the kinds of nurseries that are only parking places for children.
Except that it would have made no difference if I had known. It was the only place there was. It was the only way we could be together, the only way I could hold a job.
And even without knowing, I knew. I knew the teacher that was evil because all these years it has curdled into my memory, the little boy hunched in the corner, her rasp, "why aren't you outside, because Alvin hits you? that's no reason, go out, scaredy." I knew Emily hated it even if she did not clutch and implore "don't go Mommy" like the other children, mornings.”

 2111094-a2825194abe5e018d92bb189643df950.jpg
Tillie Olsen (14 januari 1912 – 1 januari 2007)
Cover

 

 

De Poolse schrijver Marek Hlasko werd geboren op 14 januari 1934 in Warschau. Zie ook alle tags voor Marek Hlasko op dit blog.

Uit:Killing the Second Dog (Vertaald door Tomasz Mirkowicz)

“Our host was sitting on the terrace, reading a newspaper. His girlfriend was sitting next to him. When she saw us, she adjusted herself in her deck chair and lowered her gaze to the floor. It was meant to show her contempt. She was putting on an act. Men look only for peace and deliverance; women have to have something churning and shifting in their lives. They’re always very serious about how they feel and genuinely convinced that all those fleeting emotions they take for anger, love, or contempt are going to last forever.
“It’s us, Mr. Azderbal,” Robert said.
“Again?” Azderbal said.
“Didn’t it work out very well last time?”
“Sure. All it took to save my neck was two top lawyers and a doctor who testified that I happen to be partially insane. I don’t suppose you’ve come here to tell me of some new deal we could make together, huh?”
“That was an accident,” Robert said. “Somebody squealed on us.”
“Bullshit,” Azderbal said. “I’m not interested in any more shaky deals.”
I moved away and sat down on a deck chair next to the girl. She glanced at me in a brief, detached way. I could swear she’d been practicing that look in front of a mirror for the past three months, certain I was going to show up at any moment. But I hadn’t shown up; I had only come now with Robert because we were short of cash. I sat next to her, staring out at the dark garden, while behind our backs the two men continued their loud conversation.
“I need money,” Robert was saying. “I have to pay for his hotel, food, and all the rest.”
“And for the doctor,” the other added.
“Yeah, for the doctor, too. We need money for at least two, three weeks. He’s got to have a room and three meals a day; breakfast, lunch, and dinner. He’s got to be able to afford cigarettes, coffee, a deck chair at the beach, and a haircut and shave once in a while for him to look all right. And our dog, too. Our dog costs a pretty penny.”
“What does it eat?”
“Two pounds of pork a day,” Robert said. “Or do you expect me to cook it grits in my hotel room and mix that with canned kosher meat? Do you really? Well, maybe you’d eat that mush, but not this dog.”
“It’s too big. You should have bought a smaller dog, a poodle or a Pekingese; this one’s not a dog, it’s a monster, a fiend. No wonder it’s so expensive to feed.”

 

 2111094-ab84cb21ed0f72dcee15ba76d8ad706a.jpg
Marek Hlasko (14 januari 1934 – 14 juni 1969)
Borstbeeld in Kielce 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Rudolf Hagelstange werd geboren op 14 januari 1912 in Nordhausen. Zie ook alle tags voor Rudolf Hagelstange op dit blog.

 

Ich will dich haben wie mein eigen Blut

Ich will dich haben wie mein eigen Blut,
Wie meinen Atem, wie mein Angesicht,
Wie meine Wünsche, meinen stillen Mut,
Wie meine Freude, wie mein Augenlicht,
Wie alles, das in mir zur Wohnung ruht
Und zu mir kommt und aus mir bricht.
Ich will, du sollst fortan ich selber sein:
Wein in der Traube, Traube in dem Wein.

Ich liebe dich, wie es mein Herz vermag.
Es würde springen, liebt' es dich noch mehr,
Und krank sein ohne dich an jedem Tag
Und niemals müde werden im Begehr,
Dich so zu lieben — sag es selber, sag,
Wie ich dich lieben soll. Wie jemand, der
Nicht mehr sein eigen ist, nie mehr allein?
Wein in der Traube, Traube in dem Wein?

Es sei kein Ding fortan, das an mich rührt,
Und hätte nicht von dir den Hauch,
Und keine Lust, die ich verspürt,
Und du verspürtest sie nicht auch,
Und kein Begehren, das nicht du geschürt.
So sei von nun an dieses unser Brauch:
Meins ist das deine, deins ist also mein,
Wein in der Traube, Traube in dem Wein.

So soll es sein. Denn alles Lieben dünkt
Mich nur wie Licht und Lichtes Widerschein.
Kein Herz soll wissen, wo der Funke springt,
Der Feuer wirft, so wie's der Stein dem Stein
Entschlägt. Kein Mund, von wem er trinkt.
Und kein Umarmen, das da bleibt allein.
O Wunder, so zu lieben, so geliebt zu sein:
Wein in der Traube, Traube in dem Wein.

 

 2111094-85d0ee41ee0b7058e34937ba43eedf76.jpg
Rudolf Hagelstange (14 januari 1912 – 5 augustus 1984)
Cover

 

 

De Russische schrijver Anatoli Rybakov werd geboren op 14 januari 1911 in Tsjernihiv. Zie ook alle tags voor Anatoli Rybakov op dit blog.

Uit:Dust and Ashes (Vertaald door Antonina W. Bouis)

“...For all the profound human modesty of Comrade Stalin,he will have to tolerate our outpourings of love and loyalty to him[applause],because not only we,who live and work under his direction,but all the working people in our land,tie their hopes for a radiant future for mankind to his name.[Applause] 'Listen,why should I read this? Let's go' Gleb repeated. All right.All right. But what do you think?
-He's flunky!
-But he wrote The Quiet Don,a great novel.
In the twenties there was doubt about his authorship.They even had a special commission to investigate.
I heard something about that.
Akimov told me.The read author was some White officer.But no one would acknowledge that...If The Quiet Don is a work of genius,the author cannot be flunky.As your beloved Pushkin said,dearie,genius and evil are incompatible.
Not every genius can overcome fear. And Sholokhov is no genius.”
(...)

“And Eisenstein was doing it,too!As a young boy Sasha had seen his Battleship Potemkin in the Khudoshestvennyi Theater on the Arbat Sqaure.The cashiers,ticket-takers,cloak room attendants, all were dressed in sailors' uniforms;it looked just grand,it set the mood.The world had acknowledged BATTLESHIP POTEMKIN as the best film and Eisenstein as the greatest director.Now the 'greatest' was loyally serving the tyrant and executioner.Here was an example for his argument with Gleb about genius and villainy. Gleb also read the paper and gave Sasha a meaningful glance. 'Well then one more sycophant.”

 

 2111094-c0c30288c53d2ae24dda0984623c8074.jpg
Anatoli Rybakov (14 januari 1911 – 23 december 1998)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Werner Helwig werd op 14 januari 1905 in Berlijn geboren. Zie ook alle tags voor Werner Helwig op dit blog.

Uit: Die Parabel vom gestörten Kristall

"Zum erstenmal begriff ich völlig, daß Henny tot sei. Und der Verdacht setzte sich in mir durch, daß der schreibende Mensch immer eigentlich ein wenig Bajazzo ist. Jedem Schriftsteller steht seine Witwe bevor, oder diejenige, die sich dafür hält.
Wieviele kenne ich jetzt schon. Mein Alter wird mir darin bewußt. Die Witwe Hamsun, die Witwe Derleth, die Witwe Musil, Niebelschütz, Diettrich. Jede hat ein Eheleben lang ein ganz klein wenig an der Goethefähigkeit Ihres Gespons gezweifelt. Mit dem Tod ändert sich das. Sie haben einen lebenslangen Konflikt beerdigt. Das Idol kann geboren werden. Die Entscheidung ist gefallen. Er war einer jener Großen. Und jetzt beginnt die Nachlaßbewirtschaftung. Da beugen sie sich mütterlich über den Verewigten. Endlich ist er Sohn, Wiegenkind wieder geworden. Absehbar. Unentrinnbar. Eigentum. Wehrlos. Man beendet seine halbfertig liegengebliebenen Schulaufgaben.
Und alle seine Ausscheidungen, sofern sie auf Papier festzustellen sind, werden gesammelt. Papierkorbinhalte katalogisiert. Briefe kartothekisiert. Es ist eine Witwenlust, zu überleben und in Staatsbibliotheken Platz zu erkämpfen für wohlgeordnete Konvolute. Sie organisieren das Nachleben, die Nachwelt.
Sie sammeln Vereine um das auf Wachstum angelegte Monument, veranstalten Gedächtnisfeiern, publizieren (auf Bütten, mit rauhem Rand) die Reden, die gehalten wurden, werfen sich jedem, der etwas wissen will, mit überschwenglicher Auskunft ans Herz. Und sind schließlich - kommt ihre Stunde - selber noch eine die Nachwelt berührende Berühmtheit geworden. Und - wiederum - was sollten sie anderes tun? Es ist nicht jeder Frau gegeben, hinter dem Gestorbenen her zurückzutreten. Allzusehr haben sie sich auf seine Welt eingelassen, haben sich in sie hinein aufgegeben. Jetzt schwingt das noch nach, will auspendeln.
Die sich unauffällig machen konnten, waren wahrscheinlich die wirklich Glücklichen. Wo nicht jeder offenbar werdende Charaktermangel auf Werk hin entschuldigt werden mußte. Wo geliebt und gelebt wurde. Wo nicht das Phantom "Genie" blutsaugerisch dazwischentrat. Wo nicht von Dämonie usw. geredet wurde, wenns einfacher und genauer gewesen wäre, zu bekennen: "Entschuldigung, ich habe mich vertan".

 

 2111094-c7007483287fad379735bc2803fb915c.jpg
Werner Helwig (14 januari 1905 – 4 februari 1985)
Helwig met echtgenote Yvonne en zoon Gerhard in 1950

 

 

De Finse dichter en schrijver Zacharias Topelius werd geboren in Nykarleby op 14 januari 1818. Zie ook alle tags voor Zacharias Topelius op dit blog.

Uit: Times of Gustaf Adolf (Vertaald door Selma Borg en Marie A. Brown)

„Early in the morning, the united Swedish and Saxon armies crossed the Loder, *and marched toward the village of Breitenfeld, where they placed themselves in battle order. It was some new military tactics invented by the king: the foot-soldiers in brigades, the cavalry in small squadrons, between them the musketeers, and the whole in two lines; but the Saxons were b
The king rode along the lines, inspected everything with his keen glance, and spoke encouraging words. His eye rested with delight upon these brave men. There stood Gustaf Horn, with his troop of cavalry, on the left wing; in the centre the valiant Teuifel, and in front of him Torstenson, with his light but formidable leather cannon; Baner with his Livonians, and Hepburn with his Scots, occupied the second line.
Last of all, the king approached the right wing, which he himself commanded. There stood five regiments of cavalry: Tott, with his regiment; Soop, with his Westgoths; Stenbock, with his Smalanders; and, farthest of all, Stalhandske, with the Finns. The king's look brightened more and more as he slowly passed the saluting ranks.
" Stalhandske," said he, checking his colossal dark-brown steed at the last Finnish division, " I suppose you understand why T have placed you on the 'flank. Opposite us stands Pappenheim with his Wallachians. He longs to make my acquaint ance," remarked the king, smiling; "and I expect that we will have a hard tussle if he throws the whole swarm upon us from this side. I rely upon you and your Finns to receive him energetically."
The king then raised his voice so as to be heard by the whole cavalry force, and added:
"See to it, boys, that you do not dull your swords on those iron-clad fellows; but rather beat down the horses first, and then you will have easy work with the heavy rider."
The Finnish cavalry realized full well both the danger and the honor of their position, and were proud of it. The king's confidence inspired all witli courage and self-reliance."

 

 2111094-648a791e2ea2edda50b47d43906a876c.jpg
Zacharias Topelius (14 januari 1818 – 12 maart 1898)
Portret door Albert Edelfelt, 1889

 

 

De Duitse dichteres en strijdster voor vrouwenrechten Ida Dehmel werd geboren op 14 januari 1870 in Bingen. Zie ook alle tags voor Isa Dehmel op dit blog.

Uit: Ida und Richard Dehmel - Harry Graf Kessler. Briefwechsel 1898-1935

„Ida Dehmel an Harry Graf Kessler – Blankenese, den 10. August 1928

Lieber Herr Graf! Nur sehr zögernd schreibe ich Ihnen diesen Brief, denn wenn ich annehmen müsste, dass ich mir damit Ihren Besuch verscherze, so liesse ich ihn natürlich ungeschrieben. Andererseits lockt mich der Wunsch, diese an sich gewiss nebensächliche, für Rathenaus Gedächtnis aber doch charakteristische kleine Episode einmal niederzuschreiben. Ich tue es also in der Hoffnung, dass ich mir damit Ihren Besuch erst recht verdiene! Im Winter 1890, als Zwanzigjährige, hatte ich einen Tischnachbar auf den die Tante, bei der ich zu Besuch war, mich schon vorher aufmerksam machte; ich war nämlich verschrien wegen der geistigen Ansprüche, die ich damals an die Menschen stellte. Vom Standpunkt meiner Berliner Verwandten, war das zu verstehen, penn ich kam ja aus der Kleinstadt. Kurz: meine Tante sagte morgens zu mir: heute abend wirst Du einen Tischherrn haben, der selbst Deinen Anspüchen genügen dürfte! Rathenau und ich waren an jenem Abend die einzigen Jüngeren unter lauter Aelteren, das brachte uns schnell zusammen. Ich weiss noch, dass aus seinem Mund das Wort "mein Vater" mit einem Ausdruck fiel, der mich ausserordentlich frappierte, weil ich selbst von meinem Vater nicht hätte anders sprechen können. Es ergab sich in blitzschnellem Verständnis eine Schicksalsgemeinschaft in den äusserst schmerzlichen Beziehungen zum Vater: Verachtung des Vaters zum Kind, und trotzdem Bewunderung des Kindes für den Vater. — Von allen Gesprächen mit Rathenau ist mir von diesem Abend nur dieses im Gedächtnis geblieben, ich erinnere mich aber noch mancher [2] Einzelheiten daraus. Der alte R. muß maaßlos auf dem Sohn gelastet hab[en]. Genau 20 Jahre später (ich habe heute aus den Briefen die Daten festgestellt) trafen wir Walter Rathenau in einem Kreis von etwa 12 Personen bei Peter Behrens. Ich hatte in der Zwischenzeit zuweilen überlegt, ob der inzwischen bekannt gewordene Walter Rathenau mit meinem Tischherrn von damals, dessen Vornamen ich nie gehört hatte, identisch sei.“

 

 2111094-4a4bd9ec214ac5a6b29a1c1544df416e.jpg
Ida Dehmel (14 januar 1870 - 29 september 1942)

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 14 januari 2007 en ook mijn blog van 14 januari 2008 en eveneens mijn blog van 14 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 12:29 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten