Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 4 november 2011

Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, René de Clercq

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

 

Een vlieg die een toneelstuk speelt

 

Een vlieg die een toneelstuk speelt
klopt aan en ja hoor hij mag binnen komen
wordt door de butler opengedaan.
Jaren ervaring van de vliegentemmer gaan hier in
en niemand die het hoort of ziet
wat het publiek betreft wàs hij er niet
dat zou een grote kunst zijn vind je niet?

 

 

 

Meisje

 

Keert zich een paar keer voor de spiegel
heen en weer
zoals een vogel voor een andere vogel doet
bekijkt zichzelf als voor het eerst
schikt en herschikt aan schouder, kraag,
likt aan haar lipstick, tuit,
fluit als een vogel, rekt zich van graagte
strekt haar nek,
lokroept in zich, giechelt, vliegt.

 

 

 

Verrassing

 

Een vrouw van zesenzestig
doet een draad door een naald.
D.w.z. probeert. Nu weer
wil de draad niet, buigt,
splitst zich, vervaagt,
dan weer lijkt er nauwelijks
een oog in de naald, (zo er al
een oog in zit dan is dat
erg smal en scheef)
als de naald beweegt,
beeft, alsof bang
voor die draad,
maar de draad is zelf
ook niet zo zeker -
Boven haar komt
iemand met een bom gevlogen.
Een jongen. Precisie.

 

 

 

 1025219-faba20b804f3f2c72a95cfd3743419e4.jpg

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

 




De  Nederlandse dichter
Peter W.J. Brouwer werd op 4 november 1965 in Eindhoven geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

 

 

De bezoekers


Ze porden het hout op en schonken wijn
weer waren we vrienden onder elkaar
maar voelden ons bekeken, die avond

stroomde het licht uit onze ogen
kamers in waar deuren kierden
die maar niet open gingen, of dichtvielen

en wat we elkaar ook zeiden, ergens
bleef het hangen, halverwege de avond

kouder was het geworden
en onze gastheer vergeetachtiger

we legden naast hem een blok in het vuur
en schonken hem zijn wijn

toen keek hij
op naar de klok, daar leek
hem van alles zoek

gebaarde nog wat te blijven
is zelf als eerste opgestaan

door wie zijn wij die avond ontvangen
wie schonk ons met het laatste glas

uit, doofde het vuur
in onze harten
werd het afwezig

wie zegde ons gedag

 

 

 

Landdieren

 

Alle begin was moeilijk.
Nauwelijks ontsnapt in
een vlucht nergens heen

de ogen nog warm,
mezelf verdwaald.

Geen vogel met jou te mogen zijn
maar zwaar, zo zwaar aan de grond
zullen we landdieren zijn gebleken,
stram en schuw in onze huizen

hunkerend naar een plek
waar bakens zonder licht zijn.
Hoor je de merels?
laten we ongedwongen zijn.

 

 

 

 1025219-e9432552d4b27ac93585611548a2bf7e.jpg

Peter W.J. Brouwer (Eindhoven,  4 november 1965)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Arthur van Amerongen werd geboren op 4 november 1959 in Ede. Zie ook mijn blog van 3 november 2010

 

Uit: Geen Stijl verboden in Paraguay

 

„Je begrijpt Joost, het is volkomen ongeloofwaardig, ik heb een heel andere schrijfstijl als Rob en de ironie druipt er van af. Toch werd het bericht geplaatst, onder andere in het gerenommeerde Nieuwsblad van het Noorden. Een geslaagde practical joke, zoals we gewend zijn van Rob. Tot zover niets aan de hand.

Maar wie schetst mijn verbazing toen ik gebeld werd door de Nederlandse consul in Paraguay, ingenieur Rene Klein Holkenborg? Die heeft net als mijn vader zaliger nog in Wageningen gestudeerd en is sinds jaar en dag herenboer in Paraguay. Ik had mij, zoals het hoort, onmiddellijk aangemeld bij het Nederlandse consulaat gemeld toen ik mij in Asunción vestigde, nu twee jaar geleden. Het was voor mij een volstrekt onbekend land en er gebeuren hier soms vreemde zaken. De God van Paraguay heeft merkwaardige kostgangers.

Enfin, ik schreef drie keer een email aan onze consul, waarin ik hem vertelde dat ik een roman aan het schrijven was, getiteld Paranoia Paraguay. Ik kreeg echter nooit antwoord, de beste man heeft het natuurlijk razend druk hier met al die 7 Nederlanders, dat snap ik ook wel, maar vreemd vond ik het wel.

Goed, ik krijg hem dus aan de lijn, ongeveer anderhalf jaar na mijn onbeantwoorde emails. Hij vroeg zeer belangstellend naar mijn vorderingen, en of het leven in Paraguay mij beviel. Ik vertelde hem dat ik het hier waanzinnig vond, en mijn verloofde Paula ook. Toen haperde zijn stem even en vertelde hij mij dat hij van de Nederlandse ambassade in Montevideo, dat is de hoofdstad van Uruguay, had gehoord dat er een Nederlandse schrijver vermist was, en dat het mij betrof.“

 

 

 1025219-a16a4b453bd126cbc4a8ff98f481114d.jpg

Arthur van Amerongen (Ede, 4 november 1959)

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter, politiek activist en componist René Desiderius de Clercq werd geboren in Deerlijk op 4 november 1877. Zie mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

 

 

Morgenlucht

 

Het morgenfloers is, wit van grauw,

Gescheurd en opgeschoven.

Goudbronnen borrelen door het blauw.

De zonne bolt heur boven!

 

Heur gouden ziele schijverzingt

In wonderwild gewemel;

En de aarde ontschietend, draait ze en dringt

Al hooger op den hemel.

 

Het wordt ál licht, al licht en laai,

De rozige richels roosten.

De zonne bolt, en elke draai

Verdraait het vlammend oosten.

 

 

 

 

Naakte boomen

 

De wreede winter heeft de boomen

Met stalen voeten vastgestampt,

En laat hen, schut en scherm benomen,

Boutstille, krankend weggekrampt,

Hun oudendaagsche deel bekomen

In wat er rouwt en rampt.

 

Ai zoo de stammen, zoo de takken!

Geribd, gekerfd, geblutst en bloot!

Geen bladje meer. 't Ligt al in pakken,

Van geluwzwart en geluwrood,

Vuildikke en daverend te wakken,

Vol dervigheid en dood.

 

Beneden al die nare zwartheid

Van strekkende armen in de locht,

Benauwd in neevlige benardheid,

En raak aan 't ijs, schier toegerocht,

Weeklaagt om klem- en boeienhardheid,

De beke door de bocht.

           

Doch gij, o boomen, kale koppen,

Vol armen trots, vol doove kracht,

Gebondenen die moet verkroppen

Dat de insche Winter met u lacht;

Voert hooger heen uw taaie toppen,

Lijdt zwijgend, en veracht!

 

 

 

1025219-3abcff22f84b0afc7f6ac8cb72f4beca.jpg
René de Clercq (4 november 1877 - 12 juni 1932)

Geboortehuis René De Clercq, Deerlijk

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e november ook mijn vorige blog van vandaag.
Geschreven door Romenu om 18:55 Reageer op dit bericht

Charles Frazier, C. K. Williams, Marc Awodey, Klabund, Felix Braun

De Amerikaanse schrijver Charles Frazier werd geboren op 4 november 1950 in Asheville, North Carolina. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

 

Uit: Nightwood

 

„LUCE’S NEW STRANGER CHILDREN were small and beautiful and violent. She learned early that it wasn’t smart to leave them unattended in the yard with the chickens. Later she’d fi nd feathers, a

scaled yellow foot with its toes clenched. Neither child displayed language at all, but the girl glared murderous expressions at her if she dared ask where the rest of the rooster went.

The children loved fi re above all elements of creation. A heap of dry combustibles delighted them beyond reason. Luce began hiding the kitchen matches, except the few she kept in the hip pocket of her jeans for lighting the stove. Within two days, the children learned how to make their own fi re from tinder and a green stick bowed with a shoelace. Tiny cavemen on Benzedrine couldn’t have made fi re faster. Then they set the back corner of the Lodge alight, and Luce had to run back and forth from the spring with sloshing tin buckets to put it out.

She switched them both equally with a thin willow twig until their legs were striped pink, and it became clear that they would draw whatever pain came to them down deep inside and refuse to cry. At

which point Luce swore to herself she would never strike them again. She went to the kitchen and began making a guilty peach pie.

LUCE WAS NOT MUCH MATERNAL. The State put the children on her. If she had not agreed to take them, they would have been sepa-rated and adopted out like puppies. By the time they were grown, they wouldn’t even remember each other.

Though now that it was probably too late to go back, maybe that would have been a good thing. Separate them and dilute whatever weirdness they shared and ignited between them. Yet more proof, as if you needed it, that the world would be a better place if every- damn- body didn’t feel some deep need to reproduce. But God in his infi nite wisdom had apparently thought it was an entertaining idea for us to always be wanting to get up in one another.“

 

 

 1025216-5351dec338d7aae43e8478460d4606aa.jpg

Charles Frazier (Asheville, 4 november 1950)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

 

 

Tar

 

The first morning of Three Mile Island: those first disquieting, uncertain,                        

          mystifying hours.

All morning a crew of workmen have been tearing the old decrepit roof

          off our building,

and all morning, trying to distract myself, I've been wandering out to

          watch them

as they hack away the leaden layers of asbestos paper and disassemble

          the disintegrating drains.

After half a night of listening to the news, wondering how to know a

          hundred miles downwind

if and when to make a run for it and where, then a coming bolt awake

          at seven

when the roofers we've been waiting for since winter sent their ladders

          shrieking up our wall,

we still know less than nothing: the utility company continues making

          little of the accident,

the slick federal spokesmen still have their evasions in some semblance

          of order.

Surely we suspect now we're being lied to, but in the meantime, there

          are the roofers,

setting winch-frames, sledging rounds of tar apart, and there I am, on

          the curb across, gawking.

 

I never realized what brutal work it is, how matter-of-factly and harrow-

          ingly dangerous.

The ladders flex and quiver, things skid from the edge, the materials are

          bulky and recalcitrant.

When the rusty, antique nails are levered out, their heads pull off; the

          underroofing crumbles.

Even the battered little furnace, roaring along as patient as a donkey,

          chokes and clogs,

a dense, malignant smoke shoots up, and someone has to fiddle with a

          cock, then hammer it,

before the gush and stench will deintensify, the dark, Dantean broth

          wearily subside.

In its crucible, the stuff looks bland, like licorice, spill it, though, on

          your boots or coveralls,

it sears, and everything is permeated with it, the furnace gunked with

          burst and half-burst bubbles,

the men themselves so completely slashed and mucked they seem almost

          from another realm, like trolls.

When they take their break, they leave their brooms standing at attention

          in the asphalt pails,

work gloves clinging like Br'er Rabbit to the bitten shafts, and they slouch

          along the precipitous lip,

the enormous sky behind them, the heavy noontime air alive with shim-

          mers and mirages.

 

Sometime in the afternoon I had to go inside: the advent of our vigil was

          upon us.

However much we didn't want to, however little we would do about it,

          we'd understood:

we were going to perish of all this, if not now, then soon, if not soon,

          then someday.

Someday, some final generation, hysterically aswarm beneath an at-

          mosphere as unrelenting as rock,

would rue us all, anathematize our earthly comforts, curse our surfeits

          and submissions.

I think I know, though I might rather not, why my roofers stay so clear

          to me and why the rest,

the terror of that time, the reflexive disbelief and distancing, all we should

          hold on to, dims so.

I remember the president in his absurd protective booties, looking

          absolutely unafraid, the fool.

I remember a woman on the front page glaring across the misty Sus-

          quehanna at those looming stacks.

But, more vividly, the men, silvered with glitter from the shingles, cling-

          ing like starlings beneath the eaves.

Even the leftover carats of tar in the gutter, so black they seemed to suck

          the light out of the air.

By nightfall kids had come across them: every sidewalk on the block was

          scribbled with obscenities and hearts.

 

 

 

 1025216-a4ff30ecfd4e437b4bd549173b8fa848.jpg

C. K. Williams (Newark, 4 november 1936)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Marc Awodey werd geboren op 4 november 1960 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

 

 

3 Haiku

 

 

there were once giants

but they   were

       overwhelmed

by     trivial     concerns

 

 

             *

 

 

swans are nasty birds

they honk,      bite

and chase children -- 

poets lie for swans

 

 

             *

 

i once tried

      writing fortunes

for cookies    but found

       it had no

           future

 

 

 

 1025216-cb45ae94e61dc342aad2e8e74e4cebfb.jpg

Marc Awodey (Ann Arbor, 4 november 1960)

Men on the beach door Marc Awodey

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Klabund op dit blog.

 

 

Als Gott der Herr auf Erden ging

 

Als Gott der Herr auf Erden ging,
Da freute sich ein jedes Ding;
Ein jedes Ding, ob groß, ob klein,
Es wollte doch gesegnet sein.

Die Kreatur in ihrer Not,
Der Mensch in Kümmernis und Tod,
Der breite Strom, das weite Land,
Sie fühlten Gottes Gnadenhand.

Es hört der Frosch zu quaken auf,
Der Hund hält inn in seinem Lauf,
Der Regen hätt geregnet nicht,
Bevor ihn Gott gesegnet nicht.

Der hohe Turm verneigte sich,
Die Antilope zeigte sich.
Und Efeulaub und Wiesengrün
Erkannten und lobpriesen ihn.

Von aller Art der Mensch allein
Geriet in Schand und Sündenpein.
Hätt er nicht Gott so oft verkannt,
Er ging noch heute durch das Land.

Hätt er nicht Gott so oft gesteint,
Wir wären noch mit ihm vereint.
Die Erde wär das Himmelreich
Und jeder Mensch ein Engel gleich.

 

 

 

Früher Morgen in der Friedrichstraße

 

Die ersten Wagen mit Zeitungsballen
Fahren am Bahnhof Friedrichstraße vor.
Alle Häuser hängen in violettem Flor.
O wilde Welt! Laß mich ins Dunkel fallen!

Die Mädchen flattern heimwärts; böse Eulen.
Aus Cafés äugen Lampen, gelb verstört.
Ein holder Walzer wird nicht mehr gehört,
Weil schon die Dampfer und Fabriken heulen.

Da braust der erste Stadtbahnzug ins Loch
Der Bahnhofshalle... Hinter Dächertraufen
Schirrt Phaeton den jungen Tag ins Joch
Und läßt die goldnen Rosse laufen.

Die Strahlenpeitsche klatscht um unser Ohr.
Des Gottes Blick erglüht uns im Genicke...
Empor zu dir! Empor!
Sonne rollt über die Weidendammer Brücke.

 

 

 

 1025216-bf89fbe4bab8be489d31fa82a2dfffd3.jpg

Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

 

 

Sonett

Wer je die frühgeliebte Frau verließ,
Geschieden bleibt er ganz von dem Geschlechte
Des Weibes: denn das erste, eine, echte
Gefühl verwirkt sich wie das Paradies.

 

Ob ich manch leuchtendes Gesicht lobpries - 
Liebt ich's? - Ach, das verarmte, da geschwächte
Herbstliche Herz, das gern noch Rosen brächte!
Doch Dahlienblätter decken welk den Kies.

 

Weh dem, der erster Liebe Sakrament,
Das alle Fraun in Einer hielt beschlossen,
Bricht oder löst: er wird unstet wie Kain.

 

Nach Freuden irresuchend, die er kennt,
Und die schal werden, wenn er sie genossen,
Muß er sehnsüchtig und unfruchtbar sein.

 

 


 1025216-a639a31e4123e4f70baaf3557881321f.jpg

Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)

Geschreven door Romenu om 18:49 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten