Isaac Bashevis Singer, Marilyn French, Margriet de Moor, Veza Canetti, Freya North

De Amerikaans-Poolse schrijver Isaac Bashevis Singer werd geboren op 21 november 1904 als Isaac Hertz Singer in Radzymin, Polen. Zie ook mijn blog van 21 november 2006 en ook mijn blog van 21 november 2007 en ook mijn blog van 21 november 2008.
Uit: Shadows on the Hudson (Vertaald door Joseph Sherman)
„Stanislaw Luria, Ann's husband, was trying to win over his host's nephew Herman. While Herman remained a staunch Communist, Luria was bitterly opposed. His only grievance against America was its failure to drop the atomic bomb on Moscow instead of Hiroshima. Luria and Herman had one thing in common, however: they both spoke eloquent Polish. Luria had trained as a lawyer in Warsaw, and Herman had studied in the jurisprudence faculty before going off to defend Madrid.
Now Luria reasoned: "Prosze pana, I know exactly what you think. I know more Marxism than all the Marxists put together. To my regret, I too made a fool of myself for a while. There was a time I even believed in Lenin. Ah, in one's youth one makes mistakes. When a young man doesn't make mistakes, there's something wrong with him. But one thing I hope you'll grant me: that without Uncle Sam's help, without lend-lease, your Comrade Stalin would never have marched into Berlin. This, I expect even the most ardent Stalinist will concede ..."
Luria spoke as if he was begging Herman to see reason. Luria, past fifty, was short and broad-shouldered, and had an enormous head, no neck to speak of, a disheveled shock of brown hair streaked with gray, and a face that was either bloated or swollen by self-importance. His thick eyebrows overhung yellow eyes set in blue pouches flaked with crud. His nose had unusually large nostrils. There was something brutish and wild about him, yet he seemed sluggish, half-asleep. His narrow forehead was deeply cloven--whether with a wrinkle or a scar it was difficult to say.
Herman was barely thirty three, but he looked older. He was short like his uncle but not so homely. He had a square head with hair cropped short in military fashion--in Spain he had been promoted to the rank of either captain or major--and cold, steel-gray eyes behind a pince nez. Herman spoke slowly and with the deliberation of a diplomat watching every word.
His voice beat woodenly. "No one can know what would have happened without lend-lease. That is an academic question. One thing is beyond doubt: America delayed opening a second front until the Soviet Union was on the verge of decisive victory."
"Are you suggesting that the invasion of France was superfluous?" Luria demanded.
"By that time the fascists had already been smashed."
"If we let Stalin write world history, he would more than likely record that the Allies fought on Hitler's side," Luria retorded acidly.
"Until Stalingrad, the Allies always hoped for a Soviet defeat."
Luria raised his eyebrows. His yellow eyes kindled with fury. His right hand--broad, heavy, with swollen veins and fingernails resembling claws twitched as though about to strike a blow. But it never left his knee. Instead, he countered ponderously: "Oh God, look at the might of falsehood! How incredibly vast and powerful it is! Like a bottomless pit."
Boris was not a scholar, not a learned man, but he loved both Torah and knowledge. Although he had been successful in business, he regretted more than once that he had not become a rabbi, a scholar, or simply a hack writer. Short, stocky, with hands and feet too big for his small frame, large black eyes, a crooked nose, and thick lips, he wore a goatee and spoke in a booming voice. He persisted in speaking Warsaw Yiddish, having never learned either German or English properly.“

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Marilyn French werd geboren op 21 november 1929 in New York. Zie ook mijn blog van 21 november 2007 en ook mijn blog van 21 november 2008. Marilyn French overleed op 2 mei van dit jaar op 79-jarige leeftijd.
Uit: De minnaar (Vertaald door Jeanette Bos)
“Henry nam een slok en minachting verdreef al zijn gedachten. Hij staarde naar Hawkes en wist dat het hem goed afging, dat zijn gezicht zijn gevoelens nooit verried, dat Hawkes dacht dat Henry geïmponeerd was en ingespannen luisterde om tussen de regels Hawkes’ geheim te zoeken. Henry voelde zich net een zalm die per ongeluk naar een zee vol haaien was gezwommen en alleen in leven was gebleven door zijn slimheid, door zich listig zozeer als de andere haaien te gedragen dat ze hem voor een van hen hielden. En hij had het overleefd. Maar toch, dacht hij terwijl hij Hawkes mond en wenkbrauwen zag bewegen maar geen woord hoorde, was er een probleem. Hij was een zalm, door de natuur voor iets beters bestemd, gezegend met het vermogen een heldhaftige prestatie te leveren en tegen de stroom op te tornen, de rivier op te zwemmen naar de bron om zijn eieren te leggen. Of deden alleen de vrouwtjes dat? Zwomme mannetjeszalmen ook stroomopwaarts? Hoe dan ook, hij had dat vermogen, dat iets in zich, maar kon er niets meer doen.”

De Nederlandse schrijfster Margriet de Moor werd als Margaretha Maria Antonetta Neefjes op 21 november 1941 in Noordwijk geboren. Zie ook mijn blog van 21 november 2008.
Uit: Witte Liefde
‘Op officiële recepties van de gouverneur luister ik naar iemand. Dan merk ik ineens dat ik alleen nog maar het gelijkmatige roezemoezen in de ruimte hoor, de sprekersstem is veranderd in een klank, een motorboot, een wiekslag. Mijn voeten raken los van de grond, mijn hoofd zweeft enkele millimeters boven mijn nek en kantelt langzaam als een poppenhoofd naar alle kanten, wat niemand merkt. Het is een aangenaam gevoel, niets betekent meer iets, niets hoeft. Het is wegglijden in de beslotenheid van mijn eigen gedachten. Mij is wel eens gezegd dat ik op zo’n moment bijna devoot kijk, misschien moet je het bête noemen. Maar als ik zo ben, niks versta van wat ze zeggen, dan ben ik eigenlijk tevreden, dan weet ik dat er nog een wereld bestaat buiten die pratende monden, die patio, die receptie waar ik elegant hangend aan Rudi’s arm de mensen begroet en iedereen iedereens avondjurken met de exact bijpassende juwelen, tasjes en schoenen bewondert.’
(…)
“Hij staat op van het plankier, mijn kant zakt wat naar beneden, hij loopt een eindje weg, steekt zijn hand op en zwaait nog als hij van me af loopt. Bij de lichtblauwe Chrysler draait hij zich naar me om en lacht. Als hij wegrijdt, maakt de motor een lekker licht, ronkend geluid. Van de pomp, een meter of tien naast de ijskiosk, komt de geur van verse benzine gedreven, ik hoor het belletje en het zoemen van de meter.'

De Oostenrijkse schrijfster en vertaalster Veza Canetti werd als Venetiana Taubner-Calderon geboren op 21 november 1897 in Wenen. Zie ook mijn blog van 21 november 2008.
Uit: Die Schildkröten
“Diese vielen Braunhemden in der Allee! Er steigt in den Garten wie ein Mensch, der nicht mehr hier wohnt. Der hier fremd ist und kein Recht hat. Zum ersten Mal war er unsicher in diesem Haus, obwohl doch eben die Frau, der es gehört, sich freundlich gezeigt hat, fast mit einer Miene, als beschütze sie ihn. Sie ist sonst klar im Kopf und gar nicht weich. Südtirol hat er ihr versprochen, sie tat ihm leid. Mein Gott, wie klein sind ihre Schmerzen, und seine haben in dem Garten nicht Platz. Man muß weglaufen, wenn auch mitten hinein in die braune Rotte. Denn, wenn man nicht läuft, bricht man zusammen. Nur nicht die Haltung verlieren. Schwer, sie zu bewahren, wenn man den Berg hinunterrast, mit großen Schritten ins Dorf hineinläuft.
(...)
Die Schildkröte lebt in einem harten Panzer, aber er wird ihr geraubt, weil er so schön ist, er schützt sie nicht und sie bleibt nackt.
Ihr Geheimnis ist Gleichmut. Sie lebt von nichts, von Luft, von Blättern, sie läßt sich zerschneiden, zerstückeln, zerreißen, und sie lebt weiter, stumm und schwer. Aber sie braucht Wärme.
Ohne Wärme muß sie sterben.
Erspäht sie der Geier, muß sie sterben. Er trägt sie hoch in die Luft, in seinen grausamen Krallen, und läßt sie am Felsen zerschmettern. Jetzt ist ihr Fleisch sein Fleisch, jetzt verzehrt er ihr Fleisch.
Erspäht sie der Tiger, muß sie sterben. Er legt sie um und nun ist sie verloren. Er zerfetzt sie und verzehrt ihr Fleisch. Er rast um sich und in wilder Kraft legt er alle um, alle, die er findet. Er läßt sie auf dem Rücken liegen und die Schildkröte auf dem Rücken muß verhungern. Es sei denn, es erspäht sie der Mensch. Er bewundert ihren Panzer, er glänzt so schön. Der Mensch bringt das Tier zum Glühen, damit der Panzer sich löst und sein Wunsch sich erfüllt. Ist es denn ein großer Wunsch? Der Mensch ist behutsam, er sieht bald, daß das Feuer den Glanz vermindert. Er wirft das Tier doch lieber in siedendes Wasser, damit der Panzer keinen Schaden nimmt. Das Gehäuse ist gerettet und das Tier kriecht todwund davon.“

Met haar echtgenoot Elias Canetti
De Britse schrijfster Freya North werd geboren op 21 november 1967 in Londen. Zie ook mijn blog van 21 november 2008.
Uit: Pillow Talk
“By day, Petra Flint is a talented jeweller working in a lively London studio. By night, she sleepwalks. She has 40 carats of the world’s rarest gemstone under her mattress but it’s the skeletons in her closet that make it difficult for her to rest. The insomniac. At one time a promising song-writer, Arlo Savidge now teaches music at a boys’ boarding school in North Yorkshire. He assumes he’s happy with his isolated lifestyle. But, like Petra, ghosts from his past disturb his sleep. Putting the past to bed. Petra and Arlo loved each other from afar during their schooldays. Now, seventeen years later, in a tiny sweetshop one rainy day, they stand before each other once more. Could this be their second chance?”






