Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 28 augustus 2017

Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner

 

Dolce far niente

 

 2068047-818d1ad6ba0ce0e6b7cadb3364f0bdfa.jpg
De rozentuin in Wargemont door Pierre Auguste Renoir, 1879

 

Sommerbild

Ich sah des Sommers letzte Rose stehen,
Sie war, als ob sie bluten könnte, rot
Da sprach ich schaudernd im Vorübergehen:
So weit im Leben, ist zu nah dem Tod!

Es regte sich kein Hauch am heißen Tag,
Nur leise strich ein weißer Schmetterling;
Doch, ob auch kaum die Luft sein Flügelschlag
bewegte, sie empfand es und verging.

 

 2068047-812a3275e6558b07f44884290d18ed84.jpg
Friedrich Hebbel (18 maart 1813 - 13 december 1863)
Wesselburen, de geboorteplaats van Friedrich Hebbel

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

 

Dank des Sängers

Von Sängern hat man viel erzählt,
Die in ein Schloß gekommen,
Wo nichts ermangelt, nichts gefehlt,
Sie haben Platz genommen.
Doch war wo, irgendwo ein Platz,
Vergleichbar diesem Brüderschatz,
Wo auch ich Platz genommen?

Ihr fraget nicht, woher ich sei,
Wir alle sind von oben;
Doch singend wird der Freie frei
Und darf die Brüder loben.
Die Brust entlöse der Gesang!
Was außen eng, was außen bang,
Uns macht es nicht beklommen.

So hab ich euch denn schon den Dank,
Den ich gedacht, erwiesen
Und euch mit Tönen rein und schlank
Als Würdige gepriesen.
Was bleibet übrig als der Schall,
Den wir so gerne hören,
Wenn überall, allüberall
Im stillen wir uns vermehren.

 

 

Die Liebende schreibt

Ein Blick von deinen Augen in die meinen,
Ein Kuß von deinem Mund auf meinem Munde –
Wer davon hat, wie ich, gewisse Kunde,
Mag dem was anders wohl erfreulich scheinen?

Entfernt von dir, entfremdet von den Meinen,
Führ ich stets die Gedanken in die Runde,
Und immer treffen sie auf jene Stunde,
Die einzige; da fang ich an zu weinen.

Die Träne trocknet wieder unversehens:
Er liebt ja, denk ich, her in diese Stille –
Und solltest du nicht in die Ferne reichen?

Vernimm das Lispeln dieses Liebewehens;
Mein einzig Glück auf Erden ist dein Wille,
Dein freundlicher zu mir – gib mir ein Zeichen!

 

 

Die Lustigen von Weimar

Donnerstag nach Belvedere,
Freitag gehts nach Jena fort;
Denn das ist, bei meiner Ehre,
Doch ein allerliebster Ort!
Samstag ists, worauf wir zielen,
Sonntag rutscht man auf das Land;
Zwätzen, Burgau, Schneidemühlen
Sind uns alle wohlbekannt.

Montag reizet uns die Bühne;
Dienstag schleicht dann auch vorbei,
Doch er bringt zu stiller Sühne
Ein Rapuschchen frank und frei.
Mittwoch fehlt es nicht an Rührung,
Denn es gibt ein gutes Stück;
Donnerstag lenkt die Verführung
Uns nach Belveder’ zurück.

Und es schlingt ununterbrochen
Immer sich der Freudenkreis
Durch die zweiundfunfzig Wochen,
Wenn mans recht zu führen weiß.
Spiel und Tanz, Gespräch, Theater,
Sie erfrischen unser Blut;
Laßt den Wienern ihren Prater;
Weimar, Jena, da ists gut!

 

 2068047-81845e2a11d7967dd02a3ad8859ec3b4.jpg
Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)
Kamer in het Goethehaus in Weimar

 

 

De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas werd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Maria Barnas op dit blog.

Uit: Altijd Augustus

“Mijn voeten zijn zwaar van het fijne zand in mijn schoenen. Ik klim in een scheve eik. De wind blaast het haar uit mijn gezicht en jaagt wolken door mijn hoofd.
Vanaf hier zie ik net een streep grauw water. Dit is het grijzen van een storm die kracht verzamelt op zee. De wolken sluiten zich aaneen.
Aan een lange stok snijd ik een punt. Ik gebruik het zakmes van mijn vader.
Van je afsnijden, Augustus.
Mijn moeder denkt dat hij terugkomt.
Redenen om niet terug te komen:
– Ik weet niet hoe.
– Dit niet weten is de enige vorm van vrijheid die ik heb.
– Als ik deze vrijheid opgeef, heb ik helemaal niets meer.
Redenen om wel terug te komen:
– Ik mis je.
Dat is drie tegen een. Een duidelijke zaak. Ik heb de redenen opgedreund, alsof ik ze zelf had verzonnen.
‘Omdatomdatomdat,’ zei ik erbij, omdat het eigenlijk ook niet uitmaakt wat iemand allemaal bedenkt zolang hij liever ergens anders is. Mijn moeder keek me aan alsof ik degene ben die haar kwetst. Omdat de woorden die waar zijn uit mijn mond schieten.
Mijn vader bokst met korte, springende pasjes en met ferme uithalen tegen de lucht. Hij is de enige die weet waartegen hij stoten uitdeelt.
De woorden uit mijn mond zijn niet tegen te houden. Ze zijn fel als de luchtboksende vuisten van mijn vader.”

 2068047-d546f59a9435ecc754b76d94f32f0553.jpeg
Maria Barnas (Hoorn, 28 augustus 1973)

 

 

De Nederlandse schrijver A. Moonen, (spreek uit: 'a-punt-moonen') werd geboren in Rotterdam op 28 augustus 1937. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor A. Moonen op dit blog.

Uit: Eigen weg

“Allereerst een prille zaterdagochtendsfeer van de negentiende september jongstleden, waargenomen vanuit de wegens rotting en vochtuitslag door vaklieden behandelde tuinkamer waarbinnen de bovenapostel traag ongeveer een maand terug witachtig behangsel en als vloerbedekking parketkleurig zeil heeft aangebracht tegen een tientje per uur arbeidsloon, zwart verdiend uiteraard, al vroeg ik wel gemakshalve zijn sofinummer. Een goeie therapie voor iemand die liefst levenslang (hij werd onlangs 28) in de ziektewet toeft, trommelend en evangeliserend almaar meer zijn caboverdiaanse afkomst ontvliedend, vernederlandst als de pest, kanker, drassigheid, regenval, windhozen plus verder door de duivel aangereikte levensvreugde. Net als de Amerikaanse jongeren wordt hij ondersteund via door de Riagg verstrekte Prozac-tabletten. Doch versta mij wel: we blijven vriendelijke buren, hebben heel wat voor elkander over, hoe uiteenlopend onze karakters ook mogen zijn, al had ik liever te maken met een primitieve neger boven m'n kop wonend, eentje die bij elke gelegenheid z'n paardenzwengel aan mij vertoonde, zonder omhaal, onvervaard, zo besteed aan een vrijgezel van mijn slag. Maar ik dwaal af; ik zou de naaste omgeving beschrijven. Wel, naar buiten spiedend omtrent halftien in de ochtend, merkt de zich gaandeweg deze mooie teringzomer hersteld hebbende hoofdpersoon van deze dikke roman in wording trage regenval boven nauwelijks bewegend nog groen vol gebladerte, verneemt hij wc-gespoel van één- of tweehoog, een kleuterstem door claxon heen, watervalachtig rioleringsgekletter op binnenplaats, ziet slVoor verdere natuurbeschrijvingen sleept u maar enkele muffe streekromans onder uw keurige nest vandaan.
In de verdere loop der dag zal de serene stilte wel overstemd worden door bovenal een zwarte groeperingskliek met vetspekkig overzees oerwouddialect, vermoedelijk afkomstig uit Senegal en omstreken, een niet door mij thuis te brengen kreetlachtaaltje door voornamelijk manspersonen, soms begeleid via geboor en gehamer hunnerwege of andere buurtbevuilers, waar ik tijdens ‘genezingsproces’ de ganse zomer nogal nerveus - tegen overspanning aan - door raakte en slechts een ondernomen fietstocht bij schaars zonnig weertype afweer aan kon bewerkstelligen.”echts vitrages of gesloten gordijnen en nergens een levend wezen, kortom: de zomer lijkt over te willen gaan in herfsttooi.

 

 2068047-e8dcf4fb36943b7f365044d95357b338.jpg
A. Moonen (28 augustus 1937 – 24 januari 2007)
Rotterdam, Hogendorpsplein, op een oude, ingekleurde, foto

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, letterkundige en literatuurcriticus Cornelis Jan (Cees) Kelk werd geboren in Amsterdam op 28 augustus 1901. Zie ook alle tags voor C. J. Kelk op dit blog.

Uit: Vriendschap van Roland Holst

“Toen ik nog heel jong was, hing voor mij de naam A. Roland Holst samen met iets ongenaakbaar hoogs. Ik had hem nooit gezien en zelfs geen portret van hem aanschouwd, want hij scheen die nooit aan de pers te verstrekken. Hij was een geheimzinnige onbekende van wie alleen gedichten openbaar waren gemaakt. En die gedichten deden in een tijd toen bij voorbeeld C.S. Adama van Scheltema bij velen geliefd was, ongewoon verheven aan. Een verhevenheid die afzijdig scheen in de ogen van een jongeman die zich was gaan thuisvoelen in de kring van ‘Het Getij’, waar vooral een Herman van den Bergh zozeer domineerde dat men al het andere ervoor vergat. M. Nijhoff met zijn duidelijk aansprekende poëzie was van de iets ouderen de enige die ook tot deze kring doordrong. Eigenlijk is het verwonderlijk dat Roland Holst erin had toegestemd een paar van zijn gedichten uit ‘De Gids’ van 1917-'18 te doen opnemen in de bloemlezing van 1919 ‘De Jongeren’, door Ernst Groenevelt samengesteld uit Getij-poëzie, want hij was de enige die daartoe niet had behoord. Hij liet er dan ook met ‘Dit eiland’ en ‘Het eiland der beminden’ (later opgenomen in ‘Voorbij de wegen’) een volkomen ander geluid horen, maar door deze lichte vorm van toenadering werd toch de weg gebaand naar een beter begrip van zijn dichterschap dat nu een reëler betekenis kreeg.
Toch was er voorlopig nog geen sprake van persoonlijk contact met de man die zijn vrienden vond onder zijn eigen tijdgenoten, Bloem, Van Eyck, Jan Prins, Greshoff, Nijhoff en wie ik nog vergeten mocht hebben. Roland Holst heeft hen allen zien sterven, heel zijn generatie, ook Van Genderen Stort, Gossaert, Keuls, Pauwels, De Haan, Besnard, Werumeus Buning en zovele anderen. Een eenzame zou hij daardoor geworden zijn. In mijn jeugd al maakte hij die indruk, wanneer ik hem een enkele maal ontmoette in het steeds intenser literair gezelschapsleven dat zich in die dagen ontwikkelde en dat, naar ik verwacht, iedere generatie opnieuw beleeft.
Roland Holst werd vermaard doordat hij, die zich niet met een gezin omringde, in twee fracties zijn eenzaamheid deelde: met oude vriendschappen, met nieuwe liefden. Toch werd hij niet als bij uitstek ‘de liefdesdichter’ gebrandmerkt; daarvoor was zijn poëzie te zeer doorweven met motieven uit de mythe van een mensheid die zich meer en meer van vrijheid en frankheid had verwijderd en die voortekenen vertoonde van ondergang.”

 

 2068047-b50ac6a98fc5d96d2b64d5ca5cea069c.jpg
C. J. Kelk (28 augustus 1901 – 25 december 1981)
Hier (rechts) in gesprek met koningin Juliana en prins Bernhard tijdens de boekenweek van 1962

 

 

De Australische dichter Frederick Kesner III werd geboren op 28 augustus 1967 in Manilla op de Filippijnen Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frederick Kesner op dit blog.

 

Only Your Bff Would Understand

paisley print
sunflower smile
sat alongside
a leopard that ate parsley
paw in hand
waiting on the sand
for flying fish
to skip upon
cobalt banners
as lazy breezes
pan fluted recollections
of this Iberian summer

 

 

Old Rose

Steely, piercing gaze
steady and calculated
scorn-etched lips pout
scathed grains discolour

pearly teeth bared
proudly held chin gloats
pencilled thoughts
permanently carve the soul

crafty words sliver
carefully orchestrated chaos
cornering all resolution
creased yesterdays wither

 

 

Fading Summers

under the deck boards
sunlight filters on many
expeditions yet to start
and around the corner
a salivating dog guards
the entry way between
a dense hedge of green

 

 2068047-4ef262cf267174ab376572bf448cac04.jpg
Frederick Kesner (Manilla, 28 augustus 1967)
Manilla

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e augustus ook mijn blog van 28 augustus 2016 deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:03 Reageer op dit bericht

Harro Harring

De Duitse dichter, schilder en revolutionair Harro Paul Harring werd geboren op 28 augustus 1798 op de Ibenshof in Wobbenbüll in Noord-Friesland, Hij was de jongste zoon van boer Harro Wilhelm Martens en zijn vrouw Margarethe Dorothea Sievers. Zijn vader werd later dijkmeester. Hij stierf in 1810, zodat Harro een halfwees werd. Bij het douanekantoor in Husum werd hij eerst tot klerk opgeleid.. Rond 1817 ontstond het verlangen om schilder te worden en ging hij studeren aan de kunstacademie in Kopenhagen en Dresden. Daar leerde hij Johan Christian Dahl kennen waarmee een vriendschap ontstond. Door contacten met de radicale vleugel van de Duitse studentenbond werd hij blijvend beïnvloed in zijn politieke denken. In 1819 werd hij lid van de Alte Dresdener Burschenschaft/Concordia. Hij was ook korte tijd lid van de Vrijmetselaarsloge Apollo in Leipzig. In 1820 bracht hij twee maanden door in Wenen, vervolgens ging hij naar Kopenhagen. In 1821 trad hij toe tot het Philhelleense Legioen en wilde deelnemen aan de Griekse strijd voor vrijheid tegen de Turken. In januari 1822 voer hij per schip vanuit Marseille naar Griekenland. Teleurgesteld vanwege de passiviteit van de Grieken, ging hij naar Italië en kwam hij in contact met de Duitse kunstenaarskolonie in Rome. Na een ontmoeting met de Engelse dichter Lord Byron probeerde Harring in München, waar hij van eind 1822 tot 1826 leefde, een ​​burgerlijk bestaan ​​op te bouwen en schreef hij drama's voor het theater. Hij werkte vervolgens van 1826 tot 1827 als dramaturg in Wenen en werd uiteindelijk als demagoog door de regering Metternich verbannen. Toen de bevrijding van de Griekse vrijheidsstrijder Ypsilanti uit de kleine vesting Theresienstadt niet lukte, vluchtte hij naar München, waar hij Heinrich Heine en de Vormärzpoliticus Georg Fein ontmoette, met wie hij later bevriend raakte. In de jaren 1828-1830 diende Harring als officier in een Russisch regiment in Warschau. Hij werd een "professionele revolutionair", die o.a. deelnam aan de juli-revolutie van 1830 in Leipzig en Brunswick. Met krantenbijdragen, pamfletten, gedichten en romans voerde hij campagne voor onderdrukte volken. Zijn geschriften waren gedeeltelijk verboden en hij zelf werd meerdere malen gearresteerd en verbannen. Het idee om de mensen te bevrijden van hun afhankelijkheid werd een idee fixe. Harring reisde in 1840 naar Rio de Janeiro en voerde campagne voor de bevrijding van de slaven. Als medestrijder van Giuseppe Garibaldi wilde hij ook de oprichting van de Verenigde Staten van Zuid-Amerika realiseren. In 1843 vestigde hij zich als schrijver en schilder in New York. Bij het nieuws van het uitbreken van de Maartrevolutie in 1848 in Duitsland keerde hij terug naar Europa. Een van de hoogtepunten in zijn leven was zijn toespraak tot de Noord-Friezen op de Bredstedter markt op 23 juli 1848. Hij probeerde vergeefs een ​​Noord-Friese Vrijstaat uit te roepen; sinds 2016 herdenkt een "tijdvenster" op het marktplein in Bredstedt deze gebeurtenis. In Rendsburg was hij verantwoordelijk redacteur van de democratisch-republikeinse krant Das Volk. De laatste jaren van zijn leven bracht hij in volledige armoede en isolement door op het kanaaleiland Jersey. Hij was ziek en leed aan paranoia. Op de leeftijd van 71 jaar maakt hij zelf een einde aan zijn leven.

Uit: Die Schwarzen von Giessen, oder der Deutsche Bund

„Trägt er das eiserne Kreuz?" fragte Laura rasch, indem sie nachsinnend stehen blieb. „Darnach habe ich noch nicht gesehen, aber es wäre mir doch schon in die Augen gefallen, wenn er es an sich hätte," meinte die Alte. „Bitte, Frau Garda! Sie müssen sich umkleiden" — fuhr Laura zu ihrer Erzieherin fort. „Sie müssen den Fremden empfangen — ich bin begierig, zu wissen, wer das seyn mag." Nicht unangenehm beschäftigt durch diesen Besuch in ihrer ländlichen Einsamkeit, eilten die Damen auf ihre Zimmer. Es war keine halbe Stunde vergangen, als ein alter Diener, ebenfalls eine Erscheinung aus dem vorigen Jahrhundert zu dem Unbekannten ins Fremdenzimmer trat und ihn ersuchte, sich zur Frau Garda in das Visitenzimmer zu verfügen. In den Willen des Schicksals ergeben, dem sich der Flüchtling unbedingt anheimgestellt, folgte er der verschossenen Livré an besagten Ort. > Die Frau Garda, welche das Benehmen einer Dame vom Stande seit länger als funfzig Jahren an vorzüglichen Vorbildern im Gouvernantenleben studiert hatte, blieb vornehm in der Mitte des Zimmers stehen, als der Gast die Schwelle betrat und sich kaum merklich verbeugend, (denn sein Nacken war dieser Bewegung entwöhnt,) mit bescheidenem Gruße zu erkennen gab: „Ich hatte die Ehre, unter dem Befehl des Herrn Obristen meinen ersten Feldzug zu bestehen; damals war der Herr Obrist noch Hauptmann und führte die Copragnie." „Es wird dem Herrn Obristen recht sehr angenehm seyn, Sie so unerwartet auf Urstein zu sehen," erwiederte die Frau Garda, indem sie nicht ohne Grazie einen Wink zum Sitzen gab, und das Canapee einnahm. „Sie stehen vielleicht noch in Diensten —? Darf ich bitten — welche Charge führen Sie?" Der Schwarze schüttelte seine langen Locken, die füglich schon im Voraus jene Frage verneinten. „Meine Charge ist keine militärische," war die Antwort. „Ich war Gemeiner aus freiem Willen, Madam! und ward Officier, als die Kugel um mich her das Avacement beförderte."
„Gemeiner!" entgegnete die Frau Garda lang, sam, und betrachtete das Antlitz des Unbekanten um so aufmerksamer, indem sie keine Spur von Gemeinheit in seinen großartigen Zügen fand. ,Mon Dieu!" begann sie nach kurzer Betrachtung — „Es ist zwar kein Compliment, wenn man Jemanden sagt, schon irgendwo eine seltsame Aehnlichkeit seiner Physiognomie gesehen zu haben — allein, jedoch — Verzeihen Sie mir die Behauptung — es ist mir durchaus, als wären Mir Ihre Züge nicht unbekannt —" „Es giebt der menschlichen Gesichter in großer Auswahl, Madam, und daher ist es gar leicht möglich, daß ein Duplikat meines Angesichts irgendwo vorhanden." Frau Garda wurde immer mehr nachdenkend und konnte nicht länger umhin, sich über das strenge Incognito des Fremden mit dem Fräulein zu berathen, worauf sie die Existenz der Tochter vom Hause (wie sie sie nannte) berührte, und um die Erlaubniß bat, dieselbe zu dem Emgfange des Ankömmlings herzuführen.“

 

 2100415-0f403f2980f5a4d725ac1e1ad89867dc.jpg
Harro Harring (28 augustus 1798 – 15 mei 1870)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten