Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 20 mei 2017

Tommy Wieringa, Auke Hulst, Ellen Deckwitz, Jeroen Thijssen, Maurits de Bruijn, Gerrit Achterberg, Annie M.G. Schmidt, Sky du Mont

De Nederlandse schrijver Tommy Wieringa werd geboren in Goor op 20 mei 1967. Zie ook alle tags voor Tommy Wieringa op dit blog.

Uit:Vrouwen van de wereld

“Er is niet veel voor nodig om de studente Yvonne tot ontboezemingen te verleiden. Eén maaltijd is genoeg.
Nog voor de cognac weet ik dat ze een paar weken het liefje is geweest van de acteur B. Hij is beroemd, ik heb films gezien waarin hij schitterde als schurk. Yvonne werkte in een artiestencafé waar hij geregeld kwam toen hij in een stuk van Schiller speelde met het Berliner Ensemble. Eerst vond ze hem een onuitstaanbare klootzak, maar later begreep ze dat dat het begin van de aantrekkingskracht was geweest. Op een avond, de lichten waren al aan, had hij gezegd dat ze een geweldige kont had.
Buiten hadden ze gekust, ze was meegegaan naar zijn hotelkamer. Dit was ze blijven doen gedurende de looptijd van het stuk.
Ik ben zeer geïnteresseerd in de erotische omgang van jonge vrouwen en oudere, vaak succesvolle man­nen. Ik wil weten hoe het zit, waar op de loopplank ze elkaar ontmoeten. Yvonne is een buitengewone bron.
Het eerste wat de acteur deed als ze samen waren op zijn kamer, was zich ontkleden en een douche nemen. Elke avond opnieuw. Ze spreekt met vertedering over zijn buikje. ‘Het paste bij hem,’ zegt ze. Zijn geslacht noemt ze ‘hardachtig’. Ook al sliepen ze naakt, ze wa­ren niet met elkaar naar bed geweest. In de roddelbla­den heeft Yvonne foto’s gezien van hem en zijn tweede vrouw. ‘Ze is maar iets ouder dan ik,’ zegt ze. ‘Ze lijkt op mij.
Later die avond, in café Le Bateau Ivre, gaat het ge­sprek over op de achttienjarige jongen op wie Yvonne nu haar oog heeft laten vallen. ‘Zo’n mooi lichaam,’ zegt ze. ‘Een rugbyer.’
Een steek van jaloezie, die me verbaast. Pas later begrijp ik het. Het was niet dat ik Yvonne bijzonder begeerde, al had de acteur gelijk over haar kont. Niet naar haar ging mijn verlangen uit, maar naar iets anders. Ik had zonder jaloezie geluisterd naar de geschiedenis met de beroemde acteur, de wringing volgde pas op haar verzuchting over de schoonheid van de jongeman. Ik was overvallen door de begeerte een achttienjarig lichaam te zijn. Ik bevind me ergens tussen de jonge rugbyer en de oude acteur in.”

 2038310-cd85e766f56e8e7637d74c1c3764f6f8.JPG
Tommy Wieringa (Goor, 20 mei 1967)

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist en muzikant Auke Hulst werd geboren in Hoogezand-Sappemeer, op 20 mei 1975. Zie ook alle tags voor Auke Hulst op dit blog.

Uit: En ik herinner me Titus Broederland

“Dat huis is op zichzelf, zeiden de mensen van het dorp – ze zeiden zoveel en wisten zo weinig. De woning, een scheefgezakt geval van hout en steen, lag verscholen in een bos, aan het eind van een kronkelpad dat wemelde van de losgewoelde keien. Meestal scheen de zon, maar het loof rond ons huis was zo dicht dat er een dromerige sluier hing van zwak, groen licht. Een beek diende als drinkbak voor de paarden, aan een boom hingen halsters en een tuig, een handkar was door zijn as gezakt en overwoekerd geraakt door wilde wingerd. Alles stond wankel op de benen, leek het wel, de dieren en de dingen. Maar wij zagen verhalen.
Als ik nu mijn ogen sluit, zie ik ons weer, met mantels van handdoeken om, zwaaiend met zwaarden van takken. Jochies nog. We duelleerden – meer dans dan strijd – en doorboorden struiken die indringers verbeeldden. De handkar werd ons roversschip. Titus tuurde door een opgerold bokkeblaadje, ik wierp rotte appels naar de paarden, op mijn hoofd een roestig steelpannetje. De appels ontploften en de paarden zonken. Dit was ons land, ons rijk. En ja, ook dat van vader, al vond Titus van niet. We hadden er zelfs een geheime naam voor, die ik sindsdien nooit meer in de mond heb genomen. Hier leefden we, op een plek die we tot op de laatste grasspriet kenden, in de vrijheid van verbanning, afgeschermd van een wereld die schande sprak van Titus en mij, omdat de een de echo was van de ander, even oud, met dezelfde blik en – zo luidde de mythe – een gedeelde, zwarte ziel. Duivelskinderen. We lachten om dat woord. En stiekem koesterden we het.
Ik denk dat we ons er altijd bewust van zijn geweest dat we anders waren, juist door onze sterke gelijkenis. Die hadden we immers nooit bij anderen gezien. Hoe het was om zonder evenbeeld te zijn, konden we ons maar moeilijk indenken. Was dat de ware eenzaamheid? Vader, bijvoorbeeld, had drie jongere broers die in niks op hem leken en niks van hem wilden weten. Die hebben we misschien twee keer in ons leven gezien – ze bleven beide keren kort en gingen niet eens zitten. ‘Het is wel mijn bloed,’ zei vader, toen ze weer vertrokken waren. Wij keken elkaar aan. Werkelijk? Het leek alsof ze de hele tijd langs elkaar heen hadden gepraat. Wildvreemden.

 

 2038310-bdc84e76ed8e2b73ae558d4c9c4e49d6.jpg
Auke Hulst (Hoogezand-Sappemeer, 20 mei 1975)

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Deckwitz werd geboren op 20 mei 1982 in Deventer. Zie ook alle tags voor Ellen Deckwitz op dit blog.

 

Over huiden

Het heeft iets sinisters, de cremes
die in haar zinken. Het zonlicht

dat er sproeten op batikt
en de rimpels laat uitbreken. Hoe

ze luchtjes bewaart die ik liever vergat,
zijn geur af en toe nog sluimert

tussen mijn spleten. Soms herinner ik me
de eerste keer, de handen

op mijn blote rug, hoe de vingertoppen
wel inductieplaten leken. Van elke porie

een mondje maakten, happend naar meer,
tot we verweerden. Ik trok weg van het bed,

van alle beloftes, de uren vergeefs.
Slechts gekleed in mijn huid wandelde ik

richting de tuin. Ik hoorde hem huilen
naar mij. Het vel zette de zon al om

in vitaminen. Maakte met iedere stap de botten
sterker, de tanden harder.

 

 

Vlies

Ze zeiden dat ons hoofd niet meer is
dan een knokenkap. Een thuis
waarin het spookt.
.
Maar in de hoek lag iets. We tilden het op
en ontdeden het van zijn vlies. Het was teer nog
maar het ademde,
.
het begreep hoe we spartelden.
.
Laat onze handen maar neerdalen.
De vingers zullen zich hoe dan ook spreiden
in een majeurakkoord. Op deze polsen
.
zitten geen wonden maar stukjes weefsel
in de vorm van landen waarvan we weten
dat ze bestaan.

 

 2038310-3419ae3f153d3349293a0d615ca9b5bb.png
Ellen Deckwitz (Deventer, 20 mei 1982)

 

 

De Nederlandse schrijver Jeroen Thijssen werd geboren op 20 mei 1959 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Jeroen Thijssen op dit blog.

Uit: Hazer

“Gedurende de dag gleed het zonlicht in onregelmatig veranderende vlakken van links naar rechts door de tuin. Het streelde de stam van de Japanse kers, die in de lente met zijn roze blaadjes de bodem bedekte. Het blikkerde op de overliggende muur, op de paar plekken waar het witsel nog niet van de bak-stenen was verweerd. Het verdween, steeds roder kleurend, verticaal langs de muur van het achterpand, alsof het licht een ladder besteeg. Rogi kon er uren naar kijken. Bij de tuin hoorde een ouder echtpaar dat door het jaar heen in de verglij-dende plekken zonlicht onduidelijke werkzaamheden verrichtte. Zodra de avonden zacht genoeg waren streken zij neer op het kleine terras, dat het laatste zonlicht ving, dronken thee, dronken koffie, namen het avondeten mee naar buiten en zaten daar soms tot diep in de nacht met vrienden en wijn, het terras met kaarsen afgezoomd. Rogi verbaasde zich over hun onverstoorbaarheid. Het was alsof ze hem niet zagen zitten achter zijn raam. Van een architect had hij ooit gehoord dat ramen semitransparant zijn, dat het interieur alleen zichtbaar wordt als er in de kamer licht brandt, dus misschien zagen zij hem werkelijk niet. Hij sloot de gordijnen voor hij de lamp aandeed, om ze niet te storen. Hopelijk hadden zijn ouders het in Doonkelly net zo goed.
Zijn kamer was de mooiste van het pand. Het had moeite gekost om hem te vinden. De kleineadvertentiekolommen van het Haarlems Dagblad stonden vol oproepen om betaalbare woonruimte, soms schrijnende van ouders met kinderen, meestal van jongeren die studeerden of jongeren die werkten en genoeg hadden van het leven thuis. Het aanbod beperkte zich tot apparte-menten van achthonderd gulden per maand of meer, 'alleen dames reageren. `Boven de winkels staat alles leeg: verzuchtte Marnix, een klasgenoot die niet op kamers moest maar wel graag het huis uit wilde. 'Het is een schande: Eenmaal werd Rogier op gesprek gevraagd in een studentenhuis dat met cooptatie werkte, maar hij lag niet goed bij de hts'ers die er woonden en zij lagen niet goed bij hem. Het afmeldtelefoontje was een opluchting.
Via via hoorde hij van de Hazer.

 

 2038310-abd0301aa347d13e4a920f957b7a272c.jpg
Jeroen Thijssen (Haarlem, 20 mei 1959)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Maurits de Bruijn werd geboren op 20 mei 1984 in Delft. Zie ook alle tags voor Maurits de Bruijn op dit blog.

Uit: Broer

“Er moet een zekere rust zijn die ik niet bezit. Om een taal te leren, om een dag alleen te zijn, om lief te kunnen hebben.
De man naast me leest de krant, eet een verbrande tosti. Hij kleedt zich als een gepensioneerde aardrijkskundeleraar: een beige ribbroek en een flanellen overhemd, rode leesbril van de Hema. Ik bedenk dat ik met hem getrouwd ben, dat we zwijgend aan onze keukentafel zitten terwijl hij de krant leest.
De man probeert mijn blik te vangen en schuift me zijn chocolaatje toe. Is dit huwelijk dan toch nog te redden? Is mijn man een diabetespatiënt? Ik besluit te wachten met het eten van de chocolade tot hij weggaat. Naar de badkamer om zich te douchen. De slang lekt, ik had een nieuwe moeten kopen. Zijn chocolaatje is lekkerder dan die van mij. Zonder nootjes. De krant is dichtgeslagen. Altijd leest hij de krant en vertelt op belerende toon over wat er vandaag is gebeurd. Ik ben met een linkse oude lul getrouwd. Ik en mijn slechte huwelijk zitten in het café.
De eerste en de laatste sigaret bevallen niet, zo werkt dat. Ik zeg nee als een stelletje vraagt of de stoel naast me vrij is. In mijn gedachten zeg ik sorry. Ik heb het nagelaten je te missen. Ik had je de stoel aangeboden als je het café binnen was gelopen, dat weet ik zeker. Jij bent iemand die zo binnen kan komen lopen.
Toen je niet kwam, Broer, ben ik naar huis gegaan. Ik heb niet meer gewacht tot mijn man terugkwam uit de badkamer, dat kan lang duren bij oudere mannen. Ik ging naar mijn drie slaapkamers, de grote gang, de kleinere. De badkamer die ook op een gang lijkt. De keuken met huidkleurige kastjes en tegels die ik niet heb uitgekozen. Ik denk aan de beloftes die ik dit huis heb gedaan. Er is hier veel stuk. Het stuken van het muurtje in de gang gebeurt niet. Ik weet niet of ik lui ben of van gebreken houd.”

 

 2038310-2aff2a8b367ec8e06b3fa86205ee0463.jpg
Maurits de Bruijn (Delft, 20 mei 1984)

 

 

De Nederlandse dichter Gerrit Achterberg werd geboren in Nederlangbroek op 20 mei 1905. Zie ook alle tags voor Gerrit Achterberg op dit blog.

 

Maria

Toen ik ingeslapen was
in zonneglas, in zonneglas,
waarvan de kamer was -
een ongeboren diamant
van glinstervliezen, ingekeken
door ongestoorde moederogen -
heb ik haar lichaam weergezien:
een licht met het vermogen
Te kunnen worden kind of ster
en nu ik me heb bewogen
moet er een droom geboren zijn
waarvoor een koning ligt gebogen.

 

 

Achtergebleven

Ze lachte traag, haar lach weende beneden
en aan de onderzijde blonk de dood.
Zij was hier tusschen ingegaan, vervreemdde
meer van zich zelf naardat haar leven vlood.

Zij had het beste van haar hart vergaderd
om een, die zij ten doode toe verkoos,
te redden, maar de storm had hem beschadigd,
die in haar bloed zijn oorsprong koos.

Nu zit zij neder als achtergelaten
en telt de uren in haar stille schoot
die haar nog scheiden van het laatste:
zijn keeren op de winden van den dood.

 

 

Kleine ode aan het water

Zo staat de regen als een raam
over de bloemen, mond en maan
leggen er groot en rond zich aan,
liggen er groot en rond om dicht,
o teug, waaraan ik lig;
met mijn gezicht in maan en water
staan bloemen in mijn ogenwater
gespiegeld, sta ik spiegelend in
waterramen en maanbloemen.

 

 2038310-5d9ab70d20a20225762c07387ec080fc.JPG
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 - 17 januari 1962)
Het gedicht "Kleine ode aan het water" als muurgedicht in Leiden

 

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Anna M G Schmidt werd op 20 mei 1911 geboren in Kapelle. Zie ook mijn blog van 20 mei 2011 en eveneens alle tags voor Annie M.G. Schmidt op dit blog.

 

Geachte cliënten

Geachte cliënten, 't wordt lente,
wat zullen we nou eens voor prettigs gaan doen.
Geachte cliënten, 't wordt lente,
de merel zingt aria's in het plantsoen.
Hij heeft zijn tarief niet gewijzigd dit jaar,
dus wij doen het ook niet, we laten het maar.
Wat kan het ons schelen, die centen.
Hoogachtend, komma, 't wordt lente!

 

 

Het beertje Pippeloentje

Kijk, het beertje Pippeloentje
heeft geen sok en heeft geen schoentje,
heeft geen dasje en geen boordje
en geen tasje met een koordje
en geen broekje en geen jakje
en geen pakje met een zakje
en geen hemdje en geen wolletje
en geeneens een parasolletje
en geen ponnetje voor in bed,
maar
Pippeloentje heeft een pet!

Kijk, het beertje Pippeloentje
gaat niet wandelen in 't plantsoentje
en niet steppen op een stepje
en niet scheppen met een schepje
en niet knikkeren en niet tollen
en niet hard de straat op hollen
en niet schrijven en niet rekenen
en geen bere-poppetjes tekenen,
en niet roetsjen van de trap.
maar
Pippeloentje eet z'n pap.

Geef 't beertje maar een zoentje:
Welterusten Pippeloentje!

 

 2038310-5ba38751e774c04050980eddcdc03e97.png
Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)
Cover biografie

 

 

De Duitse schrijver en acteur Sky du Mont (eigenlijk Cayetano Neven du Mont) werd geboren op 20 mei 1947 in Buenos Aires, Argentinië. Zie ook alle tags voor Sky du Mont op dit blog.

Uit:Full House. Liebeserklärung an die Chaosfamilie

`Zuerst tigerten wir eine Woche lang durch Kühlschrankabteilungen in Elektroläden. Überall dasselbe: jede Menge Platz im Kühlschrank — aber jedes Gerät zu groß für unsere dreieinhalb Quadratzentimeter Küchenfläche. Dann rückte Beate raus mit ihrem Plan. »Schatz, ich fürchte, für einen größeren Kühlschrank müssen wir umziehen. Der passt nicht in unsere Küche.« »Im Ernst? Och, schade. Aber wenn du meinst ...« In Wirklichkeit hatte sie das natürlich von langer Hand geplant. Was folgte, war ein zermürbender Marathon durch die Mietanzeigen.
Rückblickend frage ich mich, wo alle meine Prinzipien und meine fiskalische Vernunft geblieben sind. Niemals hätte ich bei klarem Verstand (den ich zu dieser Zeit als hormongesteuerter Mann natürlich nicht besaß) eine Immobilie gemietet, die klein, dunkel und überteuert war. Allein ein für meine Lebensgefährtin schlagendes Argument entschied: Es war ein kleines Reihenhäuschen mit Garten. »My house is my castle«, hörte ich von Beate zu jeder Gelegenheit, also gab ich nach, und wir unterschrieben den Mietvertrag. Wenig später zogen wir in unser Häuschen um und verbrachten dort die wohl schönsten vier Wochen unserer bisherigen Beziehung. Heute weiß ich, warum: Der Nestbautrieb meiner Holden war zunächst gestillt — bis sie eines Morgens den Garten betrachtete. »Unser Garten sieht grauenvoll aus! Was werden unsere Nachbarn denken? Die glauben, wir sind absolute Messies!« »Garten? Sieht eher aus wie ein größeres Blumenbeet.« »Sehr witzig! Du musst mal den Rasen mähen!« »Ich glaube nicht, dass da ein Rasenmäher draufpasst«, meinte ich nachdenklich in der Hoffnung, aus dieser Nummer rauszukommen. Ich hasse Gartenarbeit!
Und es bleibt ja nicht beim Garten. Wenn die Holde Vorhangstangen wünscht, wird der Mann zum Innendekorateur. Sollen es hellere Lampen sein, wird er zum Elektriker. Streichen, Bohren, Sägen — alles Männersache, versteht sich. Emanzipation? Schweigen wir lieber darüber. Die Kombination Frau und Haus macht jeden Mann zum Allzweckhandwerker. Zum Lohn gibt's Hohn und Spott über die handwerklichen Unzulänglichkeiten des Gatten, am liebsten im familiären Kreis oder — noch schöner — beim Damenkränzchen.`

 

 2038310-752a51e212b30bf9e987fcf31e058da5.jpg
Sky du Mont (Buenos Aires, 20 mei 1947)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:54 Reageer op dit bericht

Honoré de Balzac, William Michaelian, Wolfgang Borchert, Hector Malot, Ingvar Ambjørnsen, A.C. Cirino, Hanna Krall, Sigrid Undset

De Franse schrijver Honoré de Balzac werd geboren in Tours op 20 mei 1799. Zie ook alle tags voor Honoré de Balzac op dit blog.

Uit:La Comédie humaine

“Au milieu de la rue Saint-Denis, presque au coin de la rue du Petit-Lion, existait naguère une de ces maisons précieuses qui donnent aux historiens la facilité de reconstruire par analogie l’ancien Paris. Les murs menaçants de cette bicoque semblaient avoir été bariolés d’hiéroglyphes. Quel autre nom le flâneur pouvait-il donner aux X et aux V que traçaient sur la façade les pièces de bois transversales ou diagonales dessinées dans le badigeon par de petites lézardes parallèles? Évidemment, au passage de la plus légère voiture, chacune de ces solives s’agitait dans sa mortaise. Ce vénérable édifice était surmonté d’un toit triangulaire dont aucun modèle ne se verra bientôt plus à Paris.
Cette couverture, tordue par les intempéries du climat parisien, s’avançait de trois pieds sur la rue, autant pour garantir des eaux pluviales le seuil de la porte que pour abriter le mur d’un grenier et sa lucarne sans appui. Ce dernier étage était construit en planches clouées l’une sur l’autre comme des ardoises, afin sans doute de ne pas charger cette frêle maison.
Par une matinée pluvieuse, au mois de mars, un jeune homme, soigneusement enveloppé dans son manteau, se tenait sous l’auvent d’une boutique en face de ce vieu logis, qu’il examinait avec un enthousiasme d’archéologue.
À la vérité, ce débris de la bourgeoisie du seizième siècle offrait à l’observateur plus d’un problème à résoudre. À chaque étage, une singularité: au premier, quatre fenêtres longues, étroites, rapprochées l’une de l’autre, avaient des carreaux de bois dans leur partie inférieure, afin de produire ce jour douteux, à la faveur duquel un habile marchand prête aux étoffes la couleur souhaitée par ses chalands.
Le jeune homme semblait plein de dédain pour cette partie essentielle de la maison, ses yeux ne s’y étaient pas encore arrêtés. Les fenêtres du second étage, dont les jalousies relevées laissaient voir, au travers de grands carreaux en verre de Bohême, de petits rideaux de mousseline rousse, ne l’intéressaient pas davantage. Son attention se portait particulièrement au troisième, sur d’humbles croisées dont le bois travaillé grossièrement aurait mérité d’être placé au Conservatoire des arts et métiers pour y indiquer les premiers efforts de la menuiserie française. Ces croisées avaient de petites vitres d’une couleur si verte, que, sans son excellente vue, le jeune homme n’aurait pu apercevoir les rideaux de toile à carreaux bleus qui cachaient les mystères de cet appartement aux yeux profanes. Parfois, cet observateur, ennuyé de sa contemplation sans résultat, ou du silence dans lequel la maison était ensevelie, ainsi que tout le quartier, abaissait ses regards vers les régions inférieures. »

 

 2038308-2329baf2d34896ca7204db38a2a5f83b.jpg
Honoré de Balzac (20 mei 1799 - 18 augustus 1850)
Borstbeeld in Vendôme


 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Michaelian werd geboren op 20 mei 1956 in Dinuba, California. Zie ook alle tags voor William Michaelian op dit blog.

 

Revelation

See how the fig tree declares her passion
before her leaves are on,

how the dogwood, winded down,
is bridal in her bloom,

how the birds, busy in your branches,
have shaken you, and flown.

 

 

How different this dawn

Surely you must see
how different this dawn,

stating its case
in soft-bright colors,

is from your righteous
outrage;

how she laves
her face in this pond,

then comes to light
on your own cage.

 

 2038308-8d870360906fea2a938de90f054b7963.JPG
William Michaelian (Dinuba,  20 mei 1956)
Portret door Aleksandra Komlenovic, 2010

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Borchert werd geboren op 20 mei 1921 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Wolfgang Borchert op dit blog.

Uit: Draußen vor der Tür

„GOTT: Warum rülpsen Sie denn fortwährend so ekelhaft? Das ist ja entsetzlich!
BEERDIGUNGSUNTERNEHMER: Ja, ja, gräulich! Ganz gräulich! Berufskrankheit. Ich bin Beerdigungsunternehmer.
GOTT: Der Tod? – Du hast es gut! Du bist der neue Gott! An dich glauben sie? Dich lieben sie. Dich fürchten sie. Du bist unumstößlich. Dich kann keiner leugnen Keiner lästern. Ja, du hast es gut. Du bist der neue Gott. An dir kommt keiner vorbei. Du bist der neue Gott, Tod, aber du bist fett geworden. Dich hab ich doch ganz anders in Erinnerung. Viel magerer, dürrer, knochiger, du bist aber rund und fett und gut gelaunt. Der alte Tod sah immer so verhungert aus.
TOD: Na ja, ich hab in diesem Jahrhundert ein bisschen Fett angesetzt. Das Geschäft ging gut. Ein Krieg gibt dem anderen die Hand. Wie die Fliegen! Wie die Fliegen kleben die Toten an den Wänden dieses Jahrhunderts. Wie die Fliegen liegen sie steif und vertrocknet auf der Fensterbank der Zeit.
GOTT: Aber das Rülpsen? Warum dieses gräßliche Rülpsen?
TOD: Überfressen. Glatt überfressen. Das ist alles. Heutzutage kommt man aus dem Rülpsen nicht mehr heraus. Rums! Tschuldigung!
GOTT: Kinder, Kinder. Und ich kann es nicht ändern. Kinder, meine Kinder. (geht ab)
(Draußen vor der Tür, Vorspiel)
In einer anderen Szene taucht der Tod wieder auf, diesmal in Gestalt eines Straßenfegers.
BECKMANN: Der Straßenfegerbesen macht Kchch – Kchch wie die Lunge eines, der verröchelt. Und der Straßenfeger hat rote Streifen an den Hosen. Er ist ein Generalstraßenfeger. Ein deutscher Generalstraßenfeger. Und wenn der fegt, dann machen die rasselnden Sterbelungen: Kchch – Kchch – Kchch. Straßenfeger!
STRASSENFEGER: Ich bin kein Straßenfeger.“

 

 2038308-3666b3158dc1c6b29a5a9a74de8662ee.jpg
Wolfgang Borchert (20 mei 1921 - 20 november 1947) 
Scene uit een opvoering in Salzburg, 2011

 

 

De Franse schrijver Hector-Henri Malot werd geboren in La Bouille bij Rouen op 20 mei 1830. Zie ook alle tags voor Hector Malot op dit blog.

Uit:Sans famille

« Et de vrai elle avait fort bon air, marchant lentement en se balançant, en se prélassant comme une bête qui a conscience de sa valeur. Maintenant je n'avais plus besoin de regarder ma carte à chaque instant comme je le faisais depuis notre départ de Paris : je savais où j'allais, et bien que plusieurs années se fussent écoulées depuis que j'avais passé là avec Vitalis, je retrouvais tous les accidents de la route. Mon intention, pour ne pas fatiguer notre vache, et aussi pour ne pas arriver trop tard à Chavanon, était d'aller coucher dans le village où j'avais passé ma première nuit de voyage avec Vitalis, dans ce lit de fougère, où le bon Capi voyant mon chagrin était venu s'allonger près de moi et avait mis sa patte dans ma main pour me dire qu'il serait mon ami. De là nous partirions le lendemain matin pour arriver de bonne heure chez mère Barberin. Mais le sort qui, jusque-là nous avait été si favorable, se mit contre nous et changea nos dispositions. Nous avions décidé de partager notre journée de marche en deux parts, et de la couper par notre déjeuner, surtout par le déjeuner de notre vache qui consisterait en herbe des fossés de la route qu'elle paîtrait. Vers dix heures, ayant trouvé un endroit où l'herbe était verte et épaisse, nous mîmes les sacs à bas, et nous fîmes descendre notre vache dans le fossé. Tout d'abord je voulus la tenir par la longe, mais elle se montra si tranquille, et surtout si appliquée à paître, que bientôt je lui entortillai la longe autour des cornes, et m'assis près d'elle pour manger mon pain. Naturellement nous eûmes fini de manger bien avant elle ; alors après l'avoir admirée pendant assez longtemps, ne sachant plus que faire, nous nous mîmes à jouer aux billes Mattia et moi, car il ne faut pas croire que nous étions deux petits bonshommes graves et sérieux, ne pensant qu'à gagner de l'argent : si nous menions une vie qui n'est point ordinairement celle des enfants de notre âge, nous n'en avions pas moins les goûts et les idées de notre jeunesse, c'est-à-dire que nous aimions à jouer aux jeux des enfants, et que nous ne laissions point passer une journée sans faire une partie de billes, de balle ou de saut de mouton. Tout à coup, sans raison bien souvent, Mattia me disait : « Jouons-nous ? »

 

 2038308-65b20ac6e57001b2877603852437de07.jpg
Hector Malot (20 mei 1830- 17 juli 1907)
Cover

 

 

De Noorse schrijver, muzikant en theatermaker Ingvar Ambjørnsen werd geboren in Tønsberg op 20 mei 1956. Zie ook alle tags voor Ingvar Ambjørnsen op dit blog.

Uit: Schwarze Mutter (Vertaald door Gabriele Haefs)

„Vor vielen Jahren an einem heißen Sommertag hätte er um ein Haar ihren Kopf gegen das Armaturenbrett gestoßen. Sie steckten bei Toulouse in einem Stau, es war schrecklich heiß, sie hatten alle Fenster heruntergekurbelt, sie hatte die eine Hand am Lenkrad, in der anderen hatte sie eine Zigarette. Sie war gereizt, ungeduldig, er selber fand, sie hätten Zeit genug; und außerdem würde ihr Adrenalin sie auch nicht schneller ins Hotel bringen können. Um sie wortlos zu beruhigen - er ahnte schon, dass in diesem Moment jedes Wort gefährlich sein könnte - legte er ihr den linken Arm um die Schulter und ließ seine Finger ihren Nacken hoch wandern, bis ihr Hinterkopf wie ein großer warmer Stein in seiner Hand ruhte. Sie lächelte. Sie kannte ihn gut genug, um zu wissen, dass er sie kannte. Aber er hatte sich selber nicht gekannt. Die Vorstellung, ihren Kopf mit aller Kraft gegen das Armaturenbrett zu stoßen, überkam ihn vollständig unerwartet, kurz sah er das Blut vor sich, ihren ungläubigen Blick, hörte den Schrei. Er zog seine Hand zurück, er hatte die dünne Membran zwischen allem und nichts gesehen, dieses Erlebnis hatte etwas mit ihm gemacht, er wusste nicht, was.
Er lag auf dem Bett und rauchte, die Badezimmertür war angelehnt, er konnte sehen, wie sie vor dem Spiegel stand und sich die Lippen nachzog. Ein unschönes blasses Rosa, das ihn immer an die sechziger Jahre erinnerte, an Blondinen mit hochtoupierten Haaren, an kragenlose Kostüme in Pepitamuster.
»Bist du so weit?« Sie steckte den Lippenstift in ihre Handtasche, blieb stehen und schmatzte ihrem Spiegelbild zu.
Ja, er war so weit. Der Frühstückssaal war fast leer, es war zehn vor zehn, sie waren die letzten. Ein einsames Spiegelei schwamm im Fett auf einem weißen Teller, der Saft war lauwarm, der Kaffee ungenießbar. Er trank ihn trotzdem und sah angeekelt zu, wie sie mit dem Messer das Eigelb zerteilte, wie der Dotter im Fett zerrann, wie sie alles mit einem Stück Weißbrot auffing, es zwischen ihre rosa Lippen führte, ihm schauderte, als ihre Zunge im rechten Mundwinkel einen Krümel erwischte.
»Du musst doch versuchen, wenigstens irgendetwas zu essen«, sagte sie mit vollem Mund. Jetzt bekam der Speck Messer und Gabel zu spüren. Schlaffer, fetter Speck, nicht salzig genug.“

 2038308-bb3286e3142f2079623121ed2d53a796.jpg
Ingvar Ambjørnsen (Tønsberg, 20 mei 1956)

 

 

De Surinaamse schrijver A.C. Cirino werd geboren in Goede Hoop, een dorp aan de Coppenamerivier in het district Saramacca, op 20 mei 1929. Zie ook alle tags voor A.C. Cirino op dit blog.

Uit: De inheemse man en een priester

“Het gebeurde op een kwade dag dat een blanke priester per korjaal bij een inheems dorp aankwam. Om wat te doen? Hij zou de inheemsen komen bekeren en het evangelie aan de ‘arme stakkerds’ brengen. Op den duur zouden de inheemse mannen gedoopt worden en voortaan bijvoorbeeld Johannes in plaats van Tukajana heten. Volgens de pater werd de man een nieuwe mens wanneer hij gedoopt zou worden. Dat begreep het slachtoffer ook donders goed. De pater onderwees de inheemsen over vele kerkelijke wetten en gebruiken. Bijvoorbeeld dat er op goede vrijdag geen vlees gegeten mag worden. Dat werd door de inheemsen goed begrepen en ook heel goed onthouden!
Op zekere dag, het was het zoveelste bezoek van de priester aan het dorp, betrapte hij Johannes op heterdaad toen hij en zijn gezin bosvarkensvlees aan het eten waren. Was dat een bijzonderheid? Och mens, nee toch! Maar pas op dat moment zou de priester ontdekken dat hij de inheemsen uiterlijk kon veranderen, maar niet hun binnenste. Op de vraag van de priester aan Johannes of hij niet wist dat het die dag goede vrijdag was en dat hij dus geen vlees mocht eten, antwoordde Johannes hem dat hij vroeger Tukajana heette: ‘Door het doopsel van de pater heet ik nu Johannes, zo ook heeft hij het vlees gedoopt en dat heet nu: de vis anjumara!’

 

 2038308-f3b7b576895d47ca66205281df8707df.jpg
A.C. Cirino (20 mei 1929 -  6 mei 2003) 
Een dorp in het district Saramacca (Geen portret beschikbaar)

 

 

De Poolse schrijfster en journaliste Hanna Krall werd geboren op 20 mei 1937 in Warschau. Zie ook alle tags voor Hanna Krall op dit blog.

Uit: Dem Herrgott zuvorkommen (Vertaald door Hubert Schuhmann)

„Und da schreit er mich an. Die da in die Güterwagen steigen, seien wohl schlechter als die Schießenden? Das glaube ich doch wohl, natürlich, das glauben ja alle, sogar der amerikanische Professor, der neulich zu Besuch war und gesagt hat »Wie die Schafe seid ihr in den Tod gegangen.« Der amerikanische Professor ist einmal an der französischen Küste gelandet, unter mörderischem Beschluss vier- oder fünfhundert Meter über den Strand gerannt, ohne sich zu bücken und ohne hinzufallen, ist verwundet worden, und nun meint er, jemand, der über solch einen Strand gerannt ist, könnte später sagen: »Vorwärts stürmen muss der Mensch, schießen muss er.« Oden »Wie Schafe seid ihr in den Tod gegangen.« Und des Professors Gattin setzte hinzu, gerade für die künftigen Generationen seien diese Schüsse wichtig, was bedeute der Tod von Menschen, die schweigend sterben, da bleibe doch nichts zurück. Die Schießenden jedoch hinterlassen eine Legende — ihr und ihren amerikanischen Kindern. Edelman verstand sehr wohl, dass der Professor neben seinen Narben, seinen Orden und seinem Lehrstuhl auch die Schüsse ungern in seinem Lebenslauf missen möchte, doch hat er ihm trotzdem verschiedenes klarzumachen versucht: dass der Tod in der Gaskammer nicht geringer zu achten ist als der Tod im Kampf und dass ein Tod nur dann unwürdig ist, wenn jemand versucht, auf Kosten anderer das eigene Leben zu retten. Doch ist er mit seinen Erklärungen nicht weit gekommen, sondern gleich wieder ins Schreien geraten, und eine Frau, die mit dabeisaß, suchte ihn zu entschuldigen. »Nehmt es ihm nicht übel«, sagte sie verlegen, »ihm dürft ihr es nicht übelnehmen...«
»Kind«, sagt er, »du musst das endlich begreifen, diese Menschen waren still und gefasst, und sie sind anständig gestorben. Es ist schrecklich, wenn jemand so gefasst in den Tod geht. Das ist viel schwerer als alle Schießerei, schießend stirbt es sich viel leichter. Um wie viel leichter erschien das Sterben uns als dem Menschen, der in den Viehwagen steigen, diese Fahrt mitmachen, sein Grab schaufeln, sich splitternackt ausziehen musste... Begreifst du das jetzt?« »Ja«, sage ich, »ja«.

 

 2038308-d6c98a8b288fd1e25201e5597745292f.jpg
Hanna Krall (Warschau, 20 mei 1937)

 

 

De Noorse schrijfster Sigrid Undset werd geboren in Kalundborg, Denemarken, op 20 mei 1882. Zie ook alle tags voor Sigrid Undset op dit blog.

Uit: Olav Audunssohn (Vertaald door Julius Sandmeier en Sophie Angermann)

„Gegen den Frühling zu war Olav eines Tages mit einem seiner Knechte draußen auf dem vereisten Acker und breitete Mist ans. Das Eis glitzerte und gleißte auf den nach Norden gelegenen Äckern, aber oben an der Roßwand sickerte und rieselte das Wasser herunter. Und drüben über der Bucht, auf der Sonnenseite, wurden die Felsen gebacken — der Stier stieg aus dem Meer herauf, mit flimmerndem Widerglanz von dem Gutwetterglitzem auf dem rotgrauen Stein. Der Hang unter den Kiefern dort leuchtete braun, und das Didcicht von Haselnußsträuchem, das sich ins Kvemtal hineinzog, stand vol-ler gelber Kätzchen. Draußen auf der Bucht ruderte Eirik — der rote Kittel des Knaben hob sich leuchtend vom blauen Wasser ab. Olav stand eine Weile auf den Spaten gestützt da, blickte zu dem kleinen Boot hinunter. Es war immer die gleiche Geschichte mit Eirik — er ließ sich so viel Zeit I Eigentlich hatte er nur ein paar Schafe hinüberbringen sollen; das Kleinvieh war jetzt in den Wald drüben hinausgelassen worden. Heu-te hätte man den Jungen gut daheim brauchen können. Hinter Olavs Rücken kam etwas über den Felsen getrippelt — über die großen kahlen Felsen, die den Guten Acker gegen den Fjord schützten. Cecilia stand da, die Sonne im Nacken, so daß die Strahlen durch ihr helles krauses Haar sickerten; es sdiinurterte gegen die Luft. Sie setzte sich hin und rutschte die Felsplatte hinunter, während sie ihrem Vater etwas zurief und ihm eine Handvoll kleiner gelber Blu-men zeigte. Olav fing die Kleine auf, abwehrend: »Nicht hierher, Cecilia — du machst dich schmutzig —« Er hob sie auf einen Stein hinauf. Die Klei-ne drückte die Blumen gegen sein Gesicht, guckte dann, ob der Vater gelb geworden sei vom Staub. Es war nicht viel zu sehen — Cecilia hatte sie bereits ganz zerdrückt —, aber sie lachte trotzdem und wie-derholte das Spiel.“

 

 2038308-b22fd216c1f39c2b0d33b390d4d632e3.jpg
Sigrid Undset (20 mei 1882 – 10 juni 1949)
Cover biografie

Geschreven door Romenu om 11:53 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten