Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 6 januari 2011

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Jens Johler, E. L. Doctorow, Carl Sandburg

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2008 en ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: Spiegels van de ziel

 

Als je staat aan het begin van je kennen,

sta je aan het begin van je voelen.

Wie alleen kan zien wat het licht onthult

en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,

ziet en hoort eigenlijk niets.

 

De werkelijkheid van iemand anders

is niet gelegen in het feit wat hij je onthult

maar in wat hij je niet kan onthullen.

Als je hem dus wilt begrijpen

luister dan niet naar wat hij zegt,

maar veel meer naar wat hij niet zegt.

 

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,

voor elkaar en voor onszelf,

tot de dag waarop jij spreekt en ik luister

omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is

en ik, wanneer ik voor je sta,

meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.

 

 

 824558-2586452d6bc6c54d8a725dbddabe96a0.jpg

Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

 

 

 

 

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

 

Ze liepen met kaarsen de berg op


Ze liepen met kaarsen de berg op

en zongen daarbij een muziek die klonk

als klagen dat door het licht omhoog

 

werd gedragen. Hem droegen ze

levend en dood, de moeder droegen ze

ook, maar die wankelde zo alsof de dragers

 

er de brui aan gaven. Die er waren

sloten zich aan bij de stoet: een schare donker

 

en licht die zingend of zwijgend

bleef klimmen en dalen.

 

 

 

Een vader

 

Beland op zoiets als een eiland alleen

zoekt ze zich iemand. Neemt dan

 

bijvoorbeeld de man die van zee komt,

ontvangt en bedient hem en als hij dan

 

gaat, richt ze een hier voor hem in voor

als hij terugkeert, als ze weer wil. Wachten

 

maakt deel van haar lijf uit voortaan en

denken hoe was hij, wier aan zijn voeten

in zijn handen een net - Hij is het! Zo

 

worden goden gevonden door vrouwen, zij

bouwen een altaar, brengen hun zonen,

dochters erheen en zeggen: je vader.

 

 

 

824558-5b76253e9d54052d4dfb7309a6a6aeb4.jpg
Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

 

 

 

De Franse schrijver Romain Sardou werd geboren op 6 januari 1974 in Boulogne-Billancourt. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: L’éclat de Dieu

 

„Le halo informe d'une torche à résine glissait lentement sur les parois du souterrain. La galerie, creusée à plus d'une dizaine de mètres de la surface, était grise et poussiéreuse ; elle absorbait partout la lumière blonde sans en rien refléter.

Un homme seul conduisait le flambeau. Grand, âgé, il portait des haillons de caravanier, des sandales usées, une sacoche de toile et un turban négligé qui lui tombait sur les épaules. Ses lèvres étaient fines et décolorées, son front tout en noeuds, le cou fermé par une barbe courte et blanche. Il représentait assez un pilleur de sanctuaires ou un aventurier. Seule une bague à sa main gauche, frappée d'un fragment du Coran et d'un poinçon mystérieux, attestait d'une condition plus digne.

(...)

 

Il reprit sa progression, plus lentement, redoutant qu'une tenaille encore tendue ne lui brise le talon. La salle aux pièges défendait l'accès d'une seconde rotonde. Il n'y avait ici aucune apparence de porte ni d'ouverture. Seules quelques niches de statues ornaient la chambre vide. Le visage du savant se renfrogna. C'était là que tout se jouait. Les faux souterrains n'allaient jamais outre cette mauvaise fin. Les indices suivants, précieusement enregistrés dans son rouleau, étaient inutiles : il butait toujours contre cette impasse.

Le vieil homme s'essuya le front.

Il approcha des niches et des statues.“

 

 

 824558-cc2814f4d87ecf72a5de5b6825dc7029.jpg

Romain Sardou (Boulogne-Billancourt, 6 januari 1974)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Jens Johler werd geboren op 6 januari 1944 in Neumünster. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010. 
 
Uit:
Knigge, Castiglione und die Ehrlichkeit

 

„Grußlos und ohne sich vorzustellen, schon gar ohne Blumen für die Gastgeberin, platzt er in eine Abendgesellschaft hinein, greift sich mit bloßen Fingern ein Stück Fleisch von irgendeinem Teller, verschüttet Rotwein auf dem Teppichboden über der zuvor dort ausgetretenen Zigarette und sagt, da ihm nun einmal danach ist, den Anwesenden allerlei Wahrheiten ins Gesicht. Anschließend verschwindet er so, wie er gekommen ist. Natürlich ohne sich zu bedanken.

Vielleicht liefert er auch nur einen Ausschnitt dieses Repertoires oder eine andere Variante, dann sind wir dieser Kerl womöglich selbst. Aber wer immer es auch sein mag, und wie er es nun im einzelnen gebracht hat, wir sind imstande, sein Verhalten mit dem Hinweis darauf zu entschuldigen, er habe sich wenigstens "nicht verstellt". Er habe sich eben so verhalten, wie er sei. Und so sei er nunmal. Er sei zwar nicht höflich, aber er sei immerhin ehrlich. Als wäre Ehrlichkeit ein Freibrief oder eine Legitimation für schlechtes Benehmen.

Tatsächlich ist sie das. Ehrlichkeit ist der Hammer, mit dem die Jugend (seit einigen Jahrzehnten) hergebrachte Verhaltensformen zerschlägt, nicht um erstarrte Formen durch neue zu ersetzen, sondern um in einer linkischen Formlosigkeit zu verharren. Das gilt seit 1968 auch für die "reifere" Jugend. Wir haben es nicht gelernt, uns zu benehmen, oder wenn, dann haben wir - "chassez le flic dans votre tete" - uns erfolgreich darum bemüht, das Gelernte zu vergessen; im Namen der "Ehrlichkeit", der "Echtheit", der "Spontaneität", oder wie immer die Begriffe für das, was "aus dem Bauch" kommt, lauten mögen.

Das Merkwürdige ist nur: die Formlosigkeit macht keinen Spaß. Sie ist langweilig. Oder brutal. Sie verdirbt jedes Spiel. Solange es noch Regeln gibt, kann Regelverletzung amüsant sein, aber danach? Der Sieg des "Bauches" über den "Kopf" ist immer ein Pyrrhussieg. Dr. Jekyll ist interessant, weil Mr. Hyde in ihm steckt - der losgelassene Mr. Hyde ist nur ein Ennui.“

 

 

 824558-378d1e63e55f19438d2d6e7dec8c4a87.jpg

Jens Johler (Neumünster, 6 januari 1944)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Laurence Doctorow werd geboren op 6 januari 1931 in New York. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: City Of God

 

„So the theory has it that the universe expanded exponentially from a point, a singular space/time point, a moment/thing, some original particulate event or quantum substantive happenstance, to an extent that the word explosion is inadequate, though the theory is known as the Big Bang. What we are supposed to keep in mind, in our mind, is that the universe didn't burst out into pre-existent available space, it was the space that blew out, taking everything with it in a great expansive flowering, a silent flash into being in a second or two of the entire outrushing universe of gas and matter and darkness-light, a cosmic floop of nothing into the volume and chronology of spacetime. Okay?
And universal history since has seen a kind of evolution of star matter, of elemental dust, nebulae, burning, glowing, pulsing, everything flying away from everything else for the last fifteen or so billion years.
But what does it mean that the original singularity, or the singular originality, which included in its submicroscopic being all space, all time, that was to voluminously suddenly and monumentally erupt into concepts that we can understand, or learn-what does it mean to say that ... the universe did not blast into being through space but that space, itself a property of the universe, is what blasted out along with everything in it? What does it mean to say that space is what expanded, stretched, flowered? Into what? The universe expanding even now its galaxies of burning suns, dying stars, metallic monuments of stone, clouds of cosmic dust, must be filling ... something. If it is expanding it has perimeters, at present far beyond any ability of ours to measure. What do things look like just at the instant's action at the edge of the universe? What is just beyond that rushing, overwhelming parametric edge before it is overwhelmed? What is being overcome, filled, enlivened, lit? Or is there no edge, no border, but an infinite series of universes expanding into one another, all at the same time? So that the expanding expands futilely into itself, an infinitely convoluting dark matter of ghastly insensate endlessness, with no properties, no volume, no transformative elemental energies of light or force or pulsing quanta, all these being inventions of our own consciousness, and our consciousness, lacking volume and physical quality in itself, a project as finally mindless, cold, and inhuman as the universe of our illusion.“

 

 

 824558-15a6227fe3ed37b278ddbe84081790bc.jpg

E. L. Doctorow (New York, 6 januari 1931)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

 

A Father To His Son 

 

A father sees his son nearing manhood.

What shall he tell that son?

'Life is hard; be steel; be a rock.'

And this might stand him for the storms

and serve him for humdrum monotony

and guide him among sudden betrayals

and tighten him for slack moments.

'Life is a soft loam; be gentle; go easy.'

And this too might serve him.

Brutes have been gentled where lashes failed.

The growth of a frail flower in a path up

has sometimes shattered and split a rock.

A tough will counts. So does desire.

So does a rich soft wanting.

Without rich wanting nothing arrives.

Tell him too much money has killed men

and left them dead years before burial:

the quest of lucre beyond a few easy needs

has twisted good enough men

sometimes into dry thwarted worms.

Tell him time as a stuff can be wasted.

Tell him to be a fool every so often

and to have no shame over having been a fool

yet learning something out of every folly

hoping to repeat none of the cheap follies

thus arriving at intimate understanding

of a world numbering many fools.

Tell him to be alone often and get at himself

and above all tell himself no lies about himself

whatever the white lies and protective fronts

he may use against other people.

Tell him solitude is creative if he is strong

and the final decisions are made in silent rooms.

Tell him to be different from other people

if it comes natural and easy being different.

Let him have lazy days seeking his deeper motives.

Let him seek deep for where he is born natural.

Then he may understand Shakespeare

and the Wright brothers, Pasteur, Pavlov,

Michael Faraday and free imaginations

Bringing changes into a world resenting change.

He will be lonely enough

to have time for the work

he knows as his own.

 

 

 

824558-c47da5417bcfe1e2fa688e6aecb1c8e4.jpg
Carl Sandburg (6 januari 1878 - 22 juli 1967)



Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 19:52 Reageer op dit bericht

Joachim Specht, Astrid Gehlhoff-Claes, Günter Görlich, Anja Meulenbelt, Ivan Olbracht, Idris Davies

De Duitse schrijver Joachim Specht werd geboren op 6 januari 1931 in Weinböhla/Kreis Meißen. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: Das Engelchen über mir

 

„Wenn ich mein Leben Revue passieren lasse, dann muss ich feststellen: Es hat gewiss Erlebnisse gegeben, die alles andere als erheiternd klingen. Wie leicht hätte da mal was schief ausgehen können. 1987 hat mich Heinz Szillat, der Dessauer Maler, gemalt: mit verschränkten Armen, vollem Haar, den Blick in die Ferne gerichtet, in einem knallroten Hemd mit Armen, die einem Bodybuilder zur Ehre gereicht hätten. Ich ein kraftstrotzender, wagemutiger Kerl? Also – nicht die Hälfte stimmt. Im Bitterfelder Chemiekombinat, wo ich als Autor viele Lesungen absolvierte, habe ich mir mein Asthma zugezogen, nach drei Treppen greife ich heute zum Pumpspray. Natürlich versuche ich die Luftknappheit zu überspielen. Aber das klappt längst nicht immer.
Es war einfach Leichtsinn, auch Neugierde, die mich manchmal haben handeln lassen. Und vermutlich habe ich es einem Engelchen zu danken, meinem Engelchen, das mich vor dem Schlimmsten bewahrte.
Blättern wir mal zurück: Mittwoch, 13. Februar 1945, 22.00 Uhr in Dresden. Der Rotkreuzmelder Specht begibt sich nach erfolgtem Voralarm von seinem Internat zur Einsatzstelle. Er hat es nicht eilig, in dieser Gegend ist noch nie viel passiert. Minuten später rennt er um sein Leben.
Mit verbrannten Schuhsohlen, stinkender HJ-Kluft und einer üblen Rauchgasvergiftung landet er in einem Behelfslazarett. Später – in „Stippvisite“ – habe ich darüber geschrieben.

Am nächsten Tag fuhr ich nach Mickten, dort endete die Straßenbahn, man ging zu Fuß weiter. Die meisten Leute suchten jemanden, ich auch. Mein Weg führte durch die Steinwüste vom Neumarkt, ich balancierte über das Gerippe der Augustusbrücke und stieß hinter dem Postplatz auf die ersten Leichenberge. Die Mariannenstraße war nur ausgebrannt, der Dippoldiswalder Platz glich einer Spuklandschaft, dahinter war die Welt vermauert.“

 

 

 

824550-6d9fd534975b587f494b3a1807eaaebf.jpg
Joachim Specht (Weinböhla, 6 januari 1931)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Astrid Gehlhoff-Claes werd geboren op 6 januari 1928 in Leverkusen. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: Inseln der Erinnerung

 

„RHEINALLEE

Sie wissen nichts von mir. Aber ich sehe sie, in der Morgendämmerung, wenn ich das Fenster öffne, wenn ich das Haus verlasse zum frühen, stillen Weg: die Platanen, ihre lange Allee. Ihre Wurzeln, weitgreifend, noch im Sandboden gesund; ihre Stämme, schlank, mit den wechselnden hellen Rinden; ihre breiten, starkastigen Kronen; ihre von den Sternen und Laternen beleuchteten Blätter, glänzende

grüne Fächer, die vor dem fahlen Himmel leise beben, sich schütteln, als ob sie erwachten, die Lieder des Windes aufnähmen, sängen.

Sie wissen nichts von mir. Sie, meine Vorbilder, wenn die Tage kürzer sind, sie lassen ihr Laub ohne Klagen, ohne einen Schrei. Ich höre sie, ihr Geheimnis von der Wiederkehr, vom Frühling. Sie wissen nicht, wie ich sie liebe. Wie ich diese Straße liebe am Fluß. Mit den ersten Schritten des Lichts bricht Noah neben meinem Bett in ein heftiges Handlecken aus. Wie gut, dieses Signal des Erwachens. Ich, genauso taggierig, laufe schnell mit meinem Hund aus dem Haus.

Die Straße ist leer, auf der Wiese neben der Allee sitzen die Kaninchen. »Noah, hier in diese Straße habe ich mich immer gesehnt.« Die Häuser haben lange Balkone, von Sonnenschirmen und Markisen bunt garniert, Rosen blühen in vielen Vorgärten, fast in jedem Haus lebt ein Hund. Kühe wurden früher aus den Bauernhöfen über diese Straße auf die Wiesen am Fluß geführt. Wo ich jetzt hinlaufe mit Noah, am Heiligenhäuschen vorbei, einer winzigen alten Kapelle in der Querstraße. Eine alte Frau soll hier gewohnt haben, die fortzog, weil der Vollmond das Kreuz auf der Kapelle als Schatten immer wieder in ihr Zimmer warf. Man erzählt von Hund zu Hund hier solche Geschichten.

Die Krähen schrein. Nicht weil es Winter wäre und bald schneien wird. Sie sind hier immer morgens. Meine Lieblingsvögel, über einen von ihnen schrieb ich mein erstes Gedicht. Sie rufen, wenn wir kommen. Unter den Wolken stürzen sie von den Ästen der hohen Pappeln herab, lassen sie zitternd zurück, zittern selbst vor Glück, wenn sie die Krümel sichten, die ich mitgebracht; wenn sie aus einer Pfütze einen Schluck Himmel trinken; wenn sie den Fluß wittern und ihre Flügel entfalten, um sich aufzuschwingen dahin.“

 

 

 824550-c11d506e6e9e5d5adff6572ceb10e50f.jpg

Astrid Gehlhoff-Claes (Leverkusen, 6 januari 1928)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Günter Görlich werd geboren op 6 januari 1928 in Breslau. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: Keine Anzeige in der Zeitung

 

„Großvater lief nicht schnell, er hatte einen schweren Arbeitstag hinter sich. Und er freute sich, wenn er mich sah. Das war nur an seinen Augen zu erkennen. Und ich durfte die Tasche tragen. Die Henkelflasche klapperte hin und wieder, wenn sie an die Brotbüchse stieß.

Ich war wohl der Enkel, den Großvater am liebsten hatte. Ich schnitt ihm mit der Haarschneidemaschine die Haare. Nur ich durfte das, und es machte mir Spaß. Er hatte dichtes Haar. Ich schnitt ihm allerlei Muster ins Haar, mal eine Tonsur, mal ein Kreuz und zeigte ihm meine Kunstwerke im Spiegel. Er lächelte nur, ich durfte das, doch am Ende mußte das Haar auf ein paar Millimeter Länge getrimmt sein.

Wir beide hatten eine Tradition, die, wie ich glaube, durchgehalten wurde bis zu seiner schweren Erkrankung. Es war der Ausflug am Ostersonnabend zur Schwedenschanze. Das war ein Hügel jenseits der Oder, der, so erzählt die Überlieferung, irgendwann einmal von Schweden besetzt war, und um den es kriegerische Ereignisse gegeben hatte. Doch das hatte wenig Bedeutung für unseren Ausflug am Ostersonnabend, die Schwedenschanze war eben unser Ziel. Auf dem Weg, noch in der Stadt, kaufte Großvater beim Fleischer einen Ring Knoblauchwurst, beim Bäcker frische Semmeln. In

einem Beutel gluckerte die Henkelflasche mit dem Muckefuck. Das alles war bestimmt für unsere Mahlzeit auf der Schwedenschanze, von der man einen weiten Blick über die Oderlandschaft hatte. Mit Heißhunger erwartete ich die Mahlzeit dort oben.

Und wir zogen los und redeten wohl miteinander. Ich hatte viele Fragen und manche wiederholten sich Jahr für Jahr. Großvater erzählte bedächtig, aber nie ausschweifend. Und wir kamen an der gelbgetönten Kaserne vorbei, in der Großvater im Ersten Weltkrieg eingelegen hatte als Landsturmmann. Es kam die Geschichte mit der Gewehrkugel, die an Großvaters Uhrkette baumelte und die er bei dieser Gelegenheit immer zeigte. Und jedesmal betrachtete ich das kleine, spitze Metallstück mit ehrfürchtigem Staunen.“

 

 

 

824550-034dfcbd7f65c42334992fb4f20eef17.jpg
Günter Görlich (6 januari 1928 – 14 juli 2010)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster, publiciste, feministe en politica Anja Meulenbelt werd geboren in Utrecht op 6 januari 1945. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: Die Scham ist vorbei. Eine persönliche Geschichte (Vertaald door Birgit Knorr)

 

»Wirst du nun davon glücklich, von dem Feminismus, fragt jemand.

Na ja, nein, manchmal, sage ich zögernd. Glücklich? Einfacher ist es sicher nicht. Wir überfordern uns regelmäßig durch unsere eigenen Ideale, bringen davon noch wenig zustande. Sisterhood is powerful - it can kill you. Und doch können wir nur weiter vorwärts, wir können nicht mehr zurück. Auch die Abtrünnigen, die die Ideale nicht leben können, machen weiter. Auch ich mache weiter, wenn ich mich einige Zeit zurückgezogen habe, um mich zu erholen. Laßt uns Geduld miteinander haben und uns ehrlich die Dinge eingestehen, die wir noch nicht können. Aber wir sollten uns nicht schämen. Sentimental, sage ich, während ich meinen Kritikern in die Augen schaue, sicherlich, ich bin sentimental, ich weine bei Filmen. Ich verstecke meine Verletzbarkeit manchmal hinter einer dünnen Schicht Zynismus.

Überempfindlich, zu emotional, vielleicht sogar paranoid. Ich sehe wie in grellem Scheinwerferlicht, zehnfach vergrößert, die täglichen Details des Schmerzes anderer Frauen. Ich habe keine Abwehr mehr dagegen, keine Scheuklappen, ich sitze mittendrin wie ein Muscheltier ohne Schale. Selbstmitleid? Sicher. Ich kann in Selbstmitleid schwimmen. Nachtragend? Auch das.

Aber keine Scham. Die Scham ist vorbei."

 

 

824550-3e4f7463886f381209d3137beba9c976.jpg
Anja Meulenbelt (Utrecht, 6 januari 1945)

 

 

 

 

De Tsjechische schrijver, journalist en vertaler Ivan Olbracht (eig. Kamil Zeman) werd geboren op 6 januari 1882 in Semily. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: Anna (Vertaald door Otto Katz)

 

„Es war rosa ausgemalt, die Möbel waren rosa, die Schleifen auf den Decken, Polstern, Kissen und auf der Wäsche waren rosa, und der große Bär aus braunem Plüsch, der in der Ecke auf einem rosa Lehnstuhl saß, hatte ein rosa Band um den Hals. Das ganze Zimmer duftete nach Parfüm.
„In der ganzen übrigen Wohnung regiert Mama. Aber das hier ist mein Zimmerchen, hier kommandiere ich und das ist viel schlimmer. Augen in die Hand! Die Federbetten müssen so aufgeschüttelt werden! So, hübsch! Das Nachthemd gehört hierher, das Häubchen daneben, auf dem Nachttisch hat immer der Spiegel und die Maniküre zu stehen. Das ist dies hier! Dies hier, Mädchen vom Lande, ist der Toilettentisch und das dort der Waschtisch. Merken Sie sich sehr gut, wie die Fläschchen und Tiegel dort stehen. Morgen studieren Sie es mal, heute sind Sie zu sehr aus dem Häuschen, — und wenn dann nicht alles in Ordnung ist, setzt es einen Heidenkrach. Jetzt können Sie in Gottes Namen gehen... Anna heißen Sie, nicht wahr?"
„Ja, bitte!"
„Hat Ihnen Mama die Prachtlektüre von Kis und Landru gegeben?"
Anna verstand nicht. Das Fräulein benahm sich so, dass Anna nicht wusste, ob sie etwas Ernstes sage, oder sie zum Narren halte. Es wurde ihr ganz ängstlich zumute.
„Na, natürlich hat Sie Ihnen das Zeug zum Lesen gegeben", sagte Fräulein Dadla, „Sie haben es dort in der Küche auf dem Tisch liegen; das bekommt bei uns jede. Lesen Sie sich das durch, Mädel, das ist was Feines; nachher tut jede wenigstens vierzehn Tage gut. Wenn Sie davon vielleicht Bauchweh bekommen sollten, so kommen Sie nur morgen früh, — ich gebe Ihnen dann eine Tafel Schokolade."
In den schwarzen Augen des Fräuleins tanzten lustige Fünkchen und in den Mundwinkeln saß das Lachen. Es bereitete ihr offenbar viel Vergnügen, das ratlose, rotbezopfte Landmädchen in dem Barchentkleidchen mit emporgekrempelten Ärmeln anzuschauen, das arme Dienstmädchen mit den verängstigten Augen, das so wenig von dem verstand, was mit ihm geschah.“
 

 

 

 824550-ef527638263603501d24890e40c1a492.jpg

Ivan Olbracht (6 januari 1882 – 20 december 1952)

 

 

 

 

 

De Britse dichter Idris Davies werd geboren op 6 januari 1905 in Rhymney, Monmouthshire. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

 

Capel Calvin

There's holy holy people
They are in capel bach-
They don't like surpliced choirs,
They don't like Sospan Fach.

They don't like Sunday concerts,
Or women playing ball,
They don't like Williams Parry much
Or Shakespeare at all.

They don't like beer or bishops,
Or pictures without texts,
They don't like any other
Of the nonconformist sects.

And when they go to Heaven
They won't like that too well,
For the music will be sweeter
Than the music played in Hell.

 

 

 

824550-c25e0b74c9adbd534da744b9909a6eb1.jpg
Idris Davies (6 januari 1905 – 6 april 1953)

Geschreven door Romenu om 19:42 Reageer op dit bericht

Journey Of The Magi (T. S. Eliot)


Bij het feest van Driekoningen

 

 

 

 824112-3c63f46d37e068903ef96257218e76dd.jpg

Star of Bethlehem, David Burne-Jones, 1890

 

 

 

 

Journey Of The Magi

 

'A cold coming we had of it,

Just the worst time of the year

For a journey, and such a journey:

The ways deep and the weather sharp,

The very dead of winter.'

And the camels galled, sore-footed,

refractory,

Lying down in the melting snow.

There were times we regretted

The summer palaces on slopes, the

terraces,

And the silken girls bringing sherbet.

 

Then the camel men cursing and

grumbling

And running away, and wanting their

liquor and women,

And the night-fires going out, and the

lack of shelters,

And the cities hostile and the towns

unfriendly

And the villages dirty and charging high

prices:

A hard time we had of it.

At the end we preferred to travel all

night,

Sleeping in snatches,

With the voices singing in our ears,

saying

That this was all folly.

 

Then at dawn we came down to a

temperate valley,

Wet, below the snow line, smelling of

vegetation;

With a running stream and a water-mill

beating the darkness,

And three trees on the low sky,

And an old white horse galloped in

away in the meadow.

Then we came to a tavern with

vine-leaves over the lintel,

Six hands at an open door dicing for

pieces of silver,

And feet kicking the empty wine-skins.

But there was no imformation, and so

we continued

And arrived at evening, not a moment

too soon

Finding the place; it was (you may say)

satisfactory.

 

All this was a long time ago, I

remember,

And I would do it again, but set down

This set down

This:  were we led all that way for

Birth or Death?  There was a Birth,

certainly,

We had evidence and no doubt.  I had

seen birth and death,

But had thought they were different;

this Birth was

Hard and bitter agony for us, like

Death, our death.

We returned to our places, these

Kingdoms,

But no longer at ease here, in the old

dispensation,

With an alien people clutching their

gods.

I should be glad of another death.

 

 

 

 

 824112-35bb2919e023ccfc6d8939b458529541.jpg

T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)

Portret door Wyndham Lewis, 1938




Geschreven door Romenu om 10:04 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten