Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 januari 2011

Nieuwjaarsboudate (Jan Jacob Slauerhoff), Nieuwjaar (J. C. Bloem)


Aan alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

 

 

 820965-1b863a3f4c1eb8815044f4408fd11d5c.jpg

Cornelis Springer (25. Mai 1817 - 1891)

Gezicht op de Heerengracht bij de Amstel

 

 

 

 

Nieuwjaarsboudate

 

Wie in deze tijd nog gedichten schrijft
En zich richten wil tot een volk dat kijft,
Tot een volk dat niets dan welvaart wil
En bewilliging van iedre modegril,
Hij is meer dan rijp voor het gekkenhuis
En de gekken vinden hem ook niet pluis,
En dus moet hij naar een ballingsoord,
Waar papier en pennen zijn behekst,
Waar de kale muur siert de bijbeltekst:
(Slechts) In den beginne was het Woord.

 

 

 

 820965-08961d97326a91fda0f4996e06256027.jpg

Jan Jacob Slauerhoff (15 september 1898 - 5 oktober 1936)

 

 

 

 

 

Nieuwjaar

 

De nieuwjaarsklokken luiden door de radio.
Stortregen valt. De dag is onbeschrijflijk goor.
Men is alleen gelaten en aanvaardt het zo.
Men vraagt zich zelfs niet af: waarom is 't en waardoor ?

 

Tegen het leven is toch immers niets te doen;
de wereld heeft geen oorden meer om heen te gaan,
en 't hart wordt niet, gelijk de landen, jaarlijks groen:
er is geen vlucht uit een voorgoed mislukt bestaan.

 

 

 

820965-6c1bea53a86f5a1bbc8d537e28ad2674.jpg
J.C. Bloem (
10 mei 1887 - 10 augustus 1966)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e januari ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn tweede en mijn eerste blog van vandaag.
Geschreven door Romenu om 14:16 Reageer op dit bericht

J.D. Salinger, E. M. Forster, Douglas Kennedy, Rascha Peper, Sven Regener

De Amerikaanse schrijver Jerome David Salinger werd in New York geboren op 1 januari 1919. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2008 en ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 29 januari 2010 en ook mijn blog van 1 januari 2010. Salinger overleed op 27 januari van het afgelopen jaar.

 

Uit: The Catcher in the Rye

 

"The fish don't go no place. They stay right where they are, the fish. Right in the goddamn lake."

"The fish - that's different. The fish is different. I'm talking about the ducks," I said.

"What's different about it? Nothing's different about it," Horwitz said. "It's tougher for the fish, the winter and all than it is for the ducks, for Chrissake. use your head, for Chrissake."

I didn't say anything for about a minute. Then I said, "All right. What do they do, the fish and all, when that whole little lake's a solid block of ice, people skating on it and all?"

Old Horwitz turned around again. "What the hellaya mean what do they do?" He yelled at me. "They stay right where they are, for Chrissake."

"They can't just ignore the ice. They can't just ignore it."

"Nobody's ignoring it. Nobody's ignoring it. They live right in the goddam ice. It's their nature, for Chrissake. They get frozen right in one position for the whole winter."

"Yeah? What do they eat then? I mean, if they're frozen solid, they can't even swim around looking for food and all."

"Their bodies, for Chrissake - what'sa matter with ya? Their bodies take in nutrition and all, right through the goddam seaweed and crap. They got their pores open the whole time. That's their nature, for Chrissake."

 

 

 820959-2d6e2e2e3d2f27ae373a480cbbc92a59.jpg

J.D. Salinger (1 januari 1919 – 27 januari 2010)

 

 

 

 

De Engelse romanschrijver en essayist Edward Morgan Forster werd geboren op 1 januari 1879. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2008 en ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: A Room with a View

 

“My dear,” said the old man gently, “I think that you are repeating what you have heard older people say. You are pretending to be touchy; but you are not really. Stop being so tiresome, and tell me instead what part of the church you want to see. To take you to it will be a real pleasure.”

Now, this was abominably impertinent, and she ought to have been furious. But it is sometimes as difficult to lose one’s temper as it is difficult at other times to keep it. Lucy could not get cross. Mr. Emerson was an old man, and surely a girl might humour him. On the other hand, his son was a young man, and she felt that a girl ought to be offended with him, or at all events be offended before him. It was at him that she gazed before replying.

It was ordinary water, nor was there very much of it, and, as Freddy said, it reminded one of swimming in a salad. The three gentlemen rotated in the pool breast high, after the fashion of the nymphs in Gotterdammerung. But either because the rains had given a freshness or because the sun was shedding a most glorious heat, or because two of the gentlemen were young in years and the third young in spirit—for some reason or other a change came over them, and they forgot Italy and Botany and Fate. They began to play. Mr. Beebe and Freddy splashed each other. A little deferentially, they splashed George. He was quiet: they feared they had offended him. Then all the forces of youth burst out. He smiled, flung himself at them, splashed them, ducked them, kicked them, muddied them, and drove them out of the pool.“

 

 

 820959-b1d0f16e9a43037951240ee66f18a091.jpg

Edward Morgan Forster (1 januari 1879 - 7 juni 1970)

Portret door Roger Fry

 




De Amerikaanse schrijver
Douglas Kennedy werd geboren op 1 januari 1955 in New York. Zie ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: The Woman in the Fifth

 

„THAT WAS THE year my life fell apart, and that was the year I moved to Paris.

I arrived in the city a few days after Christmas. It was a wet, gray morning – the sky the color of dirty chalk; the rain a pervasive mist. My flight landed just after sunrise. I hadn't slept during all those hours above the Atlantic – another insomniac jag to add to all the other broken nights I'd been suffering recently. As I left the plane, my equilibrium went sideways – a moment of complete manic disorientation – and I stumbled badly when the cop in the passport booth asked me how long I'd be staying in France.

'Not sure exactly,' I said, my mouth reacting before my brain.

This made him look at me with care – as I had also spoken in French.

'Not sure?' he asked.

'Two weeks,' I said quickly.

'You have a ticket back to America?'

I nodded.

'Show it to me, please,' he said.

I handed over the ticket. He studied it, noting the return date was January 10.

'How can you be "not sure",' he asked, 'when you have proof?'

'I wasn't thinking,' I said, sounding sheepish.

'Évidemment,' he said. His stamp landed on my passport. He pushed my documents back to me, saying nothing. Then he nodded for the next passenger in line to step forward. He was done with me.

I headed off to baggage claim, cursing myself for raising official questions about my intentions in France. But I had been telling the truth. I didn't know how long I'd be staying here. And the airplane ticket – a last-minute buy on an Internet travel site, which offered cheap fares if you purchased a two-week round-trip deal – would be thrown out as soon as January 10 had passed me by. I wasn't planning to head back to the States for a very long time.

'How can you be "not sure" when you have proof?'

 

 

 820959-d52b59fc5a21b0108e9b15ae3f8c8cb7.jpg

Douglas Kennedy (New York, 1 januari 1955)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Rascha Peper (pseudoniem van Jenneke Strijland) werd geboren op 1 januari 1949 in Driebergen. Zie ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: Rico’s vleugels

 

„Ik heb me nog nooit zo raar gevoeld. Ik heb staan vrijen met een man, en volgens mij vond ik het nog niet eens zo erg ook. Zou dat kunnen? Het is zo`n vreemd idee. Eigenlijk ben ik alleen maar zijn hoer, maar mijn gevoel zegt dat ik er ook zelf naar verlang. Ik weet niet wat ik nu moet doen. En toen die werkster binnen kwam, nota bene de moeder van Krokewit, had ik het al helemaal niet meer. Ik wilde helemaal niet stoppen, ik kon de magie van
het moment niet loslaten. Ik weet niet meer of ik alleen maar zit te bedenken hoe het zou zijn om verliefd te zijn op een man, of dat ik ook echt verliefd op hem ben. Hoe hij me streelde over m`n buik, zo teder en lief, hij zou mij nooit pijn doen, en ik zorg er wel voor dat ik me goed laat betalen. Daar gaat het me om, of toch niet? Ik zou willen dat ik dat baantje nooit had gekregen, dat ik die rare Dokter Bol nooit had geholpen met zijn auto. Als hij me alleen al 75 gulden betaald voor een avondje overwerken, hoeveel zou hij dan geven als ik met hem naar bed ga? Als ik dat doe, want ik lig nu zo in de knoop dat ik niks meer weet.
En toen, net toen we alleen zouden zijn, net toen ik zou gaan ontdekken wat ik werkelijk voelde, toen kwam die feeks thuis. De trut, mij een beetje uitschelden, mij weghouden van de man die van mij houdt, van wie ik ook hou? Ze kwam en walste met haar lelijke heksenneus alles plat dat Eduard en ik samen opgebouwd hadden. Daar gaat m`n poen, allemaal omdat die trut zonodig eerder thuis moest komen. Ze liet me nog geeneens gedag zeggen. Mij proberen wijs te maken dat hij boven lag te rusten! Ik weet echt niet wat ik moet doen of eigenlijk wel. Ik ga naar Dijk, pilletje slikken geweest was. Hoe durft ze Eduard en mij uit elkaar te halen, we wisten zelf nog niet eens of alles wel paste, of wij samen de puzzel af konden maken. Ik weet het echt niet meer, ik denk dat ik echt maar een pilletje ga slikken.“

 

 


820959-5595263c5722c539bb637e443ef572fb.jpg
Rascha Peper (Driebergen, 1 januari 1949)

 

 

 

 

De Duitse schrijver en musicus Sven Regener werd geboren op 1 januari 1961 in Bremen. Zie ook mijn blog van 1 januari 2008  en ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: Herr Lehmann

 

„Der Mensch ist einWesen mit freiemWillen, dachte Herr Lehmann, als er sich der anderen Seite des Lausitzer Platzes näherte, jeder muß selber wissen, was er tut und was nicht, und nur weil Erwin ein Depp ist und einen zum Schnapstrinken überredet, heißt das noch lange nicht, daß Erwin schuld

ist, dachte er, aber er dachte auch mit Genugtuung an die FlascheWhisky, die er heimlich hatte mitgehen lassen und die in der großen Innentasche seines langen, für einen Septembertag im Grunde viel zu warmen Mantels steckte. Er selbst hatte zwar keine Verwendung für Whisky, denn er trank ja im Prinzip schon lange keinen Schnaps mehr, aber Erwin mußte immer mal wieder bestraft werden, undHerr Lehmann konnte die Flasche zur Not seinem besten Freund Karl schenken.

Dann sah er den Hund. Herr Lehmann, wie sie ihn neuerdings nannten, obwohl die, die das taten, auch nicht viel jünger waren, obwohl tatsächlich einige von ihnen, sein bester Freund Karl und auch Erwin zum Beispiel, sogar älter waren als er, kannte sich mit Hunderassen nicht aus, aber er konnte

sich beim bestenWillen nicht vorstellen, daß man so ein Tier mit Absicht züchtete.Der Hund hatte einen großen Kopf mit einer mächtigen, sabbernden Schnauze und zwei großen, lappigen Ohren, die links und rechts davon herunterhingen wie zwei welke Salatblätter. Sein Rumpf war fett, und sein Rücken so breit, daß man darauf eine FlascheWhisky hätte abstellen können, seine Beine waren dagegen unverhältnismäßig dünn, sie ragten aus dem Körper heraus wie abgebrochene Bleistifte.

Herr Lehmann, der es nicht übermäßig witzig fand, daß man ihn jetzt so nannte, hatte noch nie ein so häßliches Tier gesehen. Er erschrak und blieb stehen. Er traute Hunden nicht. Und der Hund knurrte ihn an.“

 

 

820959-72bcda27331251c2ed9e7aff2e5a52b9.jpg
Sven Regener (Bremen, 1 januari 1961)
Geschreven door Romenu om 14:08 Reageer op dit bericht

Rüdiger Safranski, Carry van Bruggen, Joe Orton, Mariano Azuela, René de Ceccatty

De Duitse schrijver en filosoof Rüdiger Safranski werd geboren op 1 januari 1945 in Rottweil. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: Goethe und Schiller. Geschichte einer Freundschaft

 

„Freundschaft im eminenten Sinne ist selten. Von Aristoteles wird der Ausspruch überliefert, »meine lieben Freunde, es gibt keinen Freund!« Kant, der sich auf Aristoteles beruft, bemerkt: Freundschaft

in ihrer »Reinheit« und »Vollständigkeit« gedacht, sei wohl doch nur ein »Steckenpferd der Romanschreiber«. Wirkliche Freundschaft ist jedenfalls seltener, als es der inflationäre Wortgebrauch vermuten läßt. Goethe und Schiller haben ihre Freundschaft als ein rares, wunderliches Gewächs angesehen, als ein Glück, als ein Geschenk. Es kam ihnen unglaublich vor, was ihnen da gelungen oder zugestoßen war, und sie gerieten in dankbares Staunen darüber. Im Rückblick nannte Goethe die Freundschaft ein glückliches Ereignis. Ein solches bleibt es für uns auch heute noch, denn man wird in der Geschichte des Geistes lange suchen müssen, um etwas Vergleichbares zu finden – daß zwei schöpferische Menschen höchsten Ranges sich über Gegensätze hinweg verbinden zu wechselseitiger Anregung und sogar zu gemeinsamem Werk.

Die Freundschaft der beiden wurde schon damals zur Heldenlegende verklärt. Man machte die Freunde zu Dichterfürsten auf dem literarischen Olymp und nannte sie die »Dioskuren«. Auch Neid und Widerwille regten sich. Wenn man ihnen nicht am Zeug flicken konnte, wollte man wenigstens den einen gegen den anderen ausspielen, eine Hierarchie zwischen ihnen festsetzen. Wer ist der Bedeutendere, oder werden nicht vielleicht sogar beide überschätzt?

Offiziell wurden sie bald schon als marmorne Klassiker verehrt, aber in jeder Generation regten sich rebellische Anwandlungen. Als Goethe 1829 den Briefwechsel mit Schiller herausgab, nannte ihn Grabbe eine »Sammlung billetmäßiger Lappalien«, und Börne schrieb, »daß unsere zwei größten Geister in ihrem Hause . . . so nichts sind . . . das ist ein Wunder, . . . eine Verwandlung des Goldes

in Blei«.

 

 

820956-0db4ed0b5c81fc13796cb667e2b808c7.jpg
Rüdiger Safranski (Rottweil, 1 januari 1945)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Carry van Bruggen (eig. Caroline Lea de Haan) werd geboren in Smilde op 1 januari 1881. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: Eva

 

„Gisteravond laat al hing hij boven de daken klaar, de rosse lantaarns sloegen er hun gloed tegen aan en vannacht heeft hij zich laten zakken -, de sneeuw. Het is de eerste sneeuw van het nieuwe jaar, het is de eerste sneeuw van de nieuwe eeuw -, sneeuw die de wereld vernieuwt. Het is vandaag de Nieuwe Eeuw -, gister liep de Oude Eeuw ten einde. Honderd jaren waren om. Een bolgeblazen ballon, waaruit het stroomde, stroomde -, eindelijk leeg. Een oude afgewonden ketting, honderd jaar geleden nieuw. Zóó zinken ze het water in, als de schepen voor anker gaan, je staat erbij in het riet, je ziet ze dalen, ze raken het water, ze breken het water, en het sluit zich weer... maar eens, je weet het, worden ze weer in het licht geheven, en de schepen varen de haven weer uit in een voorjaarszon -, de oude eeuw is voor eeuwig verzonken.

Sneeuw ligt uit in platgestreken plakken, sneeuw klimt klevend tegen gevels op.... en het is zoo stil.... en alle leven lijkt weggekropen: het is namiddag, het is Nieuwjaar. En ze gaat alleen. De meid deed open, de deur sloeg toe en David was in het huis en over een half uur komt ze er weer langs. En nu sterven de echo's en nu keert ze zich het eigene toe - zóó zou je iets, van jezelf alleen, voor elk ander verborgen, in een doosje ontblooten.... dit eigene, heimelijke is het gaan langs het huis, en zijn de gedachten.

Ze stijgt het laaggelegen straatje uit, den dijk op en den sterken sneeuwreuk in. Die geven de velden af, die waait het water over.

De molens steken stram en zwart in het wit, de dikke rompen van de overwinterende schepen, tegen den hemel, tegen het water, onwrikbaar, grijs aan grijs. Dit is zijn huis, naar het water gekeerd -, zijn gesloten huis, waar het nu leeg is en wel koud zal zijn en wel heel stil -, sneeuwdoorschenen schemering. Binnen de deur de smalle gang, de bak met zijn stokken, de kapstok met zijn jassen. Eén stok en één jas ontbreken.... hij is op reis. De eerste deur rechts is de kamer met de boekenkast, de laaghangende lamp, de ronde tafel, waar ze zaten, weer zullen zitten, tezamen, het boek tusschen ze in.“

 

 

820956-ccf346e361c2a627c8d9c20db6358d1b.jpg
Carry van Bruggen (1 januari 1881 - 16 november 1932)

 

 

 

 

De Britse schrijver Joe Kingsley Orton werd geboren in Leicester op 1 januari 1933. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: What the Butler Saw (1969)

 

„Act I

 

Geraldine: I've no idea who my father was.

Prentice: I'd better be frank, Miss Barclay. I can't employ you if you're in any way miraculous. It would be contrary to established practice. You did have a father?

Geraldine: Oh, I'm sure I did. My mother was frugal in her habits, but she'd never economize unwisely.

Nick: I've also found someone to take an option on the photographs.

Mrs Prentice: What photographs?

Nick: I had a camera concealed in the room.

Mrs Prentice: When I gave myself to you the contract didn't include cinematic rights.

Nick: I'd like a hundred quid for the negatives. You've got until lunchtime.

Mrs Prentice: I shall complain to the manager.

Nick: It will do you no good. He took the photographs.

Mrs. Prentice: Oh, this is scandalous! I'm a married woman.

Nick: You didn't behave like a married woman last night.

Mrs Prentice: You put me in an impossible position.

Nick: No position is impossible when you're young and healthy.

Mrs Prentice: My uterine contractions have been bogus for some time!

Prentice: What a discovery! Married to the mistress of the fraudulent climax.

Mrs Prentice: Have you taken up transvestism? I'd no idea our marriage teetered on the edge of fashion.

Rance: You may speak freely in front of me. I represent Her Majesty's Government. Your immediate superiors in madness. I'm from the Commissioners.

Prentice: Which branch?

Rance: The mental branch.

Prentice: Do you cover asylums proper? Or just houses of tentative madness?

Rance: My brief is infinite. I'd have sway over a rabbit hutch if the inmates were mentally disturbed.

 

 

 

820956-7149eb4f6bd7f1116bc10002807e6168.jpg
Joe Orton (1 januari 1933 - 9 augustus 1967)

 

 

 

 

 

De Mexicaanse schrijver en medicus Mariano Azuela González werd geboren in Lagos de Moreno op  1 januari 1873. Zie ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: The Underdogs (Vertaald door E. Munguia jr.)

 

„You swine! You've gone and killed my dog! What harm did he ever do you? What did you have against him, poor little Palomo!"

The woman reentered the house, dragging the dog behind her, very white and fat, with lifeless eyes and limp body.

"Look at those cheeks, Sergeant! Don't get riled, light of my life: I swear I'll turn your home into a dovecote, see? But by God!"

"Don't look so haughty, dear, Banish all fear Look at me lovingly Light of my eyes."

The officer finished singing in his tipsy voice.

"Tell me what they call this ranch, woman?" the sergeant asked.

"Lima," the woman replied curtly, carrying wood to the fire and fanning the coals.

"So we're in Lima, eh, the famous Demetrio Macases country, eh? . . . Do you hear that, Lieutenant? We're in Lima."

"Lima? What the hell do I care? If I'm bound for hell, Sergeant, I might as well go there now . . . now that I have such a good mount. Look at the cheeks on that darling, look at them! There's a pair of ripe red apples for a fellow to bite into!"

 

 

 

820956-079a4d0c2b5c9c146d8f0d8e9a8ceb2d.jpg
Mariano Azuela (1 januari 1873 - 1 maart 1952)

 

 

 

 

De Franse schrijver, essayist en vertaler René de Ceccatty werd geboren op 1 januari 1952 in Tunis. Zie ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Uit: Alberto Moriavia

 

„Les lettres d’Alberto à sa tante, dans son adolescence, témoignent de ce lien qu’il eut très tôt, avec le métier d’écrivain. A treize ans, le 17 mai 1921, il lui écrit : « Depuis une semaine, je fais des poésies. J’en ai écrit une douzaine, entre les sonnets et les quatrains, et les rimes alternées en strophes de sept. Elles me viennent assez facilement et la demoiselle de latin m’incite à en écrire encore. En plus, j’ai terminé le roman que j’avais commencé quand tu es cenue et j’en fais un autre. Mais avec ça je m’ennuie toujours. » À cette époque, il lit Pétrarque, Arioste, le Tasse, Dante. Il espère pouvoir s’acheter l’édition illustrée par Gustave Doré. Il écrit déjà des poèmes (en français !)

« Et voilà bien des jours tristes
passés dans un morne découragement
et quand l’aube couleur d’améthyste
poindra parmi les nuages tristement,
je partirai pour un long voyage. »

Et il demande régulièrement son avis à sa tante, en lui envoyant des poèmes (plus tard en italien). Il l’informera des progrès de la rédaction des Indifférents que dès l’été 1926 il a quasiment terminé. Il s’agit donc d’une relation familiale essentielle dans sa vie d’écrivain.“

 

 


820956-f5f406aeae5258a5c78280d9d2fd48a9.jpg
René de Ceccatty (Tunis, 1 januari 1952)

Geschreven door Romenu om 14:03 Reageer op dit bericht

Ashfaq Hussain, Kristijonas Donelaitis, Johannes Kinker, Sándor Petőfi, Anne Duden

De Canadess-Pakistaanse (Urdu) Ashfaq Hussain werd geboren op 1 januari 1951 in Karachi, Pakistan. Zie ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

 

ALL THE COLOURS OF LOVE

 

Come

scatter all the colours

of love on this land

Come

look with the eyes of the heart

as this land

in its love filled fingers,

holding an olive branch

moves towards us

 

The kind metaphor of the olive branch

waits for us

so we may on this new land

scatter all the colours of love

                                   

 

Vertaald door Shehla Burney

 

 

 

 820949-38d42b815bcd0828af5613533262b4f6.jpg

Ashfaq Hussain (Karachi, 1 januari 1951)

 

 

 

 

De Pruisische-Litouwse dichter Kristijonas Donelaitis werd geboren op 1 januari 1714 in Lasdinehlen bij Gumbinnen in het oostelijk deel van Oost-Pruisen. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Winter Cares (Fragment)

 

As these complaints went on, the skies took on a glare;
The northern winds began to race at reckless speed,
And blew the rains to where the storks now idly drowse.
Then through the mass of clouds old Winter stuck his head,
And like a tyrant, doomed the autumn's messy work;
His chilling blasts wiped out the sodden ugliness.
At once he frosted white and clean the fall's manure,
Built solid icy roads across the marshy swamps,
And prompted all to change from tumbrel to a sledge.
So now, where we before adored the happy spring
And gladly gathered rainbow-colored buds and blooms,
And where we later ended hearty summer joys,
There now the drifting snow makes ranges of white hills,
And winter's fingers weave pearl blossoms on the bough.

 

How grand it is to see the tall bewhiskered pines,
With their snow covered crests, remaining stoically,
Like powdered gentlemen in dignified parade.
But in their shade, like boors under a ledge of roof,
The naked saplings, pinched by the relentless frosts
And harried by the whistling winds, bow down and wail.
And e'en the fallen trees and stumps become disturbed,
As the north wind his mighty bellows puts to work
And sifts, as with the sieves, the pearly dust of snow.
Too, e'en the beasts of wood of late have disappeared.
So as the cold winds rage and the air changes clash,
Some animals are nestling in their wind-tight lairs,
While others cower high up in the trees and drowse.

 

 

 

 820949-ff3a24106b672057d2478b35d9437e58.jpg

Kristijonas Donelaitis (1 januari 1714 – 18 februari 1780)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, filosoof en advocaat Johannes Kinker werd geboren in Nieuwer-Amstel op 1 januari 1764. Zie ook mijn blog van 1 januari 2007 en ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

 

Weeklagt (Fragment)

 

‘Hoe lang nog, Hemel! moet het onregt ons verdrukken?

 Hoe lang de menschheid voor haar beulen nederbukken,

 En magtloos zuchten onder 't juk, dat op haar weegt?

 Wordt dan de rampfiool van 't misdrijf nooit geleêgd;

 En vult zij zich gestaâg, bij 't gudsend nedergieten

 Der gruwelstroomen, die op 't rookend aardrijk vlieten?

 Wat grimmig God bezielt het werktuig zijner wraak!

 Zien we op deez' Oceaan van jammeren geen baak,

 Geen licht, dat ons vertroost? - Moet, waar we onze oogen wenden,

 Een smeulend nachtlicht ons den springvloed der ellenden, 

 Slechts nu en dan door de eb vervangen, kennen doen?

 

 

 

820949-f9828ae6406a109174a802144b5e6713.jpg
Johannes Kinker (1 januari 1764 – 16 september 1845)

 

 

 

 

De Hongaarse dichter Sándor Petőfi werd geboren in Kiskőrös op 1 januari 1823. Zie ook mijn blog van 1 januari 2009 en ook mijn blog van 1 januari 2010.

 

Winter

 

Heut hat sich einer aufgehängt,
jetzt wird es Winter... Mensch und Tiere,
sie schlottern, wie vom Wind geschwenkt,
die Messingteller der Barbiere.
Wem's schlecht ging, dem geht's nun noch schlimmer,
nicht jeder hat ein warmes Zimmer.

 

Der Tagelöhner eilt, eh's schneit,
mit seinem Weib, Holz kleinzuschlagen,
ihr eingemummter Säugling schreit,
als wollt er so den Wind verjagen.
Wem's schlecht ging, dem geht's nun noch schlimmer,
nicht jeder hat ein warmes Zimmer.

 

Der Wachsoldat vor dem Portal
muß schneller hin und her marschieren,
die Schritte zählt er Mal um Mal,
daß ihm die Füße nicht erfrieren.
Wem's schlecht ging, dem geht's nun noch schlimmer,
nicht jeder hat ein warmes Zimmer.

 

Der Rastelbinder schleppt sich da
im schäbigen Rock auf dürren Beinen,
die Nase rot wie Paprika,
vor Kälte scheint er fast zu weinen.
Wem's schlecht ging, dem geht's nun noch schlimmer,
nicht jeder hat ein warmes Zimmer.

 

Der alte Jahrmarktspieler sucht
von Dorf zu Dorf sich durchzuschlagen,
hat auch kein warmes Zeug, verflucht!
doch Heißhunger genug im Magen.
Wem's schlecht ging, dem geht's nun noch schlimmer,
nicht jeder hat ein warmes Zimmer.

 

Und der Zigeuner... nun, der kann
im Zelt nur zähneklappernd sitzen,
beständig zerrt der Wind daran
und schafft sich Einlaß durch die Ritzen.
Wem's schlecht ging, dem geht's nun noch schlimmer,
nicht jeder hat ein warmes Zimmer.

 

Heut hat sich einer aufgehängt,
jetzt wird es Winter... Mensch und Tiere,
sie schlottern, wie vom Wind geschwenkt,
die Messingteller der Barbiere.
Wem's schlecht ging, dem geht's nun noch schlimmer,
nicht jeder hat ein warmes Zimmer.

 

 

 

 820949-eda254bf30af114e96bee39378091ddb.jpg

Sándor Petőfi (1 januari 1823 - 31 juli 1849)

 

 

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Anne Duden werd geboren op 1 januari 1942 in Oldenburg.

Zie ook mijn blog van 1 januari 2009. 

 

Uit: Zungengewahrsam

 

"Bilder heben ein Wissen auf, in meinen Augen ..., auch in diesem doppelten Sinne: aufheben und aufheben, und ich kann dieses Wissen am besten, viel besser noch als in Texten, besser auch als in der Musik, - abrufen, wenn ich ein Bild sehe. Das muß ich natürlich schrittweise machen. Das ist nicht mit einem Donnerschlag da. In gewisser Weise kann man auch sagen, die Bilder müssen gelesen werden. Es ist für mich ein Material, das sich mir geradezu anbietet. In vielen Bildern finde ich ein Wissen wieder, was mir durch den Blick auf das Bild erst bewußt wird."

 

 

 820949-a12619f0bee38d80456885a97fe9bb88.jpg

Anne Duden (Oldenburg, 1 januari 1942)

Geschreven door Romenu om 13:59 Reageer op dit bericht

Jonas T. Bengtsson

De Deense schrijver Jonas T. Bengtsson werd geboren op 1 januari 1976 in Kopenhagen. Zie ook mijn blog van 17 september 2010.

 

Uit: Submarino (Vertaald door Günther Frauenlob)

 

„Kamal weiß ganz genau, dass in seinem Studio Steroide genommen werden. Man sieht das den Leuten an, ihren Muskeln und manchmal auch ihren Augen, wenn sie sie nicht mehr unter Kontrolle haben. Es wurden schon Leute rausgeschmissen, die wegen nichts und wieder nichts Amok gelaufen sind. Weil sie nicht sofort ihre Gewichte kriegten, stand ihnen plötzlich Schaum vor dem Mund. Kamal weiß, wer etwas nimmt, wer etwas verkauft und was. Er muss es irgendwann akzeptieren, so ist das einfach. Schließlich kriegt er sogar etwas Provision, weil er die Räumlichkeiten zur Verfügung stellt. Aber das heißt noch lange nicht, dass er dem ganzen Markt Tür und Tor öffnet. Der Tätowierte erhebt sich vom Betonboden. Er nickt langsam, hat verstanden. »Dann sehen wir dich hier nicht mehr?« »Nein, ist in Ordnung, nein ...« Der Typ kratzt sich über die kurzen Stoppeln und streichelt die Spinne in seinem Nacken. »Kann ich jetzt gehen?«
»Nein.« »Nein?« »Ich muss sicher sein, dass du das wirklich kapiert hast.« Kamal geht langsam auf den Mann zu. Der Ringer rührt sich nicht, sondern bleibt neben der Tür stehen. Ich nicke ihm im Vorbeigehen zu. »Wir sehen uns.« Das Sonnenlicht sticht. Ich durchwühle meine Taschen und krame eine zerkratzte Sonnenbrille heraus. Ich kann die ersten Schläge aus der Fabrikhalle hören. Das dumpfe Klatschen, das von den Wänden des leeren Raums zurückhallt.
Ich gehe in den Supermarkt an der Hochbahn, gebe die leeren Flaschen zurück und schlendere dann nach hinten zum Bier. Ich nehme fünf Flaschen. Nach dem Bezahlen verschwinden sie in der Tasche, das Handtuch dar über, schön vorsichtig, damit nichts klirrt.In einem Imbiss kaufe ich zwei Schawarma. Hinter mir wird laut gelacht. Wo gehen wir hin? Was machen wir?“

 

 

994412-63e3e8db763090d86f70e16ce8daea9e.jpg
Jonas T. Bengtsson (Kopenhagen, 1 januari 1976)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten