Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 16 februari 2016

Elisabeth Eybers, Anil Ramdas, Ingmar Heytze, Iain Banks, Alfred Kolleritsch, Aharon Appelfeld

De Zuidafrikaanse dichteres Elisabeth Eybers werd geboren op 16 februari 1915 in Klerksdorp. Zie ook alle tags voor Elisabeth Eybers op dit blog.

 

Versinsels

Versinsels is eerstens 'n soort van bedryf
om dingen wat onderling klop op te skryf,
die gees te verhef bo die lydsame lyf:

verzinsels wil graag hul uiterste doen
om liggaam en siel met mekaar te versoen,

nie soseer om die werklikheid te onthul
as om sy tekortkoming aan te vul.

Wat van voortgezette verzinsels nou?
Hoe lank kan jy hulle nog blindelings vertrou
om jou dag na dag op die been te hou?

 

 

Sterwende

Nou knal die walle van die tyd
voor aantog van die ewigheid
 
en styg die gistende gety
die laaste bakenpen verby.
 
Sy neusvleuels swoeg, nog ongewend
aan hierdie strawwe element,
 
sy oordrom dreun van die rumoer
wat fondamente ruk en roer,
 
sy netvlies krimp, deur slierte lig
geklief. Sy vleeslose gesig
 
is blink gebeitel en geskaaf
tot sidderende seismograaf.

 


Verwyt
 
Woorde wil àl wat uit die duister wel
in hul spitsvondige patroon saamknel.
 
Die flikkering van aksiomas dring
soos angs-oë deur die nag wat ons omring.
 
Woorde wil die Verborgenheid laat swig
voor hul misleidende moerasgaslig.
 
‘Hier is die Wondermiddel wat nooit faal!
Hier is die Waarheid, binne perk en paal!’
 
Kwaksalwerkrete en kermismusiek
laat jou terugkrimp, eensaam en twyfelsiek.
 
Maar ná 'n week in die woestyn - wat bly
nog oor van jou onkreukbaarheid, as jy
 
dit opgesom en vereenvoudig het
tot 'n klein, selfgenoegsame sonnet?

 

 1878511-43512e245a1a0e27534e26100b38e9b1.jpg
Elisabeth Eybers (16 februari 1915 – 1 december 2007)
In 1979

 

 

De Surinaams-Nederlandse schrijver,columnist, essayist, programmamaker en presentator Anil Ramdas werd geboren in Paramaribo op 16 februari 1958. Zie ook alle tags voor Anil Randas op dit blog.

Uit: Badal

“De stationshal van Zandvoort zag eruit alsof er sinds de oorlog niets aan was gedaan. Tegels met afgebroken hoekjes, een kleine kiosk rechts, groene deuren waarop papiertjes met het woordje ‘nat’ waren geplakt.
Had hij alleen naar huis gewild om zijn soberheid te bewijzen?
Eigenlijk wilde hij vooral koken in zijn keuken, net als vroeger. Lang geleden. Als hij dikke riblappen had gehaald, ze in blokken sneed ter grootte van een handpalm, ze even heel hard aan alle kanten bakte.
Intussen sneed hij een grote ui en drie of vier teentjes knoflook, als zijn vrouw niet thuis was. Ze beweerde dat ze er last van had als hij te veel knoflook gebruikte, maar als ze niet had gezien hoeveel fijngesneden teentjes hij in de pan deed, merkte ze er niets van. Zijn geheim was de mosterd die hij erbij deed voordat hij kokend water over het vlees goot om het twee uurtjes te laten sudderen: twee overvolle eetlepels van de pittigste mosterd die hij kon vinden. Volgens de recepten was dat vier keer te veel, maar vooral zijn zoon vond zijn draadjesvlees lekker. Hij kon door het raam van zijn werkkamer naar hem kijken terwijl hij at. Vaders willen hun kinderen graag zien eten. Het geeft een bevrediging die je op geen enkel ander moment krijgt. Niet als je zelf eet, niet als je vreemden ziet eten. Zo had de evolutie het geregeld, dat je het fijn vond je nakomelingen te voederen.
Hij liep een Italiaans restaurant binnen, tegenover het Holland Casino. Het was leeg. Er stond een Turkse man achter de bar, die tegelijk ook kok en ober was. De radio stond aan, op een zender die voetbaluitslagen gaf, maar het volume leek niet te maken te hebben met\ zijn liefde voor voetbal. Hij was doof. Dat merkte Badal toen hij op luide toon ‘pardon’ zei en de Turk, die vlak bij hem achter de bar borden stond af te drogen, niet reageerde. Racist, dacht hij eerst, dat was het eerste wat hij dacht. Racisme mocht tegenwoordig, iedereen mocht racistisch zijn, ook de blanken, van wie hij vroeger had gedacht dat zij zulke lage gevoelens niet koesterden, omdat ze erboven stonden.”

 

 1878511-807f019c161b2f963f8261bb1562d840.jpg
Anil Ramdas (16 februari 1958 - 16 februari 2012)

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Ingmar Heytze werd geboren op 16 februari 1970 in Utrecht. Zie ook alle tags voor Ingmar Heytze op dit blog.

 

Nekplooi

Wanneer ben je maar beter dood?
Hoe groot is de kans op panisch kalm
een rolstoel door de straten sturen,
kwijlend op een trommel slaan,
op kreupel, gek, of half zo oud.

Hoeveel vingers steek ik op?

Je maakt een kind om te vergaan.
Ik was er zelfs soms liever niet geweest.
Maar dan, wie weet wie later naar
de sterren springt, de redeloze aarde
redt. Wie de nieuwe Breivik baart.

Vingers, zei ik. Vingers graag.

 

 

Hoor eens, ik haat je

Hoor eens ik haat je,
ik schreef dat je lief was en licht -
en nog wat onzin over je gezicht
maar nu haat ik je, god wat haat ik je.

Die neus, dat hoofd, die paardenbek,
die ogen en die gierennek
dat kraagje en dat bloemkooloor
met al je slierten haar er voor.

Hoor eens ik wou graag zijn
jou, maar het kon niet zijn,
het licht is uit, ik zie je alsnog
zoals je werkelijk bent.

O ja, ik haat je,
ik haat je zo vreselijk,
ik wou het helemaal niet zeggen -
maar ik moest het even kwijt.

 

 

Moeders lessen

Jongen, liefde is vrij hopeloos.
Het overkomt geen fotomodellen
maar gewone, lelijke mensen
zoals wij. Je wordt er niet
beter van, je kijkt een week
wat minder treurig misschien.
Kortom, een hoop gedoe, slecht
voor je rug...
Blijf toch gezellig thuis,
dan leggen we nog een scrabbeltje.

 

 1878511-8438cb1bb455493f2f698e86b459fe12.jpg
Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)

 

 

De Schotse schrijver Iain Menzies Banks werd geboren op 16 februari 1954 in Dunfermline, Schotland. Zie ook alle tags voor Ian Banks op dit blog.

Uit: Use of Weapons

“He shrugged. “Whatever.”
“Aw, Darac, come on; argue, dammit.”
“I don’t believe in argument,” he said, looking out into the darkness (and saw a towering ship, a capital ship, ringed with its layers and levels of armament and armor, dark against the dusk light, but not dead).
“You don’t?” Erens said, genuinely surprised. “Shit, and I thought I was the cynical one.”
“It’s not cynicism,” he said flatly. “I just think people overvalue argument because they like to hear themselves talk.”
“Oh well, thank you.”
“It’s comforting, I suppose.” He watched the stars wheel, like absurdly slow shells seen at night: rising, peaking, falling...(And reminded himself that the stars too would explode, perhaps, one day.) “Most people are not prepared to have their minds changed,” he said. “And I think they know in their hearts that other people are just the same, and one of the reasons people become angry when they argue is that they realize just that, as they trot out their excuses.”
“Excuses, eh? Well, if this ain’t cynicism, what is?” Erens snorted.
“Yes, excuses,” he said, with what Erens thought might just have been a trace of bitterness. “I strongly suspect the things people believe in are usually just what they instinctively feel is right; the excuses, the justifications, the things you’re supposed to argue about, come later. They’re the least important part of the belief. That’s why you can destroy them, win an argument, prove the other person wrong, and still they believe what they did in the first place.” He looked at Erens. “You’ve attacked the wrong thing.”

 

 1878511-56f609dde4e8618045366f7abb7d1fff.jpg
Iain Banks (16 februari 1954 – 9 juni 2013)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Alfred Kolleritsch werd geboren op 16 februari 1931 in Brunnsee, Südsteiermark. Zie ook alle tags voor Alfred Kollertitsch op dit blog.

 

Epigramm

Dir gibt das Verweilen Sanftmut,
sie ist die Überraschung der Strenge,
die nichts bleiben läßt.
Du bist, was du verlierst,
was dir niemand bestimmen darf.

Das seit Anbeginn Gelebte,
wir sind es ganz und der Teil davon
Das dunkelgrüne Kamelienblatt
in deiner Hand übersetzt sich selbst:
Das Blatt bist du, vergiß die Blüte.

 

 

DIE GERÄUSCHE sind aufgebraucht.
Im Gänsemarsch treten sie auf:
Erinnerungen an Angst, Zufall und Not.

Die halboffene Tür
verletzt nicht den Raum.
Die Luft strömt vorbei.
Die Generationen, das wegschmelzende Eis,
erhoffen die nächsten Gewölbe.

Es ist wieder die Zeit,
zu erfahren, sich hinzugeben,
mit dem Hochmut der Farben:
selbst zu sein,
frei zu sein für die DINGE.

Mit unserer Stille aufzutreten,
sagtest du,
heißt, den verlorenen Abgrund finden,
die nüchterne Schädelstätte.

Wir sind hier, wo ist der Ort?
Wo ist die ganze Welt
bis zu unserem Ende?

Es geht darum: herauszufinden
aus der selbstgefälligen Schwerkraft,
aus den Weissagungen.

Anfang und Ende verlieren ihr Maß,
wenn das eigene Herz
seinen Namen weiß:
wir sind da, der Name zu sein.

 

 1878511-a447daa317f4a85e69023434d3fa7ed8.jpg
Alfred Kolleritsch (Brunnsee, 16 februari 1931)

 

 

De Israëlische schrijver Aharon Appelfeld werd geboren op 16 februari 1932 in Sadhora in de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Aharon Appelfeld op dit blog.

Uit:On the Edge of Our City

“Tel-Aviv in July is a sticky city. You can’t touch a railing or lean against a wall. I bought a pair of gloves to separate myself from the murky substances that surround me.
Everything is sweaty, and I spend hours in the shower. But the steamy sweat outside penetrates my house, sullying the air and stifling. I turn on the classical music station and sit in an armchair. An hour or two of music pluck me out of the boiling pot and restore my thoughts to me.
Only toward evening do I dare to leave the house. Even at six o’clock the heat doesn’t disperse. I flee to the sea and fool myself into thinking that I’ll find a little cool air there. That’s wrong. Only late at night does the sea wind reach the shore, slightly release the tension in my limbs, and cast slumber upon me. Once I fell asleep on the sand and woke up at dawn. Since then I’ve been careful. When I feel slumber gripping me, I gather all my strength, cross the streets, and steal into my lair. Then my small, eternal dilemmas arise: should I open the west window, turn on the fan, or maybe the air-conditioner? The air-conditioner is the enemy of my bones. I only turn it on when my distress is acute. If it weren’t for the winter, it’s doubtful whether I could keep going in this place. At the end of March I start longing for winter.
In the winter I’m another man. I open the my apartment door and step out, standing straight. My hat and coat immediately give me privacy, and I feel isolated. People who scurry about always depress me. In the winter few people are in the streets. I walk along them, and my liberty returns to me.“

 

 1878511-41072168a73f54f69422a392e1b27093.jpg
Aharon Appelfeld (Sadhora, 16 februari 1932)

 

 

Zie voor meer schrijvers van de 16 februari ook mijn blog van 16 februari 2015 en eveneens mijn blog van 16 februari 2013 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

 

Geschreven door Romenu om 19:35 Reageer op dit bericht

L. W. Wiener

De Nederlandse schrijver L. W. (Lodewijk Willem Henri) Wiener werd geboren in Amsterdam op 16 februari 1945. Wiener debuteerde met verhalen in Tirade in 1966 met “Mijne heren”. In 1967 verscheen zijn eerste verhalenbundel, “Seizoenarbeid”, die al direct tot commotie leidde. De houder van een strandpaviljoen in Zandvoort, die zich in een van die verhalen geportretteerd meende te zien op een wijze die niet strookte met zijn zelfbeeld, eiste dat het werk uit de handel werd genomen. In een herdruk werd diens naam gewijzigd in die van de schrijver, "Wiener". Enige publiciteit leverde dit Wiener wel op, maar weinig extra verkopen. De herdruk belandde in de uitverkoop en een roman, “Zwarte Vrijdag” (1967), die hierop volgde, werd door de kritiek genegeerd, een lot dat gedeeld werd met Wieners verhalenbundels daarna: “Duivels jagen” (1968) en “Man met ervaring” (1972). Intussen bleef Wiener schrijven. Zijn verhalen werden van tijd tot tijd gebundeld; de kwaliteit werd beoordeeld als wisselend. Het werk kreeg, hoewel bewonderaars Wiener bleven volgen, weinig of geen aandacht in de pers. Het duurde ruim dertig jaar voordat hem enige erkenning te beurt viel: zijn tweede roman “Nestor” (2002) werd in 2003 bekroond met de F.Bordewijk-prijs. Dat was aanleiding tot een inhaalslag. In 2003-04 verschenen in twee delen zijn verzamelde verhalen, die in de pers in het algemeen gunstig werden besproken. “De verering van Quirina T.” was genomineerd voor de Libris literatuurprijs 2007. In 2015 werd Wiener 70 en kreeg het liber amicorum LHW70 aangeboden. Enige maanden later werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Uit: Duivels jagen

“Honderdtwintig.
Ik heb wind mee; ik kan op mijn snelheidsmeter zien dat ik de wind in de rug heb. Dat is niet zo bizonder want deze wagens hebben maar twee cylinders en de wind oefent zelfs invloed uit op wagens met een groter vermogen. Het enige verschil met de mijne wat dit aangaat is eigenlijk dat mee- of tegenwind bij mijn auto veel meer bepalend is voor de maximum snelheid dan voor andere wagens. Met tegenwind kom ik nauwelijks op negentig, terwijl wagens die onder ideale omstandigheden zeg honderddertig halen met sterke wind tegen nog even hard kunnen als deze nu.
Het zou geweldig zijn als ze een wagen konden ontwikkelen die met tegenwind sneller kan dan met wind mee. Op zichzelf misschien zinloos, maar in ieder geval een uitdaging aan de logika.
Ik raas de tunnel in. In een tunnel wordt altijd hard gereden. Waarom? Een tunnel benauwt. Men wil er snel weer uit. Dat zou het kunnen zijn. Tunnelvrees.
Ik minder vaart; ik ben vroeg genoeg. Ik denk dat ik nooit vaart geminderd zou hebben als ik er niet aan gedacht had dat men in tunnels altijd jaagt. Daarom wilde ik het niet doen. Ik wilde niet vol gas rijden, omdat ik vol gas reed, omdat iedereen dat doet; tenminste in tunnels, daarom minderde ik vaart, omdat ik niet iedereen ben.
Ik rij onder water, schepen varen boven mijn hoofd.
Als ik aan het andere eind van de tunnel het bord uw lichten zie, realiseer ik me dat ik die vergeten heb aan te doen. Het is de eerste keer tot nu toe dat ik dat heb nagelaten. De eerste keer in drie weken. Ik voel dat het een bizondere dag gaat worden vandaag.
Ik kan de wagen kwijt bij de loods waar de twee motorschoppen staan, de grote en de nog grotere, de metalen bisons.
Boven aan de trap blijf ik staan en kijk over de haven. Er ligt een nieuw schip aan de kade. Een enorme tanker. De zon glinstert op het water. In de verte mondt de vaargeul uit in de grote grijze buik van de zee. Het is niet zo'n goed beeld, maar ik kan aan niets anders denken. Ik heb al vaker gedacht aan de zee als aan een soort moeder, ik weet niet waarom, hoe kan ik altijd weten waarom ik iets denk. Trouwens, de zon heeft ook iets van een moeder. Dat is niet zo vaag. Het zal wel verband houden met de warmte en dat we zonder zon niet kunnen leven; het zal psychologies wel te verklaren zijn.”

 

 1888645-f105284c403d9ad54386bf504fb44f7b.JPG
L. W. Wiener (Amsterdam, 16 februari 1945)



Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten