Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 25 oktober 2014

Willem Wilmink, Anne Tyler, Elif Shafak, Daniel Mark Epstein, Peter Rühmkorf, Jakob Hein

De Nederlandse dichter, schrijver en zanger Willem Andries Wilmink werd geboren in Enschede op 25 oktober 1936. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Willem Wilmink op dit blog.

 

Angst voor geluk

Soms in de nacht als je naast me ligt,
als je naast me ligt met je meidengezicht,
dan heb ik je weer zo lief.
En ik denk met trots aan ons kleine gezin,
en ik denk: er zit wel samenhang in,
het biedt wel perspectief.

Daar komen nare gedachten van:
dat het zo niet altijd maar duren kan,
het is allemaal veel te fijn.
Nu is mijn bedje wel gespreid,
maar deze kinderen, deze meid
zijn te mooi om waar te zijn.

Wat maken we misschien nog allemaal mee,
misschien ga jij met een ander in zee,
met een zwaarbehaarde man.
Of slepende ziekte of ander kruis
komt over de wereld of over ons huis,
en maakt er een puinhoop van.

Dat denk ik dan. Maar de volgende dag
geeft een ruzie die er wezen mag,
een fraai stuk burengerucht.
En al die gedachten, mijn lekker stuk,
aan ziekte en ontrouw en ongeluk
slaan ratelend op de vlucht.

 

 

Een probleem

Vandaag vroeg mijn zoontje
met angstige stem:
'Als iemand dood is,
wat gebeurt er dan met hem?'

Nu ken ik wel iemand
die daarover zegt:
'Wie dood is die komt
in de hemel terecht!'

Maar weer iemand anders
vertelde zowaar:
'Als je dood bent dan komt er
een tovenaar,

dan tovert hij aan aan je,
en word je een dier,
een muis of een tijger,
een leeuw of een mier

Zelf mag je kiezen
welk dier je wilt zijn:
een mug of een olifant,
of een konijn.'

Maar op een morgen
ben ik gegaan
naar een man die heel oud was,
dus gauw dood zou gaan.

'Of ik een dier word,'
zei deze man,
'of in de hemel kom,
ik weet er niks van.

Maar als ik dood ben
is het eerste wat ik doe:
Honderd jaar slapen.
Want ik ben moe.'

 

 

 1670167-b2f3c1e34e465d828b6a40c7391926ed.jpg
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Anne Tyler werd geboren op 25 oktober 1941 in Minneapolis, Minnesota. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Anne Tyler op dit blog.

Uit: The Amateur Marriage

“The drugstore’s closed,” Katie told her.
“Closed?”
“It says so on the door. Mr. Sweda’s joined the Coast Guard.”
“He’s done what?”
The girl in the red coat was very pretty, despite the trickle of blood running past one ear. She was taller than the two neighborhood girls but slender, more slightly built, with a leafy cap of dark-blond hair and an upper lip that rose in two little points so sharp they might have been drawn with a pen. Michael came out from behind the counter to take a closer look at her. “What happened?” he asked her—only her, gazing at her intently.
“Get her a Band-Aid! Get iodine!” Wanda Bryk commanded. She had gone through grade school with Michael. She seemed to feel she could boss him around.
The girl said, “I jumped off a streetcar.”
Her voice was low and husky, a shock after Wanda’s thin vio- lin notes. Her eyes were the purple-blue color of pansies. Michael swallowed.
“A parade’s begun on Dubrowski Street,” Katie was telling the others. “All six of the Szapp boys are enlisting, haven’t you heard? And a couple of their friends besides. They’ve got this banner—‘Watch out, Japs! Here come the Szapps!’—and everyone’s seeing them off. They’ve gathered such a crowd that the traffic can’t hardly get through. So Pauline here—she was heading home from work; places are closing early—what does she do? Jumps off a speeding streetcar to join in.”
The streetcar couldn’t have been speeding all that fast, if traffic was clogged, but nobody pointed that out. Mrs. Brunek gave a sympathetic murmur. Carl or Paul or Peter said, “Can I go, Mama? Can I? Can I go watch the parade?”
“I just thought we should try and support our boys,” Pauline told Michael.
He swallowed again. He said, “Well, of course.”

 

 1670167-9af5be3e8f1dd02f14cd9d72cefbc377.jpg
Anne Tyler (Minneapolis, 25 oktober 1941)

 

 

De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971. Zie ook alle tags voor Elif Shafak op dit blog.

Uit: Liefde kent veertig regels (Vertaald door Manon Smits)

“Ella sloot haar ogen en probeerde zich voor te stellen hoe de kleuren van haar aura haar gezicht omringden. Opmerkelijk genoeg was het beeld van zichzelf dat in haar opkwam niet haar volwassen ik, maar zijzelf als kind, toen ze een jaar of zeven was.
Er kwamen een heleboel dingen terug, herinneringen waarvan ze dacht dat ze ze achter zich had gelaten. De aanblik van haar moeder die stilstond met een pistachegroen schort voor en een maatbeker in haar hand, haar gezicht een asgrauw masker van pijn; bungelende papieren hartjes aan de muren, felgekleurd en vol glitters, en het lichaam van haar vader dat aan het plafond hing alsof hij wilde meedoen met de kerstversieringen en het huis iets feestelijks wilde geven. Ze herinnerde zich hoe ze tijdens haar tienerjaren haar moeder verantwoordelijk had gehouden voor de zelfmoord van haar vader. Als jong meisje had Ella zich heilig voorgenomen om als zij ging trouwen, haar man altijd gelukkig te maken en haar huwelijk niet te laten mislukken, zoals haar moeder had gedaan. In haar poging om haar huwelijk zo veel mogelijk van dat van haar moeder te laten verschillen, was ze niet met een christelijke man getrouwd, maar had ze de voorkeur gegeven aan iemand binnen haar eigen geloofsgroep.
Pas een paar jaar geleden had Ella de haat voor haar ouder wordende moeder laten varen, en hoewel ze de laatste tijd een goede verstandhouding hadden was het een feit dat ze zich diep van binnen nog steeds niet op haar gemak voelde als ze aan het verleden dacht.
‘Mam! … Aarde naar mam! Aarde naar mam!’
Ella hoorde een hoop gelach en gefluister achter zich. Toen ze omkeek zag ze vier paar ogen die geamuseerd naar haar keken. Orly, Avi, Jeannette en David waren voor één keer allemaal om dezelfde tijd naar de ontbijttafel gekomen, en stonden haar nu op een rijtje te bestuderen alsof ze een of ander exotisch wezen was. Te oordelen naar hun blikken hadden ze daar al een heel tijdje gestaan, in een poging om haar aandacht te trekken.
‘Goedemorgen allemaal’, zei Ella met een glimlach.”

 

 1670167-8d16f6de8b68b3de44640bf45fe4274d.jpg
Elif Shafak (Straatsburg, 25 oktober 1971)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en biograaf Daniel Mark Epstein werd geboren op 25 October 1948 in Washington, D.C. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Daniel Mark Epstein op dit blog.

Uit: Lincoln and Whitman

“And knowing the storm the book had caused in more sophisticated circles, Herndon brought the brickbat-shaped volume to the office he shared with Lincoln and set it in clear view on the table, where anyone might pick up the book and thumb through it. Leaves of Grass was exactly the length of a man's hand. He laid it down on the baize-covered table with the complacence of an anarchist waiting for a bomb to explode.
The Lincoln-Herndon law office was on the second floor of a brick building on the west side of Springfield's main square, across from the courthouse. Visitors mounted a flight of stairs and passed down a dark hallway to a medium-sized room in the rear of the building. The upper half of the door had a pane of beveled glass, with a curtain hanging from a wire, on brass rings. Lincoln would unlock the door, open it, and draw the curtain as he closed the door behind him. Two dusty windows overlooked the alley.
Herndon's biographer David Donald describes the office as "a center of political activity, of gossip and friendly banter, and of such remote problems as the merits of Walt Whitman's poetry."
The office was untidy and cobwebbed. Once, after Lincoln had come home from Congress with the customary dole of seeds to distribute to farmers, John Littlefield, a law student, discovered while sweeping that some of the stray wheat seeds had sprouted in the cracks between the floorboards.
A long pine table that divided the room, and met with a shorter table to make a T, was scored by the jackknives of absent-minded clerks and clients. In one corner stood a secretary desk, its many pigeonholes and drawers stuffed with letters and memoranda, its besieged surface sustaining a spattered earthenware inkwell and a few gold pens. Bookcases rose between the tall windows. A spidery black stain blotted one wall, at the height of a man's head, where an ink bottle had exploded-the memento, according to Lincoln, of a disagreement between law students over a point of jurisprudence that would not yield to cold logic. »

 

 1670167-0c14b10c0080657c4f72e221b92826f9.jpg
Daniel Mark Epstein (Washington, 25 oktober 1948)
Cover 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Peter Rühmkorf werd geboren op 25 oktober 1929 in Dortmund. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Peter Rühmkorf op dit blog.

 

Außer der Liebe nichts

Flüchtig gelagert in dieses mein Gartengeviert,
wo mir der Abend noch nicht aus dem Auge will,
schön ist’s,
hier noch sagen zu können: schön,
wie sich der Himmel verzieht und die Liebe zu Kopf steigt,
all nach soviel Unsinn und Irrfahrt
an ein seßhaftes Herz zu schlagen, du spürst
einen Messerstich tief in der ledernen Brust
DIE FREUDE.

Wo nun dieser mein Witz das Land nicht verändert,
mein Mund auf der Stelle spricht,
- hebt sich die Hand und senkt sich für garnichts das Lid -
doch solang ich noch atmund-rauchund-besteh,
solang mich mein Kummer noch rührt
und mein Glück mich noch angeht,
will ich
was uns die Aura am Glimmen hält,
mit langer Zunge loben!

Unnütz in Anmut: Dich,
wo die Nacht schon ihr Tuch wirft
über dein ungebildetes Fleisch, es kehren
alle Dinge sich ihre endliche Seite zu,
und aus ergiebigem Dunkel rinnt
finstere Fröhlichkeit...
Ich aber nenne diesseits und jenseits der Stirn
außer der Liebe nichts,
was mich hält und mir beikommt.

 

 1670167-4d1f5128f6a037b951776965a1ca209a.jpg
Peter Rühmkorf (25 oktober 1929 – 8 juni 2008)

 

 

De Duitse schrijver en arts Jakob Hein werd geboren op 25 oktober 1971 in Leipzig. Zie ook alle tags voor Jakob Hein op dit blog en ook mijn blog van 25 oktober 2010

Uit: Herr Jensen steigt aus

„Als der Job dann anfing, arbeiteten Matthias und er in verschiedenen Bereichen, so daß man sich selten sah. Matthias hatte sich in die Paketabteilung setzen lassen, weil dort öfter mal etwas abfiel, wie er grinsend meinte. Bei Herrn Jensen fiel nichts ab, er holte morgens seine Post ab, verteilte sie in die entsprechenden Briefkästen und fertig. Das war besser, als in den Ferien zu Hause herumzusitzen, und er bekam am Ende sogar noch Geld dafür.
Im folgenden Frühjahr ging Herr Jensen wieder zum selben Büro und bewarb sich für den Sommer. Er hatte immer noch keine Ahnung, wo sonst man sich nach einem Ferienjob erkundigen sollte.
Er kannte die, die kannten ihn, er konnte wieder bei der Post arbeiten. Später, als Student, hatte er den Job natürlich auch nicht aufgegeben, wo er so gut eingearbeitet war und das Geld noch besser gebrauchen konnte. Und als Herr Jensen mit dem Studium dann so abrupt aufhörte, wie andere sich das Rauchen abgewöhnen, brauchte er das Geld noch dringender. Und genau deshalb trug er inzwischen schon seit mehr als zehn Jahren hier die Post aus.
Matthias, der machte längst etwas anderes. Der hatte damals nicht einmal in den Sommerferien darauf wieder bei der Post gearbeitet. Das ist mir dann doch zu langweilig, hatte er zu Herrn Jensen gesagt und in irgendeinem Hotel in den Bergen gekellnert. Hätte Matthias rechtzeitig etwas gesagt und ihn damals mitgenommen, möglicherweise würde Herr Jensen jetzt dort ein Tablett voller Kaffeetassen auf die Terrasse tragen.
»Düring, Düring, Düring, Düring, … DÜRING!«
Mitnehmen war ein wichtiges Thema für seine Mutter. Frau Jensen war der Ansicht, daß ihr Sohn schon immer jemanden gebraucht habe, der ihn mitnahm, in jeder Hinsicht. Du bist nicht einmal im Hochsommer allein ins Freibad gegangen, wenn nicht auch jemand anderes dorthin ging. Wenn du in der Schule mit einem schlechten Schüler befreundet warst, hattest du die zweitschlechtesten Noten, warst du mit dem Klassenbesten befreundet, warst du der Zweitbeste, sagte sie.“

 

 1670167-970f5d2fa3c8db8b69d2d824727dae3b.jpg
Jakob Hein (Leipzig, 25 oktober 1971)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e oktober ook mijn eerste blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:02 Reageer op dit bericht

Christine D'haen, John Berryman, Hélène Swarth, Harold Brodkey, Karl Emil Franzos, Benjamin Constant

De Vlaamse dichteres en prozaschrijfster Christine D'Haen werd geboren in Sint-Amandsberg op 25 oktober 1923. Zie ook alle tags voor Christine D’Haen op dit blog en ook mijn blog van 25 oktober 2009 en ook mijn blog van 25 oktober 2010

 

Son-net

Klimmend naar 't zenit zoekt zij die haar licht
in 't lichaam stort, blind van gestolde glans,
met bevende transgressie naar zijn trans,
doch voelt door bijstere nacht zijn blik gericht

op zijn in zich verzengd eigen gezicht
weerkaatsend hun oorspronkelijk dubbelnaakt,
of 't oog gesperd de waterspiegel raakt
waar de beminde knaap verdronken ligt,

dan duikt hij naar haar schimmige tweeling-vacht,
of splijt hij met zijn vlijm gesloten schacht,
met gouden tong likkend een duister gras

ondersteboven in een woudmoeras,
of daar in zilveren ketenen gekneld
met goud bespat verzonken vrouwenspeld.

 

 

De weg

Onder de boom van verlichting zat
Siddhãrta, toen de schande ontsluierd was
van ouderdom, van ziekte, en van dood.

Ãtman zag hij, elk mens voorbij; het Licht
ging schemeren in een ledig vergezicht,
een glimlach lichaamloos achter het Rad.

Maar daar zij licht,daar weze hemel, zee,
licht dag, nacht duister, aarde, spruitend gras,
bomen met zaad, tot bakens lichten groot
en kleine, wemelende zielen, paarsgewijs,
vogels gevleugeld, kruipend dier, wild, vee.
En al het kruid zij man en vrouw tot spijs.
In 't zweet uws aanschijns eet gij brood.

 

 

Carmen

Als hij met zich (bevrijd van mij, van jou)
(zo wit blauw, vol en hol) zich onderhoudt,
zich lip op lip en keel aanschouwt,
ontvouwt zich tussen lippen klaar de ware
Narkissos' zang en tegenzang de hare.

 

 

 1670160-222e9bea439754f5f9f2b8dbd8e32dde.jpg
Christine D'haen (25 oktober 1923 – 3 september 2009)

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver John Allyn Berryman (eig. John Allyn Smith) werd geboren op 25 oktober 1914 in McAlester, Oklahoma. Zie ook alle tags voor John Berryman op dit blog en ook mijn blog van 25 oktober 2009 en ook mijn blog van 25 oktober 2010

 

Dream Song 36: The high ones die, die.

The high ones die, die. They die. You look up and who's there?
—Easy, easy, Mr Bones. I is on your side.
I smell your grief.
—I sent my grief away. I cannot care
forever. With them all align & again I died
and cried, and I have to live.

—Now there you exaggerate, Sah. We hafta die.
That is our 'pointed task. Love & die.
—Yes; that makes sense.
But what makes sense between, then? What if I
roiling & babbling & braining, brood on why and
just sat on the fence?

—I doubts you did or do. De choice is lost.
—It's fool's gold. But I go in for that.
The boy & the bear
looked at each other.
Man all is tossed
& lost with groin-wounds by the grand bulls, cat.
William Falukner's where?

(Frost being still around.)

 

 

Dream Song 27: The greens of the Ganges delta foliate

The greens of the Ganges delta foliate.
Of heartless youth made late aware he pled:
Brownies, please come.
To Henry in his sparest times sometimes
the little people spread, & did friendly things;
then he was glad.

Pleased, at the worst, except with the man, he shook
the brightest winter sun.
All the green lives
of the great delta, hours, hurt his migrant heart
in a safety of the steady 'plane. Please, please
come.

My friends,—he has been known to mourn,—I'll die;
live you, in the most wild, kindly, green
partly forgiving wood,
sort of forever and all those human sings
close not your better ears to, while good Spring
returns with a dance and a sigh.

 

 1670160-6058ef6b9944cd0702d46138dfac6a5e.jpg
John Berryman (25 oktober 1914 – 7 januari 1972)

 

 

De Nederlandse dichteres Hélène Swarth werd geboren op 25 oktober 1859 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hélène Swarth op dit blog.

 

De bolle winden blazen blauwe kuilen

De bolle winden blazen blauwe kuilen
In 't asgrauw fulp der zware wolkenlagen.
Een brede bundel zilverlicht komt vagen
De rug van 't grijze paard, dat sleept de zuilen
Van 't woud, gevelde stammen, op een wagen,
Door 't blanke heizand. Matte zon bleef schuilen.
De wegen-eiken staan als ijle tuilen,
Maar de einder-berken, schimmenbleek, vervagen.

De lucht vervullen blijder geen geruchten
Dan, uit een verre hofsteê, honden janken
En 't altoos eendre kling der paardenbellen
Versmelt met donker dodeklokken-luiden.
Maar 't somberst dunkt mij van die droeve klanken
De slag der bijlen, die de bomen vellen.

 

 

Liefde VIII

Geef mij de schoonheid van de wereld weer,
O wrede Liefde! mij door u ontstolen,
Het stromenzilver, 't rood der gladiolen,
Het blond der duinen, 't blauw van zomerweer,
De vlucht der vlinders, die om bloemen dolen,
De zachte pracht van rozen en vogelveer,
Het goud van herfstloof en het brons der peer,
De lach der zon en de ogen der violen.

Doch zo de liefste niet met mij genoot
Van wuivend gras - der aarde groene haren -
Van manezilver, goud van korenaren,
Van wolkengrijs, van morgen- en avondrood,
Van sneeuwfluweel en schuim van blanke baren,
Zo bleef voor mij der wereld schoonheid dood.

 

 1670160-1c60239169a51302eb686d05061c10fe.jpg
Hélène Swarth (25 oktober 1859 - 20 juni 1941)

 

 

De Amerikaanse schrijver Harold Brodkey werd geboren op 25 oktober 1930 als Aaron Roy Weintraub in Staunton, Illinois. Zie ook alle tags voor Harold Brodkey op dit blog en ook mijn blog van 25 oktober 2009 en ook mijn blog van 25 oktober 2010

Uit: Innocence

“She took the thrust: she convulsed a little; she fluttered all over; her skin fluttered; things twitched in her, in the disorder surrounding the phallic blow in her. After two thrusts, she collapsed, went flaccid, then toughened and readied herself again, rose a bit from the bed, aimed the flattened, mysteriously funnel-like container of her lower end at me, too high, so that I had to pull her down with my hands on her butt or on her hips; and her face, when I glanced at her beneath my lids, was fantastically pleasing, set, concentrated, busy, harassed; her body was strong, was stone, smooth stone and wet-satin paper bags and snaky webs, thin and alive, made of woven snakes that lived, thrown over the stone; she held the great, writhing-skinned stone construction toward me, the bony marvel, the half-dish of bone with its secretive, gluey-smooth entrance, the place where I was — it was undefined, except for that: the place where I was: she took and met each thrust — and shuddered and collapsed and rose again: she seemed to rise to the act of taking it; I thought she was partly mistaken, childish, to think that the center of sex was to meet and take the prick thrown into her as hard as it could be thrown, now that she was excited; but there was a weird wildness, a wild freedom, like children cavorting, uncontrolled, set free, but not hysterical merely without restraint; the odd, thickened, knobbed pole springing back and forth as if mounted on a web of wide rubber bands; it was a naïve and a complete release. I whomped it in and she went, “UHNNN!” and a half-iota of a second later, I was seated all the way in her, I jerked a minim of an inch deeper in her, and went: “UHNN!” too. Her whole body shook. She would go, “UHN!” And I would go, “UHN!”

 

 1670160-03cdd93302ae2eb96d6b90583ca073c7.jpg
Harold Brodkey (25 oktober 1930 - 26 januari 1996)

 

 

De Oostenrijkse schrijver Karl Emil Franzos werd geboren op 25 oktober 1848 in Czortków (Galicië). Zie ook alle tags voor Karl Emil Franzos op dit blog en ook mijn blog van 25 oktober 2010

Uit:Der Pojaz

»Bilde, Künstler, rede nicht!« Jedes Dichterwerk soll sich selbst erläutern. Bedarf es erst einer Erklärung, so taugt es nichts. Zudem nützt alles Erklären nichts. Ist das Werk lebensfähig, so lebt es durch die eigene Kraft; ist es als Krüppel zur Welt gekommen, so nützt ihm das Mäntelchen eines Vorworts nichts. Im Gegenteil, das Mäntelchen schadet nur. Ungeduldig zerrt der Leser an dem Gewande:«Laß mich doch selbst sehen, wie das Kind gewachsen ist!«
Dies Vorwort also soll meinen Roman weder erläutern, noch verteidigen. Es soll nur einige äußere Umstände anführen und daneben einiges sagen, was ich schon lange auf dem Herzen habe und am besten bei dieser Gelegenheit vorbringen kann.
Ich bin am 25. Oktober 1848 auf russischem Boden geboren, im Gouvernement Podolien, in einem Forsthause dicht an der österreichischen Grenze. Ich glaube nicht, daß man je die Absicht hegen wird, an diesem Hause eine Gedenktafel anzubringen; sollte aber einst irgend ein Freund meiner Schriften auf diesen Gedanken kommen, so wird er ihn nicht verwirklichen können. Das Haus steht nicht mehr; über die Stelle, wo ich zur Welt gekommen bin und die ersten Wochen meines Lebens verbracht habe, geht heute der Pflug; der gerodete Wald ist Ackerland geworden. Vor 45 Jahren wohnte dort ein wackerer deutscher Förster aus Westfalen, der meinem Vater treu anhing, weil er ihn in schwerer Krankheit am Leben erhalten hatte. Den Dank dafür trug der Mann nun ab, indem er die Familie seines Lebensretters treulich aufnahm. Denn der Spätherbst 1848 war eine böse Zeit in Ostgalizien; die Polen erhoben sich und gingen damit um, den vereinzelten Deutschen im Lande dasselbe Los zu bereiten, wie es ihre Posener Landsleute den Preußen ein halbes Jahr vorher zugefügt oder doch zuzufügen versucht. Zu den Bedrohten gehörte auch mein Vater, denn erstlich stand er als Bezirksarzt in kaiserlich königlichen Diensten, und zweitens hatte er sich immer als eifriger Deutscher betätigt. Jeden Tag regnete es Drohbriefe; auf dem flachen Lande war bereits der Aufruhr offen erklärt; im Städtchen erwartete man stets den Überfall. Man riet meinem Vater, zu flüchten; er war nicht der Mann, seinen Posten zu verlassen. So schickte er denn nur meine Mutter, die mich eben unter dem Herzen trug, und meine älteren Geschwister über die Grenze in jenes Forsthaus.“

 

 1670160-015e685e826ee89fdc91a7a80d510b1b.jpeg
Karl Emil Franzos (25 oktober 1848 - 28 januari 1904)
Cover 

 

 

De Franse schrijver Benjamin Henri Constant de Rebecque werd geboren op 25 oktober 1767 in Lausanne. Zie ook alle tags voor Benjamin Constant op dit blog en ook mijn blog van 25 oktober 2010

Uit: Le Cahier Rouge

« Je suis né le 25 octobre 1767, à Lausanne, en Suisse, d' Henriette De Chandieu, d' une ancienne famille française, réfugiée dans le pays de Vaud pour cause de religion, et de Juste Constant De Rebecque, colonel dans un régiment suisse au service de Hollande. Ma mère mourut en couches, huit jours après ma naissance.
Le premier gouverneur dont j' aie conservé un souvenir un peu distinct fut un allemand nommé Stroelin, qui me rouait de coups, puis m' étouffait de caresses pour que je ne me plaignisse pas à mon père. Je lui tins toujours fidèlement parole, mais la chose s' étant découverte malgré moi, on le renvoya de la maison. Il avait eu, du reste, une idée assez ingénieuse, c' était de me faire inventer le grec pour me l' apprendre, c' est-à-dire qu' il me proposa de nous faire à nous deux une langue qui ne serait connue que de nous : je me passionnai pour cette idée. Nous formâmes d' abord un alphabet, où il introduisit les lettres grecques. Puis nous commençâmes un dictionnaire dans lequel chaque mot français était traduit par un mot grec. Tout cela se gravait merveilleusement dans ma tête, parce que je m' en croyais l' inventeur.
Je savais déjà une foule de mots grecs, et je m' occupais de donner à ces mots de ma création des lois générales, c' est-à-dire que j' apprenais la grammaire grecque, quand mon précepteur fut chassé. J' étais alors âgé de cinq ans.
J' en avais sept quand mon père m' emmena à Bruxelles, où il voulut diriger lui-même mon éducation. Il y renonça bientôt, et me donna pour précepteur un français, M De La Grange, qui était entré comme chirurgien-major dans son régiment. Ce M De La Grange faisait profession d' être athée.»

 

 1670160-b9e0fbf590cd6d618710ae39659cbe8e.jpg
Benjamin Constant (25 oktober 1767 – 8 december 1830)

Geschreven door Romenu om 12:47 Reageer op dit bericht

Geoffrey Chaucer

De Engelse dichter Geoffrey Chaucer werd vermoedelijk rond het jaar 1343 geboren in Londen, waar zijn ouders onder andere een eigendom in Thames Street bezaten. Chaucer wordt beschouwd als de belangrijkste schrijver uit de Middelengelse literatuur. Hij was de schepper van enkele van de meest geprezen dichtwerken uit de wereldliteratuur. Chaucer was niet alleen een uitzonderlijk begaafd auteur en dichter, maar leidde ook een druk openbaar leven als soldaat, hoveling, diplomaat en ambtenaar en vervulde een verscheidenheid aan openbare functies. Tijdens die carrière was hij de vertrouweling en protegé van drie opeenvolgende koningen, namelijk Eduard III (1312-1377), Richard II (1367-1400) en Hendrik IV (1367-1413). Toch vond Chaucer de tijd om duizenden versregels te schrijven die nu nog steeds door literatuurliefhebbers hooglijk gewaardeerd en bewonderd worden. Daarmee toonde hij aan dat het Engels uit zijn tijd (thans Middelengels genoemd) net zo goed gebruikt kon worden in de poëzie als het Frans of het Latijn, wat hem die titel van 'vader van de Engelse literatuur' bezorgde. Hoewel hij vele werken schreef, wordt hij het meest geroemd voor zijn onafgewerkte raamvertelling “The Canterbury Tales”.

 

Uit:The Canterbury Tales

 

The Miller’s Tale (Fragment)

Once on a time was dwelling in Oxford
A wealthy man who took in guests to board,
And of his craft he was a carpenter.
A poor scholar was lodging with him there,
Who'd learned the arts, but all his phantasy
Was turned to study of astrology;
And knew a certain set of theorems
And could find out by various stratagems,
If men but asked of him in certain hours
When they should have a drought or else have showers,
Or if men asked of him what should befall
To anything; I cannot reckon them all.
This clerk was cleped hende Nicholas.
Of deerne love he koude and of solas;
And therto he was sleigh and ful privee,
And lyk a mayden meke for to see.
A chambre hadde he in that hostelrye
Allone, withouten any compaignye,
Ful fetisly ydight with herbes swoote;
And he hymself as sweete as is the roote
Of lycorys, or any cetewale.
His Almageste, and bookes grete and smale,
His astrelabie, longynge for his art,
His augrym stones layen faire apart,
On shelves couched at his beddes heed;
His presse ycovered with a faldyng reed
And al above ther lay a gay sautrie,
On which he made a-nyghtes melodie
So swetely that all the chambre rong;
And Angelus ad virginem he song;
And after that he song the Kynges Noote.
Ful often blessed was his myrie throte.
And thus this sweete clerk his tyme spente
After his freendes fyndyng and his rente.

 

 1688207-45674ea578c70dc14aa381f663db625b.jpg
Geoffrey Chaucer (Ca. 1343 - 25 oktober 1400)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten