Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 29 januari 2017

Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Uit: Taras Bustos en de eeuwigheid

“Pas vele slopende weken nadat hij de fatale diagnose had, durfde dokter Poliot, lijfarts van de bekende vrijgezel-miljardair Taras Bustos (Doctor Honoris Causa), zijn Baas te vertellen aan welke vreselijke ziekte hij leed.
De baas reageerde als een ware stier, en zou Poliot met een tafelaansteker de hersens ingebeukt hebben, als deze niet met een wanhopige falsetto had gekrijst: ‘Wacht, wacht, Baas Bustos. Al is mijn nietswaardige leven niet waard verder geleefd te worden, als u mocht komen te overlijden, wacht toch op mijn laatste raadgeving voordat u mij verplettert.’
Bustos gooide de massieve tafelaansteker in het open vuur. Sinds hij ziek was geworden, bivakkeerde Bustos onder de kap van de reusachtige schouw in zijn landhuis. Op een simpele ligstoel zat hij de hele dag nors voor zich uit te kijken. En hij had de vreemde gewoonte ontwikkeld om alles wat hij had aangeraakt in het vuur te werpen, ongeacht waarde of schoonheid. Dokter Poliot hield het erop dat de Baas een ontsmettingsneurose had, dat hij alles wat hij met zijn zieke handen had aangeraakt, voorgoed onschadelijk wilde maken. Maar het was toch alweer weken geleden dat hij de Baas had ingelicht dat de ziekte niet besmettelijk was, en sindsdien was de verbrandingsmanie alleen maar groter geworden. Baas Bustos ging nu zelfs zover zijn hele bed te laten verbranden, meteen als hij zich 's ochtends in de nieuwe ligstoel onder de schouw had laten zakken. Urenlang zat hij te kijken, hoe zijn personeel iedere dag het slaapkamerinterieur verbrandde in de haard. En als de voorraad brandbaar materiaal op was, kwam Bustos uit zijn stoel en bewoog zich kriskras door het huis, somber neuriënd. En alles wat hij op zijn korte wandeling aanraakte, moest vernietigd worden, tot de vloerkleden die hij met zijn sloffen had aangeraakt toe.
Vanaf de gaanderij sloeg Poliot hem soms urenlang onopgemerkt gade, doodsbang de Baas definitief in te lichten over de aard van zijn ziekte. En langzamerhand had Poliot ontdekt, dat de Baas de fatale aard van zijn kwaal moest kennen. Er was iets woests over Bustos gekomen, iets verwoestends, iets dat op een naderend einde duidde. In het huis was niets te merken van de maniakale aanval van de miljardair. Nog geen vijf minuten nadat de slaapkamer ontruimd was, droegen de mannen van een prominente firma een identiek meubelement binnen, iedere ochtend met dezelfde matte grap: ‘het wegwerpinterieur voor Doctor Bustos. Wilt u even tekenen alstublieft’.”

 

 2002725-0abf4d6510246794c8d3f2a3dd4cdbec.jpg
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)
Portret door Hennie van der Vegt. 2002

 

 

De Vlaamse schrijfster Saskia de Coster werd geboren in Leuven op 29 januari 1976. Zie ook alle tags voor Saskia de Coster op dit blog.

Uit:Wij en ik

‘Dag, lieve Heer, goedemorgen. Het is lang geleden, maar hier ben ik weer. Laat mij beginnen mel u te feliciteren met uw verpletterende overwinning in Ooszuitsland. Ik heb op de radio gehoord dat de christenen daar fameus gewonnen hebben met de verkiezingen.
Dank u voor deze dag. Ik heb nel mijn koflìe gedronken, dus het zou hier moeten lukken.
Het lijkt alsofik alleen maar bij u kom als ik iets wil wagen, wanneer ik problemen heb of weer iets gedaan wil krijgen. Ik besef dat.
Maar zie mij hier zitten. met mijn vierentachtig jaar. Het kost mij gewoon al elke dag zo veel moeite om mijn mijn ogen open tehouden dat ik aan de rest niet eens toekom. Ik geloof echt in u, lieve Meer, ook al hoort u zo weinig van mij, dat wil ik echt duidelijk maken. Het feit dat ik hier nu met u zit te praten alleen al, bewijst dat.
Ik heb u iels te vragen. Iets echts dit keer. Ik weet dat ik u al vaak met onbenulligheden heb lastiggevallen. Te vaak, achteraf bekeken.
Die keer tnen ik veertien was en examen huishoudkunde had bijvoorbeeld, het was ongepast om uw hulp daarvoor in te roepen. U zou groot gelijk hebben gehad als u me toen niet geholpen had. Ik had uw hulp trouwens niet nodig. Zo’n eenvoudig examen. Ik had de beste punten van heel de klas. De beste van eenenveertig meisjes.
Ik herinner me nog goed hoe zenuwachtig ik was de dag voor het examen. Zodra ik de vragen zag‚wist ik spek voor mijn bek. Ik wist ook dat ik nooit zou mogen verder studeren, zo slim was ik wel, om dat te weten. Ik ben ook niet dom hè, hoe had ik anders zulke slimme kinderen kunnen krijgen. Dank u daarvoor, God.”

 

 2002725-dddcf3d7334545e8cbff8816371ccc48.jpg
Saskia de Coster (Leuven, 29 januari 1976)

 

 

De Nederlandse schilder en dichter Willem Hussem werd geboren in Rotterdam op 29 januari 1900. Zie ook alle tags voor Willem Hussem op dit blog.

 

al ben ik zeventig ik plant nog bomen
laten de buren mij niet bespotten
in de geboorte schuilt de dood
het is goed het sterfuur niet te weten

we gaan
we gaan verder
het afscheid tussen ons in

 

schuimen
dagdromen
ruiters doemen uit
de zeedamp op
en verdwijnnen

 

 2002725-9cf2dbc7d29f0319afecadb502839424.jpg
Willem Hussem (29 januari 1900 - 21 juli 1974)
Willem Hussem, Boulevard, strand en zee van Scheveningen, 1936

 

 

De Nederlandse tekstdichter, columnist en schrijver Lennaert Nijgh werd geboren in Haarlem op 29 januari 1945. Zie ook alle tags voor Lennaert Nijgh op dit blog.

Uit: Heren (Column)

'Jajaja, Meneer. Neemt u het Uw personeel a.u.b. niet kwalijk. Alstublieft!'
Vijf minuten later, toen ik inmiddels vanuit de woonkamer naar buiten stond te kijken, waar de kleine rooie nog altijd dapper zat te wezen, hing Meneer weer om me heen.
'Mrôawhgnkaaa!'
Kat en mens leven niet bij brood alleen. Geloof me, er is in dit ondermaanse meer dan platweg vreten en zuipen.
Toen sprong Meneer in de vensterbank. Meteen reageerde de rooie rakker aan de andere kant van de ruit. Ik bleef roerloos staan, benieuwd wat er nu ging gebeuren. De rooie klauterde onvervaard op de tuinbank en Meneer draaide zijn enorme hoofd naar hem toe. Ze keken elkaar aan.
Het bleek weer eens dat het niet uitmaakt hoe oud een kat is, of hoe groot. Meneer verviel in hetzelfde domme tekenfilm-gedrag als jonge katjes. Hij wendde zijn blik van de rode duivel daarbuiten af, gaf een niet ter zake doend kopje aan een toch al zieltogend plantje dat bijna op de grond lazerde en keek vervolgens mij aan. Één en al liefde.
'Kom maar, Neerie. Bedje toe.'
Hij dribbelde verrukt met me mee. Ik deed het licht uit. Achter het raam zag ik nog steeds het gedrongen profiel van de jonge rooie. Ik kon hem bijna horen schreeuwen: 'Slappe Aerdenhoutse bal! Dikke zwarte kakker! Vuile VVD-er! Kom 's buiten als je durft!'
In een flits zag ik mijn eigen kleine rooie voor me, vijftien jaar geleden als één van de zes op de Westelijke Randweg overreden katten door mij in tranen van het asfalt geschraapt. Wat deed een omgevallen kamerplant er dan toe?
Even later lag Meneer naast me in bed. In zijn rokkostuum. Wijdbeens op zijn rug, snurkend. Buiten begon het te regenen. Ik sliep in met een plaatsvervangend schuldgevoel.
Meneer, de Heren hebben niet te klagen.

 

 2002725-e1d56f5e669bb44b229bd666c8d658ad.jpg
Lennaert Nijgh (29 januari 1945 - 28 november 2002)
 

 

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook alle tags voor Anton Tsjechov op dit blog.

Uit:The Lady with the Dog (Vertaald door Constance Garnett)

“It was said that a new person had appeared on the sea-front: a lady with a little dog. Dmitri Dmitritch Gurov, who had by then been a fortnight at Yalta, and so was fairly at home there, had begun to take an interest in new arrivals. Sitting in Verney's pavilion, he saw, walking on the sea-front, a fair-haired young lady of medium height, wearing a béret; a white Pomeranian dog was running behind her.
And afterwards he met her in the public gardens and in the square several times a day. She was walking alone, always wearing the same béret, and always with the same white dog; no one knew who she was, and every one called her simply "the lady with the dog."
"If she is here alone without a husband or friends, it wouldn't be amiss to make her acquaintance," Gurov reflected.
He was under forty, but he had a daughter already twelve years old, and two sons at school. He had been married young, when he was a student in his second year, and by now his wife seemed half as old again as he. She was a tall, erect woman with dark eyebrows, staid and dignified, and, as she said of herself, intellectual. She read a great deal, used phonetic spelling, called her husband, not Dmitri, but Dimitri, and he secretly considered her unintelligent, narrow, inelegant, was afraid of her, and did not like to be at home. He had begun being unfaithful to her long ago — had been unfaithful to her often, and, probably on that account, almost always spoke ill of women, and when they were talked about in his presence, used to call them "the lower race."
It seemed to him that he had been so schooled by bitter experience that he might call them what he liked, and yet he could not get on for two days together without "the lower race." In the society of men he was bored and not himself, with them he was cold and uncommunicative; but when he was in the company of women he felt free, and knew what to say to them and how to behave; and he was at ease with them even when he was silent. In his appearance, in his character, in his whole nature, there was something attractive and elusive which allured women and disposed them in his favour; he knew that, and some force seemed to draw him, too, to them.
Experience often repeated, truly bitter experience, had taught him long ago that with decent people, especially Moscow people — always slow to move and irresolute — every intimacy, which at first so agreeably diversifies life and appears a light and charming adventure, inevitably grows into a regular problem of extreme intricacy, and in the long run the situation becomes unbearable. But at every fresh meeting with an interesting woman this experience seemed to slip out of his memory, and he was eager for life, and everything seemed simple and amusing "

 2002725-56890116768fd69d9f0a798d7c555989.jpg
Anton Tsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)
In 1887

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e januari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 14:47 Reageer op dit bericht

Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer, Mirjam Müntefering

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, geboren op 29 januari 1962. Zie ook alle tags voor Olga Tokarczuk op dit blog.

Uit: Runners (Vertaald door Jennifer Croft)

“Kunicki has a good job. At work he’s a free man. He works as a sales representative for a big Warsaw publisher–representative, meaning he peddles books. He has several spots in town he has to stop by every so often to tout his wares; he always brings them the latest stuff and makes them special offers.
He drives up to a little store on the outskirts of town and gets the order he’s fulfilling out of the trunk of his car. The store is called Book and School Supplies Store, it’s too small to give itself such airs as a specific name, and anyway, most of what it sells is just notebooks and textbooks.
The order fits into a plastic box: guidebooks, two copies of the sixth volume of the encyclopedia, the memoirs of a famous actor, and the latest bestseller by the unrevealing title of Constellations–a whopping three copies of this. Kunicki promises himself he’s going to read it. They serve him coffee and a slice of cake. They like him. Washing down mouthfuls of cake with the coffee, he shows them the new catalog. This sells well, he says, and this right here gets ordered all the time. Such is Kunicki’s job. As he’s leaving he purchases a calendar that’s on clearance.
In the evening in his tiny office he fills in the publisher’s corporate forms with the orders he’s gotten; he sends the forms by email. He’ll receive the books in the morning.
He takes deep, relieved breaths, inhaling the smoke from his cigarette: the work day is done. He’s been waiting for this moment since morning so he can look through the pictures in peace. He hooks up the camera to the computer.”

 

 2002721-bd222d6ebde84833ffd918a014d659fd.jpg
Olga Tokarczuk (Sulechów, 29 januari 1962)

 

 

De Nederlandse dichter Hubert Kornelisz. Poot werd geboren in Abtswoude op 29 januari 1689. Zie ook alle tags voor Hubert K. Poot en ook voor Hubert Poot op dit blog.

 

Zomerse Avond

De moede zonnewagen
Staat vrachtloos, d' avondzon
Zinkt in de westerpekelbron.
Aldus ontglippen ons de wentelende dagen.
De star der Mingodin
Ziet d' eerste op 't aardtrijk neder.
Mineias dochters vliegen weder:
Ook spant de stille Nacht zijn zwarte paarden in.
Wij zien de schemeringen
Verdikken, waar we staan.
Alrede heft de gulden maan
Haar horens op, en rukt ter bane in harer kringen.
Hoe rust het hangend loof
Der luisterende bomen!
Geen wind beroert de vlakke stromen.
Het slaperige veld wordt blind en stom en doof.
Thans telt de herder blijer
't Gestalde vee, half vet.
De melkmeid schikt haar hoofddoek net,
En wacht met ongeduld de komst van hare vrijer.
De stad, het woelen moe,
Sluit, angstig voor gevaren
Die in 't bedrieglijk duister waren,
Haar logge poorten, en elk huis zijn deuren toe.
Voort biên de heuse bedden
De matte werkliên rust.
De halve wereld voelt met lust
Zich uit de dichte drom der daagse zorgen redden.
Ware Amaril nu mijn,
Wij zouden onder 't schuilen
Voorwaar geen droge kusjes ruilen;
Maar och! zal mij 't geluk wel ooit zo gunstig zijn?

 

 2002721-c64c732964606f3eb273bdc1f17255f9.jpg
Hubert K. Poot (29 januari 1689 - 31 december 1733)
Poot op dertigjarige leeftijd geschilderd door Thomas van der Wilt

 

 

De Franse schrijver Romain Rolland werd geboren op 29 januari 1866 in Clamecy. Zie ook alle tags voor Romain Rolland op dit blog.

Uit: Jean Christophe

“Telle est l’infirmité de la nature humaine! Soyez bon, pitoyable, intelligent, ayez souffert mille morts : vous ne sentirez pas la douleur de votre ami qui a mal aux dents. Si la maladie se prolonge, on est tenté de trouver que le malade exagère ses plaintes. Combien plus, lorsque le mal est invisible, au fond de l’âme! Celui qui n’est pas en cause trouve irritant que l’autre se fasse tant de bile pour un sentiment qui ne lui importe guère. Et enfin, l’on se dit , pour mettre sa conscience en repos :
“Qu’y puis-je? Toutes les raisons ne servent de rien.”
Toutes les raisons, cela est vrai. On ne peut faire du bien qu’en aimant celui qui souffre, en aimant bêtement, sans chercher à le convaincre, sans chercher à la guérir, en l’aimant et en le plaignant. L’amour est le seul baume aux blessures de l’amour. Mais l’amour n’est pas inépuisable, même chez ceux qui aiment le mieux; ils n’en n’ont qu’une provision limitée. Quand les amis ont dit ou écrit une fois tout ce qu’ils ont pu trouver de paroles d’affection, quand à leurs propres yeux ils ont fait leur devoir, ils se retirent prudemment, ils font le vide autour d’un patient, ainsi que d’un coupable. Et comme ils ne sont pas dans une honte secrète de l’aimer aussi peu, ils l’aident de moins en moins; il cherchent à se faire oublier, à oublier eux-mêmes. Et si le malheur importun s’obstine, si un écho indiscret pénètre jusqu’à leur retraite, ils en viennent à juger sévèrement cet homme sans courage, qui supporte mal l’épreuve. Soyez sûrs que s’il succombe, il se trouvera au fond de leur pitié sincère cette sentence dédaigneuse:
“Le pauvre diable! J’avais de lui une meilleur opinion.”

 

 2002721-dc7843535d151083e7a6a074ce691471.jpg
Romain Rolland (29 januari 1866 – 30 december 1944)
In 1921

 

 

De Australische literatuurwetenschapper en publiciste Germaine Greer werd geboren in Melbourne op 29 januari 1939. Zie ook alle tags voor Germasine Greer op dit blog.

Uit: The Female Eunuch

“Maybe I couldn’t make it. Maybe I don’t have a pretty smile, good teeth, nice tits, long legs, a cheeky arse, a sexy voice. Maybe I don’t know how to handle men and increase my market value, so that the rewards due to the feminine will accrue to me. Then again, maybe I’m sick of the masquerade. I’m sick of pretending eternal youth. I’m sick of belying my own intelligence, my own will, my own sex. I’m sick of peering at the world through false eyelashes, so everything I see is mixed with a shadow of bought hairs; I’m sick of weighting my head with a dead mane, unable to move my neck freely, terrified of rain, of wind, of dancing too vigorously in case I sweat into my lacquered curls. I’m sick of the Powder Room. I’m sick of pretending that some fatuous male’s self-important pronouncements are the objects of my undivided attention, I’m sick of going to films and plays when someone else wants to, and sick of having no opinions of my own about either. I’m sick of being a transvestite. I refuse to be a female impersonator. I am a woman, not a castrate.”
(…)

“In the struggle to remain a complete person and to love from her fullness instead of her inadequacy a woman may appear hard. She may feel her early conditioning tugging her in the direction of surrender, but she ought to remember that she was originally loved for herself; she ought to hang on to herself and not find herself nagging, helpless, irritable and trapped. Perhaps I am not old enough yet to promise that the self-reliant woman is always loved, but she cannot be lonely as long as there are people in the world who need her joy and her strength, but certainly in my experience it has always been so. Lovers who are free to go when they are restless always come back; lovers who are free to change remain interesting. The bitter animosity and obscenity of divorce is unknown where individuals have not become Siamese twins. A lover who comes to your bed of his own accord is more likely to sleep with his arms around you all night than a lover who has nowhere else to sleep.”

 

 2002721-21c744f2e520473d06613343c532c0e7.jpg
Germaine Greer (Melbourne, 29 januari 1939)

 

 

De Duitse schrijfster Mirjam Müntefering werd geboren op 29 januari 1969 in Neheim. Zie ook alle tags voor Mirjam Müntefering op dit blog.

Uit: Ada sucht Eva

„Sie will den Roman mit einer Sexszene beginnen lassen.
Nicht etwa, weil sie im wirklichen Leben auch so schnell zur Sache kommt. Sondern weil sie es liebt, wenn die Ordnung der Dinge auf den Kopf gestellt wird.
Niemand beginnt einen Roman mit einer Sexszene. Also will sie es tun.
Aber zu der Zeit, zu der diese Geschichte beginnt, lebt sie allein. Sie hat keinen Sex.
In dem orange beleuchteten Tunnel stank es nach Pisse und Autoabgasen. Ich ging so langsam, wie es gerade noch erträglich war. Wenn ich Glück hatte. würde jetzt einer kommen. Es war nach Mitternacht. und ich war allein im Tunnel.
Ich hatte Glück. Ein Zug donnerte über meinen Kopf hinweg. Seine Räder rumpelten über die Gleise. Aber es waren die Verbindungen, die das Donnern machten. Die Verbindungen zwischen zweien und allen anderen. Dieses Badong-Badong-Badong.“
Das ist die einzige Möglichkeit im Leben eines normalen Menschen, aus vollem Halse zu schreien. Weil einfach niemand es hört. Niemand nimmt Anstoß. Niemand sagt »Die spinnt« und erklärt einen damit zum Anormalen. Was fiir eine Gelegenheit! Ich legte den Kopf in den Nacken und schrie. Nur die Lautstärke zählte. Ich ließ meine Lungen zittern. Dann sah ich mich um und lachte. Du kannst nie sicher sein, ob nicht doch einer hinter dir geht."

 

 2002721-5e7daaae3679fcd2abde6862a9f73f2b.jpg
Mirjam Müntefering (Neheim, 29 januari 1969)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 14:47 Reageer op dit bericht

Vicente Blasco Ibáñez, Serap Çileli, Gert Hofmann, Muna Lee, Johann Seume

De Spaanse schrijver Vicente Blasco Ibáñez werd geboren op 29 januari 1867 in Valencia. Zie ook alle tags voor Vicente Blasco Ibáñez op dit blog.

Uit:  The Four Horsemen of the Apocalypse  (Vertaald door Charlotte Brewster Jordan)

"And Julio, in his special delivery letter, had proposed meeting in this place, supposing that it would be as little frequented as in former times. She, too, with the same thoughtlessness, had in her reply, set the usual hour of five o’clock, believing that after passing a few minutes in the Printemps or the Galeries on the pretext of shopping, she would be able to slip over to the unfrequented garden without risk of being seen by any of her numerous acquaintances.
Desnoyers was enjoying an almost forgotten sensation, that of strolling through vast spaces, crushing as he walked the grains of sand under his feet. For the past twenty days his rovings had been upon planks, following with the automatic precision of a riding school the oval promenade on the deck of a ship. His feet accustomed to insecure ground, still were keeping on terra firma a certain sensation of elastic unsteadiness. His goings and comings were not awakening the curiosity of the people seated in the open, for a common preoccupation seemed to be monopolizing all the men and women. The groups were exchanging impressions. Those who happened to have a paper in their hands, saw their neighbors approaching them with a smile of interrogation. There had suddenly disappeared that distrust and suspicion which impels the inhabitants of large cities mutually to ignore one another, taking each other’s measure at a glance as though they were enemies.
“They are talking about the war,” said Desnoyers to himself. “At this time, all Paris speaks of nothing but the possibility of war.”
Outside of the garden he could see also the same anxiety which was making those around him so fraternal and sociable. The venders of newspapers were passing through the boulevard crying the evening editions, their furious speed repeatedly slackened by the eager hands of the passers—by contending for the papers. Every reader was instantly surrounded by a group begging for news or trying to decipher over his shoulder the great headlines at the top of the sheet."

 

 2002716-525a9eb4878b399d80a40f100bba5f00.png
Vicente Blasco Ibáñez (29 januari 1867 – 28 januari 1928)
Portret door Joaquin Sorolla, 1906

 

 

De Turks-Duitse dichteres en schrijfster Serap Çileli werd geboren op 29 januari 1966 in Mersin. Zie ook alle tags voor Serap Çileli op dit blog.

Uit: Eure Ehre - unser Leid

„Das war meine einzige Chance auf ein eigenständiges, selbst bestimmtes Leben. Trotz all dem Leid, das sie mir angetan hatten, war die Abnabelung von Mutter und Vater, von den Geschwistern und den übrigen Verwandten nicht einfach und kostete mich viele schlaflose Nächte und noch viel mehr Tränen. Ich war in einem ständigen Widerstreit zwischen Verstand und Gefühl, zwischen Kopf und Bauch. Ein Prozess, der sich schwer in Worte fassen lässt. Lange konnten mein Herz und mein Verstand nicht zueinander finden.
Aber das Schreiben hat mir geholfen, es hatte therapeutischen Wert für mich. Mich dem stummen Blatt Papier anzuvertrauen, war der einzige Weg für mich, den inneren Frieden zu finden.
Es war ein Abschiednehmen von meinen Wurzeln und meiner alten Geschichte. Während ich schrieb, habe ich natürlich auch viel gelesen. Ich entdeckte die Frauenliteratur, las über die Rolle der Frau als Mutter und »Hüterin des Hauses« und darüber, dass man uns seit Jahrhunderten weiszumachen versuchte, dies läge in der »Natur der Frau«. Und dass dieses »Naturgesetz« unter keinen Umständen zu missachten sei. Die Lektüre von Betty Friedan, Simone de Beauvoir, Rosalind Miles und Christa Mulack ebenso wie Oriana Fallaci und Taslima Nasrin haben mir nicht nur in meiner Selbstfindung sehr geholfen, ich konnte plötzlich meine eigene Geschichte besser einordnen, und ich begann zu begreifen, dass muslimisch-türkische Frauen seit Jahrhunderten im Namen der Religion unterdrückt und versklavt wurden.
Im Schreiben hatte ich jetzt endlich eine Möglichkeit gefunden, meine Gefühle, Gedanken, Erinnerungen, Eindrücke, Erfahrungen und meinen Zorn gegen jegliche Unterordnung der muslimischen Frauen festzuhalten. Wenn ich alles, was mir widerfahren war, aufschrieb, konnte ich möglicherweise meine muslimischen Leidensgenossinnen vor ähnlichen Ungerechtig-keiten bewahren.“

 

 2002716-f2a69ce0128fbebb9e36049d8b28e0dd.jpg
Serap Çileli (Mersin, 29 januari 1966)

 

 

De Duitse schrijver Gert Hofmann werd geboren op 29 januari 1931 in Limbach in Sachsen. Zie ook alle tags voor Gert Hofmann op dit blog.

Uit: Zur Phänomenologie des Snobs

„Etwas später, nun haben wir uns gewaschen und angezogen, nun steht die Sonne am Himmel, sage ich zu meiner Frau: Das mache ich schon! und gehe, weil der Sänger noch singt, durch den Korridor zu Kaspars Tür. Ich klopfe, werde lange nicht gehört, dann ruft eine Stimme: Herein! Aufs neue erschrocken, daß es nicht Kaspar ist, der in seinem Zimmer ruft, stoße ich die Tür auf, trete ein. Und sehe statt Kaspar, mit dem ich insgeheim immer noch rechne – obwohl ich ihn mit eigenen Augen in die Erde habe fahren sehen – einen Mann in Kaspars Alter, wenn auch sonst ganz anders, auf Kaspars Stuhl vor Kaspars Klavier sitzen, sehe, er lächelt mich an. Ich bin Popper, sagt er. Dann die Begrüßung, der Händedruck, er ist aufgestanden, ich sage ihm, wer ich selber bin, er freut sich und klopft mir auf die Schulter und faßt mich, als er hört, daß ich komponiere, an einer Operette bin, beim Ellenbogen und führt mich in seinen Zimmern herum, deren Möbel er, um sich von Kaspar abzusetzen, umgestellt hat, aber er erklärt mir alles, auch wo sie gestanden haben. Schließlich, mit einer großen Geste, zeigt er mir, wo bei ihm der Whisky steht.“

 

 2002716-28c11271207462c63b9b9befd3ebe8ea.jpg
Gert Hofmann (29 januari 1931 – 1 juli 1993)

 

 

De Duitse schrijver en dichter Johann Gottfried Seume werd geboren op 29 januari 1763 in Posema, Sachsen-Anhalt. Zie ook alle tags voor Johann Gottfried Seume op dit blog.

 

Die Aehnlichkeit

Frau Rose nahm den kleinen Jungen,
Der jubelnd um sie hergesprungen,
Mit mütterlichem Wohlbehagen,
Um ihn mit Trommel, Flint' und Wagen
Zu Töffeln, ihrem Mann, zu tragen.
Sieh sieh doch, Töffel, sprach Frau Rose,
Wie rasch er ist, wie flink und lose;
Schau nur einmahl dem kleinen Wichte
Auf jeden Zug im Angesichte;
Er ist von Kopf bis zu den Sohlen
Im Ebenbild mir abgestohlen:
So schelmisch, sieh doch nur zum Spaße
Das Kinn, die Stirn, den Mund, die Nase! -
Ey, daran ist nun wohl kein Zweifel,
Sprach Töffel, und schob seine Mütze
Ein wenig von dem Grillensitze;
Nur daß er mir nicht gleicht, das ist der Teufel.

 

 

Nach dem Regen

Es hatten die Raben geächzet,
Es hatten die Fluren gelechzet,
Der Pflüger zog traurig vorbei;
Der Regen war niedergesunken,
Es hatte nun Alles getrunken,
Und Alles war fröhlich und frei.

Der Schmelz der erfreulichen Saaten,
Als wären sie nun schon gerathen,
Entzückte das Auge mit Lust;
Die Blüthe der herrlichen Pfirsche,
Des röthlichen Apfels, der Kirsche,
Erweiterte heilend die Brust.

Der Furcher mit seinen Genossen,
Den muthigen, wiehernden Rossen,
Verdoppelt den Schritt im Gesang;
Die ehrlichen, häuslichen Stiere,
Als wären's vernünftige Thiere,
Gehn stolz den beschwerlichen Gang.

Die Gärtner mit Rechen und Kannen
Besehen die Pflanzung der Tannen;
Es hat sie der Himmel getränkt,
Und, wie den verdursteten Fluren,
Hat Gott den bessern Naturen
Zum Mai noch ein fröhliches Antlitz geschenkt.

 

 2002716-42f5ddd71664416f7e31adab48b3626b.jpg
Johann Gottfried Seume (29 januari 1763 – 13 juni 1810)
Portret door Veit Hanns Schnorr von Carolsfeld, 1798

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Muna Lee werd geboren op 29 januari 1895 in Raymond, Mississippi. Zie ook alle tags voor Muna Lee op dit blog.

 

Caribbean Marsh

Acres of mangrove, crowding the sea-streaked marsh,
Acres of mangrove, wading toward the beaches,
And here and there a milky-white bloom tossed
On fragile boughs above the flooded reaches.
Mangrove thrusts deep in salty mud,
Balances uneasily upon its three-pronged roots,
Huddles from wind in its dissonance of leaves.
Tempest and drought it has withstood,
This straggling orchard that bears no fruits,
This field where none will garner sheaves.
Sucking life up from the acrid marsh,
Drawing life down from the burning sun,
All the year offers of crude and harsh
There between sea and shore it has known.
Wave and glare, sea-urge, sea-drift,
It has been their victim, proved their power,
Persisting bleakly for one end alone—
Through an unheeded hour
Briefly, awkwardly, to lift
This frail, inconsequent flower.

 

 2002716-3ff4eccc848ad1d0b96024e77f3214d8.jpg
Muna Lee (29 januari 1895 – 3 april 1965)
Lee (links) met de Duitse politica Louise Schroeder, 1921

 

Geschreven door Romenu om 14:37 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten